Convenant tussen de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Defensie, ILT, Politie, Douane, NFI en RIVM inzake samenwerking door middel van het delen van informatie over CBRN-E ten behoeve van het reduceren van veiligheidsrisico’s voor operationele partijen en de samenleving (Convenant samenwerking CBRN-E)

Partijen,

De Minister van Justitie en Veiligheid, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, hierna te noemen: ‘de Minister van JenV’;

De Minister van Defensie, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de Secretaris-Generaal hierna te noemen: ‘de Minister van Defensie’;

De Inspectie Leefomgeving en Transport, toezichthouder van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de inspecteur-generaal, hierna te noemen: ‘ILT’;

De politie, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de korpschef, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de politiechef Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, hierna te noemen: ‘Politie’;

De Douane, onderdeel van het Ministerie van Financiën, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de Directeur Directie Strategie, Beleid en Internationaal, hierna te noemen: ‘Douane’.

Het Nederlands Forensisch Instituut, een agentschap van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de algemeen directeur, hierna te noemen: ‘NFI’;

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), voor deze de directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de heer prof. dr. ir. Johannes Brug, gevestigd aan de Antonie van Leeuwenhoeklaan 9 te (3721 MA) Bilthoven, hierna te noemen: ‘RIVM’;

Alle partijen bij dit convenant hierna gezamenlijk te noemen: ‘partijen’;

Overwegen het volgende,

  • Dat partijen gelet op hun verantwoordelijkheid ten aanzien van de veiligheid van Nederland, op grond van en binnen hun wettelijke taken en bevoegdheden, bijdragen aan het reduceren van de risico’s voor operationele partijen bij de uitvoering van werkzaamheden waarbij zij in aanraking kunnen komen met CBRN-agentia en/of explosieven;

  • Dat partijen met het oog op de bescherming van de veiligheid van Nederland, voor zover dat gelet op het niveau van rubricering of opsporings- en onderzoeksbelangen mogelijk is, informatie, internationale en nationale trends, analyses en ontwikkelingen delen omtrent CBRN-agentia en/of explosieven.

  • Dat partijen met het oog op het reduceren van de veiligheidsrisico’s tijdens het uitvoeren van hun werkzaamheden en de te nemen beschermingsmaatregelen elkaar op het moment van een incident voorzien van alle relevante informatie en elkaar informeren over de actuele dreiging en overige gevaarzetting die van invloed kunnen zijn op de taakuitvoering en met inachtneming van de voor hen geldende wettelijke kaders, met name wat betreft het delen van persoons- of politiegegevens en zaaksinformatie en onderzoeksgegevens;

  • Dat partijen het met het oog op hun samenwerking van belang vinden afspraken te maken over de verdere uitwerking van hun samenwerking en de wijze waarop relevante informatie tussen partijen gedeeld gaat worden.

  • Dat partijen benadrukken dat er geen samenwerkingsverband wordt gecreëerd in de zin van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden.

  • Dat partijen, gelet op het doel van dit convenant, zich bewust zijn van het belang en de bindendheid van de afspraken neergelegd in dit convenant en zich met ondertekening daarvan committeren aan de naleving van de afspraken.

Gelet op:

  • Artikel 52 van het Organisatiebesluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid;

  • Artikel 3, 4, 57, 58, 62 van de Politiewet;

  • De artikelen 4, 10, eerste lid, 12 en 13 van de Wet precursoren en explosieven;

  • Artikel 2 van de Regeling precursoren voor explosieven 2021;

  • De artikelen 6, 8, 9, 10, 13 en 16 tot en met 24 van de Wet politiegegevens (Wpg);

  • Paragraaf 4 van het Besluit politiegegevens (Bpg);

  • Artikel 51j van het Wetboek van Strafvordering (WvSv);

  • Artikelen 1 en 2 van de Regeling taken NFI (RT NFI);

  • Artikel 3, eerste lid, sub a en sub e, tweede en derde lid, van de Wet op het RIVM;

  • Artikel 6c van de Wet publieke gezondheid;

  • Artikel 6, eerste en vierde lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).

