Procesreglementen familie- en jeugdrecht rechtbanken

bestaande uit de reglementen:

Scheiding

In werking getreden op 1 januari 2001

Laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 juli 2025

Alimentatie en Bijstandsverhaal

In werking getreden als twee separate procesreglementen op 1 april 2002

Samengevoegd en laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 juli 2025

Gezag en Omgang

In werking getreden op 1 april 2004

Laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 juli 2025

Adoptie en Overige (Boek 1)zaken

In werking getreden als twee separate procesreglementen op 1 april 2005

Samengevoegd en laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 juli 2025

Civiel Jeugdrecht

In werking getreden op 1 april 2006

Laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 juli 2025

Wvggz en Wzd

In werking getreden op 1 januari 2021

Laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 juli 2025

Samenstelling en redactie: LOVF

Voorwoord

Voor u ligt de zesentwintigste versie van de procesreglementen ten behoeve van de behandeling in de rechtbanken van zaken op het gebied van het Familie- en Jeugdrecht, die per 1 juli 2025 gelden. Ze worden sinds 2001 geïnitieerd en onderhouden vanuit het Landelijk Overleg van Vakinhoud Familie- en Jeugdrecht rechtbanken (LOVF). De wijzigingen zijn onder leiding van de redactieraad procesreglementen tot stand gekomen, waarbij in voorkomend geval nauw is samengewerkt met onder het LOVF ressorterende expertgroepen.

Het LOVF heeft de wijzigingen op 11 april 2025 goedgekeurd. De gerechtsvergaderingen van alle rechtbanken hebben de reglementen vervolgens vastgesteld. Op rechtspraak.nl is altijd de meest recente versie van de procesreglementen te vinden. Er wordt geen papieren versie van de procesreglementen uitgegeven.

De wijzigingen in deze versie van de procesreglementen worden, zoals gebruikelijk, toegelicht in het hoofdstuk Overzicht van wijzigingen. Aan een aantal wijzigingen wordt hier bijzondere aandacht geschonken. Zonder inhoudelijke wijzigingen aan te brengen zijn de onderwerpen Alimentatie en Bijstandsverhaal samengevoegd in één procesreglement. Dit geldt ook voor de onderwerpen Adoptie en Overige (Boek 1)zaken. Deze samenvoegingen vormen de start van een groter herzieningsproject van de procesreglementen, waarin onder meer wordt beoogd te uniformeren, te zorgen voor verduidelijking van de structuur en het beter vindbaar maken van de informatie.

Een in het oog springende wijziging is de nieuwe bepaling dat een partij die digitaal procedeert geen gebruik mag maken van Veilig Mailen voor het versturen van stukken of berichten aan de rechtbank (uitgezonderd het versturen van audio- en videobestanden). Deze bepaling is nodig om samenloop van het gebruik van Digitale Toegang en Veilig Mailen te beperken. Voorts wordt in een nieuw voorschrift gevraagd om van audio- of videobestanden aan te geven welk onderdeel daarvan relevant is voor de procedure en voor dat deel te zorgen voor een transcriptie.

Vanuit een behoefte om zo efficiënt mogelijk om te gaan met verzoeken die zien op uitstel van de mondelinge behandeling, is de bestaande regeling voor alle zaakstromen geüniformeerd en op enkele punten aangepast. Zo moet degene die om uitstel vraagt direct aangeven wat het standpunt van de wederpartij m.b.t. het verzochte uitstel is. Voor de overige wijzigingen wordt nadrukkelijk verwezen naar het Overzicht van wijzigingen.

Overgangsbepaling

Wijzigingen ten opzichte van eerdere teksten gelden slechts voor nadien aangevangen procedures en wat lopende procedures betreft voor de proceshandelingen die nadien nog worden verricht.

Overzicht van wijzigingen

Voor u ligt het overzicht van wijzigingen behorend bij de procesreglementen familie- en jeugdrecht rechtbanken, 26e druk, juli 2025. In dit overzicht is te lezen wat er per 1 juli 2025 is gewijzigd.

1. Samenvoeging (zonder inhoudelijke wijzigingen) van reglementen

De volgende reglementen zijn zonder inhoudelijke aanpassingen samengevoegd:

  • a. Alimentatie en Bijstandsverhaal

  • b. Adoptie en Overige (Boek 1)zaken

Waar in het kader van andere aanpassingen wijzigingen worden doorgevoerd in deze reglementen, wordt hierna verwezen naar de artikelnummers in de samengevoegde reglementen.

2. Samenloop Digitale Toegang en Veilig Mailen

Om de samenloop van het gebruik van Digitale Toegang (DT) en Veilig Mailen (VM) te beperken, is er een samenloopregeling opgenomen in alle reglementen. De regeling houdt in dat een partij die digitaal procedeert geen gebruik kan maken van VM om stukken of berichten aan de rechtbank te sturen. Een uitzondering geldt voor audio- en videobestanden, omdat het (nog) niet mogelijk is om die via DT in te dienen.

Aan de volgende artikelen wordt de hierna weergegeven tekst toegevoegd:

  • artikel 1.2 pr Scheiding

  • artikel 1.2 pr Alimentatie en Bijstandsverhaal

  • artikel 1.3 pr Gezag en Omgang

  • artikel 1.3 pr Adoptie en Overige (Boek 1)zaken

  • artikel 1.3 pr Civiel jeugdrecht

  • artikel 1.3 pr Wvggz en Wzd

    ‘Een partij die digitaal procedeert kan via Veilig Mailen geen verzoeken en mededelingen doen of processtukken indienen. Audio- en videobestanden worden wel verstuurd via Veilig Mailen[1]. In ‘Mijn Rechtspraak’ moet dan een bericht worden geüpload waarmee de rechtbank hierover wordt geïnformeerd.’

    ‘[1] Het is technisch nog niet mogelijk om audio- en videobestanden te uploaden via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’’.

3. Regulering indiening Audio- en videobestanden

Geregeld wordt dat inzicht moet worden gegeven welk onderdeel van het audio- of videobestand relevant is voor de procedure én dat er een transcriptie moet worden aangeleverd.

Aan de volgende artikelen wordt de hierna weergegeven tekst toegevoegd:

  • artikel 1.14 pr Scheiding

  • artikel 1.13 pr Alimentatie en Bijstandsverhaal

  • artikel 1.14 pr Gezag en Omgang

  • artikel 1.13 pr Adoptie en Overige (Boek 1)zaken

    ‘Bij het overleggen van gegevens, stukken of multimediabestanden moeten partijen aangeven ter toelichting of staving van welke stelling deze zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is. Partijen moeten bij audio- en videobestanden aangeven op welke minuut/minuten het voor de procedure relevante deel staat en van dat deel een transcriptie overleggen. Indien hieraan niet voldaan wordt, kan de rechter de overgelegde gegevens of stukken of multimediabestanden buiten beschouwing laten.’

4. Huwelijksakte in gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken mag ouder zijn dan drie maanden

Momenteel geldt in pr Scheiding de eis dat de huwelijksakte die in het kader van een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding moet worden overgelegd, niet ouder mag zijn dan drie maanden. Die eis wordt geschrapt indien het huwelijk in de BRP is geregistreerd.

Hieruit volgt een aanpassing van artikel 2.2 van procesreglement Scheiding.

5. Afschrift of uittreksel in de zin van art. 815 Rv

Op grond van artikel 815 Rv moet bij de indiening van een verzoekschrift van de huwelijks- en geboorteakte een afschrift of uittreksel overgelegd worden. Hiermee moet het bestaan van de relatie en van eventuele kinderen worden aangetoond. In artikel 2.2 van procesreglement Scheiding staat het vereiste dat van de huwelijksakte en geboorteakte(s) een afschrift wordt overlegd. Het procesreglement is op dit punt dus strenger dan de wet. Ook in de andere procesreglementen wordt gevraagd om overlegging van een afschrift.

Het verzwaarde vereiste van overlegging van een afschrift komt te vervallen voor de reglementen Scheiding, Alimentatie en Bijstandsverhaal. Omdat in de andere zaakstromen wenselijk is dat een afschrift (met daarop méér informatie) wordt overgelegd, blijven de reglementen Gezag en Omgang, Adoptie, Overige (Boek 1)zaken en Civiel jeugdrecht ongewijzigd. Voor procesreglement Wvggz en Wzd is deze kwestie niet aan de orde.

Er is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de leesbaarheid van het artikel te verbeteren.

De uitwerking van dit voorstel leidt tot de volgende aanpassingen:

  • artikel 2.2 en bijlage 1 (sub 8 en 10) van pr Scheiding,

    artikel 2.2, bijlage 1 (sub 10) en bijlage 2 (sub 7) van pr Alimentatie en Bijstandsverhaal.

6. Uniformering regeling voor het vragen van uitstel van de mondelinge behandeling

De regeling voor het vragen van uitstel van de mondelinge behandeling wordt geüniformeerd en op enkele punten aangepast.

De praktijk leert dat de meeste uitstelverzoeken kort voor de mondelinge behandeling binnen komen. Vanuit de gedachte dat zo efficiënt mogelijk met zo’n voorstel moet worden omgegaan, wordt nu bepaald dat degene die om uitstel vraagt direct aangeeft wat het standpunt van de wederpartij m.b.t. het verzochte uitstel is.

