Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek | Staatscourant 2025, 27365 | overige overheidsinformatie |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek | Staatscourant 2025, 27365 | overige overheidsinformatie |
2025
|
1 |
Inleiding |
1 |
|
1.1 Achtergrond |
1 |
|
|
1.2 Beschikbaar budget |
2 |
|
|
1.3 Indieningsdeadline(s) |
2 |
|
|
2 |
Doel |
2 |
|
2.1 Doelstelling van het programma |
2 |
|
|
2.2 Inhoudelijk kader |
3 |
|
|
2.3 Maatschappelijke impact |
7 |
|
|
2.4 Consortiumvorming |
8 |
|
|
3 |
Voorwaarden voor aanvragers |
8 |
|
3.1 Wie kan aanvragen |
8 |
|
|
3.2 Wat kan worden aangevraagd |
11 |
|
|
3.3 Het opstellen en indienen van de aanvraag |
12 |
|
|
3.4 Indieningsvoorwaarden |
14 |
|
|
3.5 Subsidievoorwaarden |
14 |
|
|
4 |
Beoordelingsprocedure |
17 |
|
4.1 De San Francisco Declaration (DORA) |
17 |
|
|
4.2 Procedure |
18 |
|
|
4.3 Criteria |
20 |
|
|
5 |
Subsidieverplichtingen |
21 |
|
5.1 Inhoudelijke monitoring |
21 |
|
|
5.2 Verantwoording en afsluiting |
21 |
|
|
5.3 Programma activiteiten |
21 |
|
|
5.4 Datamanagement |
21 |
|
|
5.5 Intellectueel eigendom en consortiumovereenkomst |
22 |
|
|
5.6 Maatschappelijk verantwoord licentiëren |
22 |
|
|
5.7 Begeleidingscommissie |
22 |
|
|
5.8 Open Access |
22 |
|
|
6 |
Contact en overige informatie |
23 |
|
6.1 Contact |
23 |
|
|
6.2 Overige informatie |
23 |
|
|
7 |
Bijlagen |
24 |
|
7.1 Toelichting op budgetmodules |
24 |
|
|
7.2 Indexering |
28 |
|
|
7.3 Onderzoekorganisaties |
29 |
|
|
7.4 Geprioriteerde onbeschermde soorten |
29 |
In deze Call for proposals leest u hoe de aanvraagprocedure is ingericht voor de subsidieronde ‘Kennis over onbeschermde soorten voor duurzaam visserijbeleid’. Deze Call for proposals valt onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).
U vindt in deze Call for proposals achtereenvolgens informatie over het doel van dit programma (hoofdstuk 2), de voorwaarden voor de subsidieaanvraag (hoofdstuk 3) en hoe uw aanvraag wordt beoordeeld (hoofdstuk 4). Deze informatie heeft u nodig om een aanvraag voor subsidie te kunnen indienen. In hoofdstuk 5 vindt u de subsidieverplichtingen die van toepassing zijn in geval van toewijzing. In hoofdstuk 6 staan de contactgegevens en in hoofdstuk 7 de bijlagen.
Wat wil Nederland weten? Vanuit die gedachte is de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) door een innovatief proces met de inbreng van burgers en wetenschappers tot stand gekomen: elke Nederlander kreeg de kans om online vragen aan de wetenschap te stellen. Deze oproep leverde maar liefst 11.700 vragen op, over de meest uiteenlopende onderwerpen. Deze zijn gebundeld in 140 grote vraagstukken, de zogeheten ‘clustervragen’. Rond deze clustervragen zijn vanuit onderzoekers en maatschappelijke organisaties 25 netwerken ontstaan, die de naam NWA-routes kregen. Deze netwerken kregen een eigen routemanagement en ontwikkelen, geïnspireerd door de clustervragen in de NWA-agenda, kennisagenda’s, organiseren bijeenkomsten en communicatieactiviteiten. De 25 NWA-routes en bijbehorende clustervragen zijn te vinden via Routes | NWO.
De NWA omvat complexe vraagstukken waar samenwerking tussen onderzoekers vanuit verschillende disciplinaire achtergronden en kennisorganisaties en maatschappelijke (publieke en private) organisaties meerwaarde heeft. Hierin stroomt nieuwe kennis door van onderzoeker naar gebruiker en nieuwe vragen vanuit de praktijk en de samenleving vinden een ingang in nieuw onderzoek. Het NWA- programma stimuleert daarom samenwerking tussen verschillende partners in de overtuiging dat men meer kan bereiken met elkaar dan ieder afzonderlijk.
De kernelementen van de NWA zijn:
− De Nationale Wetenschapsagenda die gevormd wordt door de 140 clustervragen en de 25 routes;
− Kennisketenbrede1 en interdisciplinaire consortia, waarin onderzoekers vanuit verschillende disciplinaire achtergronden en kennisorganisaties en maatschappelijke (publiek en private) organisaties en (waar relevant) burgers samenwerken aan de complexe vraagstukken;
− Maatschappelijke organisaties, samenleving en burgers hebben een duidelijke rol in het onderzoek;
− Het in dialoog en interactie delen van de resultaten met de samenleving.
De uitvoering van het programma voor de Nationale Wetenschapsagenda is door het Ministerie van OCW in 2018 belegd bij NWO. De NWA omvat vier programmalijnen2:
Deze Call for proposals wordt gerealiseerd in het kader van programmalijn 2.
Bij deze Call for proposals is het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur de initiatiefnemer.
Het subsidieplafond voor deze Call for proposals bedraagt in totaal € 4.780.000. Binnen deze Call for proposals wordt maximaal één aanvraag toegewezen.
Bij het indienen van uw aanvraag in ISAAC dient u ook online nog gegevens in te voeren. Begin daarom ten minste één dag vóór de deadline van deze Call for proposals met het indienen van uw aanvraag.
Aanvragen die na de deadline worden ingediend, worden niet in behandeling genomen.
De collaboratieve workshops vinden plaats in oktober 2025. Meer informatie kunt u vinden op de financieringspagina van deze Call for proposals.
De deadline voor het indienen van aanvragen is donderdag 29 januari 2026, voor 14:00:00 CET.
De deadline voor het indienen van een verzoek tot toetsing van (buitenlandse) organisaties (zie paragraaf 3.1 en paragraaf 7.1.1) is 10 werkdagen voor de indieningsdeadline, voor donderdag 15 januari 2026, voor 14:00:00 CET.
Dit hoofdstuk beschrijft de doelstelling van het programma en de maatschappelijke impact.
Deze Call for proposals roept kennisinstellingen en maatschappelijke partijen op tot het gezamenlijk ontwikkelen van wetenschappelijke en praktijkgeoriënteerde onderzoeksvoorstellen gericht op het thema ‘Kennis over onbeschermde soorten voor duurzaam visserijbeleid’. Een consortium werkt multi- en interdisciplinair en is kennisketenbreed samengesteld. Kennisketenbreed houdt in dat het programma fundamenteel, toegepast en praktijkgericht onderzoek verbindt en aansluit op de kennisbehoefte vanuit de maatschappelijke partijen. Een consortium vertrekt nadrukkelijk vanuit een socio-ecologisch systeem als verbindend concept.
Het doel van het NWA-programma ‘Kennis over onbeschermde soorten voor duurzaam visserijbeleid’ is het ontwikkelen van inzichten in de impact die de energie-, voedsel- en natuurtransitie (hierna: Noordzeetransities) hebben op onbeschermde soorten in de Noordzee. Deze inzichten komen tot stand in samenwerking met de visserijsector en vormen de basis voor het opzetten van duurzaam, integraal beleid, waarbij de ontwikkeling in de Noordzee en die van de visserij hand in hand gaan.
Immers, zo kunnen via beleid geïnformeerde en onderbouwde beslissingen genomen worden om, waar nodig, sturing te geven, de ambities van de transities te bereiken en ongewenste ontwikkelingen te mitigeren.
Het programma moet leiden tot inzichten die een eerste kader geven voor:
• handelingsperspectieven voor beleid ten aanzien van beheer en bescherming van onbeschermde soorten, natuurbehoud en maatregelen ten behoeve van de visserij;
• inzichten die de visserijsector kunnen helpen bij de richting waarin ze zich kan ontwikkelen om een duurzame en toekomstbestendige visserij te garanderen;
• mogelijkheden die vanuit het realiseren van de doelstellingen uit ‘Het Akkoord voor de Noordzee’ 3 ontstaan om een duurzame visserij op onbeschermde soorten te ondersteunen en om onwenselijke ontwikkelingen voor deze doelsoorten en voor de betrokken visserijgemeenschappen te mitigeren.
Deze Call for proposals past binnen de NWA-Routes:
• De blauwe route: water in beweging, transities en kansen in het blauwe domein
• De groene route: natuur en biodiversiteit in een snel veranderende omgeving
• Duurzame productie van gezond en veilig voedsel
Binnen de blauwe route wil het onderzoek bijdragen aan het beter begrijpen, benutten en beschermen van de Noordzee. Het resulterende onderzoek levert nieuwe kennis op over mariene ecologie en over veranderingen in soortensamenstelling die van belang zijn voor de Nederlandse visserij in de toekomst. Daarbij moet het bijdragen aan handelingsperspectieven voor beleid ten aanzien van (in dit geval) onbeschermde soorten, natuurbehoud en maatregelen ten behoeve van duurzame visserij.
Binnen de groene route wil het onderzoek bijdragen aan mogelijkheden binnen de energie-, voedsel- en natuurtransitie op de Noordzee, om onbeschermde soorten te ondersteunen en ontwikkelingen die bijdragen aan de SDGs te bevorderen.
Binnen de route Duurzame productie van gezond en veilig voedsel wil het onderzoek bijdragen aan kennis over de vraag hoe genoeg voedsel geproduceerd kan worden voor de groeiende wereldbevolking, met respect voor onze planeet.
De inhoudelijke doelstelling van het programma is om ecologische en sociaaleconomische kennis te genereren waarmee realistische perspectieven kunnen worden geschetst voor een toekomstige visserij op onbeschermde soorten in de Noordzee. De term onbeschermde soorten beslaat soorten die niet zijn opgenomen in de milieuwetgeving van de Europese Unie zoals de habitatrichtlijn en de natuurherstelverordening. Deze kunnen onder de Europese visserijregelgeving echter wel een beheer- en monitoringregime kennen, zoals vangstquota die worden vastgesteld op basis van de adviezen van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES) en de gegevens die worden verzameld in het kader van de Wettelijke Onderzoekstaken Visserij Onderzoek (WOT-VO). Ten slotte zijn er nog soorten die niet in de milieuwetgeving zijn opgenomen én niet beheerd en gemonitord worden. Met name voor de soorten die onbeschermd en/of onbeheerd zijn is de (ecologische) kennisbasis relatief smal (zgn. ‘data-arme’ soorten) en is er weinig inzicht in de eventuele gevolgen van de transities op de Noordzee. Additionele kennis over deze soorten is noodzakelijk voor het opstellen van kaders en richtlijnen die nodig zijn voor het ontwikkelen van integraal Noordzeebeleid. Pas dan is het mogelijk om voor visserijgemeenschappen in deze snel veranderende context toekomstperspectieven te ontwikkelen die duurzaam en veerkrachtig zijn.
Aan kennis over soorten die wel in de Europese milieuwetgeving zijn opgenomen, zoals ETP (‘Endangered, Threatened and Protected’) soorten, wordt vanuit verschillende programma’s (zoals het programma Monitoring en Onderzoek Natuurversterking en Soortenbescherming (MONS) en het Wind op Zee Ecologisch Programma (WOZEP)) aandacht besteed en deze zijn geen onderdeel van deze call.
Een lijst met de onbeschermde soorten die voor deze Call for proposals zijn geselecteerd, is te vinden in bijlage 7.4. Halverwege het programma zal de keuze voor te onderzoeken soorten worden geëvalueerd.
Momenteel vinden in de Noordzee drie grote samenhangende transities plaats: de energie-, voedsel- en natuurtransitie (hierna: Noordzeetransities). Deze transities staan beschreven in Het Akkoord voor de Noordzee. Als gevolg van deze transities zal de Noordzee de komende decennia aanzienlijk veranderen. Het Akkoord voor de Noordzee stelt: ‘De ecologische draagkracht is randvoorwaardelijk voor het individuele en cumulatieve gebruik van de Noordzee door verschillende functies’. Zonder adequate bescherming en duurzaam beheer staan toekomstige economische activiteiten van diverse sectoren die actief zijn in en op de Noordzee onder druk, waaronder die van de visserijsector.
Er is behoefte aan een zorgvuldige analyse van ecosysteemfuncties en aan afwegingen tussen de belangen van verschillende gebruikers van mogelijke ecosysteemdiensten. Dit heeft ook consequenties voor de sociale context van de visserijgemeenschappen en de dynamiek van de visserij in en op de Noordzee. Het is belangrijk dat de visserijsector een duidelijk perspectief wordt geboden en dat dit perspectief door de sector wordt gedragen. Daarvoor is het belangrijk dat de visserijsector wordt betrokken bij het samenstellen van passende kaders en richtlijnen met betrekking tot de mogelijkheden voor vangst van vis-, schaal-, schelp- en weekdiersoorten die met deze transities verband houden. Om de ambities van de Noordzeetransities te bereiken moeten beleidsmakers geïnformeerde en (wetenschappelijk) onderbouwde adviezen kunnen voorleggen om waar nodig sturing te geven en eventuele ongewenste ontwikkelingen die verband houden met de transities te kunnen mitigeren.
Met het NWA-programma ‘Kennis over onbeschermde soorten voor duurzaam visserijbeleid’ wordt beoogd een eerste beeld te schetsen van de situatie en risico’s van de Noordzeetransities voor een aantal geselecteerde onbeschermde soorten (zie bijlage 7.4.) als ook van de kansen die de transities met zich mee kunnen brengen voor de visserijsector. Door middel van dit onderzoek aan onbeschermde soorten wordt inzicht verkregen in de sociaaleconomische context van en in perspectieven voor visserijgemeenschappen, en ook in de dynamiek van het visserijveld en de verschillende stakeholders daarbinnen. Hiermee wordt verwacht dat het programma de dialoog tussen beleid, onderzoek en de visserijsector zal versterken. Op basis van deze kennis en inzichten beoogt het programma bij te dragen aan de ontwikkeling van een duurzaam, integraal en gedragen Noordzeebeleid.
