Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 januari 2025, nr. 2024-0000939692, tot wijziging van de Subsidieregeling financiële educatie voor onderwijsinstellingen in verband met het toevoegen van een tijdvak voor scholen voor primair onderwijs met een achterstandsscore

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3 en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Subsidieregeling financiële educatie voor onderwijsinstellingen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:

leerkracht:

degene die bevoegd is om schoolonderwijs te geven als bedoeld in artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs respectievelijk artikel 3 van de Wet op de expertisecentra;

po-school:

uit ’s Rijks kas bekostigde basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs of een school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;

verletkosten:

loonkosten voor gemiste lesuren als gevolg van deelname aan een opleiding als bedoeld onder artikel 7, eerste lid, onderdelen a en e;.

2. De begripsomschrijving van ‘bevoegd gezag’ wordt vervangen door ‘bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs voor mbo-instellingen, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs’.

3. De begripsbepaling van ‘de minister’ komt te luiden:

minister:

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;.

4. De begripsomschrijving van ‘onderwijslocatie’ wordt vervangen door ‘de plek (vestiging) waar het onderwijs wordt aangeboden of verzorgd’.

5. In de begripsomschrijving van ‘onderwijsondersteunend personeelslid’ wordt na ‘artikel 7.2, derde lid van de Wet voortgezet onderwijs 2020’ ingevoegd ‘of artikel 3a van de Wet op het primair onderwijs’.

6. In de begripsomschrijving van ‘subsidieaanvrager’ wordt ‘of een vo-instelling’ vervangen door ‘, vo-instelling of po-school’.

7. In de begripsomschrijvingen van ‘vo’ en ‘vo-instelling’ wordt ‘WVO 2020’ telkens vervangen door ‘Wet voortgezet onderwijs 2020’ en wordt ‘WEC’ vervangen door ‘Wet op de expertisecentra’.

B

In artikel 4 worden, onder vernummering van het vijfde lid tot het zevende lid, twee leden ingevoegd, luidende:

  • 5. Het subsidieplafond bedraagt € 11.200.000 voor aanvragen gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, derde lid.

  • 6. De subsidie bedraagt minimaal € 75.000 en maximaal € 200.000 per aanvraag gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, derde lid.

C

Aan artikel 5 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Een subsidieaanvraag wordt door een po-school ingediend van 4 maart 2025, 09.00 uur, tot en met 31 maart 2025, 17.00 uur.

D

In artikel 6 wordt, onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Activiteiten voor een project binnen een po-school in het kader van deze regeling vinden plaats in de periode van 1 april 2025 tot en met 7 juli 2028.

E

Aan artikel 7, eerste lid, worden onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, drie onderdelen toegevoegd, luidende:

  • e. het volgen van een door de minister goedgekeurde bij- of nascholingsopleiding die tot doel heeft het aanbieden of integreren van financiële educatie in bestaande leergebieden en vakken, door leerkrachten en medewerkers die zorg dragen voor inbedding van financiële educatie in het onderwijs op de po-school;

  • f. het aannemen of vrijstellen van medewerkers binnen de po-school die zorg dragen voor inbedding van financiële educatie in het onderwijs op die school;

  • g. het ondersteunen van ouders of verzorgers bij de financiële opvoeding van hun kinderen.

F

Artikel 8, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘artikel 7, eerste lid, onderdeel a’ vervangen door ‘artikel 7, eerste lid, onderdelen a en e’.

2. Onderdelen b en c komen te luiden:

  • b. verletkosten van de docenten van mbo-instellingen en vo-instellingen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, tegen een vast tarief van € 75,– per uur en van de leerkrachten en medewerkers van een po-school, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel e, tegen een vast tarief van € 50,–;.

  • c. kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen b, c en d, tegen een vast tarief van € 75,– per uur en voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen f en g, tegen een vast tarief van € 50,– per uur;.

3. In onderdeel d wordt ‘artikel 7, eerste lid, onderdelen b, c en d’ vervangen door ‘artikel 7, eerste lid, onderdelen b, c, d, f en g’.

G

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ‘De subsidieaanvraag’ ingevoegd ‘door een mbo-instelling of vo-instelling’.

2. Onder vernummering van het tweede tot en met negende lid tot het vierde tot en met elfde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. De subsidieaanvraag door een po-school heeft betrekking op activiteiten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel e, f en g.

  • 3. De subsidieaanvraag voor een po-school kan worden ingediend door een po-school:

    • a. waarbij voor het jaar 2024 de uitkomst van de formule A – B, bedoeld in artikel 18, derde lid, van het Besluit bekostiging WPO 2022 meer is dan 0; en

    • b. die niet ligt in een gemeente die deelneemt aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid als bedoeld in de Regeling kansarme wijk.

3. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘of vo-instelling’ vervangen door ‘, vo-instelling of po-school’.

