Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek | Staatscourant 2025, 31204 | overige overheidsinformatie |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek | Staatscourant 2025, 31204 | overige overheidsinformatie |
Call for proposals
2025
|
1 |
Inleiding |
1 |
|
|
1.1 |
Achtergrond |
1 |
|
|
1.2 |
Beschikbaar budget |
2 |
|
|
1.3 |
Indieningsdeadline(s) |
2 |
|
|
2 |
Doel |
3 |
|
|
2.1 |
Doelstelling van het programma |
3 |
|
|
2.2 |
Inhoudelijk kader |
4 |
|
|
2.3 |
Maatschappelijke impact |
8 |
|
|
2.4 |
Consortiumvorming |
9 |
|
|
3 |
Voorwaarden voor aanvragers |
9 |
|
|
3.1 |
Wie kan aanvragen |
10 |
|
|
3.2 |
Wat kan worden aangevraagd |
13 |
|
|
3.3 |
Het opstellen en indienen van de aanvraag |
15 |
|
|
3.4 |
Indieningsvoorwaarden |
16 |
|
|
3.5 |
Subsidievoorwaarden |
17 |
|
|
4 |
Beoordelingsprocedure |
19 |
|
|
4.1 |
De San Francisco Declaration (DORA) |
20 |
|
|
4.2 |
Procedure |
20 |
|
|
4.3 |
Criteria |
23 |
|
|
5 |
Subsidieverplichtingen |
24 |
|
|
5.1 |
Inhoudelijke monitoring |
24 |
|
|
5.2 |
Verantwoording en afsluiting |
25 |
|
|
5.3 |
Programma-activiteiten |
25 |
|
|
5.4 |
Datamanagement |
25 |
|
|
5.5 |
Intellectueel eigendom en consortiumovereenkomst |
25 |
|
|
5.6 |
Maatschappelijk verantwoord licentiëren |
26 |
|
|
5.7 |
Commissie |
26 |
|
|
5.8 |
Open Access |
26 |
|
|
6 |
Contact en overige informatie |
27 |
|
|
6.1 |
Contact |
27 |
|
|
6.2 |
Overige informatie |
27 |
|
|
7 |
Bijlagen |
27 |
|
|
7.1 |
Toelichting op budgetmodules |
27 |
|
|
7.2 |
Indexering |
32 |
|
|
7.3 |
Onderzoekorganisaties |
32 |
|
In deze Call for proposals leest u hoe de aanvraagprocedure is ingericht voor de subsidieronde ‘NWA Samen werken aan een inclusieve samenleving: naar een sociaal model van handicap’. Deze Call for proposals valt onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).
U vindt in deze Call for proposals achtereenvolgens informatie over het doel van dit programma (hoofdstuk 2), de voorwaarden voor de subsidieaanvraag (hoofdstuk 3) en hoe uw aanvraag wordt beoordeeld (hoofdstuk 4). Deze informatie heeft u nodig om een aanvraag voor subsidie te kunnen indienen. In hoofdstuk 5 vindt u de subsidieverplichtingen die van toepassing zijn in geval van toewijzing. In hoofdstuk 6 staan de contactgegevens en in hoofdstuk 7 de bijlagen.
Wat wil Nederland weten? Vanuit die gedachte is de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) door een innovatief proces met de inbreng van burgers en wetenschappers tot stand gekomen: elke Nederlander kreeg de kans om online vragen aan de wetenschap te stellen. Deze oproep leverde maar liefst 11.700 vragen op, over de meest uiteenlopende onderwerpen. Deze zijn gebundeld in 140 grote vraagstukken, de zogeheten ‘clustervragen’. Rond deze clustervragen zijn vanuit onderzoekers en maatschappelijke organisaties 25 netwerken ontstaan, die de naam NWA-routes kregen. Deze netwerken kregen een eigen routemanagement en ontwikkelen, geïnspireerd door de clustervragen in de NWA-agenda, kennisagenda’s, organiseren bijeenkomsten en communicatieactiviteiten. De 25 NWA-routes en bijbehorende clustervragen zijn te vinden via Routes|NWO.
De NWA omvat complexe vraagstukken waar samenwerking tussen onderzoekers vanuit verschillende disciplinaire achtergronden en kennisorganisaties en maatschappelijke (publieke en private) organisaties meerwaarde heeft. Hierin stroomt nieuwe kennis door van onderzoeker naar gebruiker en nieuwe vragen vanuit de praktijk en de samenleving vinden een ingang in nieuw onderzoek. Het NWA-programma stimuleert daarom samenwerking tussen verschillende partners in de overtuiging dat men meer kan bereiken met elkaar dan ieder afzonderlijk.
De kernelementen van de NWA zijn:
– De Nationale Wetenschapsagenda die gevormd wordt door de 140 clustervragen en de 25 routes;
– Kennisketenbrede1 en interdisciplinaire consortia, waarin onderzoekers vanuit verschillende disciplinaire achtergronden en kennisorganisaties en maatschappelijke (publiek en private) organisaties en (waar relevant) burgers samenwerken aan de complexe vraagstukken;
– Maatschappelijke organisaties, samenleving en burgers hebben een duidelijke rol in het onderzoek;
– Het in dialoog en interactie delen van de resultaten met de samenleving.
De uitvoering van het programma voor de Nationale Wetenschapsagenda is door het Ministerie van OCW in 2018 belegd bij NWO. De NWA omvat vier programmalijnen2:
1. Onderzoek op Routes door Consortia (ORC);
2. Thematische programmering waarin wordt samengewerkt met overheden;
Deze Call for proposals ‘Samen werken aan een inclusieve samenleving: naar een sociaal model van handicap’ wordt gerealiseerd in het kader van programmalijn 2.
Bij deze Call for proposals is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) de initiatiefnemer.
Het subsidieplafond voor deze Call for proposals bedraagt in totaal € 2.865.000. De call bestaat uit twee fasen. In fase I is er € 520.000 beschikbaar per ijkpuntproject. In fase II is er € 785.000 beschikbaar voor het overkoepelende project (zie hoofdstuk 2). Binnen deze Call for proposals worden in fase I maximaal vier aanvragen (maximaal één per ijkpunt) toegewezen en wordt in fase II één aanvraag toegewezen.
Indien er binnen één ijkpunt geen aanvraag van voldoende kwaliteit wordt ingediend, dan wordt de op één na hoogst geprioriteerde aanvraag uit de andere ijkpunten toegewezen. Indien er binnen twee ijkpunten geen aanvragen van voldoende kwaliteit zijn ingediend, dan worden uit elk resterend ijkpunt de twee hoogst geprioriteerde aanvragen toegewezen. In het geval dat er slechts binnen één ijkpunt aanvragen worden ingediend, dan worden de hoogst geprioriteerde aanvragen (max. 4) binnen dit ijkpunt toegewezen. In alle gevallen geldt dat aanvragen slechts voor toewijzing in aanmerking komen, indien deze aan de kwaliteitscriteria (zie paragraaf 4.2.4) voldoen.
Bij het indienen van uw aanvraag in ISAAC dient u ook online nog gegevens in te voeren. Begin daarom ten minste één dag vóór de deadline van deze Call for proposals met het indienen van uw aanvraag. Aanvragen die na de deadline worden ingediend, worden niet in behandeling genomen.
De (online) informatiebijeenkomst voor deze call vindt plaats op 30 september 2025 en de matchmaking vindt plaats op 27 oktober 2025. Meer informatie kunt u vinden op de financieringspagina van deze Call for proposals.
De deadline voor het indienen van aanvragen in fase I is dinsdag 10 februari 2026, voor 14:00:00 CET. De deadline voor het indienen van de aanvraag in fase II is dinsdag 8 februari 2028, voor 14:00:00 CET.
De deadline voor het indienen van een verzoek tot toetsing van (buitenlandse) organisaties (zie paragraaf 3.1 en paragraaf 7.1.1 is 27 januari 2026 voor 14:00:00 CET van aanvragen in fase I en 25 januari 2028 voor 14:00:00 CET van aanvragen in fase II.
Dit hoofdstuk beschrijft de doelstelling van het programma en de maatschappelijke impact.
In Nederland hebben ruim 2 miljoen mensen een beperking. Daarmee bedoelen we alle mensen met een lichamelijke, zintuiglijke, psychische of verstandelijke beperking of chronische ziekte. Hieronder vallen ook mensen met een vorm van neurodivergentie zoals bijvoorbeeld dyslexie, ADHD of autisme. De beperkingen waar deze mensen mee te maken krijgen hebben uiteraard ook invloed op de levens van hun familie, vrienden, partner, collega’s, kinderen, enzovoorts. Veel directe naasten zijn ook betrokken in de rol van mantelzorger.
Mensen met een beperking worden in zowel formele als informele contexten vaak buitengesloten, ook bij kennisontwikkeling of kennisdeling; meestal onbedoeld of onbewust. Dat kan en moet anders, beginnend met een benadering waarbij een sociaal perspectief en niet een medisch perspectief op handicap centraal staat. Bij een sociaal perspectief is het uitgangspunt dat het de samenleving is die in belangrijke mate de beperkingen oplegt. Dat betekent dus ook dat als mensen buitengesloten worden, dit naast bijvoorbeeld juridische en economische aspecten, te maken heeft met de organisatie van of de omgangscultuur in onze samenleving. Het kan dan gaan om sociale attitudes en institutionele normen, maar evengoed om de inrichting van de fysieke of digitale omgeving.
Het gaat dus om zowel fysieke als relationele toegang tot de samenleving, waarbij ook indirect betrokkenen zoals (lokale) overheden, bedrijven en professionals elk een belangrijke verantwoordelijkheid dragen. Het beleggen van deze gedeelde verantwoordelijkheid is cruciaal zodat iedere persoon met en zonder een beperking naar eigen wens en mogelijkheid mee kan doen in de maatschappij.
De basis voor deze veranderingen ligt bij het VN-Verdrag Handicap, dat in Nederland nog verder geïmplementeerd moet worden en een belangrijke aanleiding is voor dit programma. Het verdrag stelt onder andere dat alle kinderen, jongeren, en volwassenen recht hebben op een samenleving waar kansengelijkheid centraal staat, en waar zij vanzelfsprekend deel van uit maken. Het wegwerken van fysieke obstakels in het openbaar vervoer draagt bij aan een onbelemmerde toegang voor mensen met een beperking én voor bijvoorbeeld senioren of ouders met jonge kinderen. Helder en eenvoudig taalgebruik op de bijsluiter draagt bij aan goed gebruik van medicijnen door mensen met een licht verstandelijke beperking én, bij uitbreiding, door mensen die laaggeletterd zijn. Een inclusieve digitale overheid biedt ook ruimte voor mensen die minder digitaal vaardig zijn. Omdat een beperking bovendien op alle facetten van het leven invloed heeft, kan dit inclusievraagstuk niet vanuit één domein worden opgelost. Een benadering van handicap gebaseerd op gedeelde verantwoordelijkheid houdt hier passend rekening mee. Zo worden specifieke problemen niet los gezien van een belemmerende omgeving: het probleem van werkloosheid kan bijvoorbeeld niet opgelost worden door alleen in te grijpen in de sociale organisatie van het werk en de werking van de arbeidsmarkt, maar vergt ook actie in domeinen als onderwijs, vervoer en cultuur.
Het NWA-programma ‘Samen werken aan een inclusieve samenleving: naar een sociaal model van handicap’ heeft als doel om bij te dragen aan een inclusievere maatschappij die volwaardig en betekenisvol toegang geeft aan mensen met een beperking door:
1) de bestaande kennis over de barrières waar mensen met een beperking tegenaan lopen maximaal te benutten. De focus ligt bij de vraag waarom het wegnemen van de barrières zo langzaam gaat en de verantwoordelijkheid voor de oplossing nog te vaak bij mensen met een beperking zelf wordt gelegd.
2) inzichtelijk te maken welke actoren welke verantwoordelijkheden hebben voor een inclusievere maatschappij en helder te krijgen hoe deze verantwoordelijkheden op een minder vrijblijvende manier kunnen worden belegd.
3) relevante partijen te voorzien van concrete handvatten en handelingsperspectieven voor het realiseren van deze maatschappelijke omslag. Denk hierbij aan scholen, andere onderwijsverbanden en leerkrachten, interne begeleiders, bedrijven en leidinggevenden, ziekenhuizen, zorginstellingen en zorgmedewerkers, sociaal werkers, informele zorgverleners, (lokale) overheden en beleidsmedewerkers.
4) via de toepassing van ontwikkelde handvatten in de praktijk bij te dragen aan het vergroten van gelijkwaardigheid en het verminderen van obstakels op verschillende ijkpunten in het leven (zie 2.2.5). Dit draagt er uiteindelijk aan bij dat sociale participatie voor iedereen in de samenleving wordt vergroot.
Hierbij wordt gebruikgemaakt van leernetwerken (zie 2.2.2) en kan geleerd worden van (lokale) voorbeelden waar het wegnemen van barrières al wél lukt.
In de twee fases van het programma wordt uitgegaan van het principe ‘Niets over ons zonder ons’. Mensen met een beperking doen als gelijkwaardige partij mee, denken mee en beslissen mee, om zo tot een zo inclusief mogelijk proces en resultaat te komen. Bij de consortiumvorming (zie ook paragraaf 2.4) zal hier extra aandacht voor moeten zijn om te garanderen dat dit in de praktijk ook gerealiseerd wordt. De consortiumvorming wordt door NWO mede gefaciliteerd via een matchmaking-evenement waarbij de input van ervaringsdeskundigen het uitgangspunt vormt voor de aanvraag.
In dit NWA-programma worden ervaringskennis, praktijkkennis en wetenschappelijke kennis met elkaar verbonden. Zo kunnen betrokken actoren zoals beleidsmakers, werkgevers, onderwijsprofessionals (inclusief bijvoorbeeld kinderdagverblijf en voor- en naschoolse opvang), professionals die werken in de dag- en vrijetijdsbesteding (recreatie, cultuur, sport) en zorgprofessionals hun verantwoordelijkheden beter leren kennen en ook nemen. Op die manier kan echt samen worden gewerkt aan een inclusieve samenleving voor mensen met een handicap. Het programma wil via deze transdisciplinaire samenwerking ook bijdragen aan een duurzaam lerend netwerk dat mee kan helpen om de ambities van het VN-Verdrag Handicap te realiseren.
Deze Call for proposals roept zowel ervaringsdeskundigen en andere maatschappelijke partijen als kennisinstellingen op tot het gezamenlijk ontwikkelen van wetenschappelijke en praktijkgeoriënteerde onderzoeksvoorstellen gericht op het creëren van een inclusievere samenleving voor de diverse groep van mensen met een beperking. De consortia werken interdisciplinair en zijn kennisketenbreed samengesteld. Bij interdisciplinair werken ligt de focus op het komen tot integratie van perspectieven of inzichten uit verschillende disciplines, om zo een complex fenomeen beter te kunnen duiden. Hierbij is een kennisketenbrede benadering nodig waarbij het programma fundamenteel en praktijkgericht onderzoek verbindt en vertrekt vanuit de kennisbehoefte van de ervaringsdeskundigen en andere maatschappelijke partijen.
