Call for proposals, NWA Gemeentelijk beleid voor biodiversiteitsherstel, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

2025

Inhoudsopgave

1

Inleiding

1

 

1.1 Achtergrond

1

 

1.2 Beschikbaar budget

2

 

1.3 Indieningsdeadline(s)

2

2

Doel

2

 

2.1 Doelstelling van het programma

2

 

2.2 Inhoudelijk kader

3

 

2.3 Maatschappelijke impact

6

 

2.4 Consortiumvorming

7

3

Voorwaarden voor aanvragers

7

 

3.1 Wie kan aanvragen

7

 

3.2 Wat kan worden aangevraagd

11

 

3.3 Het opstellen en indienen van de aanvraag

12

 

3.4 Indieningsvoorwaarden

14

 

3.5 Subsidievoorwaarden

14

4

Beoordelingsprocedure

17

 

4.1 De San Francisco Declaration (DORA)

17

 

4.2 Procedure

17

 

4.3 Criteria

23

5

Subsidieverplichtingen

24

 

5.1 Inhoudelijke monitoring

24

 

5.2 Verantwoording en afsluiting

24

 

5.3 Programma-activiteiten

24

 

5.4 Datamanagement

25

 

5.5 Intellectueel eigendom en consortiumovereenkomst

25

 

5.6 Maatschappelijk verantwoord licentiëren

26

 

5.7 Commissie

26

 

5.8 Open Access

26

6

Contact en overige informatie

26

 

6.1 Contact

26

 

6.2 Overige informatie

27

7

Bijlagen

27

 

7.1 Toelichting op budgetmodules

27

 

7.2 Indexering

31

 

7.3 Onderzoekorganisaties

32

1 Inleiding

In deze Call for proposals leest u hoe de aanvraagprocedure is ingericht voor de subsidieronde NWA Gemeentelijk beleid voor biodiversiteitsherstel. Deze Call for proposals valt onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

U vindt in deze Call for proposals achtereenvolgens informatie over het doel van dit programma (hoofdstuk 2), de voorwaarden voor de subsidieaanvraag (hoofdstuk 3) en hoe uw aanvraag wordt beoordeeld (hoofdstuk 4). Deze informatie heeft u nodig om een aanvraag voor subsidie te kunnen indienen. In hoofdstuk 5 vindt u de subsidieverplichtingen die van toepassing zijn in geval van toewijzing. In hoofdstuk 6 staan de contactgegevens en in hoofdstuk 7 de bijlagen.

1.1 Achtergrond

Wat wil Nederland weten? Vanuit die gedachte is de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) door een innovatief proces met de inbreng van burgers en wetenschappers tot stand gekomen: elke Nederlander kreeg de kans om online vragen aan de wetenschap te stellen. Deze oproep leverde maar liefst 11.700 vragen op, over de meest uiteenlopende onderwerpen. Deze zijn gebundeld in 140 grote vraagstukken, de zogeheten ‘clustervragen’. Rond deze clustervragen zijn vanuit onderzoekers en maatschappelijke organisaties 25 netwerken ontstaan, die de naam NWA-routes kregen. Deze netwerken kregen een eigen routemanagement en ontwikkelen, geïnspireerd door de clustervragen in de NWA-agenda, kennisagenda’s, organiseren bijeenkomsten en communicatieactiviteiten. De 25 NWA-routes en bijbehorende clustervragen zijn te vinden via Routes|NWO.

De NWA omvat complexe vraagstukken waar samenwerking tussen onderzoekers vanuit verschillende disciplinaire achtergronden en kennisorganisaties en maatschappelijke (publieke en private) organisaties meerwaarde heeft. Hierin stroomt nieuwe kennis door van onderzoeker naar gebruiker en nieuwe vragen vanuit de praktijk en de samenleving vinden een ingang in nieuw onderzoek. Het NWA-programma stimuleert daarom samenwerking tussen verschillende partners in de overtuiging dat men meer kan bereiken met elkaar dan ieder afzonderlijk.

De kernelementen van de NWA zijn:

  • De Nationale Wetenschapsagenda die gevormd wordt door de 140 clustervragen en de 25 routes;

  • Kennisketenbrede1 en interdisciplinaire consortia, waarin onderzoekers vanuit verschillende disciplinaire achtergronden en kennisorganisaties en maatschappelijke (publiek en private) organisaties en (waar relevant) burgers samenwerken aan de complexe vraagstukken;

  • Maatschappelijke organisaties, samenleving en burgers hebben een duidelijke rol in het onderzoek;

  • Het in dialoog en interactie delen van de resultaten met de samenleving.

De uitvoering van het programma voor de Nationale Wetenschapsagenda is door het Ministerie van OCW in 2018 belegd bij NWO. De NWA omvat vier programmalijnen2:

Deze Call for proposals ‘NWA Gemeentelijk beleid voor biodiversiteitsherstel’ wordt gerealiseerd in het kader van programmalijn 2. Bij deze Call for proposals zijn de Ministeries van OCW en LVVN de initiatiefnemers.

1.2 Beschikbaar budget

Het subsidieplafond voor deze Call for proposals bedraagt in totaal € 3.820.000. Binnen deze Call for proposals wordt naar verwachting maximaal 1 volledige aanvraag toegewezen.

1.3 Indieningsdeadline(s)

Bij het indienen van uw aanvraag in ISAAC dient u ook online nog gegevens in te voeren. Begin daarom ten minste één dag vóór de deadline van deze Call for proposals met het indienen van uw aanvraag.

Aanvragen die na de deadline worden ingediend, worden niet in behandeling genomen.

De deadline voor het indienen van vooraanmeldingen is dinsdag 3 februari 2026, voor 14:00:00 CET.

De synergieworkshops vinden plaats tussen juli en december 2026. Meer informatie kunt u vinden op de financieringspagina van deze Call for proposals.

De deadline voor het indienen van aanvragen is dinsdag 2 maart 2027, voor 14:00:00 CET.

De deadline voor het indienen van een verzoek tot toetsing van (buitenlandse) organisaties (zie paragraaf 3.1 en paragraaf 7.1.1) is 20 januari 2026, voor 14:00:00 CET voor vooraanmeldingen, en 16 februari 2027 voor 14:00:00 CET voor aanvragen.

2 Doel

Dit hoofdstuk beschrijft de doelstelling van het programma en de maatschappelijke impact.

2.1 Doelstelling van het programma

Deze Call for proposals roept kennisinstellingen en maatschappelijke partijen op tot het gezamenlijk ontwikkelen van wetenschappelijke praktijkgeoriënteerde onderzoeksvoorstellen gericht op het thema natuurinclusief gemeentelijk beleid voor biodiversiteitsherstel in bebouwd gebied. De consortia werken inter- en transdisciplinair en zijn kennisketenbreed samengesteld. Dat houdt in dat het programma fundamenteel, toegepast en praktijkgericht onderzoek verbindt en aansluit op de kennisbehoefte vanuit de maatschappelijke partijen.

Deze Call for proposals past binnen de NWA-Route Groene route: natuur en biodiversiteit in een snel veranderende omgeving en Smart, liveable cities. Binnen deze routes wil het onderzoek bijdragen aan kennisontwikkeling en handelingsperspectieven voor gemeentelijk beleid voor biodiversiteitsherstel in bebouwd gebied.

Het doel van het NWA Lijn 2 programma ‘Gemeentelijk beleid voor biodiversiteitsherstel’ is kennisontwikkeling voor de transitie naar natuurinclusief gemeentelijk beleid voor biodiversiteitsherstel in bebouwd gebied. Toenemende druk op klimaat, natuur en biodiversiteit resulteert in afname van de natuurkwaliteit en verlies van biodiversiteit, degraderende bodems en vervuild oppervlaktewater. Deze trend moet worden gekeerd. De druk ontstaat mede door de oplossingen die gezocht worden voor belangrijke maatschappelijke opgaven in woningbouw, recreatie, energietransitie, stikstofproblematiek, landbouw of industrie. Het belang van natuur en biodiversiteit delft hierbij dikwijls het onderspit, terwijl (gezonde) natuur de basis is voor deze maatschappelijke opgaven. De combinatie van deze opgaven komt in belangrijke mate samen op gemeentelijk niveau en vraagt van beleidsmakers een integrale blik vanuit verschillende beleidssectoren.

Het NWA-programma ‘Gemeentelijk beleid voor biodiversiteitsherstel’ richt zich op de ontwikkeling van kennis die een transformatieve verandering gericht op biodiversiteitsherstel en – behoud ondersteunt. De beoogde transformatieve verandering wordt hier opgevat als een fundamentele, systeembrede verandering van technologische, economische en sociale factoren.3 Het programma beweegt zich op het snijvlak van kennis en beleid en wil door middel van living-labs bijdragen aan:

  • handelingsperspectieven voor natuurinclusieve beleidsontwikkeling, politieke besluitvorming en beleidsuitvoering op gemeentelijk niveau in de bebouwde omgeving;

  • betere benutting van kennis en kennisuitwisseling tussen onderzoek en gemeentes en tussen gemeentes onderling en met andere overheden, en;

  • maatschappelijk inzicht en bewustwording in de eigen gemeentelijke organisatie dat natuur een hard belang en voor de samenleving van grote waarde is.

Living labs zorgen ervoor dat in het onderzoek vragen vanuit de gemeentelijke praktijk centraal komen te staan. Het programma richt zich op de bebouwde omgeving op gemeentelijk niveau.

2.2 Inhoudelijk kader

2.2.1 Maatschappelijk probleem

De gestage aantasting van de levende natuur door menselijke activiteiten leidt tot de vermindering van soortenrijkdom (biodiversiteit) en degradatie van ecosystemen. Het tegengaan van biodiversiteitsverlies is een immense uitdaging voor zowel de maatschappij als de wetenschap.

Ondanks de urgentie van de problematiek wordt het maatschappelijk belang van biodiversiteit onvoldoende begrepen of onderkend als voorwaarde voor leefbaarheid en adaptatie aan klimaatverandering in de bebouwde omgeving.

Biodiversiteit en ecosystemen zijn voor onze samenleving cruciaal, bijvoorbeeld voor gezonde luchtkwaliteit, gewasbestuiving, drinkbaar water, voor grond- en voedingsstoffen, recreatie en kwaliteit van leven.4 Deze zogenaamde ecosysteemdiensten beschermen mensen ook tegen ziekten, droogte en extreem weer. Ook economische activiteit is in belangrijke mate afhankelijk van ecosysteemdiensten.5 Ecosysteemdiensten zijn afhankelijk van grote biodiversiteit binnen ecosystemen.6 Om de bebouwde omgeving gezond en leefbaar te houden moeten ecosysteemdiensten gewaarborgd worden door natuur en biodiversiteit te beschermen, te behouden en te herstellen.

Het is belangrijk om biodiversiteit op volwaardige wijze mee te wegen of biodiversiteit juist voorrang te geven in beleid en beleidsbeslissingen op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Het NWA programma ‘Gemeentelijk beleid voor biodiversiteitsherstel’ richt zich op het gemeentelijk niveau en moet bijdragen aan de ontwikkeling van door kennis onderbouwde handelingsperspectieven hiervoor. Het onderzoek in het NWA-programma moet bijdragen aan een integrale blik op natuurbeleid en aan politiek en maatschappelijk draagvlak, maar ook inzicht geven in hoe normen kunnen bijdragen aan effectief behoud en herstel van biodiversiteit. In het programma wordt ook kennis ontwikkeld over hoe de samenleving, zowel overheden als burgers, kunnen worden doordrongen van het feit dat natuur niet louter een zacht belang is en dat dit niet zonder grote maatschappelijke gevolgen opzij kan worden geschoven. Ook wordt onderzocht hoe er, op beleidsterreinen zoals financiën, ruimtelijke ordening en stedenbouw, recreatie, welzijn of economische zaken en bij beheer van de ruimtelijke omgeving, inzicht kan worden ontwikkeld in de intrinsieke waarde van biodiversiteit, het belang van ecosysteemdiensten en het voordeel ervan voor de mens. Van daaruit kan worden gezocht naar gedeelde belangen in de ontwikkeling en uitvoering van beleid. Ook een aansprekende toekomstvisie op hoe een natuurinclusieve gemeente eruit zou kunnen zien kan bijdragen aan het begrip van de waarde van het behoud en herstel van biodiversiteit bij burgers, bedrijven, overheden en besluitnemers, zodat de noodzaak om tot concrete acties te komen breed draagvlak krijgt.

Natuurinclusief

Door de huidige manier waarop we leefomgeving inrichten en beheren verdwijnen dieren en plantensoorten. Natuurinclusiviteit betekent dat we in de ontwikkeling en beheer van de ruimte (zoals gebouwen, wegen en openbaar groen) bewust rekening houden met het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving en met de behoeften van planten en dieren, zodat biodiversiteit behouden blijft of toeneemt. Het gaat daarbij om de inrichting van de ruimte (inheemse planten), het milieu (bodemkwaliteit, nutriënten, hydrologie) en het ecologisch beheer van de leefomgeving.

Natuurinclusief beleid draagt bij aan het borgen van de hierboven genoemde ecosysteemdiensten.

Beleidsachtergrond

Voor natuurinclusiviteit in de bebouwde omgeving bestaan er diverse programma’s. Het programma 'Groen in en om de stad’ werkt aan de vergroeningsopgave in stedelijk gebied gekoppeld aan klimaatadaptatie en gezondheid.7 Het Collectief Natuurinclusief werkt in een publiek-private samenwerking aan het integreren van natuur in tien maatschappelijke en economische domeinen, zoals bij (nieuw)bouw, infrastructuur, recreatie en gezondheid.8 De Basiskwaliteit Natuur biedt een kader voor maatregelen voor het realiseren van biodiversiteit in landelijk en stedelijk gebied.9

In het VN Biodiversiteitsverdrag is het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework (GBF) vastgesteld waarvoor recent een nationaal actieplan (NBSAP) is gepubliceerd.10 Het grotere plaatje waarom we werken aan biodiversiteit is verwoord in het Global Assesment11 van het Intergovernmental Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) dat zich richt op het behoud van ecosysteemdiensten, ook als soorten uitsterven. Hiervandaan is de EU-Natuurherstelverordening aangenomen, die zich ook richt op stedelijke ecosystemen.12 Naast het hier genoemde natuurbeleid voor de bebouwde omgeving is er Nederlands en Europees beleid dat bijdraagt aan biodiversiteit in natuurgebieden.13 Deze call richt zich echter specifiek op gemeentelijk beleid voor bebouwd gebied.

Op dit ogenblik wordt vanuit Rijksbeleid rond natuur gewerkt vanuit een aantal aannames, die doorwerken in concrete acties. In het onderzoek kunnen deze aannames getoetst en bijgesteld worden. Het gaat om de aannames dat draagvlak bij de burger, beleidsmakers en politiek groeit door:

  • Begrijpelijk te maken wat biodiversiteit is, hoe het werkt en vooral ook wat het oplevert voor burgers/beleid/politiek en aansluit bij belangrijke waarden: verbeteren ecosystemen leidt tot ecosysteemdiensten waar mens en economie van profiteren.

  • In het narratief over de natuur aansluiting te zoeken bij de leefwereld en dominante waarden van burger, politiek, en bedrijfsleven.

  • Stakeholders te betrekken bij besluiten over wat er in hun omgeving aan natuurherstel/biodiversiteit gebeurt.

2.2.2 Benodigd onderzoek

Voor behoud en versterking van de biodiversiteit speelt de openbare ruimte, en dus gemeentes die hiervoor verantwoordelijk zijn, een belangrijke rol. Gemeentes maken keuzes die rechtstreeks invloed hebben op de natuur en de groene ruimte, zowel kwalitatief als kwantitatief. Op veel terreinen binnen gemeentes zijn systeemveranderingen noodzakelijk: vaste gewoonten en gevestigde belangen op het gebied van besluitvorming, beleid en uitvoering zullen moeten worden veranderd. Gemeentelijk beleid zal daarin een initiërende en funderende rol spelen terwijl het zelf ook onderdeel is van het systeem. De transitie omvat een verandering in hoe beleid georganiseerd, ontwikkeld en uitgevoerd wordt, hoe mensen met elkaar en de natuur omgaan, het landgebruik, en het vertrouwen dat burgers en bedrijven hebben in elkaar, lokale instanties, maatschappelijke organisaties en de Rijksoverheid.