4. In het vijfde lid (nieuw) wordt na ‘mbo-instellingen’ ingevoegd ‘of po-scholen’.

5. Het zevende lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel c wordt ‘of vo-instelling’ vervangen door ‘, vo-instelling of po-school’.

b. In onderdeel d wordt ‘of vo-instelling’ vervangen door ‘, vo-instelling of po-school’ en wordt de punt aan het slot van onderdeel d vervangen door een puntkomma.

c. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • e. een machtiging van de tekenbevoegde namens het bevoegd gezag, indien aanvraag is gedaan door een po-school.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel

TOELICHTING

1. Inleiding

Met deze wijziging van de Subsidieregeling financiële educatie onderwijsinstellingen (hierna ook: de Subsidieregeling financiële educatie) kunnen ook onderwijsinstellingen in het primair onderwijs subsidie aanvragen voor financiële educatie. Het doel van de wijziging is om aandacht te bevorderen voor financiële educatie binnen het primair onderwijs. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) draagt aan dit doel bij door scholen financieel in staat te stellen om een aantal activiteiten daartoe te ontplooien.

2. Achtergrond

In de vorige kabinetsperiode is de Subsidieregeling financiële educatie onder de ‘Aanpak geldzorgen, armoede en schulden (GAS)’ ingezet. Het bevorderen van verantwoord financieel gedrag door middel van financiële educatie aan kinderen en jongeren is onderdeel van de beleidsinzet om geldzorgen te voorkomen. Hieraan is invulling gegeven door in september 2023 een eerste tijdvak van de subsidieregeling voor financiële educatie op scholen op te zetten. Dit eerste tijdvak richtte zich op het bevorderen van financiële educatie op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). In april 2024 is het tweede tijdvak geopend gericht op financiële educatie in het voortgezet onderwijs (vo).

Het hoge aantal aanvragen bij de eerste twee tijdvakken gericht op respectievelijk het mbo en vo, laat zien dat er vraag is naar financiële educatie in het onderwijs. Alle volledige aanvragen zijn dankzij een ophoging van het subsidieplafond voor het mbo gehonoreerd. De beschikbare middelen voor het eerste tijdvak waren daarmee toereikend om in de behoefte onder mbo-instellingen te voorzien met een wens om te investeren in financiële educatie. In het tweede tijdvak zijn wederom nagenoeg alle beschikbare middelen benut.

In de Kamerbrief over de Aanpak GAS d.d. 8 juni 20231 is de volgende toezegging gedaan:

'Gezien de omvang van het onderwijsveld en de behoefte aan financiële educatie bij zowel studenten, docenten en professionals starten we in 2023 met openstelling van de regeling voor het mbo. Vanaf 2024 kunnen ook het po en vo een subsidie aanvragen.'

3. Doel

Dit derde tijdvak van de subsidieregeling is gericht op het bevorderen van financiële educatie in het primair onderwijs (po). Het is van groot belang dat kinderen al op een jonge leeftijd leren omgaan met geld zodat zij voorbereid zijn op een zelfstandig maatschappelijk leven. Het aanleren van competenties, vaardigheden en kennis om gezonde financiële keuzes te maken is voor leerlingen cruciaal om geldzorgen te voorkomen.

Het is niet vanzelfsprekendheid dat alle kinderen en jongeren financiële vaardigheden vanuit huis meekrijgen. Niet alle ouders zijn in staat om kinderen hier de juiste basis in mee te geven. Om te zorgen dat iedereen kan meedoen is het daarom belangrijk om kinderen, ongeacht de situatie waarin zij opgroeien, een basis mee te geven over hoe om te gaan met geld.

4. Scope van het derde tijdvak: het primair onderwijs

Gezien de omvang van het aantal scholen binnen het primair onderwijs richt dit derde tijdvak zich uitsluitend op het po. Met deze wijzigingsregeling worden daarom een aantal artikelen van de Subsidieregeling financiële educatie uitgebreid met po-scholen, wordt voor dit tijdvak onder meer een subsidieplafond opgenomen (artikel 4, derde lid) en wordt het tijdvak vastgelegd waarbinnen de activiteiten plaats moeten vinden (artikel 6, tweede lid). Onder deze doelgroep vallen ook scholen binnen het speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs.

Waarom financiële educatie in het po?

Kinderen ontwikkelen al op jonge leeftijd gewoontes en attitudes ten aanzien van geld. Door hen te onderwijzen over de functie van geld, snappen zij bijvoorbeeld dat het belangrijk is om je bankpas veilig op te bergen, hoe zakgeld werkt en waarom sparen belangrijk is. Dit bevordert positieve financiële gewoontes die een basis leggen voor hun verdere leven. Volgens onderzoek van het Nibud en Wijzer in geldzaken naar effectieve manieren om verantwoord financieel gedrag te bevorderen, is het o.a. van belang om een doorlopende leerlijn over financiële educatie aan te bieden.2 Met deze uitbreiding van de regeling worden middelen beschikbaar gesteld om in het po een goede basis te leggen.

