Call for Proposals Co-Creatie en Cultuurbeoefening 2025, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

Regieorgaan SIA

November 2025

Inhoudsopgave

1

Overzicht en inleiding

1

 

1.1

Kort overzicht

1

 

1.2

Inleiding

2

 

1.3

Achtergrond

2

2

Doel

2

 

2.1

Doelstelling van het programma

3

 

2.2

Doelstelling van de regeling

3

 

2.3

Maatschappelijke impact van onderzoek

4

3

Opstellen en indienen

4

 

3.1

Tijdpad

4

 

3.2

Wie kan aanvragen

4

 

3.3

Wat kan worden aangevraagd

5

 

3.4

Aanvraag opstellen en indienen in ISAAC

8

 

3.5

Voorwaarden voor in behandeling nemen

9

4

Beoordeling

10

 

4.1

Criteria

10

 

4.2

Beoordelingsprocedure

11

 

4.3

Richtlijnen en kaders voor de beoordeling

12

5

Na de toewijzing

13

 

5.1

Start van het project

13

 

5.2

Monitoring en projectbeheer

14

 

5.3

Richtlijnen en kaders voor uitvoering van het project

14

 

5.4

Onderzoeksresultaten – Open Science

15

 

5.5

Afronding

16

 

5.6

Evaluatie

16

6

Contact

16

 

6.1

Vragen over de financiering van aanvragen?

16

 

6.2

Vragen over de inhoud van deze ronde?

16

 

6.3

Technische vragen over ISAAC?

16

7

Voorwaarden en tarieven in budgetmodules

16

 

7.1

Personeel (behorend bij paragraaf 3.3.1)

16

 

7.2

Materieel (behorend bij paragraaf 3.3.2)

18

 

7.3

Investeringen (behorend bij paragraaf 3.3.3)

18

 

7.4

Indexering

19

Bijlage 1 Getoetste organisaties

20

1 Overzicht en inleiding

In dit hoofdstuk vindt u een kort overzicht van deze subsidieronde (hierna ronde), een inleiding bij deze Call for proposals en de achtergrond van deze ronde.

1.1 Kort overzicht

Doel: Deze regeling heeft als doel het stimuleren van praktijkgericht onderzoek op basis van co-creatie waarin cultuurbeoefening centraal staat. Gesubsidieerde projecten dragen bij aan maatschappelijke opgaven via een gelijkwaardige samenwerking tussen een hogeschool, een culturele instelling en een praktijkpartner uit het betreffende domein. De projecten dragen op deze manier bij aan het vergroten van de kennis over cultuurbeoefening en komen tot nieuwe perspectieven op maatschappelijke opgaven.

Budget: Het subsidieplafond voor deze subsidieronde bedraagt in totaal € 875.000. De aan te vragen subsidie per project bedraagt maximaal € 125.000. Binnen deze ronde worden naar verwachting maximaal 7 aanvragen toegewezen.

Consortium en cofinanciering: een selectie van hogescholen kan aanvragen. De aanvragende hogeschool moet met 1 geassocieerde culturele instelling en minimaal 1 aanvullende consortiumpartner (maatschappelijke organisatie) samenwerken. Met deze aanvullende consortiumpartner wordt de expertise op het domein van het gekozen thema geborgd. Alle partners dragen gezamenlijk 20% van het aangevraagde subsidiebedrag bij als eigen bijdrage/cofinanciering. Dit kan in cash en in kind.

Indieningsdeadline: De deadline voor het indienen van aanvragen is 25 november 2025, vóór 14:00:00 uur CET.

Procedure: Regieorgaan SIA neemt de aanvraag in behandeling als deze voldoet aan de voorwaarden voor indiening. De leden van een onafhankelijke beoordelingscommissie voorzien de aanvraag eerst van een voorlopige schriftelijke beoordeling. Daarop hebben de aanvragers in een interview met de commissie de mogelijkheid tot hoor en wederhoor.

Vervolgens komt de commissie in vergadering tot een definitieve beoordeling. Het bestuur van Regieorgaan SIA besluit op basis van het commissieadvies over toewijzing of afwijzing van de aanvraag.

Lees voor de volledige voorwaarden het gehele document.

1.2 Inleiding

Deze Call for proposals valt onder de verantwoordelijkheid van het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA (hierna Regieorgaan SIA) en wordt uitgevoerd in een samenwerking met het Fonds voor Cultuurparticipatie. Regieorgaan SIA stimuleert de kwaliteit en de impact van het praktijkgericht onderzoek van hogescholen en is onderdeel van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Deze Call for proposals beschrijft hoe het aanvraagproces voor de ronde Co-creatie en Cultuurbeoefening november 2025 is ingericht en bestaat uit 7 hoofdstukken.

Op alle aanvragen is de NWO Subsidieregeling van toepassing.

Regieorgaan SIA verwerkt ontvangen persoonsgegevens conform de privacyverklaring van NWO.

1.3 Achtergrond

De samenleving staat voor complexe maatschappelijke opgaven die vragen om een vernieuwende aanpak van kennis, ervaringen en expertises in onderzoeksprojecten. Aandacht voor sociale en culturele aspecten in dit samenspel is cruciaal om ervoor te zorgen dat de uitkomsten van de projecten worden gedragen door de samenleving. Alleen op deze manier realiseren we een stevige maatschappelijke inbedding van nieuwe kennis. Toch lukt het nog onvoldoende om aandacht voor sociale en culturele aspecten een integraal onderdeel te maken van onderzoeksprojecten. Met deze regeling worden hogescholen en culturele instellingen voorzien van sociale en culturele expertise, door het mogelijk maken van gelijkwaardige samenwerkingsverbanden.

In deze regeling worden de aanvragers gevraagd om te experimenteren met cultuurbeoefening door co-creatie als methode om aandacht voor sociale en culturele aspecten in maatschappelijke opgaven te versterken. Cultuurbeoefening is het actief beoefenen van of betrokken zijn bij het maken van cultuur in de vrije tijd, bijvoorbeeld door co-creatie. Co-creatie is essentieel voor het integreren van sociale en culturele aspecten in onderzoek naar maatschappelijke opgaven, omdat het diverse actoren met uiteenlopende perspectieven, kennis en ervaringen samenbrengt. Dit proces bevordert inclusiviteit, wederzijds begrip en gedeeld eigenaarschap, waardoor oplossingen beter aansluiten bij de waarden, behoeften en motivaties van betrokken gemeenschappen uit de samenleving. De nadruk ligt hierbij op lokale gemeenschappen zoals bewoners van een bepaalde wijk of leden van een dorpsvereniging. Dit helpt om veranderingen in gang te zetten die gedragen worden en duurzaam zijn.

Regieorgaan SIA zet zich in om de kwaliteit van praktijkgericht onderzoek en de aansluiting van hogescholen op regionale, nationale en Europese onderzoeks- en innovatieagenda’s te versterken. Het Fonds voor Cultuurparticipatie stimuleert en financiert actieve cultuurparticipatie, erfgoedparticipatie en cultuureducatie. Bestaande financieringsstromen staan gezamenlijk onderzoek van hogescholen en culturele instellingen in de weg.

Regieorgaan SIA en het Fonds voor de Cultuurparticipatie zetten samen in op het verbeteren van die financieringsstromen, om daarmee de benutting van kennis uit de samenleving en het inbedden van de uitkomsten van deze onderzoeksprojecten beter mogelijk te maken.

2 Doel

In dit hoofdstuk leest u meer over de doelstelling van het programma, de doelstelling van de regeling en de maatschappelijke impact.

2.1 Doelstelling van het programma

De regeling Co-Creatie & Cultuurbeoefening is onderdeel van het pilotprogramma Culturele en Creatieve Sector. Dit is een pilotprogramma van Regieorgaan SIA, het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie en het Fonds voor Cultuurparticipatie. Het doel van dit pilotprogramma is om te verkennen hoe de kennisbasis van de culturele en creatieve sector ten behoeve van bredere maatschappelijke uitdagingen door middel van praktijkgericht onderzoek duurzaam kan worden versterkt. Deze versterking wordt gerealiseerd door middel van een gelijkwaardig samenwerkingsverband tussen hogescholen en culturele instellingen op het gebied van cultuurbeoefening. Deze regeling draagt zowel bij aan de kennisontwikkeling en -uitwisseling (kennisbasis) in de creatieve en culturele sector als aan kennis ten behoeve van maatschappelijke uitdagingen. Deze verkenning zal leiden tot inzichten in geschikte stimuleringsmaatregelen en de manieren waarop een duurzame investering kan worden vormgegeven, gefinancierd en uitgevoerd; en welke rol organisaties zoals overheden, cultuurfondsen en onderzoeksfinanciers hierin kunnen spelen. Het pilotprogramma loopt voor de periode 2025 – 2027.

2.2 Doelstelling van de regeling

Deze regeling heeft als doel het stimuleren van praktijkgericht onderzoek op basis van co-creatie door cultuurbeoefening. Het uitgangspunt hierbij is dat er een bijdrage wordt geleverd aan kennisontwikkeling rondom cultuurbeoefening én de maatschappelijke opgave. Deze bijdrage wordt gerealiseerd door een gelijkwaardig samenwerkingsverband tussen een hogeschool, culturele instelling en een praktijkpartner uit het domein van de maatschappelijke opgave.