In de afgelopen jaren zijn verschillende studies uitgevoerd door Wageningen Economic Research over de sociaaleconomische impact van verschillende veranderingen op de Noordzee op de Nederlandse Kottervisserij. Met deze Call for proposals worden daar de ecologische veranderingen met betrekking tot visbestanden aan verbonden.
Het principe dat de ecologische draagkracht van het ecosysteem leidend is bij de Noordzeetransities, en waarbij vanuit de voedselvisie van de Nederlandse overheid4 een belangrijke bijdrage van vis wordt voorzien, biedt mogelijkheden waarop de visserijsector opportuun kan inspelen. Inzichten dragen bij aan het opzetten van duurzaam, integraal en gedragen Noordzeebeleid waarbij de ontwikkelingen in de Noordzee en die van de visserij hand in hand gaan.
Om het doel van het NWA-programma ‘Kennis over onbeschermde soorten voor duurzaam visserijbeleid’ richting te geven en toe te werken naar de beoogde impact zijn drie kennisvragen vastgesteld. De drie kennisvragen zijn sterk met elkaar verbonden en dienen op een integrale manier te worden onderzocht.
Drie kennisvragen:
1) Welke soorten zijn van belang?
Het op peil brengen van de basiskennis voor de soorten opgenomen in bijlage 7.4;
2) Welke impact hebben klimaatverandering (verzuring, verminderd opgelost zuurstof; hogere temperaturen) en infrastructurele werken (zoals steenbestorting/ hard substraat rond windmolens op zee) op deze soorten in relatie tot visserij?
Een ecologische evaluatie van deze soorten in afstemming met bestaande initiatieven; incl. impact van klimaatverandering op deze soorten. Hebben deze ontwikkelingen impact op paaigebieden, paaisucces, foerageergebieden en overlevingssucces van juvenielen?
3) Welke visserij is van belang nu, en straks?
Een sociaaleconomische analyse van de visserijsector met betrekking tot deze soorten uit bijlage 7.4 en betrokkenheid van de visserijsector en visserijgemeenschappen bij de beleidsmatige en wetenschappelijke dialoog over handelingsperspectieven ten behoeve van de visserij.
Kennisvraag 1. Welke soorten zijn van belang?
Aanvragen in het kader van deze Call for Proposals dienen als doel te hebben om de kennisbasis voor de soorten genoemd in bijlage 7.4 te verkennen, te verbreden en op orde te brengen. Halverwege de looptijd van het programma wordt de lijst van geselecteerde soorten geëvalueerd. Een wens tot aanpassing van te onderzoeken soorten dient te worden afgestemd met de begeleidingscommissie. Advies voor het op peil brengen en houden van de kennisbasis voor de onderzochte soorten kan onderdeel zijn van de uitkomsten van het onderzoek.
Het in de aanvraag beschreven onderzoek zal onder andere de volgende onderzoeksvragen omvatten:
• Een evaluatie van bestaande gegevens, en waar mogelijk en relevant verzamelen van gegevens, over de soorten uit bijlage 7.4. Naast biologische gegevens en (aanvullende) soort-specifieke kennis omvat dit ook visserijgegevens over deze soorten en eventueel (internationaal) bestaande tijdsreeksen.
• Een evaluatie van reeds bestaande en mogelijke (nationaal of internationaal) in ontwikkeling zijnde ideeën voor beheermaatregelen (en eventueel dienovereenkomstige monitoringsprogramma’s) van de soorten uit bijlage 7.4.
• Het verzamelen en/of aanvullen van biologische beschrijvingen van de onderzochte soorten, waaronder: verspreidingsgegevens in ruimte en tijd, levenscycli met daaraan gekoppeld habitatgebruik en correlaties met omgevingsvariabelen, en correlaties met (de levenscycli van) andere soorten in het ecosysteem.
• Het betrekken van bestaande projecten en informatie zoals de vorming van nationale soortenbeschermingsplannen voor sommige soorten uit bijlage 7.4.
Kennisvraag 2. Wat is ecologische draagkracht in relatie tot visserij?
Aanvragen in het kader van deze Call for Proposals dienen als doel te hebben om een omslag te realiseren in ons denken over het gebruik van mariene ecosystemen. De ecologische draagkracht van het Noordzee ecosysteem is leidend bij het afwegen van mogelijkheden voor het individuele en cumulatieve gebruik van de Noordzee voor verschillende doeleinden. Hierbij is het van belang om het functioneren van het ecosysteem in relatie tot de Noordzeetransities te onderzoeken en kennis hierover voor een bredere publiek toegankelijk en inzichtelijk te maken. Dit biedt beleidsmakers en gebruikers van de Noordzee de gelegenheid om verschillende gebruiksfuncties vanuit ecologische haalbaarheid te toetsen en gebalanceerde afwegingen te maken ten behoeve van visserijbeleid.
Het in de aanvraag beschreven onderzoek zal onder andere de volgende onderzoeksvragen omvatten:
• (Aanvullende) ecologische beschrijvingen van de soorten in bijlage 7.4. Hierbij horen ook functionele en trofische relaties tussen de onderzochte soorten en de rest van het ecosysteem.
• (Mogelijke) gevolgen van klimaatverandering voor de geologische verspreiding van de gekozen soorten en het (toekomstig) voorkomen van deze soorten binnen het onderzoeksgebied (Greater North Sea Ecoregion). Hierbij kan, indien relevant, ook (veranderingen in) de geologische verspreiding van, en essentiële toegang tot, soort-specifieke ecologische levenslandschappen worden betrokken.
• Ecologische veerkracht van de gekozen soorten in relatie tot verschillende en cumulatieve stressfactoren. Aandacht is nodig voor verschillen in soort-specifieke strategieën of vermogens om te herstellen van één of meerdere en meerdere cumulatieve stressfactoren. Hierbij hoort een onderscheid tussen stressfactoren met een natuurlijke en antropogene oorsprong, en tussen een direct of indirect verband met de Noordzeetransities. Indien mogelijk en relevant kan ook gekeken worden naar de eventuele doorwerking van stressreacties in het bredere ecosysteem, en naar biodiversiteit en een goede milieutoestand (GMT) als versterkers van ecologische veerkracht.
• Gevolgen van bathymetrische interventies voor de gekozen soorten. Hierbij dient gekeken te worden naar zowel positieve als negatieve effecten voor verschillende soorten, of er een direct of indirect verband bestaat met de interventie, en of de gevolgen een tijdelijk of langdurig (ecologisch) effect sorteren. Indien mogelijk en relevant kan ook gekeken worden of met het aanbrengen van een (economisch functionele) structuur in zee een bepaalde functionele component (zoals een schuil-, broed- en/of foerageerplaats) in de ecologische levenslandschappen van verschillende soorten wordt geïntroduceerd, vervangen, aangetrokken of verwijderd.
• De ecologische functie van soorten opgenomen in bijlage 7.4 in het Noordzee voedselweb.
Kennisvraag 3. Welke visserij is van belang nu, en straks?
Aanvragen in het kader van deze Call for Proposals dienen als doel te hebben om de dialoog tussen beleid, onderzoek en de visserijsector te versterken. Door middel van onderzoek aan onbeschermde soorten dient inzicht te worden verkregen in de sociale context van en perspectieven voor visserijgemeenschappen, en in de dynamiek van het visserijveld en de verschillende stakeholders daarbinnen. Dit moet bijdragen aan een betere basis voor overleg tussen beleid en de visserijsector over uitdagingen in de toekomst en het ontwikkelen van gedragen, duurzaam beleid. Het is van belang dat de visserijsector en visserijgemeenschappen intensief betrokken worden bij de initiatie en implementatie van het onderzoek. Een voorbeeld kan zijn de recente omschakeling naar inktvisvisserij in de wintermaanden door verschillend métiers, terwijl de kennis over het beviste bestand onvoldoende is.
Het is onduidelijk of exploitatie van het inktvisbestand duurzaam is voor de visserijgemeenschappen en métiers die dit bestand bevissen.
Het effect van bodemberoering of bijvangst van verschillende metiérs op soorten opgenomen in bijlage 7.4 is geen onderdeel van deze kennisvraag. Echter, welke visserijmethode/metiér in een toekomstige situatie het beste toegepast kan worden om bepaalde soorten te exploiteren met betrekking tot effecten op het ecosysteem kan onderdeel zijn van deze Call for proposals. Bijvoorbeeld als door de steenbestorting van windparken en verhoogde temperatuur een soort meer aanwezig zal zijn in het ecosysteem en deze het beste bevist kan worden met potten in plaats van netten met inbegrip van effecten van de vangstmethode op het ecosysteem, dan is het passend onder deze Call for proposals.
Het in de aanvraag beschreven onderzoek zal onder andere de volgende onderzoeksvragen omvatten:
• Marktdynamieken voor de soorten in bijlage 7.4 en economische overwegingen die ten grondslag kunnen liggen aan visserij gericht op (een aantal van) deze soorten. Economische haalbaarheid en (bestaande, internationale) juridische kaders horen hierbij, alsmede het gezamenlijk evalueren van de scenario’s die het resultaat zijn van dit onderzoeksprogramma om een duurzame en toekomstbestendige visserij te kunnen helpen ontwikkelen. Indien relevant kunnen overwegingen voor eventueel noodzakelijke herstructurering van de vissersvloot hierbij betrokken worden.
• Bestaande sociale structuren en netwerken binnen de visserijgemeenschappen en de sociaaleconomische positionering van verschillende visserijgemeenschappen onderling met betrekking tot (bestaande) visserij rechten en/of tradities gericht op (een aantal van) de soorten uit bijlage 7.4. De sociaal-culturele impact van zowel ecologisch als economisch gedreven verschuivingen in doelsoorten binnen verschillende visserijgemeenschappen kan hiervan onderdeel uitmaken.
• De wijze waarop visserijgemeenschappen betrokken zijn, kunnen en willen worden bij de dialoog tussen beleid en onderzoek over handelingsperspectieven voor beleid ten aanzien van (opties voor) beheer en bescherming van onbeschermde soorten, natuurbehoud en maatregelen ten behoeve van de visserij.
• Verschillende scenario’s die kunnen helpen bij het bepalen van de richting waarin de sector zich kan ontwikkelen om een duurzame en toekomstbestendige Noordzeevisserij te garanderen. Ecologische, visserij en economische modellen, alsmede aanvullende data en (modellerings-)technieken die beschikbaar zijn of komen vanuit (nationale en internationale) aanpalende, complementaire monitorings- en onderzoeksprogramma’s en andere relevante initiatieven, kunnen hierbij worden gebruikt.
Het NWA programma ‘Kennis over onbeschermde soorten voor duurzaam visserijbeleid’ kent de volgende afbakening, dit wordt getoetst onder criterium 1 en 4 (paragraaf 4.3):
• Het ontwikkelen van een kennisbasis voor onbeschermde soorten richt zich op een toekomstbestendige (Nederlandse) demersale Noordzeevisserij, die vanwege Noordzeetransities het meest onder druk staat. Binnen deze scope vallen naast actieve sleepnetvisserij met boomkor-, ottertrawl, of zegentuigen ook passieve en kleinschalige methoden.
• Het onderzoek richt zich op het gebied waar de Nederlandse demersale vloot actief is en betreft het complete gebied dat door ICES wordt aangeduid als de ‘Greater North Sea Ecoregion’.
• Het onderzoek is nadrukkelijk complementair aan onderzoek binnen bestaande initiatieven. Overlap met bestaande initiatieven is niet gewenst; mogelijke (internationale) samenwerking met bestaande initiatieven wel, in het bijzonder:
− Wind op Zee Ecologisch Programma (WOZEP): impact van de energietransitie op beschermde en kwetsbare soorten.
− Monitoring- Onderzoek- Natuurversterking en Soortenbescherming (MONS): aanvullend op WOZEP, onderzoek naar andere aspecten van beschermde en kwetsbare soorten onderzoek en monitoring.
− NWA-programma’s:
■ Ecologie en Noordzee
■ Onderzoek voor Duurzame Visserij
■ Kennisontwikkeling ecologische effecten van windparken op zee
− International Council for the Exploration of the Sea (ICES).
− Wettelijke Onderzoekstaken Visserij Onderzoek (WOT-VO).
− Recente onderzoeken naar de sociaaleconomische impact gedaan door Wageningen Economic Research en bijbehorende ‘Displace’ modelontwikkeling.
• Het onderzoek richt zich op onbeschermde soorten die voor deze Call for Proposals op basis van bovenstaande kaders zijn geselecteerd (zie bijlage 7.4). Halverwege de looptijd van het programma zal de keuze voor te onderzoeken soorten worden geëvalueerd. Soorten die zijn opgenomen in de bijlages van de milieuwetgeving van de Europese Unie vallen buiten het bereik van dit programma. De afbakening van de lijst van soorten waar deze Call for Proposals zich op richt, is samengesteld door experts waarbij de volgende aanvullende selectiecriteria zijn beschouwd:
− Relevantie van de soort voor de Nederlandse demersale-Noordzee visserij, waarbij vooral gekeken is naar mogelijkheden die een soort biedt voor diversificatie van de visserij,
− Kennisbasis: ‘data-arm’ versus ‘data-rijk’. Hiervoor zijn de Categorie-indelingen van ICES gevolgd,
− Beheersregime: onbeheerd versus beheerd,
− Klimatologische gevoeligheid: ‘vertrekkende’ en ‘opkomende’ soorten versus meer euryoeke soorten,
− Verstoringsgevoeligheid: in aanvulling op de effecten van de Noordzeetransities is hierbij ook gekeken naar gevoeligheid voor bijvoorbeeld vervuiling, (zand)extractie en geluid,
− Ecologische relevantie: soorten die op basis van hun functie in het ecosysteem een belangrijk rol spelen bij het in stand houden van een goede milieutoestand (GMT) en een gezond en veerkrachtig ecosysteem. Onder dit criterium vallen dus ook soorten die als ‘indirect economisch relevant’ kunnen worden aangemerkt vanuit het principe dat ecologische draagkracht leidend is.
De sterk multi- en transdisciplinaire insteek van deze Call for Proposals vereist een grote diversiteit aan expertises. Succesvolle onderzoeksvoorstellen beschrijven een coherent samenwerkend consortium samengesteld uit relevante expertise van maatschappelijke partners en kennisinstellingen (bijvoorbeeld visserij-ecologen, (visserij-)economen, sociologen, psychologen, sociaal antropologen, bestuurskundigen, juristen, transitiewetenschappers, modelleurs, informatiedeskundigen, communicatiewetenschappers en experts op het gebied van ecologie- en visserijmonitoring). Andere relevante, niet nader genoemde expertises kunnen deel uitmaken van het samenwerkingsverband.