Daarnaast geeft het onderzoek aan dat het van belang is om aan te sluiten op de belevingswereld van kinderen en bij situaties in het echte leven die op dat moment spelen. Wanneer specifieke onderwerpen worden behandeld en die meteen in de praktijk kunnen worden gebracht, neemt de effectiviteit toe. Leerlingen in het basisonderwijs krijgen in de bovenbouw vaak beschikking over eigen geld door zakgeld en het ontvangen van een eigen bankpas. Met financiële educatie komt er structurele aandacht voor zaken als de waarde van geld en producten, het omgaan met financiële verleidingen, kennis over wat reclame is en hoe je dit kunt herkennen. Het begrijpen van deze concepten helpt kinderen later beter om te gaan met meer complexe financiële producten en diensten.

Het is belangrijk dat elk kind in zijn of haar schoolloopbaan met financiële educatie in aanraking komt. Financiële educatie is bewezen effectief, zolang het thema onder andere is ingebed binnen het lesprogramma en vaker terugkomt. Met deze uitbreiding in het po worden scholen gestimuleerd om financiële educatie in te bedden en komt het gedurende de schoolperiode meerdere keren terug.

Belang van financiële educatie in het po

• Financiële educatie is een effectieve interventie, mits op de juiste manier aangepakt: dit betekent een structurele aanpak waarbij financiële vaardigheden gedurende de hele schoolloopbaan aan de orde komen, en op verschillende momenten per jaar.

• Het belang van beginnen met financiële educatie in het po is groot: hier leren kinderen wat de waarde van geld is (o.a. weten wat de functie van geld is; snappen waarom het belangrijk is geld/pinpas veilig op te bergen; herkennen de verschillende euromunten en eurobiljetten;), weten hoe ze verantwoord geld kunnen besteden (o.a. wat spullen kosten; dat je geld maar 1 keer kunt uitgeven), voorbereid zijn op (on)voorziene gebeurtenissen (o.a. sparen). Het Nibud heeft de competenties uitgewerkt naar leerdoelen passend bij de leeftijd van kinderen vanaf het 6de levensjaar.

• Er liggen vele onderzoeken die het belang en de urgentie van financiële educatie in het onderwijs (ook in het po) onderstrepen. Veel ouders zijn namelijk niet in staat deze kennis, competenties en vaardigheden aan hun kinderen mee te geven.

• De inzet van SZW op financiële educatie, vanaf jonge leeftijd, is daarom een van de kernactiviteiten binnen de preventie van armoede en schulden.

Ten opzichte van de regeling voor het mbo en vo is het nog belangrijker om ouders te betrekken bij financiële educatie van kinderen. Financiële educatie is immers geen eigenstandige verantwoordelijkheid van het onderwijs, maar een gedeelde opgave met de thuisomgeving.

Afbakening scholen binnen het po

De druk op het basisonderwijs is hoog: scholen worden overvraagd, kampen met personeelstekorten en leerprestaties nemen af. Het kabinet legt daarom een focus op het bevorderen van basisvaardigheden in het onderwijs en is daarom terughoudend met het openstellen van subsidieregelingen die extra belasting betekenen voor scholen. Tegelijkertijd is de urgentie om aandacht voor financiële educatie in het (basis)onderwijs te bevorderen hoog. In afstemming met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) is om die reden besloten de regeling in dit tijdvak niet generiek voor alle scholen in het primair onderwijs open te stellen, maar enkel voor een selectie van scholen binnen het primair onderwijs (voor scholen met een onderwijsachterstandsscore met drempel). De verwachting is dat met de beschikbare middelen de meeste impact gemaakt kan worden op po-scholen met relatief veel leerlingen met een risico op een onderwijsachterstand. Een bijkomend voordeel van focus op deze groep kan zijn dat de inzet kan bijdragen aan het terugdringen van generatiearmoede.

Voor het bepalen van de doelgroep voor dit tijdvak wordt gebruik gemaakt van de onderwijsachterstandsscore die het CBS jaarlijks berekend en openbaar maakt op grond van artikel 18 van het Besluit bekostiging WPO 2022. Het CBS berekent ieder jaar per leerling een onderwijsscore die het risico op een onderwijsachterstand weergeeft. Deze score wordt berekend op basis van diverse omgevingskenmerken. Nadat de onderwijsscores voor alle kinderen zijn bepaald worden deze met de formule in artikel 18, derde lid, van het Besluit bekostiging WPO 2022 geaggregeerd naar een achterstandsscore per school. In de formule staat een grenswaarde waaronder onderwijsscores moeten vallen om mee te tellen op schoolniveau.

Namelijk de waarde die hoort bij het 15de percentiel van alle onderwijsscores. De achterstandsscore van een school wordt berekend door voor de leerlingen waarvan de onderwijsscore onder de grenswaarde valt, het verschil tussen de onderwijsscore en de landelijk gemiddelde onderwijsscore te berekenen en deze uitkomsten bij elkaar op te tellen. Vervolgens wordt op deze som een drempelwaarde in mindering gebracht die afhankelijk is van het aantal leerlingen op een school. De resulterende score is de achterstandsscore met drempel. Door het werken met drempel kan versnippering van budget worden tegengaan.