Om de randvoorwaarden voor die transitie in beeld te krijgen vereist gedegen interdisciplinair onderzoek waarin nieuwe kennis en concrete handelingsperspectieven in co-creatie met gemeenten en andere maatschappelijke partners worden ontwikkeld. Hiervoor is onder meer expertise nodig vanuit de maatschappij- en gedragswetenschappen, geesteswetenschappen, praktijkgericht onderzoek en ecologie. Daarbij gaat nadrukkelijk de aandacht uit naar hoe kennis uit ecologisch onderzoek op een goede manier kan worden geïntegreerd en geborgd in integraal gemeentelijk beleid en wat er, zowel vanuit onderzoek als vanuit beleid, nodig is om dit te realiseren. Daarbij kan ook worden gedacht aan de ontwikkeling van specifieke instrumenten voor kennisverspreiding/overdracht naar burgers, bedrijven, overheden en besluitnemers.

Voorbeelden van onderzoeksvragen die binnen dit programma behandeld zouden kunnen worden, zijn14:

  • 1. Welke kennis, wettelijke regelgeving en bestuurlijke kaders moeten worden ontwikkeld om gemeentelijk natuurinclusief beleid te faciliteren, stimuleren en implementeren.

  • 2. Hoe nemen we biodiversiteitsherstel mee als basisvoorwaarde in de afweging van belangen binnen alle relevante gemeentelijke beleidsterreinen, en waar liggen koppelkansen?

  • 3. Wat moet er veranderen in de verantwoordelijkheden van diverse overheden en andere stakeholders, de onderlinge samenwerking, en de organisatie daarvan? Wat betekent dit voor de interne organisatie van de gemeente?

  • 4. Hoe kan gemeentelijk natuurinclusief beleid gericht op behoud en herstel van biodiversiteit worden gemeten?

  • 5. Welke kennis, wettelijke regelgeving en bestuurlijke kaders moeten worden ontwikkeld om gemeentelijk natuurinclusief beleid te faciliteren en stimuleren?

  • 6. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de bewustwording over het belang van biodiversiteit en natuurinclusiviteit bij burgers, bedrijven, overheden en besluitnemers wordt vergroot?

  • 7. Hoe kunnen gemeentes, in al hun diversiteit, van elkaar leren voor wat betreft de voorgaande vragen?

2.2.3 Living labs

Om co-creatie te bevorderen, financiert dit programma drie living labs waarin kennisinstellingen en gemeentes samen onderzoek uitvoeren naar gemeentebeleid voor biodiversiteitsherstel in bebouwd gebied. Deze living labs voeren een gezamenlijk onderzoeksproject uit.

Living labs zijn kennisketenbrede transdisciplinaire consortia, zijn co-creërend en bottom-up. In een praktijksetting werken verschillende partijen met een integrale benadering gezamenlijk aan innovatieve oplossingen voor complexe problemen. Een living lab betrekt actief alle stakeholders en vindt daarmee plaats in een multi-actor setting. Een living lab maakt een meervoudig experiment mogelijk dat systemische inzichten oplevert. Living labs functioneren binnen de gemeentelijke context, omdat de gemeente als experimentele omgeving gebruikt wordt. Daarmee kan recht worden gedaan aan de urgentie om biodiversiteit bevorderende maatregelen te vinden en/of de effectiviteit van maatregelen te verbeteren, in een complex speelveld. Bovendien worden in de living labs maatschappelijke stakeholders actief betrokken als co-eigenaars van het project.

De drie living labs vormen de basis van één groot project, waarbij – overkoepelend – ook aandacht is voor de vraag van opschaalbaarheid en vertaalbaarheid van resultaten en waarbij belangrijke vragen ook dwarsdoorsnijdend kunnen worden opgepakt.

De aanvraag- en beoordelingsprocedure voor het programma verloopt in twee fasen. In een eerste fase worden kennisinstellingen, gemeentes, en maatschappelijke stakeholders uitgenodigd vooraanmeldingen in te dienen voor een living lab. Om dat te faciliteren organiseert NWO een matchmakingsbijeenkomst. Het doel van de matchmaking is het met elkaar in contact brengen van geïnteresseerde partijen (onderzoekers en publieke en/of private maatschappelijke partijen) rond een specifieke onderzoekscontext, het combineren van onderzoeksideeën (krachtenbundeling) en het vormen van brede vernieuwende consortia. Daarmee wordt bijgedragen aan het verminderen van onderlinge competitie en werkdruk. Op basis van de ingediende vooraanmeldingen voor living labs worden drie living labs geselecteerd.

In een tweede fase, na de selectie van de drie living labs, zullen de betrokkenen partijen uit die drie geselecteerde livings labs worden uitgenodigd voor synergieworkshops met als doel de vorming van één gezamenlijk consortium en één aanvraag. Dit consortium is samengesteld uit alle betrokken partijen uit de drie geselecteerde living labs en zal verantwoordelijk zijn voor zowel de drie living labs als voor het overkoepelend project. Het toekenningsbesluit voor deze Call for proposals betreft dit ene project, waarin drie living labs en een overkoepelend deel zijn opgenomen.

De living labs binnen deze Call for proposals zijn actief in één van de drie volgende onderzoekscontexten:

  • I. Kleine gemeentes, < 25.000 inwoners;

  • II. Middelgrote gemeentes, 25.000 – 100.000 inwoners;

  • III. Grote gemeentes, > 100.000 inwoners;

De aanvrager bepaalt zelf de onderzoekscontext waarin het desbetreffende living lab valt en geeft dit aan op het aanvraagformulier. Het is mogelijk dat er meerdere gemeentes deelnemen aan een living lab, maar op het aanvraagformulier moet per living lab één van de drie contexten aangegeven worden. Voor meer informatie over de procedure, zie sectie 4.2 van deze Call for proposals.

2.3 Maatschappelijke impact

Nieuwe kennis en inzichten vanuit wetenschappelijk onderzoek kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken van vandaag én morgen. Denk aan de energietransitie, gezondheid en zorg, of klimaatverandering. Door interactie en afstemming tussen onderzoekers en mogelijke kennisgebruikers, neemt de kans op het toepassen van kennis toe en daarmee ook de kans op maatschappelijke impact. Maatschappelijke impact staat hier voor veranderingen die (mede) het gevolg zijn van door onderzoek gegenereerde kennis en kunde. Deze veranderingen dragen bij aan het welzijn van mens, planeet en maatschappij voor deze en toekomstige generaties. Via haar beleid op impact bevordert NWO de mogelijke bijdrage vanuit onderzoek aan maatschappelijke vraagstukken door het stimuleren van productieve interacties met maatschappelijke belanghebbenden. Zowel tijdens de ontwikkeling als in de uitvoering van het onderzoek. Dit doet zij op een manier die past bij het doel van het financieringsinstrument. NWO stimuleert onderzoekers om met een brede blik te kijken naar de mogelijke gewenste en ongewenste impact van hun onderzoek.

2.3.1 Impact op maat

Afhankelijk van het doel van het financieringsinstrument kiest NWO een bijbehorende benadering die de kans op maatschappelijke impact optimaal ondersteunt. Het primaire doel van het financieringsinstrument bepaalt de keuze voor de benadering die NWO inzet om kennisbenutting in verschillende fases van het project (aanvraag, uitvoering, na afloop) te bevorderen en de inspanning die van aanvrager(s) en partners gevraagd wordt.

In dit programma wordt de Impact Plan benadering toegepast. Hiermee faciliteert NWO de ontwikkeling van een geïntegreerde strategie door onderzoekers en partners om doelgericht de kans op de gewenste maatschappelijk impact te vergroten.

NWO biedt een e-learning module aan die geïnteresseerden op weg kan helpen via Online impactworkshops | NWO. Voor meer informatie over het kennisbenuttingsbeleid van NWO zie de website: Kennisbenutting | NWO.

2.3.2 Impact plan benadering in de NWA

In de NWA richten de programma's zich op complexe vraagstukken waar afstemming en samenwerking meerwaarde heeft om wetenschappelijke en maatschappelijke doorbraken te realiseren. NWA stimuleert die samenwerking tussen verschillende partners, zodat het geheel meer is dan de som der delen en nieuwe kennis voor maatschappelijke vraagstukken ontwikkeld wordt.

Impact Plan benadering

De maatschappelijke impact is nooit alleen het resultaat van kennis en inzichten uit het onderzoek. Om de kans op maatschappelijke impact van het onderzoek te vergroten is aantoonbare betrokkenheid nodig van belangrijke stakeholders vanaf de vorming van het consortium tot en met afronding van het project en daarna. Maatschappelijke impact wordt immers vaak pas gerealiseerd in de jaren nádat een onderzoeksproject is afgesloten. Door vanaf het begin van de onderzoeksformulering (co-design) en gedurende de uitvoering van het onderzoek (co-creatie) te zorgen voor voortdurend afstemming tussen onderzoekers en mogelijke kennisgebruikers, neemt de kans op productieve interacties, en uiteindelijk impact, toe.

Consortia stellen samen met stakeholders een Impact Plan op, als onderdeel van de volledige aanvraag. Dat Impact Plan beschrijft hoe het consortium verwacht tot maatschappelijke impact te komen en de rol die productieve interacties daarbij spelen. Hieruit blijkt hoe het behalen van de beoogde impact geïntegreerd is in de onderzoeksopzet en welke rol consortiumpartners en stakeholders uit beleid, praktijk en bedrijfsleven daarin spelen.

2.4 Consortiumvorming

Voor onderzoek naar complexe en uitdagende maatschappelijke vraagstukken is samenwerking nodig tussen onderzoeksdisciplines, tussen praktijkgericht en fundamenteel onderzoek en met bedrijven en maatschappelijke organisaties. De samenwerking wordt uitgevoerd in een consortium. NWO stimuleert en ondersteunt de vorming van consortia door het organiseren van bijeenkomsten of workshops.

In deze Call for proposals wordt consortiumvorming gestimuleerd door het inzetten van een matchmaking voor vooraanmeldingen en synergieworkshops voor een aanvraag. Deze methode wordt hieronder kort toegelicht. Aanvullende informatie over de inzet van NWO op het gebied van consortiumvorming is te vinden op de NWO-website.

2.4.1 Matchmakingbijeenkomst

Om de vorming van living labs te faciliteren, organiseert NWO een matchmakingsbijeenkomst. De matchmaking dient ervoor onderzoekers en maatschappelijke partijen met elkaar in contact te brengen rondom de onderzoekscontexten beschreven in 2.2.3.

Tot slot wordt op de matchmakingsbijeenkomst meer informatie gegeven over het aanvraagproces en de Impact Plan benadering (zie ook paragraaf 2.3).

2.4.2 Synergieworkshops

Het doel van de synergieworkshops is de vorming van een nieuw inter- en transdisciplinair consortium dat vanuit verschillende kennis- en expertisegebieden één aanvraag ontwikkelt teneinde maximale resultaten en impact te bereiken. Geselecteerde bestaande of nieuwe samenwerkingsverbanden, die een vooraanmelding hebben ingediend, worden samengebracht in de synergieworkshops. Tijdens de workshops wordt de beschikbare kennis op zoveel mogelijk aspecten van een complex vraagstuk gedeeld. Door NWO ingehuurde facilitators begeleiden de totstandkoming van het consortium en de integratie van de vooraanmeldingen in één in te dienen aanvraag. Voor deelname aan de synergieworkshops vindt een selectie plaats op basis van de vooraanmeldingen, zie paragrafen 3.3 en 4.2. Voor meer informatie over de synergieworkshops, zie paragraaf 4.2.7.

3 Voorwaarden voor aanvragers

Dit hoofdstuk bevat de voorwaarden die gelden voor uw subsidieaanvraag. Eerst wordt beschreven wie subsidie kan aanvragen (paragraaf 3.1) en waarvoor u subsidie kunt aanvragen (paragraaf 3.2). Vervolgens vindt u de voorwaarden voor het opstellen en indienen van de aanvraag (paragrafen 3.3 en 3.4) en specifieke subsidievoorwaarden (paragraaf 3.5).

3.1 Wie kan aanvragen

Vooraanmeldingen en aanvragen worden ingediend door een hoofdaanvrager namens het consortium.

Er worden vier categorieën van deelnemers aan een consortium onderscheiden:

  • 1. Hoofdaanvrager

  • 2. Medeaanvrager(s)

  • 3. Samenwerkingspartner(s)

  • 4. Cofinancier(s) (niet verplicht)

Een consortium voor een vooraanmelding of een aanvraag dient te bestaan uit minimaal een hoofdaanvrager, mede-aanvrager en samenwerkingspartner. De voorwaarden per deelnemer worden in de volgende paragrafen nader toegelicht.

Hoofdaanvrager

Onderzoekers mogen als hoofdaanvrager optreden als zij in vaste dienst zijn (en derhalve een bezoldigd dienstverband voor onbepaalde tijd hebben15 of een tenure track overeenkomst hebben bij één van de onderstaande onderzoeksorganisaties:

  • Universiteiten en hogescholen zoals bedoeld in artikel 1.8 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de universiteiten genoemd in de Beleidsregel Universiteiten in het Koninkrijk der Nederlanden;

  • Universitair medische centra, waarmee wordt bedoeld de academische ziekenhuizen zoals bedoeld in artikel 1.13 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

  • KNAW- en NWO-instituten;

  • TO2-instituten;

  • het Nederlands Kanker Instituut;

  • het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek te Nijmegen;

  • NCB Naturalis;

  • Advanced Research Centre for NanoLithography (ARCNL);

  • Prinses Máxima Centrum.

Personen met een nuluren arbeidsovereenkomst of met een dienstverband voor bepaalde tijd (anders dan een tenure track en de hierboven genoemde uitzondering voor lectoren en onderzoekers in dienst van een TO2-instituut) zijn uitgesloten van indiening als hoofdaanvrager.

Het kan voorkomen dat de tenure track overeenkomst van de hoofdaanvrager eindigt vóór de beoogde afrondingsdatum van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, of dat vóór die datum het vaste dienstverband van de hoofdaanvrager eindigt wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. In dat geval voegt de hoofdaanvrager een verklaring van diens werkgever bij, waarin de betreffende onderzoeksorganisatie garandeert dat het project en alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd adequaat zullen worden begeleid voor de volledige duur van het project.

Ook de hoofdaanvrager in dienst van een hogeschool of TO2-instituut wiens dienstverband eindigt voor de beoogde afrondingsdatum van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd, moet een dergelijke verklaring bijvoegen.

Aanvragers met een deeltijdcontract moeten voldoende toezicht garanderen op het project en alle projectleden voor wie financiering wordt aangevraagd.

3.1.1 Hoofd- en medeaanvragers

Hoofdaanvrager

De hoofdaanvrager dient de aanvraag in via ISAAC, het elektronische indiensysteem van NWO. Tijdens het beoordelingsproces communiceert NWO met de hoofdaanvrager.

Na toewijzing van een aanvraag wordt de hoofdaanvrager projectleider en aanspreekpunt voor NWO. De onderzoeksorganisatie van de hoofdaanvrager is hoofdbegunstigde en wordt penvoerder.

Aanvullende voorwaarden:

  • De hoofdaanvrager mag in deze Call for proposals slechts één vooraanmelding indienen in de hoedanigheid van hoofdaanvrager.

  • De hoofdaanvrager mag daarnaast maximaal één keer als medeaanvrager deelnemen aan een andere vooraanmelding.

Zowel hoofd- als medeaanvragers met een deeltijd dienstverband dienen garant te staan voor adequate begeleiding van het project en van alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd.

Medeaanvragers

Medeaanvragers hebben een actieve rol bij de uitvoering van het project. De (deel)projectleider(s) en begunstigde(n) zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het gehele project.

Aanvullende voorwaarden:

  • Een medeaanvrager mag in deze Call for proposals maximaal in twee vooraanmeldingen als medeaanvrager deelnemen.

  • Personen met een nuluren arbeidsovereenkomst zijn uitgesloten van indiening als medeaanvrager.

In deze Call for proposals zijn twee type medeaanvragers mogelijk: medeaanvragers verbonden aan onderzoeksorganisaties en medeaanvragers verbonden aan maatschappelijke organisaties.