Vraagstukken rond duurzaam gebruik van de Noordzee en het ondersteunen van toekomstig, integraal beleid zijn ook bij uitstek internationaal. Het beoogde onderzoek betrekt de kennis over onbeschermde soorten die internationaal wordt opgedaan en stimuleert gezamenlijke kennisontwikkeling in internationaal verband.
Nieuwe kennis en inzichten vanuit wetenschappelijk onderzoek kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken van vandaag én morgen. Denk aan de energietransitie, gezondheid en zorg, of klimaatverandering. Door interactie en afstemming tussen onderzoekers en mogelijke kennisgebruikers, neemt de kans op het toepassen van kennis toe en daarmee ook de kans op maatschappelijke impact. Maatschappelijke impact staat hier voor veranderingen die (mede) het gevolg zijn van door onderzoek gegenereerde kennis en kunde. Deze veranderingen dragen bij aan het welzijn van mens, planeet en maatschappij voor deze en toekomstige generaties. Via haar beleid op impact bevordert NWO de mogelijke bijdrage vanuit onderzoek aan maatschappelijke vraagstukken door het stimuleren van productieve interacties met maatschappelijke belanghebbenden. Zowel tijdens de ontwikkeling als in de uitvoering van het onderzoek. Dit doet zij op een manier die past bij het doel van het financieringsinstrument. NWO stimuleert onderzoekers om met een brede blik te kijken naar de mogelijke gewenste en ongewenste impact van hun onderzoek.
Afhankelijk van het doel van het financieringsinstrument kiest NWO een bijbehorende benadering die de kans op maatschappelijke impact optimaal ondersteunt. Het primaire doel van het financieringsinstrument bepaalt de keuze voor de benadering die NWO inzet om kennisbenutting in verschillende fases van het project (aanvraag, uitvoering, na afloop) te bevorderen en de inspanning die van aanvrager(s) en partners gevraagd wordt.
In dit programma wordt de Impact Plan benadering toegepast. Hiermee faciliteert NWO de ontwikkeling van een geïntegreerde strategie door onderzoekers en partners om doelgericht de kans op de gewenste maatschappelijk impact te vergroten.
NWO biedt een e-learning module aan die geïnteresseerden op weg kan helpen via Online impact workshops | NWO. Voor meer informatie over het kennisbenuttingsbeleid van NWO zie de website: Kennisbenutting | NWO.
In de NWA richten de programma's zich op complexe vraagstukken waar afstemming en samenwerking meerwaarde heeft om wetenschappelijke en maatschappelijke doorbraken te realiseren. NWA stimuleert die samenwerking tussen verschillende partners, zodat het geheel meer is dan de som der delen en nieuwe kennis voor maatschappelijke vraagstukken ontwikkeld wordt.
Impact Plan benadering
De maatschappelijke impact is nooit alleen het resultaat van kennis en inzichten uit het onderzoek. Om de kans op maatschappelijke impact van het onderzoek te vergroten is aantoonbare betrokkenheid nodig van belangrijke stakeholders vanaf de vorming van het consortium tot en met afronding van het project en daarna. Maatschappelijke impact wordt immers vaak pas gerealiseerd in de jaren nádat een onderzoeksproject is afgesloten. Door vanaf het begin van de onderzoeksformulering (co-design) en gedurende de uitvoering van het onderzoek (co-creatie) te zorgen voor voortdurend afstemming tussen onderzoekers en mogelijke kennisgebruikers, neemt de kans op productieve interacties, en uiteindelijk impact, toe.
Consortia stellen samen met stakeholders een Impact Plan op, als onderdeel van de volledige aanvraag. Dat Impact Plan beschrijft hoe het consortium verwacht tot maatschappelijke impact te komen en de rol die productieve interacties daarbij spelen. Hieruit blijkt hoe het behalen van de beoogde impact geïntegreerd is in de onderzoeksopzet en welke rol consortiumpartners en stakeholders uit beleid, praktijk en bedrijfsleven daarin spelen.
Voor onderzoek naar complexe en uitdagende maatschappelijke vraagstukken is samenwerking nodig tussen onderzoeksdisciplines, tussen praktijkgericht en fundamenteel onderzoek en met bedrijven en maatschappelijke organisaties. De samenwerking wordt uitgevoerd in een consortium. NWO stimuleert en ondersteunt de vorming van consortia door het organiseren van bijeenkomsten of workshops.
In deze Call for proposals wordt consortiumvorming gestimuleerd door het inzetten van collaboratieve workshops. Deze methode wordt hieronder kort toegelicht. Aanvullende informatie over de inzet van NWO op het gebied van consortiumvorming is te vinden op de NWO website.
Het doel van collaboratieve workshops is het bij elkaar brengen van potentiële aanvragers en hun ideeën, het stimuleren van samenwerking in brede, vernieuwende consortia en het beperken van het aantal aanvragen. Het programma van de workshops wordt vormgegeven aan de hand van het thema of de thema’s van de Call for proposals, de expertises van de deelnemers en de verwachte bijdrage aan impact. Er worden twee collaboratieve workshops georganiseerd. NWO ondersteunt de onderlinge verkenning, maar partijen bepalen uiteindelijk zelf of en met wie ze willen samenwerken. Tijdens de workshops vindt uitwisseling van ideeën plaats, wordt samenwerking in consortia met andere deelnemers aan de workshops verkend en worden de eerste afspraken voor gezamenlijke uitwerking van de aanvraag gemaakt. Na de workshops werken de consortia de aanvragen verder uit. Deelname aan de collaboratieve workshops is verplicht voor hoofdaanvragers (zie ook paragraaf 3.1).
Dit hoofdstuk bevat de voorwaarden die gelden voor uw subsidieaanvraag. Eerst wordt beschreven wie subsidie kan aanvragen (paragraaf 3.1) en waarvoor u subsidie kunt aanvragen (paragraaf 3.2). Vervolgens vindt u de voorwaarden voor het opstellen en indienen van de aanvraag (paragrafen 3.3 en 3.4) en specifieke subsidievoorwaarden (paragraaf 3.5).
Aanvragen worden ingediend door een hoofdaanvrager namens het consortium. De hoofdaanvrager (of diens vervanger) heeft aan beide collaboratieve workshops deelgenomen (zie ook paragraaf 2.4.1, 3.3.1 en 4.2.1).
Er worden vier categorieën van deelnemers aan een consortium onderscheiden:
1. Hoofdaanvrager
2. Medeaanvrager(s)
3. Samenwerkingspartner(s)
4. Cofinancier(s) (niet verplicht)
Een consortium dient te bestaan uit minimaal een hoofdaanvrager, medeaanvrager en samenwerkingspartner. De voorwaarden per deelnemer worden in de volgende paragrafen nader toegelicht.
Onderzoekers mogen als hoofdaanvrager optreden als zij in vaste dienst zijn (en derhalve een bezoldigd dienstverband voor onbepaalde tijd hebben5 of een tenure track overeenkomst hebben bij één van de onderstaande onderzoeksorganisaties:
− Universiteiten en hogescholen zoals bedoeld in artikel 1.8 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de universiteiten genoemd in de Beleidsregel Universiteiten in het Koninkrijk der Nederlanden;
− Universitair medische centra,waarmee wordt bedoeld de academische ziekenhuizen zoals bedoeld
in artikel 1.13 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
− KNAW- en NWO-instituten;
− TO2-instituten;
− het Nederlands Kanker Instituut;
− het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek te Nijmegen;
− NCB Naturalis;
− Advanced Research Centre for NanoLithography (ARCNL);
− Prinses Máxima Centrum.
Personen met een nuluren arbeidsovereenkomst of met een dienstverband voor bepaalde tijd (anders dan een tenure track en de hierboven genoemde uitzondering voor lectoren en onderzoekers in dienst van een TO2-instituut) zijn uitgesloten van indiening als hoofdaanvrager.
Het kan voorkomen dat de tenure track overeenkomst van de hoofdaanvrager eindigt vóór de beoogde afrondingsdatum van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, of dat vóór die datum het vaste dienstverband van de hoofdaanvrager eindigt wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. In dat geval voegt de hoofdaanvrager een verklaring van diens werkgever bij, waarin de betreffende onderzoeksorganisatie garandeert dat het project en alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd adequaat zullen worden begeleid voor de volledige duur van het project.
Ook de hoofdaanvrager in dienst van een hogeschool of TO2-instituut wiens dienstverband eindigt voor de beoogde afrondingsdatum van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd, moet een dergelijke verklaring bijvoegen.
Aanvragers met een deeltijdcontract moeten voldoende toezicht garanderen op het project en alle projectleden voor wie financiering wordt aangevraagd.
Aanvullende voorwaarden:
Medeaanvragers kunnen verbonden zijn aan de onderzoeksorganisaties vermeld in deze paragraaf, aan de onderzoeksorganisaties vermeld in bijlage 7.3 en aan andere onderzoeksorganisaties zoals bedoeld in artikel 1.1, lid 4, van de NWO Subsidieregeling 2024 en die voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden.
De organisatie dient:
− in Nederland gevestigd te zijn;
− een stichting, vereniging of publiekrechtelijke rechtspersoon te zijn;
− zich in de hoofdzaak zelf bezig te houden met het op onafhankelijke wijze verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of met het met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht;
− te kunnen verklaren dat de organisatie een gescheiden boekhouding voert ten aanzien van economische/niet-economische activiteiten en dat ondernemingen met een beslissende invloed op de organisatie geen preferente toegang krijgen tot de onderzoeksresultaten van de organisatie.
NWO financiert onder deze Call for proposals geen onderzoeksorganisaties die zich in de hoofdzaak bezighouden met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht.
Let op: Voorafgaand aan het indienen van een aanvraag wordt door NWO aan de hand van bovengenoemde voorwaarden getoetst of een organisatie aan artikel 1.1, lid 4, van de NWO Subsidieregeling 2024 voldoet en dus als medeaanvrager mag deelnemen. NWO voert deze toets mede uit om te controleren of er geen sprake is van het verlenen van verboden staatssteun.
De organisatie van de beoogde medeaanvrager levert ten behoeve van deze toetsing uiterlijk 10 werkdagen voor de deadline van indiening per e-mail aan nwa-onbeschermde-soorten@nwo.nl (dus uiterlijk 15 januari 2026 voor 14:00:00 CET) de volgende documenten aan:
− een recent uittreksel van de kamer van koophandel;
− de oprichtingsakte en/of actuele statuten;
− de laatst beschikbare jaarrekening voorzien van een controleverklaring6;
− de ingevulde Verklaring Onderzoeksorganisatie, beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals.
Het is toegestaan om andere relevante documentatie toe te voegen. Tevens kan NWO om aanvullende informatie vragen als bovenstaande documenten niet voldoende uitsluitsel bieden om te bepalen of de organisatie mag optreden als medeaanvrager.
Als de organisatie van de beoogde medeaanvrager binnen een ander NWO programma is getoetst aan deze voorwaarden, neem dan tijdig contact op met NWO via het bovengenoemde e-mailadres om af te stemmen of deze organisatie opnieuw moet worden getoetst.
Indien de organisatie van de beoogde medeaanvrager de voor de toets op de voorwaarden benodigde stukken niet op tijd aanlevert, kan NWO de betreffende organisatie niet als medeaanvrager accepteren.
Als in de aanvraag nieuwe medeaanvragers toegevoegd worden aan het consortium en deze nieuwe medeaanvragers niet verbonden zijn aan een onderzoeksorganisatie vermeld in deze paragraaf dient ook voor deze organisatie(s) een toets op de voorwaarden plaats te vinden. Ook hiervoor geldt dat de organisatie van de beoogde medeaanvrager uiterlijk 10 werkdagen voor de deadline van indiening per e-mail (dus uiterlijk 15 januari 2026 voor 14:00:00 CET) in ieder geval de volgende documenten aanlevert:
− een recent uittreksel van de kamer van koophandel;
− de oprichtingsakte en/of actuele statuten;
− de laatst beschikbare jaarrekening voorzien van een controleverklaring7;
− de ingevulde Verklaring Onderzoeksorganisatie, beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals.
Een onderzoeksorganisatie die voorafgaand aan het indienen van een vooraanmelding is getoetst en goedgekeurd als medeaanvrager, hoeft voorafgaand aan het indienen van de aanvraag niet nogmaals getoetst te worden.
Hoofdaanvrager
De hoofdaanvrager dient de aanvraag in via ISAAC, het elektronische indiensysteem van NWO. Tijdens het beoordelingsproces communiceert NWO met de hoofdaanvrager.
Na toewijzing van een aanvraag wordt de hoofdaanvrager projectleider en aanspreekpunt voor NWO. De onderzoeksorganisatie van de hoofdaanvrager is hoofdbegunstigde en wordt penvoerder.
Aanvullende voorwaarden:
− De hoofdaanvrager mag in deze Call for proposals slechts één aanvraag indienen in de hoedanigheid van hoofdaanvrager.
− De hoofdaanvrager mag daarnaast maximaal één keer als medeaanvrager deelnemen aan een ander consortium.
Zowel hoofd- als medeaanvragers met een deeltijd dienstverband dienen garant te staan voor adequate begeleiding van het project en van alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd.
Medeaanvragers
Medeaanvragers hebben een actieve rol bij de uitvoering van het project. De (deel)projectleider(s) en begunstigde(n) zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het gehele project.
Aanvullende voorwaarden:
− Een medeaanvrager mag in deze Call for proposals maximaal in twee consortia als medeaanvrager deelnemen.
− Personen met een nuluren arbeidsovereenkomst zijn uitgesloten van indiening als medeaanvrager.
Samenwerkingspartners zijn binnen deze Call for proposals verplicht, omdat actieve betrokkenheid van maatschappelijke stakeholders van groot belang is bij het ontwikkelen van kennis over uitdagingen en mogelijke oplossingen. Maatschappelijke stakeholders zijn zowel publieke als private organisaties, en waar relevant ook burgers of een vertegenwoordiging daarvan. De organisatie van een maatschappelijke stakeholder is geen hoofd- of medeaanvrager of cofinancier.
Een samenwerkingspartner is gedurende het gehele traject actief betrokken, van het formuleren van onderzoeksvragen en de ontwikkeling van het project (co-design) tot de uitvoering van het onderzoek en/of de kennisbenutting (co-creatie). Een samenwerkingspartner kan worden opgenomen in de adviescommissie.