Spreken het volgende af,

Artikel 1 Reikwijdte

  • 1. Dit convenant is van toepassing op de samenwerking inzake het delen van informatie, internationale en nationale trends, analyses en ontwikkelingen met betrekking tot verdachte CBRN-E objecten en omstandigheden.

  • 2. Gegevens als bedoeld in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 vallen buiten de reikwijdte van dit convenant.

Artikel 2 Definities

In dit convenant en de daarbij behorende bijlage wordt verstaan onder:

a. CBRN-E:

chemische, biologische, radiologische, nucleaire agentia en/of explosieven.

b. Operationele informatie:

alle informatie die al dan niet persoonsgegevens dan wel politiegegevens bevat en betrekking heeft op modus operandi, handelingen, ontwikkelingen, dreigingen of gebeurtenissen op het gebied van CBRN-E.

c. Technische informatie:

alle niet-persoonsgebonden informatie die betrekking heeft op de aard, samenstelling, fabricage en werking van CBRN-E.

d. Verdachte CBRN-E objecten en omstandigheden:

een situatie waarbij wordt uitgegaan van opzettelijke dreiging met CBRN-E tegen personen of goederen, of een situatie waarbij sprake is van een aangetroffen of aangekondigd voorwerp dat door de specifieke manier van plaatsing of de locatie waar dit is aangetroffen kan worden aangemerkt als een (onderdeel van) een wapen in de vorm van explosieven of een geïmproviseerd explosief, of een wapen dat is gemaakt door toepassing van CBRN, al dan niet in combinatie met een explosief middel.

Artikel 3 Taken en bevoegdheden van de partijen

  • 1. De wettelijke respectievelijke formele taken en bevoegdheden van de partijen, voor zover relevant voor dit convenant, zijn:

    • a. Voor de Minister van JenV: het coördineren en faciliteren van de samenwerking op het gebied van dreigingen omtrent CBRN-E op grond van artikel 52 van het Organisatiebesluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, waarbij het delen van kennis en informatie tussen nationale veiligheidspartners op dit gebied een essentiële randvoorwaarde is, alsmede het uitoefenen van de wettelijke taken en bevoegdheden op grond van de Wet precursoren voor explosieven.

    • b. Voor de Minister van Defensie:

      • i. CBRN-capaciteiten: defensie levert op grond van artikel 58 of 62 Politiewet 2012 capaciteit in bijstand aan civiele autoriteiten op het gebied van advies, detectie, identificatie en monitoring (DIM) en ontsmetting ter ondersteuning aan civiele hulpdiensten bij C(B)RN-incidenten. Hiervoor beschikt Defensie over een in te zetten Advies & Assistentie team, een Detectie Identificatie en Monitoring (DIM)-team en ontsmettingscapaciteit voor het ontsmetten van voertuigen en infrastructuur;

      • ii. Explosieven Opruimingsdienst Defensie: het identificeren, beoordelen, ontmantelen en ruimen van conventionele en geïmproviseerde explosieven als exclusieve partij in Nederland op grond van artikel 58 van de Politiewet 2012;

      • iii. Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar): het uitvoeren van politietaken conform artikel 4 van de Politiewet 2012, waarbij zowel preventief als repressief wordt opgetreden door medewerkers van de KMar bij (mogelijke) verdachte CBRN-E objecten en omstandigheden.

    • c. Voor de ILT:

    • d. Voor de Politie: het uitvoeren van de politietaak op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012.

    • e. Voor de Douane:

      • i) Wet precursoren voor explosieven: De Douane is aan de buitengrens van de Unie belast met de handhaving op de Wpe en meldt vermoedelijk onregelmatigheden aan de ILT.

      • ii) Kernenergiewet: De taak van de Douane betreft de controle op aanwezigheid van de wettelijk vereiste invoer- en/of uitvoervergunning(en) bij binnenbrengen, invoer, uitvoer, wederuitvoer en uitgaan van splijtstoffen, ertsen en radioactieve (afval)stoffen.

      • iii) Wet explosieven voor civiel gebruik: De taak van de Douane voor de handhaving op het gebied van explosieven voor civiel gebruik beperkt zich tot het leveren van voor de handhaving van het ILT of I&W relevante informatie uit de systemen van de Douane.