Deze Call for proposals past binnen de NWA-Routes ‘Op weg naar veerkrachtige samenlevingen’, ‘Jeugd in ontwikkeling’, opvoeding en onderwijs’ en ‘Smart, liveable cities’. Inbedding en andere initiatieven om rekening mee te houden zijn de ZonMw-programma’s ‘Onbeperkt Meedoen!’, ‘Voor Elkaar2024–2028!’ en ‘Gezonde Leefomgeving’, evenals de NWA-call ‘Eenzaamheid’. Verder sluit deze call goed aan bij de KIC-calls ‘Doorbreken van barrières voor een inclusieve leefomgeving’ en ‘Meedoen op de arbeidsmarkt: Innovatieve oplossingen voor mensen met een beperking of chronische ziekte’, die zich beiden richten op een inclusieve leefomgeving binnen onderwerpen die een rol spelen in ieders dagelijks leven. Te denken valt aan opleiding en werk, wonen (bebouwing) en vervoer en vrije tijd (recreatie, uitgaan en cultuur, maar ook sport en bewegen), met een focus op innovatieve en technologische oplossingen.
Dit NWA-programma vertrekt vanuit een levensloopbenadering en het idee dat iedereen zijn leven moet kunnen vormgeven naar eigen wensen en mogelijkheden. Er wordt gefocust op vier ijkpunten in het leven: 1) Naar school, studeren en levenslang leren/ontwikkelen; 2) Uit huis gaan en wonen naar eigen keuze; 3) Aan het werk (blijven)/eigen inkomen; 4) Gezinsvorming/opgroeien met een beperking (zie ook sectie 2.2.5). Deze ijkpunten zijn gekozen omdat ze elk belangrijke transitiemomenten of grote veranderingen in het leven bevatten waarin mensen met een beperking met nieuwe drempels in hun leven te maken kunnen krijgen. Juist die momenten kunnen mensen in een kwetsbare situatie brengen door de ontoegankelijkheid van de samenleving. Om deze drempels weg te nemen is de inzet van zowel directe als indirecte en zowel formele als informele betrokkenen uit diverse domeinen noodzakelijk. Zij realiseren gezamenlijk met mensen met een beperking dat laatstgenoemden volwaardig en/of betekenisvol kunnen leven. De focus ligt in het onderzoek op ijkpunten dus steeds op de context en niet op het individu.
Hierbij wordt een levensbreed en levenslang perspectief voor mensen met een beperking en hun naasten gehanteerd, met aandacht voor alle aspecten van het leven zoals omschreven in de levensdomeinen in het VN- verdrag Handicap. Daarnaast wordt per ijkpunt aandacht besteed aan een diverse groep aan mensen met een beperking, waarbij ook verschil is in de mate van ondersteuningsbehoefte. Hierbij wordt gefocust op zowel groepsspecifieke als breedgedragen kenmerken, waarbij geleerd kan worden van eventuele tegenstrijdige behoeften en toegankelijkheidsconflicten.
De gekozen ijkpunten zijn momenten waarop een groter beroep wordt gedaan op de context rondom individuen met een beperking, zoals op direct betrokken professionals. Daarnaast gaat het om indirect betrokkenen, zoals beleidsmakers, gemeenten, bedrijven en andere maatschappelijke organisaties. Om participatie voor mensen met een beperking te vergroten is daarom een transdisciplinaire en kennisketenbrede aanpak nodig. Het vergroten van gelijkwaardigheid en verminderen van obstakels op de gekozen ijkpunten kan uiteindelijk ook sociale participatie buiten de specifieke doelgroep van mensen met een beperking bevorderen en leiden tot meer sociale participatie voor iedereen in de samenleving.
Binnen deze Call for proposals wordt gewerkt met leernetwerken. Een leernetwerk is een samenwerkingsverband tussen organisaties en andere (niet of minder georganiseerde) partijen. Het doel is samen een aspect van het sociaal domein te verbeteren op basis van de wensen en behoeften van deelnemers. Leden vanuit verschillende perspectieven zoals ervaringsdeskundigen, praktijkprofessionals, maatschappelijke stakeholders, gemeenten, hogescholen, universiteiten en kennisinstituten werken daarom samen aan complexe maatschappelijke vraagstukken. Via een gezamenlijk proces van leren-werken-innoveren vergroten zij het collectief kennisvermogen. Specifiek richten de leernetwerken zich op A) het uitwisselen van kennis over een specifiek onderwerp, B) het gezamenlijk ontwikkelen van nieuwe materialen, methodieken of ontwerpen of C) het uitvoeren van gezamenlijk onderzoek. Dat doen ze door met alle betrokken deelnemers de fases van begrijpen, doorgronden en vertalen te doorlopen (zie figuur 1).

Figuur 1: de verschillende fasen van een leernetwerk
De leden van een leernetwerk delen een gemeenschappelijke uitdaging – en willen van elkaar leren hoe zij deze uitdaging het beste kunnen aanpakken. Wel hebben deelnemers vaak verschillende verwachtingen: de ‘eindgebruiker’ (voor wie een nieuwe aanpak direct gevolgen heeft) wil vaak snel resultaat, terwijl wetenschappers denken in lange(re) termijnen. Binnen een leernetwerk wordt ieders kennis en ervaring gelijkwaardig benut. Het resultaat van de samenwerking is niet altijd vooraf te voorspellen, wat zowel een uitdaging als een kans is. Dit proces leidt vaak tot breed gedragen, goed onderbouwde oplossingen die de betrokkenen verder helpen. Op deze manier kunnen leernetwerken bijdragen aan maatschappelijke transities. Een leernetwerk past daarmee als samenwerkingsconcept goed bij de beoogde beweging richting een sociaal model van handicap: een verschuiving van het individu naar gezamenlijke verantwoordelijkheid in de samenleving.
Leernetwerken kunnen in verschillende vormen bestaan. Ze dragen namen als community of practice, learning community, werkplaats of living lab. In al deze gevallen gaat het om vernieuwing gebaseerd op bewijs en inzichten uit de praktijk. De onderzoeksconsortia moeten in hun aanvraag voor hun leernetwerk toelichten op welke complexe situaties en complexe vragen ze het onderzoek richten, passend bij het gekozen ijkpunt, en beschrijven welke verschillende contexten een rol spelen en welke kansenongelijkheid hiermee wordt verminderd. Het is belangrijk dat van tevoren al is nagedacht over de verwachtingen, opzet, gewenste impact en facilitatie van de leernetwerken. Specifiek moet aandacht worden besteed aan een plan voor het direct in de praktijk toepassen van best practices. Ook moet worden nagedacht over de bijdrage van het leernetwerk aan een te ontwikkelen duurzaam samenwerkingsverband na de looptijd van het project.
Het begrip leernetwerk wordt qua visie, werkwijze en concept gebaseerd op het begrippenkader en de uitgangspunten zoals geformuleerd door TNO in een wetenschappelijk onderbouwd handboek ontwikkeld met handelingsadviezen voor trekkers van leernetwerken in het sociaal domein (LISO). Verder wordt gebruik gemaakt van de kennis en instrumenten uit het Landelijk Netwerk Learning Communities, het kader van de Roadmap Human Capital Topsectoren en de onderzoeksprogrammering naar learning communities via NWO.
In Nederland krijgen mensen met een beperking te maken met veel obstakels, waardoor zij niet gelijkwaardig en/of volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. De verantwoordelijkheid voor het verbeteren hiervan wordt nog te vaak bij het individu gelegd. Dat heeft ook te maken met de huidige inrichting van de samenleving, waarbij de focus ligt op de chronische aandoening of handicap vanuit een medische blik. Zodra er drempels zijn om mee te doen in de samenleving wordt snel gekeken naar oplossingen vanuit de zorg of trekt het zorgdomein deze vraagstukken zelf naar zich toe. Deze NWA-call beoogt om die beweging te doorbreken.
Verschillende van deze obstakels hebben duidelijk een breed maatschappelijke oorzaak. Zo valt te denken aan het tekort aan (zorg)professionals, het woningtekort en een onvoldoende toegankelijke arbeidsmarkt. Elk van deze problemen heeft een grote weerslag op de levens van mensen met een beperking. Tegelijkertijd valt ook te denken aan minder grijpbare exclusiemechanismen zoals de waarden en normen in en de organisatie van de samenleving, evenals gedrag en sociale attitudes en de vertaling hiervan in institutionele normen.
Verschillende actoren in de samenleving nemen nog niet overal en altijd ten volle de verantwoordelijkheid om bij te dragen aan een inclusievere samenleving. Dat komt onder andere omdat zowel directe als indirecte betrokkenen soms nog onvoldoende inzicht hebben in hoe ze deze veranderingen teweeg moeten brengen. Als het gaat om bijvoorbeeld de toegankelijke inrichting van de fysieke omgeving, inclusief taalgebruik of het tegengaan van stereotype beeldvorming ontbreekt het werkgevers, schoolbesturen, (lokale) beleidsmakers, zorgsector of de woonsector aan concrete handelingsperspectieven om een verschil te kunnen maken.
Mensenrechten gelden voor iedereen. Toch ervaren mensen met een beperking wereldwijd, en dus ook in Nederland, structureel achterstelling en uitsluiting. Het VN-verdrag Handicap is bedoeld om de positie van mensen met een beperking te versterken, zodat zij op gelijke voet met ieder ander kunnen deelnemen aan de samenleving. Nederland heeft het VN-verdrag Handicap in 2016 geratificeerd. Het Ministerie van VWS werkt als coördinerend Ministerie van het VN-verdrag – onder de noemer Doe onbeperkt mee – samen met verschillende ministeries, het bedrijfsleven, gemeenten en (vertegenwoordigers van) mensen met een beperking aan de implementatie van het VN-verdrag Handicap.
De verschillende departementen hebben eigen beleids- en wetgevingstrajecten die bijdragen aan een toegankelijke en inclusieve samenleving. Voorbeelden zijn de weg naar inclusief onderwijs of een toegankelijke cultuur- en mediasector (OCW), het doorontwikkelen van de Participatiewet en het vereenvoudigen van inkomensondersteuning (SZW) of het toewerken naar toegankelijk OV (I&W). Ook wordt de Europese toegankelijkheidsrichtlijn geïmplementeerd in Nederland, waarmee de toegankelijkheid van een groot aantal producten en diensten wordt verbeterd.
Toch zijn we er nog lang niet. Daarom is een nationale strategie ontwikkeld met doelstellingen voor 2040 op diverse levensdomeinen zoals bijvoorbeeld onderwijs en ontwikkeling, werk en inkomen, thuis en wonen, en gezondheid en ondersteuning. Om deze doelen te bereiken, stelt de regering bij de nationale strategie een werkagenda op. Hierin zal staan wat de ministeries samen met gemeenten, bedrijven en andere maatschappelijke organisaties concreet gaan doen om ervoor te zorgen dat Nederland uiterlijk in 2040 ook echt toegankelijk(er) is.
In september 2024 publiceerde het VN comité voor de Rechten van personen met een Handicap een kritisch rapport met observaties en aanbevelingen voor de verdere implementatie van het VN-verdrag Handicap in Nederland. De Nederlandse eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba hebben het VN-verdrag Handicap nog niet geratificeerd. Het kabinet werkt aan een programma om de positie van mensen met een beperking daar te verbeteren.
Dit programma bestaat uit twee fasen. In fase I (looptijd vier jaar) worden maximaal vier aanvragen toegewezen, aansluitend bij de in 2.2.1 beschreven en hieronder verder toegelichte vier ijkpunten op het leven. In fase II wordt een driejarig overkoepelend project uitgevoerd door de in fase I gehonoreerde consortia. Hiervoor dienen de consortia van de toegewezen aanvragen in fase I één gezamenlijke aanvraag in. Eén van de hoofdaanvragers van fase I dient ook hoofdaanvrager van fase II te zijn.
De beoogde looptijd van alle projecten tezamen (fase I en fase II) is vijf jaar, waarbij fase I de eerste vier jaar bestrijkt, en fase II de laatste drie jaar. Dat betekent dat fase I en fase II twee jaar overlappen, waardoor interactie tussen fase I en II mogelijk is.

Figuur 2: De vier verschillende leernetwerken in fase I
Fase I: leernetwerken op vier ijkpunten in het leven
In fase I wordt een uitvraag georganiseerd voor vierjarige leernetwerken op vier ijkpunten in het leven (zie Figuur 2):
1) Naar school, studeren en levenslang leren/ontwikkelen: voorbeelden van contextuele aspecten tijdens transitiemomenten zijn passend vervoer; een passende leeromgeving die aansluit bij de eigen wensen en talenten; wegnemen van drempels in de overstap van de ene onderwijsvorm naar de andere; de juiste leerkrachten/begeleiders; en het creëren van een daginvulling met genoeg reuring.
2) Uit huis gaan en wonen naar eigen keuze: hierin komen tijdens transitiemomenten contextuele aspecten samen als een toegankelijk ingerichte leefomgeving (inclusief toegankelijke woningen); de mogelijkheid tot het opbouwen van een sociaal netwerk naar wens; passende ondersteuning bij zelfstandig wonen; en een woonomgeving met de juiste balans tussen (sociale) veiligheid en prikkels.
3) Aan het werk (blijven)/eigen inkomen: hierin komen tijdens transitiemomenten contextuele aspecten samen als kennis over de diverse mogelijkheden voor maatschappelijke participatie; een passende werkomgeving (inclusief bereikbare en toegankelijke werkplekken en het flexibel kunnen combineren van werk en uitkering); de juiste ondersteuning om financiele zelfstandigheid na te kunnen streven; en de mogelijkheid tot het leveren van een maatschappelijke bijdrage passend bij het individu.
4) Gezinsvorming/opgroeien met een beperking: voorbeelden van contextuele aspecten tijdens transitiemomenten zijn de juiste begeleiding bij levensvragen rondom gezinsvorming; de mogelijkheid tot het aangaan van (liefdes)relaties met anderen op een manier zoals zelf gewenst; vrije keuze en voorlichting voor prenatale zorg voor zwangeren; voldoende (inclusieve) kinderopvangmogelijkheden; toegankelijk eigen (gezins)vervoer; informatie en ondersteuning voor (jonge) gezinnen die te maken hebben met beperking(en).
Op deze vier ijkpunten wordt gefocust op transitiemomenten, hun context, en mechanismen van inclusie en exclusie die hierin een rol spelen. Hierbij wordt gekeken naar de inrichting van de samenleving, kansengelijkheid en belonging, situaties uit de praktijk en bestaande kennis. Vervolgens wordt onderzocht:
1) welke reeds bekende en nog onzichtbare oorzaken van uitsluiting maken dat de samenleving onvoldoende inclusief is;
2) welke rollen en verantwoordelijkheden er zijn;
3) wat mogelijke (toekomstgerichte) oplossingen zijn om de organisatie van de samenleving inclusiever te maken;
4) Welke acties/activiteiten er in de leernetwerken direct kunnen worden ondernomen en wat deze opleveren.
Binnen deze ijkpunten spelen steeds verschillende aspecten een rol die belangrijk zijn in het leven, zoals mobiliteit, toegang tot informatie en media, cultuurbeleving, sport en beweging, zingeving, zorg en ondersteuning, democratische rechten, kansengelijkheid, sociaal kapitaal en sociale toegankelijkheid. Deze worden vanuit een integraal perspectief in de leernetwerken meegenomen, waarbij dus op diverse aspecten tegelijk wordt gefocust. Hetzelfde geldt voor de focus op een diversiteit aan beperkingen om zo een breed beeld te krijgen van (tegenstrijdige) toegankelijkheidsbehoeften en mogelijke aangrijpingspunten voor verandering per ijkpunt.
Het onderzoek in fase I wordt gedaan door consortia waarin ervaringsdeskundigen en hun omgeving, onderzoekers (interdisciplinair en kennisketenbreed) en maatschappelijke actoren3 samen kennis en handelingsperspectieven verzamelen en implementeren. Hierbij moet de gelijkwaardige inbreng van alle partijen gewaarborgd worden om pseudo-participatie te voorkomen. De bedoeling is om vanaf het begin alle relevante samenwerkingspartners te betrekken en heldere doelstellingen en criteria te formuleren om de gelijkwaardige inbreng vanuit verschillende perspectieven te garanderen.