Medeaanvragers verbonden aan maatschappelijke organisaties kunnen alleen als medeaanvrager optreden onder toepassing van de de-minimisverordening16.

Medeaanvragers verbonden aan onderzoeksorganisaties

Aanvullende voorwaarden voor medeaanvragers:

Medeaanvragers kunnen verbonden zijn aan de onderzoeksorganisaties vermeld in deze paragraaf, aan de onderzoeksorganisaties vermeld in bijlage 7.3 en aan andere onderzoeksorganisaties zoals bedoeld in artikel 1.1, lid 4, van de NWO Subsidieregeling 2024 en die voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden.

De organisatie dient:

  • in Nederland gevestigd te zijn;

  • een stichting, vereniging of publiekrechtelijke rechtspersoon te zijn;

  • zich in de hoofdzaak zelf bezig te houden met het op onafhankelijke wijze verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of met het met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht

  • te kunnen verklaren dat de organisatie een gescheiden boekhouding voert ten aanzien van economische/niet-economische activiteiten en dat ondernemingen met een beslissende invloed op de organisatie geen preferente toegang krijgen tot de onderzoeksresultaten van de organisatie.

NWO financiert onder deze Call for proposals geen onderzoeksorganisaties die zich in de hoofdzaak bezighouden met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht.

Let op: Voorafgaand aan het indienen van een vooraanmelding of aanvraag wordt door NWO aan de hand van bovengenoemde voorwaarden getoetst of een organisatie aan artikel 1.1, lid 4, van de NWO Subsidieregeling 2024 voldoet en dus als medeaanvrager mag deelnemen. NWO voert deze toets mede uit om te controleren of er geen sprake is van het verlenen van verboden staatssteun.

De organisatie van de beoogde medeaanvrager levert ten behoeve van deze toetsing uiterlijk 10 werkdagen voor de deadline van indiening van vooraanmeldingen per e-mail aan nwa-biodiversity@nwo.nl (dus uiterlijk 20 januari 2026 voor 14:00:00 CET) de volgende documenten aan:

  • een recent uittreksel van de kamer van koophandel;

  • de oprichtingsakte en/of actuele statuten;

  • de laatst beschikbare jaarrekening voorzien van een controleverklaring17;

  • de ingevulde Verklaring Onderzoeksorganisatie, beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals.

Het is toegestaan om andere relevante documentatie toe te voegen. Tevens kan NWO om aanvullende informatie vragen als bovenstaande documenten niet voldoende uitsluitsel bieden om te bepalen of de organisatie mag optreden als medeaanvrager.

Als de organisatie van de beoogde medeaanvrager binnen een ander NWO programma is getoetst aan deze voorwaarden, neem dan tijdig contact op met NWO via het bovengenoemde e-mailadres om af te stemmen of deze organisatie opnieuw moet worden getoetst.

Indien de organisatie van de beoogde medeaanvrager de voor de toets op de voorwaarden benodigde stukken niet op tijd aanlevert, kan NWO de betreffende organisatie niet als medeaanvrager accepteren.

Als in de aanvraag nieuwe medeaanvragers toegevoegd worden aan het consortium en deze nieuwe medeaanvragers niet verbonden zijn aan een instelling vermeld in paragraaf 3.1 dient ook voor deze organisatie(s) een toets op de voorwaarden plaats te vinden. Voor deze beoogde medeaanvragers geldt dat de organisatie uiterlijk 10 werkdagen voor de deadline van indiening van de aanvraag per e-mail (dus uiterlijk 16 februari 2027 voor 14:00:00 CET) in ieder geval de volgende documenten aanlevert:

  • een recent uittreksel van de kamer van koophandel;

  • de oprichtingsakte en/of actuele statuten;

  • de laatst beschikbare jaarrekening voorzien van een controleverklaring18;

  • de ingevulde Verklaring Onderzoeksorganisatie, beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals.

Een onderzoeksorganisatie die voorafgaand aan het indienen van een vooraanmelding is getoetst en goedgekeurd als medeaanvrager, hoeft voorafgaand aan het indienen van de aanvraag niet nogmaals getoetst te worden.

Medeaanvragers verbonden aan maatschappelijke organisaties

Deze Call for proposals richt zich ook op kennis uit en ten behoeve van de gemeentelijke praktijk. Maatschappelijke organisaties die ondersteuning bieden bij en/of expertise opbouwen over natuurincusief gemeentelijk beleid kunnen als medeaanvrager optreden onder de de-minimisverordening (zie hieronder). Het betreft bijvoorbeeld gemeentes, expertisecentra, grassroots organisaties en belangenorganisaties, waarvan de praktijkkennis en onderzoeksgerelateerde activiteiten essentieel zijn om volwaardig onderzoek op te kunnen zetten. In de aanvraag dient te worden onderbouwd welke substantiële, actieve bijdrage de maatschappelijke organisatie levert aan het onderzoek. Dit wordt in het kader van het criterium op de kwaliteit van het consortium (zie paragraaf 4.3.2) beoordeeld door de beoordelingscommissie.

De-minimisdrempel voor maatschappelijke organisaties

Maatschappelijke organisaties die als medeaanvrager optreden ontvangen de subsidie van NWO via de hoofdaanvrager, met inachtneming van de de-minimisdrempel uit de de-minimisverordening (Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Europese Commissie van 13 december 2023). Op grond van de de-minimisverordening mag een consortiumpartner maximaal € 300.000 aan de-minimissteun ontvangen over een periode van drie jaar.

Maatschappelijke organisaties dienen door het invullen van de verklaring de-minimissteun te verklaren dat de betreffende organisatie door het toewijzen van een subsidie door NWO de de-minimisgrens niet zal overschrijden. Indien een maatschappelijke organisatie constateert dat met de subsidie van NWO de de-minimisgrens wordt overschreden, kan de hoofdaanvrager voor deze maatschappelijke organisatie geen subsidie aanvragen bij NWO. De hoofdaanvrager dient hiermee bij het opstellen van zijn projectbegroting rekening te houden en dient dus per maatschappelijke organisatie die als medeaanvrager wil optreden na te gaan of met het aangevraagde subsidiebedrag de de-minimisdrempel niet wordt overschreden. De door elke maatschappelijke organisatie afzonderlijk ingevulde verklaring de-minimissteun maakt onderdeel uit van de aanvraag.

3.1.2 Samenwerkingspartners

Samenwerkingspartners zijn binnen deze Call for proposals verplicht, omdat actieve betrokkenheid van maatschappelijke stakeholders van groot belang is bij het ontwikkelen van kennis over uitdagingen en mogelijke oplossingen. Maatschappelijke stakeholders zijn zowel publieke als private organisaties, en waar relevant ook burgers of een vertegenwoordiging daarvan. De organisatie van een maatschappelijke stakeholder die als samenwerkingspartner deelneemt aan het consortium kan geen hoofd- of medeaanvrager of cofinancier zijn.

Een samenwerkingspartner is gedurende het gehele traject actief betrokken, van het formuleren van onderzoeksvragen en de ontwikkeling van het project (co-design) tot de uitvoering van het onderzoek en/of de kennisbenutting (co-creatie). Een samenwerkingspartner kan worden opgenomen in de adviescommissie.

Let op: voor personeel van organisaties die als samenwerkingspartner deelnemen aan het consortium kan geen subsidie voor salaris- of onderzoekskosten als hoofd- of medeaanvrager worden aangevraagd. Wel is het mogelijk kosten te vergoeden door deze organisaties als derden in te huren via de modules ‘materiële kosten’, ‘kennisbenutting’ of ‘project management (zie paragraaf 3.2 en bijlage 7.1).

3.1.3 Cofinanciers

Cofinanciering is binnen deze Call for proposals niet verplicht. Cofinanciers zijn organisaties die deelnemen aan het consortium en cash en/of in kind bijdragen aan het project. Cofinanciers ontvangen nooit subsidie van NWO. De voorwaarden omtrent cofinanciering zijn gespecificeerd in paragraaf 3.5.6.

3.2 Wat kan worden aangevraagd

Voor het project kan maximaal € 3.820.000 subsidie worden aangevraagd. De maximale looptijd van het voorgestelde project is vijf jaar. De aanvrager en medeaanvragers kunnen kosten opvoeren voor personeel, materieel, investeringen en kennisbenutting.

Binnen deze Call worden er maximaal drie vooraanmeldingen geselecteerd. In de vooraanmeldingen worden voorstellen gedaan voor living labs. De geselecteerde aanvragers dienen gezamenlijk één volledige aanvraag in, die is opgebouwd uit een overkoepelend onderzoeksproject en drie living labs. In totaal is er € 3.820.000 beschikbaar.

Voor het overkoepelend onderzoeksproject is minstens € 1.720.000 beschikbaar. Per living lab is er maximaal € 700.000 beschikbaar. De beoordelingscommissie selecteert maximaal drie vooraanmeldingen, wat neerkomt op maximaal € 2.100.000 voor onderzoek in living labs. Afhankelijk van het aantal geselecteerde vooraanmeldingen wordt het resterende budget toegevoegd aan het overkoepelende onderzoeksproject (fase 2). De totale subsidie wordt beschikbaar gesteld zodra de aanvraag is toegekend (fase 2).

De beschikbare budgetmodules (inclusief de maximale bedragen) staan hieronder vermeld. Vraag alleen datgene aan wat essentieel is om het project uit te voeren. De tarieven en een toelichting op deze budgetmodules staan in bijlage 7.1.

3.2.1 Personeel

Voor personeel dat een bijdrage levert aan het project, kan subsidie voor de loonkosten worden aangevraagd. Het bedrag hiervoor is afhankelijk van het type aanstelling en de organisatie waar het personeel werkt.

3.2.1.1 Personeel bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, umc of een onderzoeksorganisatie

Voor personeel dat werkzaam is bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, universitair medisch centrum (umc) of een andere onderzoeksorganisatie, genoemd in artikel 1.1, eerste lid, sub c tot en met h van de NWO Subsidieregeling 2024 kunnen loonkosten worden opgevoerd voor de volgende functies: promovendus, Engineering Doctorate, postdoc, arts-onderzoeker, niet-wetenschappelijk personeel (NWP) en voor de vervanging van de aanvrager(s).

Er kan voor een onbeperkt aantal posities worden aangevraagd voor dit type functie. Er kan voor ten hoogste 10% van het subsidiebedrag vervanging worden aangevraagd.

3.2.1.2 Personeel van hogescholen, onderwijsinstellingen, TO2-instituten en overige organisaties

Het is mogelijk om loonkosten op te voeren van personeel van hogescholen, onderwijsinstellingen, TO2-instituten en overige organisaties. Er kan voor een onbeperkt aantal posities worden aangevraagd voor dit type functie.

3.2.1.3 Studenten

Het is mogelijk om studenten in te zetten voor het project als ze studeren aan een onderzoeksorganisatie genoemd in paragraaf 3.1. De kosten hiervan kunt u binnen het project opvoeren als materiële kosten. Er is geen maximum aan het aantal studenten dat kan meewerken in het project.

3.2.1.4 Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland

Het is mogelijk om loonkosten van buitenlandse onderzoeksorganisaties op te voeren voor wetenschappelijk personeel. Er kan maximaal 25% van het subsidiebedrag voor personeel worden aangevraagd voor personeel bij onderzoeksorganisaties in het buitenland.

3.2.2 Materieel

Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke materiële kosten. Voor deze kosten geldt een maximum van 25% van het NWO subsidiebedrag. Van het materiële budget aangevraagd bij NWO mag maximaal 50% worden ingezet voor werk door derden. Er kan maximaal 25% van het subsidiebedrag voor materieel worden aangevraagd voor onderzoeksorganisaties in het buitenland.

3.2.3 Investeringen

Financiering kan worden aangevraagd voor investeringen in apparatuur, infrastructuur en andere onderzoeksmiddelen die na afloop van het project economische waarde hebben of kunnen worden hergebruikt. Loonkosten van personeel dat de apparatuur, infrastructuur en andere onderzoeksmiddelen in staat van gereedheid brengt, kan worden opgevoerd als onderdeel van de investering. De tarieven en voorwaarden van Personeel zijn hierbij van toepassing en de kosten moeten worden opgevoerd als Investering. Investeringen kunnen alleen worden gedaan bij onderzoeksorganisaties genoemd in paragraaf 3.1.

Er kan maximaal € 500.000 worden aangevraagd voor investeringen.

3.2.4 Kennisbenutting

Financiering kan worden aangevraagd voor activiteiten die bevorderen dat kennis uit het onderzoek wordt benut,19 om zo de maatschappelijke impact van het onderzoek te vergroten.

Het is verplicht om een bedrag op te voeren voor kennisbenutting. Deze kosten zijn ten minste 5% en maximaal 20% van het subsidiebedrag.

3.2.5 Projectmanagement

Het is verplicht subsidie aan te vragen voor projectmanagement. Maximaal 5% van het subsidiebedrag kan hiervoor worden ingezet.

3.3 Het opstellen en indienen van de aanvraag

Deze Call for proposals kent twee fases:

  • 1. Het indienen van een vooraanmelding

  • 2. Bij positief besluit: deelname aan synergieworkshops en het indienen van één gezamenlijke aanvraag.

Zie voor een volledig overzicht van alle indieningseisen paragraaf 3.4.1.

Het is verplicht uw vooraanmelding en aanvraag in het Nederlands op te stellen.

Het indienen van een aanvraag kan alleen via het online aanvraagsysteem ISAAC. Aanvragen die niet via ISAAC zijn ingediend, worden niet in behandeling genomen.

U bent als hoofdaanvrager verplicht een aanvraag via uw eigen persoonlijke ISAAC-account in te dienen.

Het is belangrijk om tijdig te beginnen met uw aanvraag in ISAAC:

  • indien u nog geen ISAAC-account heeft, dient deze op tijd te worden aangemaakt om eventuele aanmeldproblemen te voorkomen;

  • nieuwe onderzoeksorganisaties moeten eventueel nog door NWO toegevoegd worden aan ISAAC;

  • u moet ook online nog gegevens invoeren.

Aanvragen die na de deadline worden ingediend, neemt NWO niet in behandeling.

Voor vragen van technische aard verzoeken wij u contact op te nemen met de ISAAC-helpdesk, zie contact (hoofdstuk 6).

Werkt een hoofd- en/of medeaanvrager bij een onderzoeksorganisatie die niet is opgenomen in de database van ISAAC? U kunt dit dan melden via relatiebeheer@nwo.nl zodat de onderzoeksorganisatie kan worden toegevoegd. Hier zijn enige dagen voor nodig. Daarom is het van belang dit uiterlijk een week voor de deadline te melden.

NWO gaat ervan uit dat de aanvrager de onderzoeksorganisatie waar zij/hij werkzaam is heeft geïnformeerd over het indienen van de aanvraag en dat de onderzoeksorganisatie de subsidievoorwaarden van deze Call for proposals aanvaardt.

3.3.1 Het opstellen en indienen van de vooraanmelding

Een vooraanmelding is een beknopte omschrijving van een living lab en het beoogde onderzoek van dat living lab.

Voor deze Call for proposals is het indienen van een vooraanmelding verplicht. Een vooraanmelding is een beknopte aanvraag die op hoofdlijnen beschrijft welke kennisvragen de aanvrager en medeaanvragers willen adresseren en hoe deze bijdragen aan de in de Call for proposals omschreven doelstellingen en impact. De vooraanmelding adresseert het beoogde onderzoek van het living lab, binnen één van de onderzoekscontexten zoals beschreven in paragraaf 2.2.3.

Voorafgaand aan de indieningsdeadline voor vooraanmeldingen wordt er door NWO een matchmakingsbijeenkomst georganiseerd op 6 november 2025 (zie paragraaf 4.2.1 en het tijdpad in paragraaf 4.2.14). Meer informatie hierover zal t.z.t. bekend worden gemaakt op de programmapagina op de website van NWO.

De hoofdaanvrager dient de vooraanmelding in via ISAAC.

Voor het opstellen van uw vooraanmelding doorloopt u de volgende stappen:

  • download het vooraanmeldingsformulier vanuit het online aanvraagsysteem ISAAC of vanaf de website van NWO (op de website van het betreffende financieringsinstrument);

  • vul het vooraanmeldingsformulier in;

  • sla het formulier op als pdf-bestand en dien het in ISAAC in;

  • vul de online in ISAAC gevraagde gegevens in.