2.2.1 Versterken aansluiting op maatschappelijke opgaven

Om de bijdrage van praktijkgericht onderzoek op basis van co-creatie door actieve cultuurbeoefening aan maatschappelijke opgaven te versterken, is het van belang dat er verbinding wordt gelegd tussen methodische ontwikkeling en een van de onderstaande thema's:

  • 1. Klimaat

    Klimaatverandering zoals we die nu meemaken is een ongekend fenomeen met een directe impact op onze leefomgeving en daarmee op onze samenleving. Het veranderende klimaat heeft invloed op het leven van planten en dieren, en daarmee ook op onze voedselvoorziening. Het beïnvloedt temperatuur en neerslag en daarmee gezondheid, bewoonbare gebieden en beschikbaar drinkwater.

    Klimaatverandering is deels te beïnvloeden, maar niet te stoppen. We zullen ons dus ook moeten aanpassen om in de nieuwe omstandigheden te kunnen blijven wonen. Dat vraagt een enorme transitie, en dat roept vragen op over rechtvaardigheid en samenleven. Co-creatie door actieve cultuurbeoefening kan bijdragen aan bewustwording van de effecten van klimaatverandering en het vergroten van het handelingsperspectief voor lokale gemeenschappen in alle delen van het Koninkrijk der Nederlanden, waaronder ook het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden.

  • 2. Sociale samenhang

    Sociale samenhang is essentieel voor een sterke en veerkrachtige samenleving. In deze tijd waarin sprake is van steeds diverser wordende gemeenschappen, polarisatie tussen groeperingen, afnemend vertrouwen tussen bewoners en sociale ‘bubbels’, is het zoeken naar nieuwe vormen van verbinding en een stevige sociale basis cruciaal. Actieve cultuurbeoefening kan bijdragen aan het versterken van lokale netwerken en gemeenschappen. Door gezamenlijk te creëren voor, door en met wijkbewoners, ontwikkelen zij hun talenten en bouwen ze bruggen tussen verschillende groepen. Tegelijkertijd is het nog een uitdaging om deze artistieke en sociale processen effectief in te zetten voor duurzame verbindingen. Er is behoefte aan inzichten in hoe co-creatieve processen van kunstenaars en creatieve professionals met bewoners en andere (sociaal) professionals in de wijk bijdragen aan sociale samenhang en sterke, veerkrachtige wijken.

2.2.2 Gelijkwaardig samenwerkingsverband tussen de culturele instellingen en hogescholen

De regeling benadrukt het belang van gelijkwaardige samenwerking tussen een hogeschool, een culturele instelling en een praktijkpartner. De relatie tussen culturele instellingen die onderzoek doen en onderzoeksorganisaties zoals hogescholen is vaak namelijk niet vanzelfsprekend of gelijkwaardig. Onder gelijkwaardigheid wordt bijvoorbeeld verstaan dat uit de aanvraag blijkt dat betrokken partijen in gezamenlijkheid de probleemstelling en onderzoeksvraag hebben geformuleerd (vraagarticulatie), de aanvraag hebben opgesteld en het project uitvoeren. Deze gelijkwaardigheid is essentieel voor het bevorderen van kennisontwikkeling rondom cultuurbeoefening door co-creatie én maatschappelijke opgaven.

2.2.3 Ontwikkeling co-creatie door actieve cultuurbeoefening

Er is zowel bij het Fonds voor Cultuurparticipatie als bij Regieorgaan SIA behoefte aan meer begrip van de specifieke eigenschappen en werkzame elementen van onderzoek op basis van co-creatie door actieve cultuurbeoefening. Dit is nodig om beter in te kunnen spelen op de behoeftes van de onderzoekers en de verbinding van deze onderzoekers op relevante beleidsontwikkelingen te versterken.

Om het begrip over deze vormen van onderzoek te bevorderen wordt er in het beoogde project ruimte opgenomen voor reflectie op de gekozen methode(n). Hierbij dienen de aanvragers te beschrijven welke beoogde stappen er tijdens het onderzoek worden gezet en welke mogelijke uitkomsten er worden voorzien. Op deze manier wordt bijgedragen aan het inzichtelijk maken van de doorwerking van deze vorm van onderzoek binnen cultuurbeoefening, het onderwijs en onderzoek van de hogeschool en de samenleving in de context van het gekozen maatschappelijke thema. Deze reflecties binnen de projecten worden tussentijds uitgewisseld met de betrokkenen van de andere projecten die binnen deze regeling subsidie ontvangen.

2.3 Maatschappelijke impact van onderzoek

Het onderzoek uitgevoerd binnen de regeling Co-creatie & Cultuurbeoefening biedt inzichten in de manieren waarop praktijkgericht onderzoek op basis van co-creatie door actieve cultuurbeoefening kan worden gestimuleerd. Dit draagt bij aan kennisontwikkeling zowel binnen de hogeschool als de betrokken culturele instelling. Daarnaast draagt het onderzoek bij aan nieuwe perspectieven en/of oplossingen voor uitdagingen rondom de thema's klimaat of sociale samenhang.

3 Opstellen en indienen

In dit hoofdstuk staat informatie over het opstellen en indienen van een aanvraag.

3.1 Tijdpad

Hieronder staat de indieningsdeadline en het tijdpad van de beoordelingsprocedure van deze ronde. Het kan zijn dat Regieorgaan SIA het noodzakelijk acht om tijdens de lopende procedure aanpassingen in het tijdpad aan te brengen. De aanvrager wordt hierover geïnformeerd.

Regieorgaan SIA toetst de aanvragen op de formele voorwaarden voor indiening (zie paragraaf 3.5). Als de aanvraag daaraan voldoet, wordt de aanvraag in behandeling genomen. Aanvragen die na de indieningsdeadline worden ingediend, neemt Regieorgaan SIA niet in behandeling.

Deadline en tijdpad behandeling aanvragen:

  • Dinsdag 25 november 2025 vóór 14:00:00 CET: Indieningsdeadline

  • December 2025: Toets op voorwaarden voor indiening

  • Januari 2026: Voorlopige schriftelijke beoordeling door beoordelingscommissie en schriftelijke reactie van de beoordelingscommissie naar aanvrager

  • Januari 2026: Interviews en beoordelingsvergadering beoordelingscommissie

  • Februari 2026: Besluit door het bestuur van Regieorgaan SIA

  • Februari 2026: Bekendmaking van het besluit

3.2 Wie kan aanvragen

De hogescholen die zijn opgenomen in de Sectoragenda Hbo Kunstonderwijs 2021 – 2025 van de Vereniging Hogescholen kunnen een aanvraag indienen. Dit zijn 15 hogescholen:

  • Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

  • ArtEZ University of the Arts

  • Avans Hogeschool

  • Codarts Rotterdam

  • Design Academy Eindhoven

  • Fontys Hogescholen

  • Gerrit Rietveld Academie

  • Hanzehogeschool Groningen

  • Hogeschool der Kunsten Den Haag

  • Hogeschool Inholland

  • Hogeschool Leiden

  • Hogeschool Rotterdam

  • Hogeschool voor de Kunsten Utrecht

  • NHL Stenden Hogeschool

  • Zuyd Hogeschool

Per bovengenoemde hogeschool mag er 1 aanvraag worden ingediend als aanvrager.

De persoon die de aanvraag indient in ISAAC wordt geacht hiertoe te zijn gemachtigd door het College van Bestuur van de aanvragende hogeschool.

3.2.1 Lector of senior onderzoeker

De aanvraag is opgesteld onder verantwoordelijkheid van een lector of senior onderzoeker, verbonden aan de aanvragende hogeschool.

3.2.2 Geassocieerde culturele instelling

De aanvragende hogeschool moet met 1 geassocieerde culturele instelling samenwerken.

Onder geassocieerde culturele instelling wordt verstaan een instelling die als rechtspersoon staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel in het Koninkrijk der Nederlanden en die zich volgens het uittreksel van het handelsregister van de betreffende Kamer van Koophandel inzet binnen de cultuursector.

Instellingen en organisaties die behoren tot de sector overheid zijn 'overheidslichamen'. Het betreft organisaties die uitvoerende, wetgevende en rechterlijke bevoegdheden op nationaal of regionaal niveau hebben. In Nederland zijn dit de Rijksoverheid, gemeenten, provincies en waterschappen. Organisaties die dicht tegen de overheid aan zitten en die wettelijke taken met een publiek belang verrichten én voor een groot deel publiek gefinancierd worden, zijn 'semi-overheidslichamen'. Overheidslichamen en semi-overheidslichamen kunnen geen geassocieerde culturele instelling zijn.

3.2.3 Consortium

Het consortium bestaat naast de aanvrager en de geassocieerde culturele instelling uit minimaal 1 maatschappelijke organisatie. Hierdoor wordt de kennis en expertise op het gekozen thema geborgd.

Tot een maatschappelijke organisatie wordt gerekend een organisatie die als doel heeft een bijdrage te leveren aan de samenleving zonder winstoogmerk of commercieel belang. Dit kan variëren van het bevorderen van welzijn en gelijkheid tot het opkomen voor specifieke belangen of het bieden van hulp bij maatschappelijke problemen. Hiertoe behoren ook instellingen en organisaties die behoren tot de sector overheid, zoals bibliotheken en welzijnsorganisaties.

