Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2025, 22359 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2025, 22359 | beleidsregel |
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op de artikelen 4, eerste en vijfde lid, 5, eerste en derde lid, en 8, eerste en derde lid, van verordening (EG) nr. 338/97 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997 L 61), de artikelen 11.25, tweede lid, en 11.93, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 3.69, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
Verordening (EG) nr. 338/97 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997, L 61);
Verordening (EG) nr. 865/2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166);
land, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
Richtlijn 1999/22/EG betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen (PbEG 1999, L 94);
opvangcentrum of reservaat dat geregistreerd is bij en gecontroleerd wordt door de bevoegde autoriteiten van het land waar het opvangcentrum of reservaat gevestigd is;
tijger die aantoonbaar voldoet aan de in artikel 54 van de CITES-uitvoeringsverordening opgenomen vereisten voor in gevangenschap geboren en gefokte specimens van diersoorten;
permanente instelling zonder winstoogmerk, in dienst van de samenleving, gericht op het onderzoeken, verzamelen, bewaren, interpreteren en tentoonstellen van materieel en immaterieel erfgoed;
dierentuin in een lidstaat van de Europese Unie die overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van de dierentuinrichtlijn een vergunning heeft of is geregistreerd;
een vergunninghoudende dierentuin of een instelling in een derde land die deelneemt aan een erkend fokprogramma voor de tijger.
1. Een aanvraag voor de afgifte van een uitvoervergunning of een wederuitvoercertificaat als bedoeld in artikel 5 van de CITES-basisverordening voor levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en delen en afgeleide producten van de tijger wordt afgewezen.
2. In afwijking van het eerste lid kan een uitvoervergunning of een wederuitvoercertificaat worden afgegeven, indien:
a. voldaan wordt aan de eisen van artikel 5 van de CITES-basisverordening; en
b. de aanvrager aannemelijk kan maken dat de uitvoervergunning of het wederuitvoercertificaat zal worden gebruikt voor doeleinden die geen afbreuk doen aan de instandhouding van de soort.
3. Een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat wordt gebruikt voor doeleinden die geen afbreuk doen aan de instandhouding van de soort, indien de aanvraag betrekking heeft op:
a. een levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijger, die is bestemd voor een zoölogische instelling of een uitwisseling tussen zoölogische instellingen, als onderdeel van een erkend fok- of instandhoudingsprogramma en niet is bestemd voor overwegend commerciële doeleinden;
b. een levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijger die voor opvangdoeleinden wordt verplaatst naar een officieel geregistreerd opvangcentrum of reservaat in een derde land, omdat in de Europese Unie geen geschikt opvangcentrum, reservaat of vergunninghoudende dierentuin beschikbaar is en die op de plek waar het dier naartoe wordt verplaatst in een voor de soort geschikte leefruimte zal worden gehouden;
c. een levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijger die bestemd is, of delen en afgeleide producten van de tijger die bestemd zijn voor handhavingsdoeleinden of gebruikt worden voor gerechtelijke procedures;
d. delen en afgeleide producten van een in gevangenschap geboren en gefokte tijger, die deel uitmaken van een legitiem onderzoeksproject, met inbegrip van wetenschappelijk, medisch of biomedisch onderzoek, waarbij specimens bestemd zijn voor de vooruitgang van de wetenschap of voor essentiële biomedische doeleinden, en waarbij de soort de enige geschikte blijkt te zijn; of
e. delen en afgeleide producten van in gevangenschap geboren en gefokte tijgers die worden verplaatst en:
1°. deel uitmaken van een uitwisseling van cultuurgoederen tussen musea;
2°. die objecten betreffen die van groot cultureel, artistiek of historisch belang zijn en waarvan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het culturele, artistieke of historische belang bevestigt en het belang van de overdracht onderschrijft; of
3°. die erfstukken betreffen die als onderdeel van persoonlijke bezittingen, een legaat of huisraad in het kader van een verhuizing worden uitgevoerd en niet worden verkocht.
4. Een aanvraag die betrekking heeft op een transactie als bedoeld in het derde lid, onder b, gaat vergezeld van een onderbouwing dat er binnen de Europese Unie geen geschikte opvangplek is.
5. Een uitvoervergunning of een wederuitvoercertificaat voor een transactie als bedoeld in het derde lid, onder b, kan enkel worden verleend na bevestiging van de administratieve instantie van het land van bestemming dat het ontvangend opvangcentrum of reservaat een officieel geregistreerd opvangcentrum of reservaat zonder commercieel oogmerk is dat geen banden heeft met illegale activiteiten en illegale handel.
1. Een aanvraag voor de afgifte van een certificaat als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de CITES-basisverordening voor de handel binnen de Europese Unie in levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en delen en afgeleide producten van de tijger wordt afgewezen.