Fase II: dwarsdoorsnijdend project
In fase II worden de onderzoeksresultaten uit de verschillende leernetwerken met elkaar verbonden in een groot overkoepelend project waarbinnen gezamenlijk kennis wordt gesynthetiseerd en inzichten worden gedissemineerd. Het doel is om antwoord te geven op de volgende vragen:
1) Hoe kunnen de in fase I opgehaalde inzichten en handelingsperspectieven worden vertaald naar het overkoepelende niveau (bijvoorbeeld een opschaling van een focus op lokaal beleid in de leernetwerken naar een focus op Rijksbeleid in het overkoepelende project). Daarnaast wordt met behulp van de uitkomsten van de leernetwerken en de gezamenlijke synthese gezorgd voor impact door middel van de ontwikkeling van een breed toepasbaar kennisproduct zoals een e-learning, training, toolkit of website.
2) Hoe kan effectief bijgedragen worden aan draagvlak voor een inclusieve(re) maatschappij en aan de bewustwording van de gelijkwaardigheid van mensen met een beperking? Hoe kan een breed gedragen inzicht in wat er van de samenleving verwacht wordt om dit te realiseren worden verkregen, en wie zijn daarvoor nodig? Op basis van co-creatie worden de relevante stakeholders in kaart gebracht en wordt een disseminatiestrategie ontwikkeld.
3) Hoe kunnen de resultaten van het onderzoek en de uitgewerkte disseminatiestrategie verbonden worden aan de doelstellingen op diverse levensdomeinen zoals geformuleerd in de VN-strategie?
Facilitering consortiumvorming
Voorafgaand aan fase I wordt een matchmaking-bijeenkomst georganiseerd (zie ook paragraaf 2.4). Deze methode draagt enerzijds bij aan het samenbrengen van zowel onderzoekers (uit verschillende disciplines) als (vertegenwoordigers van) ervaringsdeskundigen en maatschappelijke partijen. Anderzijds stimuleert zij om elkaar per ijkpunt op te zoeken en strategisch na te denken over samenwerking.
Voor fase II kan facilitering ingezet worden om de vier leernetwerken te helpen bij het gezamenlijk formuleren van het overkoepelende project.
Nieuwe kennis en inzichten vanuit ervaringskennis, professionele kennis en wetenschappelijk onderzoek kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken van vandaag én morgen. Denk aan de energietransitie, gezondheid en zorg, of klimaatverandering. Door interactie en afstemming tussen onderzoekers en mogelijke kennisgebruikers, neemt de kans op het toepassen van kennis toe en daarmee ook de kans op maatschappelijke impact. In dit NWA-programma draagt ook de inzet van de ervaringsdeskundigheid van een diverse groep mensen met een beperking bij aan de maatschappelijke impact, omdat juist van de verschillen en conflicterende behoeften veel geleerd kan worden.
Maatschappelijke impact staat hier voor veranderingen die (mede) het gevolg zijn van door onderzoek gegenereerde kennis en kunde. Deze veranderingen dragen bij aan het welzijn van mens, planeet en maatschappij voor deze en toekomstige generaties. Via haar beleid op impact bevordert NWO de mogelijke bijdrage vanuit onderzoek aan maatschappelijke vraagstukken door het stimuleren van productieve interacties met maatschappelijke belanghebbenden. Zowel tijdens de ontwikkeling als in de uitvoering van het onderzoek. Dit doet zij op een manier die past bij het doel van het financieringsinstrument. NWO stimuleert onderzoekers om met een brede blik te kijken naar de mogelijke gewenste en ongewenste impact van hun onderzoek.
Afhankelijk van het doel van het financieringsinstrument kiest NWO een bijbehorende benadering die de kans op maatschappelijke impact optimaal ondersteunt. Het primaire doel van het financieringsinstrument bepaalt de keuze voor de benadering die NWO inzet om kennisbenutting in verschillende fases van het project (aanvraag, uitvoering, na afloop) te bevorderen en de inspanning die van aanvrager(s) en partners gevraagd wordt.
In dit programma wordt de Impact Plan benadering toegepast. Hiermee faciliteert NWO de ontwikkeling van een geïntegreerde strategie door onderzoekers en partners om doelgericht de kans op de gewenste maatschappelijk impact te vergroten.
NWO biedt een e-learning module aan die geïnteresseerden op weg kan helpen via Online impact workshops | NWO. Voor meer informatie over het kennisbenuttingsbeleid van NWO zie de website: Kennisbenutting | NWO.
In de NWA richten de programma's zich op complexe vraagstukken waar afstemming en samenwerking meerwaarde heeft om wetenschappelijke en maatschappelijke doorbraken te realiseren. NWA stimuleert die samenwerking tussen verschillende partners, zodat het geheel meer is dan de som der delen en nieuwe kennis voor maatschappelijke vraagstukken ontwikkeld wordt.
Impact Plan benadering
De maatschappelijke impact is nooit alleen het resultaat van kennis en inzichten uit het onderzoek. Om de kans op maatschappelijke impact van het onderzoek te vergroten is aantoonbare betrokkenheid nodig van belangrijke stakeholders vanaf de vorming van het consortium tot en met afronding van het project en daarna.
Maatschappelijke impact wordt immers vaak pas gerealiseerd in de jaren nádat een onderzoeksproject is afgesloten. Door vanaf het begin van de onderzoeksformulering (co-design) en gedurende de uitvoering van het onderzoek (co-creatie via leernetwerken) te zorgen voor voortdurend afstemming tussen onderzoekers en mogelijke kennisgebruikers, neemt de kans op productieve interacties, en uiteindelijk impact, toe.
Consortia stellen samen met stakeholders een Impact Plan op, als onderdeel van de volledige aanvraag. Dat Impact Plan beschrijft hoe het consortium verwacht tot maatschappelijke impact te komen en de rol die productieve interacties daarbij spelen. Hieruit blijkt hoe het behalen van de beoogde impact geïntegreerd is in de onderzoeksopzet en welke rol consortiumpartners en stakeholders uit beleid, praktijk en bedrijfsleven daarin spelen.
Voor onderzoek naar complexe en uitdagende maatschappelijke vraagstukken is samenwerking nodig tussen onderzoeksdisciplines, tussen praktijkgericht en fundamenteel onderzoek en met bedrijven en maatschappelijke organisaties. De samenwerking wordt uitgevoerd in een consortium. NWO stimuleert en ondersteunt de vorming van consortia door het organiseren van bijeenkomsten of workshops.
In deze Call for proposals wordt consortiumvorming gestimuleerd door het inzetten van een Matchmaking. Deze methode wordt hieronder kort toegelicht. Aanvullende informatie over de inzet van NWO op het gebied van consortiumvorming is te vinden op de NWO website.
Het doel van matchmaking is het samenbrengen van potentiële aanvragers, onderzoekers, samenwerkingspartners en stakeholders waaronder ervaringsdeskundigen uit diverse werkvelden en sectoren om ideeën voor, of behoefte aan, onderzoek rond het thema en de beschreven impact in de Call for proposals uit te wisselen. Ook aanvullende expertise voor het consortium kan zo in kaart worden gebracht. NWO faciliteert de vorming van brede en hoogwaardige consortia door het organiseren van een eenmalige matchmakingsbijeenkomst, waarin deelnemers de mogelijkheid wordt geboden om ideeën te pitchen en te netwerken met andere deelnemers. Het is aan de deelnemers zelf vorm te geven aan het vervolg van de resultaten van de matchmaking.
Verdere informatie over de matchmaking wordt op de NWO financieringspagina gepubliceerd. Deelname aan de matchmaking is niet verplicht.
Dit hoofdstuk bevat de voorwaarden die gelden voor uw subsidieaanvraag. Eerst wordt beschreven wie subsidie kan aanvragen (paragraaf 3.1) en waarvoor u subsidie kunt aanvragen (paragraaf 3.2). Vervolgens vindt u de voorwaarden voor het opstellen en indienen van de aanvraag (paragrafen 3.3 en 3.4) en specifieke subsidievoorwaarden (paragraaf 3.5).
Fase I – projecten op ijkpunten
Aanvragen in fase I worden ingediend door een hoofdaanvrager namens een consortium dat voldoet aan onderstaande voorwaarden. De hoofdaanvrager is aanspreekpunt voor NWO. Doorlopende input van ervaringsdeskundigen tijdens het hele project is verplicht (paragraaf 4.3.1).
Fase II – overkoepelend project
Fase II vindt doorgang indien in fase I minstens twee aanvragen in fase I zijn toegewezen. De aanvraag wordt ingediend door deze hoofdaanvrager namens het consortium. De hoofdaanvrager is aanspreekpunt voor NWO. Er kunnen medeaanvragers (3.1.1), samenwerkingspartners (3.1.2) en cofinanciers (3.1.3) worden toegevoegd aan het te vormen overkoepelend consortium voor fase II. Ook hier geldt dat doorlopende input van ervaringsdeskundigen tijdens het hele project verplicht is (paragraaf 4.3.1).
Er worden vier categorieën van deelnemers aan een consortium onderscheiden:
1. Hoofdaanvrager
2. Medeaanvrager(s)
3. Samenwerkingspartner(s)
4. Cofinancier(s) (niet verplicht)
Een consortium dient te bestaan uit minimaal een hoofdaanvrager, mede-aanvrager en samenwerkingspartner. De voorwaarden per deelnemer worden in de volgende paragrafen nader toegelicht.
Onderzoekers mogen als hoofdaanvrager optreden als zij in vaste dienst zijn (en derhalve een bezoldigd dienstverband voor onbepaalde tijd hebben4) of een tenure track overeenkomst hebben bij één van de onderstaande onderzoeksorganisaties:
– Universiteiten en hogescholen zoals bedoeld in artikel 1.8 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de universiteiten genoemd in de Beleidsregel Universiteiten in het Koninkrijk der Nederlanden;
– Universitair medische centra,waarmee wordt bedoeld de academische ziekenhuizen zoals bedoeld in artikel 1.13 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
– KNAW- en NWO-instituten;
– TO2-instituten;
– het Nederlands Kanker Instituut;
– het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek te Nijmegen;
– NCB Naturalis;
– Advanced Research Centre for NanoLithography (ARCNL);
– Prinses Máxima Centrum.
Personen met een nuluren arbeidsovereenkomst of met een dienstverband voor bepaalde tijd (anders dan een tenure track en de hierboven genoemde uitzondering voor lectoren en onderzoekers in dienst van een TO2-instituut) zijn uitgesloten van indiening als hoofdaanvrager.
Het kan voorkomen dat de tenure track overeenkomst van de hoofdaanvrager eindigt vóór de beoogde afrondingsdatum van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, of dat vóór die datum het vaste dienstverband van de hoofdaanvrager eindigt wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. In dat geval voegt de hoofdaanvrager een verklaring van diens werkgever bij, waarin de betreffende onderzoeksorganisatie garandeert dat het project en alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd adequaat zullen worden begeleid voor de volledige duur van het project.
Ook de hoofdaanvrager in dienst van een hogeschool of TO2-instituut wiens dienstverband eindigt voor de beoogde afrondingsdatum van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd, moet een dergelijke verklaring bijvoegen.
Aanvragers met een deeltijdcontract moeten voldoende toezicht garanderen op het project en alle projectleden voor wie financiering wordt aangevraagd.
Aanvullende voorwaarden (van toepassing op zowel hoofdaanvrager als medeaanvragers verbonden aan onderzoeksorganisaties):
Aanvragers kunnen verbonden zijn aan de onderzoeksorganisaties vermeld in deze paragraaf, aan de onderzoeksorganisaties vermeld in bijlage 7.3 en aan andere onderzoeksorganisaties zoals bedoeld in artikel 1.1, lid 4, van de NWO Subsidieregeling 2024 en die voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
De organisatie dient:
– in Nederland gevestigd te zijn;
– een stichting, vereniging of publiekrechtelijke rechtspersoon te zijn;
– zich in de hoofdzaak zelf bezig te houden met het op onafhankelijke wijze verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;
– te kunnen verklaren dat de organisatie een gescheiden boekhouding voert ten aanzien van economische/niet-economische activiteiten en dat ondernemingen met een beslissende invloed op de organisatie geen preferente toegang krijgen tot de onderzoeksresultaten van de organisatie.
NWO financiert onder deze Call for proposals geen onderzoeksorganisaties die zich in de hoofdzaak bezighouden met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht.
Let op: Voorafgaand aan het indienen van een aanvraag wordt door NWO aan de hand van bovengenoemde voorwaarden getoetst of een organisatie aan artikel 1.1, lid 4, van de NWO Subsidieregeling 2024 voldoet en dus als medeaanvrager mag deelnemen. NWO voert deze toets mede uit om te controleren of er geen sprake is van het verlenen van verboden staatssteun.
De organisatie van de beoogde medeaanvrager levert ten behoeve van deze toetsing uiterlijk 10 werkdagen voor de deadline van indiening per e-mail aan nwa-ol@nwo.nl (dus uiterlijk 27 januari 2026 voor 14:00:00 CET voor fase I) de volgende documenten aan:
– een recent uittreksel van de kamer van koophandel;
– de oprichtingsakte en/of actuele statuten;
– de laatst beschikbare jaarrekening voorzien van een controleverklaring5;
– de ingevulde Verklaring Onderzoeksorganisatie, beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals.
Het is toegestaan om andere relevante documentatie toe te voegen. Tevens kan NWO om aanvullende informatie vragen als bovenstaande documenten niet voldoende uitsluitsel bieden om te bepalen of de organisatie mag optreden als medeaanvrager.
Als de organisatie van de beoogde medeaanvrager binnen een ander NWO programma is getoetst aan deze voorwaarden, neem dan tijdig contact op met NWO via het bovengenoemde e-mailadres om af te stemmen of deze organisatie opnieuw moet worden getoetst.
Indien de organisatie van de beoogde medeaanvrager de voor de toets op de voorwaarden benodigde stukken niet op tijd aanlevert, kan NWO de betreffende organisatie niet als medeaanvrager accepteren.
Als in de overkoepelende aanvraag nieuwe medeaanvragers toegevoegd worden aan het consortium en deze nieuwe medeaanvragers niet verbonden zijn aan een instelling vermeld in deze paragraaf dient ook voor deze onderzoeksorganisatie(s) een toets op de voorwaarden plaats te vinden. Ook hiervoor geldt dat de onderzoeksorganisatie van de beoogde medeaanvrager uiterlijk 10 werkdagen voor de deadline van indiening per e-mail (dus uiterlijk dinsdag 25 januari 2028 voor 14:00:00 CET voor fase II) in ieder geval de volgende documenten aanlevert:
– een recent uittreksel van de kamer van koophandel;
– de oprichtingsakte en/of actuele statuten;
– de laatst beschikbare jaarrekening voorzien van een controleverklaring6;
– de ingevulde Verklaring Onderzoeksorganisatie, beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals.
Een onderzoeksorganisatie die voorafgaand aan het indienen van een vooraanmelding is getoetst en goedgekeurd als medeaanvrager, hoeft voorafgaand aan het indienen van de aanvraag niet nogmaals getoetst te worden.
Hoofdaanvrager
De hoofdaanvrager dient de aanvraag in via ISAAC, het elektronische indiensysteem van NWO. Tijdens het beoordelingsproces communiceert NWO met de hoofdaanvrager.