De geassocieerde culturele instelling en overige consortiumpartners bevestigen hun deelname aan het consortium door middel van een handtekening op het aanvraagformulier van de subsidieaanvraag.

De geassocieerde culturele instelling en overige consortiumpartners dragen in kind en/of cash bij en worden opgenomen in de begroting. Het is mogelijk om ook andere deelnemers (zoals zelfstandig theatermakers, andere culturele instellingen, mkb-bedrijven etc.) aan te laten sluiten als consortiumpartner, zolang aan de minimale eisen van het consortium is voldaan. Partijen die niet op de begroting staan maar wel bijdragen aan het project kunnen vermeld worden in het aanvraagformulier onder overige betrokken partijen.

3.3 Wat kan worden aangevraagd

Het subsidieplafond voor deze ronde bedraagt in totaal € 875.000. De aan te vragen subsidie per project bedraagt minimaal € 100.000 en maximaal € 125.000. Binnen deze ronde worden naar verwachting maximaal 7 aanvragen toegewezen.

De aanvrager, geassocieerde culturele instelling en consortiumpartners kunnen kosten opvoeren voor personeel, materieel en investeringen. Kosten van (deel)activiteiten die al zijn gefinancierd vanuit andere subsidies, kunnen niet worden opgevoerd.

De beschikbare budgetmodules (inclusief de maximale bedragen) staan hieronder vermeld. Voer alleen de kosten op die essentieel zijn om het project uit te voeren. De volledige voorwaarden en tarieven van deze budgetmodules staan in Hoofdstuk 7. Alle op te voeren kosten zijn exclusief btw, tenzij het niet-verrekenbare btw betreft.

3.3.1 Personeel

Voor personeel dat een bijdrage levert aan het project, kan subsidie voor de loonkosten worden aangevraagd. Het bedrag hiervoor is afhankelijk van het type aanstelling en de organisatie waar het personeel werkt.

Voor projectmanagement mag maximaal 10% van de totale projectkosten worden opgevoerd.

3.3.1.1 Personeel van hogescholen, onderwijsinstellingen, TO2-instituten en overige Nederlandse organisaties

Het is mogelijk om loonkosten op te voeren van personeel van hogescholen, onderwijsinstellingen, TO2-instituten en overige organisaties. Zie voor meer informatie paragraaf 7.1.1.

3.3.1.2 Studenten

Het is mogelijk om studenten in te zetten voor het project als ze studeren aan een hogeschool, universiteit of mbo-instelling. De kosten hiervan kunt u binnen het project opvoeren als materiële kosten. Er is geen maximum aan het aantal studenten dat kan meewerken in het project. Zie voor meer informatie paragraaf 7.1.2.

3.3.1.3 Personeel van geassocieerde culturele instellingen

Het is mogelijk om loonkosten op te voeren van personeel van geassocieerde culturele instellingen. Indien een geassocieerde culturele instelling derden inhuurt voor de uitvoering en/of ondersteuning van het project, worden de uurtarieven beschouwd als loonkosten van de geassocieerde culturele instelling. Zie voor meer informatie 7.1.1.

3.3.1.4 Personeel bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, umc of een onderzoeksorganisatie genoemd in artikel 1.1, eerste lid, c t/m h, van de NWO Subsidieregeling

Voor personeel dat werkzaam is bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, universitair medisch centrum (umc) of een andere onderzoeksorganisatie, genoemd in artikel 1.1, eerste lid, c t/m h, van de NWO Subsidieregeling kunnen loonkosten worden opgevoerd voor de volgende functies: promovendus, postdoc, arts-onderzoeker, en niet-wetenschappelijk personeel (NWP). Zie voor meer informatie paragraaf 7.1.3. t/m 7.1.7.

Het is mogelijk om loonkosten van universitair (hoofd)docenten, hoogleraren en onderzoekers van overige onderzoeksorganisaties op te voeren. Zie voor meer informatie paragraaf 7.1.6.

3.3.1.5 Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland

Het is mogelijk om loonkosten voor wetenschappelijk personeel van buitenlandse onderzoeksorganisaties op te voeren. Zie voor meer informatie paragraaf 7.1.7. Kosten van andere buitenlandse organisaties komen niet in aanmerking voor subsidie.

Er kan maximaal 10% van het subsidiebedrag worden aangevraagd voor personeel bij onderzoeksorganisaties in het buitenland.

3.3.2 Materieel

Subsidie kan worden aangevraagd voor alle projectspecifieke materiële kosten. Hiervoor geldt een maximum van 50% van het subsidiebedrag. Zie voor meer informatie paragraaf 7.2.

Er kan maximaal 25% van het subsidiebedrag voor materiële kosten worden aangevraagd voor onderzoeksorganisaties in het buitenland.

3.3.3 Investeringen

Het is mogelijk om kosten op te voeren voor investeringen in apparatuur, infrastructuur en andere onderzoeksmiddelen die na afloop van het project economische waarde hebben of kunnen worden hergebruikt. Loonkosten van personeel dat de apparatuur, infrastructuur en andere onderzoeksmiddelen in staat van gereedheid brengt, worden niet beschouwd als onderdeel van de investering.

Alleen de gemoeide afschrijvingskosten zijn subsidiabel. Afschrijvingskosten gemoeid met gedane investeringen in het buitenland kunnen niet worden opgevoerd. Voor investeringskosten geldt een maximum van 25% van het subsidiebedrag. Zie voor meer informatie paragraaf 7.3.

3.3.4 Aanvullende financiële voorwaarden voor consortiumpartners
3.3.4.1 Subsidiabele kosten van de consortiumpartners

Ten hoogste 20% van het subsidiebedrag mag worden aangevraagd en besteed aan de kosten van de consortiumpartners, die geen hogescholen of geassocieerde culturele instelling zijn.

3.3.4.2 De-minimisdrempel voor consortiumpartners en geassocieerde culturele instellingengeassocieerde culturele instellingen

Geassocieerde culturele instellingen en andere consortiumpartners (niet zijnde onderzoeksorganisaties) kunnen via de aanvrager subsidie ontvangen van Regieorgaan SIA op voorwaarde dat de de-minimisdrempel uit de de-minimisverordening (Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Europese Commissie van 13 december 2023) niet wordt overschreden. Op basis van de de-minimisverordening mag een consortiumpartner maximaal € 300.000 de-minimissteun ontvangen over een periode van 3 jaar.

Door de Verklaring de-minimissteun in te vullen verklaren consortiumpartners dat door het toewijzen van subsidie door Regieorgaan SIA de consortiumpartner in kwestie niet boven de de-minimisgrens uitkomt. Indien een consortiumpartner constateert dat met de subsidie van Regieorgaan SIA de de-minimisgrens wordt overschreden, kan de consortiumpartner wel deelnemen aan het project en cofinanciering leveren, maar kan de aanvrager voor deze consortiumpartner geen subsidie aanvragen bij Regieorgaan SIA. De aanvrager dient hiermee bij het opstellen van de projectbegroting rekening te houden en dient dus per consortiumpartner na te gaan of met het aangevraagde subsidiebedrag de de-minimisdrempel niet wordt overschreden. De door elke consortiumpartner afzonderlijk ingevulde verklaring de-minimissteun maakt onderdeel uit van de aanvraag.

Elke eenheid die een economische activiteit uitoefent en subsidie ontvangt, ongeacht de rechtsvorm en de wijze van financiering, moet een de-minimisverklaring indienen.

Hieronder vallen onder andere mkb-ondernemingen, grootbedrijven, zzp’ers, ziekenhuizen en mbo-instellingen.

3.3.5 Eigen bijdragen en cofinanciering

De consortiumpartners dragen bij aan de uitvoering van het project.

De aanvrager van het betreffende project levert een eigen bijdrage. De geassocieerde culturele instelling en de overige consortiumpartners leveren cofinanciering. De geassocieerde culturele instelling en de consortiumpartners bevestigen hun cofinanciering door middel van ondertekening van de verklaring cofinanciering in het aanvraagformulier van de subsidieaanvraag. Hiervoor geldt de Regeling Cofinanciering.

Eigen bijdragen en cofinanciering in kind kunnen worden ingebracht voor dekking van de kosten van de betrokken organisaties. Ook voor de cofinanciering in cash geldt dat moet worden aangegeven welke kosten van de projectactiviteiten hiermee worden gefinancierd.

Op alle cofinanciering is de Regeling Cofinanciering van toepassing.

3.3.5.1 Minimale vereiste eigen bijdrage(n) en cofinanciering

De vereiste eigen bijdrage en cofinanciering bedragen bij elkaar ten minste 20% van het subsidiebedrag.

Rekenvoorbeeld:

Bij een gevraagde subsidie van € 125.000 bedragen de totale projectkosten minimaal € 150.000. Het minimale bedrag aan eigen bijdragen en cofinanciering hierbij is € 25.000.

De omvang van de eigen bijdrage(n) en cofinanciering geeft u aan in de begroting. Niet toelaatbaar als cofinanciering is door NWO verstrekte subsidie. Niet toelaatbare cofinanciering in kind is verder beschreven in de Regeling Cofinanciering.