De vooraanmelding dient conform het door NWO aangeboden template opgesteld te worden.

3.3.2 Het opstellen en indienen van de aanvraag

De aanvraag kan alleen worden ingediend door een hoofdaanvrager die in fase 1 een vooraanmelding heeft ingediend die door de raad van bestuur van NWO is geselecteerd om door te gaan naar fase 2.

De hoofdaanvragers van geselecteerde vooraanmeldingen zijn verplicht deel te nemen aan de synergieworkshops. Indien een hoofdaanvrager verhinderd is, bijvoorbeeld in geval van overmacht zoals bedoeld in de NWO Tegemoetkomingsregeling bij overmacht, dient een vervanger te hebben deelgenomen aan de synergieworkshops. Medeaanvragers en samenwerkingspartners van de geselecteerde vooraanmeldingen worden ook uitgenodigd om deel te nemen. Tijdens de ontwikkeling van de aanvraag beslist het consortium in wording wie als hoofdaanvrager optreedt en de aanvraag indient.

Voor het opstellen van uw aanvraag doorloopt u de volgende stappen:

  • download het aanvraagformulier vanuit het online aanvraagsysteem ISAAC of vanaf de website van NWO (op de website van het betreffende financieringsinstrument);

  • vul het aanvraagformulier in;

  • sla het formulier op als pdf en dien het met de eventueel verplichte bijlage(n) in ISAAC in;

  • vul de online in ISAAC gevraagde gegevens in.

Verplichte bijlagen:

  • begroting;

  • steunverklaringen samenwerkingspartner(s);

  • Verklaring de-minimissteun (verplicht indien van toepassing, zie paragraaf 3.1.1 en 3.5.8);

  • verklaring cofinancier(s) (verplicht indien van toepassing);

  • garantstelling voor continuïteit in de projectbegeleiding (verplicht indien van toepassing, zie paragraaf 3.1);

  • formulier ‘Statement and signature”.

De aanvraag en bijlagen dienen conform het door NWO aangeboden template opgesteld te worden. Bijlagen dienen los van de aanvraag in ISAAC geüpload te worden. Alle bijlagen, met uitzondering van de begroting, dienen als pdf-bestand (zonder beveiliging) te worden ingediend. De begroting moet als Excel-bestand worden ingediend in ISAAC.

Indien er cofinanciering wordt bijgedragen dient op het moment van indienen in de bijgesloten verklaringen cofinanciering de volledige cofinanciering te zijn toegezegd volgens de voorwaarden beschreven in paragraaf 3.5.6.

Andere bijlagen dan hierboven vermelde bijlagen zijn niet toegestaan.

3.4 Indieningsvoorwaarden

3.4.1 Formele voorwaarden voor indiening

NWO toetst uw vooraanmelding of aanvraag op alle in deze Call for proposals gestelde voorwaarden, inclusief onderstaande voorwaarden. Alleen als uw vooraanmelding of aanvraag aan deze voorwaarden voldoet, wordt deze toegelaten tot de beoordelingsprocedure. U wordt gevraagd om na indiening van een vooraanmelding of aanvraag beschikbaar te zijn om eventuele administratieve correcties door te voeren en zo (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening.

Deze voorwaarden zijn zowel voor de vooraanmelding als aanvraag:

  • de hoofdaanvrager en medeaanvrager(s) voldoen aan de in paragraaf 3.1 en 3.1.1 gestelde voorwaarden;

  • de aanvraag voldoet aan de DORA-richtlijnen zoals beschreven in paragraaf 4.1;

  • de aanvraag is ingediend via het ISAAC-account van de hoofdaanvrager;

  • de aanvraag is ontvangen voor de gestelde deadline;

  • de aanvraag is in het Nederlands opgesteld;

  • het voorgestelde project heeft een looptijd van maximaal vijf jaar;

  • alle vereiste bijlagen zijn, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, compleet en volgens de instructies ingevuld en conform de voorwaarden van deze Call for proposals opgesteld en ingediend.

Aanvullende voorwaarden voor de vooraanmelding:

  • de vooraanmelding adresseert het onderzoek in een living lab van de in hoofdstuk 2 omschreven onderzoekscontexten.

Aanvullende voorwaarden voor de aanvraag:

  • Cofinanciers voldoen aan de in paragraaf 3.1.3 gestelde voorwaarden;

  • de hoofdaanvrager heeft een vooraanmelding ingediend die door NWO in behandeling is genomen;

  • De hoofdaanvrager is aanwezig geweest bij alle synergie workshops (zie paragraaf 3.3.1 en 4.2.2);

  • De cofinanciering is, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, correct en volledig toegezegd middels verklaringen cofinanciering.

  • In de aanvraag moeten alle drie de living labs behandeld worden (zie 2.2.3).

  • Een aanvraag moet een verbindend onderzoek bevatten dat de living labs met elkaar verbindt (zie 2.2.3).

  • de begroting in de aanvraag is volgens de voorwaarden van deze Call for proposals opgesteld (gebruikmakend van het beschikbaar gestelde format dat de meest recente tarieven bevat);

  • Een vereiste is dat de budgettaire verdeling per living lab vergelijkbaar is (tussen 650.000 – 700.000 euro per living lab).

3.5 Subsidievoorwaarden

Op alle aanvragen zijn de NWO Subsidieregeling 2024 en het Akkoord bekostiging wetenschappelijk onderzoek van toepassing.

3.5.1 Naleving Nationale leidraad kennisveiligheid

Wetenschap van wereldklasse kan profiteren van internationale samenwerking. De Nationale leidraad kennisveiligheid (hierna: de Leidraad) helpt kennisinstellingen ervoor te zorgen dat internationale samenwerking veilig kan plaatsvinden. Bij kennisveiligheid gaat het om ongewenste overdracht van gevoelige kennis en technologie die de nationale veiligheid aantast; om heimelijke beïnvloeding van onderwijs en onderzoek door statelijke actoren, en daarmee de academische vrijheid en de sociale veiligheid in gevaar brengt; en om ethische kwesties die kunnen spelen in de samenwerking met landen die de grondrechten niet respecteren.

Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na te gaan of het project in lijn is en blijft met de Leidraad. Met het indienen van de aanvraag committeert de aanvrager zich aan de overwegingen in deze Leidraad. In geval van het vermoeden van schending van de Leidraad bij een bij NWO ingediende aanvraag voor projectfinanciering of een door NWO gefinancierd project, kan NWO de aanvrager verzoeken om een risicoafweging te overleggen waaruit blijkt dat de overwegingen uit de Leidraad zijn gevolgd. Indien de aanvrager niet aan het verzoek van NWO voldoet of als de risicoafweging klaarblijkelijk een schending van de Leidraad behelst, kan dit gevolgen hebben voor de subsidieverlening of vaststelling door NWO. Ook kan NWO in een voorkomend geval nadere voorwaarden opnemen in de toewijzingsbrief.

De Nationale leidraad kennisveiligheid vindt u op de website van de Rijksoverheid: Home | Loket Kennisveiligheid.

3.5.2 Datamanagement

Resultaten van wetenschappelijk onderzoek moeten kunnen worden gerepliceerd, geverifieerd en gefalsifieerd. In het digitale tijdperk betekent dit dat behalve publicaties ook onderzoeksdata zo veel mogelijk vrij toegankelijk moeten zijn. NWO verwacht dat de onderzoeksdata die voortkomen uit projecten die door NWO zijn gefinancierd zo veel mogelijk vrij beschikbaar komen voor hergebruik door andere onderzoekers. NWO hanteert daarbij het principe: “zo open als mogelijk, beschermd indien nodig”. Van onderzoekers wordt verwacht dat zij ten minste die data en/of niet-numerieke resultaten die ten grondslag liggen aan de conclusies van binnen het project gepubliceerde werken openbaar maken, gelijktijdig met de publicatie zelf. Eventuele kosten die hiervoor worden gemaakt, kunnen worden meegenomen in de projectbegroting. Onderzoekers maken kenbaar hoe met data voortkomend uit het project wordt omgegaan aan de hand van de datamanagementparagraaf in de aanvraag, en het datamanagementplan na toewijzing van subsidie

Datamanagementparagraaf

De datamanagementparagraaf maakt deel uit van deaanvraag. Onderzoekers wordt gevraagd reeds voor aanvang van het onderzoek te bedenken hoe de verzamelde data geordend en gecategoriseerd moeten worden zodat zij vrij beschikbaar kunnen worden gesteld. Vaak zullen al vóór het tot stand komen van de data en de analyse daarvan maatregelen getroffen moeten worden om opslag en deling later mogelijk te maken. Indien niet alle data voortkomende uit het project openbaar gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld om redenen van privacy, ethiek of valorisatie, dient de aanvrager dit beargumenteerd kenbaar te maken in de datamanagementparagraaf.

De datamanagementparagraaf wordt niet beoordeeld en daarom ook niet meegewogen in de beslissing om een aanvraag al dan niet toe te wijzen. Zowel de referenten als de commissie kunnen wel advies geven met betrekking tot de datamanagementparagraaf.

3.5.3 Wetenschappelijke integriteit

Het project dat NWO financiert moet, conform de NWO Subsidieregeling 2024, worden uitgevoerd in overeenstemming met de nationaal en internationaal aanvaarde normen van wetenschappelijk handelen zoals neergelegd in de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (2018). Met het indienen van de aanvraag committeert de aanvrager zich aan deze code. In geval van (mogelijke) schending van deze normen bij een door NWO gefinancierd project, dient de aanvrager NWO hiervan onverwijld op de hoogte te stellen en dient deze alle ter zake relevante documenten aan NWO te overleggen. Meer informatie over de gedragscode en het beleid op het gebied van wetenschappelijke integriteit vindt u op de website: Wetenschappelijke integriteit | NWO.

3.5.4 Ethische verklaring of vergunning

Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na te gaan of voor de uitvoering van het voorgestelde project een ethische verklaring of vergunning noodzakelijk is. De aanvrager dient ervoor te zorgen dat deze tijdig wordt verkregen bij de relevante instelling of ethische commissie. Het wel of niet hebben van een ethische verklaring of vergunning op het moment van het aanvraagproces heeft geen invloed op de beoordeling van de aanvraag. Als er een ethische verklaring of vergunning nodig is voor (een deel van) het onderzoek dan moet de projectleider een kopie van deze verklaring of vergunning aan NWO verstrekken nadat het project is toegewezen, en in ieder geval uiterlijk voordat de uitvoering van het onderdeel van het project waarvoor de verklaring nodig is van start gaat. Het deel van het project waarvoor de verklaring en/of vergunning vereist is, kan uiteraard (nog) niet worden uitgevoerd zolang er geen verklaring of vergunning is verstrekt.

3.5.5 Nagoya Protocol

Het Nagoya Protocol zorgt voor een eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit het gebruik van genetische rijkdommen (Access and Benefit Sharing; ABS). Onderzoekers die voor hun onderzoek gebruikmaken van genetische bronnen in/uit het buitenland dienen zich op de hoogte te stellen van het Nagoya Protocol (Home | ABS Focal Point). NWO gaat ervan uit dat zij de noodzakelijke acties ten aanzien van het Nagoya Protocol nemen.

3.5.6 Cofinanciering

Op alle aanvragen is de Regeling Cofinanciering | NWO van toepassing.

Aanvullende definities:

  • In kind cofinanciering: gekapitaliseerde personele en/of materiële bijdragen van gebruikers;

  • Cash cofinanciering wordt gebruikt ter dekking van een deel van de totale projectkosten en vormt samen met de door NWO verstrekte subsidie de benodigde financiële middelen.

Cofinanciering is in deze Call for proposals niet verplicht. Het is wel mogelijk cofinanciers toe te voegen in de aanvraag. Onderscheid wordt gemaakt tussen cash cofinanciering (te innen door de hoofdaanvrager), die dient als dekking voor de begroting van de projectactiviteiten beschreven in de aanvraag, en in kind cofinanciering, die kan bestaan uit personele en/of materiële inbreng van de betrokken organisaties

Voor cofinanciering gelden de volgende uitgangspunten:

  • NWO is hoofdfinancier van een aanvraag. Aanvragen waarbij de cofinanciering van de cofinanciers meer dan 49% van de totale projectkosten bedraagt, worden niet in behandeling genomen;

  • in kind bijdragen worden alleen geaccepteerd onder de voorwaarde dat het gedeelte dat door de cofinancier wordt ingebracht integraal onderdeel is van de projectactiviteiten en als identificeerbare inspanning kan worden gevolgd of aangemerkt. Bij vragen kan NWO verzoeken om nadere motivering en bewijsstukken van de gehanteerde tarieven en eveneens om aanpassing. Daarnaast mogen eventuele in kind bijdragen in de vorm van diensten en know how niet reeds bij de kenninstelling(en) van de aanvrager(s) beschikbaar of voorhanden zijn;

  • voor het kapitaliseren van de personele inbreng (mensuren) aan een project worden vaste integrale uurtarieven gebruikt. Voor de tarieven, zie de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.2 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. Hierbij dient het tarief te worden gebruikt dat de werkelijke loonkosten het dichtst benadert;

  • cash cofinanciering is het netto bedrag dat een cofinancier betaalt aan de hoofdaanvrager. De hoofdaanvrager factureert cash cofinanciering en eventuele btw aan de cofinancier.

Niet toelaatbaar als cash/in kind cofinanciering zijn20:

  • door NWO verstrekte subsidie;

  • cofinanciering mag niet afkomstig zijn van partijen die op grond van deze Call for proposals een aanvraag bij NWO kunnen indienen;

  • kosten m.b.t. overhead, begeleiding, consultancy en/of deelname aan de begeleidingscommissie

Verklaring cofinanciering deelnemende cofinanciers

In een verklaring cofinanciering spreekt de cofinancier inhoudelijke en/of financiële steun uit aan het project en bevestigt deze de toegezegde cofinanciering. Verklaringen cofinanciering van cofinanciers die worden genoemd in de aanvraag zijn verplichte bijlagen bij het indienen van de aanvraag. De verklaring cofinanciering moet zijn ondertekend door een tekenbevoegd persoon van de cofinancier. NWO stelt een verplicht format voor de verklaring cofinanciering beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals op de NWO website en in ISAAC.

In geval van toewijzing dient de cofinancier zijn bijdrage(n) te bevestigen in de consortiumovereenkomst In deze overeenkomst worden ook verdere afspraken gemaakt tussen de cofinancier(s) en de aanvrager(s) (zie paragraaf 5.1.5).

Verantwoording cash en in kind cofinanciering

De verhouding cofinanciering (zowel cash als in kind) en de door NWO verstrekte subsidie in deze Call for proposals, is van toepassing vanaf het indienen van een aanvraag tot en met de vaststelling van de subsidie. Cash cofinanciering heeft invloed op het subsidiebedrag dat NWO verstrekt omdat zowel de bijdrage van NWO als cash cofinanciering voor dezelfde projectspecifieke kosten gebruikt worden (in tegenstelling tot cofinanciering in kind).

Ambtshalve indexeren als gevolg wijziging van de tarieven na indiening van een aanvraag heeft geen invloed op de verhouding en cofinancieringseis voor de NWO bijdrage. NWO gaat uit van de verhouding in de door NWO toegewezen aanvraagbegrotingen.

Bij vaststelling van een project wordt het definitieve subsidiebedrag bepaald aan hand van de eindverantwoording, de financiële voorwaarden en de verhouding cofinanciering zoals vermeld in de aanvraagbegroting.

In geval van gedeeltelijk geleverde cash cofinanciering(door onvoorziene omstandigheden, zoals faillissementen) gaat NWO voor haar bijdrage uit van de oorspronkelijke subsidieverlening, rekening houdend met de wel geleverde cash cofinanciering en de geldende minimale cofinancieringseis, indien deze van toepassing is.

Cash cofinanciering boven de cofinancieringseis heeft invloed op de gehanteerde verhouding tussen cofinanciering en door NWO verstrekte subsidie. Indien een project cash cofinanciering kent boven de cofinancieringseis en er bij vaststelling sprake is van gedeeltelijk geleverde cash cofinanciering, is de NWO bijdrage nooit hoger dan de oorspronkelijke bijdrage uit de subsidieverlening. De verhouding van de NWO bijdrage is dan maximaal de bijdrage die volgt uit de cofinancieringseis.