Na toewijzing van een aanvraag wordt de hoofdaanvrager projectleider en aanspreekpunt voor NWO. De onderzoeksorganisatie van de hoofdaanvrager is hoofdbegunstigde en wordt penvoerder.
Aanvullende voorwaarden:
– De hoofdaanvrager mag in deze Call for proposals slechts één aanvraag indienen in de hoedanigheid van hoofdaanvrager.
– De hoofdaanvrager mag daarnaast maximaal één keer als medeaanvrager deelnemen aan een ander consortium.
Zowel hoofd- als medeaanvragers met een deeltijd dienstverband dienen garant te staan voor adequate begeleiding van het project en van alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd.
Medeaanvragers
Medeaanvragers hebben een actieve rol bij de uitvoering van het project. De (deel)projectleider(s) en begunstigde(n) zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het gehele project.
In deze Call for proposals zijn twee type medeaanvragers mogelijk: medeaanvragers verbonden aan onderzoeksorganisaties en medeaanvragers verbonden aan maatschappelijke organisaties.
Medeaanvragers verbonden aan maatschappelijke organisaties kunnen alleen als medeaanvrager optreden onder toepassing van de de-minimisverordening7.
Medeaanvragers verbonden aan onderzoeksorganisaties
Zie aanvullende voorwaarden in paragraaf 3.1.
Medeaanvragers verbonden aan maatschappelijke organisaties
Deze Call for proposals richt zich ook op kennis uit en ten behoeve van de praktijk. Maatschappelijke organisaties die ondersteuning bieden bij en/of expertise opbouwen over het creëren van een inclusieve samenleving voor mensen met een handicap kunnen als medeaanvrager optreden onder de de- minimisverordening (zie hieronder). Het betreft bijvoorbeeld expertisecentra, (vertegenwoordigers van) ervaringsdeskundigen, hulpverleningsorganisaties en belangenorganisaties, waarvan de praktijkkennis en onderzoeksgerelateerde activiteiten essentieel zijn om volwaardig onderzoek op te kunnen zetten. In de aanvraag dient te worden onderbouwd welke substantiële, actieve bijdrage de maatschappelijke organisatie levert aan het onderzoek. Dit wordt in het kader van het criterium op de kwaliteit van het consortium (zie 4.3.1) beoordeeld door de beoordelingscommissie.
De-minimisdrempel voor maatschappelijke organisaties
Maatschappelijke organisaties die als medeaanvrager optreden ontvangen de subsidie van NWO via de hoofdaanvrager, met inachtneming van de de-minimisdrempel uit de de-minimisverordening (Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Europese Commissie van 13 december 2023). Op grond van de de-minimisverordening mag een consortiumpartner maximaal € 300.000 aan de-minimissteun ontvangen over een periode van drie jaar.
Maatschappelijke organisaties dienen door het invullen van de verklaring de-minimissteun te verklaren dat de betreffende organisatie door het toewijzen van een subsidie door NWO de de-minimisgrens niet zal overschrijden. Indien een maatschappelijke organisatie constateert dat met de subsidie van NWO de de- minimisgrens wordt overschreden, kan de hoofdaanvrager voor deze maatschappelijke organisatie geen subsidie aanvragen bij NWO. De hoofdaanvrager dient hiermee bij het opstellen van zijn projectbegroting rekening te houden en dient dus per maatschappelijke organisatie die als medeaanvrager wil optreden na te gaan of met het aangevraagde subsidiebedrag de de-minimisdrempel niet wordt overschreden. De door elke maatschappelijke organisatie afzonderlijk ingevulde verklaring de-minimissteun maakt onderdeel uit van de aanvraag.
Aanvullende voorwaarden voor alle medeaanvragers:
– Een medeaanvrager mag in deze Call for proposals maximaal in twee consortia als medeaanvrager deelnemen.
– Personen met een nuluren arbeidsovereenkomst zijn uitgesloten van indiening als medeaanvrager.
Samenwerkingspartners zijn binnen deze Call for proposals verplicht, omdat actieve betrokkenheid (vanaf de vraagarticulatie en ontwikkeling van het project) van maatschappelijke stakeholders van groot belang is bij het ontwikkelen van kennis over uitdagingen en mogelijke oplossingen. Maatschappelijke stakeholders zijn zowel publieke als private organisaties, en waar relevant ook burgers of een vertegenwoordiging daarvan. Binnen deze Call for proposals kan daarbij bijvoorbeeld gedacht worden aan ervaringsdeskundigen, scholen en andere onderwijsverbanden, bedrijven en leidinggevenden, zorgmedewerkers en sociaal werkers, informele zorgverleners, (lokale) overheden en beleidsmedewerkers die ervoor kiezen niet via de de-minimisregel (zie 3.1.1) deel te nemen aan het consortium De organisatie van een maatschappelijke stakeholder is dan geen hoofd- of medeaanvrager of cofinancier, maar kan bijvoorbeeld wel betrokken zijn door middel van deelname aan een advies-, begeleidings of gebruikerscommissie.
Een samenwerkingspartner is gedurende het gehele traject actief betrokken, van het formuleren van onderzoeksvragen en de ontwikkeling van het project (co-design) tot de uitvoering van het onderzoek en/of de kennisbenutting (co-creatie). Een samenwerkingspartner kan worden opgenomen in de adviescommissie.
Let op: voor personeel van organisaties die als samenwerkingspartner deelnemen aan het consortium kan geen subsidie voor salaris- of onderzoekskosten als hoofd- of medeaanvrager worden aangevraagd. Wel is het mogelijk kosten te vergoeden door deze organisaties als derden in te huren via de modules ‘materiële kosten’, ‘kennisbenutting’ of ‘projectmanagement’ (zie paragraaf 3.2 en bijlage 7.1).
Cofinanciering is binnen deze Call for proposals niet verplicht. Cofinanciers zijn organisaties die deelnemen aan het consortium en cash en/of in kind bijdragen aan het project. Cofinanciers ontvangen nooit subsidie van NWO. De voorwaarden omtrent cofinanciering zijn gespecificeerd in paragraaf 3.5.6.
Organisaties waarvan onderzoekers conform de onder in 3.1 gegeven beschrijving als hoofdaanvrager deel mogen nemen, mogen in deze NWA Call for proposals niet deelnemen als cofinancier. Een uitzondering hierin wordt gemaakt voor TO2-instituten. Zij mogen in een consortium wel deelnemen als cofinancier, mits zij in hetzelfde consortium niet ook als hoofd- of medeaanvrager deelnemen.
Per aanvraag in fase I is maximaal € 520.000 subsidie aan te vragen. Voor de overkoepelende aanvraag (fase II) is maximaal € 785.000 beschikbaar. De maximale looptijd van de projecten in fase I is 4 jaar. De maximale looptijd voor projecten in fase II is 3 jaar. De aanvrager en medeaanvragers kunnen kosten opvoeren voor personeel, materieel, investeringen en kennisbenutting. De beschikbare budgetmodules (inclusief de maximale bedragen) staan hieronder vermeld. Vraag alleen datgene aan wat essentieel is om het project uit te voeren. De tarieven en een toelichting op deze budgetmodules staan in bijlage 7.1.
Voor personeel dat een bijdrage levert aan het project, kan subsidie voor de loonkosten worden aangevraagd. Het bedrag hiervoor is afhankelijk van het type aanstelling en de organisatie waar het personeel werkt.
Voor personeel dat werkzaam is bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, universitair medisch centrum (umc) of een andere onderzoeksorganisatie, genoemd in artikel 1.1, eerste lid, sub c tot en met h van de NWO Subsidieregeling 2024 kunnen loonkosten worden opgevoerd voor de volgende functies: promovendus, Engineering Doctorate, postdoc, arts-onderzoeker, niet-wetenschappelijk personeel (NWP) en voor de vervanging van de aanvrager(s).
Er kan voor een onbeperkt aantal posities worden aangevraagd voor dit type functie. Er kan voor ten hoogste 10% van het subsidiebedrag vervanging worden aangevraagd.
Het is mogelijk om loonkosten op te voeren van personeel van hogescholen, onderwijsinstellingen, TO2- instituten en overige organisaties. Er kan voor een onbeperkt aantal posities worden aangevraagd voor dit type functie.
Het is mogelijk om studenten in te zetten voor het project als ze studeren aan een onderzoeksorganisatie genoemd in paragraaf 3.1. De kosten hiervan kunt u binnen het project opvoeren als materiële kosten. Er is geen maximum aan het aantal studenten dat kan meewerken in het project.
Het is mogelijk om loonkosten van buitenlandse onderzoeksorganisaties op te voeren voor wetenschappelijk personeel. Er kan maximaal 25% van het subsidiebedrag voor personeel worden aangevraagd voor personeel bij onderzoeksorganisaties in het buitenland
Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke materiële kosten. Voor deze kosten geldt een maximum van 25% van het NWO subsidiebedrag. Van het materiële budget aangevraagd bij NWO mag maximaal 50% worden ingezet voor werk door derden. Er kan maximaal 25% van het subsidiebedrag voor materieel worden aangevraagd voor onderzoeksorganisaties in het buitenland.
Financiering kan worden aangevraagd voor investeringen in apparatuur, infrastructuur en andere onderzoeksmiddelen die na afloop van het project economische waarde hebben of kunnen worden hergebruikt. Loonkosten van personeel dat de apparatuur, infrastructuur en andere onderzoeksmiddelen in staat van gereedheid brengt, kan worden opgevoerd als onderdeel van de investering. De tarieven en voorwaarden van Personeel zijn hierbij van toepassing en de kosten moeten worden opgevoerd als Investering. Investeringen kunnen alleen worden gedaan bij onderzoeksorganisaties en maatschappelijke organisaties genoemd in paragraaf 3.1.
Er kan maximaal € 250.000 worden aangevraagd voor investeringen.
Financiering kan worden aangevraagd voor activiteiten die bevorderen dat kennis uit het onderzoek wordt benut,8 om zo de maatschappelijke impact van het onderzoek te vergroten.
Het is verplicht om een bedrag op te voeren voor kennisbenutting. Deze kosten zijn ten minste 5% en maximaal 20% van het subsidiebedrag.
Deze Call for proposals kent twee fases:
1. Het indienen van een aanvraag voor een project op een van de vier ijkpunten (fase I)
2. Het indienen van een aanvraag voor het overkoepelende project (fase II)
Zie voor een volledig overzicht van alle indieningseisen paragraaf 3.4.1.
Het is verplicht uw aanvraag in fase I en II in het Engels op te stellen.
Het indienen van een aanvraag kan alleen via het online aanvraagsysteem ISAAC. Aanvragen die niet via ISAAC zijn ingediend, worden niet in behandeling genomen.
U bent als hoofdaanvrager verplicht een aanvraag via uw eigen persoonlijke ISAAC-account in te dienen.
Het is belangrijk om tijdig te beginnen met uw aanvraag in ISAAC:
– indien u nog geen ISAAC-account heeft, dient deze op tijd te worden aangemaakt om eventuele aanmeldproblemen te voorkomen;
– nieuwe onderzoeksorganisaties moeten eventueel nog door NWO toegevoegd worden aan ISAAC;
– u moet ook online nog gegevens invoeren.
Aanvragen die na de deadline worden ingediend, neemt NWO niet in behandeling.
Voor vragen van technische aard verzoeken wij u contact op te nemen met de ISAAC-helpdesk, zie contact (hoofdstuk 6).
Werkt een hoofd- en/of medeaanvrager bij een onderzoeksorganisatie die niet is opgenomen in de database van ISAAC? U kunt dit dan melden via relatiebeheer@nwo.nl zodat de onderzoeksorganisatie kan worden toegevoegd. Hier zijn enige dagen voor nodig. Daarom is het van belang dit uiterlijk een week voor de deadline te melden.
NWO gaat ervan uit dat de aanvrager de onderzoeksorganisatie waar zij/hij werkzaam is heeft geïnformeerd over het indienen van de aanvraag en dat de onderzoeksorganisatie de subsidievoorwaarden van deze Call for proposals aanvaardt.
Voor het opstellen van een aanvraag voor fase I doorloopt u de volgende stappen:
– download het aanvraagformulier vanuit het online aanvraagsysteem ISAAC of vanaf de website van NWO (op de website van het betreffende financieringsinstrument);
– vul het aanvraagformulier in;
– sla het formulier op als pdf en dien het met de eventueel verplichte bijlage(n) in ISAAC in;
– vul de online in ISAAC gevraagde gegevens in.
Verplichte bijlagen:
– begroting;
– steunverklaringen samenwerkingspartner(s) (verplicht indien van toepassing);
– verklaring cofinancier(s) (verplicht indien van toepassing);
– bevestiging van bijdrage aan investeringen (verplicht indien van toepassing, zie paragraaf 7.1);
– garantstelling voor continuïteit in de projectbegeleiding (verplicht indien van toepassing, zie paragraaf 3.1);
– formulier ‘Statement and signature”;
– verklaring de-minimissteun voor maatschappelijke organisaties die mede-aanvrager zijn (verplicht indien van toepassing, zie paragraaf 3.1.1).
De aanvraag en bijlagen dienen conform het door NWO aangeboden template opgesteld te worden. Bijlagen dienen los van de aanvraag in ISAAC geüpload te worden. Alle bijlagen, met uitzondering van de begroting, dienen als pdf-bestand (zonder beveiliging) te worden ingediend. De begroting moet als Excel- bestand worden ingediend in ISAAC.
Indien er cofinanciering wordt bijgedragen dient op het moment van indienen in de bijgesloten verklaringen cofinanciering de volledige cofinanciering te zijn toegezegd volgens de voorwaarden beschreven in paragraaf 3.5.6
Andere bijlagen dan hierboven vermelde bijlagen zijn niet toegestaan.
Het indienen van een overkoepelende aanvraag staat alleen open voor hoofdaanvragers die een fase I aanvraag hebben ingediend die door NWO in behandeling is genomen en toegewezen.
Voor het opstellen van uw aanvraag doorloopt u de volgende stappen:
– download het aanvraagformulier vanuit het online aanvraagsysteem ISAAC of vanaf de website van NWO (op de website van het betreffende financieringsinstrument);
– vul het het aanvraagformulier in;
– sla het formulier op als pdf en dien het met de eventueel verplichte bijlage(n) in ISAAC in;
– vul de online in ISAAC gevraagde gegevens in.
Verplichte bijlagen:
– begroting;
– steunverklaringen samenwerkingspartner(s) (verplicht indien van toepassing);
– verklaring cofinancier(s) (verplicht indien van toepassing);
– bevestiging van bijdrage aan investeringen (verplicht indien van toepassing, zie paragraaf 7.1);
– garantstelling voor continuïteit in de projectbegeleiding (verplicht indien van toepassing, zie paragraaf 3.1);
– formulier ‘Statement and signature”;
– verklaring de-minimissteun voor maatschappelijke organisaties die mede-aanvrager zijn (verplicht indien van toepassing, zie paragraaf 3.1.1).
De aanvraag en bijlagen dienen conform het door NWO aangeboden template opgesteld te worden. Bijlagen dienen los van de aanvraag in ISAAC geüpload te worden. Alle bijlagen, met uitzondering van de begroting, dienen als pdf-bestand (zonder beveiliging) te worden ingediend. De begroting moet als Excel- bestand worden ingediend in ISAAC.
Indien er cofinanciering wordt bijgedragen dient op het moment van indienen in de bijgesloten verklaringen cofinanciering de volledige cofinanciering te zijn toegezegd volgens de voorwaarden beschreven in paragraaf 3.5.6
Andere bijlagen dan hierboven vermelde bijlagen zijn niet toegestaan.