3.3.5.2 Verantwoording eigen bijdrage(n) en cofinanciering

Na afronding van het project stelt Regieorgaan SIA de subsidie vast aan de hand van de eindrapportage. Voor deze subsidievaststelling gelden dezelfde voorwaarden als voor de aanvraag, ook wat betreft cofinanciering en eigen bijdragen.

Het percentage van de minimale vereiste eigen bijdrage en cofinanciering gebruikt Regieorgaan SIA dus ook voor de subsidievaststelling. Een lagere eigen bijdrage of cofinanciering kan leiden tot een lagere subsidievaststelling.

In sommige gevallen (zie paragraaf 7.4) wijst Regieorgaan SIA meer subsidie voor loonkosten toe dan aangevraagd, als gevolg van ambtshalve indexering. Tegenover dit extra bedrag hoeft geen aanvullende eigen bijdrage of cofinanciering te staan.

De subsidie van Regieorgaan SIA is nooit meer dan de toegewezen subsidie uit het subsidiebesluit.

Te allen tijde dient Regieorgaan SIA op de hoogte gesteld te worden van problemen in verwachte cofinanciering en eigen bijdragen. Naast financiële gevolgen voor een project, kan Regieorgaan SIA ook adequate wijzigingen in een project verlangen als wijzigingsverzoek, zodat het onderzoek naar beste vermogen vervolgd kan worden.

3.4 Aanvraag opstellen en indienen in ISAAC

Regieorgaan SIA werkt met het systeem ISAAC. Begin tijdig met de aanvraag in ISAAC.

  • Maak een account aan of update indien nodig de gegevens als u al een account heeft.

  • Download het aanvraagformulier en de 4 formats voor bijlagen in ISAAC.

  • Vul het aanvraagformulier in.

  • Vul het consortiumpartnerformulier inclusief verklaring cofinanciering in. Als er meer dan 1 consortiumpartner is, vul dan zo vaak als nodig het consortiumpartnerformulier in.

  • Sla het aanvraagformulier en de consortiumpartnerformulieren op als 1 pdf en dien het in ISAAC in. Dien apart de bijlagen in.

  • In ISAAC vult u daarnaast de gevraagde gegevens in, onder andere de publiekssamenvatting. De publiekssamenvatting bedraagt 50–100 woorden en moet toegankelijk geschreven zijn voor een brede doelgroep. Regieorgaan SIA kan deze samenvatting bij een nieuwsbericht over de toewijzingen van de subsidie publiceren.

Voorzie de aanvraag van de volgende verplichte bijlagen door deze te uploaden in ISAAC:

  • projectvoorstel (pdf)

  • begroting (Excel-bestand)

  • formulier projectbetrokkenen (Excel-bestand)

  • Uittreksel Kamer van Koophandel voor geassocieerde culturele instelling (pdf)

  • verklaring de-minimissteun (Indien van toepassing. Elke verklaring die u wilt toevoegen, uploadt u apart als bijlage in ISAAC.) (pdf)

Gebruik voor de bijlagen alleen de door Regieorgaan SIA aangeboden formats. Andere bijlagen dan hierboven vermeld zijn niet toegestaan.

U kunt uw aanvraag alleen indienen via ISAAC. Aanvragen die niet via ISAAC zijn ingediend, worden niet in behandeling genomen.

Taal van de aanvraag is Nederlands of Engels. Binnen het aanvraag- en beoordelingsproces correspondeert Regieorgaan SIA altijd in het Nederlands, ook als u uw aanvraag in het Engels opstelt.

Voor vragen over ISAAC kan de handleiding ISAAC worden geraadpleegd (te vinden via de knop ‘help’ in ISAAC) of kan er contact worden opgenomen met de ISAAC-helpdesk. De ISAAC-helpdesk is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 10.00 tot 17.00 uur op telefoonnummer +31 (0) 70 34 40 600. Mailen kan naar isaac.helpdesk@nwo.nl. Een reactie volgt binnen 2 werkdagen.

Bekijk de ronde en alle documenten in ISAAC.

3.4.1 Advies over inhoudelijke aansluiting

Bedenk tijdig of de aanvraag inhoudelijk aansluit bij het doel van de regeling, aangezien voor deze ronde geldt dat de aanvraag moet passen binnen de thematische kaders zoals beschreven in paragraaf 2.2.1. Neem bij twijfel contact op (ruim voor de indieningsdeadline) met de contactpersoon van de regeling. Deze persoon kan adviseren over de inhoudelijke aansluiting van de aanvraag bij deze ronde. Aanvragers maken zelf de definitieve keuze. Voor contactgegevens zie hoofdstuk 6.

3.4.2 Aanvullende informatie over thema’s en beleidslijnen

Op het aanvraagformulier vragen wij u aan te geven bij welke thema’s en beleidslijnen uw aanvraag aansluit. Deze informatie ondersteunt ons onder meer bij het maken van beleidskeuzes. Meer informatie hierover vindt u op onze webpagina Informatieverzameling en monitoring. De door u verstrekte informatie wordt niet meegenomen in het beoordelingsproces.

3.4.2.1 Aansluiting op ‘Thema’s met impact’ (VH) en Onderwijssectoren

Regieorgaan SIA wil graag geïnformeerd worden over hoe de aanvraag zich verhoudt tot de onderzoeksthema’s, gespecificeerd in Praktijkgericht onderzoek als kennisversneller, Strategische onderzoeksagenda hbo 2022 – 2025 van de Vereniging Hogescholen. Op het aanvraagformulier geeft u daarom aan bij welke thema’s uit deze onderzoeksagenda de activiteiten aansluiten.

Daarnaast wenst Regieorgaan SIA geïnformeerd te worden over de aansluiting van het project bij de onderwijssectoren.

3.4.2.2 Topsectoren

Regieorgaan SIA wil, als dat van toepassing is, ook graag weten tot welke topsector of topsectoren uw project zich verhoudt. Meer informatie over de topsectoren vindt u op topsectoren.nl.

3.4.2.3 Bijdrage aan NWA

Regieorgaan SIA zet zich actief in om hogescholen optimaal mee te laten doen met praktijkgericht onderzoek binnen de verschillende routes van de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). Indien van toepassing geeft u in de aanvraag daarom aan bij welke NWA-route het project aansluit.

3.4.2.4 Bijdrage aan Missiegedreven Innovatiebeleid

Regieorgaan SIA wil hogescholen en onderzoekers aan universiteiten en overige onderzoeksorganisaties in staat stellen een waardevolle bijdrage te leveren aan het Missiegedreven Innovatiebeleid, onder andere met Co-creatie en Cultuurbeoefening.

Als aanvrager geeft u op het aanvraagformulier aan bij welke van de 8 Kennis en Innovatie Agenda’s (KIA’s) het project aansluit. U onderbouwt in het projectvoorstel hoe het project aansluit bij 1 of meerdere KIA’s.

3.5 Voorwaarden voor in behandeling nemen

Regieorgaan SIA toetst een aanvraag op onderstaande voorwaarden. Alleen als de aanvraag aan deze voorwaarden voldoet, wordt de aanvraag toegelaten tot de beoordelingsprocedure.

Voorwaarden:

  • De aanvraag is ontvangen voor de gestelde deadline.

  • De aanvrager en de geassocieerde culturele instelling voldoen aan de in paragraaf 3.2 gestelde voorwaarden.

  • De aanvraag voldoet aan de consortiumeisen zoals beschreven in paragraaf 3.2.3.

  • De aanvraag voldoet aan de DORA-richtlijnen zoals beschreven in paragraaf 4.3.3.

  • De aanvraag is opgesteld met gebruikmaking van de formulieren die beschikbaar zijn gesteld in ISAAC.

  • De datamanagementparagraaf is ingevuld (hiermee maken aanvragers kenbaar hoe met data voortkomend uit het onderzoek wordt omgegaan).

  • Het aanvraagformulier en de verplichte bijlagen zijn, na eventueel eenmalig verzoek tot aanvulling of wijziging, juist, compleet en volgens de instructies ingevuld.

  • De aanvraag is ingediend via het ISAAC-account van de aanvrager.

  • De aanvraag is opgesteld in het Nederlands of Engels.

  • De begroting in de aanvraag is opgesteld volgens de voorwaarden van deze Call for proposals.

  • Het voorgestelde project heeft een looptijd van minimaal 18 en maximaal 24 maanden, met een uiterste startdatum van 1 mei 2026.

In het aanvraagformulier kunnen toelichtingen, werkwijzen en vragen staan die nodig zijn om het formulier correct te kunnen invullen.

3.5.1 In behandeling nemen en administratieve correcties

Zo snel mogelijk nadat de benodigde stukken zijn ingediend, ontvangt de aanvrager bericht of Regieorgaan SIA de aanvraag in behandeling neemt. Houd er rekening mee dat Regieorgaan SIA de aanvrager binnen 2 weken na de indieningsdeadline kan benaderen om eventuele administratieve correcties door te voeren om (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening. De aanvrager krijgt 1 keer de gelegenheid om binnen maximaal 5 werkdagen de correcties door te voeren. Als blijkt dat gecorrigeerde stukken wederom niet volledig en/of juist zijn, neemt Regieorgaan SIA de aanvraag niet in behandeling.