Alle po-scholen die vallen binnen de gebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) zijn uitgezonderd van dit tijdvak. Dit vanwege onder andere het risico op dubbelfinanciering. De inzet is dat deze scholen later in 2025 via de SPUK kansrijke wijk een voorstel kunnen indienen voor inzet op financiële educatie. De subsidie aan deze scholen wordt verleend onder voorwaarde dat de begrotingswetgever voldoende middelen ter beschikking stelt. De komende periode wordt dit verder uitgewerkt.

Op Externe link: www.uitvoeringvanbeleidszw.nl kunnen po-scholen nagaan of ze in aanmerking komen voor dit tijdvak.

5. Definitie financiële educatie

Voor de definitie van financiële educatie wordt dezelfde definitie als voor het eerste en tweede tijdvak gehanteerd. Financiële educatie heeft alles te maken met financiële geletterdheid.

Financiële geletterdheid wordt beschreven als de kennis van financiële begrippen en producten, maar ook de vaardigheid om deze kennis toe te passen om financiële beslissingen te nemen. Financiële geletterdheid heeft vier componenten:

  • * 1. kennis en begrip van financiën;

  • * 2. attitude (houding) ten opzichte van geld en geldzaken;

  • * 3. geloof in eigen kunnen in geldzaken en

  • * 4. bewust en onbewust financieel gedrag.

Financiële educatie is het onderwijzen van deze vier componenten3, ofwel, alle activiteiten die erop gericht zijn om de financiële competenties waaronder vaardigheden van leerlingen te vergroten. Hieronder vallen onderwijsactiviteiten binnen en buiten school. Dat kunnen vaklessen zijn, maar ook (vakoverstijgende) projecten, cursussen met ouders of workshops met bijvoorbeeld de (lokale) schuldhulpverlening.

Voor een uitgebreidere toelichting op ‘effectieve financiële educatie’ wordt verwezen naar het rapport ‘Effectieve manieren om verantwoord gezond gedrag te bevorderen’ van het Nibud en Wijzer in geldzaken en naar de website van Wijzer in geldzaken.4

Met de subsidie kunnen onderwijsactiviteiten worden gemaakt ter invulling van de verplichte kerndoelen (onderbouw po) en eindtermen (bovenbouw po). Deze zijn te vinden op Externe link: leerplaninbeeld.slo.nl. De subsidie kan dus worden gebruikt voor een concrete invulling van het landelijk curriculum, toegespitst op de leerlingenpopulatie, en dus ook ter vervanging of nadere invulling van bestaande lessen. Ook kunnen onderwijsactiviteiten worden georganiseerd op basis van een uitgebreide omschrijving van financiële educatie. Dit gaat verder dan het minimaal landelijk verplicht curriculum.

Zo heeft het Nibud in oktober 2023 de aanvullende leerdoelen en competenties voor financiële educatie geactualiseerd. Hierin worden de kernconcepten voor financiële educatie per leeftijdsfase en onderwijsniveau in concrete leerdoelen en competenties uitgewerkt. Deze nieuwe leerdoelen en competenties worden voor de definitie van financiële educatie als leidraad gebruikt.5

6. Invulling van de regeling

De subsidiabele activiteiten

Voor de volgende activiteiten kan dit tijdvak een po-school een subsidie aanvragen (artikel 7, eerste lid):

  • e) het volgen van een door de minister goedgekeurde bij- of nascholingsopleiding die tot doel heeft het aanbieden ofwel het integreren van financiële educatie in bestaande leergebieden/vakken. De opleiding kan worden gevolgd door leerkrachten en door medewerkers die zorg dragen voor inbedding van financiële educatie in het onderwijs op de desbetreffende po-instelling;

  • f) het aannemen en vrijstellen van medewerkers binnen po-scholen, die zorg dragen voor inbedding van financiële educatie in het onderwijs op de desbetreffende po-school;

  • g) Het ondersteunen van ouders of verzorgers bij de financiële opvoeding van hun kinderen, bijvoorbeeld door het organiseren van bijeenkomsten voor ouders of verzorgers met financiële opvoedvragen.

De subsidiabele activiteiten komen nagenoeg overeen met de activiteiten in het eerste en tweede tijdvak. Bij alle activiteiten is de rol van de ouders benadrukt. Voor activiteit E geldt het volgen van een training voor zowel leerkrachten als voor medewerkers die zorg dragen voor inbedding binnen het lesprogramma.

De medewerker kan een opleiding volgen om meer kennis te vergaren over het belang van financiële educatie in het po, inhoudelijke kennis over financiële educatie en hoe je dit structureel in kunt bedden in het onderwijs. Anders dan in de eerste twee tijdvakken voor het mbo en vo is er op advies van scholen voor gekozen om ook online aanbod mogelijk te maken. Voor leraren in het po is het volgen van een fysieke opleiding vaak niet haalbaar.