Te allen tijde dient NWO onverwijld op de hoogte gesteld te worden van problemen in verwachte cofinanciering (cash en/of in kind). Naast financiële gevolgen voor een project, kan NWO ook adequate wijzigingen in een project verlangen als wijzigingsverzoek, zodat het onderzoek naar beste vermogen vervolgd kan worden.

3.5.7 Steunverklaring samenwerkingspartner

In een steunverklaring (zonder co financiering) spreekt de samenwerkingspartner steun uit aan het project en beschrijft diens rol binnen het project. Steunverklaringen mogen alleen voor aanvragen worden aangeleverd. NWO stelt een standaard format beschikbaar op de financieringspagina.

In geval van toekenning dient de samenwerkingspartner diens deelname aan het project te bevestigen in de consortiumovereenkomst. Tevens worden in deze overeenkomst verdere afspraken gemaakt tussen de samenwerkingspartner(s) en de aanvrager(s) (zie ook paragraaf 5.1.5).

3.5.8 Verklaring de-minimissteun

Voor maatschappelijke organisaties die gefinancierd worden onder de de-minimisverordening (zie paragraaf 3.1.1) maakt de verklaring de-minimissteun onderdeel uit van de aanvraag. De toewijzing van de aanvraag zal plaatsvinden onder de voorwaarde dat op het moment van toewijzing de de-minimisdrempel voor de betreffende maatschappelijke organisatie niet wordt overschreden.

4 Beoordelingsprocedure

Dit hoofdstuk beschrijft allereerst de beoordeling volgens de DORA-principes (paragraaf 4.1) en hoe de beoordelingsprocedure verloopt (paragraaf 4.2). Vervolgens somt het de criteria op waaraan de beoordelingscommissie uw aanvraag toetst (paragraaf 4.3).

Voor alle bij de beoordeling en/of besluitvorming betrokken personen en betrokken NWO-medewerkers is de NWO Code Persoonlijke Belangen van toepassing (Code persoonlijke belangen | NWO).

NWO streeft naar een inclusieve cultuur, waarin geen plaats is voor bewuste of onbewuste barrières vanwege culturele, etnische of religieuze achtergrond, gender, seksuele oriëntatie, gezondheid of leeftijd (Diversiteit en inclusie | NWO). NWO stimuleert leden van een beoordelingscommissie actief om zich bewust te worden van impliciete associaties en te proberen deze te minimaliseren. NWO voorziet hen van informatie over concrete manieren om de beoordeling van een aanvraag te verbeteren.

4.1 De San Francisco Declaration (DORA)

NWO is ondertekenaar van de San Francisco Declaration on Research Assessment (DORA). DORA is een wereldwijd initiatief dat beoogt de manier waarop onderzoek en onderzoekers worden beoordeeld te verbeteren. DORA bevat aanbevelingen voor onderzoeksfinanciers, onderzoeksinstellingen, wetenschappelijke tijdschriften en andere partijen.

DORA richt zich op het terugdringen van het onkritisch gebruik van bibliometrische indicatoren en het wegnemen van onbewuste vooringenomenheid (unconscious bias) bij de beoordeling van onderzoek en onderzoekers. Overkoepelende filosofie van DORA is dat onderzoek moet worden beoordeeld op zijn eigen kwaliteiten en verdiensten in plaats van op basis van afgeleide indicatoren, zoals het tijdschrift waarin het onderzoek wordt gepubliceerd.

NWO gaat bij het beoordelen van het wetenschappelijk track record van aanvragers uit van een brede definitie van wetenschappelijke output.

NWO verzoekt commissieleden bij de beoordeling van aanvragen niet af te gaan op indicatoren als de Journal Impact Factor of de h-index. U mag deze niet vermelden in uw aanvraag. Wel mag u naast publicaties ook andere wetenschappelijk producten te vermelden, zoals datasets, patenten, software en code enzovoort.

Voor meer informatie over wat NWO doet om de principes van DORA te implementeren zie: DORA | NWO.

4.2 Procedure

De aanvraagprocedure bestaat uit de volgende stappen:

Fase 1 – Vooraanmeldingen

  • matchmakingbijeenkomst;

  • indiening van de vooraanmelding;

  • in behandeling nemen van de vooraanmelding;

  • beoordeling en selectie van de vooraanmelding;

Fase 2 – Opstellen en indienen van de aanvraag

  • deelname aan synergieworkshops;

  • indiening van de aanvraag;

  • in behandeling nemen van de aanvraag;

  • preadvisering beoordelingscommissie;

  • interview;

  • vergadering van de beoordelingscommissie;

  • indien advies tot niet toewijzen: herstelmogelijkheid en tweede vergadering beoordelingscommissie;

  • besluitvorming.

Beoordelingscommissie

Voor deze Call for proposals wordt door de raad van bestuur van NWO een externe, onafhankelijke, breed samengestelde beoordelingscommissie ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers uit de wetenschap en de gehele kennisketen, inclusief maatschappelijke stakeholders en vertegenwoordigers vanuit de doelgroep, met kennis van het vakgebied. De taak van de beoordelingscommissie is om de vooraanmeldingen en de aanvraag en de daarop betrekking hebbende stukken (in onderlinge samenhang en) op eigen merites te beoordelen op basis van de beoordelingscriteria in deze Call for proposals.

Vanwege het bijzondere karakter van de Call for proposals en de in de beoordelingscommissie aanwezige expertise, heeft NWO besloten om bij de beoordeling van de aanvragen gebruik te maken van de mogelijkheid gegeven in artikel 2.2.4, lid 2, van de NWO Subsidieregeling 2024, om de beoordelingsprocedure uit te voeren zonder referenten in te schakelen.

Uitwerking procedurestappen

Voorafgaand aan het indienen van vooraanmeldingen organiseert NWO een matchmakingbijeenkomst. Tijdens deze bijeenkomst wordt meer informatie gegeven over het aanvraag- en beoordelingsproces, de synergieworkshops en de Impact Plan benadering (zie ook paragraaf 2.3). De bijeenkomst biedt tevens de gelegenheid tot netwerken en verkennen van mogelijke samenwerking bij vooraanmeldingen.

In fase 1 worden vooraanmeldingen ingediend door consortia. Onderzoeksorganisaties en maatschappelijke partijen worden opgeroepen om vooraanmeldingen in te dienen die gericht zijn op de in hoofdstuk 2 beschreven thema’s. Een vooraanmelding is een beknopte aanvraag die op hoofdlijnen beschrijft welke onderzoeksvragen de aanvrager, medeaanvragers en samenwerkingspartners willen adresseren en welke onderzoeksmethodes daarvoor worden voorgesteld. Een vooraanmelding is gericht op de living labs zoals beschreven in paragraaf 2.2.

De vooraanmeldingen maken duidelijk welk deel van het vraagstuk binnen de Call for proposals ze adresseren maar moeten voldoende ruimte behouden voor samenwerking, aanpassing en synergie met de voorgestelde onderzoeksactiviteiten en inzichten uit andere vooraanmeldingen, zodat de geselecteerde vooraanmeldingen in fase 2 tot één aanvraag ontwikkeld kunnen worden. In fase 1 wordt alleen een beknopte budgetindicatie opgevraagd, aangezien de definitieve projectactiviteiten pas in fase 2 worden vastgesteld.

De vooraanmeldingen worden beoordeeld volgens de criteria die zijn beschreven in paragraaf 4.3. De raad van bestuur selecteert, op advies van de beoordelingscommissie, maximaal drie vooraanmeldingen (zie hoofdstuk 2). De hoofdaanvrager en medeaanvragers van de geselecteerde vooraanmeldingen worden door NWO uitgenodigd om in fase 2 gezamenlijk één aanvraag te ontwikkelen. De indieners van de overige vooraanmeldingen krijgen een besluit tot afwijzing van hun vooraanmelding.

In fase 2 vindt ontwikkeling en indiening van één aanvraag plaats, door de partijen die de geselecteerde vooraanmeldingen hebben ingediend. De voorstellen in de geselecteerde vooraanmeldingen dienen in deze fase als startpunt en worden geïntegreerd tot één aanvraag. De opzet van de samenwerking en integratie van de vooraanmeldingen worden door NWO gefaciliteerd met synergieworkshops. Dit gaat om drie bijeenkomsten in de periode juli 2026 -

december 2026 onder leiding van een door NWO ingehuurde facilitator.

4.2.1 Matchmakingbijeenkomst(en)

NWO faciliteert een matchmakingsbijeenkomst. De matchmaking dient ervoor aanvragers bewust te maken van vooraanmeldingen die in ontwikkeling zijn rondom de Call for proposals en geeft de mogelijkheid tot eventuele samenwerking, samenvoeging of aansluiting.

Deze bijeenkomst biedt ook de gelegenheid aan partijen die niet betrokken zijn bij een vooraanmelding, maar wel geïnteresseerd zijn om deel te nemen in een consortium, de mogelijkheid te verkennen om aan te sluiten bij bestaande vooraanmeldingen. Deze partijen kunnen zich daarom ook aanmelden voor deze bijeenkomsten zodat zij in contact kunnen treden met en wellicht kunnen aansluiten bij een consortium.

Verdere informatie over de invulling en planning van de matchmaking zal bekend worden gemaakt via de financieringspagina van deze Call for Proposals en de NWO nieuwsbrieven.

Tot slot wordt op de matchmakingsbijeenkomst meer informatie gegeven over het aanvraagproces en de Impact benaderingen (zie ook paragraaf 2.3).

4.2.2 Indiening van de vooraanmelding

Voor deze Call for proposals is het indienen van een vooraanmelding verplicht.

In fase 1 moeten vooraanmeldingen via ISAAC worden ingediend. De vooraanmelding adresseert de living labs zoals omschreven in (paragraaf 2.2.3). Daarnaast omschrijft de vooraanmelding welke benadering van onderzoek wordt voorgesteld en welke kansen tot samenwerking er zijn met consortia die werken op de andere onderzoekscontexten. Tot slot beschrijft de vooraanmelding welke potentiële consortiumpartners, zoals samenwerkingspartners en cofinanciers, nog worden voorzien in fase 2.

Een vooraanmelding laat voldoende ruimte voor samenwerking, aanpassing en synergie met andere vooraanmeldingen, zodat in fase 2 de geselecteerde vooraanmeldingen tot één overkoepelend project ontwikkeld kunnen worden. In fase 1 wordt nog geen gedetailleerde budgetspecificatie opgevraagd, aangezien de definitief voorgestelde projectactiviteiten pas in fase 2 worden vastgesteld.

De hoofdaanvrager en medeaanvragers van de geselecteerde vooraanmeldingen worden uitgenodigd om gezamenlijk één aanvraag te ontwikkelen in fase 2.

4.2.3 In behandeling nemen van de vooraanmelding

Zo snel mogelijk nadat u uw vooraanmelding heeft ingediend, hoort u of NWO uw vooraanmelding in behandeling neemt. NWO bepaalt dit aan de hand van een aantal administratief-technische criteria (zie de formele voorwaarden voor indiening, paragraaf 3.4). Alleen als uw vooraanmelding hieraan voldoet, kan NWO deze in behandeling nemen.

Houd er rekening mee dat NWO u binnen twee weken na de indieningsdeadline kan benaderen om eventuele administratieve correcties door te voeren om (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening. U krijgt één keer de gelegenheid om de correcties door te voeren, hiervoor krijgt u vijf werkdagen de tijd

4.2.4 Beoordeling en selectie vooraanmelding (fase 1)

De beoordelingscommissie beoordeelt en prioriteert de vooraanmeldingen aan de hand van de criteria beschreven in paragraaf 4.3. De beoordelingscommissie maakt op basis van het beschikbare materiaal een eigen afweging en geeft de vooraanmelding per beoordelingscriterium een cijfermatige score.

Hierbij wordt de NWO scoretabel gehanteerd (op een schaal van 1 tot 9, waarbij ‘1’ excellent is en ‘9’ ontoereikend). De vooraanmelding als geheel moet tenminste de kwalificatie ‘goed’ krijgen om te kunnen worden geselecteerd voor fase 2.

De prioritering per thema wordt vastgesteld aan de hand van de criteria 1 t/m 3 beschreven in paragraaf 4.3 – Fase 1 Vooraanmeldingen. De hoogst geprioriteerde aanvraag voor elke onderzoekscontext wordt voorgedragen voor selectie.

In haar advies motiveert de beoordelingscommissie haar observaties met betrekking tot de kwaliteit van de vooraanmeldingen, en doet zij aanbevelingen voor de uitwerking van een vooraanmelding samen met andere geselecteerde vooraanmeldingen tot één aanvraag.

De beoordelingscommissie stelt naar aanleiding van de bespreking een schriftelijk advies op voor de raad van bestuur van NWO. De raad van bestuur van NWO neemt vervolgens een besluit en selecteert op advies van de beoordelingscommissie maximaal drie vooraanmeldingen, één voor elk van de onderzoekscontexten zoals omschreven in hoofdstuk 2. NWO nodigt maximaal drie hoofdaanvragers van een vooraanmelding uit voor deelname aan fase 2. Aanvragers die niet worden geselecteerd ontvangen een afwijzingsbesluit over de vooraanmelding en kunnen niet indienen in fase 2.

Indien binnen een onderzoekscontext geen vooraanmelding met ten minste de kwalificatie ‘goed’ wordt ingediend, dan worden de prioriteringen van de andere onderzoekscontexten samengevoegd tot één prioritering. Daarna wordt de hoogst geprioriteerde vooraanmelding of worden de twee hoogst geprioriteerde vooraanmeldingen uit die samengevoegde prioritering met tenminste de kwalificatie ‘goed’, ongeacht het thema, voor selectie voorgedragen.

Indien er in fase 1 slechts één vooraanmelding wordt geselecteerd, of wanneer de geselecteerde vooraanmeldingen uit slechts één onderzoekscontext afkomstig zijn, vindt fase 2 geen doorgang en wordt de Call for proposals gesloten. Alle aanvragers van de ingediende vooraanmeldingen ontvangen in dat geval een afwijzingsbesluit. Voor meer informatie over de kwalificaties, zie: Financiering aanvragen, hoe werkt dat? | NWO. In alle gevallen geldt dat vooraanmeldingen slechts voor honorering in aanmerking komen, indien deze aan de kwaliteitscriteria beschreven in paragraaf 4.3 voldoen.

Als na de bespreking van de vooraanmeldingen blijkt dat twee of meer vooraanmeldingen op basis van hun gewogen totaalscore niet van elkaar te onderscheiden zijn, dan is er sprake van een ex aequo-situatie (zie paragraaf over ex aequo 4.2.5).

4.2.5 Ex aequo (vooraanmeldingen)

Onder ex aequo verstaat NWO de situatie waarin twee of meer vooraanmeldingen op basis van hun gewogen score niet van elkaar te onderscheiden zijn. Een ex aequo situatie is relevant rondom de selectiegrens. Of er sprake is van een ex aequo situatie wordt als volgt bepaald. Het uitgangspunt is de door de beoordelingscommissie opgestelde prioritering, met eindscores afgerond op 2 decimalen. De referentiescore is de score van de laagst geprioriteerde vooraanmelding binnen de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens. Alle vooraanmeldingen met een score die 0,05 of minder van de referentiescore afliggen, worden in overweging genomen. Zo worden de aanvragen geselecteerd die binnen 0,10 gelijk zijn. Indien een ex aequo situatie zich voordoet de selectiegrens, dan zal de vooraanmelding met de hoogste score op het criterium ‘Probleemstelling- en analyse’ als hoogste eindigen. Als de ex aequo situatie daarmee niet wordt doorbroken, zal de vooraanmelding met de hoogste score op het criterium ‘Kwaliteit van het consortium’ als hoogste eindigen. Als ook dan vooraanmeldingen gelijk eindigen bepaalt de beoordelingscommissie met behulp van een (anonieme) meerderheidsstemming de prioritering (conform artikel 2.2.6, vijfde lid, van de NWO Subsidieregeling 2024). Als ook stemming geen uitsluitsel biedt, of niet gewenst is, wordt de ex aequo situatie doorgestuurd naar het besluitnemend orgaan.