    • f. Voor het NFI: drie kerntaken (artikel 1 RT NFI) met het oog op de waarheidsvinding in strafzaken, te weten (1) zaaksonderzoek, (2) het ontwikkelen en implementeren van nieuwe onderzoeksmethoden en technieken ter bevordering van kennis op het gebied van forensisch onderzoek en (3) het zijn van (inter-)nationaal kennis- en expertisecentrum op het gebied van het forensisch onderzoek en drie afgeleide neventaken (art 1, tweede lid, RT NFI), te weten (1) een activiteit die in het verlengde ligt van de kerntaken, (2) een activiteit die bijdraagt aan de handhaving van o.a. de veiligheid en (3) ondersteuning bij de hulpverleningstaak van de politie.

    • g. Voor het RIVM:

      • i. als loket en laboratorium van het Landelijk Laboratorium Netwerk terroristische aanslagen (LLN-ta) het uitvoeren van metingen en analyses met als doel het vaststellen van de aard van de gebruikte stoffen en agentia, de mate van verspreiding en het bepalen van de ernst van de mogelijke gevolgen van een terreuraanslag met CBRN-E alsmede activiteiten die bijdragen aan het verbeteren van de paraatheid hiervoor.

      • ii. Als Milieuongevallen Dienst het uitvoeren van metingen en analyses met als doel het vaststellen van de aard van vrijgekomen stoffen en agentia, de mate van verspreiding en het bepalen van de ernst van de mogelijke gevolgen van blootstelling aan deze stoffen en agentia.

      • iii. Als Centrum Infectieziektebestrijding de signalering, bestrijding en preventie van infectieziekten ten behoeve van de volksgezondheid in Nederland.

  • 2. Partijen zijn ieder voor zich verwerkingsverantwoordelijk voor de verwerking en verstrekking van de persoons- of politiegegevens ten behoeve van het in artikel 4 genoemde doel.

  • 3. Partijen dragen ieder voor zich zorg voor de waarborgen voor gegevensverwerking, waaronder technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen, zoals bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming, de Wet politiegegevens, de Baseline Informatiebeveiliging Overheid en, indien van toepassing, het Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013 (VIRBI 2013).

  • 4. Partijen erkennen dat het waarborgen van een passend beveiligingsniveau voortdurend kan dwingen tot het treffen van aanvullende beveiligingsmaatregelen. Partijen waarborgen een op het risico afgestemd beveiligingsniveau.

  • 5. Partijen verwerken gegevens die zij ten behoeve van het in artikel 4 genoemde doel uitwisselen niet buiten de Europese Unie, tenzij zij daarvoor uitdrukkelijk schriftelijk toestemming hebben verkregen van de andere partijen bij dit convenant en behoudens wettelijke verplichtingen.

  • 6. Partijen informeren elkaar zonder onredelijke vertraging zodra zij kennis hebben genomen van onrechtmatige verwerkingen van (persoons)gegevens of inbreuken op beveiligingsmaatregelen zoals genoemd in het derde en vierde lid.

Artikel 4 Doel

Het doel van dit convenant is om afspraken vast te leggen over de samenwerking van partijen door middel van het delen van (zoveel als mogelijk) geanonimiseerde informatie waaronder actuele operationele en technische informatie en trends en ontwikkelingen in een samenwerkingsverband, met het oog op het reduceren van de veiligheidsrisico’s voor operationele partijen tijdens het uitvoeren van hun werkzaamheden alsook risico’s te beperken voor de samenleving die kunnen uitgaan van verdachte CBRN-E objecten en omstandigheden.

Artikel 5 Informatiedeling

  • 1. Tenzij operationele, internationale of nationale veiligheidsbelangen zich daartegen verzetten, delen partijen met het oog op het in artikel 4 omschreven doel, en voor zover dit past binnen en is toegestaan op grond van de voor hen geldende wet- en regelgeving alsmede contractuele verplichtingen, alle bij elk van hen relevante beschikbare operationele en technische informatie als ook trends, analyses, internationale en nationale ontwikkelingen omtrent verdachte CBRN-E objecten en omstandigheden met één of meerdere partijen bij dit samenwerkingsverband voor zover dit redelijkerwijs noodzakelijk is ten behoeve van de uitoefening van de aan de partijen opgedragen taken en conform de behoeftestelling zoals beschreven in bijlage I dat een onlosmakelijk onderdeel vormt van dit convenant.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde informatie wordt, indien dat gelet op de omstandigheden noodzakelijk is, zo spoedig mogelijk gedeeld met één of meerdere partijen.