2. In afwijking van het eerste lid kan een transactiespecifiek certificaat worden afgegeven, indien:
a. voldaan wordt aan de eisen van artikel 8 van de CITES-basisverordening; en
b. de aanvrager aannemelijk kan maken dat het certificaat zal worden gebruikt voor doeleinden die geen afbreuk doen aan de instandhouding van de soort.
3. Een certificaat wordt gebruikt voor doeleinden die geen afbreuk doen aan de instandhouding van de soort, indien de aanvraag betrekking heeft op:
a. een levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijger, die is bestemd voor een vergunninghoudende dierentuin of een uitwisseling tussen vergunninghoudende dierentuinen, als onderdeel van een erkend fok- of instandhoudingsprogramma en niet is bestemd voor commerciële doeleinden;
b. een levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijger die voor opvangdoeleinden wordt verplaatst naar een officieel geregistreerd opvangcentrum, reservaat of vergunninghoudende dierentuin en die op de plek waar het dier naartoe wordt verplaatst in een voor de soort geschikte leefruimte zal worden gehouden en niet zal worden gebruikt voor fokdoeleinden;
c. een levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijger die bestemd is, of delen en afgeleide producten van de tijger die bestemd zijn voor handhavingsdoeleinden of gebruikt worden voor gerechtelijke procedures;
d. delen en afgeleide producten van een in gevangenschap geboren en gefokte tijger, die deel uitmaken van een legitiem onderzoeksproject, met inbegrip van wetenschappelijk, medisch of biomedisch onderzoek, waarbij de delen en afgeleide producten bestemd zijn voor de vooruitgang van de wetenschap of voor essentiële biomedische doeleinden, en waarbij de soort de enige geschikte blijkt te zijn; of
e. delen en afgeleide producten van een in gevangenschap geboren en gefokte tijger die worden verplaatst en:
1°. deel uitmaken van een uitwisseling van cultuurgoederen tussen musea;
2°. die objecten betreffen die van groot cultureel, artistiek of historisch belang zijn en waarvan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het culturele, artistieke of historische belang bevestigt en het belang van de overdracht onderschrijft; of
3°. bestemd zijn voor onderzoek of onderwijs met het oog op het behoud of de instandhouding van de soort.
4. Een certificaat voor een transactie als bedoeld in het derde lid, onder b, kan enkel worden afgegeven na bevestiging van de administratieve instantie van het land van bestemming dat het ontvangend opvangcentrum of reservaat een officieel geregistreerd reservaat of opvangcentrum zonder commercieel oogmerk is dat geen banden heeft met illegale activiteiten en illegale handel.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 8 september 2025
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie
Met dit besluit wordt een beleidsregel vastgesteld voor het beoordelen van aanvragen van CITES-vergunningen en -certificaten voor de handel in levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijgers (Panthera tigris) en delen en afgeleide producten van de tijger.
Het gaat daarbij om uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de CITES-basisverordening1 en certificaten als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de CITES-basisverordening voor handelsactiviteiten binnen de Europese Unie (EU). Aanleiding voor deze beleidsregel is de inwerkingtreding van de Richtsnoeren inzake de uitvoer en de wederuitvoer van, en de handel binnen de EU in, levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en delen en afgeleide producten van de tijger (hierna: richtsnoeren).2
De beleidsregel beoogt duidelijk te maken welke afweging wordt gemaakt bij het beoordelen van een aanvraag. Bij de motivering van een afwijzing, dan wel verlening, van een uitvoervergunning of een wederuitvoercertificaat ten behoeve van de (weder)uitvoer van een in gevangenschap geboren en gefokte tijger of delen en afgeleide producten van de tijger, en de afwijzing, dan wel verlening, van een certificaat voor handelsactiviteiten binnen de EU met een in gevangenschap geboren en gefokte tijger of delen en afgeleide producten van de tijger, kan voortaan worden verwezen naar deze beleidsregel.
Een aanvraag voor de afgifte van een uitvoervergunning of een wederuitvoercertificaat als bedoeld in artikel 5 van de CITES-basisverordening of voor de afgifte van een certificaat als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de CITES-basisverordening, voor levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en delen en afgeleide producten van de tijger wordt afgewezen tenzij sprake is van de in de beleidsregel genoemde uitzonderingen. Indien sprake is van de genoemde uitzonderingen kan een vergunning of certificaat worden verleend.
De tijger is opgenomen in appendix I (soorten die met uitsterven worden bedreigd) bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (het CITES-verdrag).3 Het CITES-verdrag ziet op de bescherming van bepaalde in het wild levende dier- en plantensoorten tegen overmatige exploitatie als gevolg van de internationale handel.
De CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening4 vormen de omzetting in Europese regelgeving van het CITES-verdrag.