Let op: voor personeel van organisaties die als samenwerkingspartner deelnemen aan het consortium kan geen subsidie voor salaris- of onderzoekskosten als hoofd- of medeaanvrager worden aangevraagd. Wel is het mogelijk kosten te vergoeden door deze organisaties als derden in te huren via de modules ‘materiële kosten’, ‘kennisbenutting’ of ‘project management (zie paragraaf 3.2 en bijlage 7.1).
Cofinanciering is binnen deze Call for proposals niet verplicht. Cofinanciers zijn organisaties die deelnemen aan het consortium en cash en/of in kind bijdragen aan het project. Cofinanciers ontvangen nooit subsidie van NWO. De voorwaarden omtrent cofinanciering zijn gespecificeerd in paragraaf 3.5.6.
Organisaties waarvan onderzoekers conform de onder in 3.1 gegeven beschrijving als hoofdaanvrager deel mogen nemen, mogen in deze NWA Call for proposals niet deelnemen als cofinancier. Een uitzondering hierin wordt gemaakt voor TO2-instituten. Zij mogen in een consortium wel deelnemen als cofinancier, mits zij in hetzelfde consortium niet ook als hoofd- of medeaanvrager deelnemen.
Voor het project is maximaal € 4.780.000,- subsidie aan te vragen. De maximale looptijd van het voorgestelde project is 6 jaar. De aanvrager en medeaanvragers kunnen kosten opvoeren voor personeel, materieel, investeringen en kennisbenutting. De beschikbare budgetmodules (inclusief de maximale bedragen) staan hieronder vermeld. Vraag alleen datgene aan wat essentieel is om het project uit te voeren. De tarieven en een toelichting op deze budgetmodules staan in bijlage 7.1.
Voor personeel dat een bijdrage levert aan het project, kan subsidie voor de loonkosten worden aangevraagd. Het bedrag hiervoor is afhankelijk van het type aanstelling en de organisatie waar het personeel werkt.
Voor personeel dat werkzaam is bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, universitair medisch centrum (umc) of een andere onderzoeksorganisatie, genoemd in artikel 1.1, eerste lid, sub c tot en met h van de NWO Subsidieregeling 2024 kunnen loonkosten worden opgevoerd voor de volgende functies: promovendus, Engineering Doctorate, postdoc, arts-onderzoeker, niet- wetenschappelijk personeel (NWP) en voor de vervanging van de aanvrager(s).
Er kan voor een onbeperkt aantal posities worden aangevraagd voor dit type functie. Er kan voor ten hoogste 10% van het subsidiebedrag vervanging worden aangevraagd.
Het is mogelijk om loonkosten op te voeren van personeel van hogescholen, onderwijsinstellingen, TO2-instituten en overige organisaties. Er kan voor een onbeperkt aantal posities worden aangevraagd voor dit type functie.
Het is mogelijk om studenten in te zetten voor het project als ze studeren aan een onderzoeksorganisatie genoemd in paragraaf 3.1. De kosten hiervan kunt u binnen het project opvoeren als materiële kosten. Er is geen maximum aan het aantal studenten dat kan meewerken in het project.
Het is mogelijk om loonkosten van buitenlandse onderzoeksorganisaties op te voeren voor wetenschappelijk personeel. Er kan maximaal 50% van het subsidiebedrag voor personeel worden aangevraagd voor personeel bij onderzoeksorganisaties in het buitenland.
Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke materiële kosten. Voor deze kosten geldt een maximum van 25% van het NWO subsidiebedrag. Van het materiële budget aangevraagd bij NWO mag maximaal 50% worden ingezet voor werk door derden. Er kan maximaal 25% van het subsidiebedrag voor materieel worden aangevraagd voor onderzoeksorganisaties in het buitenland.
Financiering kan worden aangevraagd voor investeringen in apparatuur, infrastructuur en andere onderzoeksmiddelen die na afloop van het project economische waarde hebben of kunnen worden hergebruikt. Loonkosten van personeel dat de apparatuur, infrastructuur en andere onderzoeksmiddelen in staat van gereedheid brengt, kan niet worden opgevoerd als onderdeel van de investering. Investeringen kunnen alleen worden gedaan bij onderzoeksorganisaties genoemd in paragraaf 3.1.
Er kan maximaal € 500.000 worden aangevraagd voor investeringen.
Financiering kan worden aangevraagd voor activiteiten die bevorderen dat kennis uit het onderzoek wordt benut8, om zo de maatschappelijke impact van het onderzoek te vergroten.
Deze Call for proposals kent twee fases:
1. Het aanmelden voor en deelname aan de collaboratieve workshops (voor hoofdaanvragers verplicht)
2. Het indienen van een aanvraag
Zie voor een volledig overzicht van alle indieningseisen paragraaf 3.4.1.
Het is verplicht uw aanvraag in het Engels op te stellen.
Het indienen van een aanvraag kan alleen via het online aanvraagsysteem ISAAC. Aanvragen die niet via ISAAC zijn ingediend, worden niet in behandeling genomen. U bent als hoofdaanvrager verplicht een aanvraag via uw eigen persoonlijke ISAAC-account in te dienen.
Het is belangrijk om tijdig te beginnen met uw aanvraag in ISAAC:
− indien u nog geen ISAAC-account heeft, dient deze op tijd te worden aangemaakt om eventuele aanmeldproblemen te voorkomen;
− nieuwe onderzoeksorganisaties moeten eventueel nog door NWO toegevoegd worden aan ISAAC;
− u moet ook online nog gegevens invoeren.
Aanvragen die na de deadline worden ingediend, neemt NWO niet in behandeling.
Voor vragen van technische aard verzoeken wij u contact op te nemen met de ISAAC-helpdesk, zie contact (hoofdstuk 6).
Werkt een hoofd- en/of medeaanvrager bij een onderzoeksorganisatie die niet is opgenomen in de database van ISAAC? U kunt dit dan melden via relatiebeheer@nwo.nl zodat de onderzoeksorganisatie kan worden toegevoegd. Hier zijn enige dagen voor nodig. Daarom is het van belang dit uiterlijk een week voor de deadline te melden.
NWO gaat ervan uit dat de aanvrager de onderzoeksorganisatie waar zij/hij werkzaam is heeft geïnformeerd over het indienen van de aanvraag en dat de onderzoeksorganisatie de subsidievoorwaarden van deze Call for proposals aanvaardt.
De eerste fase van deze Call for proposals omvat het aanmelden voor en de deelname aan twee opeenvolgende collaboratieve workshops.
Een aanmelding voor de collaboratieve workshops wordt ingediend via een formulier op de NWO financieringspagina. De aanmelding omvat de expertise van de deelnemer en de bijdrage die kan worden geleverd wordt aan de gewenste impact op het thema van de Call for proposals.
De aanmeldingen worden voor de workshop gedeeld met de andere deelnemers.
Maatschappelijke partijen worden uitdrukkelijk uitgenodigd om zich aan te melden voor de workshops.
Om op te treden als hoofdaanvrager in deze Call for proposals moet een beoogd hoofdaanvrager (of diens vervanger) aan beide collaboratieve workshops hebben deelgenomen. Indien een deelnemer zich laat vervangen, stelt deze NWO hiervan op de hoogte via email (nwa-onbeschermde-soorten@nwo.nl) uiterlijk één werkdag voor de betreffende workshop.
Een aanvraag wordt opgesteld (en ingediend) na afloop van de collaboratieve workshops, waarin uitwisseling van ideeën heeft plaatsgevonden, mogelijke samenwerking met andere deelnemers aan de workshops zijn verkend en waar de cruciale eerste afspraken voor gezamenlijke uitwerking van de aanvraag zijn gemaakt. Consortia kunnen na de workshops hun consortium verrijken met de benodigde partners.
Voor het opstellen van uw aanvraag doorloopt u de volgende stappen:
− download het aanvraagformulier vanuit het online aanvraagsysteem ISAAC of vanaf de website van NWO (op de website van het betreffende financieringsinstrument);
− vul het aanvraagformulier in;
− sla het formulier op als pdf en dien het met de eventueel verplichte bijlage(n) in ISAAC in;
− vul de online in ISAAC gevraagde gegevens in.
Verplichte bijlagen:
− begroting;
− steunverklaringen samenwerkingspartner(s);
− verklaring cofinancier(s) (verplicht indien van toepassing);
− garantstelling voor continuïteit in de projectbegeleiding (verplicht indien van toepassing, zie paragraaf 3.1);
− formulier ‘Statement and signature’.
De aanvraag en bijlagen dienen conform het door NWO aangeboden template opgesteld te worden. Bijlagen dienen los van de aanvraag in ISAAC geüpload te worden. Alle bijlagen, met uitzondering van de begroting, dienen als pdf-bestand (zonder beveiliging) te worden ingediend. De begroting moet als Excel-bestand worden ingediend in ISAAC.
Indien er cofinanciering wordt bijgedragen dient op het moment van indienen in de bijgesloten verklaringen cofinanciering de volledige cofinanciering te zijn toegezegd volgens de voorwaarden beschreven in paragraaf 3.5.6.
Andere bijlagen dan hierboven vermelde bijlagen zijn niet toegestaan.
NWO toetst uw aanvraag op alle in deze Call for proposals gestelde voorwaarden, inclusief onderstaande voorwaarden. Alleen als uw aanvraag aan deze voorwaarden voldoet, wordt deze toegelaten tot de beoordelingsprocedure. U wordt gevraagd om na indiening van een aanvraag beschikbaar te zijn om eventuele administratieve correcties door te voeren en zo (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening.
Deze voorwaarden zijn:
− de hoofdaanvrager en medeaanvrager(s) voldoen aan de in paragraaf 3.1 gestelde voorwaarden;
− de cofinanciers voldoen aan de in paragraaf 3.1.3 en 3.5.6 gestelde voorwaarden;
− het aanvraagformulier is, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, juist, compleet en volgens de instructies ingevuld;
− de aanvraag voldoet aan de DORA-richtlijnen zoals beschreven in paragraaf 4.1;
− de aanvraag is ingediend via het ISAAC-account van de hoofdaanvrager;
− de aanvraag is ontvangen voor de gestelde deadline;
− de aanvraag is in het Engels opgesteld;
− de begroting in de aanvraag is volgens de voorwaarden van deze Call for proposals opgesteld (gebruikmakend van het beschikbaar gestelde format dat de meest recente tarieven bevat);
− het voorgestelde project heeft een looptijd van maximaal 6 jaar;
− alle vereiste bijlagen zijn, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, compleet en volgens de instructies ingevuld en conform de voorwaarden van deze Call for proposals opgesteld en ingediend.
Aanvullende voorwaarden voor de aanvraag:
− De hoofdaanvrager of diens vervanger (zie paragraaf 3.3.1) is aanwezig geweest bij beide collaboratieve workshops (zie paragraaf 2.4, 3.3.1 en 4.2.1);
− Indien van toepassing: De cofinanciering is, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, correct en volledig toegezegd middels verklaringen cofinanciering.
Op alle aanvragen zijn de NWO Subsidieregeling 2024 en het Akkoord bekostiging wetenschappelijk onderzoek van toepassing.
Wetenschap van wereldklasse kan profiteren van internationale samenwerking. De Nationale leidraad kennisveiligheid (hierna: de Leidraad) helpt kennisinstellingen ervoor te zorgen dat internationale samenwerking veilig kan plaatsvinden. Bij kennisveiligheid gaat het om ongewenste overdracht van gevoelige kennis en technologie die de nationale veiligheid aantast; om heimelijke beïnvloeding van onderwijs en onderzoek door statelijke actoren, en daarmee de academische vrijheid en de sociale veiligheid in gevaar brengt; en om ethische kwesties die kunnen spelen in de samenwerking met landen die de grondrechten niet respecteren.
Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na te gaan of het project in lijn is en blijft met de Leidraad. Met het indienen van de aanvraag committeert de aanvrager zich aan de overwegingen in deze Leidraad. In geval van het vermoeden van schending van de Leidraad bij een bij NWO ingediende aanvraag voor projectfinanciering of een door NWO gefinancierd project, kan NWO de aanvrager verzoeken om een risicoafweging te overleggen waaruit blijkt dat de overwegingen uit de Leidraad zijn gevolgd. Indien de aanvrager niet aan het verzoek van NWO voldoet of als de risicoafweging klaarblijkelijk een schending van de Leidraad behelst, kan dit gevolgen hebben voor de subsidieverlening of vaststelling door NWO. Ook kan NWO in een voorkomend geval nadere voorwaarden opnemen in de toewijzingsbrief.
De Nationale leidraad kennisveiligheid vindt u op de website van de Rijksoverheid: Home | Loket Kennisveiligheid.
Resultaten van wetenschappelijk onderzoek moeten kunnen worden gerepliceerd, geverifieerd en gefalsifieerd. In het digitale tijdperk betekent dit dat behalve publicaties ook onderzoeksdata zo veel mogelijk vrij toegankelijk moeten zijn. NWO verwacht dat de onderzoeksdata die voortkomen uit projecten die door NWO zijn gefinancierd zo veel mogelijk vrij beschikbaar komen voor hergebruik door andere onderzoekers. NWO hanteert daarbij het principe: ‘zo open als mogelijk, beschermd indien nodig’. Van onderzoekers wordt verwacht dat zij ten minste die data en/of niet-numerieke resultaten die ten grondslag liggen aan de conclusies van binnen het project gepubliceerde werken openbaar maken, gelijktijdig met de publicatie zelf. Eventuele kosten die hiervoor worden gemaakt, kunnen worden meegenomen in de projectbegroting. Onderzoekers maken kenbaar hoe met data voortkomend uit het project wordt omgegaan aan de hand van de datamanagementparagraaf in de aanvraag, en het datamanagementplan na toewijzing van subsidie.
Datamanagementparagraaf
De datamanagementparagraaf maakt deel uit van de aanvraag. Onderzoekers wordt gevraagd reeds voor aanvang van het onderzoek te bedenken hoe de verzamelde data geordend en gecategoriseerd moeten worden zodat zij vrij beschikbaar kunnen worden gesteld. Vaak zullen al vóór het tot stand komen van de data en de analyse daarvan maatregelen getroffen moeten worden om opslag en deling later mogelijk te maken. Indien niet alle data voortkomende uit het project openbaar gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld om redenen van privacy, ethiek of valorisatie, dient de aanvrager dit beargumenteerd kenbaar te maken in de datamanagementparagraaf.
De datamanagementparagraaf wordt niet beoordeeld en daarom ook niet meegewogen in de beslissing om een aanvraag al dan niet toe te wijzen. Zowel de referenten als de commissie kunnen wel advies geven met betrekking tot de datamanagementparagraaf.