  • 3. Voor zover het persoons- of politiegegevens betreft delen de partijen deze gegevens op grond van de voor hen geldende wet- en regelgeving, zoals beschreven in bijlage I dat een onlosmakelijk onderdeel vormt van dit convenant. Hetzelfde geldt voor de zaaksinformatie en onderzoeksgegevens voor zover dat volgt uit de van toepassing zijnde regelgeving.

  • 4. Indien één of meerdere partijen zwaarwegende bezwaren heeft of hebben tegen het delen van operationele of technische informatie, bijvoorbeeld in het belang van strafrechtelijke onderzoeken of belangen van internationale of nationale veiligheid, betrekken zij bij de afweging om al dan niet te verstrekken de belangen van de andere partijen zoals een eventuele gevaarzetting voor die partijen. Ook dient overwogen te worden of informatie in een beperkte kring, onder voorwaarden, met toestemming van degene die primair over de informatie beschikt dan wel met toestemming van de opdrachtgever van het onderzoek waaruit de informatie beschikbaar is gekomen of op termijn gedeeld kan worden, ter voorkoming van dergelijke gevaarzetting.

  • 5. De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het eerste tot en met vierde lid, wordt nader bepaald in onderliggende werkafspraken. In deze werkafspraken wordt tenminste afgesproken, of verwezen naar afspraken waaruit blijkt, hoe de verschillende merkingen en rubriceringsniveaus van de organisaties zich tot elkaar verhouden opdat partijen passende maatregelen kunnen treffen.

Artikel 6 Samenwerking

  • 1. Om het doel van dit convenant te bereiken deelt een partij met één of meerdere partijen informatie in een samenwerking binnen de wettelijke kaders. Elke partij wijst daartoe één of meer vertegenwoordigers aan.

  • 2. De vertegenwoordigers zijn experts op het terrein van CBRN-E waarover kennis, ervaring en informatie wordt gedeeld.

  • 3. In het kader van de samenwerking komen partijen minimaal 1 keer per jaar bijeen om de samenwerking en informatiedeling met elkaar te evalueren en daar waar nodig aanvullende afspraken te maken.

  • 4. Daarnaast komen de vertegenwoordigers ad hoc bijeen indien één of meerdere partijen dit wenselijk acht.

  • 5. In de samenwerking wordt de eigen werkwijze bepaald en wordt deze uitgewerkt in nadere werkafspraken. Daarbij wordt in ieder geval de wijze waarop informatie wordt gedeeld als bedoeld in artikel 5 en de escalatieregeling als bedoeld in artikel 13 nader uitgewerkt.

Artikel 7 Financiële verplichtingen

Elke partij draagt zijn eigen kosten die zien op deelname aan de in dit convenant afgesproken samenwerking, inclusief de kosten die zien op het delen van informatie.

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 8 Evaluatie

Partijen evalueren tweejaarlijks de uitvoering en werking van dit convenant.

Artikel 9 Opzegging

  • 1. Elke partij kan het convenant na overleg met de betrokken partijen en met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden schriftelijk opzeggen, indien een zodanige verandering van de taken en bevoegdheden van de partijen als bedoeld in artikel 3 is opgetreden dat dit convenant billijkheidshalve op korte termijn behoort te eindigen. De opzegging moet deze verandering vermelden.

  • 2. Wanneer een partij het convenant opzegt, blijft het convenant voor de overige partijen in stand voor zover de inhoud en de strekking ervan zich daartegen niet verzetten.

Artikel 10 Wijziging

  • 1. Indien zich omstandigheden voordoen die aanleiding kunnen geven dit convenant te wijzigen, zullen partijen over de noodzaak hiertoe in onderling overleg treden.