In alle zaakstromen moeten verhinderdata worden overgelegd voor drie maanden, waar dat voor niet-scheidingszaken zes weken was. Dit geeft de griffie meer flexibiliteit om te plannen en past in het streven om in alle reglementen met één uniforme regeling te gaan werken. De griffie zal zaken die snel naar zitting moeten (zoals de 1: 253a BW-zaken), niet langer dan thans het geval is laten liggen. De wet schrijft immers voor dat die zaken binnen zes weken op zitting moeten, de griffie kent die verplichting en in het kader van de doorlooptijden wordt daar ook op gestuurd.

Verder is nieuw:

  • De zin dat uitstel voor maximaal vier weken wordt verleend is geschrapt; in de praktijk legt dat de griffie te veel vast en het wekt onhaalbare verwachtingen.

  • Er is geen verschil meer tussen een instemmende versus een bezwaar makende wederpartij. Ook bij instemming met/geen bezwaar tegen uitstel behoudt de rechter zo de mogelijkheid om te beslissen dat de zitting wel door moet gaan om voortgang in de zaak te houden.

Deze wijzigingen strekken tot samenvoeging van de artikelen ‘Verhinderdata’ en ‘Verzoeken om uitstel van de mondelinge behandeling’ in het hoofdstuk over de mondelinge behandeling in de volgende procesreglementen. Het resultaat is een een bepaling ‘Verzoeken tot uitstel van de mondelinge behandeling’ in de volgende artikelen:

  • artikelen 7.3 pr Scheiding

  • artikelen 5.4 pr Alimentatie en Bijstandsverhaal

  • artikelen 5.3. pr Gezag en Omgang

  • artikelen 5.4 pr Adoptie en Overige (Boek 1)zaken

7. Aanpassing pr Gezag en Omgang aan uitspraak HR d.d. 12 juli 2024

De artikelen 1.5 en 2.7 uit pr Gezag en Omgang zijn in lijn gebracht met de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 12 juli 2024, (ECLI:NL:HR:2024:1079), met inhoudsindicatie ‘Is gecertificeerde instelling belanghebbende in zaak op de voet van art. 1:253n BW tot beëindiging van gezamenlijk gezag over onder toezicht gesteld kind?’).

In artikel 1.5 is de zin ‘Wanneer er van een ondertoezichtstelling sprake is, dient er tevens een exemplaar van de berichten aan de GI belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling te worden gezonden’ geschrapt.

Artikel 2.7 is aangescherpt en als volgt aangevuld: ‘Als sprake is van een verzoek tot beëindiging van het gezag na ondertoezichtstelling op grond van artikel 1:266 BW, dan wordt de GI die belast is met het uitvoeren van de ondertoezichtstelling opgeroepen als belanghebbende.’

8. Horen minderjarigen vanaf 8 jaar

Conform de landelijke afspraken die hierover zijn gemaakt, wordt op alle relevante plaatsen gewijzigd dat kinderen vanaf 8 jaar in de gelegenheid worden gesteld hun mening kenbaar te maken. De leeftijd voor kindgesprekken in het kader van kinderalimentatie blijft gelijk.

In pr Civiel jeugdrecht is niet alleen de leeftijdsgrens aangepast, maar in verband met andere landelijke afspraken ook de voorschriften over wie aanwezig mag zijn bij de gesprekken en de vastlegging ervan. Het hoofdstuk is verder in lijn gebracht met de hoofdstukken over het kindgesprek in de andere procesreglementen.

Dit heeft gevolgen voor de volgende artikelen:

  • artikelen 8.1 en art. 8.3 pr Scheiding

  • artikelen 6.1 en 6.3 pr Gezag en omgang

  • artikelen 6.1 en 6.3 pr Adoptie en Overige (Boek 1)zaken

    NB: de laatste alinea van art. 6.1 blijft gehandhaafd vanwege de wettelijke bepaling die hieraan ten grondslag ligt.

  • hoofdstuk 7 pr Civiel jeugdrecht.

9. Verkorting termijn indiening verlengingsverzoeken vanwege afschaffen meldbriefprocedure

Vanwege het afschaffen van de meldbriefprocedure worden de artikelen 2.4.10 sub a en 2.4.11 sub a van pr Civiel jeugdrecht aldus aangepast dat de termijn voor indiening van verlengingsverzoeken wordt verkort van acht naar zes weken: een verlengingsverzoek wordt dus voortaan uiterlijk tijdens de zesde week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende maatregel ingediend (uitgezonderd de gesloten jeugdhulp, waarvoor vier weken geldt).

Tabel: overzicht van tussentijdse wijzigingen in bijlagen bij reglementen

Reglement en bijlage

Inhoud

Scheiding, bijlage 4

Digitaal procederen (vrijwillig) door advocatuur, gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken

Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht vanaf 11 april 2022

Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad vanaf 6 november 2023

Rechtbank Rotterdam vanaf 6 november 2023

Rechtbank Limburg vanaf 6 november 2023

Rechtbank Den Haag vanaf 5 februari 2024

Rechtbank Gelderland vanaf 5 februari 2024

Rechtbank Noord-Holland vanaf 5 februari 2024

Rechtbank Noord-Nederland vanaf 5 februari 2024

Rechtbank Overijssel, locatie Almelo vanaf 11 april 2022

Rechtbank Overijssel, locatie Zwolle vanaf 5 februari 2024

Rechtbank Oost-Brabant vanaf 5 februari 2024

Rechtbank Zeeland-West-Brabant vanaf 5 februari 2024

Scheiding bijlage 4

Digitaal procederen (vrijwillig) door advocatuur, alle verzoekschriften

Rechtbank Gelderland vanaf 6 mei 2024

Rechtbank Midden-Nederland vanaf 18 november 2024

Rechtbank Noord-Nederland vanaf 18 november 2024

Rechtbank Oost-Brabant vanaf 18 november 2024

Rechtbank Rotterdam vanaf 18 november 2024

Rechtbank Amsterdam vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Den Haag vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Limburg vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Noord-Holland vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Overijssel vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Zeeland-West-Brabant vanaf 17 maart 2025

Alimentatie, bijlage 4

Digitaal procederen (vrijwillig) door advocatuur

Rechtbank Gelderland vanaf 6 mei 2024

Rechtbank Midden-Nederland vanaf 18 november 2024

Rechtbank Noord-Nederland vanaf 18 november 2024

Rechtbank Oost-Brabant vanaf 18 november 2024

Rechtbank Rotterdam vanaf 18 november 2024

Rechtbank Amsterdam vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Den Haag vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Limburg vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Noord-Holland vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Overijssel vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Zeeland-West-Brabant vanaf 17 maart 2025

Bijstandsverhaal,

bijlage 3

Digitaal procederen (vrijwillig) door advocatuur

Rechtbank Gelderland vanaf 6 mei 2024

Rechtbank Midden-Nederland vanaf 18 november 2024

Rechtbank Noord-Nederland vanaf 18 november 2024

Rechtbank Oost-Brabant vanaf 18 november 2024

Rechtbank Rotterdam vanaf 18 november 2024

Rechtbank Amsterdam vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Den Haag vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Limburg vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Noord-Holland vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Overijssel vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Zeeland-West-Brabant vanaf 17 maart 2025

Gezag en omgang, bijlage 2

Digitaal procederen (vrijwillig) door advocatuur, Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen voor de in artikel 1.1 genoemde verzoeken bij

Rechtbank Gelderland vanaf 27 november 2023

Rechtbank Amsterdam vanaf 22 april 2024

Rechtbank Limburg vanaf 22 april 2024

Rechtbank Midden-Nederland vanaf 22 april 2024

Rechtbank Oost-Brabant vanaf 22 april 2024

Rechtbank Den Haag vanaf 3 juni 2024

Rechtbank Noord-Holland vanaf 3 juni 2024

Rechtbank Noord-Nederland vanaf 3 juni 2024

Rechtbank Overijssel vanaf 3 juni 2024

Rechtbank Rotterdam vanaf 3 juni 2024

Rechtbank Zeeland-West-Brabant vanaf 3 juni 2024

Adoptie, bijlage 3

Digitaal procederen (vrijwillig) door advocatuur

Rechtbank Gelderland vanaf 6 mei 2024

Rechtbank Midden-Nederland vanaf 18 november 2024

Rechtbank Noord-Nederland vanaf 18 november 2024

Rechtbank Oost-Brabant vanaf 18 november 2024

Rechtbank Rotterdam vanaf 18 november 2024

Rechtbank Amsterdam vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Den Haag vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Limburg vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Noord-Holland vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Overijssel vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Zeeland-West-Brabant vanaf 17 maart 2025

Overige (Boek 1) zaken, bijlage 7

Digitaal procederen (vrijwillig) door advocatuur

Rechtbank Gelderland vanaf 6 mei 2024

Rechtbank Midden-Nederland vanaf 18 november 2024

Rechtbank Noord-Nederland vanaf 18 november 2024

Rechtbank Oost-Brabant vanaf 18 november 2024

Rechtbank Rotterdam vanaf 18 november 2024

Rechtbank Amsterdam vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Den Haag vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Limburg vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Noord-Holland vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Overijssel vanaf 17 maart 2025

Rechtbank Zeeland-West-Brabant vanaf 17 maart 2025

Civiel jeugdrecht, bijlage D

Digitaal procederen (vrijwillig) door advocatuur, Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen voor de in bijlage A genoemde verzoeken bij

Rechtbank Gelderland vanaf 27 november 2023

Rechtbank Amsterdam vanaf 22 april 2024

Rechtbank Limburg vanaf 22 april 2024

Rechtbank Midden-Nederland vanaf 22 april 2024

Rechtbank Oost-Brabant vanaf 22 april 2024

Rechtbank Den Haag vanaf 3 juni 2024

Rechtbank Noord-Holland vanaf 3 juni 2024

Rechtbank Noord-Nederland vanaf 3 juni 2024

Rechtbank Overijssel vanaf 3 juni 2024

Rechtbank Rotterdam vanaf 3 juni 2024

Rechtbank Zeeland-West-Brabant vanaf 3 juni 2024

Procesreglement Scheiding

1 Algemeen

  • 1.1 Als niet-digitaal wordt geprocedeerd, worden het verzoekschrift, het verweerschrift en overige processtukken en berichten als volgt ingediend:

    • door toezending per post aan de griffie van de rechtbank, afdeling familie- en jeugdzaken; www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken.