De CITES-basisverordening stelt regels over de handel in levende en dode dieren en planten van soorten die met uitsterven worden of kunnen worden bedreigd. De in de verordening neergelegde regels gelden ook voor delen en afgeleide producten van die dieren of planten.5 Bij de CITES-basisverordening behoren vier bijlagen. Bijlage A bevat soorten die ernstig worden bedreigd. De commerciële handel in dieren of planten van deze soorten is in principe verboden. De bijlagen B en C bevatten kwetsbare soorten. De handel in dieren of planten van deze soorten is gereguleerd. Bijlage D bevat soorten ten aanzien waarvan het wenselijk is de handelsontwikkelingen te volgen. De tijger staat sinds 1997 op bijlage A bij de CITES-basisverordening.
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de CITES-basisverordening zijn in gevangenschap geboren en gefokte soorten van bijlage A onderworpen aan de regels die van toepassing zijn op soorten die zijn opgenomen op bijlage B bij de CITES-basisverordening.
Artikel 8, tweede lid, van de CITES-basisverordening geeft lidstaten de keuze om ook het enkel in bezit hebben van dieren, planten en producten daarvan van de soorten genoemd in de bijlagen bij de verordening te verbieden, los van het handelsoogmerk. Meer in het algemeen is in punt 3 van de considerans van de CITES-basisverordening aangegeven dat de bepalingen van de verordening geen afbreuk doen aan de strengere maatregelen die de lidstaten met inachtneming van het Verdrag – thans het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie – kunnen nemen of handhaven, met name betreffende het houden van specimens van soorten die onder de verordening vallen.
Zoals in paragraaf 2.1.1 van de toelichting is aangegeven, zijn in gevangenschap geboren en gefokte soorten van bijlage A onderworpen aan de regels inzake uitvoer en wederuitvoer uit de Europese Unie die van toepassing zijn op soorten die zijn opgenomen op bijlage B bij de CITES-basisverordening. Onder wederuitvoer wordt onder de CITES-basisverordening uitvoer uit de Europese Unie verstaan van een specimen dat daar eerder is binnengebracht.
Op grond van artikel 5, vierde lid, van de CITES-basisverordening zijn sommige bepalingen die van toepassing zijn op soorten van bijlage A ook van toepassing op soorten van bijlage B en daarmee ook op in gevangenschap geboren en gefokte specimens van soorten van bijlage A. Dit geldt bijvoorbeeld voor artikel 5, tweede lid, onder d, van de CITES-basisverordening. Daarin wordt bepaald dat de administratieve instanties6 van de lidstaten bij de beoordeling van aanvragen voor uitvoer en wederuitvoer uit de Europese Unie van specimens van de in bijlage A opgenomen soorten, via overleg met de bevoegde wetenschappelijke autoriteit7, de zekerheid hebben verkregen dat er geen andere argumenten in verband met de instandhouding van de soort pleiten tegen afgifte van een uitvoervergunning. In Nederland is de Minister voor Natuur en Stikstof de bevoegde administratieve instantie8, en is er een wetenschappelijke autoriteit ingesteld op grond van de bepalingen in de Omgevingswet.9 Waar in de wet en de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur taken en bevoegdheden zijn toebedeeld aan de ‘Minister voor Natuur en Stikstof’, liggen deze taken en bevoegdheden op grond van de huidige portefeuilleverdeling bij de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. In het navolgende zal dan ook steeds worden gesproken over ‘Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur’, waar het gaat om de aanduiding wie de taken en bevoegdheden heeft en uitoefent.
Op grond van artikel 5, tweede lid, van de CITES-basisverordening mag er enkel een uitvoervergunning worden afgegeven voor de in bijlage A genoemde specimens, indien de bevoegde wetenschappelijke autoriteit in een schriftelijk advies heeft gesteld dat de uitvoer geen nadelig effect heeft op de instandhouding van de soort of op de omvang van het verspreidingsgebied van de populatie van de betrokken soort. Daarnaast moet de aanvrager aan de hand van documenten aantonen dat de specimens verkregen zijn overeenkomstig de vigerende wetgeving betreffende de bescherming van de betrokken soort en moet de administratieve instantie de zekerheid hebben verkregen dat levende specimens op een zodanige wijze voor vervoer gereed gemaakt en verzonden zullen worden dat de risico’s van verwonding, ziekte of ruwe behandeling tot een minimum beperkt zijn. Ook moet de administratieve instantie bij de beoordeling van de aanvragen voor de uitvoer van in bijlage A opgenomen soorten via overleg met de bevoegde wetenschappelijke autoriteit de zekerheid hebben verkregen dat er geen andere argumenten in verband met de instandhouding van de soort pleiten tegen afgifte van de uitvoervergunning.