  • 2. Elke partij kan de andere partijen schriftelijk verzoeken het convenant te wijzigen. De wijziging behoeft schriftelijke instemming van alle partijen.

  • 3. De wijziging en de verklaringen tot instemming worden als bijlage aan het convenant gehecht.

Artikel 11 Toetredingsregeling

  • 1. Ter bevordering van de bescherming van de veiligheid van Nederland bestaat voor derden met relevante kennis op het gebied van CBRN-E de mogelijkheid om als partij toe te treden tot dit convenant. Toetreding kan plaatsvinden op eigen verzoek of op verzoek van één of meerdere partijen.

  • 2. Een derde of een partij die een derde wil verzoeken om toe te treden tot het convenant, maakt het verzoek tot toetreding schriftelijk bekend aan de Minister van JenV door tussenkomst van de NCTV. De Minister van JenV bespreekt het verzoek met partijen. Zodra alle partijen door tussenkomst van de Minister van JenV schriftelijk hebben ingestemd met het verzoek tot toetreding, ontvangt de derde de status van partij bij het convenant en gelden voor die partij de voor haar uit het convenant voortvloeiende rechten en verplichtingen.

  • 3. Het verzoek tot toetreding en de verklaringen tot instemming worden als bijlage aan het convenant gehecht.

Artikel 12 Afdwingbaarheid

De afspraken uit dit convenant zijn niet in rechte afdwingbaar.

Artikel 13 Escalatieregeling

  • 1. Een partij die meent dat een geschil bestaat, deelt dat schriftelijk aan de andere partij of partijen mee. De mededeling bevat een aanduiding van het geschil en de inspanningen die gedaan zijn om het geschil op te lossen.

  • 2. Binnen 20 werkdagen na de dagtekening van de in het eerste lid bedoelde mededeling zendt elke partij zijn zienswijze over het geschil, alsmede een voorstel voor een oplossing daarvan, aan de andere partij of partijen.

  • 3. Binnen 20 werkdagen na afloop van de in het tweede lid vermelde termijn overleggen partijen over een oplossing van het geschil. Elke partij kan zich door deskundigen doen bijstaan. Indien een partij binnen 30 werkdagen na afloop van de in het tweede lid vermelde termijn de wens daartoe kenbaar maakt, wordt het overleg voorgezeten door een door partijen gezamenlijk of, bij gebreke van overeenstemming daarover binnen twee dagen, door de Minister van JenV te benoemen voorzitter.

  • 4. Elke partij draagt eventuele eigen kosten, voortvloeiend uit de procedure van het eerste tot en met derde lid van dit artikel. De kosten van de in het derde lid bedoelde voorzitter worden door elke partij voor een gelijk deel gedragen.

SLOTBEPALINGEN

Artikel 14 Inwerkingtreding en looptijd

  • 1. Dit convenant treedt in werking met ingang van de dag na ondertekening door de laatste partij en wordt voor de duur van vijf jaar aangegaan.

  • 2. Na afloop van de in het eerste lid genoemde duur wordt dit convenant telkens voor dezelfde duur stilzwijgend voortgezet, tenzij een partij het met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden schriftelijk heeft opgezegd.

  • 3. Partijen treden uiterlijk vier maanden voor laatstgenoemde datum in overleg over voortzetting van dit convenant.

Artikel 15 Geheimhouding

  • 1. De partijen zijn verplicht tot geheimhouding van alle informatie waarvan zij ter uitvoering van dit convenant kennisnemen, tenzij een wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

  • 2. Aan derden die inzage hebben of op andere wijze operationele of technische informatie verkrijgen, leggen de partijen een plicht tot geheimhouding op. Deze plicht strekt tot geheimhouding van de informatie, waaronder persoonsgegevens waarvan derden kennisnemen, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

  • 3. Het verder verstrekken van persoons- of politiegegevens die van een andere partij zijn verkregen vindt plaats onder gelijkluidende geheimhouding en beveiligingsvoorschriften welke bij de verstrekking van toepassing waren. Hetzelfde geldt voor de zaaksinformatie en onderzoeksgegevens voor zover dat volgt uit de van toepassing zijnde wet- en/of regelgeving.