Daar waar in deze paragraaf over ‘aanvraag’ wordt, worden de aanvragen uit fase I en II bedoeld, tenzij expliciet anders aangegeven.
NWO toetst uw aanvraag op alle in deze Call for proposals gestelde voorwaarden, inclusief onderstaande voorwaarden. Alleen als uw aanvraag aan deze voorwaarden voldoet, wordt deze toegelaten tot de beoordelingsprocedure. U wordt gevraagd om na indiening van een aanvraag beschikbaar te zijn om eventuele administratieve correcties door te voeren en zo (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening.
Deze voorwaarden zijn:
– de hoofdaanvrager en medeaanvrager(s) voldoen aan de in paragraaf 3.1 gestelde voorwaarden;
– ingeval van cofinanciering: de cofinanciers voldoen aan de in paragraaf 3.1.3 gestelde voorwaarden;
– de aanvraag voldoet aan de DORA-richtlijnen zoals beschreven in paragraaf 4.1;
– de aanvraag is ingediend via het ISAAC-account van de hoofdaanvrager;
– de aanvraag is ontvangen voor de gestelde deadline;
– de aanvraag is in het Engels opgesteld;
– de begroting in de aanvraag is volgens de voorwaarden van deze Call for proposals opgesteld (gebruikmakend van het beschikbaar gestelde format dat de meest recente tarieven bevat);
– het voorgestelde project heeft een looptijd van maximaal 4 jaar in fase I en maximaal 3 jaar in fase II
– alle vereiste bijlagen zijn, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, compleet en volgens de instructies ingevuld en conform de voorwaarden van deze Call for proposals opgesteld en ingediend.
Aanvullende voorwaarden voor de overkoepelende aanvraag (fase II):
– de hoofdaanvrager heeft een aanvraag ingediend die door NWO in behandeling is genomen en toegewezen;
– De eventuele cofinanciering is, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, correct en volledig toegezegd middels verklaringen cofinanciering.
Op alle aanvragen zijn de NWO Subsidieregeling 2024 en het Akkoord bekostiging wetenschappelijk onderzoek van toepassing.
Wetenschap van wereldklasse kan profiteren van internationale samenwerking. De Nationale leidraad kennisveiligheid (hierna: de Leidraad) helpt kennisinsellingen ervoor te zorgen dat internationale samenwerking veilig kan plaatsvinden. Bij kennisveiligheid gaat het om ongewenste overdracht van gevoelige kennis en technologie die de nationale veiligheid aantast; om heimelijke beïnvloeding van onderwijs en onderzoek door statelijke actoren, en daarmee de academische vrijheid en de sociale veiligheid in gevaar brengt; en om ethische kwesties die kunnen spelen in de samenwerking met landen die de grondrechten niet respecteren.
Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na te gaan of het project in lijn is en blijft met de Leidraad. Met het indienen van de aanvraag committeert de aanvrager zich aan de overwegingen in deze Leidraad. In geval van het vermoeden van schending van de Leidraad bij een bij NWO ingediende aanvraag voor projectfinanciering of een door NWO gefinancierd project, kan NWO de aanvrager verzoeken om een risicoafweging te overleggen waaruit blijkt dat de overwegingen uit de Leidraad zijn gevolgd. Indien de aanvrager niet aan het verzoek van NWO voldoet of als de risicoafweging klaarblijkelijk een schending van de Leidraad behelst, kan dit gevolgen hebben voor de subsidieverlening of vaststelling door NWO. Ook kan NWO in een voorkomend geval nadere voorwaarden opnemen in de toewijzingsbrief.
De Nationale leidraad kennisveiligheid vindt u op de website van de rijksoverheid: Home | Loket Kennisveiligheid.
Resultaten van wetenschappelijk onderzoek moeten kunnen worden gerepliceerd, geverifieerd en gefalsifieerd. In het digitale tijdperk betekent dit dat behalve publicaties ook onderzoeksdata zo veel mogelijk vrij toegankelijk moeten zijn. NWO verwacht dat de onderzoeksdata die voortkomen uit projecten die door NWO zijn gefinancierd zo veel mogelijk vrij beschikbaar komen voor hergebruik door andere onderzoekers. NWO hanteert daarbij het principe: “zo open als mogelijk, beschermd indien nodig”. Van onderzoekers wordt verwacht dat zij ten minste die data en/of niet-numerieke resultaten die ten grondslag liggen aan de conclusies van binnen het project gepubliceerde werken openbaar maken, gelijktijdig met de publicatie zelf. Eventuele kosten die hiervoor worden gemaakt, kunnen worden meegenomen in de projectbegroting. Onderzoekers maken kenbaar hoe met data voortkomend uit het project wordt omgegaan aan de hand van de datamanagementparagraaf in de aanvraag (fase I) en overkoepelende aanvraag (fase II), en het datamanagementplan na toewijzing van subsidie in fase I en II.
Datamanagementparagraaf
De datamanagementparagraaf maakt deel uit van de aanvraag. Onderzoekers wordt gevraagd reeds voor aanvang van het onderzoek te bedenken hoe de verzamelde data geordend en gecategoriseerd moeten worden zodat zij vrij beschikbaar kunnen worden gesteld. Vaak zullen al vóór het tot stand komen van de data en de analyse daarvan maatregelen getroffen moeten worden om opslag en deling later mogelijk te maken. Indien niet alle data voortkomende uit het project openbaar gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld om redenen van privacy, ethiek of valorisatie, dient de aanvrager dit beargumenteerd kenbaar te maken in de datamanagementparagraaf.
De datamanagementparagraaf wordt niet beoordeeld en daarom ook niet meegewogen in de beslissing om een aanvraag al dan niet toe te wijzen. Zowel de referenten als de commissie kunnen wel advies geven met betrekking tot de datamanagementparagraaf.
Het project dat NWO financiert moet, conform de NWO Subsidieregeling 2024, worden uitgevoerd in overeenstemming met de nationaal en internationaal aanvaarde normen van wetenschappelijk handelen zoals neergelegd in de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (2018). Met het indienen van de aanvraag committeert de aanvrager zich aan deze code. In geval van (mogelijke) schending van deze normen bij een door NWO gefinancierd project, dient de aanvrager NWO hiervan onverwijld op de hoogte te stellen en dient deze alle ter zake relevante documenten aan NWO te overleggen. Meer informatie over de gedragscode en het beleid op het gebied van wetenschappelijke integriteit vindt u op de website: Wetenschappelijke integriteit | NWO.
Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na te gaan of voor de uitvoering van het voorgestelde project een ethische verklaring of vergunning noodzakelijk is. De aanvrager dient ervoor te zorgen dat deze tijdig wordt verkregen bij de relevante instelling of ethische commissie. Het wel of niet hebben van een ethische verklaring of vergunning op het moment van het aanvraagproces heeft geen invloed op de beoordeling van de aanvraag. Als er een ethische verklaring of vergunning nodig is voor (een deel van) het onderzoek dan moet de projectleider een kopie van deze verklaring of vergunning aan NWO verstrekken nadat het project is toegewezen, en in ieder geval uiterlijk voordat de uitvoering van het onderdeel van het project waarvoor de verklaring nodig is van start gaat. Het deel van het project waarvoor de verklaring en/of vergunning vereist is, kan uiteraard (nog) niet worden uitgevoerd zolang er geen verklaring of vergunning is verstrekt.
Het Nagoya Protocol zorgt voor een eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit het gebruik van genetische rijkdommen (Access and Benefit Sharing; ABS). Onderzoekers die voor hun onderzoek gebruikmaken van genetische bronnen in/uit het buitenland dienen zich op de hoogte te stellen van het Nagoya Protocol (Home | ABS Focal Point). NWO gaat ervan uit dat zij de noodzakelijke acties ten aanzien van het Nagoya Protocol nemen.
Op alle aanvragen is de Regeling Cofinanciering | NWO van toepassing.
Aanvullende definities:
– In kind cofinanciering: gekapitaliseerde personele en/of materiële bijdragen van gebruikers;
– Cash cofinanciering wordt gebruikt ter dekking van een deel van de totale projectkosten en vormt samen met de door NWO verstrekte subsidie de benodigde financiële middelen.
Cofinanciering is in deze Call for proposals niet verplicht. Het is wel mogelijk cofinanciers toe te voegen in de aanvraag. Onderscheid wordt gemaakt tussen cash cofinanciering (te innen door de hoofdaanvrager), die dient als dekking voor de begroting van de projectactiviteiten beschreven in de aanvraag, en in kind cofinanciering, die kan bestaan uit personele en/of materiële inbreng van de betrokken organisaties.
Voor cofinanciering gelden de volgende uitgangspunten:
– NWO is hoofdfinancier van een aanvraag. Aanvragen waarbij de cofinanciering van de cofinanciers meer dan 49% van de totale projectkosten bedraagt, worden niet in behandeling genomen;
– in kind bijdragen worden alleen geaccepteerd onder de voorwaarde dat het gedeelte dat door de cofinancier wordt ingebracht integraal onderdeel is van de projectactiviteiten en als identificeerbare inspanning kan worden gevolgd of aangemerkt. Bij vragen kan NWO verzoeken om nadere motivering en bewijsstukken van de gehanteerde tarieven en eveneens om aanpassing. Daarnaast mogen eventuele in kind bijdragen in de vorm van diensten en know how niet reeds bij de kenninstelling(en) van de aanvrager(s) beschikbaar of voorhanden zijn;
– voor het kapitaliseren van de personele inbreng (mensuren) aan een project worden vaste integrale uurtarieven gebruikt. Voor de tarieven, zie de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.2 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. Hierbij dient het tarief te worden gebruikt dat de werkelijke loonkosten het dichtst benadert;
– cash cofinanciering is het netto bedrag dat een cofinancier betaalt aan de hoofdaanvrager. De hoofdaanvrager factureert cash cofinanciering en eventuele btw aan de cofinancier.
Niet toelaatbaar als cash/in kind cofinanciering zijn9 :
– door NWO verstrekte subsidie;
– cofinanciering mag niet afkomstig zijn van partijen die op grond van deze Call for proposals een aanvraag bij NWO kunnen indienen;
– kosten m.b.t. overhead, begeleiding, consultancyen/of deelname aan de begeleidingscommissie.
Verklaring cofinanciering deelnemende cofinanciers
In een verklaring cofinanciering spreekt de cofinancier inhoudelijke en/of financiële steun uit aan het project en bevestigt deze de toegezegde cofinanciering. Verklaringen cofinanciering van cofinanciers die worden genoemd in de aanvraag zijn verplichte bijlagen bij het indienen van de aanvraag. De verklaring cofinanciering moet zijn ondertekend door een tekenbevoegd persoon van de cofinancier. NWO stelt een verplicht format voor de verklaring cofinanciering beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals op de NWO website en in ISAAC.
In geval van toewijzing dient de cofinancier zijn bijdrage(n) te bevestigen in de consortiumovereenkomst In deze overeenkomst worden ook verdere afspraken gemaakt tussen de cofinancier(s) en de aanvrager(s) (zie paragraaf 5.5).
Verantwoording cash en in kind cofinanciering
De verhouding cofinanciering (zowel cash als in kind) en de door NWO verstrekte subsidie in deze Call for proposals, is van toepassing vanaf het indienen van een aanvraag tot en met de vaststelling van de subsidie. Cash cofinanciering heeft invloed op het subsidiebedrag dat NWO verstrekt omdat zowel de bijdrage van NWO als cash cofinanciering voor dezelfde projectspecifieke kosten gebruikt worden (in tegenstelling tot cofinanciering in kind).
Ambtshalve indexeren als gevolg wijziging van de tarieven na indiening van een aanvraag heeft geen invloed op de verhouding en cofinancieringseis voor de NWO bijdrage. NWO gaat uit van de verhouding in de door NWO toegewezen aanvraagbegrotingen.
Bij vaststelling van een project wordt het definitieve subsidiebedrag bepaald aan hand van de eindverantwoording, de financiële voorwaarden en de verhouding cofinanciering zoals vermeld in de aanvraagbegroting.
In geval van gedeeltelijk geleverde cash cofinanciering(door onvoorziene omstandigheden, zoals faillissementen) gaat NWO voor haar bijdrage uit van de oorspronkelijke subsidieverlening, rekening houdend met de wel geleverde cash cofinanciering en de geldende minimale cofinancieringseis, indien deze van toepassing is.
Cash cofinanciering boven de cofinancieringseis heeft invloed op de gehanteerde verhouding tussen cofinanciering en door NWO verstrekte subsidie. Indien een project cash cofinanciering kent boven de cofinancieringseis en er bij vaststelling sprake is van gedeeltelijk geleverde cash cofinanciering, is de NWO bijdrage nooit hoger dan de oorspronkelijke bijdrage uit de subsidieverlening. De verhouding van de NWO bijdrage is dan maximaal de bijdrage die volgt uit de cofinancieringseis.
Te allen tijde dient NWO onverwijld op de hoogte gesteld te worden van problemen in verwachte cofinanciering (cash en/of in kind). Naast financiële gevolgen voor een project, kan NWO ook adequate wijzigingen in een project verlangen als wijzigingsverzoek, zodat het onderzoek naar beste vermogen vervolgd kan worden.
In een steunverklaring (zonder cofinanciering) spreekt de samenwerkingspartner steun uit aan het project en beschrijft diens rol binnen het project. NWO stelt een standaard format beschikbaar op de financieringspagina.
In geval van toekenning dient de samenwerkingspartner diens deelname aan het project te bevestigen in de consortiumovereenkomst. Tevens worden in deze overeenkomst verdere afspraken gemaakt tussen de samenwerkingspartner(s) en de aanvrager(s) (zie ook paragraaf 5.5).
Dit hoofdstuk beschrijft allereerst de beoordeling volgens de DORA-principes (paragraaf 4.1) en hoe de beoordelingsprocedure verloopt (paragraaf 4.2). Vervolgens somt het de criteria op waaraan de beoordelingscommissie uw aanvraag toetst (paragraaf 4.3).
Voor alle bij de beoordeling en/of besluitvorming betrokken personen en betrokken NWO-medewerkers is de NWO Code Persoonlijke Belangen van toepassing (Code persoonlijke belangen | NWO).
NWO streeft naar een inclusieve cultuur, waarin geen plaats is voor bewuste of onbewuste barrières vanwege culturele, etnische of religieuze achtergrond, gender, seksuele oriëntatie, gezondheid of leeftijd (Diversiteit en inclusie | NWO). NWO stimuleert leden van een beoordelingscommissie actief om zich bewust te worden van impliciete associaties en te proberen deze te minimaliseren. NWO voorziet hen van informatie over concrete manieren om de beoordeling van een aanvraag te verbeteren.
NWO is ondertekenaar van de San Francisco Declaration on Research Assessment (DORA). DORA is een wereldwijd initiatief dat beoogt de manier waarop onderzoek en onderzoekers worden beoordeeld te verbeteren. DORA bevat aanbevelingen voor onderzoeksfinanciers, onderzoeksinstellingen, wetenschappelijke tijdschriften en andere partijen.
DORA richt zich op het terugdringen van het onkritisch gebruik van bibliometrische indicatoren en het wegnemen van onbewuste vooringenomenheid (unconscious bias) bij de beoordeling van onderzoek en onderzoekers. Overkoepelende filosofie van DORA is dat onderzoek moet worden beoordeeld op zijn eigen kwaliteiten en verdiensten in plaats van op basis van afgeleide indicatoren, zoals het tijdschrift waarin het onderzoek wordt gepubliceerd.
NWO gaat bij het beoordelen van het wetenschappelijk track record van aanvragers uit van een brede definitie van wetenschappelijke output.