4.2.6 Deelname aan de synergieworkshops (fase 2)

In fase 2 vindt ontwikkeling en indiening van één aanvraag plaats door een consortium dat bestaat uit de geselecteerde hoofdaanvragers en andere betrokkenen uit de geselecteerde vooraanmeldingen. Daarbij dient de inhoud van vooraanmeldingen als startpunt en wordt deze geïntegreerd in één aanvraag, waarbij de systematiek van de Impact Plan benadering wordt gehanteerd (zie ook paragraaf 2.3).

De opzet van de samenwerking en integratie van de vooraanmeldingen wordt uitgewerkt door middel van synergieworkshops. Dit gaat om een aantal sessies in de periode van juli 2026 tot en met december 2026, onder leiding van een door NWO aangestelde externe, onafhankelijke facilitator. Het is verplicht voor de hoofdaanvragers van de geselecteerde vooraanmeldingen om in fase 2 aan de synergieworkshops deel te nemen. Daarbij kunnen aanvullende deelnemers, waaronder ook stakeholders, uitgenodigd worden als de geselecteerde aanvragers daartoe besluiten. De synergieworkshops dienen ter ondersteuning van de uitwerking van de aanvraag. Van aanvragers wordt verwacht dat ze buiten de workshops ook voldoende tijd en capaciteit reserveren voor verdere ontwikkeling van het projectvoorstel, onderlinge afstemming en het schrijven van de aanvraag.

Eén van de hoofdaanvragers van de geselecteerde vooraanmeldingen wordt hoofdaanvrager van de aanvraag.

Indien tijdens of na de synergieworkshops blijkt dat noodzakelijke expertise of consortiumpartners ontbreken, dan kunnen samenwerkingspartners of cofinanciers aan het consortium worden toegevoegd, mits goed onderbouwd in de aanvraag.

4.2.7 Indiening van een aanvraag (fase 2)

Voor indiening van de aanvraag is een standaardformulier beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals op de NWO website. In uw aanvraag moet u zich houden aan de vragen die in dit formulier staan en aan de werkwijze die in de toelichting staat. Ook moet u zich houden aan de voorwaarden voor het maximale aantal woorden en pagina’s.

Uw ingevulde aanvraagformulier moet voor de deadline via ISAAC zijn ontvangen (zie paragraaf 1.3). Na dit tijdstip kunt u geen aanvraag meer indienen. De hoofdaanvrager ontvangt na indiening van de aanvraag een ontvangstbevestiging.

4.2.8 In behandeling nemen van de aanvraag

Zo snel mogelijk nadat u uw aanvraag heeft ingediend, hoort u of NWO uw aanvraag in behandeling neemt. NWO bepaalt dit aan de hand van een aantal administratief-technische criteria (zie de formele voorwaarden voor indiening, paragraaf 3.4). Alleen als uw aanvraag hieraan voldoet, kan NWO deze in behandeling nemen.

Houdt er rekening mee dat NWO u binnen twee weken na de indieningsdeadline kan benaderen om eventuele administratieve correcties door te voeren om (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening. U krijgt één keer de gelegenheid om de correcties door te voeren, hiervoor krijgt u vijf werkdagen de tijd.

4.2.9 Preadvisering beoordelingscommissie

Hierna wordt uw aanvraag voor commentaar voorgelegd aan enkele leden van de beoordelingscommissie (de preadviseurs). De preadviseurs geven schriftelijk een inhoudelijk en beargumenteerd commentaar op de aanvraag. Zij formuleren dit commentaar aan de hand van de inhoudelijke beoordelingscriteria (zie paragraaf 4.3.1) en geven de aanvraag per beoordelingscriterium een cijfermatige score. Hierbij wordt de NWO scoretabel gehanteerd (op een schaal van 1 tot 9, waarbij ‘1’ excellent is en ‘9’ ontoereikend). De preadviseurs inventariseren daarnaast welke onderdelen tijdens het interview verhelderd, toegelicht of verdiept dienen te worden.

4.2.10 Interview

Tijdens het interview heeft de beoordelingscommissie de gelegenheid om vragen te stellen Het consortium kan hier tijdens het interview in de discussie met de commissie op reageren. Op deze wijze wordt hoor- en wederhoor toegepast. Het interview is een belangrijk onderdeel van de beoordelingen en kan leiden tot bijstelling van de beoordeling en de score van de aanvraag tot dan toe.

4.2.11 Vergadering van de beoordelingscommissie

De beoordelingscommissie maakt op basis van het beschikbare materiaal een eigen afweging. De commissie stelt naar aanleiding van de bespreking een schriftelijk advies op aan de raad van bestuur over de kwaliteit en prioritering van de aanvragen. Dit advies baseert zij op de beoordelingscriteria. De aanvraag als geheel moet tenminste de kwalificatie ‘goed’ krijgen om in aanmerking te komen voor de subsidie. Daarnaast moet de aanvraag tevens op elk van de afzonderlijke beoordelingscriteria tenminste de kwalificatie ‘goed’ krijgen.

Voor meer informatie over de kwalificaties zie Financiering aanvragen, hoe werkt dat? | NWO.

4.2.12 Herstelmogelijkheid (fase 2)

In het geval van een advies tot niet toewijzen, kan de beoordelingscommissie schriftelijk aangeven welke elementen onvoldoende zijn en verbeterpunten aandragen. Het consortium heeft eenmalig de kans een herziene aanvraag in te dienen die de verbeterpunten adresseert. De hoofdaanvrager krijgt na dagtekening van het verzoek twee maanden de tijd om de herziene aanvraag in te dienen. Wanneer de beoordelingscommissie het aantrekken van een of meerdere cofinanciers of samenwerkingspartners in het consortium als verbeterpunt aandraagt, krijgt de hoofdaanvrager drie maanden de tijd voor indiening van de gewijzigde aanvraag.

Na ontvangst van de herziene aanvraag wordt een interview met een aantal vertegenwoordigers vanuit het consortium ter bespreking van het voorstel met de beoordelingscommissie ingepland. Na het interview stelt de beoordelingscommissie een definitief advies vast.

4.2.13 Besluitvorming

Tot slot toetst de raad van bestuur van NWO de gevolgde procedure en het advies van de beoordelingscommissie. Vervolgens stelt het bestuur de definitieve kwalificaties vast en besluit over toe- of afwijzing van de aanvraag.

4.2.14 Tijdpad

Hieronder treft u het tijdpad aan voor deze Call for proposals. Het kan zijn dat NWO het noodzakelijk acht om tijdens de lopende procedure nog aanpassingen in het tijdpad van deze Call for proposals aan te brengen. Uiteraard ontvangt u hierover op tijd bericht.

Matchmakingbijeenkomst

6 november 2025

Matchmakingbijeenkomst

Verzoek toetsing (buitenlandse) organisatie

20 januari 2026 14:00:00 CET

Deadline verzoek toetsing (buitenlandse) organisatie bij vooraanmelding

16 februari 2027 14:00:00 CET

Deadline verzoek toetsing (buitenlandse) organisatie bij volledige aanvraag

Vooraanmeldingen

3 februari 2026 14:00:00 CET

Deadline vooraanmeldingen

Maart 2026

Commissie beoordeelt vooraanmeldingen

April-mei 2026

Aanvragers ontvangen besluit wel/niet uitwerken vooraanmelding tot een aanvraag

Synergieworkshops

Juli 2026

Synergieworkshop sessie 1

Oktober 2026

Synergieworkshop sessie 2

December 2026

Synergieworkshop sessie 3

Aanvragen

2 maart 2027 14:00:00 CET

Deadline aanvragen

April – mei 2027

Interview en vergadering beoordelingscommissie

Mei – juni 2027

Besluit bestuur

4.3 Criteria

4.3.1 Inhoudelijke beoordelingscriteria

De aanvragen die binnen deze Call for proposals worden ingediend worden inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

Fase 1 – Vooraanmelding:

  • 1. Probleemstelling en -analyse (40%)

  • 2. Beoogde impact en route naar impact (projectaanpak) (40%)

  • 3. Kwaliteit van het consortium (20%)

  • 1. Probleemstelling en -analyse

    • De geformuleerde probleemstelling is helder geformuleerd;

    • De voorgestelde onderzoeksaanpak beschrijft één thema;

    • Er is sprake van aansluiting bij, en bijdrage aan, de doelstelling van de Call for proposals:

      • De vooraanmelding adresseert uit de probleemstelling resulterende kennisvragen die passen bij de doelstelling van de Call for proposals en de daarbinnen geformuleerde thema’s.

  • 2. Beoogde impact en route naar impact

    • De beoogde wetenschappelijke en maatschappelijke impact is helder gedefinieerd en volgt logisch uit het/de geïdentificeerde probleem of vraag;

    • De route naar impact is logisch en helder omschreven:

      • De outcomes en output relaterend aan de gewenste impact en het geadresseerde thema zijn helder en logisch omschreven;

      • De samenwerkingskansen t.o.v. de niet in de vooraanmelding geadresseerde thema’s zijn helder omschreven;

    • Kwaliteit van onderzoeksaanpak op hoofdlijnen.

  • 3. Kwaliteit van het consortium

    • De samenstelling van het consortium sluit logisch aan bij de beoogde aanpak beschreven in de vooraanmelding;

    • Expertise en interdisciplinariteitvan de in de vooraanmelding gepresenteerde (potentiële) consortiumpartners;

    • Potentie voor een kennisketenbrede samenwerking;

    • Potentie tot samenwerking met relevante maatschappelijke stakeholders en/of burgers.

Fase 2 – Volledige aanvraag

  • 1. Probleemstelling en -analyse (20%)

  • 2. Beoogde impact en route naar impact (20%)

  • 3. Kwaliteit van het consortium (30%)

  • 4. Kwaliteit van het onderzoek (30%)

Binnen de vier beoordelingscriteria worden de volgende aspecten onderscheiden:

  • 1. Probleemstelling en -analyse

    • Helder geformuleerde probleemstelling en resulterende kennisvragen, logisch gerelateerd en bijdragend aan de doelstelling van de Call for proposals

    • Maatschappelijke en wetenschappelijke urgentie en relevantie van de probleemstelling.

    • Interdisciplinaire en transdisciplinaire karakter van de probleemstelling en de kennisvragen.

  • 2. Beoogde impact en route naar impact

    • De beoogde wetenschappelijke en maatschappelijke impact is helder gedefinieerd en volgt logisch uit het/de geïdentificeerde probleem of vraag.

    • De Impact pathway beschrijft een heldere route richting de maatschappelijke, impact, inclusief de rol van de betrokken partners.

    • Passende strategische activiteiten ten behoeve van het bereiken van de beoogde impact, zoals stakeholder engagement, communicatie, monitoring en evaluatie en capaciteitsontwikkeling.

    • Voldoende aandacht voor de belangrijkste risico’s op ongewenste maatschappelijke impact en de voorgenomen maatregelen om dit te voorkomen of mitigeren en de kans op gewenste impact te vergroten.

  • 3. Kwaliteit van het consortium

    • Samenstelling van het consortium sluit logisch aan bij het beoogde project. Het is interdisciplinair met betrokkenheid van relevante maatschappelijke stakeholders en/of burgers en is kennisketenbreed.

    • Kwaliteit van de consortiumpartners voor wat betreft benodigde kennis, vaardigheden en expertise voor de uitvoering van het project.

    • Actieve betrokkenheid van de partners bij de ontwikkeling van het project (co-design), vanaf de articulatie van de probleemstelling en de kennisvragen, en bij de uitvoering (co-creatie).

    • Heldere taak- en rolverdeling binnen het consortium bij uitvoering van het onderzoek en de governance.

  • 4. Kwaliteit van het onderzoek

    • De wetenschappelijke vraagstelling volgt logisch uit de probleemanalyse en is origineel en vernieuwend voor de betrokken disciplines.

    • De voorgestelde aanpak en methodologie zijn geschikt om de concreet geformuleerde doelstellingen te behalen en de vraagstelling te beantwoorden. Het consortium hanteert in de uitvoering zowel een fundamentele als toepassings- en praktijkgerichte aanpak.

    • Het geïntegreerde karakter van het interdisciplinaire onderzoek.

    • Opzet van het voorgestelde onderzoeksplan: helder omschreven werkpakketten in logische samenhang; passende, goed gemotiveerde, begroting; risico analyse en eventueel back-up plan.

5 Subsidieverplichtingen

In dit hoofdstuk worden de verschillende subsidieverplichtingen toegelicht die – in aanvulling op de in paragraaf 3.5 genoemde subsidievoorwaarden – van toepassing zijn na toewijzing.

5.1 Inhoudelijke monitoring

NWO draagt zorg voor de inhoudelijke monitoring van de toegewezen aanvragen. Tijdens de looptijd van dit programma organiseert NWO programmabijeenkomsten. Alle projecten binnen dit thema van de Call for proposals zullen worden uitgenodigd om hieraan deel te nemen.

Begeleidingscommissie

Ter versterking van de monitoring en om het draagvlak voor de uitvoering van de projecten te vergroten, zal een begeleidingscommissie worden ingesteld (zie ook paragraaf 5.1.7). De begeleidingscommissie monitort de verbinding tussen de verschillende thema’s, monitort de voortgang van alle projecten en de behaalde resultaten met een focus op kennisoverdracht, kennisbenutting en toepassing van de resultaten. Er zullen geregeld bijeenkomsten worden georganiseerd. Voor de bijeenkomsten van de begeleidingscommissie worden vertegenwoordigers van alle consortia gevraagd om input en deelname aan de bijeenkomsten. Waar gewenst worden experts uitgenodigd

5.2 Verantwoording en afsluiting

Verantwoording tijdens het project

Gedurende het project is de hoofdaanvrager verantwoordelijk voor rapportages over het project. NWO kan met het oog op monitoring van de voortgang van het project tussentijds inhoudelijk en financiële rapportages opvragen, evenals verantwoording van geleverde cofinanciering indien van toepassing.

Meer informatie hierover volgt in de toewijzingsbrief.

Afsluiting van een project

Bij afronding van een project zullen inhoudelijke en financiële eindrapportages worden opgevraagd. Na goedkeuring daarvan wordt definitieve hoogte van de subsidie (en cofinanciering) vastgesteld.

5.3 Programma-activiteiten

Kick-off workshop

Na toewijzing van de aanvraag dient het project een kick-off workshop te organiseren, als onderdeel van de monitoring en evaluatie van het project. Deze kick-off moet in het voorgestelde budget opgenomen worden en dient binnen zes maanden na de start van het project plaats te vinden. Tijdens de kick-off bijeenkomst komt het gehele consortium samen om het project, de planning en de samenwerking te bespreken. Ook de plannen rondom het bereiken van maatschappelijke impact en communicatieactiviteiten kunnen besproken worden en indien nodig aangevuld.

Midterm bijeenkomst

NWO faciliteert een midterm bijeenkomst rond de helft van het traject van het toegekende project. Deze bijeenkomst zal een specifieke focus hebben en zal in nauwe samenwerking met het consortium worden georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomst zal onder andere aandacht zijn voor evaluatie van de ontwikkeling en implementatie van de Impact pathway van het onderzoeksproject. Consortiumleden worden geacht deel te nemen aan deze bijeenkomst deel te nemen. De bijeenkomst duurt (tenminste) twee dagdelen, waarbij het eerste deel focust op het project en het tweede deel een publieksdag is met relevante belanghebbenden om zichten en uitkomsten van het project onder de aandacht te brengen en belangstelling voor het thema van de call te vergroten.

Afsluitende bijeenkomst

Tegen het einde van het project organiseert NWO in nauwe samenwerking met de projectbetrokkenen een afsluitende (publieks)bijeenkomst, bestaande uit een aantal dagdelen. Tijdens deze bijeenkomst bespreekt en identificeert het consortium de conclusies van het project. Hierbij worden de betrokken consortiumleden verwacht, maar ook andere relevante stakeholders met interesse en affiniteit met het thema van de Call for proposals zijn welkom bij deze bijeenkomst. Doel van de afsluitende bijeenkomst is het delen en borgen van de inzichten, uitkomsten en (waar mogelijk) impact van het project.