Artikel 16 Toepasselijk recht

Op dit convenant is uitsluitend Nederlands recht van toepassing.

Artikel 17 Publicatie in Staatscourant

  • 1. Binnen een maand na inwerkingtreding van dit convenant wordt de tekst daarvan gepubliceerd in de Staatscourant.

  • 2. Bij wijzigingen in het convenant vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing.

  • 3. Van toetreding of opzegging door één partij of meerdere partijen wordt melding gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 18 Slotbepaling

Dit convenant wordt aangehaald als: Convenant samenwerking CBRN-E.

Aldus overeengekomen en in zevenvoud ondertekend,

Voor akkoord

De Minister van Justitie en Veiligheid Namens deze, P.J. Aalbersberg Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid

8 juli 2025

De Minister van Defensie Namens deze, M.R. Schurink Secretaris-Generaal

1 april 2025

De Inspectie Leefomgeving en Transport Namens deze, M.C. Wassenaar Inspecteur-Generaal

4 april 2025

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Voor deze, J. Brug, Directeur-generaal van het rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

10 april 2025

De korpschef van politie Namens deze, I.D. Godthelp-Teunissen Politiechef Eenheid Landelijke Expertise en Operaties

11 juni 2025

Het Nederlands Forensisch Instituut Namens deze, M.R.P. Elsensohn Algemeen directeur

17 juni 2025

De Minister van Financiën Namens deze, M.J.J. Fletcher Directeur Directie Strategie, Beleid en Internationaal Directoraat-Generaal Douane

1 juli 2025

BIJLAGE: GRONDSLAGEN EN BEHOEFTE INFORMATIEDELING

Gelet op de in artikel 3, eerste lid, genoemde wettelijke respectievelijk formele taken en bevoegdheden van de partijen, is de grondslag en de behoefte tot het delen en ontvangen van gegevens per partij als volgt:

  • 1. Voor de Minister van JenV:

    • a. Grondslagen:

      • i. Voor het verwerken van persoonsgegevens: niet van toepassing.

      • ii. Niet-persoonsgebonden gegevens: De Minister van JenV is de bevoegde instantie als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Verordening 2019/1148/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 98/2013 (hierna: de verordening). De Wet precursoren voor explosieven geeft uitvoering aan deze verordening. Aan de inspecteur-generaal van de ILT is mandaat verleend tot zowel verlening van de vergunning, als tot schorsing of intrekking daarvan, alsook tot het houden van toezicht op de naleving van de verordening en hetgeen bij of krachten de Wet precursoren voor explosieven is bepaald. Om die reden is er voor de Minister van JenV geen noodzaak tot het ontvangen van persoonsgegevens.

    • b. Behoefte:

      • i. persoonsgegevens: de Minister van JenV/NCTV heeft geen behoefte aan het ontvangen/verwerken van persoonsgegevens.

      • ii. niet-persoonsgebonden gegevens: er is behoefte aan technische informatie met het oog op een mogelijke aanpassing van de stoffen waarvoor de Wet precursoren voor explosieven moet gelden.

        Operationele informatie opdat een beeld ontstaat dat stoffen moeten worden ondergebracht bij de Wet precursoren voor explosieven.

  • 2. Voor de Minister van Defensie:

    • a. Grondslagen:

      • i. Grondslag voor het verwerken van persoons- en politiegegevens gegevens door de KMar is artikel 4 Politiewet 2012 jo. artikel 8, 9 en 13 Wet politiegegevens.

      • ii. Grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens door andere onderdelen van Defensie is in dit verband altijd onder gezag van civiele autoriteit onder wiens verantwoordelijkheid bijstand wordt geleverd op grond van artikel 58 of 62 Politiewet 2012 jo. artikelen 6, vierde lid, 8 en 13, tweede lid van de Wet politiegegevens.

      • iii. De grondslag voor de structurele verstrekking van artikel 8 en artikel 13 en artikel 9 politiegegevens aan partijen in deze samenwerking is gelegen in artikel 20 Wpg. Dit wordt dan nader vastgelegd in een artikel 20 Wpg-beslissing.