    • door afgifte aan de Centrale Balie van de rechtbank www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken;

    • door toezending via Veilig Mailen, mits het processtuk of het bericht, met eventuele bijlage(n), direct per post aan de griffie van de rechtbank wordt nagezonden of wordt afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank, onder de uitdrukkelijke vermelding dat het reeds eerder via Veilig Mailen ingediende stukken betreft. Voor toezending via Veilig Mailen gelden daarnaast de in Bijlage 5 vermelde regels. Verzendingen via Veilig Mailen die vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend. Indien een termijn op een ander tijdstip op die dag eindigt, gelden verzendingen die voor dat tijdstip zijn ontvangen als binnen de termijn ingediend.

  • 1.2 Onder Veilig Mailen wordt verstaan: de voorziening van de Rechtspraak voor het verzenden en ontvangen van beveiligde e-mail naar en door de rechtbank www.rechtspraak.nl/veilig-mailen-met-de-rechtspraak.

    Een partij die digitaal procedeert kan via Veilig Mailen geen verzoeken en mededelingen doen of processtukken indienen. Audio- en videobestanden worden wel verstuurd via Veilig Mailen.1 In ‘Mijn Rechtspraak’ moet dan een bericht worden geüpload waarmee de rechtbank hierover wordt geïnformeerd.

  • 1.3 Proceshandelingen worden weergegeven in het voor advocaten toegankelijke elektronisch familiejournaal. Een advocaat gebruikt voor het indienen van stukken en voor het berichten van de rechtbank een F-formulier (beschikbaar in het elektronisch familiejournaal).

    Van alle berichten aan de rechtbank dient tegelijkertijd een afschrift aan de wederpartij te worden gestuurd, en indien ten behoeve van de minderjarigen gezags- en/of omgangsvoorzieningen moeten worden getroffen, ook aan de Raad voor de Kinderbescherming. Uit het F-formulier moet blijken dat hieraan is voldaan.

  • 1.4 Van de verzending van een via Veilig Mailen verzonden processtuk of bericht is een bevestiging van de ontvangst beschikbaar, die de verzender zelf kan inzien of ophalen bij de dienst Veilig Mailen die de verzender gebruikt.

    Als tijdstip waarop de rechtbank een processtuk of een bericht via Veilig Mailen heeft ontvangen, geldt het tijdstip waarop het processtuk of het bericht een systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor de rechtbank verantwoordelijkheid draagt (ZIVVER). Dit tijdstip staat vermeld in de ontvangstbevestiging.

  • 1.5 Digitaal procederen bij de rechtbank is alleen mogelijk indien en voor zover de wet bepaalt of uit de wet volgt dat partijen:

    • in (een) bepaalde categorie(ën) van zaken, vermeld in bijlage 4, de mogelijkheid hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (vrijwillig digitaal procederen), of

    • in (een) bepaalde categorie(ën) van zaken, vermeld in bijlage 4, de verplichting hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (verplicht digitaal procederen).

    Voor digitaal procederen gelden, in aanvulling op de regels zoals opgenomen in het Besluit elektronisch procederen, de in dit procesreglement vermelde regels zoals hierna vermeld in hoofdstuk 12 en de in het Reglement inzake de toegang tot en het gebruik van systeem DT rechtspraak opgenomen regels.

  • 1.6 Voor stukken niet zijnde een verzoekschrift, verweerschrift, of verweerschrift op zelfstandig verzoek, volstaat indiening bij de rechtbank van een enkel exemplaar, tenzij er sprake is van meervoudige behandeling van de zaak.

  • 1.7 Op alle berichten dient het zaaknummer en/of rekestnummer te worden vermeld.

  • 1.8 Indien niet aan het voorgaande wordt voldaan, wordt het bericht teruggestuurd en wordt op de inhoud geen acht geslagen, tenzij het een verweerschrift betreft.

  • 1.9 Hetgeen hiervoor onder artikel 1.3, 1.7 en 1.8 is gemeld, geldt niet voor brieven van minderjarigen.

  • 1.10 Mededelingen in het elektronisch familiejournaal worden als schriftelijke mededelingen in de zin van dit reglement beschouwd.

  • 1.11 De rechtbank bericht partijen per brief, per telefoon, via Veilig Mailen of, als een partij digitaal procedeert, door plaatsing van een bericht in het door partijen te raadplegen digitale dossier in hun zaak.

  • 1.12 De Algemene termijnenwet is van toepassing. Een termijn wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag als deze eindigt in het weekend of op een algemeen erkende feestdag.

  • 1.13 Processtukken worden uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingediend, tenzij de wet of het procesreglement voorschrijft dat de stukken eerder moeten worden ingediend.

  • 1.14 Indien meer dan één bijlage wordt overgelegd, dient daarbij een inhoudsopgave gevoegd te worden en dienen de bijlagen genummerd te worden.

    Bij het overleggen van gegevens, stukken of multimediabestanden moeten partijen aangeven ter toelichting of staving van welke stelling deze zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is. Partijen moeten bij audio- en videobestanden aangeven op welke minuut/minuten het voor de procedure relevante deel staat en van dat deel een transcriptie overleggen. Indien hieraan niet voldaan wordt, kan de rechter de overgelegde gegevens of stukken of multimediabestanden buiten beschouwing laten.

  • 1.15 Verandering of vermeerdering verzoek

    Een partij die zijn verzoek verandert of vermeerdert, of de grondslag daarvan verandert of vermeerdert, vermeldt dit in de kop van het processtuk.

  • 1.16 Voorwerpen kunnen ter griffie worden gedeponeerd. Van het depot maakt de griffier een akte op, die aan het dossier wordt toegevoegd en die in kopie aan partijen wordt verstrekt.

    Indien vanwege de aard van het in depot te geven stuk of voorwerp depot ter griffie niet in aanmerking komt, kan het voorwerp op een andere plaats worden gedeponeerd. In de akte wordt die plaats vermeld.

    Indien een partij een gegevensdrager zoals een usb-stick deponeert, doet die partij gelijktijdig een kopie van deze gegevensdrager aan de andere partij(en) toekomen.

  • 1.17 Indien een partij kennis wenst te nemen van het door de rechtbank aangelegde dossier in zijn zaak, stelt de rechtbank hem hiertoe in de gelegenheid.

  • 1.18 Stukken die in een vreemde taal zijn gesteld, moeten zijn voorzien van een beëdigde vertaling in de Nederlandse taal. Indien het stukken betreft in de Engelse, Duitse of Franse taal behoeft in beginsel geen vertaling te worden overgelegd, tenzij de rechter er om vraagt als hij dat nodig of wenselijk acht voor de behandeling van de zaak, mede gelet op de belangen van de wederpartij.

  • 1.19 Waar in dit reglement gesproken wordt over het overleggen van een BRP-uittreksel, kan ook worden volstaan met overlegging van de burgerservicenummers (BSN), of kopieën van legitimatiebewijzen van partijen waarop het BSN staat vermeld. Deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd.

    Als op een ander processtuk een BSN staat vermeld en de partij die het betreffende stuk heeft ingediend niet wenst dat het BSN wordt gedeeld, dan is het de verantwoordelijkheid van die partij om het BSN onleesbaar te maken.

2 Indiening verzoekschrift

(zie ook artikelen 4, 278 en 815 Rv)

  • 2.1 Iedere werkdag kan een verzoekschrift met bijlagen in tweevoud ter griffie worden ingediend.

    In zaken waarin minderjarigen zijn betrokken wordt van de ouders en de minderjarige(n) het BSN of kopieën van hun legitimatiebewijzen waarop het BSN staat vermeld overgelegd. Deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd.

    Indien ten behoeve van de minderjarigen gezags- en/of omgangsvoorzieningen moeten worden getroffen, dient een extra voor de Raad voor de Kinderbescherming bestemd exemplaar van het verzoekschrift te worden bijgevoegd.

    Indien ten tijde van de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding wordt verzocht om inschrijving daarvan in het huwelijksgoederenregister, dan dient dat aangegeven te worden op het F-formulier of door middel van een begeleidende brief en zal een extra exemplaar van het verzoekschrift tot echtscheiding moeten worden bijgevoegd. Een verzoek tot inschrijving van het verzoekschrift tot echtscheiding in het huwelijksgoederenregister dat wordt ingediend na indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, moet worden gedaan door middel van een brief.

    Als tijdstip van binnenkomst van het verzoekschrift tot echtscheiding bij de griffie van de rechtbank geldt het openingstijdstip van de griffie op de dag waarop het verzoekschrift de griffie bereikt. Een ander tijdstip kan desgevraagd worden geregistreerd bij indiening bij de Centrale Balie.