Bij activiteit F gaat het om een medewerker op school die zowel intern als extern ingehuurd kan worden voor het uitvoeren van deze activiteit en de bijbehorende taken. Denk hierbij aan een leerkracht, coördinator, ondersteunend personeelslid of projectleider die verantwoordelijk is voor de inbedding van financiële educatie op de betreffende school. Taken die deze medewerker met betrekking tot deze activiteit kan doen zijn bijvoorbeeld: een plan van aanpak opstellen waarbij onderwijsactiviteiten worden ontwikkeld gericht op leerlingen; het werven van leerkrachten voor de trainingen onder activiteit E.

In vergelijking met de eerste twee tijdvakken voor het mbo en vo, spelen ouders een nog grotere rol bij de financiële opvoeding van hun kinderen. Uit onderzoek6 is bekend dat het betrekken van ouders belangrijk is bij het leren omgaan met geld. Echter, ouders weten vaak niet hoe ze dat moeten doen, of ze vinden dat ze er te weinig tijd aan besteden. Dat het ondersteunen van ouders en verzorgers bij de financiële educatie van kinderen van cruciaal belang is, is ook gebleken uit de verschillende gesprekken met betrokken partijen zoals verschillende scholen. Daarnaast geven ouders aan behoefte te hebben aan voorbeelden en ervaringen van anderen als het gaat om financiële opvoeding. Activiteit G is daarom toegevoegd: het ondersteunen van ouders of verzorgers bij de financiële opvoeding van hun kinderen. Denk hierbij aan ouderavonden en onderwijsactiviteiten gericht op leerlingen en hun ouders/verzorgers.

Juist omdat het ondersteunen van ouders en verzorgers bij de financiële opvoeding van hun kinderen in het po van (extra) belang is, is er besloten om naast de eerste twee activiteiten, onderdeel G ook verplicht te stellen. Daarnaast mocht bij de eerste twee tijdvakken de derde activiteit maximaal 25% van het totale subsidiebedrag zijn. Dit maximum is bij het huidige tijdvak niet meer aan de orde en daarmee zijn po-scholen geheel vrij hoe ze de verdeling maken tussen de drie activiteiten (E, F en G). Dit in tegenstelling tot de eerste twee tijdvakken waarin de derde activiteit optioneel was. Hiermee zijn alle drie de activiteiten E, F en G verplicht onderdeel van de aanvraag.

Uit verkennende gesprekken voor deze regeling in het po is gebleken dat, gezien de jonge leeftijd van leerlingen in het po, er weinig tot geen belangstelling was voor het aanbieden van persoonlijke financiële begeleiding, zoals omschreven in activiteit D in de regeling voor het vo. Om die reden is persoonlijke financiële begeleiding geen onderdeel van de subsidiabele activiteiten voor het po.

Voor het opleiden van leerkrachten en medewerkers wordt een tweetal kosten gemaakt. Namelijk, kosten voor de opleiding die de leerkrachten/medewerkers zullen volgen en de verletkosten van de leerkrachten/medewerkers tijdens de opleidingsuren indien deze uren ten kosten gaan van de dagelijkse werkzaamheden. De tweede component wordt enkel toegepast als de leerkrachten de opleiding volgen tijdens de lesuren en niet tijdens de vaste studiedagen of zogenoemde docentdagen, omdat verletkosten enkel ontstaan bij gemiste lesuren. De scholen worden overigens niet verplicht om de opleiding op de vaste studiedagen of docentdagen in te plannen.

Niet subsidiabele activiteiten en kosten

Activiteiten die niet binnen de scope van deze subsidieregeling vallen zijn: het inkopen van gastlessen die door een externe partij worden gegeven aan leerlingen; het ontwikkelen van nieuw lesmateriaal voor leerkrachten (trainingen dienen te worden gekozen uit het aanbod dat op Externe link: www.geldlessen.nl wordt geplaatst, zoals geregeld in artikel 7, vierde lid, van de Subsidieregeling financiële educatie) en de aanschaf van lesmateriaal dat niet onderdeel is van een training (les- of werkboeken die gebruikt worden tijdens een training aan leerkrachten/medewerkers zijn wél subsidiabel). Kosten, niet zijnde loonkosten voor gemiste lesuren als gevolg van deelname aan een opleiding zijn niet subsidiabel. Hieronder valt in ieder geval kosten van de uren voor voorbereiding, reizen en zelfstudie.