      • iv. De grondslag voor de KMar voor het ontvangen van persoonsgegevens of andere gegevens en bescheiden ten behoeve van een goede en doelmatige taakuitoefening op grond van artikel 12 en 13 Wet precursoren voor explosieven.

    • b. Behoefte:

      • i. persoonsgegevens: t.b.v. uitvoering Wet precursoren voor explosieven

      • ii. niet persoonsgegevens:

        • 1. Geverifieerde informatie van CBRN-E incidenten en modus operandi uit zowel het nationale als internationale domein om zo goede analyses te kunnen maken en op basis daarvan beveiligingsmaatregelen en beschermingsmiddelen te kunnen aanpassen;

        • 2. Beschikbare en deelbare informatie en rapporten die voortkomen uit internationale kanalen van buitenlandse CBRN-E incidenten;

        • 3. Detailbeschrijvingen van incidenten;

        • 4. Informatie over de actuele dreiging voorafgaande aan- en tijdens inzet ten behoeve van opbouw van Situational Awareness en Situational Understanding van ingezette capaciteiten.

        • 5. Gegevens ten behoeve van het opbouwen van een informatie door modus operandi.

  • 3. Voor de ILT:

    • a. Grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens:

      • i. Verstrekken:

        • artikel 12 van de Wet precursoren voor explosieven (voor wat betreft het op verzoek verstrekken van persoonsgegevens bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet precursoren voor explosieven, of andere gegevens of bescheiden ten behoeve van de goede uitvoering van de politietaak, aan politie en KMar).

        • artikel 6, eerste lid sub e juncto vierde lid van de AVG.

      • ii. Ontvangen:

        • artikel 13, eerste lid van de Wet precursoren voor explosieven (voor wat betreft het ontvangen van persoonsgegevens bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet precursoren voor explosieven, of andere gegevens of bescheiden ten behoeve van een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Wet precursoren voor explosieven, van de politie of de KMar.

        • artikel 13, tweede lid van de Wet precursoren voor explosieven (voor wat betreft het – desgevraagd of uit eigen beweging – ontvangen van persoonsgegevens, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet precursoren voor explosieven, of andere gegevens of bescheiden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van en toezicht op de naleving van de Wet precursoren voor explosieven, van andere bestuursorganen.

        • artikel 6, eerste lid sub e juncto vierde lid van de AVG.

    • b. Behoefte:

      • i. Persoonsgegevens: t.b.v uitvoering Wet precursoren voor explosieven

      • ii. geen persoonsgegevens: Informatie die relevant is voor het uitvoeren van inspecties.

  • 4. Voor de Politie:

    • a. Grondslagen voor het verwerken van persoonsgegevens: de politie verwerkt politiegegevens voor zover die verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van de politietaak, zoals neergelegd in artikel 3 van de Politiewet 2012. De grondslag voor de verwerking van politiegegevens is gelegen in de Wpg. De grondslag voor de structurele verstrekking van artikel 8 en artikel 13 en artikel 9 politiegegevens aan partijen in het samenwerkingsverband is gelegen in artikel 20 Wpg. Dit is nader vastgelegd in de artikel 20 WPG-beslissing. In voorkomende gevallen het bepaalde in Besluit politiegegevens, in voorkomende gevallen het bepaalde in artikel 13 Wpg-protocol.

    • b. Behoefte:

      • i. Persoonsgegevens: opvolging Meldpunt Verdachte Transacties Chemicaliën (art 10 Regeling precursoren voor explosieven).

      • ii. Geen persoonsgegevens: gegevens ten behoeve van het opbouwen van een informatiepositie over Modus Operandi

  • 5. Voor het NFI:

    • a. Zijn de grondslagen voor het ontvangen, verwerken en verstrekken van persoonsgegevens:

      • i. Ten aan zien van de KMar: Artikelen 8,9,10 en 13 (18 eerste lid) Wpg, artikel 4:3, lid 1 sub r Bpg, artikel 1, lid 1 en lid 2, sub a en b jo. art. 2, lid 1, 2 en 3 RT.