Het project dat NWO financiert moet, conform de NWO Subsidieregeling 2024, worden uitgevoerd in overeenstemming met de nationaal en internationaal aanvaarde normen van wetenschappelijk handelen zoals neergelegd in de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (2018). Met het indienen van de aanvraag committeert de aanvrager zich aan deze code. In geval van (mogelijke) schending van deze normen bij een door NWO gefinancierd project, dient de aanvrager NWO hiervan onverwijld op de hoogte te stellen en dient deze alle ter zake relevante documenten aan NWO te overleggen. Meer informatie over de gedragscode en het beleid op het gebied van wetenschappelijke integriteit vindt u op de website: Wetenschappelijke integriteit | NWO.
Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na te gaan of voor de uitvoering van het voorgestelde project een ethische verklaring of vergunning noodzakelijk is. De aanvrager dient ervoor te zorgen dat deze tijdig wordt verkregen bij de relevante instelling of ethische commissie. Het wel of niet hebben van een ethische verklaring of vergunning op het moment van het aanvraagproces heeft geen invloed op de beoordeling van de aanvraag. Als er een ethische verklaring of vergunning nodig is voor (een deel van) het onderzoek dan moet de projectleider een kopie van deze verklaring of vergunning aan NWO verstrekken nadat het project is toegewezen, en in ieder geval uiterlijk voordat de uitvoering van het onderdeel van het project waarvoor de verklaring nodig is van start gaat. Het deel van het project waarvoor de verklaring en/of vergunning vereist is, kan uiteraard (nog) niet worden uitgevoerd zolang er geen verklaring of vergunning is verstrekt.
Het Nagoya Protocol zorgt voor een eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit het gebruik van genetische rijkdommen (Access and Benefit Sharing; ABS). Onderzoekers die voor hun onderzoek gebruikmaken van genetische bronnen in/uit het buitenland dienen zich op de hoogte te stellen van het Nagoya Protocol (Home | ABS Focal Point). NWO gaat ervan uit dat zij de noodzakelijke acties ten aanzien van het Nagoya Protocol nemen.
Op alle aanvragen is de Regeling Cofinanciering | NWO van toepassing.
Aanvullende definities:
− In kind cofinanciering: gekapitaliseerde personele en/of materiële bijdragen van gebruikers;
− Cash cofinanciering wordt gebruikt ter dekking van een deel van de totale projectkosten en vormt samen met de door NWO verstrekte subsidie de benodigde financiële middelen.
Cofinanciering is in deze Call for proposals niet verplicht. Het is wel mogelijk cofinanciers toe te voegen in de aanvraag. Onderscheid wordt gemaakt tussen cash cofinanciering (te innen door de hoofdaanvrager), die dient als dekking voor de begroting van de projectactiviteiten beschreven in de aanvraag, en in kind cofinanciering, die kan bestaan uit personele en/of materiële inbreng van de betrokken organisaties.
Voor cofinanciering gelden de volgende uitgangspunten:
− NWO is hoofdfinancier van een aanvraag. Aanvragen waarbij de cofinanciering van de cofinanciers meer dan 49% van de totale projectkosten bedraagt, worden niet in behandeling genomen;
− in kind bijdragen worden alleen geaccepteerd onder de voorwaarde dat het gedeelte dat door de cofinancier wordt ingebracht integraal onderdeel is van de projectactiviteiten en als identificeerbare inspanning kan worden gevolgd of aangemerkt. Bij vragen kan NWO verzoeken om nadere motivering en bewijsstukken van de gehanteerde tarieven en eveneens om aanpassing. Daarnaast mogen eventuele in kind bijdragen in de vorm van diensten en know how niet reeds bij de kenninstelling(en) van de aanvrager(s) beschikbaar of voorhanden zijn;
− voor het kapitaliseren van de personele inbreng (mensuren) aan een project worden vaste integrale uurtarieven gebruikt. Voor de tarieven, zie de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.2 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. Hierbij dient het tarief te worden gebruikt dat de werkelijke loonkosten het dichtst benadert;
− cash cofinanciering is het netto bedrag dat een cofinancier betaalt aan de hoofdaanvrager. De hoofdaanvrager factureert cash cofinanciering en eventuele btw aan de cofinancier.
Niet toelaatbaar als cash/in kind cofinanciering zijn9:
− door NWO verstrekte subsidie;
− cofinanciering mag niet afkomstig zijn van partijen die op grond van deze Call for proposals een aanvraag bij NWO kunnen indienen;
− kosten m.b.t. overhead, begeleiding, consultancy.
Verklaring cofinanciering deelnemende cofinanciers
In een verklaring cofinanciering spreekt de cofinancier inhoudelijke en/of financiële steun uit aan het project en bevestigt deze de toegezegde cofinanciering. Verklaringen cofinanciering van cofinanciers die worden genoemd in de aanvraag zijn verplichte bijlagen bij het indienen van de aanvraag. De verklaring cofinanciering moet zijn ondertekend door een tekenbevoegd persoon van de cofinancier. NWO stelt een verplicht format voor de verklaring cofinanciering beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals op de NWO website en in ISAAC.
In geval van toewijzing dient de cofinancier zijn bijdrage(n) te bevestigen in de consortiumovereenkomst In deze overeenkomst worden ook verdere afspraken gemaakt tussen de cofinancier(s) en de aanvrager(s) (zie paragraaf 5.5).
Verantwoording cash en in kind cofinanciering
De verhouding cofinanciering (zowel cash als in kind) en de door NWO verstrekte subsidie in deze Call for proposals, is van toepassing vanaf het indienen van een aanvraag tot en met de vaststelling van de subsidie. Cash cofinanciering heeft invloed op het subsidiebedrag dat NWO verstrekt omdat zowel de bijdrage van NWO als cash cofinanciering voor dezelfde project-specifieke kosten gebruikt worden (in tegenstelling tot cofinanciering in kind).
Ambtshalve indexeren als gevolg wijziging van de tarieven na indiening van een aanvraag heeft geen invloed op de verhouding en cofinancieringseis voor de NWO bijdrage. NWO gaat uit van de verhouding in de door NWO toegewezen aanvraagbegrotingen.
Bij vaststelling van een project wordt het definitieve subsidiebedrag bepaald aan hand van de eindverantwoording, de financiële voorwaarden en de verhouding cofinanciering zoals vermeld in de aanvraagbegroting.
In geval van gedeeltelijk geleverde cash cofinanciering(door onvoorziene omstandigheden, zoals faillissementen) gaat NWO voor haar bijdrage uit van de oorspronkelijke subsidieverlening, rekening houdend met de wel geleverde cash cofinanciering en de geldende minimale cofinancieringseis, indien deze van toepassing is.
Cash cofinanciering boven de cofinancieringseis heeft invloed op de gehanteerde verhouding tussen cofinanciering en door NWO verstrekte subsidie. Indien een project cash cofinanciering kent boven de cofinancieringseis en er bij vaststelling sprake is van gedeeltelijk geleverde cash cofinanciering, is de NWO bijdrage nooit hoger dan de oorspronkelijke bijdrage uit de subsidieverlening. De verhouding van de NWO bijdrage is dan maximaal de bijdrage die volgt uit de cofinancieringseis.
Te allen tijde dient NWO onverwijld op de hoogte gesteld te worden van problemen in verwachte cofinanciering (cash en/of in kind). Naast financiële gevolgen voor een project, kan NWO ook adequate wijzigingen in een project verlangen als wijzigingsverzoek, zodat het onderzoek naar beste vermogen vervolgd kan worden.
In een steunverklaring (zonder cofinanciering) spreekt de samenwerkingspartner steun uit aan het project en beschrijft diens rol binnen het project. Steunverklaringen mogen alleen voor aanvragen worden aangeleverd. NWO stelt een standaard format beschikbaar op de financieringspagina.
In geval van toekenning dient de samenwerkingspartner diens deelname aan het project te bevestigen in de consortiumovereenkomst. Tevens worden in deze overeenkomst verdere afspraken gemaakt tussen de samenwerkingspartner(s) en de aanvrager(s) (zie ook paragraaf 5.5).
Dit hoofdstuk beschrijft allereerst de beoordeling volgens de DORA-principes (paragraaf 4.1) en hoe de beoordelingsprocedure verloopt (paragraaf 4.2). Vervolgens somt het de criteria op waaraan de beoordelingscommissie uw aanvraag toetst (paragraaf 4.3).
Voor alle bij de beoordeling en/of besluitvorming betrokken personen en betrokken NWO- medewerkers is de NWO Code Persoonlijke Belangen van toepassing (Code persoonlijke belangen | NWO).
NWO streeft naar een inclusieve cultuur, waarin geen plaats is voor bewuste of onbewuste barrières vanwege culturele, etnische of religieuze achtergrond, gender, seksuele oriëntatie, gezondheid of leeftijd (Diversiteit en inclusie | NWO). NWO stimuleert leden van een beoordelingscommissie actief om zich bewust te worden van impliciete associaties en te proberen deze te minimaliseren. NWO voorziet hen van informatie over concrete manieren om de beoordeling van een aanvraag te verbeteren.
NWO is ondertekenaar van de San Francisco Declaration on Research Assessment (DORA). DORA is een wereldwijd initiatief dat beoogt de manier waarop onderzoek en onderzoekers worden beoordeeld te verbeteren. DORA bevat aanbevelingen voor onderzoeksfinanciers, onderzoeksinstellingen, wetenschappelijke tijdschriften en andere partijen.
DORA richt zich op het terugdringen van het onkritisch gebruik van bibliometrische indicatoren en het wegnemen van onbewuste vooringenomenheid (unconscious bias) bij de beoordeling van onderzoek en onderzoekers. Overkoepelende filosofie van DORA is dat onderzoek moet worden beoordeeld op zijn eigen kwaliteiten en verdiensten in plaats van op basis van afgeleide indicatoren, zoals het tijdschrift waarin het onderzoek wordt gepubliceerd.
NWO gaat bij het beoordelen van het wetenschappelijk track record van aanvragers uit van een brede definitie van wetenschappelijke output.
NWO verzoekt commissieleden bij de beoordeling van aanvragen niet af te gaan op indicatoren als de Journal Impact Factor of de h-index. U mag deze niet vermelden in uw aanvraag. Wel mag u naast publicaties ook andere wetenschappelijk producten te vermelden, zoals datasets, patenten, software en code enzovoort.
Voor meer informatie over wat NWO doet om de principes van DORA te implementeren zie: DORA | NWO.
De aanvraagprocedure bestaat uit de volgende stappen:
− aanmelding voor de collaboratieve workshops;
− deelname aan de collaboratieve workshops (voor hoofdaanvrager of een vervanger (zie paragraaf 3.3.1) verplicht);
− indiening van de aanvraag;
− in behandeling nemen van de aanvraag;
− preadvisering beoordelingscommissie;
− interviewselectie;
− interview;
− vergadering van de beoordelingscommissie;
− besluitvorming.
Beoordelingscommissie
Voor deze Call for proposals wordt door de raad van bestuur van NWO een externe, onafhankelijke, breed samengestelde beoordelingscommissie ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers uit de wetenschap en de gehele kennisketen, inclusief maatschappelijke stakeholders en vertegenwoordigers vanuit de doelgroep, met kennis van het vakgebied. De taak van de beoordelingscommissie is om de aanvragen en de daarop betrekking hebbende stukken in onderlinge samenhang en op eigen merites te beoordelen op basis van de beoordelingscriteria in deze Call for proposals.
Vanwege het bijzondere karakter van de Call for proposals en de in de beoordelingscommissie aanwezige expertise, heeft NWO besloten om bij de beoordeling van de aanvragen gebruik te maken van de mogelijkheid gegeven in artikel 2.2.4, lid 2, van de NWO Subsidieregeling 2024, om de beoordelingsprocedure uit te voeren zonder referenten in te schakelen.
Het aanmelden voor de collaboratieve workshops is beschreven in paragraaf 3.3.1.
Het programma van de workshop wordt vormgegeven aan de hand van het callthema, de expertises van de deelnemers en de verwachtte bijdrage aan impact. De workshops bieden de mogelijkheid om ideeën te combineren en brede vernieuwende consortia te vormen (krachtenbundeling). Het is vervolgens aan de deelnemers om samenwerking aan te gaan in kennisketenbrede, inter- en transdisciplinaire vernieuwende consortia en gezamenlijk de aanvraag uit te werken. Meer informatie over de workshops zal bekend worden gemaakt op de financieringspagina. Zie ook www.nwo.nl/collaboratieve-workshop.
NWO organiseert twee opeenvolgende collaboratieve workshops.
De hoofdaanvrager dient aan beide workshops te hebben deelgenomen. De collaboratieve workshops zijn nadrukkelijk ook toegankelijk voor maatschappelijke partijen. Op deze manier krijgen zij ook de kans om aan te sluiten bij consortia in wording, die zich ontwikkelen tijdens de workshops.
Voor indiening van de aanvraag is een standaardformulier beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals op de NWO website. In uw aanvraag moet u zich houden aan de vragen die in dit formulier staan en aan de werkwijze die in de toelichting staat. Ook moet u zich houden aan de voorwaarden voor het maximale aantal woorden en pagina’s.
Uw ingevulde aanvraagformulier moet voor de deadline via ISAAC zijn ontvangen (zie paragraaf 1.3). Na dit tijdstip kunt u geen aanvraag meer indienen. De hoofdaanvrager ontvangt na indiening van de aanvraag een ontvangstbevestiging.
Zo snel mogelijk nadat u uw aanvraag heeft ingediend, hoort u of NWO uw aanvraag in behandeling neemt. NWO bepaalt dit aan de hand van een aantal administratief-technische criteria (zie de formele voorwaarden voor indiening, paragraaf 3.4). Alleen als uw aanvraag hieraan voldoet, kan NWO deze in behandeling nemen.
Houdt er rekening mee dat NWO u binnen twee weken na de indieningsdeadline kan benaderen om eventuele administratieve correcties door te voeren om (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening. U krijgt één keer de gelegenheid om de correcties door te voeren, hiervoor krijgt u vijf werkdagen de tijd.
Hierna wordt uw aanvraag voor commentaar voorgelegd aan enkele leden van de beoordelingscommissie (de preadviseurs). De preadviseurs geven schriftelijk een inhoudelijk en beargumenteerd commentaar op de aanvraag. Zij formuleren dit commentaar aan de hand van de inhoudelijke beoordelingscriteria (zie paragraaf 4.3.1) en geven de aanvraag per beoordelingscriterium een cijfermatige score. Hierbij wordt de NWO scoretabel gehanteerd (op een schaal van 1 tot 9, waarbij ‘1’ excellent is en ‘9’ ontoereikend). De preadviseurs inventariseren daarnaast welke onderdelen tijdens het interview verhelderd, toegelicht of verdiept dienen te worden.