NWO verzoekt commissieleden bij de beoordeling van aanvragen niet af te gaan op indicatoren als de Journal Impact Factor of de h-index. U mag deze niet vermelden in uw aanvraag. Wel mag u naast publicaties ook andere wetenschappelijk producten te vermelden, zoals datasets, patenten, software en code enzovoort.
Voor meer informatie over wat NWO doet om de principes van DORA te implementeren zie: DORA | NWO.
De aanvraagprocedure bestaat uit de volgende stappen:
Fase I: aanvragen op ijkpunten:
– matchmaking (niet verplicht);
– indiening van de aanvraag;
– in behandeling nemen van de aanvraag;
– preadvisering beoordelingscommissie;
– interviewselectie (indien van toepassing, zie paragraaf 4.2.5);
– interview;
– vergadering van de beoordelingscommissie;
– ex aequo;
– besluitvorming.
Fase II: overkoepelende aanvraag:
– deelname aan workshops (in overleg);
– indiening van de aanvraag;
– in behandeling nemen van de aanvraag;
– preadvisering beoordelingscommissie;
– weerwoord;
– vergadering van de beoordelingscommissie;
– besluitvorming.
Beoordelingscommissie
Voor deze Call for proposals wordt door de raad van bestuur van NWO een externe, onafhankelijke, breed samengestelde beoordelingscommissie ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers uit de wetenschap en de gehele kennisketen, inclusief maatschappelijke stakeholders en vertegenwoordigers vanuit de doelgroep, met kennis van het vakgebied. De taak van de beoordelingscommissie is om de aanvragen en de daarop betrekking hebbende stukken in onderlinge samenhang en op eigen merites te beoordelen op basis van de beoordelingscriteria in deze Call for proposals.
Vanwege het bijzondere karakter van de Call for proposals en de in de beoordelingscommissie aanwezige expertise, heeft NWO besloten om bij de beoordeling van de aanvragen gebruik te maken van de mogelijkheid gegeven in artikel 2.2.4, lid 2, van de NWO Subsidieregeling 2024, om de beoordelingsprocedure uit te voeren zonder referenten in te schakelen.
In oktober 2025 organiseert NWO een matchmaking voor deze Call for proposals. Deze matchmaking staat open voor iedereen die wil aansluiten bij een consortium. Deelname aan deze activiteit wordt aanbevolen maar is niet verplicht. Geïnteresseerden kunnen zich aanmelden voor de matchmaking via de financieringspagina van deze Call for proposals.
Verdere informatie over de invulling en planning van de matchmaking zal bekend worden gemaakt via de financieringspagina van deze Call for Proposals.
Tijdens de matchmaking wordt o.a. meer informatie gegeven over het aanvraagproces en de Impact plan benadering (zie ook paragraaf 2.3).
Voor indiening van de aanvraag is een standaardformulier beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals op de NWO website. In uw aanvraag moet u zich houden aan de vragen die in dit formulier staan en aan de werkwijze die in de toelichting staat. Ook moet u zich houden aan de voorwaarden voor het maximale aantal woorden en pagina’s.
Uw ingevulde aanvraagformulier moet voor de deadline via ISAAC zijn ontvangen (zie paragraaf 1.3). Na dit tijdstip kunt u geen aanvraag meer indienen. De hoofdaanvrager ontvangt na indiening van de aanvraag een ontvangstbevestiging.
Zo snel mogelijk nadat u uw aanvraag heeft ingediend, hoort u of NWO uw aanvraag in behandeling neemt. NWO bepaalt dit aan de hand van een aantal administratief-technische criteria (zie de formele voorwaarden voor indiening, paragraaf 3.4). Alleen als uw aanvraag hieraan voldoet, kan NWO deze in behandeling nemen.
Houdt er rekening mee dat NWO u binnen twee weken na de indieningsdeadline kan benaderen om eventuele administratieve correcties door te voeren om (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening. U krijgt één keer de gelegenheid om de correcties door te voeren, hiervoor krijgt u vijf werkdagen de tijd.
Hierna wordt uw aanvraag voor commentaar voorgelegd aan enkele leden van de beoordelingscommissie (de preadviseurs). De preadviseurs geven schriftelijk een inhoudelijk en beargumenteerd commentaar op de aanvraag. Zij formuleren dit commentaar aan de hand van de inhoudelijke beoordelingscriteria (zie paragraaf 4.3.1 en 4.3.2) en geven de aanvraag per beoordelingscriterium een cijfermatige score. Hierbij wordt de NWO scoretabel gehanteerd (op een schaal van 1 tot 9, waarbij ‘1’ excellent is en ‘9’ ontoereikend). De preadviseurs inventariseren daarnaast welke onderdelen tijdens het interview verhelderd, toegelicht of verdiept dienen te worden.
In principe worden alle consortia die een aanvraag hebben ingediend uitgenodigd voor een interview met de beoordelingscommissie. Indien het aantal aanvragen driemaal het verwachte aantal toe te wijzen aanvragen overschrijdt, dan kan de beoordelingscommissie besluiten om alleen een selectie van de consortia op interview uit te nodigen.
Om tot deze selectie te komen worden de aanvragen aan de beoordelingscommissie voorgelegd. De beoordelingscommissie maakt op basis hiervan een eigen afweging die resulteert in een ranglijst.
Vervolgens ontvangen de hoogst geprioriteerde aanvragers een uitnodiging voor een interview. Dit zal maximaal driemaal het verwachte aantal toe te wijzen aanvragen betreffen. Als na de interviewselectie blijkt dat twee of meer aanvragen op basis van hun gewogen totaalscore niet van elkaar te onderscheiden zijn, dan is er sprake van een ex aequo-situatie (zie paragraaf 4.2.9).
In fase II wordt het consortium dat de aanvraag heeft ingediend uitgenodigd voor een interview.
Tijdens het interview heeft de beoordelingscommissie de gelegenheid om vragen te stellen. Het consortium kan hier tijdens het interview in de discussie met de commissie op reageren. Op deze wijze wordt hoor- en wederhoor toegepast. Het interview is een belangrijk onderdeel van de beoordelingen en kan leiden tot bijstelling van de beoordeling en de score van de aanvraag tot dan toe.
De hoofdaanvrager van de overkoepelende aanvraag (fase II) ontvangt geanonimiseerde pre-adviezen. U heeft daarna de gelegenheid om een weerwoord te formuleren. U krijgt tien werkdagen de tijd om uw weerwoord via ISAAC in te dienen. Mocht u besluiten de aanvraag in te trekken, dan dient u dit zo snel mogelijk per e-mail aan het bureau te melden en de aanvraag in ISAAC in te trekken. Indien NWO uw weerwoord na de deadline ontvangt, wordt het niet meegenomen in de verdere procedure.
De beoordelingscommissie maakt op basis van het beschikbare materiaal een eigen afweging.
De commissie stelt naar aanleiding van de bespreking een schriftelijk advies op aan de raad van bestuur over de kwaliteit en prioritering van de aanvragen. Dit advies baseert zij op de beoordelingscriteria. De aanvraag als geheel moet tenminste de kwalificatie ‘zeer goed’ in fase I en “goed” in fase II’ krijgen om in aanmerking te komen voor toewijzing. Daarnaast moet de aanvraag tevens op elk van de afzonderlijke beoordelingscriteria in fase I en II tenminste de kwalificatie ‘goed’ krijgen.
Voor meer informatie over de kwalificaties zie Financiering aanvragen, hoe werkt dat? | NWO.
Indien de aanvraag in fase II niet aan deze kwalificaties voldoet, zal de beoordelingscommissie aangeven welke elementen onvoldoende zijn en krijgt het consortium eenmalig de kans de aanvraag op deze elementen te herzien. De aanbevelingen en aanwijzingen zal de beoordelingscommissie schriftelijk mededelen. Naar aanleiding hiervan zal indien nodig een tweede interview met de beoordelingscommissie worden ingepland. Op deze wijze vindt hoor en wederhoor plaats.
Als na de bespreking van de aanvragen in fase I blijkt dat twee of meer aanvragen op basis van hun gewogen totaalscore niet van elkaar te onderscheiden zijn, dan is er sprake van een ex aequo-situatie (zie paragraaf over ex aequo).
Onder ex aequo verstaat NWO de situatie waarin twee of meer aanvragen op basis van hun gewogen score niet van elkaar te onderscheiden zijn. Een ex aequo situatie is relevant rondom de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens. Of er sprake is van een ex aequo situatie wordt als volgt bepaald. Het uitgangspunt is de door de beoordelingscommissie opgestelde prioritering, met eindscores afgerond op 2 decimalen. De referentiescore is de score van de laagst geprioriteerde aanvraag binnen de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens. Alle aanvragen met een score die 0,05 of minder van de referentiescore afliggen, worden in overweging genomen. Zo worden de aanvragen geselecteerd die binnen 0,10 gelijk zijn. Indien een ex aequo situatie zich voordoet op de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens, dan zal de aanvraag met de hoogste score op het criterium ‘Probleemstelling- en analyse’ als hoogste eindigen. Als de ex aequo situatie daarmee niet wordt doorbroken, zal de aanvraag met de hoogste score op het criterium ‘Kwaliteit van het consortium’ als hoogste eindigen. Als ook dan aanvragen gelijk eindigen bepaalt de beoordelingscommissie met behulp van een (anonieme) meerderheidsstemming de prioritering (conform artikel 2.2.6, vijfde lid, van de NWO Subsidieregeling 2024). Als ook stemming geen uitsluitsel biedt, of niet gewenst is, wordt de ex aequo situatie doorgestuurd naar het besluitnemend orgaan.
Tot slot toetst de raad van bestuur van NWO de gevolgde procedure en het advies van de beoordelingscommissie. Vervolgens stelt het bestuur de definitieve kwalificaties vast en besluit over toe- en afwijzing van de aanvragen.
In fase I worden na het doorlopen van het beoordelingsproces maximaal vier aanvragen geselecteerd voor toewijzing, één voor elk ijkpunt (als omschreven in hoofdstuk 2). De hoogst geprioriteerde aanvraag binnen elk van de vier ijkpunten wordt toegewezen. Indien er binnen één ijkpunt geen aanvraag van voldoende kwaliteit wordt ingediend, dan wordt de op één na hoogst geprioriteerde aanvraag uit de andere ijkpunten toegewezen. Indien er binnen twee ijkpunten geen aanvragen van voldoende kwaliteit zijn ingediend, dan worden uit elk resterend ijkpunt de twee hoogst geprioriteerde aanvragen toegewezen. In het geval dat er slechts binnen één ijkpunt aanvragen worden ingediend, dan worden de hoogst geprioriteerde aanvragen (max. 4) binnen dit ijkpunt toegewezen. In alle gevallen geldt dat aanvragen slechts voor toewijzing in aanmerking komen, indien deze aan de kwaliteitscriteria (zie paragraaf 4.2.4) voldoen.
In fase II werken de geselecteerde consortia gezamenlijk het overkoepelend project uit en dienen daarvoor één aanvraag in. Indien er slechts één aanvraag in fase I wordt toegewezen is er geen fase II.
Bijvoorbeeld:
Er kan in de prioritering worden gesprongen van de aanvraag op positie 5 naar de aanvraag op positie 8 in de prioritering met het oog op een optimale benutting van het budget. Daarbij worden de aanvragen op posities 6 en 7 in de prioritering overgeslagen, omdat deze niet binnen het resterende budget passen.
Na de toewijzingen van de aanvragen (fase I) worden er door NWO maximaal twee workshops georganiseerd om een start te maken met het samenbrengen van de aanvragen in een overkoepelend project. Dit onderdeel wordt in overleg naar behoefte met de hoofdaanvragers ingevuld.
Voor de volgende stappen in het proces voor fase II (het erna indienen van de overkoepelende aanvraag (4.2.2), het in behandeling nemen van de overkoepelende aanvraag (4.2.3), preadvisering beoordelingscommissie (4.2.4), weerwoord (4.2.7), vergadering van de beoordelingscommissie (4.2.8), en besluitvorming (4.2.10) zie hierboven.
Hieronder treft u het tijdpad aan voor deze Call for proposals. Het kan zijn dat NWO het noodzakelijk acht om tijdens de lopende procedure nog aanpassingen in het tijdpad van deze Call for proposals aan te brengen. Uiteraard ontvangt u hierover op tijd bericht.
|
30 september 2025 |
Informatiebijeenkomst (online) |
|
27 oktober 2025 |
Matchmakingbijeenkomst |
|
Dinsdag 10 februari 2026 – 14:00.00 uur CET |
Deadline aanvragen |
|
Maart/april 2026 |
Interviewselectie (indien van toepassing) en interviews |
|
April/ mei 2026 |
Vergadering beoordelingscommissie |
|
Juni 2026 |
Besluit bestuur |
|
Data worden op een later moment vastgesteld in overleg met de deelnemers |
Workshops fase II (in overleg) |
|
Dinsdag 8 februari 2028 – 14:00.00 uur CET |
Deadline overkoepelende aanvraag |
|
Maart/april 2028 |
Pre-adviezen en weerwoord |
|
April/mei 2028 |
Vergadering beoordelingscommissie |
|
Juni 2028 |
Besluit bestuur |
De aanvragen die binnen deze Call for proposals worden ingediend worden inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
1. Probleemstelling en -analyse (20%)
2. Verwachte impact en route naar impact (20%)
3. Kwaliteit van het consortium (30%)
4. Kwaliteit van het onderzoek (30%)
Voor alle vier beoordelingscriteria in beide fasen geldt dat input van ervaringsdeskundigen een vereiste is. Binnen de vier beoordelingscriteria worden de volgende aspecten onderscheiden:
1. Probleemstelling en -analyse
– Helder geformuleerde probleemstelling en resulterende kennisvragen, logisch gerelateerd en bijdragend aan de doelstelling van de Call for proposals.
– De probleemstelling, resulterende kennisvragen en benodigde oplossingen worden benaderd vanuit een beperking-overstijgend perspectief.
– Maatschappelijke en wetenschappelijke urgentie en relevantie van de probleemstelling.
– Interdisciplinaire en transdisciplinaire karakter van de probleemstelling en de kennisvragen.
Van toepassing op fase II: Het onderzoeksvoorstel beschrijft hoe vanuit het overkoepelend project wordt gewerkt aan het ijkpunt-overstijgend verder brengen van de resultaten.
2. Beoogde impact en route naar impact
– De beoogde wetenschappelijke en maatschappelijke impact is helder gedefinieerd en volgt logisch uit het/de geïdentificeerde probleem of vraag.
– De Impact pathway beschrijft een heldere route richting de maatschappelijke impact, inclusief de rol van de betrokken partners.
– Passende strategische activiteiten ten behoeve van het bereiken van de beoogde impact, zoals stakeholder engagement, communicatie, monitoring en evaluatie en capaciteitsontwikkeling.
– Voldoende aandacht voor de belangrijkste risico’s op ongewenste maatschappelijke impact en de voorgenomen maatregelen om dit te voorkomen of mitigeren en de kans op gewenste impact te vergroten.
3. Kwaliteit van het consortium
– Samenstelling van het consortium sluit logisch aan bij het beoogde project. Het is interdisciplinair met betrokkenheid van relevante maatschappelijke stakeholders en/of burgers en is kennisketenbreed.
– Kwaliteit van de consortiumpartners voor wat betreft benodigde kennis, vaardigheden en expertise voor de uitvoering van het project.