  • 2.2 Bij de indiening van het verzoekschrift moeten worden overgelegd:

    • de in artikel 815 Rv genoemde stukken;

    • stukken betreffende de gronden waarop de rechter ingevolge de EU-verordening 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 rechtsmacht heeft, te weten van elk van partijen een BRP-uittreksel met vermelding van adres en nationaliteit(en) en zo nodig de verblijfsduur in Nederland. Indien geen BRP-registratie heeft plaatsgevonden of als het BRP-uittreksel de gevraagde gegevens niet vermeldt, dienen andere bewijsstukken ten aanzien van de nationaliteiten, de gewone verblijfplaats en de eventuele verblijfsduur te worden overgelegd. De genoegzaamheid daarvan staat ter beoordeling van de rechter.

    Verder gelden de volgende voorschriften:

    • Van de huwelijksakte en geboorteakte(s) wordt overlegging van een afschrift of uittreksel verlangd.

      Indien digitaal wordt geprocedeerd worden de huwelijksakte en de geboorteakte(s) digitaal ingediend op de wijze zoals vermeld in Hoofdstuk 12. Van deze akte(s) moet een scan (in kleur) van het originele gedateerde en gewaarmerkte afschrift of uittreksel als Pdf-bestand worden ingediend. De rechtbank kan daarnaast bevelen dat het origineel van deze akte(s) wordt nagezonden.

    • Alle stukken moeten zijn gedateerd en gewaarmerkt. Dit geldt niet voor het BRP-uittreksel, dat enkel gedateerd hoeft te zijn.

    • De stukken mogen niet langer dan drie maanden voor indiening van het verzoekschrift zijn afgegeven. Deze afgiftetermijn geldt niet voor de huwelijksakte als:

      • er sprake is van een door echtgenoten samen ingediend verzoek, én

      • het bestaan van het huwelijk in de overgelegde BRP-uittreksels is vermeld.

    • Een onderling getroffen regeling (bijvoorbeeld een convenant of een ouderschapsplan) waarnaar wordt verwezen of waarvan opneming wordt verzocht moet in drievoud worden overgelegd, waaronder het origineel.

      Indien digitaal wordt geprocedeerd wordt de onderling getroffen regeling ingediend op de wijze zoals vermeld in Hoofdstuk 12. De regeling wordt voorzien van een originele (‘natte’) handtekening en gescand als Pdf-bestand.

    • Ingeval voorlopige voorzieningen zijn gevraagd, dient het zaaknummer van die procedure te worden vermeld.

    • Indien een verzoek betrekking heeft op een minderjarige die onder toezicht gesteld is, dienen naam en adres van de gecertificeerde instelling (als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet) te worden vermeld.

    • Bij internationale scheidingen, waarbij een beslissing ten aanzien van de huwelijksgoederengemeenschap wordt gevraagd, dienen alle omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de bepaling van het toepasselijk recht in het verzoekschrift te worden vermeld en alle relevante stukken te worden overgelegd.

  • 2.3 Zodra het verzoekschrift is ontvangen, wordt het ingeschreven. Tevens wordt een ontvangstbevestiging met vermelding van het zaaknummer aan de advocaat van verzoeker gestuurd, waarbij eveneens wordt meegedeeld de in artikel 4.2 genoemde termijn waarbinnen het betekeningsexploot ter griffie moet zijn overgelegd.

    Wanneer bij indiening van het verzoekschrift vermeldingen ontbreken of niet alle ingevolge artikel 2.2 over te leggen stukken ter griffie zijn binnengekomen, wordt dit bij voormelde ontvangstbevestiging tevens aangegeven. De ontbrekende vermeldingen of stukken moeten zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vóór afloop van de (oorspronkelijke) verweertermijn in één keer zijn toegevoegd. Bij gemeenschappelijke verzoeken is deze termijn vier weken.

    Wanneer na afloop van bovengenoemde termijnen wordt geconstateerd dat verzoeker aan de verplichting van artikel 2.2 niet volledig heeft voldaan zonder dat daarvoor vóór afloop van genoemde termijnen schriftelijk klemmende redenen zijn aangevoerd, kan verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek. Indien niet tijdig schriftelijk klemmende redenen zijn aangevoerd, wordt er van uitgegaan dat verzoeker geen prijs stelt op een mondelinge behandeling.

    Niet-ontvankelijkverklaring zonder mondelinge behandeling blijft in beginsel achterwege, indien vóór het verstrijken van de hierboven vermelde termijnen een verweerschrift is ingediend.

  • 2.4 Indien verzoeker griffierecht is verschuldigd, dient dit binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank waar de behandeling plaatsvindt of ter griffie te zijn gestort.

    Heeft verzoeker het verschuldigde griffierecht niet tijdig voldaan, dan verklaart de rechter verzoeker in beginsel niet-ontvankelijk in het verzoek.

3 Voorlopige voorzieningen

(zie ook artikelen 821 t/m 826 Rv en de artikelen 279 en 282 Rv)

  • 3.1 Het verzoekschrift strekkende tot het treffen van voorlopige voorzieningen wordt in tweevoud ingediend.

    Bij binnenkomst ter griffie wordt het verzoekschrift geregistreerd en van een eigen zaaknummer voorzien.

  • 3.2 Voorlopige voorzieningen dienen bij voorkeur bij afzonderlijk verzoekschrift te worden gevraagd.

    Indien voorlopige voorzieningen worden gevraagd, nadat al een echtscheidingsverzoek is ingediend, moet het zaaknummer van het echtscheidingsverzoek duidelijk zichtbaar boven het verzoek worden vermeld.

  • 3.3 De oproep voor de behandeling van de voorlopige voorzieningen en het afschrift van het verzoekschrift voorlopige voorzieningen worden door de griffie aangetekend aan belanghebbende(n) gestuurd, tenzij zich voor belanghebbende(n) een advocaat heeft gesteld, in welk geval de oproep voor de behandeling en het afschrift van het verzoekschrift uitsluitend per gewone post aan de advocaat worden gestuurd.

  • 3.4 Bij verzoeken strekkende tot het treffen van voorlopige voorzieningen kan een verzoek tot aanhouding slechts worden verleend als degene die uitstel vraagt schriftelijk klemmende redenen aanvoert. De partij die uitstel van de mondelinge behandeling vraagt, dient de verhinderdata van beide partijen op te geven voor ten minste de eerstkomende drie weken.

  • 3.5 Indien verzoeker griffierecht is verschuldigd, dient dit binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank waar de behandeling plaatsvindt of ter griffie te zijn gestort.

4 Betekeningsexploot

(zie ook artikel 816 Rv)

  • 4.1 Bij betekening moeten de volgende verweertermijnen, als bedoeld in artikel 816 lid 1 Rv, in acht worden genomen:

    • a. betekening binnen Nederland

      • bekende woon- of verblijfplaats: ten minste zes weken, te rekenen vanaf de dag van betekening;

      • onbekende woon- of verblijfplaats: ten minste drie maanden, te rekenen vanaf de dag van betekening;

    • b. betekening buiten Nederland

      wanneer de andere echtgenoot geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, maar wél in het buitenland heeft: ten minste drie maanden, te rekenen vanaf de dag waarop het exploot in het buitenland is uitgereikt of de volgens de plaatselijke regeling verplichte handelingen daartoe zijn verricht.

  • 4.2 Het originele betekeningsexploot dient uiterlijk vier weken na de datum, waarop het verzoekschrift strekkende tot scheiding werd ingeschreven, te worden overgelegd ter griffie. Indien hieraan niet wordt voldaan, wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, tenzij er sprake is van klemmende redenen die vóór afloop van de termijn schriftelijk zijn meegedeeld.

    Bij het ontbreken van een dergelijke mededeling wordt er van uitgegaan dat verzoeker geen prijs stelt op een mondelinge behandeling.

    Met betrekking tot betekening in het buitenland geldt het navolgende. Dient de betekening te geschieden op grond van de EG Betekeningsverordening, dan geldt als betekeningsexploot het bewijs van verzending aan de ontvangende instantie in het buitenland. Tevens dient in deze gevallen het certificaat zoals bedoeld in artikel 10 van de EG Betekeningsverordeningter griffie te worden overgelegd.

    Dient de betekening te geschieden op grond van het Haags Betekeningsverdrag 1965 dan wel op grond van het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, dan dient het betekeningsexploot te voldoen aan de in artikel 55 Rv en de in het toepasselijke verdrag genoemde voorschriften.

  • 4.3 Indien van toepassing dienen de akte van domiciliekeuze en de publicatie van de openbare oproep te worden overgelegd.

  • 4.4 Van betekening kan worden afgezien, wanneer degene, aan wie betekend zou moeten worden, heeft aangegeven, op de wijze zoals hierna onder artikel 5.5 beschreven, zich ter zake – zonder dat een mondelinge behandeling plaatsvindt – te refereren.

  • 4.5 Indien de belanghebbende volgens de BRP op hetzelfde adres als verzoeker staat ingeschreven, maar is vertrokken naar een voor verzoeker onbekend adres, dient er betekend te worden op de wijze als vermeld in de artikelen 57 en 54 lid 2 Rv (kort gezegd: op het BRP-adres in persoon of – indien dit niet mogelijk is – door achterlating van een afschrift of – indien dat ook niet mogelijk is – door bezorging van een afschrift per post en aan het parket en middels bekendmaking van een uittreksel van het exploot in de Staatscourant). Verzoeker dient in zijn verzoekschrift te vermelden dat en waarom het adres van de belanghebbende onbekend is, alsmede welke pogingen zijn gedaan om de verblijfplaats van de belanghebbende te achterhalen.