In principe worden alle consortia die een aanvraag hebben ingediend uitgenodigd voor een interview met de beoordelingscommissie. Indien het aantal aanvragen driemaal het verwachte aantal toe te wijzen aanvragen overschrijdt, dan kan de beoordelingscommissie besluiten om alleen een selectie van de consortia op interview uit te nodigen.
Om tot deze selectie te komen worden de aanvragen aan de beoordelingscommissie voorgelegd. De beoordelingscommissie maakt op basis hiervan een eigen afweging die resulteert in een ranglijst.
Vervolgens ontvangen de hoogst geprioriteerde aanvragers een uitnodiging voor een interview. Dit zal maximaal driemaal het verwachte aantal toe te wijzen aanvragen betreffen. Als na de interviewselectie blijkt dat twee of meer aanvragen op basis van hun gewogen totaalscore niet van elkaar te onderscheiden zijn, dan is er sprake van een ex aequo-situatie (zie paragraaf 4.2.8).
Tijdens het interview heeft de beoordelingscommissie de gelegenheid om vragen te stellen. Het consortium kan hier tijdens het interview in de discussie met de beoordelingscommissie op reageren. Op deze wijze wordt hoor- en wederhoor toegepast. Het interview is een belangrijk onderdeel van de beoordelingen en kan leiden tot bijstelling van de beoordeling en de score van de aanvraag tot dan toe.
De beoordelingscommissie maakt op basis van het beschikbare materiaal een eigen afweging.
De beoordelingscommissie stelt naar aanleiding van de bespreking een schriftelijk advies op aan de raad van bestuur over de kwaliteit en prioritering van de aanvragen. Dit advies baseert zij op de beoordelingscriteria. De aanvraag als geheel moet tenminste de kwalificatie ‘zeer goed’ krijgen om in aanmerking te komen voor de subsidie. Daarnaast moet de aanvraag tevens op elk van de afzonderlijke beoordelingscriteria tenminste de kwalificatie ‘goed’ krijgen.
Voor meer informatie over de kwalificaties zie Financiering aanvragen, hoe werkt dat? | NWO.
Als na de bespreking van de aanvragen blijkt dat twee of meer aanvragen op basis van hun gewogen totaalscore niet van elkaar te onderscheiden zijn, dan is er sprake van een ex aequo-situatie (zie paragraaf over ex aequo).
Onder ex aequo verstaat NWO de situatie waarin twee of meer aanvragen op basis van hun gewogen score niet van elkaar te onderscheiden zijn. Een ex aequo situatie is relevant rondom de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens. Of er sprake is van een ex aequo situatie wordt als volgt bepaald. Het uitgangspunt is de door de beoordelingscommissie opgestelde prioritering, met eindscores afgerond op 2 decimalen. De referentiescore is de score van de laagst geprioriteerde aanvraag binnen de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens. Alle aanvragen met een score die 0,05 of minder van de referentiescore afliggen, worden in overweging genomen. Zo worden de aanvragen geselecteerd die binnen 0,10 gelijk zijn. Indien een ex aequo situatie zich voordoet op de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens, dan zal de aanvraag met de hoogste score op het criterium ‘Probleemstelling- en analyse’ als hoogste eindigen. Als de ex aequo situatie daarmee niet wordt doorbroken, zal de aanvraag met de hoogste score op het criterium ‘Kwaliteit van het consortium’ als hoogste eindigen. Als ook dan aanvragen gelijk eindigen bepaalt de beoordelingscommissie met behulp van een (anonieme) meerderheidsstemming de prioritering (conform artikel 2.2.6, vijfde lid, van de NWO Subsidieregeling 2024). Als ook stemming geen uitsluitsel biedt, of niet gewenst is, wordt de ex aequo situatie doorgestuurd naar het besluitnemend orgaan.
Tot slot toetst de raad van bestuur van NWO de gevolgde procedure en het advies van de beoordelingscommissie. Vervolgens stelt het bestuur de definitieve kwalificaties vast en besluit over toe- en afwijzing van de aanvragen.
Hieronder treft u het tijdpad aan voor deze Call for proposals. Het kan zijn dat NWO het noodzakelijk acht om tijdens de lopende procedure nog aanpassingen in het tijdpad van deze Call for proposals aan te brengen. Uiteraard ontvangt u hierover op tijd bericht.
|
15 januari 2026, voor 14:00:00 CET |
Deadline verzoek toetsing indien van toepassing: (buitenlandse) organisatie |
|
Oktober 2025 |
Collaboratieve workshops |
|
29 januari 2026, voor 14:00:00 CET |
Deadline aanvragen |
|
Maart 2026 |
Interviewselectie en interviews |
|
Maart 2026 |
Vergadering beoordelingscommissie |
|
April 2026 |
Besluit bestuur |
De aanvragen die binnen deze Call for proposals worden ingediend worden inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
1. Probleemstelling en -analyse (20%)
2. Verwachte impact en route naar impact (20%)
3. Kwaliteit van het consortium (30%)
4. Kwaliteit van het onderzoek (30%)
Binnen de vier beoordelingscriteria worden de volgende aspecten onderscheiden:
1. Probleemstelling en -analyse
− Helder geformuleerde probleemstelling en resulterende kennisvragen, logisch gerelateerd en bijdragend aan de doelstelling van de Call for proposals.
− Maatschappelijke en wetenschappelijke urgentie en relevantie van de probleemstelling.
− Interdisciplinaire en transdisciplinaire karakter van de probleemstelling en de kennisvragen.
2. Beoogde impact en route naar impact
− De beoogde wetenschappelijke en maatschappelijke impact is helder gedefinieerd en volgt logisch uit het/de geïdentificeerde probleem of vraag.
− De Impact pathway beschrijft een heldere route richting de maatschappelijke, impact, inclusief de rol van de betrokken partners.
− Passende strategische activiteiten ten behoeve van het bereiken van de beoogde impact, zoals stakeholder engagement, communicatie, monitoring en evaluatie en capaciteitsontwikkeling.
− Voldoende aandacht voor de belangrijkste risico’s op ongewenste maatschappelijke impact en de voorgenomen maatregelen om dit te voorkomen of mitigeren en de kans op gewenste impact te vergroten.
3. Kwaliteit van het consortium
− Samenstelling van het consortium sluit logisch aan bij het beoogde project. Het is interdisciplinair met betrokkenheid van relevante maatschappelijke stakeholders en/of burgers en is kennisketenbreed.
− Kwaliteit van de consortiumpartners voor wat betreft benodigde kennis, vaardigheden en expertise voor de uitvoering van het project.
− Actieve betrokkenheid van de partners bij de ontwikkeling van het project (co-design), vanaf de articulatie van de probleemstelling en de kennisvragen, en bij de uitvoering (co-creatie).
− Heldere taak- en rolverdeling binnen het consortium bij uitvoering van het onderzoek en de governance.
− Een concreet en haalbaar plan voor de professionele ontwikkeling van talentvolle jonge en mid- career onderzoekers zowel binnen als buiten de academische wereld.
4. Kwaliteit van het onderzoek
− De wetenschappelijke vraagstelling volgt logisch uit de probleemanalyse en is origineel en vernieuwend voor de betrokken disciplines.
− De voorgestelde aanpak en methodologie zijn geschikt om de concreet geformuleerde doelstellingen te behalen en de vraagstelling te beantwoorden. Het consortium hanteert in de uitvoering zowel een fundamentele als toepassings- en praktijkgerichte aanpak.
− Het geïntegreerde karakter van het interdisciplinaire onderzoek.
− Opzet van het voorgestelde onderzoeksplan: helder omschreven werkpakketten in logische samenhang; passende, goed gemotiveerde, begroting; risico analyse en eventueel back-up plan.
In dit hoofdstuk worden de verschillende subsidieverplichtingen toegelicht die – in aanvulling op de in paragraaf 3.5 genoemde subsidievoorwaarden – van toepassing zijn na toewijzing.
NWO draagt zorg voor de inhoudelijke monitoring van de toegewezen aanvragen. Tijdens de looptijd van dit programma organiseert NWO programmabijeenkomsten. Alle projecten binnen dit thema van de Call for proposals zullen worden uitgenodigd om hieraan deel te nemen.
Begeleidingscommissie
Ter versterking van de monitoring en om het draagvlak voor de uitvoering van de projecten te vergroten, zal een begeleidingscommissie worden ingesteld (zie ook paragraaf 5.7). De begeleidingscommissie monitort de verbinding tussen de verschillende thema’s, monitort de voortgang van alle projecten en de behaalde resultaten met een focus op kennisoverdracht, kennisbenutting en toepassing van de resultaten. Er zullen geregeld bijeenkomsten worden georganiseerd. Voor de bijeenkomsten van de begeleidingscommissie worden vertegenwoordigers van alle consortia gevraagd om input en deelname aan de bijeenkomsten. Waar gewenst worden experts uitgenodigd.
Halfjaarlijkse rapportage
Gedurende het project is de hoofdaanvrager verantwoordelijk voor halfjaarlijkse rapportages over het project. NWO zal met het oog op monitoring van de voortgang van het project tussentijds inhoudelijk en financiële rapportages opvragen, evenals verantwoording van geleverde cofinanciering indien van toepassing. Meer informatie hierover, en over de startdatum van het project, als ook wijzigingsverzoeken, volgt in de toewijzingsbrief.
Afsluiting van een project
Bij afronding van een project zullen inhoudelijke- en financiële eindrapportages worden opgevraagd. Na goedkeuring daarvan wordt de definitieve hoogte van de subsidie (en cofinanciering) vastgesteld.
NWO draagt zorg voor de inhoudelijke monitoring van de toegewezen aanvraag. Tijdens de looptijd van dit programma zullen door NWO, in samenspraak met het consortium, een kick-off bijeenkomst, een jaarlijkse bijeenkomst en een eindsymposium worden georganiseerd. Het project binnen deze Call for proposals zal aan deze bijeenkomsten deelnemen.
Na toewijzing van een aanvraag dient de aanvrager de datamanagementparagraaf uit te werken tot een datamanagementplan. Aanvragers kunnen hierbij gebruik maken van het advies van de referenten en commissie. De aanvrager beschrijft in het plan of gebruik gemaakt wordt van bestaande data of dat het om een nieuwe dataverzameling gaat en hoe de dataverzameling dan FAIR: vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar gemaakt wordt. Het datamanagementplan dient voor indiening te zijn afgestemd met een data steward of vergelijkbare functionaris van de onderzoeksorganisatie waar het project wordt uitgevoerd. NWO beoordeelt het plan zo snel mogelijk. Goedkeuring van het datamanagementplan door NWO is voorwaarde voor de subsidieverlening. Het plan kan tijdens het onderzoek worden bijgesteld.
Meer informatie over het datamanagementprotocol van NWO staat op: Research datamanagement | NWO.
Met betrekking tot de intellectuele eigendom (IE) geldt het NWO IE-beleid. Het NWO IE-beleid is te vinden in hoofdstuk 4 van de NWO Subsidieregeling 2024.
Aanvragers moeten een door NWO gefinancierd project uitvoeren in de tijd dat ze voor de onderzoeksorganisatie werken. Indien een aanvrager of een door NWO gefinancierde onderzoeker bij meerdere werkgevers is aangesteld, dient de andere werkgever ten behoeve van de aanvrager afstand te doen van eventuele IE-rechten die uit het project voortvloeien.
NWO streeft na dat onderzoeksresultaten toepassing kunnen vinden bij de partners die bij het project zijn betrokken. NWO beoogt enerzijds dat de onderzoeksresultaten van door haar gefinancierde projecten publiek toegankelijk zijn, en anderzijds dat de verdere ontwikkeling van de onderzoeksresultaten wordt gestimuleerd door partijen de mogelijkheid te bieden om deze te exploiteren. Daarbij kan het wenselijk zijn om intellectuele eigendomsrechten over te dragen of een licentie te verlenen aan (een van) de bij het project betrokken private partijen. Het uitgangspunt is dat alle onderzoeksresultaten kunnen worden gepubliceerd met inachtneming van afspraken over publicatieprocedures.
Het afsluiten van een consortiumovereenkomst na toewijzing van de aanvraag is één van de voorwaarden voor de start van het project. In deze overeenkomst worden afspraken gemaakt over intellectueel eigendom en publicatie, kennisoverdracht, geheimhouding, betalingen van cofinanciering en voortgangs- en eindverslagen. Uploaden in ISAAC is noodzakelijk voordat een project kan starten.
De regie om tot de consortiumovereenkomst te komen ligt bij de aanvrager. De model consortiumovereenkomst die NWO beschikbaar stelt dient hiervoor gebruikt te worden. Deze modelovereenkomst is opgesteld conform de NWO Subsidieregeling 2024. NWO is geen partij bij de consortiumovereenkomst.
Partijen hebben de mogelijkheid om te kiezen voor de standaardtekst van NWO in de modelovereenkomst, en zij hebben ook de mogelijkheid om op de onderdelen IE en publicatieprocedure eigen afspraken te maken of reeds bestaande afspraken toe te passen. De model consortiumovereenkomst voorziet hierin.
Uit het project kan kennis voortkomen die geschikt is voor toepassing in de maatschappij. Bij het aangaan van afspraken over licentie- en/of overdracht van onder deze Call for proposals ontwikkelde onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden met de tien principes voor maatschappelijk verantwoord licentiëren, zoals opgenomen in het NFU rapport ‘Tien Principes voor Maatschappelijk Verantwoord Liciënteren | NFU’.
Na toewijzing van het project zal een commissie conform artikel 3.3.2 van de NWO Subsidieregeling 2024 worden ingesteld ten behoeve van begeleiding en monitoring van het project. Meer informatie over deze begeleidingscommissie volgt in de toewijzingsbrief.
NWO heeft de Berlin Declaration (2003) ondertekend en is lid van cOAlitie S (2018) en zet zich in om de resultaten van wetenschappelijk onderzoek dat door NWO gefinancierd wordt vrij toegankelijk te maken via internet (Open Access). Daarmee geeft NWO invulling aan het beleid van de Nederlandse regering om al het publiek gefinancierde onderzoek Open Access beschikbaar te maken.
Wetenschappelijke publicaties van onderzoek dat is gefinancierd op basis van toewijzingen voortvloeiend uit deze Call for proposals dienen daarom Open Access beschikbaar te zijn volgens de Beleidsregel Open Access.