Een wederuitvoercertificaat mag enkel worden afgegeven, indien de administratieve instantie de zekerheid heeft verkregen dat levende specimens op een zodanige wijze voor vervoer gereed gemaakt en verzonden zullen worden dat de risico’s van verwonding, ziekte of ruwe behandeling tot een minimum beperkt zijn en, bij wederuitvoer naar een staat die partij is bij het CITES-verdrag, een invoervergunning is afgegeven. Daarnaast moet de administratieve instantie bij de beoordeling van de aanvragen voor de wederuitvoer van in bijlage A opgenomen specimens via overleg met de bevoegde wetenschappelijke autoriteit de zekerheid hebben verkregen dat er geen andere argumenten in verband met de instandhouding van de soort pleiten tegen afgifte van een wederuitvoercertificaat. De specimens moeten bovendien overeenkomstig de bepalingen van de CITES-basisverordening of, indien dit plaatsvond voor de inwerkingtreding van de CITES-basisverordening, de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3626/82 zijn binnengebracht of langs wettelijke weg op het grondgebied van een lidstaat binnengebracht zijn voordat de genoemde bepalingen op die specimens of in die lidstaat van toepassing werden.
Aan voorgenoemde voorwaarden uit artikel 5 van de CITES-basisverordening voor de afgifte van een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat moet allereerst worden voldaan zoals opgenomen in artikel 2, tweede lid, onder a, van deze beleidsregel.
Echter ook wanneer de aanvraag aan de voorwaarden van artikel 5 van de CITES-basisverordening voldoet, kunnen de lidstaten in geval van twijfel of wetenschappelijke onzekerheid, in het licht van het voorzorgsbeginsel en de doelstellingen van de wetgeving, alsnog gebruikmaken van hun discretionaire bevoegdheid om de afgifte van een vergunning of certificaat te weigeren.
De regels voor handel binnen de EU in levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en delen en afgeleide producten van de tijger zijn neergelegd in artikel 8 van de CITES-basisverordening. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, van deze beleidsregel moet daaraan worden voldaan.
De lidstaten kunnen weigeren een certificaat af te geven, indien dit passend is om de soort te beschermen of het behoud ervan te garanderen, en de weigering niet verder gaat dan wat nodig is om dat doel te bereiken. Dit is het geval wanneer de transactie onverenigbaar en in strijd is met de voorwaarden en doelstellingen van de CITES-basisverordening.
Commerciële handel binnen de Europese Unie in de in bijlage A genoemde specimens is in beginsel verboden op grond van artikel 8, eerste lid, van de CITES-basisverordening. Overeenkomstig artikel 8, derde lid, van deze verordening kunnen de autoriteiten van de lidstaten slechts per geval ontheffing van dat verbod verlenen, indien is voldaan aan bepaalde voorwaarden zoals vermeld onder de punten a) tot en met h) van de CITES-basisverordening.
Voor certificaten voor handel binnen de Europese Unie geldt dat deze in het kader van deze beleidsregel transactiespecifiek worden afgegeven.10 Transactiespecifiek houdt in dat zij alleen betrekking hebben op één enkele transactie. Aangezien de bestemming conform de richtsnoeren aan bepaalde voorwaarden moet voldoen, wordt de bestemming op het certificaat vermeld en is de overdracht enkel toegestaan aan deze bestemming. Op grond van de CITES-uitvoeringsverordening mag een lidstaat een transactiespecifiek certificaat afgeven indien zij van oordeel is dat er andere factoren in samenhang met de instandhouding van de soort pleiten tegen de afgifte van een specimenspecifiek certificaat.11
Het risico bestaat dat levende tijgers en delen en afgeleide producten van in gevangenschap geboren en gefokte specimens in de illegale commerciële handel terechtkomen, waardoor de toeleveringsketen voor consumentenmarkten wordt gestimuleerd en de vraag vanuit eindgebruikers toeneemt. Om deze gevolgen, die schadelijk zijn voor de instandhouding van de soort, te voorkomen, is het noodzakelijk een strikte interpretatie van de verordeningen toe te passen voor de handel met derde landen en voor de handel binnen de EU in levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en delen en afgeleide producten daarvan. Deze beleidsregel draagt daaraan bij door de afgifte van certificaten voor handel verder in te kaderen conform de door de Europese Commissie vastgestelde richtsnoeren.
Onder de Omgevingswet is bepaald dat het verboden is om in strijd te handelen met artikel 4, eerste lid, eerste zin, tweede lid, eerste zin, derde en vierde lid, artikel 5, eerste en vierde lid, eerste zin, artikel 6, derde lid, artikel 8, eerste lid in samenhang met het vijfde lid, en artikel 9, eerste, vierde en vijfde lid, van de CITES-basisverordening.12 Artikel 11.31 in samenhang met artikel 11.107 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bepaalt voorts dat de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur als bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift kan stellen om af te wijken van de genoemde verbodsbepalingen van de CITES-basisverordening mits dat in overeenstemming is met de bij of krachtens de CITES-basisverordening gestelde regels.