  • 4.6 Indien de belanghebbende volgens de BRP op hetzelfde adres als verzoeker staat ingeschreven, maar feitelijk op een ander voor verzoeker bekend adres verblijft, dient betekend te worden op de wijze als vermeld in artikel 46 of artikel 47 Rv op het adres waar de belanghebbende werkelijk verblijft (kort gezegd: in persoon, aan een huisgenoot of aan een andere persoon die zich daar bevindt of – indien dat niet mogelijk is – middels achterlating van een afschrift of – indien dat ook niet mogelijk is – door bezorging van een afschrift per post).

    Indien op het adres waar de belanghebbende feitelijk verblijft niet in persoon wordt betekend, dient tevens betekend te worden op de wijze als vermeld in artikel 57 Rv op het BRP-adres (kort gezegd: in persoon of – indien dit niet mogelijk is de – door achterlating van een afschrift of – indien dat ook niet mogelijk is – door bezorging van een afschrift per post en aan het parket).

  • 4.7 Indien de belanghebbende geen bekende woonplaats of werkelijke verblijfplaats in Nederland heeft, maar wél een bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf buiten Nederland, dient – afhankelijk van de staat waar wordt betekend – te worden betekend op de wijze als vermeld in artikel 55 Rv (kort gezegd: aan het parket en per aangetekende brief) of op de wijze als vermeld in artikel 56 Rv (kort gezegd: aan een ontvangende instantie).

  • 4.8 Indien de belanghebbende geen bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland heeft, dient dat in beginsel te blijken uit een (historisch) BRP-uittreksel van de laatste bekende woonplaats van de belanghebbende. Indien de belanghebbende nooit ingeschreven is geweest in de BRP, dient verzoeker in zijn verzoekschrift te vermelden dat en waarom hiervan sprake is.

    Verzoeker dient in zijn verzoekschrift te vermelden dat en waarom het adres van de belanghebbende onbekend is, alsmede welke pogingen zijn gedaan om de verblijfplaats van belanghebbende te achterhalen.

    Er dient betekend te worden op de wijze als vermeld in artikel 54 lid 2 Rv (kort gezegd: aan het parket en middels bekendmaking van een uittreksel van het exploot in de Staatscourant).

  • 4.9 Indien de belanghebbende is gedetineerd in het buitenland, dient verzoeker het detentieadres in zijn verzoekschrift te vermelden. In dat geval dient er – afhankelijk van de staat waar wordt betekend – op dat adres te worden betekend op de wijze als vermeld in artikel 55 Rv (kort gezegd: aan het parket en per aangetekende brief) of op de wijze als vermeld in artikel 56 Rv (kort gezegd: aan een ontvangende instantie).

    Indien verzoeker stelt dat hij het detentieadres niet kan achterhalen, dient hij stukken over te leggen, waaruit blijkt welke pogingen hij heeft gedaan om dit adres te achterhalen. Deze pogingen dienen in ieder geval te bestaan uit het inwinnen van informatie bij de Nederlandse vertegenwoordiging in de desbetreffende staat en bij de autoriteiten van de desbetreffende staat.

5 Verweerschrift/referte

(zie ook artikelen 282 en 816 Rv)

  • 5.1 Indiening verweerschrift

    Op ieder moment tot aan de afloop van de verweertermijn kan een verweerschrift worden ingediend. De einddatum van de verweertermijn wordt vermeld in het elektronisch familiejournaal.

    Het verweerschrift met eventuele bijlagen wordt in tweevoud ingediend.

    Indien bij zelfstandig verzoek gezags- of omgangsvoorzieningen ten behoeve van de minderjarigen worden gevraagd, dient een extra voor de Raad voor de Kinderbescherming bestemd exemplaar van het verweerschrift te worden bijgevoegd.

  • 5.2 Verzoek tot uitstel indiening verweerschrift

    Een verzoek tot uitstel indiening verweerschrift dient binnen de verweertermijn schriftelijk te worden ingediend.

    Op het uitstelverzoek wordt als volgt beslist:

    • het eerste verzoek wordt altijd toegestaan voor een termijn van maximaal vier weken;

    • ten aanzien van de volgende verzoeken geldt:

      • a. zij moeten met redenen zijn omkleed;

      • b. de advocaat van een belanghebbende die uitstel verzoekt deelt daarbij mede of verzoeker instemt;

      • c. de advocaat van verzoeker kan uiterlijk binnen één week na datering van het uitstelverzoek schriftelijk reageren;

      • d. wanneer verzoeker schriftelijk bezwaar maakt tegen de verlening, zal het verzoek worden afgewezen, tenzij sprake is van klemmende redenen. Bij toewijzing zal een termijn van maximaal vier weken worden gegeven;

      • e. wanneer verzoeker schriftelijk instemt met de verlening, wordt het verzoek toegewezen, ook als de gevraagde termijn langer is dan vier weken, tenzij daardoor de procedure onredelijk wordt vertraagd als bedoeld in artikel 816 lid 5 Rv. Van onredelijke vertraging is in het algemeen sprake als sinds de inschrijving van het inleidend verzoekschrift één jaar is verstreken. Voor zover het gevraagde uitstel deze termijn van één jaar overschrijdt, wordt het afgewezen. Als voor afloop van deze termijn geen verweerschrift is ingediend, wordt de zaak als verstekzaak afgedaan.

    De beslissing op een uitstelverzoek als hiervoor bedoeld, wordt vermeld in het elektronisch familiejournaal.

  • 5.3 Indien een niet door een advocaat vertegenwoordigde belanghebbende laat weten verweer te willen voeren of uitstel van de verweertermijn verzoekt, zal, onder terugzending van door de belanghebbende ingezonden stukken, worden geantwoord:

    • dat uitstel van de verweertermijn alléén door tussenkomst van een advocaat

    • kan worden verzocht,

    • dat een verweerschrift alléén door tussenkomst van een advocaat kan worden ingediend en

    • dat, indien geen verweerschrift wordt ingediend, mondelinge behandeling achterwege blijft, tenzij de rechter anders bepaalt.

  • 5.4 Sanctie bij te laat ingediend verweerschrift

    Te laat ingediende verweerschriften zullen worden geweigerd tenzij:

    • verweerder een schriftelijke verklaring van verzoeker overlegt, waaruit blijkt dat deze geen bezwaar heeft of

    • verweerder schriftelijk klemmende redenen aanvoert, die de te late indiening rechtvaardigen.

  • 5.5 Referteverklaring

    Tot aan de afloop van de verweertermijn kan een referteverklaring worden overgelegd.

    De referteverklaring is een schriftelijke door een belanghebbende ondertekende verklaring, opgesteld conform bijlage 2 bij dit reglement en geautoriseerd door een advocaat, waaruit genoegzaam blijkt dat de belanghebbende kennis heeft genomen van het verzoekschrift, dat geen verweer zal worden gevoerd en dus ook wordt afgezien van een mondelinge behandeling.

    Indien de referteverklaring wordt ingediend door de advocaat van de belanghebbende zelf is deze vormvrij en behoeft geen gebruik te worden gemaakt van de bijlage. Wel dient verklaard te worden dat de belanghebbende heeft kennis genomen van de inhoud van het verzoekschrift, dat geen verweer gevoerd zal worden en dat afgezien wordt van een mondelinge behandeling. De verklaring dient door de belanghebbende en de advocaat te zijn ondertekend.

    Indien de referteverklaring is geautoriseerd door een andere advocaat dan die van verzoeker, hoeft het verzoekschrift niet te worden betekend. In alle andere gevallen dient betekening plaats te vinden. In die gevallen kan de referteverklaring eerst worden ondertekend na de betekening.

    Een referteverklaring heeft tot gevolg dat vanaf het moment van ontvangst daarvan de verweertermijn niet verder afgewacht behoeft te worden, alvorens te kunnen beslissen op het ingediende verzoek tot scheiding en eventuele nevenverzoeken, zodat – indien de stukken overigens compleet worden bevonden – aanstonds een datum voor beschikking zal worden bepaald, zonder dat behandeling als bedoeld in artikel 818 Rv hoeft plaats te vinden, met uitzondering van een eventueel kindgesprek.

    Voor de indiening van een referteverklaring is geen griffierecht verschuldigd.

  • 5.6 Indien verweerder griffierecht is verschuldigd, dient dit binnen vier weken na indiening van het verweerschrift te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank waar de behandeling plaatsvindt of ter griffie te zijn gestort.

6 Verweerschrift op zelfstandig verzoek

(zie ook artikelen 282 lid 4 en 816 lid 4 Rv)

De hiervoor onder hoofdstuk 5 opgenomen bepalingen betreffende het verweerschrift gelden ook voor het verweerschrift op zelfstandig verzoek, met dien verstande dat als verweertermijn vier weken wordt aangehouden.

Het verweerschrift mag uitsluitend betrekking hebben op het (de) zelfstandig(e) verzoek(en).

7 Mondelinge behandeling

(zie ook artikelen 7, 22, 22a, 22b, 279, 803 en 818 Rv)

  • 7.1 Als, naar het oordeel van de rechter, de zaak op de stukken kan worden afgedaan zonder dat er een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, worden partijen – op een daartoe door hen gedaan verzoek – alsnog in de gelegenheid gesteld hun standpunt mondeling uiteen te zetten.

    Wanneer zowel verzoeker als verweerder schriftelijk aan de rechter hebben laten weten af te zien van een mondelinge behandeling ter zitting, blijft deze achterwege, tenzij de rechter termen aanwezig acht toch een mondelinge behandeling ter zitting te gelasten.