3.5.2 Communicatie van aanvraag tot subsidiebesluit

Over de aanvraag communiceert Regieorgaan SIA van indiening tot en met besluit met de volgende personen:

  • Met de aanvrager (indiener in ISAAC) communiceert Regieorgaan SIA over: toets op indieningsvoorwaarden, kennisgevingsbericht, subsidiebesluit.

  • Met de contactpersoon opgegeven in het aanvraagformulier: interview, kennisgevingsbericht, subsidiebesluit.

  • Met het College van Bestuur van de aanvragende hogeschool: subsidiebesluit.

4 Beoordeling

In dit hoofdstuk staat informatie over de beoordelingsprocedure van een aanvraag.

4.1 Criteria

De beoordeling vindt plaats aan de hand van inhoudelijke beoordelingscriteria en nadat de aanvraag is toegelaten tot de beoordelingsprocedure.

De aanvragen worden inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

  • 1. Passendheid bij het gekozen thema (voldoende/onvoldoende)

    Het voorstel wordt beoordeeld op de mate waarin:

    • de onderzoeksvraag aansluit bij het vraagstuk en de thematische afbakening zoals beschreven in paragraaf 2.2 in deze Call for proposals.

  • 2. Vraagarticulatie (30%)

    Het voorstel wordt beoordeeld op de mate waarin:

    • de aanvrager, geassocieerde culturele instelling en de maatschappelijke organisatie gelijkwaardig hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de onderzoeksvraag en onderzoeksplan;

    • de vraag of de uitdaging die ten grondslag ligt aan de onderzoeksvraag voortkomt uit en relevant is voor de praktijk van actieve cultuurbeoefening bij de culturele instelling en de beroepspraktijk van het domein van de maatschappelijke organisatie;

    • de vraag of uitdaging is vertaald naar een heldere, functionele en afgebakende onderzoeksvraag.

  • 3. Kwaliteit van het netwerk (30%)

    Het voorstel wordt beoordeeld op de mate waarin:

    • de benodigde ervaring en expertise aanwezig is vanuit hogescholen, de culturele en creatieve sector en andere relevante beroepspraktijken om de beoogde onderzoeksactiviteiten rondom het gekozen thema te kunnen uitvoeren;

    • de culturele instelling(en) en overige consortiumpartner(s) een volwaardige en gelijkwaardige rol hebben binnen het consortium.

  • 4. Kwaliteit van het projectplan (40%)

    Het voorstel wordt beoordeeld op de mate waarin:

    • er met het onderzoeksproject wordt voortgebouwd op bestaande kennis en kunde rondom het gekozen thema, uit de wetenschap en de culturele en maatschappelijke praktijk van de betrokken consortiumpartners;

    • de gekozen methoden en analysetechnieken om de onderzoeksvraag te beantwoorden, passen bij de aard van de vraagstelling en co-creatie door cultuurbeoefening;

    • er in het projectplan voldoende ruimte tijdens het project is gereserveerd voor reflectie op de gekozen onderzoeksmethoden en de effecten van co-creatie;

    • er is gereflecteerd op de doorwerking van de mogelijke uitkomsten van het project in het onderwijs, de culturele praktijk, de beroepspraktijk van de maatschappelijke organisatie en het praktijkgericht onderzoek;

    • er sprake is van een haalbaar en doelmatig activiteitenplan, dat op logische wijze bijdraagt aan het beantwoorden van de onderzoeksvraag;

    • de gevraagde middelen in een redelijke verhouding staan tot de aard en omvang van het project.

Het criterium Passendheid bij het gekozen thema wordt door de leden van de beoordelingscommissie beoordeeld met een voldoende of onvoldoende.

De leden van de beoordelingscommissie beoordelen de criteria Vraagarticulatie, Kwaliteit van het netwerk en Kwaliteit van het projectplan met een score in gehele getallen, oplopend van 1 tot en met 6, waarbij 6 de hoogste score vertegenwoordigt.

Criterium Vraagarticulatie weegt 30% mee in de beoordeling. Criterium Kwaliteit van het netwerk weegt 30% mee in de beoordeling. Criterium Kwaliteit van het projectplan weegt 40% mee in de beoordeling. Alle aanvragen ontvangen een gewogen gemiddelde totaalscore op de criteria Vraagarticulatie, Kwaliteit van het netwerk en Kwaliteit van het projectplan.

Om in aanmerking te komen voor subsidie dient een aanvraag op het criterium Passendheid bij het gekozen thema een voldoende te scoren en op elk van de criteria Vraagarticulatie, Kwaliteit van het netwerk en Kwaliteit van het projectplan een 4,00 of hoger te scoren.

4.2 Beoordelingsprocedure

De beoordelingsprocedure van de aanvraag bestaat uit de volgende stappen volgens het tijdpad zoals wordt vermeld in 3.1:

  • Voorlopige beoordeling beoordelingscommissie

  • Interview

  • Vergadering van de beoordelingscommissie

  • Besluitvorming

Voor deze ronde wordt een externe, onafhankelijke beoordelingscommissie ingesteld door het bestuur van Regieorgaan SIA. De leden hiervan zijn afkomstig uit de onderzoekswereld en de praktijk van de creatieve industrie met kennis van het vakgebied en de thema’s van deze regeling.

De taak van de beoordelingscommissie is om de in behandeling genomen aanvragen te beoordelen aan de hand van de beoordelingscriteria. Iedere aanvraag wordt opzichzelfstaand beoordeeld.

Vanwege de aanwezige expertise in de beoordelingscommissie en de geringe omvang van de subsidie, heeft Regieorgaan SIA besloten om bij de beoordeling van de aanvragen gebruik te maken van de mogelijkheid gegeven in artikel 2.2.4, lid 2, van de NWO Subsidieregeling, om de beoordelingsprocedure uit te voeren zonder referenten in te schakelen.

4.2.1 Voorlopige beoordeling door beoordelingscommissie

De aanvraag wordt voorgelegd aan de beoordelingscommissie. De commissie komt voor elke aanvraag tot een voorlopige schriftelijke beoordeling. De commissieleden formuleren vragen en opmerkingen aan de hand van de inhoudelijke beoordelingscriteria (zie paragraaf 4.1) en geven de aanvraag per beoordelingscriterium een score. De vragen en opmerkingen van de beoordelingscommissie worden schriftelijk zonder scores gedeeld met de aanvrager in voorbereiding op het interview.

4.2.2 Interview

De aanvrager ontvangt een uitnodiging voor een interview. Tijdens het interview heeft de beoordelingscommissie de gelegenheid om vragen te stellen. Dit kunnen ook nieuwe vragen zijn die niet in de voorlopige schriftelijke beoordeling zijn opgenomen. Het consortium kan tijdens het interview in de discussie met de beoordelingscommissie reageren. Op deze wijze wordt hoor en wederhoor toegepast. Het interview is een belangrijk onderdeel van de beoordeling en kan leiden tot bijstelling van de beoordeling en de score van de aanvraag tot dan toe.

4.2.3 Vergadering van de beoordelingscommissie

De aanvraag, het voorlopige oordeel van de beoordelingscommissie en het interview fungeren als startpunt voor de plenaire bespreking van de aanvragen door de beoordelingscommissie. De leden van de beoordelingscommissie maken op basis van het beschikbare materiaal een eigen afweging. Hierbij geldt dat de voorlopige beoordeling richtinggevend is voor de uiteindelijke beoordeling, maar de beoordelingscommissie deze niet per se onverkort overneemt. De beoordelingscommissie weegt de argumenten en bekijkt of tijdens het interview een goede reactie is geformuleerd op de vragen en kritische opmerkingen. De datamanagementparagraaf wordt niet beoordeeld en daarom ook niet meegewogen in de beslissing om een aanvraag al dan niet toe te wijzen. De beoordelingscommissie kan wel advies geven met betrekking tot de datamanagementparagraaf. De beoordelingscommissie geeft per criterium een eindscore. De eindscores op alle 4 de criteria leiden tot een eindoordeel. Uit de scores voor vraagarticulatie, kwaliteit van het netwerk en kwaliteit van het projectplan volgt een gewogen gemiddelde totaalscore, afgerond op 2 decimalen. Deze score bepaalt de prioritering van de aanvragen. Bij ex-aequo rond het subsidieplafond bepaalt de commissie welke aanvraag wel wordt toegewezen en welke niet, aan de hand van de procedure beschreven in paragraaf 4.3.4.

4.2.4 Besluitvorming

Het bestuur van Regieorgaan SIA toetst de gevolgde procedure en het advies van de beoordelingscommissie. Het bestuur besluit op basis van het advies van de beoordelingscommissie over het al dan niet toewijzen van de subsidie. De aanvrager en geassocieerde culturele instelling ontvangen daarna een brief per e-mail met daarin het besluit.

4.3 Richtlijnen en kaders voor de beoordeling

Onderstaande richtlijnen en kaders zijn van toepassing tijdens de beoordeling van uw aanvraag.

4.3.1 Code persoonlijke belangen

Voor alle bij de beoordeling en/of besluitvorming betrokken personen en betrokken medewerkers van Regieorgaan SIA is de NWO Code Persoonlijke Belangen van toepassing.