Wetenschappelijke artikelen
Voor wetenschappelijke artikelen geldt dat zij direct op het moment van publicatie (zonder embargo) Open Access beschikbaar gesteld moeten worden via één van de volgende routes:
− publicatie in een volledig open access tijdschrift of platform dat is geregistreerd in de DOAJ;
− publicatie in een abonnementstijdschrift en het deponeren van tenminste de auteursversie van het artikel in een Open Access repository die is geregistreerd in OpenDOAR;
− publicatie in een tijdschrift waarvoor een transformatieve Open Access overeenkomst beschikbaar is tussen de UNL en een uitgever. Zie daarover: Home | Open Access.
Boeken
Voor boeken, boekhoofdstukken en bundels gelden afwijkende voorwaarden. Zie daarover de Beleidsregel Open Access op Open Science | NWO.
CC BY licentie
Met het oog op een optimale verspreiding van publicaties moet tenminste een Creative Commons (CC BY) licentie worden toegepast. Bij de aanwezigheid van zwaarwegende belangen kan de auteur verzoeken om te publiceren onder toepassing van een CC BY-ND licentie. Voor boeken, bundels en boekhoofdstukken staat de keuze van een CC BY licentie vrij.
Kosten
Eventuele kosten voor publiceren in volledig Open Access tijdschriften kunnen worden begroot in de projectbegroting door gebruikmaking van de budgetmodule ‘materieel’. Kosten voor publicaties in hybride tijdschriften komen niet in aanmerking voor vergoeding door NWO. Voor Open Access boeken kan een beroep gedaan worden op het aparte NWO Open Access boekenfonds.
Voor een nadere toelichting op het Open Access beleid van NWO zie: Open Science | NWO.
Voor inhoudelijke vragen over deze Call for proposals neemt u contact op met:
Mirjam van het Groenewoud-Groot
nwa-onbeschermde-soorten@nwo.nl
070-344 06 26 / 06-830 777 55
Bij technische vragen over het gebruik van ISAAC kunt u contact opnemen met de ISAAC-helpdesk. Raadpleeg eerst de handleiding voordat u de helpdesk om advies vraagt. De ISAAC-helpdesk is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 10.00 tot 17.00 uur op telefoonnummer +31 (0) 70 34 40 600. U kunt uw vraag ook per e-mail stellen via isaac.helpdesk@nwo.nl. U ontvangt dan binnen twee werkdagen een reactie.
NWO verwerkt persoonsgegevens die zij in het kader van deze ronde ontvangt conform de NWO privacyverklaring, Privacyverklaring | NWO.
NWO kan aanvragers mogelijk benaderen voor een evaluatie van de procedure en/of het onderzoeksprogramma.
Voor genoemde salaristabellen en tarieven: zie Salaristabellen | NWO.
Promovendus
Een promovendus wordt 48 maanden voor 1,0 fte aangesteld bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, umc of onderzoeksorganisatie zoals genoemd in artikel 1.1 van de NWO Subsidieregeling 2024. Het equivalent van 48 voltijdsmaanden, bijvoorbeeld een aanstelling van 60 maanden voor 0,8 fte, is ook mogelijk. Het is in bijzondere situaties mogelijk om een kortere aanstellingsduur aan te vragen. Dit moet goed worden gemotiveerd. Hierover wordt geoordeeld door de beoordelingscommissie. Indien een project korter duurt dan 48 maanden, is het noodzakelijk dat de decaan of instituutsdirecteur schriftelijk toezegt om het resterende deel van het promotietraject te financieren. Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een promovendus die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.
Gebruik de tarieven van een promovendus in de salaristabellen van UNL en NFU. Voor iedere promovendus is een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.
Engineering Doctorate
Een Engineering Doctorate (EngD) wordt ten hoogste 24 maanden voor 1,0 fte aangesteld. De EngD is in dienst van de aanvragende instelling en kan voor bepaalde tijd werkzaamheden binnen het onderzoek bij een industriële partner uitvoeren.10
Financiering voor de aanstelling van een EngD kan alleen worden aangevraagd als er ook financiering voor een promovendus of postdoc wordt aangevraagd. Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een EngD die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.
Gebruik de tarieven van een promovendus in de salaristabellen van UNL en NFU. Voor iedere EngD is een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.
Postdoc
Een postdoc wordt aangesteld bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, umc of onderzoeksorganisatie zoals genoemd in paragraaf 3.1.1.
Gebruik de tarieven van een senior wetenschappelijk medewerker in de salaristabellen van UNL, en de tarieven van een postdoc bij een umc in de salaristabellen van NFU.
Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een postdoc die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.
Alleen een postdoc positie met een aanstelling van ten minste 12 maanden voor 0,5 fte kwalificeert als een aanstelling waarvoor een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar staat ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.
Niet-wetenschappelijk personeel
Financiering kan worden aangevraagd voor niet-wetenschappelijk personeel (NWP) dat nodig is voor de uitvoering van het project. Het kan bijvoorbeeld gaan om programmeurs, technisch assistenten, analisten of projectleiders. De inzet van NWP moet worden beschreven in de aanvraag.
De duur van de aanstelling is niet langer dan de looptijd van het door NWO gefinancierde project. Afhankelijk van het functieniveau wordt gekozen uit de salaristabellen van het UNL of NFU voor NWP- mbo, NWP-hbo en NWP-academisch. Voor NWP is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.
Studenten
In het onderzoek kunnen studenten worden ingezet. Indien de studenten bijdragen als onderdeel van hun curriculum, geldt het tarief volgens de gebruikelijke stagevergoeding van de universiteit of hogeschool.
Indien de studenten als bijbaan naast hun studie als student-assistent bijdragen, geldt het tarief volgens Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.2 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, exclusief btw’, schaal 1.
Vervanging van de aanvrager
Met deze budgetmodule kan financiering worden aangevraagd voor de kosten van de te vervangen hoofd- en/of medeaanvrager(s). Hiermee kan de werkgever van de betreffende aanvrager de kosten dekken om die vrij te stellen van onderwijs-, begeleidings-, bestuurs- of beheertaken (niet van onderzoekstaken). De aanvrager mag de tijd die vrijkomt door vervanging alleen inzetten voor werkzaamheden voor het project. In de aanvraag moet beschreven worden welke werkzaamheden in het kader van het project de aanvrager(s) in de vrijgestelde tijd zullen verrichten.
NWO financiert de vervanging op basis van de op de besluitdatum geldende salaristabellen voor een senior wetenschappelijk medewerker (UNL) of postdoc (NFU).
Personeel van hogescholen, TO2-instituten,onderwijsinstellingen en overige onderzoeksorganisaties
Financiering kan worden aangevraagd voor personeel van hogescholen, TO2-instituten, overige onderwijsinstellingen en overige onderzoeksorganisaties. De tarieven worden bepaald aan de hand van de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.2 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. De salarisschaal van de aangevraagde functie bepaalt het tarief uit de HOT-tabel.
Voor organisaties die niet de cao Rijksoverheid of vergelijkbaar gebruiken (zoals de cao’s van hbo, mbo, vo en lagere overheden), dient het tarief te worden gebruikt dat de werkelijke loonkosten het dichtst benadert.
Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland
Financiering kan worden aangevraagd voor loonkosten van personeel aan een buitenlandse onderzoeksorganisatie dat een bijdrage levert aan het project. De buitenlandse onderzoeksorganisatie moet voldoen aan de definitie van onderzoeksorganisatie van artikel 5.1 sub p van de NWO Subsidieregeling 2024.
Onderbouw overtuigend hoe de onderzoeker van de buitenlandse onderzoeksorganisatie specifieke expertise aan het project bijdraagt die in Nederland niet beschikbaar is op het niveau dat voor het project noodzakelijk is. De beoordelingscommissie beoordeelt deze onderbouwing als onderdeel van het criterium ‘Kwaliteit van het onderzoek’. Deze onderbouwing is niet nodig wanneer NWO een bilaterale overeenkomst omtrent Money follows cooperation heeft gesloten met de nationale onderzoeksfinancier van het land waar de buitenlandse onderzoeksorganisatie zich bevindt. Op de NWO-website staat met welke onderzoeksfinanciers NWO een dergelijke overeenkomst heeft gesloten. NWO verstrekt geen subsidie aan medeaanvragers in het buitenland die vallen onder toepasselijke sanctiewetgeving.
De hoofdaanvrager ontvangt de subsidie en is verantwoordelijk voor het overmaken van subsidiemiddelen aan de buitenlandse onderzoeksorganisatie van de medeaanvrager en voor de financiële verantwoording van de besteding van het buitenlandse deel van de subsidie. Het wisselkoersrisico ligt bij de aanvrager. Baten of lasten door wisselkoersen zijn niet subsidiabel.
Gebruik de UNL-tarieven gecorrigeerd voor de landencorrectiecoëfficiënten. Deze tarieven zijn maxima. Er is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.
Als binnen deze budgetmodule meer dan € 125.000 per organisatie wordt aangevraagd, dan is een controleverklaring nodig bij de financiële eindverantwoording.
Voorwaarden buitenlandse onderzoeksorganisatie
De organisatie dient:
− een stichting, vereniging of publiekrechtelijke rechtspersoon te zijn, althans het equivalent daarvan in het land van vestiging van de buitenlandse organisatie;
− zich in de hoofdzaak zelf bezig te houden met het op onafhankelijke wijze verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of met het met het breed verspreiden van de resultaten van de eigen onderzoeksactiviteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht;
− te kunnen verklaren dat de organisatie een gescheiden boekhouding voert ten aanzien van economische/niet-economische activiteiten en dat ondernemingen met een beslissende invloed op de organisatie geen preferente toegang krijgen tot de onderzoeksresultaten van de organisatie.
Let op: Voorafgaand aan het indienen van een aanvraag wordt door NWO aan de hand van bovengenoemde voorwaarden getoetst of de buitenlandse organisatie aan artikel 1.1, leden 4 en 5 van de NWO Subsidieregeling 2024 voldoet en dus als medeaanvrager mag deelnemen.
NWO voert deze toets mede uit om te controleren of er geen sprake is van het verlenen van verboden staatssteun. Deze toets dient ook uitgevoerd te worden als een organisatie binnen een ander NWO programma is getoetst en werd toegestaan als medeaanvrager.
De hoofdaanvrager levert ten behoeve van deze toetsing uiterlijk 10 werkdagen voor de deadline van indiening per e-mail aan nwa-onbeschermde-soorten@nwo.nl (dus uiterlijk 15 januari 2026 voor 14:00:00 CET) de volgende documenten aan van de buitenlandse onderzoeksorganisatie(s):
− een recent uittreksel van de kamer van koophandel, dan wel het equivalent daarvan in het land van vestiging van de buitenlandse organisatie;
− de oprichtingsakte en/of actuele statuten;
− de laatst beschikbare jaarrekening voorzien van een controleverklaring11;
− een door de buitenlandse organisatie ingevulde Verklaring Onderzoeksorganisatie, beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals.
Het is toegestaan om andere relevante documentatie toe te voegen. Tevens kan NWO om aanvullende informatie vragen als bovenstaande documenten niet voldoende uitsluitsel bieden om te bepalen of de organisatie mag optreden als medeaanvrager.
Als de organisatie van de beoogde medeaanvrager binnen een ander NWO programma is getoetst aan deze voorwaarden, neem dan tijdig contact op met NWO via het bovengenoemde e-mailadres om af te stemmen of deze organisatie opnieuw moet worden getoetst.
Indien de hoofdaanvrager de voor de toets op de voorwaarden benodigde stukken niet op tijd aanlevert, kan NWO de betreffende organisatie niet als medeaanvrager accepteren
Als in de aanvraag nieuwe buitenlandse organisaties worden toegevoegd onder deze budgetmodule en deze nieuwe buitenlandse organisaties niet zijn getoetst op de hierboven omschreven wijze, dient ook voor deze organisatie(s) een toets op de voorwaarden plaats te vinden. Ook hiervoor geldt dat hoofdaanvrager uiterlijk 10 werkdagen voor de deadline van indiening per e-mail (dus uiterlijk 15 januari 2026 voor 14:00:00 CET) in ieder geval de volgende documenten aanlevert van de buitenlandse onderzoeksorganisatie(s):
− een recent uittreksel van de kamer van koophandel, dan wel het equivalent daarvan in het land
van vestiging van de buitenlandse organisatie;
− de oprichtingsakte en/of actuele statuten;
− de laatst beschikbare jaarrekening voorzien van een controleverklaring12;
− een door de buitenlandse organisatie ingevulde Verklaring Onderzoeksorganisatie, beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals.
Een buitenlandse organisatie die voorafgaand aan het indienen van een vooraanmelding is getoetst en is goedgekeurd, hoeft voorafgaand aan het indienen van de aanvraag niet nogmaals getoetst te worden.
Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke kosten met betrekking tot onder meer verbruiksgoederen, inkoop van diensten, materialen, kleine instrumenten, toegang tot (inter)nationale faciliteiten, software en onderzoeksmiddelen die na gebruik geen economische waarde meer hebben. Reis- en verblijfkosten (nationaal en internationaal) voor alle mensen die aan het project werken incl. buitenlandse gastonderzoekers, kosten voor de organisatie van (internationale) workshops en symposia, kosten voor datamanagement, publicaties, en kosten in het kader van citizen science vallen eveneens onder deze module. Maximaal 50% van het bij NWO aangevraagde materiele budget kan ingezet worden voor werk door derden (bijvoorbeeld laboratoriumananalyses, dataverzameling enz.).
Reiskosten (nationaal en internationaal) worden alleen vergoed op basis van tweede klasse/economy class tarieven. Voor publicaties gelden de bepalingen in de paragraaf 5.1.6 Open access. Kosten voor een controleverklaring kunnen alleen worden opgevoerd voor instellingen die niet onderworpen zijn aan het onderwijsaccountantsprotocol van OCW voor maximaal € 5.000 per controleverklaring.
Het is niet toegestaan om kosten op te voeren voor:
− organisatie-infrastructuur en overhead, waaronder een volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR-advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening en thuiswerkvergoeding;
− het gebruik en onderhoud van in eigen beheer ontwikkelde wetenschappelijke infrastructuur.
− reguliere onderwijsactiviteiten;
− leden van de begeleidingscommissie (zie paragraaf 5.1).
Let op: Indien financiering wordt aangevraagd voor bovenstaande project-specifieke kosten van buitenlandse organisaties dienen deze organisaties voor indiening getoetst te worden op de wijze omschreven in paragraaf 7.1.1 Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland.
Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke middelen ten behoeve van onderzoek of kosten met betrekking tot bouw of doorontwikkeling van wetenschappelijke infrastructuur die na afronding van het project economische waarde behouden, dan wel kunnen worden hergebruikt. De begunstigde verwerft na afloop van het project het eigendom over deze onderzoeksmiddelen. Indien de begunstigde winst realiseert uit het economisch eigendom van deze onderzoeksmiddelen, dan moeten deze winsten worden geïnvesteerd in primaire activiteiten van de begunstigde zoals bedoeld in artikel 3.1.4, lid 2, van de NWO Subsidieregeling 2024. Het gaat om de aanschaf van apparatuur met restwaarde voor de uitvoering van onderzoek en om investeringen in de opbouw of (verdere) ontwikkeling van wetenschappelijke infrastructuur. Loonkosten als onderdeel van de investering zijn op te voeren als personele kosten.
Indien apparatuur niet tijdens de volledige levensduur daarvan voor het voorgestelde project wordt gebruikt, komen alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het voorgestelde project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, voor subsidiëring in aanmerking.
De kosten voor investeringen dienen in de aanvraag adequaat gespecificeerd en gemotiveerd te worden.
Subsidiabel zijn:
− kosten voor investeringen in wetenschappelijke apparatuur.
− kosten voor investeringen in datasets.
− loonkosten voor medewerkers met essentiële technische expertise noodzakelijk voor de ontwikkeling of bouw van een investering.
Niet-subsidiabel zijn:
− kosten voor infrastructurele voorzieningen die tot de gebruikelijke infrastructuur gerekend kunnen worden zoals: volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR-advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening, thuiswerkvergoeding).
− dataverzamelingen en eventuele bijbehorende software en bibliografieën die reeds op andere wijze beschikbaar zijn.
− overige personeelskosten, waaronder personeelskosten voor de exploitatie en het uitvoeren van onderzoek met de faciliteit.
− kosten voor onderhoud en gebruik van de apparatuur op een project. De kosten voor het gebruik van apparatuur op een project kunnen via het materieel budget aangevraagd worden.
Het aangevraagde budget dient in de aanvraag adequaat gespecificeerd te worden. Gebruik voor de bepaling van de tarieven de bepalingen van de budgetmodules Personeel (7.1.1) en Materieel (7.1.2).
Impact Plan-benadering
Het is verplicht om bij het opstellen van een aanvraag gebruik te maken van deze module en minimaal 5% tot maximaal 20% van het subsidiebedrag in te zetten voor deze module.
In het kader van de Impact Plan benadering wordt van consortia verwacht dat zij in de projectbegroting binnen deze module in ieder geval kosten voor de volgende activiteiten begroten:
− Specifieke activiteiten om kennisbenutting naar (intermediaire) partijen die niet in het project gefinancierd worden, zoals bijvoorbeeld kennisplatforms, te bevorderen. Deze activiteiten omvatten onder andere gezamenlijke leeractiviteiten, trainingen en communicatie-activiteiten.
− Belanghebbenden (‘stakeholders’) betrekken: activiteiten georganiseerd door het consortium gericht op het betrekken van stakeholders, zoals consultatie workshops, expert meetings, ronde tafel bijeenkomsten e.d.
− Communicatie: activiteiten georganiseerd door het consortium zoals (internationale) learning events, ontwikkeling van video’s, blogs, nieuwsbrieven en andere media uitingen. Het inhuren van communicatie expertise kan hier ook onder vallen.
− Ontwikkeling van vaardigheden: Activiteiten gericht op het ontwikkelen van vaardigheden die verder gaan dan de niveaus van de individuele studenten, promovendi of postdocs, zoals het ontwikkelen van cursussen voor stakeholders of masterstudenten.
− Monitoring en evaluatiemomenten waarin kennisbenutting onderwerp van discussie is: zoals bijvoorbeeld de tussentijdse evaluaties en de bijeenkomsten van commissies.
Let op: Indien financiering wordt aangevraagd voor bovenstaande project-specifieke kosten van buitenlandse organisaties dienen deze organisaties voor indiening getoetst te worden op de wijze buitenland.
De module Projectmanagement geeft de mogelijkheid om een post voor projectmanagement aan te vragen tot maximaal 5% van het subsidiebedrag. De hoofdaanvrager moet deze post adequaat motiveren.
Onder projectmanagement wordt onder andere verstaan het optimaal vormgeven van de organisatiestructuur van het consortium, ondersteuning van het consortium en de hoofdaanvrager, het bewaken van de samenhang, voortgang en eenheid van het project, en de afstemming tussen de deelprojecten binnen het project. Deze taken mogen ook door externe partijen worden uitgevoerd zover niet beschikbaar op de kennisinstelling van de hoofdaanvrager. Onderzoeksorganisaties dienen bij de offerteprocedure tot het selecteren van een derde partij rekening te houden met de inkoopregels van de overheid en waar nodig een Europese aanbestedingsprocedure te volgen. De werkzaamheden van de hoofdaanvrager en aanvragers zelf in het kader van het project(management) mogen niet bekostigd worden uit deze budgetmodule.
Het voor projectmanagement aan te vragen budget kan bestaan uit materiële- of uitvoeringskosten en personele kosten. Voor personele kosten kan een maximaal tarief van € 121,– per uur worden opgevoerd. Het uurtarief van het aan te stellen personeel dient te zijn gebaseerd op een kostendekkend tarief en wordt berekend op basis van het gehanteerde standaard productief aantal uur van de organisatie. Het kostendekkend tarief omvat:
− (gemiddeld) brutoloon behorende bij de functie van de medewerker die zal bijdragen aan het project (op basis van de cao-inschaling van de betreffende medewerker);
− vakantiegeld en 13e maand (indien van toepassing in de geldende cao) naar rato van de inzet in fte;
− sociale lasten;
− pensioenlasten;
− overhead.
Het is toegestaan om taken in het kader van projectmanagement door externe partijen te laten uitvoeren, maar het deel van (commerciële) uurtarieven dat voornoemde tarieven overschrijdt, is niet subsidiabel en kan derhalve niet worden opgenomen in de begroting.
Het tarief op het moment van de besluitdatum is van toepassing. NWO past bij de toekenning zo nodig eenmalig ambtshalve een indexering toe van de loonkosten. Hierbij wordt de datum gehanteerd waarop de tarieven ingaan. Indien de datum van bekendmaking van de tarieven later is dan de ingangsdatum, wordt de datum van bekendmaking gehanteerd. De tarieven van de Universiteiten van Nederland (UNL) gaan doorgaans in op 1 juli, van de Nederlandse Federatie van Universitair medische centra (NFU) op 1 augustus en van de Handleiding Overheidstarieven (HOT) op 1 januari.
Ambtshalve indexering heeft geen invloed op het subsidieplafond en het maximaal aan te vragen subsidiebedrag. Het subsidieplafond en het maximaal aan te vragen subsidiebedrag blijven ongewijzigd tijdens de beoordelingsprocedure. Bij toewijzing wordt indexering toegepast op het subsidiebedrag.
Indien cofinanciering is vereist dan wel toegestaan, heeft de ambtshalve indexering geen gevolgen voor de eisen aan eigen bijdragen en cofinanciering, noch voor de IE-rechten die uit de cofinanciering kunnen voortvloeien.
De hieronder genoemde onderzoeksorganisaties mogen als medeaanvrager optreden in een consortium. De toetsing zoals vermeld in paragraaf 3.1.1 is voor deze organisaties nietnodig.
1. IHE Delft Institute for Water Education
2. KNMI – Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut
3. RIVM – Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
4. Waag Futurelab
5. Biomedical Primate Research Centre
6. IMEC-NL
7. Nivel
8. AMS Institute
9. Trimbos Instituut
Deze lijst betreft een overzicht van 16 soorten in willekeurige volgorde waarop aanvragen in het kader van deze Call for Proposals zich moeten richten.
|
Soort |
Wetenschappelijke naam |
Economisch belang visserij / vangsttechniek |
ICES-categorie1 / Data-arm |
Beheerd |
Effect temperatuurstijging |
Antropogene effecten |
|---|---|---|---|---|---|---|
|
Pijlinktvis |
Loligo forbesii, Loligo vulgaris |
Groot belang – door diversificatie van de visserij in belang toegenomen, voornamelijk flyshoot en bordenvisserij. Vloot schakelt flexibel om naar gerichte pijlinktvisvisserij |
Geen bestandsschatting, data-arm |
Nee |
Noordwaartse verschuiving waardoor mogelijkheden voor visserij ontstaan in de Noordzee |
Negatieve effecten van kunstmatig geluid bekend Afhankelijk van harde structuur voor paai |
|
Zeekat |
Sepia officinalis |
Groot belang – door diversificatie van de visserij in belang toegenomen. Voornamelijk flyshoot en bordenvisserij |
Geen bestandsschatting, data-arm |
Nee |
Noordwaartse verschuiving waardoor mogelijkheden voor visserij ontstaan in de Noordzee |
Negatieve effecten van kunstmatig geluid bekend Afhankelijk van harde structuur voor paai |
|
Mul |
Mullus surmuletus |
Belangrijk voor flyshoot, toename in aanlandingen |
Cat. 3, data-arm |
Nee |
Noordwaartse verschuiving, waardoor vangstmogelijkheden ontstaan in Noordzee |
Indicatie voor toename in OWF2 |
|
Poon (Rode, Engelse, Grauwe) |
Chelidonichthys lucerna Chelidonichthys cuculus Eutrigla gurnardus |
Belangrijk voor flyshoot |
Geen bestandsschatting Cat 3., data-arm (geen advies) Cat 3., data-arm |
Nee |
Noordwaartse verschuiving, waardoor vangstmogelijkheden ontstaan in Noordzee |
– |
|
Gevlekte gladde haai |
Mustelus asterias |
Wordt regelmatig gevangen en aangeland. Economisch niet heel waardevol. Ecologisch belang |
Cat. 3, data-arm |
Nee |
Noordwaartse verschuiving waardoor zuidelijke en oostelijke Noordzee geschikter habitat vormen |
Potentiële effecten elektromagnetische velden |
|
Bot |
Platichthys flesus |
Bijvangstsoort van matig economisch belang, veel discards |
Cat. 3, data-arm |
Nee |
– |
Potentiële overlap OWF’s en spawning gebied |
|
Schar |
Limanda limanda |
Bijvangstsoort van matig economisch belang, veel discards |
Cat. 3, data-arm |
Nee |
– |
Vermijden nieuw hard substraat in OWF – korte termijn observatie Potentiële overlap OWF’s en spawning gebied |
|
Noordzee- krab |
Cancer pagurus |
Van economisch belang, boomkor en potten |
Geen bestandsschatting |
Nee |
Gevoelig voor temperatuurstijging in larvale stadium |
OWF’s dienen waarschijnlijk als paaigrond |
|
Noordzeekreeft |
Homarus gammarus |
Van economisch belang, kleinschalige visserij |
Geen bestandsschatting |
Nee |
Gevoelig voor temperatuurstijging in vroeg-juveniele stadium |
Waarschijnlijk positief effect van OWF's op habitat |
|
Tongschar |
Microstomus kitt |
Economisch redelijk belangrijke bijvangstsoort, boomkor |
Cat 3., data-arm |
Ja |
Toename in Kanaal verwacht onder invloed van stijgende zeewatertemperaturen |
– |
|
Zeeduivel |
Lophius piscatorius |
Economisch redelijk belangrijke bijvangstsoort |
Cat 3., data-arm |
Ja |
– |
– |
|
Griet |
Scophthalmus rhombus |
Economisch belangrijke bijvangstsoort, boomkor |
Cat. 2 |
Ja |
– |
Potentiële overlap OWF’s en paaigebied |
|
Tong |
Solea solea |
Zeer waardevol, van economisch groot belang |
Cat. 1, niet data-arm |
Ja |
– |
Vermijden nieuw hard substraat in OWF – korte termijn observatie Andere studie vindt significante toename binnen windpark |
|
Schol |
Pleuronectes platessa |
Zeer waardevol, van economisch groot belang |
Cat 1., niet data-arm |
Ja |
Noordwaartse verschuiving, waardoor deze minder voorkomen in zuidelijke Noordzee |
Aantrekkende werking van windparken, indicatie voor toename in productie |
|
Zeebaars |
Dicentrarchus labrax |
Zeer waardevolle vis, bestand is herstellende, maar nog niet buiten gevarenzone |
Cat. 1, nog veel vragen over ecologie, migratie, opbouw (sub)populaties |
Geen quotum, wel vangstbeperkingen |
Noordwaartse verschuiving, waardoor vangstmogelijkheden ontstaan in Noordzee |
Potentieel verstoring door geluid bij bouw OWF |
|
Zandspiering |
Ammodytes tobianus Ammodytes marinus Hyperoplus lanceolatus |
Commercieel belangrijk (industriële visserij, Denemarken) Ecologisch van zeer groot belang voor o.a. zeevogels en zeezoogdieren |
Categorie 1 (substocks 1r, 2r, 3r, 4) Categorie 5 (substocks 5, 6, 7r) |
Ja, gequoteerd |
Ja, noordwaartse verschuiving, ook naar diepere wateren Verstoorde paai- timing |
Invloed van sediment- samenstelling vermoed (bijvoorbeeld door bodemberoerende visserij) |
ICES. 2012. ICES Implementation of Advice for Data-limited Stocks in 2012 in its 2012 Advice. ICES CM 2012/ACOM 68. 42 pp. https://doi.org/10.17895/ices.pub.5322
De brede kennisketen omvat een diversiteit aan publieke kennisinstellingen zoals hogescholen, universiteiten, NWO- en KNAW- instituten, universitair medisch centra en TO2-instituten.
Meer informatie over de verschillende programmalijnen is te vinden via Nationale Wetenschapsagenda | NWO .
Voedsel uit zee en grote wateren Visie voor voedselwinning op weg naar 2050 (Voedsel uit zee en grote wateren | Rapport | Rijksoverheid.nl)
Voor lectoren in dienst van een hogeschool en onderzoekers in dienst van een TO2-instituut geldt dat zij ook als hoofdaanvrager mogen indienen met een bezoldigd dienstverband voor bepaalde tijd.
Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.
Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.
Alle activiteiten die worden aangevraagd onder deze budgetmodule moeten passen binnen de definitie van ‘Activiteiten inzake kennisoverdracht’ die door de Europese Commissie wordt gehanteerd in de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2022, C 414).
Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.
Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-27365.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.