Daarnaast is in Nederland gebruik gemaakt van de beleidsruimte die op grond van artikel 8, tweede lid, van de CITES-basisverordening bestaat door te voorzien in aanvullende bezitsverboden ter verzekering van een goede uitvoering van de CITES-basisverordening. Artikel 11.96 van het (Bal) verbiedt het onder zich hebben van dieren en planten van soorten op bijlagen A tot en met D bij de CITES-basisverordening en het verhandelen van soorten op bijlagen C en D.
In artikel 11.99, eerste lid, van het Bal zijn de uitzonderingen op deze verboden opgenomen. De uitzondering op de bezitsverboden geldt echter niet voor het onder zich hebben van tijgerbotten, en evenmin voor het onder zich hebben van levende katachtigen (artikel 11.99, derde en vierde lid). Ten aanzien van gefokte levende dieren van soorten, genoemd in de bijlagen A en B, bij de CITES-basisverordening en levende planten van soorten, genoemd in bijlage A, is bovendien een administratieplicht op grond van artikel 11.103, eerste lid, van het Bal van toepassing.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is via artikel 3.69 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) op grond van artikelen 4, 5 en 8 van de CITES-basisverordening gerechtigd om aanvragen van certificaten of vergunningen voor handelsactiviteiten te weigeren, zelfs wanneer de voorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 4, 5 en 8 zijn vervuld, mits de weigering verenigbaar is met het proportionaliteitsbeginsel. Verwezen wordt naar hetgeen de Europese Commissie daarover opmerkt in haar richtsnoeren.13 De bewijslast ter staving van de rechtmatigheid en de consistentie met de doelstellingen van de CITES-basisverordening van een overdracht berust bij de aanvrager van een certificaat of vergunning.
De richtsnoeren voor de bevoegde autoriteiten van de EU-lidstaten betreffen de interpretatie van de EU-verordeningen inzake de handel in wilde dieren en planten, in het licht van de huidige staat van instandhouding van deze soort en van andere daartoe relevante informatie, om ervoor te zorgen dat alle EU-lidstaten bij de uitvoer en de wederuitvoer van en handel binnen de EU in levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en delen en afgeleide producten van de tijger een aanpak volgen die verenigbaar is met Verordening (EG) nr. 338/97 en het voorzorgsbeginsel.
Deze richtsnoeren zijn volledig in het beoordelingskader verwerkt dat deze beleidsregel biedt voor het afgeven van CITES-vergunningen en -certificaten. Door aanvragen voor certificaten of vergunningen voor risicovolle en niet goed te controleren handel van in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en tijgerproducten af te wijzen, behoudens de in overeenstemming met de richtsnoeren in de beleidsregel opgenomen uitzonderingsgevallen, wordt het risico beperkt dat mogelijke illegale activiteiten gefaciliteerd worden. Zo wordt voorkomen dat de handel van in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en tijgerproducten leidt tot meer stroperij van in het wild levende tijgers. In specifieke gevallen kan beperkte en goed gecontroleerde handel blijven plaatsvinden, wanneer er weinig of geen risico bestaat dat er wordt bijgedragen aan een toename van stroperij, mits er certificaten of vergunningen worden afgegeven.
Het besluit om geen certificaten of vergunningen meer af te geven, behoudens in de uitzonderingsgevallen die zijn genoemd in de beleidsregel, is daarmee een evenredige maatregel om te kunnen voldoen aan de door de CITES-basisverordening nagestreefde doelstellingen.
De richtsnoeren zijn niet van toepassing op preconventie specimens. Preconventie specimens zijn specimens die zijn verworven voordat de betrokken soort voor het eerst in de Appendices van de CITES-overeenkomst is opgenomen.14 De tijger is voor het eerst op 1 juli 1975 opgenomen op de Appendices. Specimens verworven vóór 1 juli 1975 zijn preconventie specimens en vallen daarmee buiten deze beleidsregel.
Er wordt overeenkomstig deze beleidsregel gehandeld, tenzij dat voor één of meer belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.15
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voert de beleidsregel namens de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur uit. Deze beleidsregel wordt door RVO uitvoerbaar en handhaafbaar geacht.
Het aantal aanvragen voor vergunningen en certificaten als bedoeld in de artikelen 5, eerste en derde lid, en 8, derde lid, van de CITES-basisverordening, dat jaarlijks wordt ingediend voor in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en daarvan afgeleide producten, is beperkt.
De verwachting is dat het aantal aanvragen voor vergunningen en certificaten als bedoeld in artikel 5, eerste en derde lid, en artikel 8, derde lid, van de CITES-basisverordening voor levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijgers nagenoeg gelijk zal blijven.
Vanwege onderhavige beleidsregel worden aanvragen voor tijgerproducten voor commerciële doeleinden afgewezen. Aanvragen voor tijgerproducten kunnen alleen nog maar voor de in de beleidsregel aangegeven uitzonderingen worden goedgekeurd. Het aantal aanvragen voor vergunningen en certificaten als bedoeld in artikel 5, eerste en derde lid, en artikel 8, derde lid, van de CITES-basisverordening voor tijgerproducten zal daarom naar verwachting afnemen als gevolg van de beleidsregel.