– Specifiek voor input van de doelgroep: Het consortium beschikt over de benodigde expertise, ervaringen en ervaringsdeskundigheid die nodig zijn voor de uitvoering van het project. Er is beschreven welke individuen en/of organisaties bij het project betrokken zijn, wat hun rol en bijdrage bij het project is en hoe de samenwerking wordt vormgegeven en gewaardeerd.
– Actieve betrokkenheid van de partners (inclusief ervaringsdeskundigen) bij de ontwikkeling van het project (co-design), vanaf de articulatie van de probleemstelling en de kennisvragen, en bij de uitvoering (co-creatie).
– Heldere taak- en rolverdeling binnen het consortium bij uitvoering van het onderzoek en de governance.
4. Kwaliteit van het onderzoek
– De wetenschappelijke vraagstelling volgt logisch uit de probleemanalyse en is origineel en vernieuwend voor de betrokken disciplines.
– De voorgestelde aanpak en methodologie zijn geschikt om de concreet geformuleerde doelstellingen te behalen en de vraagstelling te beantwoorden. Het consortium hanteert in de uitvoering zowel een fundamentele als toepassings- en praktijkgerichte aanpak.
– Het geïntegreerde karakter van het interdisciplinaire onderzoek.
– Opzet van het voorgestelde onderzoeksplan: helder omschreven werkpakketten in logische samenhang; passende, goed gemotiveerde, begroting; risico analyse en eventueel back-up plan.
– Van toepassing op fase I: De mogelijkheden en kansen die het consortium voorziet om bij te dragen aan het onderzoek in fase II zijn adequaat omschreven.
In dit hoofdstuk worden de verschillende subsidieverplichtingen toegelicht die – in aanvulling op de in paragraaf 3.5 genoemde subsidievoorwaarden – van toepassing zijn na toewijzing.
NWO draagt zorg voor de inhoudelijke monitoring van de toegewezen aanvragen. Tijdens de looptijd van dit programma organiseert NWO programmabijeenkomsten. Alle projecten binnen dit thema van de Call for proposals zullen worden uitgenodigd om hieraan deel te nemen.
Begeleidingscommissie
Ter versterking van de monitoring en om het draagvlak voor de uitvoering van de projecten te vergroten, zal een begeleidingscommissie worden ingesteld. De begeleidingscommissie monitort de verbinding tussen de verschillende thema’s, monitort de voortgang van alle projecten en de behaalde resultaten met een focus op kennisoverdracht, kennisbenutting en toepassing van de resultaten. Er zullen geregeld bijeenkomsten worden georganiseerd. Voor de bijeenkomsten van de begeleidingscommissie worden vertegenwoordigers van alle consortia gevraagd om input en deelname aan de bijeenkomsten. Waar gewenst worden experts uitgenodigd.
Verantwoording tijdens het project
Gedurende het project is de hoofdaanvrager verantwoordelijk voor rapportages over het project. NWO kan met het oog op monitoring van de voortgang van het project tussentijds inhoudelijk en financiële rapportages opvragen, evenals verantwoording van geleverde cofinanciering indien van toepassing. Meer informatie hierover volgt in de toewijzingsbrief.
Afsluiting van een project
Bij afronding van een project zullen inhoudelijke- en financiële eindrapportages worden opgevraagd. Na goedkeuring daarvan wordt definitieve hoogte van de subsidie (en cofinanciering) vastgesteld.
Gedurende de looptijd van het NWA-programma komen de consortia van de projecten en later ook het overkoepelend project regelmatig bij elkaar in programmabijeenkomsten. Hierbij zal ook de begeleidingscommissie (zie paragraaf 5.1) aanwezig zijn. NWO heeft een faciliterende rol bij de organisatie van deze programmabijeenkomsten.
Na toewijzing van een aanvraag dient de aanvrager de datamanagementparagraaf uit te werken tot een datamanagementplan. Aanvragers kunnen hierbij gebruik maken van het advies van de referenten en commissie. De aanvrager beschrijft in het plan of gebruik gemaakt wordt van bestaande data of dat het om een nieuwe dataverzameling gaat en hoe de dataverzameling dan FAIR: vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar gemaakt wordt. Het datamanagementplan dient voor indiening te zijn afgestemd met een data steward of vergelijkbare functionaris van de onderzoeksorganisatie waar het project wordt uitgevoerd. NWO beoordeelt het plan zo snel mogelijk. Goedkeuring van het datamanagementplan door NWO is voorwaarde voor de subsidieverlening. Het plan kan tijdens het onderzoek worden bijgesteld.
Meer informatie over het datamanagementprotocol van NWO staat op: Research datamanagement | NWO.
Met betrekking tot de intellectuele eigendom (IE) geldt het NWO IE-beleid. Het NWO IE-beleid is te vinden in hoofdstuk 4 van de NWO Subsidieregeling 2024.
Aanvragers moeten een door NWO gefinancierd project uitvoeren in de tijd dat ze voor de onderzoeksorganisatie werken. Indien een aanvrager of een door NWO gefinancierde onderzoeker bij meerdere werkgevers is aangesteld, dient de andere werkgever ten behoeve van de aanvrager afstand te doen van eventuele IE-rechten die uit het project voortvloeien.
NWO streeft na dat onderzoeksresultaten toepassing kunnen vinden bij de partners die bij het project zijn betrokken. NWO beoogt enerzijds dat de onderzoeksresultaten van door haar gefinancierde projecten publiek toegankelijk zijn, en anderzijds dat de verdere ontwikkeling van de onderzoeksresultaten wordt gestimuleerd door partijen de mogelijkheid te bieden om deze te exploiteren. Daarbij kan het wenselijk zijn om intellectuele eigendomsrechten over te dragen of een licentie te verlenen aan (een van) de bij het project betrokken private partijen. Het uitgangspunt is dat alle onderzoeksresultaten kunnen worden gepubliceerd met inachtneming van afspraken over publicatieprocedures.
Het afsluiten van een consortiumovereenkomst na toewijzing van de aanvraag is één van de voorwaarden voor de start van het project. In deze overeenkomst worden afspraken gemaakt over intellectueel eigendom en publicatie, kennisoverdracht, geheimhouding, betalingen van cofinanciering en voortgangs- en eindverslagen. Uploaden in ISAAC is noodzakelijk voordat een project kan starten.
De regie om tot de consortiumovereenkomst te komen ligt bij de aanvrager. De model consortiumovereenkomst die NWO beschikbaar stelt dient hiervoor gebruikt te worden. Deze modelovereenkomst is opgesteld conform de NWO Subsidieregeling 2024. NWO is geen partij bij de consortiumovereenkomst.
Partijen hebben de mogelijkheid om te kiezen voor de standaardtekst van NWO in de modelovereenkomst, en zij hebben ook de mogelijkheid om op de onderdelen IE en publicatieprocedure eigen afspraken te maken of reeds bestaande afspraken toe te passen. De model consortiumovereenkomst voorziet hierin.
Uit het project kan kennis voortkomen die geschikt is voor toepassing in de maatschappij. Bij het aangaan van afspraken over licentie- en/of overdracht van onder deze Call for proposals ontwikkelde onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden met de tien principes voor maatschappelijk verantwoord licentiëren, zoals opgenomen in het NFU rapport “Tien Principes voor Maatschappelijk Verantwoord Liciënteren | NFU”.
Na toewijzing van de projecten zal een commissie conform artikel 3.3.2 van de NWO Subsidieregeling 2024 worden ingesteld ten behoeve van begeleiding en monitoring van het project. Meer informatie over deze commissie volgt in de toewijzingsbrief.
NWO heeft de Berlin Declaration (2003) ondertekend en is lid van cOAlitie S (2018) en zet zich in om de resultaten van wetenschappelijk onderzoek dat door NWO gefinancierd wordt vrij toegankelijk te maken via internet (Open Access). Daarmee geeft NWO invulling aan het beleid van de Nederlandse regering om al het publiek gefinancierde onderzoek Open Access beschikbaar te maken. Wetenschappelijke publicaties van onderzoek dat is gefinancierd op basis van toewijzingen voortvloeiend uit deze Call for proposals dienen daarom Open Access beschikbaar te zijn volgens de Beleidsregel Open Access.
Wetenschappelijke artikelen
Voor wetenschappelijke artikelen geldt dat zij direct op het moment van publicatie (zonder embargo) Open Access beschikbaar gesteld moeten worden via één van de volgende routes:
– publicatie in een volledig open access tijdschrift of platform dat is geregistreerd in de DOAJ;
– publicatie in een abonnementstijdschrift en het deponeren van tenminste de auteursversie van het artikel in een Open Access repository die is geregistreerd in OpenDOAR;
– publicatie in een tijdschrift waarvoor een transformatieve Open Access overeenkomst beschikbaar is tussen de UNL en een uitgever. Zie daarover: Home | Open Access.
Boeken
Voor boeken, boekhoofdstukken en bundels gelden afwijkende voorwaarden. Zie daarover de Beleidsregel Open Access op Open Science | NWO.
CC BY licentie
Met het oog op een optimale verspreiding van publicaties moet tenminste een Creative Commons (CC BY) licentie worden toegepast. Bij de aanwezigheid van zwaarwegende belangen kan de auteur verzoeken om te publiceren onder toepassing van een CC BY-ND licentie. Voor boeken, bundels en boekhoofdstukken staat de keuze van een CC BY licentie vrij.
Kosten
Eventuele kosten voor publiceren in volledig Open Access tijdschriften kunnen worden begroot in de projectbegroting door gebruikmaking van de budgetmodule ‘materieel’. Kosten voor publicaties in hybride tijdschriften komen niet in aanmerking voor vergoeding door NWO. Voor Open Access boeken kan een beroep gedaan worden op het aparte NWO Open Access boekenfonds.
Voor een nadere toelichting op het Open Access beleid van NWO zie: Open Science | NWO.
Voor inhoudelijke vragen over deze Call for proposals neemt u contact op met:
Merel Pannebakker (beleidsmedewerker): +31 (0)70 349 4684; +316 4752 3654; of Lisanne Meinen
(beleidsmedewerker): +31 (0)70 349 4645; +316 2337 9206; nwa-ol@nwo.nl
Bij technische vragen over het gebruik van ISAAC kunt u contact opnemen met de ISAAC-helpdesk. Raadpleeg eerst de handleiding voordat u de helpdesk om advies vraagt. De ISAAC-helpdesk is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 10.00 tot 17.00 uur op telefoonnummer +31 (0) 70 34 40 600. U kunt uw vraag ook per e-mail stellen via isaac.helpdesk@nwo.nl. U ontvangt dan binnen twee werkdagen een reactie.
NWO verwerkt persoonsgegevens die zij in het kader van deze ronde ontvangt conform de NWO privacyverklaring, Privacyverklaring | NWO.
NWO kan aanvragers mogelijk benaderen voor een evaluatie van de procedure en/of het onderzoeksprogramma.
Voor genoemde salaristabellen en tarieven: zie Salaristabellen | NWO.
Promovendus
Een promovendus wordt 48 maanden voor 1,0 fte aangesteld bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, umc of onderzoeksorganisatie zoals genoemd in artikel 1.1 van de NWO Subsidieregeling 2024. Het equivalent van 48 voltijdsmaanden, bijvoorbeeld een aanstelling van 60 maanden voor 0,8 fte, is ook mogelijk. Het is in bijzondere situaties mogelijk om een kortere aanstellingsduur aan te vragen. Dit moet goed worden gemotiveerd. Hierover wordt geoordeeld door de beoordelingscommissie. Indien een project korter duurt dan 48 maanden, is het noodzakelijk dat de decaan of instituutsdirecteur schriftelijk toezegt om het resterende deel van het promotietraject te financieren. Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een promovendus die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.
Gebruik de tarieven van een promovendus in de salaristabellen van UNL en NFU. Voor iedere promovendus is een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.
Engineering Doctorate
Een Engineering Doctorate (EngD) wordt ten hoogste 24 maanden voor 1,0 fte aangesteld. De EngD is in dienst van de aanvragende instelling en kan voor bepaalde tijd werkzaamheden binnen het onderzoek bij een industriële partner uitvoeren.10
Financiering voor de aanstelling van een EngD kan alleen worden aangevraagd als er ook financiering voor een promovendus of postdoc wordt aangevraagd. Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een EngD die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.
Gebruik de tarieven van een promovendus in de salaristabellen van UNL en NFU. Voor iedere EngD is een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.
Postdoc
Een postdoc wordt aangesteld bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, umc of onderzoeksorganisatie zoals genoemd in paragraaf 3.1.
Gebruik de tarieven van een senior wetenschappelijk medewerker in de salaristabellen van UNL, en de tarieven van een postdoc bij een umc in de salaristabellen van NFU.
Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een postdoc die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.
Alleen een postdoc positie met een aanstelling van ten minste 12 maanden voor 0,5 fte kwalificeert als een aanstelling waarvoor een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar staat ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.
Arts-onderzoeker
Financiering kan worden aangevraagd voor de aanstelling van een basisarts of arts-assistent als arts- onderzoeker voor de uitvoering van wetenschappelijk geneeskundig onderzoek aan een umc. Een arts- onderzoeker wordt minimaal 36 en maximaal 48 maanden voor 1,0 fte aangesteld. Het equivalent van 36 of 48 voltijdsmaanden, bijvoorbeeld een aanstelling van 48 of 60 maanden voor 0,8 fte, is ook mogelijk. Het is in bijzondere situaties mogelijk om een kortere aanstellingsduur aan te vragen. Dit moet goed worden gemotiveerd. Hierover wordt geoordeeld door de beoordelingscommissie. Indien een project korter duurt dan 48 maanden, is het noodzakelijk dat de decaan of instituutsdirecteur schriftelijk toezegt om het resterende deel van het promotietraject te financieren.
Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een arts-onderzoeker die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.
Gebruik de tarieven van (arts-)onderzoeker in de salaristabellen van NFU. Voor iedere arts-onderzoeker is een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.
Niet-wetenschappelijk personeel
Financiering kan worden aangevraagd voor niet-wetenschappelijk personeel (NWP) dat nodig is voor de uitvoering van het project. Het kan bijvoorbeeld gaan om programmeurs, technisch assistenten, analisten of projectleiders. De inzet van NWP moet worden beschreven in de aanvraag.
De duur van de aanstelling is niet langer dan de looptijd van het door NWO gefinancierde project. Afhankelijk van het functieniveau wordt gekozen uit de salaristabellen van het UNL of NFU voor NWP-mbo, NWP-hbo en NWP-academisch. Voor NWP is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.
Vervanging van de aanvrager
Met deze budgetmodule kan financiering worden aangevraagd voor de kosten van de te vervangen hoofd- en/of medeaanvrager(s). Hiermee kan de werkgever van de betreffende aanvrager de kosten dekken om die vrij te stellen van onderwijs-, begeleidings-, bestuurs- of beheertaken (niet van onderzoekstaken). De aanvrager mag de tijd die vrijkomt door vervanging alleen inzetten voor werkzaamheden voor het project. In de aanvraag moet beschreven worden welke werkzaamheden in het kader van het project de aanvrager(s) in de vrijgestelde tijd zullen verrichten.
NWO financiert de vervanging op basis van de op de besluitdatum geldende salaristabellen voor een senior wetenschappelijk medewerker (UNL) of postdoc (NFU).
Personeel van hogescholen, TO2-instituten,onderwijsinstellingen en overige onderzoeksorganisaties
Financiering kan worden aangevraagd voor personeel van hogescholen, TO2-instituten, overige onderwijsinstellingen en overige onderzoeksorganisaties. De tarieven worden bepaald aan de hand van de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.2 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. De salarisschaal van de aangevraagde functie bepaalt het tarief uit de HOT-tabel.