      • ii. Ten aanzien van de Politie: Artikelen 8,9,10 en 13 (18 lid 1) Wpg, artikel 4:3, lid 1 sub r Bpg, art. 1 jo. art. 2 RT NFI.

      • iii. Ten aanzien van het Ministerie van Justitie en Veiligheid: artikel 1, lid 1, lid 2, sub a en b jo. art. 2, lid 1, 2 en 3 RT NFI.

      • iv. Ten aanzien van de samenwerkingen met de Politie, KMar en Explosieven Opruiming Dienst Defensie (EODD) voor doelen als beschreven in art. 13, lid 2 van de Wet politiegegevens en daaruit voortvloeiende protocollen, is de grondslag te vinden in: artikel 1, lid 2, sub c RT NFI jo. artikel 3 Politiewet 2012 (jo. Art. 58 jo. 3 en 4 Politiewet, militaire bijstand).

    • b. Behoefte: Hieronder staat een overzicht van de informatiebehoefte

      • i. Persoonsgegevens: geen behoefte

      • ii. Geen persoonsgegevens:

        • 1. Technische informatie nodig over:

          • a. Details inzake aard, samenstelling en werking van CBRN-E.

          • b. Informatie moet beschikbaar zijn voor alle partijen die betrokken zijn bij het convenant

          • c. All up-to-date gegevens over aanwezigheid en/of beschikbaarheid van nieuwe agentia

        • 2. Essentiële operationele en context informatie over:

          • a. Methoden, ontwikkelingen, dreigingen of gebeurtenissen inzake explosieven, (grond)stoffen, onderdelen en voorwerpen nodig teneinde een adequate voorbereiding te hebben voor bemonsteringen en veilige en snelle analyse van CBRN-E tijdens een incident.

          • b. Nieuwe analysemethoden als voorbereiding voor de toekomst.

  • 6. Voor het RIVM:

    • a. Grondslagen:

      • i. Voor het verwerken van persoonsgegevens: niet van toepassing.

      • ii. Niet-persoonsgebonden gegevens:

        • 1. Artikel 3, eerste lid, sub a en sub e, en tweede lid, van de Wet op het RIVM;

        • 2. Artikel 6c van de Wet publieke gezondheid;

    • b. Behoefte:

      • i. Persoonsgegevens: geen

      • ii. Informatiebehoefte zijnde geen persoonsgegevens:

        • 1. Technische informatie nodig over:

          • a. Details inzake aard, samenstelling en werking van CBRN-E;

          • b. Informatie moet beschikbaar zijn voor alle partijen die betrokken zijn bij het convenant;

          • c. Alle up-to-date gegevens over aanwezigheid en/of beschikbaarheid van nieuwe agentia.

        • 2. Essentiële operationele informatie over:

          • a. Methoden, verwijzen, ontwikkelingen, dreigingen of gebeurtenissen inzake CBRN-E, (grond)stoffen, onderdelen en voorwerpen nodig voor, alertering, (humane) signalering en surveillance van ziektegevallen; teneinde een adequate voorbereiding te hebben voor veilige en snelle bemonsteringen, (risico) analyse en bestrijding van CBRN-E tijdens een incident ten behoeve van de volksgezondheid.

          • b. Nieuwe analysemethoden als voorbereiding voor de toekomst.

  • 7. Voor de Douane:

    • a. Grondslagen:

      Artikel 1:33 van de Algemene douanewet alsmede artikel 13 van de Wet precursoren voor explosieven bieden de grondslagen voor het verstrekken en ontvangen van informatie verstrekken als het gaat om gegevens en inlichtingen die de Douane en andere toezichthouders nodig hebben inzake de Wet precursoren voor explosieven, de Kernenergie wet en de Wet explosieven voor civiel gebruik.

    • b. Behoefte

      • i. Persoonsgegevens: persoon en bedrijfsgegevens die kunnen duiden op het (buitengrensoverschrijdend) vervoer van goederen met het risico dat dit CBRN-E betreft.

      • ii. Geen persoonsgegevens: Risicoinformatie ten behoeve van het toezicht op het (mogelijke) vervoer van CBRN-E, (modus operandi) inzake smokkel CBRN-E, trends, risicogebieden.

Naar boven