De regeling als aanvulling op bestaande activiteiten en samenwerking met gemeente(n)

Veel scholen voeren zelf al activiteiten uit op het gebied van financiële educatie al dan niet in samenwerking met lokale gemeenten en/of andere partijen zoals deelname aan de 'Week van het geld' en het verzorgen van gastlessen aan leerlingen op school over het leren omgaan met geld. Dit zijn mooie initiatieven die het Ministerie van SZW toejuicht. Deze regeling is nadrukkelijk een aanvulling op deze bestaande activiteiten. Deze regeling is bedoeld als stimulans voor scholen die nog beperkte activiteiten hebben op het gebied van financiële educatie om hen te motiveren deze ambitie naar een hoger niveau te tillen. Het is dus niet de bedoeling reeds bestaande activiteiten die nu op een andere manier gefinancierd worden door middel van de voorliggende subsidieregeling te financieren. Artikel 13, onderdeel b, van de Subsidieregeling financiële educatie schrijft voor dat een aanvraag wordt afgewezen voor zover deze uit andere middelen worden gefinancierd.

Expertisepunt financiële educatie

Net zoals voor het mbo en het vo, zal Wijzer in geldzaken de rol vervullen van ‘Expertisepunt Financiële Educatie’ (hierna het Expertisepunt). Scholen van het primair onderwijs, leerkrachten en aanbieders van opleidingen/trainingen kunnen hier terecht voor een actueel overzicht van trainingsaanbod, informatie, advies en het uitwisselen van kennis over effectieve financiële educatie (zie Externe link:www.geldlessen.nl). Scholen hoeven het wiel dus niet zelf opnieuw uit te vinden, maar kunnen altijd terecht bij het Expertisepunt met hun vragen.

Het Expertisepunt en het Ministerie van SZW zullen de ontwikkeling van trainings- en scholingsaanbod door (markt)partijen aanjagen door actieve communicatie over deze subsidieregeling en de vraag die dit zal creëren. Het Expertisepunt zal het beschikbare aanbod toetsen aan vooraf gestelde kwaliteitscriteria die onder andere belangrijk zijn als het gaat om het aanbieden van effectieve financiële educatie (gebaseerd op onderzoek), en het Ministerie van SZW adviseren over geschiktheid van het aanbod voor publicatie op Externe link: geldlessen.nl. Scholen kiezen zelf van welke opleiding(en) ze gebruik willen maken. Het Expertisepunt en het Ministerie van SZW bepalen niet welke opleiding de scholen moeten volgen.

De ontwikkeling van aanbod of onderwijsactiviteiten door andere (markt)partijen dan de school is niet subsidiabel en geen onderdeel van deze subsidieregeling.

Aanvraagtijdvak

In de periode van 4 maart 2025, 09.00 uur tot en met 31 maart 2025, 17.00 uur kunnen po-scholen een aanvraag indienen via Externe link:www.uitvoeringvanbeleidszw.nl. De subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van ontvangst, waarbij alleen volledige subsidieaanvragen in behandeling worden genomen (artikel 12). Uitvoering Van Beleid (UVB) voert deze regeling uit.

Via gerichte en uitgebreide communicatie richting po-scholen en andere betrokkenen in de periode voorafgaand aan de openstelling van het tijdvak, zorgt het Ministerie van SZW ervoor dat de regeling bekend is, en dat po-scholen zich hierop kunnen voorbereiden. Onderdeel van deze communicatie zijn onder meer meerdere digitale bijeenkomsten op verschillende dagen/tijdstippen waar po-scholen terecht kunnen met vragen. Daarnaast is op Externe link: www.geldlessen.nl alle informatie, ten aanzien van deze regeling, op een toegankelijke en overzichtelijke wijze te vinden.

Subsidieplafond en projectperiode

Het subsidieplafond voor dit tijdvak is € 11.2 miljoen. Po-scholen, waarvan de aanvraag is goedgekeurd, hebben 36 maanden om het project uit te voeren. De looptijd van de gehonoreerde projecten is dus maximaal drie schooljaren: 2025–2026, 2026–2027 en 2027–2028 (uiterlijk 7 juli 2028).

De aanvraag

Voor po-scholen die een aanvraag indienen, is het aanvraagproces zo eenvoudig mogelijk ingericht, zodat de administratieve last zo laag mogelijk is. Stukken die onderdeel zijn van de aanvraag zijn in ieder geval een activiteitenplan en een bijbehorende begroting. Indien van toepassing ook een machtigingsformulier. Een meer gedetailleerde beschrijving en uitvoering van de opgevoerde activiteiten kunnen in de loop van de projectperiode worden uitgewerkt en hoeven dus voor het aanvraagproces niet in detail te zijn uitgewerkt. Voor de aanvraag zijn formats beschikbaar op Externe link:www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

De subsidieaanvrager

De aanvraag wordt ingediend door het bevoegd gezag (vijf cijferig nummer). Het bevoegd gezag mag maximaal één aanvraag indienen. Onder een bevoegd gezag kunnen meerdere po-scholen vallen. Een school kan bestaan uit meerdere vestigingen (hoofdvestiging en nevenvestigingen). Elke school heeft een unieke instellingscode (bestaande uit 2 cijfers en 2 letters). Elke schoolvestiging heeft een unieke vestigingscode dat bestaat uit twee cijfers, twee letters en dan weer twee cijfers. Als meerdere scholen, die vallen onder hetzelfde bevoegd gezag, een aanvraag willen indienen, dienen deze scholen één gezamenlijke aanvraag in via het bevoegd gezag.