Er zijn geen aanmerkelijke regeldrukeffecten te verwachten ten aanzien van wederuitvoercertificaten en invoervergunningen voor in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en tijgerproducten als gevolg van de beleidsregel.
Onderhavige beleidsregel treedt de dag na publicatie in de Staatscourant in werking. Aanleiding voor deze beleidsregel is de inwerkingtreding van de richtsnoeren. Aangezien deze richtsnoeren reeds in werking zijn getreden is ervoor gekozen dat deze beleidsregel zo spoedig mogelijk na publicatie in werking treedt.
Artikel 1 bevat begripsbepalingen die gebruikt worden in deze beleidsregel.
Vergunninghoudende dierentuinen moeten in de EU overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 1999/22/EG een vergunning hebben of geregistreerd zijn. In Nederland vereist artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit houders van dieren een vergunning voor het exploiteren van een dierentuin. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden. Bovendien voorziet hoofdstuk 4 van het voornoemd besluit in algemene regels waaraan de vergunninghouder moet voldoen. Deze regels geven uitvoering aan de artikelen 4 en 5 van richtlijn 99/22/EG.
Voor derde landen moeten zoölogische instellingen deel uitmaken van een erkend fokprogramma. Voorbeelden van erkende fok- en instandhoudingsprogramma’s van zoölogische instellingen zijn het Europees programma voor bedreigde soorten (EEP), het American Species Survival Plan (SSP), het Australasian Species Management Program (ASMP) en de Global Species Management Plans (GSMP).
Voor de begripsbepaling van ‘museum’ is aangesloten bij de officiële Nederlandse vertaling van de internationale museum definitie die is vastgesteld tijdens de International Council of Museums Conference in Praag in 2022 (Internationale Museumraad; ICOM).16 Deze definitie is vastgesteld door de wereldwijde museumgemeenschap en kan gezien worden als een wereldwijd geaccepteerde definitie. Musea die onder deze definitie vallen zijn openbaar, toegankelijk en inclusief en bevorderen diversiteit en duurzaamheid. Ze werken en communiceren ethisch, professioneel en met participatie van gemeenschappen.
Musea bieden een verscheidenheid aan ervaringen met het oog op educatie, genoegen, reflectie en kennisuitwisseling.
In dit artikel wordt het beoordelingskader neergelegd voor aanvragen voor de afgifte van een certificaat of een vergunning voor de uitvoer en wederuitvoer voor levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en delen en afgeleide producten van de tijger.
Met artikel 2 van onderhavige beleidsregel wordt de aanbeveling van de Europese Commissie om in beginsel geen uitvoervergunningen of wederuitvoercertificaten af te geven, tenzij ten genoegen van de administratieve instantie is aangetoond dat de vergunning of het certificaat zal worden gebruikt voor doeleinden die geen afbreuk doen aan de instandhouding van de soort, zoals opgenomen in hoofdstuk 3 onderdeel a van de richtsnoeren, opgevolgd.
Voor het verkrijgen van een certificaat of vergunning moet in ieder geval voldaan worden aan de regels van artikel 5 van de CITES-basisverordening. Ingevolge dat artikel mogen specimens, genoemd in bijlage A van de CITES-basisverordening, slechts worden uitgevoerd of wederuitgevoerd, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf bij het douanekantoor, waar de uitvoerformaliteiten vervuld worden, een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat is voorgelegd dat is afgegeven door een administratieve instantie van de lidstaat waar de specimens zich bevinden. Voor ‘administratieve instantie’ wordt aangesloten bij de definitie uit de CITES-basisverordening: een nationale administratieve instantie die wordt aangewezen overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder a), waar het een lidstaat betreft en overeenkomstig artikel IX van de Overeenkomst waar het een derde land betreft dat partij is bij de Overeenkomst.17 Met ‘de Overeenkomst’ wordt het CITES-verdrag bedoeld.
Ook aan de overige voorwaarden van artikel 5 moet worden voldaan. Voor een uitgebreidere toelichting op de voorwaarden uit de CITES-basisverordening wordt verwezen naar onderdeel 2.1.2 van het algemeen deel van deze toelichting.
Overeenkomstig de richtsnoeren wordt de (weder)uitvoer in beginsel niet toegestaan. Enkel in de uitzonderingsgevallen zoals die conform de richtsnoeren zijn omschreven in de beleidsregel is het toewijzen van een aanvraag om een certificaat of vergunning mogelijk. Deze uitzonderingen zijn uiteengezet in artikel 2 van de onderhavige beleidsregel. Daarbij geldt dat enkel wanneer naar het oordeel van de administratieve instantie is aangetoond dat de vergunning of het certificaat zal worden gebruikt voor doeleinden die geen afbreuk doen aan de instandhouding van de soort, een aanvraag kan worden toegewezen.