  • 7.2 Dagbepaling

    Zodra de procedure zover is gevorderd dat in een zaak een mondelinge behandeling dient te worden bepaald, wordt daarvoor een datum vastgesteld.

    Bij het bepalen van dag en tijdstip van de mondelinge behandeling wordt uitgegaan van de volgende oproepingstermijnen:

    • in zaken waarin geen nadere informatie nodig is een oproepingstermijn van vier tot zes weken en

    • in zaken waarin nadere informatie wordt gevraagd een oproepingstermijn van zes tot acht weken.

    De oproeping voor de mondelinge behandeling geschiedt per brief.

    Deze brief dient – voor zover nodig – als bevel bedoeld in artikel 22 Rv.

  • 7.3 Verzoeken om uitstel van de mondelinge behandeling

    Als dag en tijdstip van de mondelinge behandeling zijn vastgesteld zonder vooraf aan partijen verhinderdata op te vragen en partijen vragen binnen één week na verzending van de oproep schriftelijk uitstel van die mondelinge behandeling, zal dat uitstel, behalve bij verzoeken op grond van artikel 1:253a BW, altijd worden verleend.

    Wordt het verzoek om uitstel ingediend:

    • na afloop van bovengenoemde termijn van één week of

    • als de mondelinge behandeling met inachtneming van verhinderdata van partijen is gepland of

    • bij een verzoek op grond van artikel 1:253a BW

    dan kan uitstel worden verleend als door partijen klemmende redenen zijn aangevoerd en hiervan naar het oordeel van de rechtbank sprake is. Lopende schikkingsonderhandelingen zijn in beginsel geen klemmende redenen voor uitstel.

    De partij die uitstel vraagt, dient aan te geven of de wederpartij instemt met het uitstelverzoek en de verhinderdata van beide partijen op te geven voor de eerstkomende drie maanden dan wel een andere door de rechtbank te bepalen periode.

    De beslissing op het uitstelverzoek wordt vermeld in het elektronisch familiejournaal. De als partij of adviserende instantie betrokken Raad voor de Kinderbescherming en andere belanghebbenden, die niet door een advocaat worden vertegenwoordigd, worden van deze beslissing schriftelijk op de hoogte gesteld. Bij brief worden een nieuwe dag en tijdstip van de mondelinge behandeling meegedeeld.

  • 7.4 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling wordt, voor zover mogelijk, het doel van de mondelinge behandeling aan partijen medegedeeld en kunnen nadere aanwijzingen of bevelen worden gegeven over:

    • de vraagpunten of onderwerpen die de rechter tijdens de mondelinge behandeling wil bespreken;

    • door partijen of belanghebbenden nader in te dienen stukken, waaronder eventuele vertalingen van stukken;

    • de beslissing van de rechter op een eventueel verzoek van (een van) partijen om tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen mee te nemen en te doen horen;

    • door partijen mee te brengen getuigen of partijdeskundigen.

    Indien een partij die op bevel van de rechter een toelichting van zijn stellingen dient te geven of op de zaak betrekking hebbende stukken dient in te dienen, dit met een beroep op gewichtige redenen weigert, dan wel wenst dat uitsluitend de rechter kennis zal mogen nemen van die toelichting of van die in te dienen stukken, vermeldt deze partij dit in een gemotiveerd bericht aan de rechtbank.

    Deze partij zendt de te geven toelichting dan wel de in te dienen stukken op papier naar een door de rechtbank op te geven adres, onder vermelding van het zaaknummer en de mededeling dat het gaat om stukken als bedoeld in de artikelen 22 Rv.

    Een wederpartij kan binnen één week na de dag van de verzending van het in de eerste zin van dit artikel genoemde bericht, op het beroep op weigering dan wel op beperkte kennisneming bij bericht reageren.

    Een andere rechter dan de zaaksrechter beslist zo spoedig mogelijk, maar wel op een regiedag, op het beroep op weigering dan wel beperkte kennisneming van de te geven toelichting dan wel de in te dienen stukken.

  • 7.5 Duur mondelinge behandeling

    Indien een partij voorziet dat de voor de mondelinge behandeling gereserveerde tijd onvoldoende is voor een behoorlijke behandeling van de zaak, kan deze partij zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen één week na verzending van de oproep, de rechter gemotiveerd verzoeken hiervoor meer tijd te reserveren onder opgave van de verhinderdata van alle partijen. Indien deze opgave ontbreekt, wordt aan partijen medegedeeld dat de eerdere dagbepaling van kracht blijft en dat de oorspronkelijk voor de mondelinge behandeling gereserveerde tijd blijft gehandhaafd.

  • 7.6 Een gedetineerde partij deelt de rechter tijdig schriftelijk mee of hij nog zal zijn gedetineerd op de dag en tijdstip van de mondelinge behandeling.

    Indien een gedetineerde partij de mondelinge behandeling in persoon wil bijwonen, verzoekt hij zo spoedig mogelijk schriftelijk de rechter zijn aanwezigheid te bevorderen. Zijn verzoek bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • zijn voor- en achternamen (voluit);

    • zijn geboortedatum- en plaats;

    • zijn huidige verblijfplaats.

  • 7.7 Een partij die de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, draagt zorg voor een tolk. De kosten van de tolk komen voor eigen rekening van de partij.

    De rechtbank kan eisen stellen aan de kwalificaties en/of competenties van de tolk.

  • 7.8 Proceshandelingen en stukken

    Een partij die tijdens de mondelinge behandeling nog een proceshandeling wenst te verrichten of stukken in het geding wenst te brengen, zorgt ervoor dat de rechtbank en iedere belanghebbende uiterlijk tien dagen voor de dag van de mondelinge behandeling een afschrift van het te nemen processtuk of de in het geding te brengen stukken hebben ontvangen.

  • 7.9 Indien een partij de aanwezigheid van parketpolitie bij de mondelinge behandeling wenselijk acht, verzoekt deze partij dit zo spoedig mogelijk en gemotiveerd bij de griffie van de rechtbank.

    Bijzonderheden van praktische aard met betrekking tot de mondelinge behandeling, zoals de grootte van de zittingsruimte of de noodzaak van beschikbaarheid van bijzondere apparatuur, worden zo spoedig mogelijk bij gemotiveerd bericht aan de rechtbank medegedeeld.

  • 7.10 Verzoeken om meegebrachte getuigen en deskundigen te horen

    Een gemotiveerd verzoek tot het doen horen van getuigen of partijdeskundigen, wordt schriftelijk ingediend. Het verzoek wordt zo spoedig mogelijk ingediend, maar uiterlijk binnen één week na verzending van de oproep, onder opgave van de gegevens van de te horen getuigen of partijdeskundige, onder verzending van een kopie aan belanghebbende(n).

    Op het verzoek kan door belanghebbende(n) tot één week na de ontvangst van het gedane verzoek schriftelijk worden gereageerd.

    De rechter beslist zo spoedig mogelijk na ontvangst van de reactie van belanghebbende(n) of het ongebruikt verstrijken van de hierboven genoemde termijn van één week.

  • 7.11 Andere zittingen dan mondelinge behandeling

    De artikelen uit dit hoofdstuk (uitgezonderd artikel 7.4) zijn van overeenkomstige toepassing op andere zittingen dan de mondelinge behandeling, waaronder begrepen het (voorlopige) getuigenverhoor, het horen van een (partij)deskundige ter zitting, de (voorlopige) gerechtelijke plaatsopneming of bezichtiging.

  • 7.12 Inlichtingen/informatie verschaffen tijdens of na afloop van de mondelinge behandeling.

    Indien tijdens de mondelinge behandeling wordt geconstateerd, dat nog nadere informatie nodig is, kan de rechter:

    • ofwel een nieuwe dag en tijdstip bepalen voor voortzetting van de mondelinge behandeling met daarbij een termijn waarbinnen de informatie moet worden verschaft en zo nodig een termijn voor de wederpartij om op de verschafte informatie te reageren;

    • ofwel een termijn bepalen waarbinnen de informatie moet worden verschaft en zo nodig een termijn voor de wederpartij om op de verschafte informatie te reageren.

    Deze termijnen zijn fataal in die zin, dat de rechter geen acht zal slaan op informatie of reacties die na afloop van de gestelde termijnen zijn binnengekomen. De te laat ingekomen informatie wordt teruggezonden.

8 Kindgesprek

(zie ook artikel 809 Rv)

  • 8.1 In zaken waarin minderjarigen van acht jaar en ouder zijn betrokken, worden deze door de rechtbank in de gelegenheid gesteld hun mening mondeling of schriftelijk kenbaar te maken wanneer een gezagsvoorziening, een omgangsregeling, een informatie- of consultatieregeling of een regeling omtrent de verblijfplaats wordt gevraagd.

    In zaken waarin alleen kinderalimentatie wordt gevraagd, worden minderjarigen van zestien tot achttien jaar door de rechtbank in de gelegenheid gesteld hun mening in beginsel schriftelijk kenbaar te maken.

    Dit wordt ook gedaan:

    • indien partijen het eens zijn over de gevraagde voorziening,

    • indien reeds een schriftelijke verklaring van de betreffende minderjarigen is overgelegd.

  • 8.2 De minderjarigen worden buiten de mondelinge behandeling en in beginsel afzonderlijk gehoord. Van dit gesprek wordt geen proces-verbaal opgemaakt.

  • 8.3 De rechter kan in zaken waarin alleen kinderalimentatie wordt gevraagd besluiten om minderjarigen jonger dan zestien jaar te horen.