5.4 Datamanagement

Na toewijzing van een aanvraag dient de aanvrager de datamanagementparagraaf uit te werken tot een datamanagementplan. Aanvragers kunnen hierbij gebruik maken van het advies van de referenten en commissie. De aanvrager beschrijft in het plan of gebruik gemaakt wordt van bestaande data of dat het om een nieuwe dataverzameling gaat en hoe de dataverzameling dan FAIR: vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar gemaakt wordt. Het datamanagementplan dient voor indiening te zijn afgestemd met een data steward of vergelijkbare functionaris van de onderzoeksorganisatie waar het project wordt uitgevoerd. NWO beoordeelt het plan zo snel mogelijk. Goedkeuring van het datamanagementplan door NWO is voorwaarde voor de subsidieverlening. Het plan kan tijdens het onderzoek worden bijgesteld.

Meer informatie over het datamanagementprotocol van NWO staat op: Research datamanagement | NWO.

5.5 Intellectueel eigendom en consortiumovereenkomst

Met betrekking tot de intellectuele eigendom (IE) geldt het NWO IE-beleid. Het NWO IE-beleid is te vinden in hoofdstuk 4 van de NWO Subsidieregeling 2024.

Aanvragers moeten een door NWO gefinancierd project uitvoeren in de tijd dat ze voor de onderzoeksorganisatie werken. Indien een aanvrager of een door NWO gefinancierde onderzoeker bij meerdere werkgevers is aangesteld, dient de andere werkgever ten behoeve van de aanvrager afstand te doen van eventuele IE-rechten die uit het project voortvloeien.

NWO streeft na dat onderzoeksresultaten toepassing kunnen vinden bij de partners die bij het project zijn betrokken. NWO beoogt enerzijds dat de onderzoeksresultaten van door haar gefinancierde projecten publiek toegankelijk zijn, en anderzijds dat de verdere ontwikkeling van de onderzoeksresultaten wordt gestimuleerd door partijen de mogelijkheid te bieden om deze te exploiteren. Daarbij kan het wenselijk zijn om intellectuele eigendomsrechten over te dragen of een licentie te verlenen aan (een van) de bij het project betrokken private partijen. Het uitgangspunt is dat alle onderzoeksresultaten kunnen worden gepubliceerd met inachtneming van afspraken over publicatieprocedures.

Het afsluiten van een consortiumovereenkomst na toewijzing van de aanvraag is één van de voorwaarden voor de start van het project. In deze overeenkomst worden afspraken gemaakt over intellectueel eigendom en publicatie, kennisoverdracht, geheimhouding, betalingen van cofinanciering en voortgangs- en eindverslagen. Uploaden in ISAAC is noodzakelijk voordat een project kan starten.

De regie om tot de consortiumovereenkomst te komen ligt bij de aanvrager. De model consortiumovereenkomst die NWO beschikbaar stelt dient hiervoor gebruikt te worden. Deze modelovereenkomst is opgesteld conform de NWO Subsidieregeling 2024. NWO is geen partij bij de consortiumovereenkomst.

Partijen hebben de mogelijkheid om te kiezen voor de standaardtekst van NWO in de modelovereenkomst, en zij hebben ook de mogelijkheid om op de onderdelen IE en publicatieprocedure eigen afspraken te maken of reeds bestaande afspraken toe te passen. De model consortiumovereenkomst voorziet hierin.

5.6 Maatschappelijk verantwoord licentiëren

Uit het project kan kennis voortkomen die geschikt is voor toepassing in de maatschappij. Bij het aangaan van afspraken over licentie- en/of overdracht van onder deze Call for proposals ontwikkelde onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden met de tien principes voor maatschappelijk verantwoord licentiëren, zoals opgenomen in het NFU rapport “Tien Principes voor Maatschappelijk Verantwoord Liciënteren | NFU”.

5.7 Commissie

Na toewijzing van het project zal een commissie conform artikel 3.3.2 van de NWO Subsidieregeling 2024 worden ingesteld ten behoeve van begeleiding en monitoring van het project. Meer informatie over deze commissie volgt in de toewijzingsbrief.

5.8 Open Access

NWO heeft de Berlin Declaration (2003) ondertekend en is lid van cOAlitie S (2018) en zet zich in om de resultaten van wetenschappelijk onderzoek dat door NWO gefinancierd wordt vrij toegankelijk te maken via internet (Open Access). Daarmee geeft NWO invulling aan het beleid van de Nederlandse regering om al het publiek gefinancierde onderzoek Open Access beschikbaar te maken.

Wetenschappelijke publicaties van onderzoek dat is gefinancierd op basis van toewijzingen voortvloeiend uit deze Call for proposals dienen daarom Open Access beschikbaar te zijn volgens de Beleidsregel Open Access.

Wetenschappelijke artikelen

Voor wetenschappelijke artikelen geldt dat zij direct op het moment van publicatie (zonder embargo) Open Access beschikbaar gesteld moeten worden via één van de volgende routes:

  • publicatie in een volledig open access tijdschrift of platform dat is geregistreerd in de DOAJ;

  • publicatie in een abonnementstijdschrift en het deponeren van tenminste de auteursversie van het artikel in een Open Access repository die is geregistreerd in OpenDOAR;

  • publicatie in een tijdschrift waarvoor een transformatieve Open Access overeenkomst beschikbaar is tussen de UNL en een uitgever. Zie daarover: Home | Open Access.

Boeken

Voor boeken, boekhoofdstukken en bundels gelden afwijkende voorwaarden. Zie daarover de Beleidsregel Open Access op Open Science | NWO.

CC BY licentie

Met het oog op een optimale verspreiding van publicaties moet tenminste een Creative Commons (CC BY) licentie worden toegepast. Bij de aanwezigheid van zwaarwegende belangen kan de auteur verzoeken om te publiceren onder toepassing van een CC BY-ND licentie. Voor boeken, bundels en boekhoofdstukken staat de keuze van een CC BY licentie vrij.

Kosten

Eventuele kosten voor publiceren in volledig Open Access tijdschriften kunnen worden begroot in de projectbegroting door gebruikmaking van de budgetmodule ‘materieel’. Kosten voor publicaties in hybride tijdschriften komen niet in aanmerking voor vergoeding door NWO. Voor Open Access boeken kan een beroep gedaan worden op het aparte NWO Open Access boekenfonds.

Voor een nadere toelichting op het Open Access beleid van NWO zie: Open Science | NWO.

6 Contact en overige informatie

6.1 Contact

6.1.1 Inhoudelijke vragen

Voor inhoudelijke vragen over deze Call for proposals neemt u contact op met:

Tessa Savonije en Allert van Westen via nwa-biodiversity@NWO.NL of +31703440964 of +31703494504

6.1.2 Technische vragen over het elektronisch aanvraagsysteem ISAAC

Bij technische vragen over het gebruik van ISAAC kunt u contact opnemen met de ISAAC-helpdesk. Raadpleeg eerst de handleiding voordat u de helpdesk om advies vraagt. De ISAAC-helpdesk is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 10.00 tot 17.00 uur op telefoonnummer +31 (0) 70 34 40 600. U kunt uw vraag ook per e-mail stellen via isaac.helpdesk@nwo.nl. U ontvangt dan binnen twee werkdagen een reactie.

6.2 Overige informatie

NWO verwerkt persoonsgegevens die zij in het kader van deze ronde ontvangt conform de NWO privacyverklaring, Privacyverklaring | NWO.

NWO kan aanvragers mogelijk benaderen voor een evaluatie van de procedure en/of het onderzoeksprogramma.

7 Bijlagen

7.1 Toelichting op budgetmodules

7.1.1 Personeel

Voor genoemde salaristabellen en tarieven: zie Salaristabellen | NWO.

Promovendus

Een promovendus wordt 48 maanden voor 1,0 fte aangesteld bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, umc of onderzoeksorganisatie zoals genoemd in artikel 1.1 van de NWO Subsidieregeling 2024. Het equivalent van 48 voltijdsmaanden, bijvoorbeeld een aanstelling van 60 maanden voor 0,8 fte, is ook mogelijk. Het is in bijzondere situaties mogelijk om een kortere aanstellingsduur aan te vragen. Dit moet goed worden gemotiveerd. Hierover wordt geoordeeld door de beoordelingscommissie. Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een promovendus die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.

Gebruik de tarieven van een promovendus in de salaristabellen van UNL en NFU. Voor iedere promovendus is een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.

Engineering Doctorate

Een Engineering Doctorate (EngD) wordt ten hoogste 24 maanden voor 1,0 fte aangesteld. De EngD is in dienst van de aanvragende instelling en kan voor bepaalde tijd werkzaamheden binnen het onderzoek bij een industriële partner uitvoeren.21

Financiering voor de aanstelling van een EngD kan alleen worden aangevraagd als er ook financiering voor een promovendus of postdoc wordt aangevraagd. Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een EngD die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.

Gebruik de tarieven van een promovendus in de salaristabellen van UNL en NFU. Voor iedere EngD is een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.

Postdoc

Een postdoc wordt aangesteld bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, umc of onderzoeksorganisatie zoals genoemd in paragraaf 3.1.1.

Gebruik de tarieven van een senior wetenschappelijk medewerker in de salaristabellen van UNL, en de tarieven van een postdoc bij een umc in de salaristabellen van NFU.

Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een postdoc die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.

Alleen een postdoc positie met een aanstelling van ten minste 12 maanden voor 0,5 fte kwalificeert als een aanstelling waarvoor een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar staat ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.

Niet-wetenschappelijk personeel

Financiering kan worden aangevraagd voor niet-wetenschappelijk personeel (NWP) dat nodig is voor de uitvoering van het project. Het kan bijvoorbeeld gaan om programmeurs, technisch assistenten, analisten of projectleiders. De inzet van NWP moet worden beschreven in de aanvraag.

De duur van de aanstelling is niet langer dan de looptijd van het door NWO gefinancierde project. Afhankelijk van het functieniveau wordt gekozen uit de salaristabellen van het UNL of NFU voor NWP-mbo, NWP-hbo en NWP-academisch. Voor NWP is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.

Vervanging van de aanvrager

Met deze budgetmodule kan financiering worden aangevraagd voor de kosten van de te vervangen hoofd- en/of medeaanvrager(s). Hiermee kan de werkgever van de betreffende aanvrager de kosten dekken om die vrij te stellen van onderwijs-, begeleidings-, bestuurs- of beheertaken (niet van onderzoekstaken). De aanvrager mag de tijd die vrijkomt door vervanging alleen inzetten voor werkzaamheden voor het project. In de aanvraag moet beschreven worden welke werkzaamheden in het kader van het project de aanvrager(s) in de vrijgestelde tijd zullen verrichten.

NWO financiert de vervanging op basis van de op de besluitdatum geldende salaristabellen voor een senior wetenschappelijk medewerker (UNL) of postdoc (NFU).

Personeel van hogescholen, TO2-instituten,onderwijsinstellingen en overige onderzoeksorganisaties

Financiering kan worden aangevraagd voor personeel van hogescholen, TO2-instituten, overige onderwijsinstellingen en overige onderzoeksorganisaties. De tarieven worden bepaald aan de hand van de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.2 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. De salarisschaal van de aangevraagde functie bepaalt het tarief uit de HOT-tabel.

Voor organisaties die niet de cao Rijksoverheid of vergelijkbaar gebruiken (zoals de cao’s van hbo, mbo, vo en lagere overheden), dient het tarief te worden gebruikt dat de werkelijke loonkosten het dichtst benadert.

Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland

Financiering kan worden aangevraagd voor loonkosten van personeel aan een buitenlandse onderzoeksorganisatie dat een bijdrage levert aan het project. De buitenlandse onderzoeksorganisatie moet voldoen aan de definitie van onderzoeksorganisatie van artikel 5.1 sub p van de NWO Subsidieregeling 2024.

Onderbouw overtuigend hoe de onderzoeker van de buitenlandse onderzoeksorganisatie specifieke expertise aan het project bijdraagt die in Nederland niet beschikbaar is op het niveau dat voor het project noodzakelijk is. De beoordelingscommissie beoordeelt deze onderbouwing als onderdeel van het criterium ‘Kwaliteit van het onderzoek’. Deze onderbouwing is niet nodig wanneer NWO een bilaterale overeenkomst omtrent Money follows cooperation heeft gesloten met de nationale onderzoeksfinancier van het land waar de buitenlandse onderzoeksorganisatie zich bevindt. Op de NWO-website staat met welke onderzoeksfinanciers NWO een dergelijke overeenkomst heeft gesloten. NWO verstrekt geen subsidie aan medeaanvragers in het buitenland die vallen onder toepasselijke sanctiewetgeving.

De hoofdaanvrager ontvangt de subsidie en is verantwoordelijk voor het overmaken van subsidiemiddelen aan de buitenlandse onderzoeksorganisatie van de medeaanvrager en voor de financiële verantwoording van de besteding van het buitenlandse deel van de subsidie. Het wisselkoersrisico ligt bij de aanvrager. Baten of lasten door wisselkoersen zijn niet subsidiabel.

Gebruik de UNL-tarieven gecorrigeerd voor de landencorrectiecoëfficiënten .Deze tarieven zijn maxima. Er is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.

Als binnen deze budgetmodule meer dan € 125.000 per organisatie wordt aangevraagd, dan is een controleverklaring nodig bij de financiële eindverantwoording.

Voorwaarden buitenlandse onderzoeksorganisatie

De organisatie dient:

  • een stichting, vereniging of publiekrechtelijke rechtspersoon te zijn, althans het equivalent daarvan in het land van vestiging van de buitenlandse organisatie;

  • zich in de hoofdzaak zelf bezig te houden met het op onafhankelijke wijze verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of met het met het breed verspreiden van de resultaten van de eigen onderzoeksactiviteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht

  • te kunnen verklaren dat de organisatie een gescheiden boekhouding voert ten aanzien van economische/niet-economische activiteiten en dat ondernemingen met een beslissende invloed op de organisatie geen preferente toegang krijgen tot de onderzoeksresultaten van de organisatie.

Let op: Voorafgaand aan het indienen van een aanvraag wordt door NWO aan de hand van bovengenoemde voorwaarden getoetst of de buitenlandse organisatie aan artikel 1.1, leden 4 en 5 van de NWO Subsidieregeling 2024 voldoet en dus als medeaanvrager mag deelnemen.

NWO voert deze toets mede uit om te controleren of er geen sprake is van het verlenen van verboden staatssteun. Deze toets dient ook uitgevoerd te worden als een organisatie binnen een ander NWO programma is getoetst en werd toegestaan als medeaanvrager.

De deadline voor het indienen van een verzoek tot toetsing van (buitenlandse) organisaties (zie paragraaf 3.1 en paragraaf 7.1.1) is 20 januari 2026, voor 14:00:00 CET voor vooraanmeldingen, en 16 februari 2027 voor 14:00:00 CET voor volledige aanvragen.

De hoofdaanvrager levert ten behoeve van deze toetsing per e-mail aan NWA-Biodiversity <nwa-biodiversity@NWO.NL> de volgende documenten aan van de buitenlandse onderzoeksorganisatie(s):

  • een recent uittreksel van de kamer van koophandel, dan wel het equivalent daarvan in het land van vestiging van de buitenlandse organisatie;

  • de oprichtingsakte en/of actuele statuten;

  • de laatst beschikbare jaarrekening voorzien van een controleverklaring22;

  • een door de buitenlandse organisatie ingevulde Verklaring Onderzoeksorganisatie, beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals.

Het is toegestaan om andere relevante documentatie toe te voegen. Tevens kan NWO om aanvullende informatie vragen als bovenstaande documenten niet voldoende uitsluitsel bieden om te bepalen of de organisatie mag optreden als medeaanvrager.

Als de organisatie van de beoogde medeaanvrager binnen een ander NWO programma is getoetst aan deze voorwaarden, neem dan tijdig contact op met NWO via het bovengenoemde e-mailadres om af te stemmen of deze organisatie opnieuw moet worden getoetst.