De aanvraag kan ook worden gedaan door een medewerker van een school die onder het bevoegd gezag valt. De medewerker moet in dat geval door het bevoegd gezag gemandateerd zijn om dat te doen. In dat geval moet er bij de aanvraag een machtigingsformulier worden ingediend. Let op, de medewerker dient 1 aanvraag in namens het bevoegd gezag, voor alle scholen die onder het bevoegd gezag vallen en waar subsidie voor wordt aangevraagd.

Subsidiebedrag per aanvrager

Per aanvraag kan minimaal € 75.000,– tot maximaal € 200.000,– subsidie worden aangevraagd. Dit biedt zowel kleinere als omvangrijke po-scholen de mogelijkheid een passende aanvraag in te dienen. Hiermee wordt bedoeld dat het aan de scholen zelf is om te bepalen hoeveel leerkrachten zij willen opleiden, maar ook dat er ongeacht de grootte van een school of bevoegd gezag ruimte is om voor kleinschalige of juist ambitieuze projecten een aanvraag in te dienen. Het maximale aan te vragen subsidiebedrag is voor po-scholen lager dan voor vo-instellingen gezien het feit dat po-scholen over het algemeen kleiner zijn in omvang dan vo-instellingen.

Bevoorschotting

Gezien de lange looptijd van de subsidie in combinatie met de vrijheid die de po-scholen krijgen om de subsidie voor hen passende ritme in te zetten, is ervoor gekozen om 80% van de subsidie bij bevoorschotting uit te keren. Om het risico van terugvordering zo klein mogelijk te maken wordt 20% van de subsidie achteraf na de eindverantwoording uitgekeerd.

Tussentijdse rapportages en eindverantwoording

UVB toetst bij de vaststelling van de subsidie de realisatie van de activiteiten en de kosten.

De aanvragers leveren halverwege de projectperiode van drie jaar een voortgangsrapportage aan bij UVB. Dit in afwijking op de in de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS gestelde 12 maanden. UVB zet dit middel in om de projecten te monitoren en eventuele aandachtspunten terug te koppelen naar de po-scholen. Enerzijds geeft dit een beeld van hoe de projecten er landelijk gezien voorstaan; anderzijds is dit moment bedoeld om bij te sturen en te helpen om het risico op terugvorderen van subsidiegeld te voorkomen.

7. Toepassing Caribisch Nederland

Bij het uitbreiden van deze subsidieregeling voor het po is ook nagedacht over de toepasbaarheid voor Caribisch Nederland (CN). Het is belangrijk dat er ook in CN aandacht is voor financiële educatie in het onderwijs. We werken samen met de eilanden een vorm van inzet uit die past bij de schaalgrootte, kenmerken en specifieke behoeften van de eilanden en niet zorgt voor onnodige administratieve belasting. Hiervoor worden middelen beschikbaar gesteld. Dat betekent dat CN niet in dit tijdvak van de subsidieregeling meedoet.

8. Advies en consultatie

Bij het opzetten van het derde tijdvak van de subsidieregeling financiële educatie is gesproken met verschillende partijen en personen die expertise, passie en/of affiniteit hebben met financiële educatie binnen het po. Verschillende scholen gaven aan dat een regeling voor het po voorziet in een behoefte. Tijdens de docentendag van Wijzer in geldzaken op 10 juni 2024 is eveneens input opgehaald met betrekking tot de invulling van het derde tijdvak. Daarnaast is er een panelonderzoek uitgevoerd via het lerarenpanel van het Ministerie van OCW. Aan dit panelonderzoek hebben 15 leraren deelgenomen. Hieruit is gebleken dat het belang voor financiële educatie in het po niet altijd helder is. Het signaal dat leraren in het po een hoge werkdruk ervaren wordt ook bevestigd in de resultaten van dit onderzoek en de belangstelling voor financiële educatie lijkt op basis van dat onderzoek minder dan in het mbo en vo.

Scholen die de toegevoegde waarde van een regeling onderstrepen geven aan dat het belangrijk is om in de vormgeving van de regeling rekening te houden met de hoge werkdruk die leraren ervaren in het po en beperkte tijd die ze hebben om trainingen te kunnen volgen. De behoefte aan zo concreet en praktisch mogelijk ingerichte trainingen wordt door Wijzer in geldzaken meegenomen in de criteria voor het trainingsaanbod.