  • 8.4 Tijdens de mondelinge behandeling geeft de rechter kort en zakelijk weer wat de minderjarigen hebben verklaard.

  • 8.5 Aan de belanghebbenden wordt geen kopie verstrekt van de brieven van de minderjarigen.

9 De behandeling van nevenverzoeken tot vaststelling van de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap en tot afwikkeling van huwelijkse voorwaarden

(zie ook artikelen 22, 22b en 677 Rv, 3:185 BW)

  • 9.1 Indien een (zelfstandig) verzoek als bedoeld in artikel 2.1 (respectievelijk 5.1) als nevenvoorziening bevat:

    • een verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, of

    • een verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (al dan niet met een verzoek tot verdeling van (een) eenvoudige gemeenschap(pen), dient door beide partijen uiterlijk vier weken voor de mondelinge behandeling het formulier Verdelen en Verrekenen (beschikbaar via het Digitaal loket rechtspraak) onderbouwd met producties te worden overgelegd. Indien hieraan niet wordt voldaan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen. Het webformulier ontslaat partijen niet van de verplichting hun standpunten in de processtukken naar voren te brengen en met producties te onderbouwen.

  • 9.2 De verzoeken bedoeld in artikel 9.1 worden gelijktijdig met de mondelinge behandeling van het echtscheidingsverzoek en eventuele andere nevenverzoeken behandeld.

  • 9.3 De artikelen van hoofdstuk 7 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 9.4 De rechter kan, indien de processtukken daartoe aanleiding geven, bepalen dat uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling nog nadere stukken in het geding moeten worden gebracht en in afschrift aan de wederpartij moeten worden toegezonden.

    Deze stukken worden vermeld in de oproepingsbrief.

    Deze brief dient – voor zover nodig – als bevel als bedoeld in artikel 22 Rv, dan wel als verzoek ex artikel 22b Rv.

    De rechter kan besluiten op informatie die na de hierboven genoemde termijn is binnengekomen geen acht te slaan.

  • 9.5 Indien door de rechter toepassing is gegeven aan artikel 7.13 wordt slechts een nadere mondelinge behandeling bepaald indien de rechter termen aanwezig acht toch een mondelinge behandeling te gelasten.

10 Uitspraak

(zie ook artikelen 29, 30, 29a, 286 tot en met 289 Rv)

De termijn voor uitspraak is:

  • a. bij voorlopige voorzieningen:

    • indien geen mondelinge uitspraak is gedaan: twee weken na de datum waartegen behandeling is bepaald, of

    • in het geval dat er geen behandeling is bepaald: twee weken na de datum waarop duidelijk werd dat werd afgezien van behandeling;

  • b. bij verstekken, refertes en gemeenschappelijke verzoeken:

    drie weken na het moment dat is geconstateerd dat de zaak gereed is voor beschikking;

  • c. bij zaken waarin verweer is gevoerd en waarbij is afgezien van de mondelinge behandeling:

    vier weken na het moment dat is geconstateerd dat de zaak gereed is voor beschikking;

  • d. bij zaken waarin verweer is gevoerd en waarbij een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden waar geen mondelinge uitspraak is gedaan: vier weken na de datum van de mondelinge behandeling of – indien toen nog een termijn voor overlegging van nadere informatie en een reactie daarop werd gegund – vier weken na afloop van de laatstgenoemde termijn.

Zodra zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan te verwachten is dat de onder a. en d. genoemde termijnen niet worden gehaald, zal tijdens de mondelinge behandeling een langere termijn worden bepaald.

Indien de hiervoor vermelde uitspraaktermijnen niet gehaald worden, wordt dit vermeld in het elektronisch familiejournaal, met vermelding van een nieuwe uitspraakdatum.

De hiervoor genoemde termijnen zijn bedoeld als maximumtermijnen.

11 Opneming onderling getroffen regeling in de beschikking

(zie ook artikel 819 Rv)

  • 11.1 Bij toewijzing van een verzoek tot opneming van de onderling getroffen regeling (bijvoorbeeld een convenant of een ouderschapsplan) in de beschikking, zal dit geschieden door opneming in het dictum van een bepaling dat de onderling getroffen regeling als in de beschikking opgenomen moet worden beschouwd onder verwijzing naar en met aanhechting van een kopie van de onderling getroffen regeling aan de beschikking.

    Indien digitaal wordt geprocedeerd zal dit geschieden door opneming in het dictum van een bepaling dat de onderling getroffen regeling als in de beschikking opgenomen moet worden beschouwd onder verwijzing naar de als bijlage ingevoegde scan van de onderling getroffen regeling.

  • 11.2 Indien echtgenoten in de onderling getroffen regeling afspraken hebben neergelegd met betrekking tot eenhoofdig gezag, dienen zij daaromtrent uitdrukkelijk een beslissing van de rechter te vragen.

12 Digitaal procederen

(zie ook artikel 33 Rv)

  • 12.1 Toepasselijkheid overige bepalingen

    De bepalingen van de overige hoofdstukken van dit procesreglement zijn ook van toepassing indien digitaal wordt geprocedeerd, behoudens indien en voor zover hierna daarvan wordt afgeweken.

    Daarnaast gelden de regels die zijn opgenomen in:

  • 12.2 Begripsbepalingen

    In dit hoofdstuk worden de begrippen uit de wet gebruikt.

    Ter verduidelijking hiervan of in aanvulling hierop is de betekenis van onderstaande begrippen in dit hoofdstuk (in alfabetische volgorde) de volgende:

    • a. Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid: het koppelvlak bestemd voor digitaal verkeer tussen systemen van partijen dan wel hun advocaten of gemachtigden en de rechtbank;

    • b. belanghebbende: degene tegen wie een verzoek in eerste aanleg is gericht of wiens rechten en verplichtingen rechtstreeks bij een verzoek zijn betrokken of die anderszins als belanghebbende moet worden aangemerkt;

    • c. bericht: een mededeling, niet zijnde een processtuk, tussen de rechtbank en een of meer partijen via de daartoe aangewezen digitale weg;

    • d. digitaal dossier: alle in een zaak ingediende processtukken, berichten en de beslissingen van de rechtbank daarop;

    • e. indienen: het digitaal aanleveren van processtukken of bewijsstukken, onder bijvoeging van het daartoe bestemde F-formulier;

    • f. processtuk: ieder stuk van een partij waarin het standpunt van die partij naar voren wordt gebracht;

    • g. verzoeker: de partij die een verzoek indient;

    • h. webportaal ‘Mijn Rechtspraak’: de beveiligde digitale omgeving waarin belanghebbenden, advocaten en andere (professionele) gemachtigden toegang hebben tot het digitale systeem van de rechtbank en het digitale dossier.

  • 12.3 Mogelijkheid van digitaal procederen

    Digitaal procederen bij de rechtbank is alleen mogelijk, indien en voor zover de wet bepaalt of uit de wet volgt dat partijen in (een) bepaalde categorie(ën) van zaken, hetzij de mogelijkheid hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (vrijwillig digitaal procederen), hetzij de verplichting hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (verplicht digitaal procederen). De categorieën van zaken waarin (vrijwillig of verplicht) digitaal procederen mogelijk is, staan vermeld in de bij dit procesreglement behorende Bijlage 4.

  • 12.4 Toegang tot het webportaal

    Een belanghebbende heeft toegang tot het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ als hij beschikt over een inlogmiddel, zoals omschreven in het Reglement inzake de toegang tot en het gebruik van systeem DT Rechtspraak.

    Een belanghebbende heeft in het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ toegang tot het digitaal dossier in de aanhangige zaken waarin hij partij is. Een partij die niet zelf digitaal procedeert, kan de rechtbank verzoeken hem mee te delen op welke wijze hij toegang kan krijgen tot het digitaal dossier.

  • 12.5 Gevolgen van digitaal procederen

    De partij die digitaal procedeert, gaat ermee akkoord dat:

    • zij geen papieren afdrukken of kopieën van processtukken of berichten ontvangt;

    • de verzending van daarvoor in aanmerking komende processtukken of berichten niet aangetekend geschiedt.

  • 12.6 Wissel van niet-digitaal naar digitaal procederen en omgekeerd

    Een partij die vrijwillig digitaal procedeert en voortaan niet meer digitaal wil procederen, of omgekeerd, verzoekt dit de rechtbank bij bericht. Een wissel wordt in een procedure in beginsel maar één keer toegelaten.

    De wissel is effectief vanaf de datum die in de bevestiging van de rechtbank wordt genoemd. De wissel wordt aan de verzoeker en aan alle belanghebbenden bevestigd.

    Een partij die wisselt naar digitaal procederen, krijgt ook digitaal toegang tot eerder gewisselde processtukken en berichten die in het digitaal dossier zijn opgeslagen.

  • 12.7 Wijze van indiening van processtukken en stukken

    Voor het indienen van processtukken en stukken gelden de volgende voorschriften:

    • een partij voorziet ieder processtuk of bewijsstuk dat zij indient van een benaming bestaande uit een verkorte partijnaam, een (doorlopend) volgnummer en een verkorte aanduiding van de inhoud ervan. Een door een partij gekozen partijnaam wordt door die partij en alle andere partijen consequent gehanteerd.

    • de in te dienen stukken worden als afzonderlijke digitale bestanden geüpload, waarbij de stukken op zodanige wijze worden aangeleverd dat deze in de juiste volgorde kunnen worden geraadpleegd.