4.3.2 Diversiteit en inclusie

Regieorgaan SIA streeft naar een inclusieve cultuur, waarin geen plaats is voor bewuste of onbewuste barrières vanwege culturele, etnische of religieuze achtergrond, gender, seksuele oriëntatie, gezondheid of leeftijd (Diversiteit en inclusie | NWO). Regieorgaan SIA biedt leden van een beoordelingscommissie handvatten voor het inclusief beoordelen bij de schriftelijke beoordeling en bij de vergadering van de beoordelingscommissie (Inclusief beoordelen | NWO).

4.3.3 Brede definitie van wetenschappelijke output (DORA)

Regieorgaan SIA hanteert bij het beoordelen van het wetenschappelijke track record van aanvragers een brede definitie van wetenschappelijke output.

Regieorgaan SIA verzoekt de beoordelingscommissieleden bij de beoordeling van de aanvragen niet af te gaan op indicatoren als de Journal Impact Factor of de h-index. Deze mogen niet worden vermeld in de aanvraag. Wel mogen naast publicaties ook andere wetenschappelijk producten worden vermeld, zoals datasets, patenten, software, code enzovoort.

De basis voor dit beleid ligt in de ‘San Francisco Declaration on Research Assessment’ (DORA | NWO), ondertekend door NWO. DORA is een wereldwijd initiatief dat beoogt de manier te verbeteren waarop onderzoek en onderzoekers worden beoordeeld. DORA bevat aanbevelingen voor onderzoeksfinanciers, onderzoeksorganisaties, wetenschappelijke tijdschriften en andere partijen.

DORA richt zich op het terugdringen van het onkritisch gebruik van bibliometrische indicatoren en het wegnemen van onbewuste vooringenomenheid bij de beoordeling van onderzoek en onderzoekers. Overkoepelende filosofie van DORA is dat onderzoek moet worden beoordeeld op zijn eigen kwaliteiten en verdiensten, en niet op basis van afgeleide indicatoren, zoals het tijdschrift waarin het onderzoek is gepubliceerd.

4.3.4 Ex aequo

Het kan gebeuren dat 2 of meer aanvragen bij de beoordeling (bijna) dezelfde score krijgen. Dit noemen we ex aequo. Dit kan ook voorkomen rond het subsidieplafond, oftewel de grens tussen aanvragen die wel en niet worden toegewezen. Dan moet worden bepaald welke aanvraag wel wordt toegewezen, en welke niet. Dat gebeurt aan de hand van de volgende procedure.

De aanvraag met de hoogste score op het criterium kwaliteit projectplan krijgt de hoogste positie in de prioritering.

Als aanvragen dan nog steeds op een gelijke positie eindigen, geldt de volgende bepaling.

De aanvraag met de hoogste score op het criterium vraagarticulatie krijgt de hoogste positie in de prioritering.

Als aanvragen dan nog steeds op een gelijke positie eindigen, geldt de volgende bepaling.

De aanvraag met de hoogste score op het criterium kwaliteit van het netwerk krijgt de hoogste positie in de prioritering.

Als er dan nog aanvragen op dezelfde positie staan rond de grens van wel of niet toewijzen, stemmen de leden van de beoordelingscommissie om te bepalen welke aanvraag op de hoogste positie in de prioritering eindigt (conform artikel 2.2.6, vijfde lid van de NWO Subsidieregeling). Als ook stemming geen uitsluitsel biedt, of niet gewenst is, wordt de ex aequo doorgestuurd naar het bestuur van Regieorgaan SIA.

Om te bepalen of 2 of meer aanvragen een score hebben die niet van elkaar te onderscheiden is, wordt gekeken naar de totaalscore van de aanvraag die nog net binnen de grens van het subsidieplafond valt. Als de score van deze aanvraag 0,05 punt of minder verschilt met de scores van de aanvragen buiten de grens van het subsidieplafond, dan wordt het op bovenstaande manier opgelost. Alle aanvragen met een score tussen +0,05 en -0,05 van de referentiescore worden meegenomen in de voorkeursbepaling.

5 Na de toewijzing

In dit hoofdstuk staan de voorwaarden en verplichtingen die gelden na toewijzing van de subsidie. Dit hoofdstuk is hoofdzakelijk relevant voor aanvragers van toegewezen aanvragen.

5.1 Start van het project

De aanvrager is verantwoordelijk voor de uitvoering van het gehele project en treedt op als penvoerder. Regieorgaan SIA communiceert met de indiener in ISAAC over het project. De persoon is tijdens het project het formeel aanspreekpunt tenzij de aanvrager via ISAAC een wijziging doorgeeft.

De aanvrager van het project ontvangt namens het bestuur van Regieorgaan SIA een toewijzingsbrief. De geassocieerde culturele instelling ontvangt een afschrift van de toewijzingsbrief. Zonder dit document mag het project niet starten. De subsidie wordt uitbetaald in termijnen.

5.1.1 Administratieve acties in ISAAC

De aanvrager (indiener in ISAAC) kan anderen machtigen om administratieve acties voor hun project uit te voeren in het ISAAC-systeem. Meer informatie over de machtigingsregeling is te vinden in de ISAAC-handleiding.

5.1.2 Datamanagementplan

Bij goed onderzoek hoort verantwoord datamanagement. Aan het begin van het project werkt de aanvrager de datamanagementparagraaf uit tot een datamanagementplan. Als er door de beoordelingscommissie advies gegeven is over datamanagement, dan kan daarvan gebruik worden gemaakt. De penvoerder beschrijft in het plan of er gebruik gemaakt wordt van bestaande data of dat het om een nieuwe dataverzameling gaat en hoe de dataverzameling dan FAIR – vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar – gemaakt wordt.

Het datamanagementplan moet worden afgestemd met een datasteward of vergelijkbare functionaris van de penvoerder. Het datamanagementplan moet binnen 4 maanden na toewijzing van het project via ISAAC bij Regieorgaan SIA worden ingediend. Regieorgaan SIA beoordeelt het plan. Goedkeuring van het datamanagementplan door Regieorgaan SIA is een voorwaarde voor de subsidieverlening. Het plan kan tijdens het onderzoek worden bijgesteld.

5.2 Monitoring en projectbeheer

Tijdens de loop van het project houdt de penvoerder Regieorgaan SIA op de hoogte van de voortgang. Na afloop van het project deelt de penvoerder de resultaten. In het subsidiebesluit staat op welke manier dit gebeurt.

Het Fonds voor Cultuurparticipatie is medefinancier van deze regeling en houdt graag overzicht van alle onderzoeken waarbij het betrokken is. Regieorgaan SIA deelt daarom alle aanvraagdocumenten van de subsidieaanvragen binnen deze regeling, onderdelen van het projectvoorstel, voortgang- en eindrapportage en de naam, het e-mailadres en het telefoonnummer van de contactpersoon van het project met het Fonds voor Cultuurparticipatie.

Medewerkers van het Fonds voor Cultuurparticipatie hebben uitsluitend recht van inzage in deze documenten. Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de penvoerder van het project mogen zij geen mededelingen doen aan derden over inhoud die op basis van de publiek beschikbare samenvatting niet bekend is. Het Fonds voor Cultuurparticipatie gebruikt de naam, het e-mailadres en het telefoonnummer van de contactpersoon mogelijk om contact op te nemen.

5.2.1 Voortgangsrapportage

Regieorgaan SIA vraagt periodiek de voortgang van een project op. De formats hiervoor staan in ISAAC.

5.2.2 Bijeenkomsten

Regieorgaan SIA organiseert in samenwerking met het Fonds voor Cultuurparticipatie activiteiten om de kennisuitwisseling tussen de gefinancierde projecten te bevorderen. Verwacht wordt dat bij deze bijeenkomsten vertegenwoordigers van de projecten aanwezig zullen zijn, waaronder de hogeschool en de geassocieerde culturele instelling.

Regieorgaan SIA raadt de penvoerder aan om in de begroting een budget te alloceren voor deelname aan deze bijeenkomsten.

5.2.3 Wijzigingen in het project

Als er tijdens de looptijd van het project wijzigingen zijn ten opzichte van de toegewezen aanvraag en begroting, moet de penvoerder deze wijzigingen vooraf ter goedkeuring voorleggen aan Regieorgaan SIA via een wijzigingsformulier in ISAAC.

5.3 Richtlijnen en kaders voor uitvoering van het project

Hieronder staan de richtlijnen en kaders die van toepassing zijn op de uitvoering van het project.

5.3.1 Ethische verklaring of vergunning

Het is de verantwoordelijkheid van de penvoerder om na te gaan of voor de uitvoering van het voorgestelde project een ethische verklaring of vergunning noodzakelijk is. De aanvrager moet ervoor zorgen dat deze tijdig wordt verkregen bij de relevante instelling of ethische commissie. Het wel of niet hebben van een ethische verklaring of vergunning op het moment van het aanvraagproces heeft geen invloed op de beoordeling van de aanvraag. Als er een ethische verklaring of vergunning nodig is voor (een deel van) het onderzoek dan moet de penvoerder een kopie van deze verklaring of vergunning aan Regieorgaan SIA verstrekken nadat het project is toegewezen, en in ieder geval uiterlijk voordat de uitvoering van het onderdeel van het project waarvoor de verklaring nodig is van start gaat. Het deel van het project waarvoor de verklaring en/of vergunning vereist is, kan uiteraard (nog) niet worden uitgevoerd zolang er geen verklaring of vergunning is verstrekt.