Voor organisaties die niet de cao rijksoverheid of vergelijkbaar gebruiken (zoals de cao’s van hbo, mbo, vo en lagere overheden), dient het tarief te worden gebruikt dat de werkelijke loonkosten het dichtst benadert.
Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland
Financiering kan worden aangevraagd voor loonkosten van personeel aan een buitenlandse onderzoeksorganisatie dat een bijdrage levert aan het project. De buitenlandse onderzoeksorganisatie moet voldoen aan de definitie van onderzoeksorganisatie van artikel 5.1 sub p van de NWO Subsidieregeling 2024.
Onderbouw overtuigend hoe de onderzoeker van de buitenlandse onderzoeksorganisatie specifieke expertise aan het project bijdraagt die in Nederland niet beschikbaar is op het niveau dat voor het project noodzakelijk is. De beoordelingscommissie beoordeelt deze onderbouwing als onderdeel van het criterium ‘Kwaliteit van het onderzoek’. Deze onderbouwing is niet nodig wanneer NWO een bilaterale overeenkomst omtrent Money follows cooperation heeft gesloten met de nationale onderzoeksfinancier van het land waar de buitenlandse onderzoeksorganisatie zich bevindt. Op de NWO-website staat met welke onderzoeksfinanciers NWO een dergelijke overeenkomst heeft gesloten. NWO verstrekt geen subsidie aan medeaanvragers in het buitenland die vallen onder toepasselijke sanctiewetgeving.
De hoofdaanvrager ontvangt de subsidie en is verantwoordelijk voor het overmaken van subsidiemiddelen aan de buitenlandse onderzoeksorganisatie van de medeaanvrager en voor de financiële verantwoording van de besteding van het buitenlandse deel van de subsidie. Het wisselkoersrisico ligt bij de aanvrager.
Baten of lasten door wisselkoersen zijn niet subsidiabel.
Gebruik de UNL-tarieven gecorrigeerd voor de landencorrectiecoëfficiënten. Deze tarieven zijn maxima. Er is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.
Als binnen deze budgetmodule meer dan € 125.000 per organisatie wordt aangevraagd, dan is een controleverklaring nodig bij de financiële eindverantwoording.
Voorwaarden buitenlandse onderzoeksorganisatie
De organisatie dient:
– een stichting, vereniging of publiekrechtelijke rechtspersoon te zijn, althans het equivalent daarvan in het land van vestiging van de buitenlandse organisatie;
– zich in de hoofdzaak zelf bezig te houden met het op onafhankelijke wijze verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of met het met het breed verspreiden van de resultaten van de eigen onderzoeksactiviteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht;
– te kunnen verklaren dat de organisatie een gescheiden boekhouding voert ten aanzien van economische/niet-economische activiteiten en dat ondernemingen met een beslissende invloed op de organisatie geen preferente toegang krijgen tot de onderzoeksresultaten van de organisatie.
Let op: Voorafgaand aan het indienen van een aanvraag wordt door NWO aan de hand van bovengenoemde voorwaarden getoetst of de buitenlandse organisatie aan artikel 1.1, leden 4 en 5 van de NWO Subsidieregeling 2024 voldoet en dus als medeaanvrager mag deelnemen.
NWO voert deze toets mede uit om te controleren of er geen sprake is van het verlenen van verboden staatssteun. Deze toets dient ook uitgevoerd te worden als een organisatie binnen een ander NWO programma is getoetst en werd toegestaan als medeaanvrager.
De hoofdaanvrager levert ten behoeve van deze toetsing uiterlijk 10 werkdagen voor de deadline van indiening per e-mail aan nwa-ol@nwo.nl (dus uiterlijk 27 januari 2026 voor 14:00:00 CET) voor fase I en uiterlijk 25 januari 2028 voor 14:00.00 CET voor fase II) de volgende documenten aan van de buitenlandse onderzoeksorganisatie(s):
– een recent uittreksel van de kamer van koophandel, dan wel het equivalent daarvan in het land van vestiging van de buitenlandse organisatie;
– de oprichtingsakte en/of actuele statuten;
– de laatst beschikbare jaarrekening voorzien van een controleverklaring11;
– een door de buitenlandse organisatie ingevulde Verklaring Onderzoeksorganisatie, beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals.
Het is toegestaan om andere relevante documentatie toe te voegen. Tevens kan NWO om aanvullende informatie vragen als bovenstaande documenten niet voldoende uitsluitsel bieden om te bepalen of de organisatie mag optreden als medeaanvrager.
Als de organisatie van de beoogde medeaanvrager binnen een ander NWO programma is getoetst aan deze voorwaarden, neem dan tijdig contact op met NWO via het bovengenoemde e-mailadres om af te stemmen of deze organisatie opnieuw moet worden getoetst.
Indien de hoofdaanvrager de voor de toets op de voorwaarden benodigde stukken niet op tijd aanlevert, kan NWO de betreffende organisatie niet als medeaanvrager accepteren
Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke kosten met betrekking tot onder meer verbruiksgoederen, inkoop van diensten, materialen, kleine instrumenten, toegang tot (inter)nationale faciliteiten, software en onderzoeksmiddelen die na gebruik geen economische waarde meer hebben. Reis- en verblijfkosten (nationaal en internationaal) voor alle mensen die aan het project werken incl. buitenlandse gastonderzoekers, kosten voor de organisatie van (internationale) workshops en symposia, kosten voor datamanagement, publicaties, en kosten in het kader van citizen science vallen eveneens onder deze module. Maximaal 50% van het bij NWO aangevraagde materiele budget kan ingezet worden voor werk door derden (bijvoorbeeld laboratoriumananalyses, dataverzameling enz.).
Reiskosten (nationaal en internationaal) worden alleen vergoed op basis van tweede klasse/economy class tarieven. Voor publicaties gelden de bepalingen in de paragraaf 5.8 Open access. Kosten voor een controleverklaring kunnen alleen worden opgevoerd voor instellingen die niet onderworpen zijn aan het onderwijsaccountantsprotocol van OCW voor maximaal € 5.000 per controleverklaring.
Het is niet toegestaan om kosten op te voeren voor:
– organisatie-infrastructuur en overhead, waaronder een volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR- advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening en thuiswerkvergoeding;
– het gebruik en onderhoud van in eigen beheer ontwikkelde wetenschappelijke infrastructuur.
– reguliere onderwijsactiviteiten;
– leden van de begeleidingscommissie (zie paragraaf 5.1).
Let op: Indien financiering wordt aangevraagd voor bovenstaande project-specifieke kosten van buitenlandse organisaties dienen deze organisaties voor indiening getoetst te worden op de wijze omschreven in paragraaf 7.1.1 Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland.
Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke middelen ten behoeve van onderzoek of kosten met betrekking tot bouw of doorontwikkeling van wetenschappelijke infrastructuur die na afronding van het project economische waarde behouden, dan wel kunnen worden hergebruikt. De begunstigde verwerft na afloop van het project het eigendom over deze onderzoeksmiddelen. Indien de begunstigde winst realiseert uit het economisch eigendom van deze onderzoeksmiddelen, dan moeten deze winsten worden geïnvesteerd in primaire activiteiten van de begunstigde zoals bedoeld in artikel 3.1.4, lid 2, van de NWO Subsidieregeling 2024. Het gaat om de aanschaf van apparatuur met restwaarde voor de uitvoering van onderzoek en om investeringen in de opbouw of (verdere) ontwikkeling van wetenschappelijke infrastructuur. Loonkosten als onderdeel van de investering zijn op te voeren als personele kosten.
Indien apparatuur niet tijdens de volledige levensduur daarvan voor het voorgestelde project wordt gebruikt, komen alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het voorgestelde project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, voor subsidiëring in aanmerking.
De kosten voor investeringen dienen in de aanvraag adequaat gespecificeerd en gemotiveerd te worden.
Subsidiabel zijn:
– kosten voor investeringen in wetenschappelijke apparatuur.
– kosten voor investeringen in datasets.
– loonkosten voor medewerkers met essentiële technische expertise noodzakelijk voor de ontwikkeling of bouw van een investering.
Niet-subsidiabel zijn:
– kosten voor infrastructurele voorzieningen die tot de gebruikelijke infrastructuur gerekend kunnen worden zoals: volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR-advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening, thuiswerkvergoeding).
– dataverzamelingen en eventuele bijbehorende software en bibliografieën die reeds op andere wijze beschikbaar zijn.
– overige personeelskosten, waaronder personeelskosten voor de exploitatie en het uitvoeren van onderzoek met de faciliteit.
– kosten voor onderhoud en gebruik van de apparatuur op een project. De kosten voor het gebruik van apparatuur op een project kunnen via het materieel budget aangevraagd worden.
Het aangevraagde budget dient in de aanvraag adequaat gespecificeerd te worden. Gebruik voor de bepaling van de tarieven de bepalingen van de budgetmodules Personeel (7.1.1) en Materieel (7.1.2).
Impact Plan-benadering
Het is verplicht om bij het opstellen van een aanvraag gebruik te maken van deze module en minimaal 5% tot maximaal 20% van het subsidiebedrag in te zetten voor deze module.
In de projectbegroting staan binnen deze module in ieder geval kosten voor de volgende activiteiten:
– Specifieke activiteiten om kennisbenutting naar (intermediaire) partijen die niet in het project gefinancierd worden, zoals bijvoorbeeld kennisplatforms, te bevorderen. Deze activiteiten omvatten onder andere gezamenlijke leeractiviteiten, trainingen en communicatie-activiteiten.
– Belanghebbenden (‘stakeholders’) betrekken: activiteiten georganiseerd door het consortium gericht op het betrekken van stakeholders, zoals consultatie workshops, expert meetings, ronde tafel bijeenkomsten e.d.
– Communicatie: activiteiten georganiseerd door het consortium zoals (internationale) learning events, ontwikkeling van video’s, blogs, nieuwsbrieven en andere media uitingen. Het inhuren van communicatie expertise kan hier ook onder vallen.
– Ontwikkeling van vaardigheden: Activiteiten gericht op het ontwikkelen van vaardigheden die verder gaan dan de niveaus van de individuele studenten, promovendi of postdocs, zoals het ontwikkelen van cursussen voor stakeholders of masterstudenten.
– Monitoring en evaluatiemomenten waarin kennisbenutting onderwerp van discussie is: zoals bijvoorbeeld de tussentijdse evaluaties en de bijeenkomsten van commissies.
Let op: Indien financiering wordt aangevraagd voor bovenstaande project-specifieke kosten van buitenlandse organisaties dienen deze organisaties voor indiening getoetst te worden op de wijze omschreven in paragraaf 7.1.1 Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland.
De module Projectmanagement geeft de mogelijkheid om een post voor projectmanagement aan te vragen tot maximaal 5% van het subsidiebedrag. De hoofdaanvrager moet deze post adequaat motiveren.
Onder projectmanagement wordt onder andere verstaan het optimaal vormgeven van de organisatiestructuur van het consortium, ondersteuning van het consortium en de hoofdaanvrager, het bewaken van de samenhang, voortgang en eenheid van het project, en de afstemming tussen de deelprojecten binnen het project. Deze taken mogen ook door externe partijen worden uitgevoerd zover niet beschikbaar op de kennisinstelling van de hoofdaanvrager. Onderzoeksorganisaties dienen bij de offerteprocedure tot het selecteren van een derde partij rekening te houden met de inkoopregels van de overheid en waar nodig een Europese aanbestedingsprocedure te volgen. De werkzaamheden van de hoofdaanvrager en aanvragers zelf in het kader van het project(management) mogen niet bekostigd worden uit deze budgetmodule.
Het voor projectmanagement aan te vragen budget kan bestaan uit materiële- of uitvoeringskosten en personele kosten. Voor personele kosten kan een maximaal tarief van € 121,– per uur worden opgevoerd. Het uurtarief van het aan te stellen personeel dient te zijn gebaseerd op een kostendekkend tarief en wordt berekend op basis van het gehanteerde standaard productief aantal uur van de organisatie. Het kostendekkend tarief omvat:
– (gemiddeld) brutoloon behorende bij de functie van de medewerker die zal bijdragen aan het project (op basis van de cao-inschaling van de betreffende medewerker);
– vakantiegeld en 13e maand (indien van toepassing in de geldende cao) naar rato van de inzet in fte;
– sociale lasten;
– pensioenlasten;
– overhead.
Het is toegestaan om taken in het kader van projectmanagement door externe partijen te laten uitvoeren, maar het deel van (commerciële) uurtarieven dat voornoemde tarieven overschrijdt, is niet subsidiabel en kan derhalve niet worden opgenomen in de begroting.
Het tarief op het moment van de besluitdatum is van toepassing. NWO past bij de toekenning zo nodig eenmalig ambtshalve een indexering toe van de loonkosten. Hierbij wordt de datum gehanteerd waarop de tarieven ingaan. Indien de datum van bekendmaking van de tarieven later is dan de ingangsdatum, wordt de datum van bekendmaking gehanteerd. De tarieven van de Universiteiten van Nederland (UNL) gaan doorgaans in op 1 juli, van de Nederlandse Federatie van Universitair medische centra (NFU) op 1 augustus en van de Handleiding Overheidstarieven (HOT) op 1 januari.
Ambtshalve indexering heeft geen invloed op het subsidieplafond en het maximaal aan te vragen subsidiebedrag. Het subsidieplafond en het maximaal aan te vragen subsidiebedrag blijven ongewijzigd tijdens de beoordelingsprocedure. Bij toewijzing wordt indexering toegepast op het subsidiebedrag.
Indien cofinanciering is vereist dan wel toegestaan, heeft de ambtshalve indexering geen gevolgen voor de eisen aan eigen bijdragen en cofinanciering, noch voor de IE-rechten die uit de cofinanciering kunnen voortvloeien.
De hieronder genoemde onderzoeksorganisaties mogen als medeaanvrager optreden in een consortium. De toetsing zoals vermeld in paragraaf 3.1.1 is voor deze organisaties nietnodig.
1. Armauer Hansen Research Institute (AHRI)
2. CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek)
3. IMEC-NL
4. Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV)
5. NLDA – Nederlandse Defensie Academie
6. Stichting Amsterdam Institute for Advanced Metropolitan Solutions (AMS Institute)
7. RIVM – Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
8. Waag Futurelab
9. NIVEL – Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg
10. De instituten van Stichting Wageningen Research
11. TNO – Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek
12. Trimbos-instituut
De brede kennisketen omvat een diversiteit aan publieke kennisinstellingen zoals hogescholen, universiteiten, NWO- en KNAW- instituten, universitair medisch centra en TO2-instituten.
Meer informatie over de verschillende programmalijnen is te vinden via Nationale Wetenschapsagenda | NWO.
Het gaat hier om actoren die een rol spelen en/of verantwoordelijkheid hebben op de aspecten waar naar gekeken wordt in het onderzoek, denk aan (lokaal) beleid, schoolbesturen, docenten, werkgevers, woonsector, inkomensinstanties, kinderopvang, ....
Voor lectoren in dienst van een hogeschool en onderzoekers in dienst van een TO2-instituut geldt dat zij ook als hoofdaanvrager mogen indienen met een bezoldigd dienstverband voor bepaalde tijd.
Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.
Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun. Zie: Verordening – EU – 2023/2831 – NL – EUR-Lex | Europa.eu 11
Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun. Zie: Verordening – EU – 2023/2831 – NL – EUR-Lex | Europa.eu 11
Alle activiteiten die worden aangevraagd onder deze budgetmodule moeten passen binnen de definitie van "Activiteiten inzake kennisoverdracht" die door de Europese Commissie wordt gehanteerd in de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2022, C 414).
Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-31204.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.