Op basis van de gesprekken met het onderwijs is besloten om de subsidiabele activiteit die gaat over het betrekken van ouders/verzorgers bij de financiële educatie, een verplicht onderdeel te laten zijn van de aanvraag. Daarnaast is besloten om het onderdeel, uit de regeling van financiële educatie vo, over persoonlijke financiële begeleiding uit de regeling voor het po te schrappen. Dit naar aanleiding van meerdere gesprekken in het veld met de terugkoppeling dat hier weinig tot geen animo voor is.

Verder is de wens geuit om Wijzer in geldzaken als expertisepunt te laten adviseren aan scholen over de vormgeving en invulling van de rol als coördinator. Deze ondersteuning wordt geboden, ook in de vorm van leernetwerken.

Ten slotte is een deel van de eerdergenoemde betrokkenen gevraagd feedback te leveren op de conceptregeling. Dit heeft geen fundamentele wijzigingen opgeleverd.

9. Staatssteun

Deze regeling is getoetst op staatssteunaspecten. De regeling richt zich op Rijksbekostigde po-scholen. Hier zijn geen bijzonderheden uit voortgekomen.

Voor de definitie van po-school in het kader van deze subsidieregeling wordt verwezen naar artikel 1 van de Wet Primair Onderwijs7 en artikel 1 van de Wet op expertisecentra8. Dit betekent dat alleen publiek gefinancierde scholen voor de subsidie in aanmerking kunnen komen. Deze po-scholen hebben niet de bedoeling werkzaamheden tegen vergoeding te verrichten, maar vervullen louter hun sociale, culturele en opvoedkundige taak jegens de bevolking.

Met andere woorden: zij bieden geen goederen of diensten aan op een markt en kwalificeren daarom niet als onderneming. Daarom is er geen sprake van staatssteun door het met rijksmiddelen bekostigen van de subsidiabele activiteiten op basis van deze subsidieregeling.

10. Uitvoering, misbruik, oneigenlijk gebruik en handhaving

Po-scholen kunnen subsidie aanvragen in de periode van 4 maart 2025, 09.00 uur tot en met 31 maart 2025, 17.00 uur. De subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van ontvangst, waarbij alleen volledige subsidieaanvragen in behandeling worden genomen (artikel 12).

Voor dit tijdvak is net als de eerste twee tijdvakken een toets ‘Uitvoering en Misbruik & Oneigenlijk gebruik’ (hierna UMO-toets) uitgevoerd door UVB.

De UMO-toets is uitgevoerd op de wijzigingen die betrekking hebben op het tijdvak voor het po. Uit de UMO-toets blijkt dat UVB afdoende maatregelen inzet om risico’s te verkleinen. Restrisico’s zijn aanvaardbaar en de regeling is uitvoerbaar.

11. Monitoring & evaluatie

De Subsidieregeling financiële educatie wordt uiterlijk in 2029 onder andere op doeltreffendheid en doelmatigheid geëvalueerd.

12. Financiële gevolgen

In totaal is € 11.2 miljoen beschikbaar in 2025. Het aan te vragen subsidiebedrag per subsidieaanvrager bedraagt tussen de € 75.000,– en € 200.000,–.

13. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Daarmee wordt afgeweken van het kabinetsbeleid van vaste verandermomenten voor regelgeving, zoals neergelegd in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. De reden daarvoor is dat het wenselijk is om het tijdvak van begin maart tot eind maart 2025 open te stellen, zodat ruim voor de zomervakantieperiode uitsluitsel kan worden geven over deelname aan de regeling. Deze wijzigingsregeling treedt zo snel mogelijk na publicatie in werking om scholen zoveel mogelijk voorbereidingstijd te geven.

De Subsidieregeling financiële educatie vervalt op 17 oktober 2026, op grond van artikel 15 van die regeling. Die datum sloot aan op de projectperiode van het eerste tijdvak. Deze vervaldatum wordt aangepast, zodat de regeling van kracht blijft tot in elk geval ook de projectperiode van het derde tijdvak is afgerond. Dat gebeurt met een aparte wijzigingsregeling, die samenhangt met artikel 4:10, zevende lid, van de Comptabiliteitswet 2016. Daarin is bepaald dat het wijzigen van een vervaldatum in een subsidieregeling moet worden voorgehangen bij de Tweede Kamer. Dat houdt in dat de Tweede Kamer gedurende vier weken wensen en bedenkingen kenbaar kan maken bij het voorstel. Om de onderhavige wijzigingsregeling geen vertraging op te laten lopen, is ervoor gekozen de wijziging van artikel 15 apart te regelen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel


X Noot
2

Nibud en Wijzer in Geldzaken (2017). Effectieve manieren om financieel verantwoord gedrag te bevorderen.

X Noot
3

Aisa Amagir (2020): 'You can’t just spend all the money you have'. Financial literacy education among young students in the Netherlands

X Noot
4

Nibud en Wijzer in Geldzaken (2017). Effectieve manieren om financieel verantwoord gedrag te bevorderen.

X Noot
6

Nibud en Wijzer in Geldzaken (2017). Effectieve manieren om financieel verantwoord gedrag te bevorderen.

Naar boven