5.3.2 Wetenschappelijke integriteit

Onderzoek dient volgens de normen van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit te worden uitgevoerd. In geval van (mogelijke) schending van deze normen, moet de penvoerder Regieorgaan SIA hiervan onmiddellijk op de hoogte stellen en alle relevante documenten aan Regieorgaan SIA overleggen. Onderzoekers kunnen ook een klacht indienen bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van hun instelling of bij het NWO Meldpunt wetenschappelijke integriteit.

Regieorgaan SIA hecht grote waarde aan de wetenschappelijke integriteit van door haar gefinancierd onderzoek en spant zich in om integriteitsschendingen te voorkomen en te signaleren. Niet-integer onderzoek kan immers leiden tot directe schade (bijvoorbeeld aan de omgeving of patiënten), en kan het publieke vertrouwen in de wetenschap en het vertrouwen tussen wetenschappers onderling aantasten.

5.3.3 Naleving Nationale leidraad kennisveiligheid

Wetenschap van wereldklasse kan profiteren van internationale samenwerking. De Nationale leidraad kennisveiligheid (hierna: de Leidraad) helpt onderzoeksorganisaties ervoor te zorgen dat internationale samenwerking veilig kan plaatsvinden. Bij kennisveiligheid gaat het om ongewenste overdracht van gevoelige kennis en technologie die de nationale veiligheid aantast; om heimelijke beïnvloeding van onderwijs en onderzoek door statelijke actoren, en daarmee de academische vrijheid en de sociale veiligheid in gevaar brengt; en om ethische kwesties die kunnen spelen in de samenwerking met landen die de grondrechten niet respecteren.

Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager (na toewijzing de penvoerder) om na te gaan of het project in lijn is en blijft met de Leidraad. Met het indienen van de aanvraag committeert de aanvrager/penvoerder zich aan de overwegingen in deze Leidraad. In geval van het vermoeden van schending van de Leidraad bij een bij Regieorgaan SIA ingediende aanvraag voor projectfinanciering of een door Regieorgaan SIA gefinancierd project, kan Regieorgaan SIA de aanvrager/penvoerder verzoeken om een risicoafweging te overleggen waaruit blijkt dat de overwegingen uit de Leidraad zijn gevolgd. Indien de aanvrager/penvoerder niet aan het verzoek van Regieorgaan SIA voldoet of als de risicoafweging klaarblijkelijk een schending van de Leidraad behelst, kan dit gevolgen hebben voor de subsidieverlening of vaststelling door Regieorgaan SIA. Ook kan Regieorgaan SIA in een voorkomend geval nadere voorwaarden opnemen in de toewijzingsbrief.

De Nationale leidraad kennisveiligheid vindt u op de website van de Rijksoverheid: Home | Loket Kennisveiligheid.

5.3.4 Principes voor maatschappelijk verantwoord licentiëren

Uit het project kan kennis voortkomen die geschikt is voor toepassing in de maatschappij. Bij het aangaan van afspraken over licenties en/of overdracht van onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden met de 10 principes voor maatschappelijk verantwoord licentiëren, die te vinden zijn op de website van NFU.

5.3.5 Genetische bronnen en Nagoya Protocol

Onderzoekers moeten de noodzakelijke acties ten aanzien van het Nagoya Protocol nemen. Het Nagoya Protocol zorgt voor een eerlijke verdeling van voordelen die voortvloeien uit het gebruik van genetische bronnen, inclusief (traditionele) kennis over deze bronnen (Access and Benefit Sharing; ABS). Onderzoekers die gebruik maken van deze bronnen (in of uit het buitenland) dienen zich op de hoogte te stellen van het Nagoya Protocol (ABS Focal Point – ABS Focal Point).

5.3.6 Intellectueel eigendom

Het beleid van Regieorgaan SIA met betrekking tot intellectueel eigendom (IE) is te vinden in de NWO Subsidieregeling.

5.4 Onderzoeksresultaten – Open Science

Open Science is de beweging die staat voor een meer open en participatieve onderzoekspraktijk waarbij publicaties, data, software en andere vormen van wetenschappelijke informatie in een zo vroeg mogelijk stadium gedeeld worden en voor hergebruik beschikbaar gesteld worden.

Wetenschappelijke publicaties over het project dienen Open Access beschikbaar te zijn volgens de Beleidsregel Open Access. Op de website van NWO staat beschreven welke opties er zijn voor het Open Access beschikbaar maken van verschillende typen publicaties zoals wetenschappelijke artikelen, boeken en boekhoofdstukken en proefschriften. Op de NWO-website staat ook informatie over de toepassing van licenties. Eventuele kosten voor Open Access publiceren dienen te worden begroot als onderdeel van de aanvraagbegroting.

Leidt onderzoek dat door Regieorgaan SIA is gefinancierd tot een publicatie of andere relevante onderzoeksoutput? Dan moet de penvoerder Regieorgaan SIA noemen als financier.

5.5 Afronding

Uiterlijk 13 weken na het einde van de looptijd van het project levert de penvoerder schriftelijk een inhoudelijke en financiële eindrapportage in. Het niet of niet tijdig indienen van deze rapportages kan leiden tot het lager of op nihil vaststellen van de subsidie.

5.6 Evaluatie

Regieorgaan SIA kan aanvragers/penvoerders benaderen voor een evaluatie van de procedure en/of het onderzoeksprogramma.

6 Contact

6.1 Vragen over de financiering van aanvragen?

Kijk voor meer informatie op Regieorgaan SIA | Financiering.

6.2 Vragen over de inhoud van deze ronde?

Op de webpagina Co-creatie & Cultuurbeoefening op de website van Regieorgaan SIA vindt u de meest recente informatie over deze Call for proposals. U vindt hier ook contactgegevens van de programmamanager.

6.3 Technische vragen over ISAAC?

Voor vragen over ISAAC kan de handleiding ISAAC worden geraadpleegd (te vinden via de knop ‘help’ in ISAAC). Daarnaast kan er contact opgenomen worden met de ISAAC-helpdesk. De ISAAC-helpdesk is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 10.00 tot 17.00 uur CE(S)T op telefoonnummer +31 (0) 70 34 40 600. U kunt uw vraag ook per e-mail stellen via isaac.helpdesk@nwo.nl. U ontvangt dan binnen 2 werkdagen een reactie.

7 Voorwaarden en tarieven in budgetmodules

7.1 Personeel (behorend bij paragraaf 3.3.1)

7.1.1 Personeel van hogescholen, geassocieerde culturele instellingen, TO2-instituten, onderwijsinstellingen en overige organisaties (behorend bij paragraaf 3.3.1.1 en 3.3.1.3)

Financiering kan worden aangevraagd voor personeel van hogescholen, geassocieerde culturele instellingengeassocieerde ci, TO2-instituten, overige onderwijsinstellingen, maatschappelijke organisaties en overige organisaties. De tarieven worden bepaald aan de hand van de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.2 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. De salarisschaal van de aangevraagde functie bepaalt het tarief uit de HOT-tabel. Dit tarief geldt voor de gehele looptijd van het project.

Voor organisaties die niet de cao Rijksoverheid of een vergelijkbare cao gebruiken (zoals de cao’s van hbo, mbo, vo en lagere overheden), gelden de volgende salarisschalen van HOT-tabel 2 onder 2.2, kolommen productieve uren. Projectondersteuner: schaal 6. Junior (onderzoeker): schaal 10. Medior (onderzoeker): schaal 12. Senior (onderzoeker): schaal 13. Directeur: schaal 16.

7.1.2 Studenten (behorend bij paragraaf 3.3.1.2)

In het onderzoek kunnen studenten worden ingezet. Indien de studenten bijdragen als onderdeel van hun curriculum, geldt het tarief volgens de gebruikelijke stagevergoeding van de hogeschool, universiteit of mbo-instelling.

Indien de studenten als bijbaan naast hun studie als student-assistent bijdragen, geldt het tarief volgens Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.2 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, exclusief btw’, schaal 1.

7.1.3 Promovendus (behorend bij paragraaf 3.3.1.4)

Een promovendus wordt 48 maanden voor 1,0 fte aangesteld bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, umc of onderzoeksorganisatie zoals genoemd in artikel 1.1, eerste lid, c t/m h van de NWO Subsidieregeling. Het equivalent van 48 voltijdsmaanden, bijvoorbeeld een aanstelling van 60 maanden voor 0,8 fte, is ook mogelijk. Het is in bijzondere situaties mogelijk om een kortere aanstellingsduur aan te vragen. Dit moet goed worden gemotiveerd. Hierover wordt geoordeeld door de beoordelingscommissie. Indien een project korter duurt dan 48 maanden, is het noodzakelijk dat de decaan of instituutsdirecteur schriftelijk toezegt om het resterende deel van het promotietraject te financieren. Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een promovendus die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.