De uitzonderingssituaties van artikel 2 zien op zoölogische instellingen of de uitwisseling hiertussen als onderdeel van een erkende fok- of instandhoudingsprogramma en voor doeleinden die niet commercieel zijn (artikel 2, derde lid, onder a). Voor de invulling van ‘overwegend commerciële doeleinden’ wordt aangesloten bij de definitie hiervan in de CITES-basisverordening: alle doeleinden waarvan de niet-commerciële aspecten niet duidelijk de overhand hebben.18
Als het gaat om levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijgers die voor opvangdoeleinden worden verplaatst naar officieel geregistreerde opvangcentra, reservaten of zoölogische instellingen in derde landen, moet door de aanvrager onderbouwd worden dat er binnen de EU geen geschikte plek beschikbaar is. Voorwaarde bij overdracht naar derde landen is dat de dieren in een voor de soort geschikte leefruimte worden gehouden. Daarnaast dient de beoordelende administratieve instantie een bevestiging van de administratieve instantie van het land van bestemming te ontvangen, dat het ontvangend opvangcentrum of reservaat een officieel geregistreerd opvangcentrum of reservaat is, dat niet betrokken is bij illegale activiteiten of illegale handel en geen commercieel doel heeft. Hier ziet artikel 2, derde lid, onder b in samenhang met het vijfde lid op. Bij de beslissing over het al dan niet afgeven van de vergunning of het wederuitvoercertificaat moet de administratieve instantie rekening houden met het land specifieke risico in verband met de illegale handel in levende tijgers en delen en afgeleide producten van de tijger.
Voor zowel opvang als deelname aan een fok- en instandhoudingsprogramma geldt dat het opvangcentrum of reservaat geregistreerd moet zijn bij en gecontroleerd worden door de bevoegde administratieve instantie van het land van bestemming. Indien de in de aanvraag verstrekte informatie onduidelijk is of er twijfel bestaat over de legitimiteit van het door de instelling of het fok- en instandhoudingsprogramma nagestreefde doel, zal de administratieve instantie om nadere details verzoeken.
Er geldt ook een uitzondering voor specimens die bestemd zijn voor of gebruikt worden voor rechtshandhavingsdoeleinden of in het kader van gerechtelijke procedures. Deze uitzondering wordt benoemd in het derde lid, onder c. Hierbij kan gedacht worden aan de repatriëring van levende tijgers of producten van tijgers die zijn vervreemd uit een derde land en waarvan het derde land om terugzending heeft gevraagd ter waarheidsvinding, onderzoek naar begane overtredingen en/of voor rechtsvervolging. Dieren of producten kunnen ook gerepatrieerd worden om als 'bewijsstuk' in gerechtelijke procedures te dienen.
In het derde lid, onder d en e, worden de uitzonderingen besproken die toezien op delen en afgeleide producten van in gevangenschap geboren en gefokte tijgers. Hieronder vallen de specimens die deel uitmaken van een legitiem onderzoeksproject, met inbegrip van wetenschappelijk of (bio)medisch onderzoek en bestemd zijn voor de vooruitgang van de wetenschap of voor essentiële biomedische doeleinden, waarbij de soort de enige geschikte blijkt te zijn. Deze doeleinden worden gezien als doeleinden die geen afbreuk doen aan de instandhouding van de soort. Hetzelfde geldt voor delen en afgeleide producten van in gevangenschap geboren en gefokte tijgers die worden verplaatst wanneer het specimen onderdeel uitmaakt van een uitwisseling van culturele of artistieke goederen tussen gerenommeerde instellingen (bijvoorbeeld musea) of de administratieve instantie van de betrokken lidstaat zich ervan heeft kunnen vergewissen dat het gaat om een erkend kunstwerk dat zo waardevol is dat het niet voor commerciële doeleinden zal worden gebruikt doordat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de hand van criteria die bij of krachtens de Erfgoedwet zijn vastgesteld het culturele, artistieke of historische belang ervan bevestigt en de overdracht onderschrijft. Of wanneer het specimen een erfstuk is dat in het kader van een familieverhuizing of als onderdeel van een legaat wordt verplaatst en niet wordt verkocht. Voor de definitie van ‘cultuurgoederen’ wordt uitgegaan van de begripsbepaling zoals genoemd in artikel 1.1. van de Erfgoedwet.
In dit artikel wordt het beoordelingskader neergelegd voor aanvragen voor de afgifte van een certificaat voor handel binnen de EU in levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en delen en afgeleide producten.
Met artikel 3 van onderhavige beleidsregel wordt de aanbeveling van de Europese Commissie om in beginsel geen certificaten af te geven voor handel binnen de Europese Unie tenzij er geen afbreuk wordt gedaan aan de instandhouding van de soort, zoals opgenomen in hoofdstuk 3, onderdeel b, van de richtsnoeren, opgevolgd.