Indien de hoofdaanvrager de voor de toets op de voorwaarden benodigde stukken niet op tijd aanlevert, kan NWO de betreffende organisatie niet als medeaanvrager accepteren

Als in de aanvraag nieuwe buitenlandse organisaties worden aan toegevoegd onder deze budgetmodule en deze nieuwe buitenlandse organisaties niet zijn getoetst op de hierboven omschreven wijze, dient ook voor deze organisatie(s) een toets op de voorwaarden plaats te vinden. Ook hiervoor geldt dat hoofdaanvrager uiterlijk 10 werkdagen voor de deadline van indiening per e-mail (dus uiterlijk 16 februari 2027 voor 14:00:00 CET) in ieder geval de volgende documenten aanlevert van de buitenlandse onderzoeksorganisatie(s):

  • een recent uittreksel van de kamer van koophandel, dan wel het equivalent daarvan in het land van vestiging van de buitenlandse organisatie;

  • de oprichtingsakte en/of actuele statuten;

  • de laatst beschikbare jaarrekening voorzien van een controleverklaring23;

  • een door de buitenlandse organisatie ingevulde Verklaring Onderzoeksorganisatie, beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals.

Een buitenlandse organisatie die voorafgaand aan het indienen van een vooraanmelding is getoetst en is goedgekeurd, hoeft voorafgaand aan het indienen van de aanvraag niet nogmaals getoetst te worden.

7.1.2 Materieel

Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke kosten met betrekking tot onder meer verbruiksgoederen, inkoop van diensten, materialen, kleine instrumenten, toegang tot (inter)nationale faciliteiten, software en onderzoeksmiddelen die na gebruik geen economische waarde meer hebben. Reis- en verblijfkosten (nationaal en internationaal) voor alle mensen die aan het project werken incl. buitenlandse gastonderzoekers, kosten voor de organisatie van (internationale) workshops en symposia, kosten voor datamanagement, publicaties, en kosten in het kader van citizen science vallen eveneens onder deze module. Maximaal 50% van het bij NWO aangevraagde materiele budget kan ingezet worden voor werk door derden (bijvoorbeeld laboratoriumananalyses, dataverzameling enz.).

Reiskosten (nationaal en internationaal) worden alleen vergoed op basis van tweede klasse/economy class tarieven. Voor publicaties gelden de bepalingen in de paragraaf 5.1.6 Open access. Kosten voor een controleverklaring kunnen alleen worden opgevoerd voor instellingen die niet onderworpen zijn aan het onderwijsaccountantsprotocol van OCW voor maximaal € 5.000 per controleverklaring.

Het is niet toegestaan om kosten op te voeren voor:

  • organisatie-infrastructuur en overhead, waaronder een volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR-advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening en thuiswerkvergoeding;

  • het gebruik en onderhoud van in eigen beheer ontwikkelde wetenschappelijke infrastructuur.

  • reguliere onderwijsactiviteiten;

  • leden van de begeleidingscommissie (zie paragraaf 5.1.1).

Let op: Indien financiering wordt aangevraagd voor bovenstaande project-specifieke kosten van buitenlandse organisaties dienen deze organisaties voor indiening getoetst te worden op de wijze omschreven in paragraaf 7.1.1 Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland.

7.1.3 Investeringen

Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke middelen ten behoeve van onderzoek of kosten met betrekking tot bouw of doorontwikkeling van wetenschappelijke infrastructuur die na afronding van het project economische waarde behouden, dan wel kunnen worden hergebruikt. De begunstigde verwerft na afloop van het project het eigendom over deze onderzoeksmiddelen. Indien de begunstigde winst realiseert uit het economisch eigendom van deze onderzoeksmiddelen, dan moeten deze winsten worden geïnvesteerd in primaire activiteiten van de begunstigde zoals bedoeld in artikel 3.1.4, lid 2, van de NWO Subsidieregeling 2024. Het gaat om de aanschaf van apparatuur met restwaarde voor de uitvoering van onderzoek en om investeringen in de opbouw of (verdere) ontwikkeling van wetenschappelijke infrastructuur. Loonkosten als onderdeel van de investering zijn op te voeren als personele kosten

Indien apparatuur niet tijdens de volledige levensduur daarvan voor het voorgestelde project wordt gebruikt, komen alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het voorgestelde project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, voor subsidiëring in aanmerking.

De kosten voor investeringen dienen in de aanvraag adequaat gespecificeerd en gemotiveerd te worden.

Subsidiabel zijn:

  • kosten voor investeringen in wetenschappelijke apparatuur.

  • kosten voor investeringen in datasets.

  • loonkosten voor medewerkers met essentiële technische expertise noodzakelijk voor de ontwikkeling of bouw van een investering.

Niet-subsidiabel zijn:

  • kosten voor infrastructurele voorzieningen die tot de gebruikelijke infrastructuur gerekend kunnen worden zoals: volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR-advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening, thuiswerkvergoeding).

  • dataverzamelingen en eventuele bijbehorende software en bibliografieën die reeds op andere wijze beschikbaar zijn.

  • overige personeelskosten, waaronder personeelskosten voor de exploitatie en het uitvoeren van onderzoek met de faciliteit.

  • kosten voor onderhoud en gebruik van de apparatuur op een project. De kosten voor het gebruik van apparatuur op een project kunnen via het materieel budget aangevraagd worden.

7.1.4 Kennisbenutting

Het aangevraagde budget dient in de aanvraag adequaat gespecificeerd te worden. Gebruik voor de bepaling van de tarieven de bepalingen van de budgetmodules Personeel (7.1.1) en Materieel (7.1.2).

Impact Plan-benadering

Het is verplicht om bij het opstellen van een aanvraag gebruik te maken van deze module en minimaal 5% tot maximaal 20% van het subsidiebedrag in te zetten voor deze module.

In de projectbegroting staan binnen deze module in ieder geval kosten voor de volgende activiteiten:

  • Specifieke activiteiten om kennisbenutting naar (intermediaire) partijen die niet in het project gefinancierd worden, zoals bijvoorbeeld kennisplatforms, te bevorderen. Deze activiteiten omvatten onder andere gezamenlijke leeractiviteiten, trainingen en communicatie-activiteiten.

  • Belanghebbenden (‘stakeholders’) betrekken: activiteiten georganiseerd door het consortium gericht op het betrekken van stakeholders, zoals consultatie workshops, expert meetings, ronde tafel bijeenkomsten e.d.

  • Communicatie: activiteiten georganiseerd door het consortium zoals (internationale) learning events, ontwikkeling van video’s, blogs, nieuwsbrieven en andere media uitingen. Het inhuren van communicatie expertise kan hier ook onder vallen.

  • Ontwikkeling van vaardigheden: Activiteiten gericht op het ontwikkelen van vaardigheden die verder gaan dan de niveaus van de individuele studenten, promovendi of postdocs, zoals het ontwikkelen van cursussen voor stakeholders of masterstudenten.

  • Monitoring en evaluatiemomenten waarin kennisbenutting onderwerp van discussie is: zoals bijvoorbeeld de tussentijdse evaluaties en de bijeenkomsten van commissies.

Let op: Indien financiering wordt aangevraagd voor bovenstaande project-specifieke kosten van buitenlandse organisaties dienen deze organisaties voor indiening getoetst te worden op de wijze omschreven in paragraaf 7.1.1 Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland.

7.1.5 Projectmanagement

De module Projectmanagement geeft de mogelijkheid om een post voor projectmanagement aan te vragen tot maximaal 5% van het subsidiebedrag. De hoofdaanvrager moet deze post adequaat motiveren.

Onder projectmanagement wordt onder andere verstaan het optimaal vormgeven van de organisatiestructuur van het consortium, ondersteuning van het consortium en de hoofdaanvrager, het bewaken van de samenhang, voortgang en eenheid van het project, en de afstemming tussen de deelprojecten binnen het project. Deze taken mogen ook door externe partijen worden uitgevoerd zover niet beschikbaar op de kennisinstelling van de hoofdaanvrager. Onderzoeksorganisaties dienen bij de offerteprocedure tot het selecteren van een derde partij rekening te houden met de inkoopregels van de overheid en waar nodig een Europese aanbestedingsprocedure te volgen. De werkzaamheden van de hoofdaanvrager en aanvragers zelf in het kader van het project(management) mogen niet bekostigd worden uit deze budgetmodule.

Het voor projectmanagement aan te vragen budget kan bestaan uit materiële of uitvoeringskosten en personele kosten. Voor personele kosten kan een maximaal tarief van € 121,– per uur worden opgevoerd. Het uurtarief van het aan te stellen personeel dient te zijn gebaseerd op een kostendekkend tarief en wordt berekend op basis van het gehanteerde standaard productief aantal uur van de organisatie. Het kostendekkend tarief omvat:

  • (gemiddeld) brutoloon behorende bij de functie van de medewerker die zal bijdragen aan het project (op basis van de cao-inschaling van de betreffende medewerker);

  • vakantiegeld en 13e maand (indien van toepassing in de geldende cao) naar rato van de inzet in fte;

  • sociale lasten;

  • pensioenlasten;

  • overhead.

Het is toegestaan om taken in het kader van projectmanagement door externe partijen te laten uitvoeren, maar het deel van (commerciële) uurtarieven dat voornoemde tarieven overschrijdt, is niet subsidiabel en kan derhalve niet worden opgenomen in de begroting.

7.2 Indexering

Het tarief op het moment van de besluitdatum is van toepassing. NWO past bij de toekenning zo nodig eenmalig ambtshalve een indexering toe van de loonkosten. Hierbij wordt de datum gehanteerd waarop de tarieven ingaan. Indien de datum van bekendmaking van de tarieven later is dan de ingangsdatum, wordt de datum van bekendmaking gehanteerd. De tarieven van de Universiteiten van Nederland (UNL) gaan doorgaans in op 1 juli, van de Nederlandse Federatie van Universitair medische centra (NFU) op 1 augustus en van de Handleiding Overheidstarieven (HOT) op 1 januari.

Ambtshalve indexering heeft geen invloed op het subsidieplafond en het maximaal aan te vragen subsidiebedrag. Het subsidieplafond en het maximaal aan te vragen subsidiebedrag blijven ongewijzigd tijdens de beoordelingsprocedure. Bij toewijzing wordt indexering toegepast op het subsidiebedrag.

Indien cofinanciering is vereist dan wel toegestaan, heeft de ambtshalve indexering geen gevolgen voor de eisen aan eigen bijdragen en cofinanciering, noch voor de IE-rechten die uit de cofinanciering kunnen voortvloeien.

7.3 Onderzoekorganisaties

De hieronder genoemde onderzoeksorganisaties mogen als medeaanvrager optreden in een consortium. De toetsing zoals vermeld in paragraaf 3.1.1 is voor deze organisaties niet nodig.

  • 1. Armauer Hansen Research Institute (AHRI)

  • 2. Biomedical Primate Research Centre

  • 3. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

  • 4. IHE Delft Institute for Water Education

  • 5. IMEC-NL

  • 6. Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV)

  • 7. Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)

  • 8. Marin (TO2)

  • 9. Nivel

  • 10. Nederlandse Defensie Academie (NLDA)

  • 11. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

  • 12. Stichting Amsterdam Institute for Advanced Metropolitan Solutions (AMS Institute)

  • 13. Stichting Wageningen Research (WUR TO2)

  • 14. TNO (TO2)

  • 15. Trimbos Instituut

  • 16. University of Liverpool

  • 17. Universität Wien

  • 18. VIB Gent

  • 19. Waag Futurelab

  • 20. Universiteit Gent


X Noot
1

De brede kennisketen omvat een diversiteit aan publieke kennisinstellingen zoals hogescholen, universiteiten, NWO- en KNAW-instituten, universitair medisch centra en TO2-instituten.

X Noot
2

Meer informatie over de verschillende programmalijnen is te vinden via Nationale Wetenschapsagenda | NWO.

X Noot
3

Zie IPBES Transformative Change Assessment: Summary for Policymakers zenodo.org/records/15095763

X Noot
4

Global assessment report on biodiversity and ecosystem services of the Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES 2019) zenodo.org/records/6417333;

en zie ook: www.pbl.nl/ecosysteemdiensten

X Noot
5

Mundaca & Heintze (2024), “Banking on ecosystem services”, Ecological Economics, vol 224, doi.org/10.1016/j.ecolecon.2024.108284

X Noot
6

IPBES 2019 zenodo.org/records/6417333

X Noot
8

Collectief Natuurinclusief: www.collectiefnatuurinclusief.nl/

X Noot
9

Kennisdocument Basiskwaliteit Natuur www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/02/28/kennisdocument-basiskwaliteit-natuur

In de toolbox Basiskwaliteit Natuur verschijnt binnenkort ook de uitwerking voor bebouwd gebied.

X Noot
11

Global assessment report on biodiversity and ecosystem services of the Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES 2019) zenodo.org/records/6417333

X Noot
12

Verordening (EU) 2024/1991 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2024 inzake natuurherstel en tot wijziging van verordening 2022/869: eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=OJ:L_202401991

X Noot
14

Deze lijst met onderzoeksvragen dient ter illustratie en is niet uitputtend.

X Noot
15

Voor lectoren in dienst van een hogeschool en onderzoekers in dienst van een TO2-instituut geldt dat zij ook als hoofdaanvrager mogen indienen met een bezoldigd dienstverband voor bepaalde tijd.

X Noot
16

Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun. Zie: Verordening – EU – 2023/2831 – NL – EUR-Lex | Europa.eu .

X Noot
17

Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.

X Noot
18

Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.

X Noot
19

Alle activiteiten die worden aangevraagd onder deze budgetmodule moeten passen binnen de definitie van "Activiteiten inzake kennisoverdracht" die door de Europese Commissie wordt gehanteerd in de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2022, C 414).

X Noot
20

Zie voor niet toelaatbare cofinanciering ook de Regeling Cofinanciering, artikel 6.

X Noot
21

Meer informatie over EngD posities is beschikbaar via 4TU.

X Noot
22

Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.

X Noot
23

Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.


X Noot
1

De brede kennisketen omvat een diversiteit aan publieke kennisinstellingen zoals hogescholen, universiteiten, NWO- en KNAW-instituten, universitair medisch centra en TO2-instituten.

X Noot
2

Meer informatie over de verschillende programmalijnen is te vinden via Nationale Wetenschapsagenda | NWO.

X Noot
3

Zie IPBES Transformative Change Assessment: Summary for Policymakers zenodo.org/records/15095763

X Noot
4

Global assessment report on biodiversity and ecosystem services of the Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES 2019) zenodo.org/records/6417333;

en zie ook: www.pbl.nl/ecosysteemdiensten

X Noot
5

Mundaca & Heintze (2024), “Banking on ecosystem services”, Ecological Economics, vol 224, doi.org/10.1016/j.ecolecon.2024.108284

X Noot
6

IPBES 2019 zenodo.org/records/6417333

X Noot
8

Collectief Natuurinclusief: www.collectiefnatuurinclusief.nl/

X Noot
9

Kennisdocument Basiskwaliteit Natuur www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/02/28/kennisdocument-basiskwaliteit-natuur

In de toolbox Basiskwaliteit Natuur verschijnt binnenkort ook de uitwerking voor bebouwd gebied.

X Noot
11

Global assessment report on biodiversity and ecosystem services of the Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES 2019) zenodo.org/records/6417333

X Noot
12

Verordening (EU) 2024/1991 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2024 inzake natuurherstel en tot wijziging van verordening 2022/869: eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=OJ:L_202401991

X Noot
14

Deze lijst met onderzoeksvragen dient ter illustratie en is niet uitputtend.

X Noot
15

Voor lectoren in dienst van een hogeschool en onderzoekers in dienst van een TO2-instituut geldt dat zij ook als hoofdaanvrager mogen indienen met een bezoldigd dienstverband voor bepaalde tijd.

X Noot
16

Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun. Zie: Verordening – EU – 2023/2831 – NL – EUR-Lex | Europa.eu .

X Noot
17

Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.

X Noot
18

Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.

X Noot
19

Alle activiteiten die worden aangevraagd onder deze budgetmodule moeten passen binnen de definitie van "Activiteiten inzake kennisoverdracht" die door de Europese Commissie wordt gehanteerd in de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2022, C 414).

X Noot
20

Zie voor niet toelaatbare cofinanciering ook de Regeling Cofinanciering, artikel 6.

X Noot
21

Meer informatie over EngD posities is beschikbaar via 4TU.

X Noot
22

Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.

X Noot
23

Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.

Naar boven