Gebruik de tarieven van een promovendus in de salaristabellen van UNL en NFU. Voor iedere promovendus is een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.

7.1.4 Postdoc (behorend bij paragraaf 3.3.1.4)

Een postdoc wordt aangesteld bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, umc of onderzoeksorganisatie zoals genoemd in artikel 1.1, eerste lid, c t/m h van de NWO Subsidieregeling.

Gebruik de tarieven van een senior wetenschappelijk medewerker in de salaristabellen van UNL, en de tarieven van een postdoc bij een umc in de salaristabellen van NFU.

Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een postdoc die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.

Alleen een postdoc positie met een aanstelling van ten minste 12 maanden voor 0,5 fte kwalificeert als een aanstelling waarvoor een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar staat ter stimulering van de wetenschappelijke carrière.

7.1.5 Niet-wetenschappelijk personeel (behorend bij paragraaf 3.3.1.4)

Financiering kan worden aangevraagd voor niet-wetenschappelijk personeel (NWP) dat nodig is voor de uitvoering van het project. Het kan bijvoorbeeld gaan om programmeurs, technisch assistenten, analisten of projectleiders. De inzet van NWP moet worden beschreven in de aanvraag.

De duur van de aanstelling is niet langer dan de looptijd van het door Regieorgaan SIA gefinancierde project.

Afhankelijk van het functieniveau wordt gekozen uit de salaristabellen van het UNL of NFU voor NWP-mbo, NWP-hbo en NWP-academisch. Voor NWP is geen benchfee beschikbaar.

7.1.6 Universitair (hoofd)docenten en hoogleraren (behorend bij paragraaf 3.3.1.4)

Financiering kan worden aangevraagd voor loonkosten van universitair (hoofd)docenten en hoogleraren bij universiteiten, umc’s en onderzoeksorganisaties genoemd in artikel 1.1, eerste lid, c t/m h van de NWO subsidieregeling. Begeleiding van een promovendus of postdoc komt niet in aanmerking voor financiering.

Gebruik de tarieven volgens de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 1 onder 2.1, ‘gemiddelde directe loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. De salarisschaal bepaalt het tarief. Voor hoogleraren geldt schaal 17.

Voor universitair (hoofd)docenten en hoogleraren is geen benchfee beschikbaar.

7.1.7 Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland

Financiering kan worden aangevraagd voor loonkosten van personeel aan een buitenlandse onderzoeksorganisatie dat een bijdrage levert aan het project. De buitenlandse onderzoeksorganisatie moet voldoen aan de definitie van onderzoeksorganisatie van artikel 5.1 sub p van de NWO Subsidieregeling.

Onderbouw overtuigend hoe de onderzoeker van de buitenlandse onderzoeksorganisatie specifieke expertise aan het project bijdraagt die in Nederland niet beschikbaar is op het niveau dat voor het project noodzakelijk is. De beoordelingscommissie beoordeelt deze onderbouwing als onderdeel van het criterium netwerkvorming. Deze onderbouwing is niet nodig wanneer NWO een bilaterale overeenkomst omtrent Money follows cooperation heeft gesloten met de nationale onderzoeksfinancier van het land waar de buitenlandse onderzoeksorganisatie zich bevindt. Op de NWO-website staat met welke onderzoeksfinanciers NWO een dergelijke overeenkomst heeft gesloten. NWO verstrekt geen subsidie aan medeaanvragers in het buitenland die vallen onder toepasselijke sanctiewetgeving.

De aanvrager ontvangt de subsidie en is verantwoordelijk voor het overmaken van subsidiemiddelen aan de buitenlandse onderzoeksorganisatie (van de mede-aanvrager) en voor de financiële verantwoording van de besteding van het buitenlandse deel van de subsidie. Het wisselkoersrisico ligt bij de aanvrager. Baten of lasten door wisselkoersen zijn niet subsidiabel.

Gebruik de UNL-tarieven gecorrigeerd voor de landencorrectiecoëfficiënten. Deze tarieven zijn maxima. Er is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.

7.2 Materieel (behorend bij paragraaf 3.3.2)

Financiering kan worden aangevraagd voor alle kosten voor het project en de doorwerking ervan met betrekking tot onder meer verbruiksgoederen, inkoop van diensten, materialen, kleine instrumenten, toegang tot (inter)nationale faciliteiten, software en onderzoeksmiddelen die na gebruik geen economische waarde meer hebben. Reis- en verblijfkosten (nationaal en internationaal) voor alle mensen die aan het project werken incl. buitenlandse gastonderzoekers, kosten voor de organisatie van (internationale) workshops en symposia, kosten voor datamanagement, publicaties, en kosten in het kader van citizen science vallen eveneens onder deze module.

Reiskosten (nationaal en internationaal) worden alleen vergoed op basis van tweede klasse/economy class tarieven. Voor publicaties gelden de bepalingen in paragraaf 4.5 Onderzoeksresultaten – Open science. Kosten voor een controleverklaring kunnen alleen worden opgevoerd voor instellingen die niet onderworpen zijn aan het onderwijsaccountantsprotocol van OCW voor maximaal € 5.000 per controleverklaring.

Het is niet toegestaan om kosten op te voeren voor:

  • organisatie-infrastructuur en overhead, waaronder een volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR-advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening en thuiswerkvergoeding;

  • het gebruik en onderhoud van in eigen beheer ontwikkelde wetenschappelijke infrastructuur;

  • reguliere onderwijsactiviteiten.

7.3 Investeringen (behorend bij paragraaf 3.3.3)

Financiering kan worden aangevraagd voor alle project specifieke middelen ten behoeve van onderzoek of kosten met betrekking tot bouw of doorontwikkeling van wetenschappelijke infrastructuur die na afronding van het project economische waarde behouden, dan wel kunnen worden hergebruikt. De begunstigde verwerft na afloop van het project het eigendom over deze onderzoeksmiddelen. Indien de begunstigde winst realiseert uit het economisch eigendom van deze onderzoeksmiddelen, dan moeten deze winsten worden geïnvesteerd in onderzoeksactiviteiten. Het gaat om de aanschaf van apparatuur met restwaarde voor de uitvoering van onderzoek en om investeringen in de opbouw of (verdere) ontwikkeling van wetenschappelijke infrastructuur. Loonkosten als onderdeel van de investering zijn op te voeren als personele kosten.

Indien apparatuur niet tijdens de volledige levensduur daarvan voor het voorgestelde project wordt gebruikt, komen alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het voorgestelde project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, voor subsidiëring in aanmerking.

De kosten voor investeringen dienen in de aanvraag adequaat gespecificeerd en gemotiveerd te worden.

Subsidiabel zijn:

  • kosten voor investeringen in wetenschappelijke apparatuur;

  • kosten voor investeringen in datasets;

  • loonkosten voor medewerkers met essentiële technische expertise noodzakelijk voor de ontwikkeling of bouw van een investering.

Niet-subsidiabel zijn:

  • kosten voor infrastructurele voorzieningen die tot de gebruikelijke infrastructuur gerekend kunnen worden volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR-advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening, thuiswerkvergoeding;

  • dataverzamelingen en eventuele bijbehorende software en bibliografieën die reeds op andere wijze beschikbaar zijn;

  • overige personeelskosten, waaronder personeelskosten voor de exploitatie en het uitvoeren van onderzoek met de faciliteit;

  • kosten voor onderhoud en gebruik van de apparatuur op een project (de kosten voor het gebruik van apparatuur op een project kunnen via het materieel budget aangevraagd worden).

7.4 Indexering

Het tarief op het moment van de besluitdatum is van toepassing. Regieorgaan SIA past bij de toekenning zo nodig eenmalig ambtshalve een indexering toe van de loonkosten. Hierbij wordt de datum gehanteerd dat de tarieven ingaan. Indien de datum van bekendmaking van de tarieven later is dan de ingangsdatum, wordt de datum van bekendmaking gehanteerd. De tarieven van de Universiteiten van Nederland (UNL) gaan doorgaans in op 1 juli, van de Nederlandse Federatie van Universitair medische centra (NFU) op 1 augustus en van de Handleiding Overheidstarieven (HOT) op 1 januari.

Ambtshalve indexering heeft geen invloed op het subsidieplafond en het maximaal aan te vragen subsidiebedrag. Het subsidieplafond en het maximaal aan te vragen subsidiebedrag blijven ongewijzigd tijdens de beoordelingsprocedure. Bij toewijzing wordt indexering toegepast op het subsidiebedrag.

De ambtshalve indexering heeft geen gevolgen voor de eisen aan eigen bijdragen en/of cofinanciering, noch voor de IE-rechten die uit de eigen bijdragen en/of cofinanciering kunnen voortvloeien.

Bijlage 1 Getoetste organisaties

De hieronder genoemde organisaties hoeven geen de-minimisverklaring aan te leveren.

  • IHE Delft Institute for Water Education

  • KNMI – Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

  • Marin – Maritime Research Institute Netherlands

  • NIVEL

  • NLR – Stichting Koninklijk Nederlands Lucht – en Ruimtevaartcentrum

  • RIVM – Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

  • Stichting Deltares

  • Stichting Wageningen Research

  • TNO

  • Trimbos Instituut

  • Waag Futurelab

Naar boven