Voor het verkrijgen van een certificaat moet in ieder geval voldaan worden aan de regels van artikel 8 van de CITES-basisverordening. De lidstaten kunnen weigeren een certificaat af te geven, indien dit passend is om de soort te beschermen of het behoud ervan te garanderen, en, indien de weigering niet verder gaat dan wat nodig is om dat doel te bereiken. Dit is het geval wanneer de transactie onverenigbaar en in strijd is met de voorwaarden en doelstellingen van de CITES-basisverordening. Voor een uitgebreide toelichting op de voorwaarden uit de CITES-basisverordening wordt verwezen naar onderdeel 2.1.3 van het algemeen deel van deze toelichting.
In de richtsnoeren beveelt de Europese Commissie de lidstaten aan geen gebruik te maken van de uitzondering van artikel 8, derde lid, punt d, van de CITES-basisverordening en alleen te overwegen certificaten af te geven op grond van de in artikel 8, derde lid, punten e), f) en g) bedoelde ontheffingen als zij geen afbreuk doen aan de instandhouding van de soort. Overeenkomstig de richtsnoeren wordt de handel binnen de EU in beginsel niet toegestaan. Enkel in de uitzonderingsgevallen zoals die conform de richtsnoeren zijn omschreven in artikel 3 van de beleidsregel is het toewijzen van een aanvraag voor een certificaat mogelijk. Dit betreft een transactiespecifiek certificaat als bedoeld in artikel 11, derde lid, tweede alinea, van de CITES-uitvoeringsverordening (zie ook onderdeel 2.1.3 van het algemeen deel van deze toelichting).
De uitzonderingssituaties van artikel 3 zien op vergunninghoudende dierentuinen of de uitwisseling hiertussen als onderdeel van een fok- of instandhoudingsprogramma en voor doeleinden die niet commercieel zijn (artikel 3, derde lid, onder a). Hetzelfde geldt voor levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijgers die voor opvangdoeleinden worden verplaatst naar officieel geregistreerde opvangcentra, reservaten en vergunninghoudende dierentuinen binnen de EU, op voorwaarde dat de dieren in voor de soort geschikte leefruimten worden gehouden en niet voor verdere fokdoeleinden worden gebruikt. Alvorens het certificaat af te geven, moet de lidstaat van de administratieve instantie van de lidstaat van bestemming een bevestiging ontvangen dat de faciliteit die het specimen ontvangt officieel geregistreerd is en geen banden heeft met illegale activiteiten en illegale handel. Deze voorwaarde is vastgelegd in artikel 3, vierde lid.
Er kan ook een uitzondering gemaakt worden voor specimens die bestemd zijn voor of gebruikt worden voor rechtshandhavingsdoeleinden of in het kader van gerechtelijke procedures, dit wordt benoemd in het derde lid onder c.
In het derde lid onder d wordt de uitzondering genoemd voor delen en afgeleide producten van een in gevangenschap geboren en gefokte tijger die deel uitmaken van een legitiem onderzoeksproject, met inbegrip van wetenschappelijk of (bio) medisch onderzoek, waarbij specimens bestemd zijn voor de vooruitgang van de wetenschap of voor essentiële biomedische doeleinden, en waarbij de soort de enige geschikte blijkt te zijn.
Hetzelfde geldt voor delen en afgeleide producten van in gevangenschap geboren en gefokte tijgers die worden verplaatst wanneer het specimen onderdeel uitmaakt van een uitwisseling van culturele of artistieke goederen tussen gerenommeerde instellingen (bijvoorbeeld musea) of wanneer de administratieve instantie van de betrokken lidstaat zich ervan heeft kunnen vergewissen dat het gaat om een erkend kunstwerk dat zo waardevol is dat het niet voor andere doeleinden zal worden gebruikt of wanneer het specimen bestemd is voor onderzoek of onderwijs met het oog op het behoud of de instandhouding van de soort. Op deze uitzondering ziet het derde lid onder e.
Artikel 4 regelt het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregel. Voor de toelichting daarop wordt verwezen naar paragraaf 5 van het algemeen deel van deze toelichting.
’s-Gravenhage, 8 september 2025
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie
Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997, L 61).
Europese Commissie, Richtsnoeren inzake de uitvoer en de wederuitvoer van en de handel binnen de EU in levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en delen en afgeleide producten daarvan (2023/C 135/01).
Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), Trb. 1975, 23.
Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166) (CITES-uitvoeringsverordening).
Europese Commissie, Richtsnoeren inzake de uitvoer en de wederuitvoer van en de handel binnen de EU in levende, in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en delen en afgeleide producten daarvan (2023/C 135/04).
Overeenkomstig de inherente afwijkingsbevoegdheid bij beleidsregels zoals vastgelegd in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-22359.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.