  • 12.8 Indiening van berichten en processtukken/ontvangstbevestiging bij digitaal procederen

    De indiening van het verzoekschrift, verweerschrift en overige processtukken en berichten vindt plaats door toezending aan de griffie van de rechtbank via het Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid of via het webportaal.

    De ontvangst van processtukken en berichten wordt automatisch bevestigd.

  • 12.9 Kennisgeving bij digitaal procederen/berichten van de rechtbank aan partijen

    Indien de rechtbank een processtuk, een uitspraak of een bericht in het digitale systeem heeft geplaatst, ontvangt iedere partij die digitaal moet procederen of die heeft laten weten digitaal te procederen en daarbij een e-mailadres heeft opgegeven, daarvan een kennisgeving (notificatie). Het tijdstip waarop deze kennisgeving wordt verstuurd, geldt als het tijdstip waarop het desbetreffende processtuk of bericht aan die partij bekend is gemaakt. Voor dit doel wordt bij de eerste keer dat een partij in een zaak inlogt in het webportaal, een e-mailadres gevraagd. Deze partij is te allen tijde verantwoordelijk voor de werking, de toegankelijkheid, de beschikbaarheid en de raadpleging van dit adres. Indien die partij geen e-mailadres verstrekt, geldt dit als een mededeling dat hij geen kennisgevingen wenst te ontvangen. Dit is voor rekening en risico van die partij.

    De rechtbank bericht partijen door plaatsing van een bericht in het door partijen te raadplegen digitaal dossier in hun zaak.

  • 12.10 Aantal in te dienen exemplaren

    Het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken, het verweerschrift en de bijgevoegde stukken, en de eventueel tijdens de mondelinge behandeling in te dienen processtukken of de in het geding te brengen bewijsstukken worden in enkelvoud ingediend, met een kopie aan iedere belanghebbende indien en zolang deze op papier procedeert.

  • 12.11 Meer dan één verzoeker en/of meer dan één belanghebbende

    Indien wordt geprocedeerd door meer dan één verzoeker of wordt geprocedeerd tegen meer dan één belanghebbende, maakt elk van partijen duidelijk door welke partij(en) het verzoek is ingediend en wie belanghebbende(n) is/zijn.

    Een belanghebbende die digitaal procedeert en niet wenst dat een andere belanghebbende in dezelfde procedure voortaan nog kennis kan nemen van door hem in te dienen processtukken of berichten, verzoekt de rechtbank op duidelijk kenbare wijze om afsplitsing van zijn zaak alvorens zijn volgende processtuk of bericht aan het dossier toe te voegen.

    Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op de verzoeker die niet wenst dat andere verzoekers in dezelfde procedure voortaan nog kennis kunnen nemen van door hem in te dienen processtukken of berichten.

  • 12.12 Uitsluiting van digitaal procederen

    De rechtbank kan een partij of de gemachtigde van die partij tijdelijk of blijvend uitsluiten van het gebruik van het digitale systeem, indien hij aantoonbaar een gevaar vormt voor de integriteit van het digitale systeem of indien hij het digitale systeem verstoort. De uitsluiting wordt medegedeeld bij bericht en heeft alleen betrekking op de procedure waarin de rechtbank deze beslissing heeft genomen.

    Na de uitsluiting van het gebruik van het digitale systeem, wordt de procedure voortgezet volgens de regels die gelden voor niet-digitaal procederen.

  • 12.13 Verstrekking afschrift uitspraak

    De uitspraak kan ook digitaal ter beschikking worden gesteld.

    Van de uitspraak wordt aan de partij die daarbij belang heeft, op verzoek een voor tenuitvoerlegging bestemd afschrift (grosse) verstrekt. Deze grosse wordt altijd op papier verstrekt.

Bijlage 1: Controlelijst (echt)scheidingsverzoekschriften

Bij controle bleek het verzoekschrift niet te zijn voorzien van de hieronder aangekruiste informatie c.q. stukken:

  • 1. verzoekschrift in ..........voud

  • 2. naam, voornamen verzoek(st)er

  • 3. BRP-uittreksel verzoek(st)er (met vermelding van alle nationaliteiten en, in het geval van artikel 2.2, laatste zin, vermelding van de verblijfsduur in Nederland). Als het BRP-uittreksel niet alle nationaliteiten vermeldt, dan dient een ander bewijsstuk van de nationaliteit te worden overgelegd

  • 4. naam en adres advocaat verzoek(st)er

  • 5. naam, voornamen echtgeno(o)t(e)

  • 6. BRP-uittreksel echtgeno(o)t(e) (met vermelding van alle nationaliteiten)

  • 7. naam, voornamen en het BSN van ieder minderjarig kind van partijen tezamen of van één van hen (zie ook artikel 1.19).

  • 8. gedateerd(e) en gewaarmerkt(e) afschrift of uittreksel(s) van de akte van geboorte van iedere minderjarige (zie ook artikel 2.2)

  • 9. woonplaats/werkelijke verblijfplaats van iedere minderjarige

  • 10. gedateerd en gewaarmerkt afschrift of uittreksel van de huwelijksakte (zie ook artikel 2.2)

  • 11. (voor zover nodig naast de in punten 3 en 6 bedoelde stukken) stukken waaruit blijkt:

    • a. dat beide echtgenoten Nederlander zijn (geen kopie legitimatiebewijs)

    • b. dat één der echtgenoten sedert twaalf maanden of indien hij/zij Nederlander is sedert zes maanden woonplaats heeft in Nederland

    • c. sedert wanneer de echtgeno(o)t(e), die niet de Nederlandse nationaliteit heeft, woonachtig is in Nederland

  • 12. ingeval van ontbinding na scheiding van tafel en bed: een authentiek afschrift van de beslissing van scheiding van tafel en bed, alsmede het bewijs van inschrijving van de beschikking in het huwelijksgoederenregister

  • 13. het ouderschapsplan in drievoud, waaronder het origineel (zie ook artikel 2.2)

  • 14. het echtscheidingsconvenant – dan wel een anderszins onderling getroffen regeling – in drievoud, waaronder het origineel (zie ook artikel 2.2)

  • 15. relevante omstandigheden voor de bepaling van het toepasselijk huwelijksvermogensrecht

  • 16. een uitgebreidere onderbouwing van het verzoek tot afwijking van gezamenlijk gezag (in geval van eenzijdig verzoek dient de uitgebreidere motivering betekend te worden aan de niet verschenen echtgeno(o)t(e) een en ander met inachtneming van hoofdstuk 4)

  • 17. overige: ..........

U wordt verzocht de aangekruiste stukken of vermeldingen alsnog zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vóór afloop van de verweertermijn/uiterlijk vier weken na dagtekening van deze lijst in één keer aan te vullen. Het vorenstaande laat onverlet de eigen verantwoordelijkheid van verzoek(st)er om zijn/haar stellingen te onderbouwen.

Wanneer na afloop van de gegeven termijnen wordt geconstateerd dat de gevraagde vermeldingen c.q. stukken niet zijn ontvangen zonder dat daarvoor vóór afloop van genoemde termijnen schriftelijk klemmende redenen zijn aangevoerd, kan verzoek(st)er – voor zover het vermeldingen c.q. stukken betreffen genoemd onder punten 1 tot en met 17 – niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek.

Indien niet tijdig schriftelijk klemmende redenen zijn aangevoerd, wordt er van uitgegaan dat verzoek(st)er geen prijs stelt op een mondelinge behandeling.

Datum .......... De griffier ..........

Bijlage 2: Referteverklaring

Ondergetekende,

.......... (naam voluit),

.......... (woonplaats),

verklaart kennis te hebben genomen van het verzoekschrift tot echtscheiding, afkomstig van zijn/haar echtgenote/echtgenoot

.......... (naam voluit),

in welk verzoekschrift wordt verzocht:

.......... (tekst petitum).

Ondergetekende verzet zich niet tegen de verzochte echtscheiding.

Ondergetekende verzet zich er evenmin tegen dat door de rechter de in het verzoekschrift vermelde nevenvoorzieningen worden getroffen.

Ondergetekende weet dat hij/zij het wettelijk recht heeft gedurende (tenminste) zes weken na betekening van het verzoekschrift zich te bezinnen op de vraag of hij/zij verweer zal voeren.

Ondergetekende zal echter geen verweer voeren en heeft er geen bezwaar tegen dat de rechtbank reeds voor afloop van voormelde verweertermijn zonder mondelinge behandeling beslist op het genoemde verzoekschrift.

Ondergetekende machtigt mr. .......... om deze verklaring over te leggen aan de rechtbank.

.......... (plaats)

.......... (datum)

.......... (handtekening)

Mr. .......... verklaart hierbij het hiervoor genoemde scheidingsverzoek plus nevenvoorzieningen besproken te hebben met de ondertekenaar van deze referteverklaring voordat deze gemelde verklaring heeft ondertekend, terwijl ondergetekende aan de hand van een geldig legitimatiebewijs heeft geconstateerd dat bovenstaande handtekening afkomstig is van degene die de betreffende verklaring aflegt.

.......... (handtekening advocaat)

Bijlage 3: vervallen

Bijlage 4: Aanvullende bepalingen digitaal procederen (artikel 1.5, 2.2, 11.1 en hoofdstuk 12)

Bij de volgende rechtbanken is vrijwillig digitaal procederen mogelijk door de advocatuur voor de volgende verzoekschriften vanaf de hierna te noemen datum:

  • rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht:

    gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken, vanaf 11 april 2022

  • rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad:

    gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken, vanaf 6 november 2023

  • rechtbank Overijssel, locatie Almelo:

    gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken, vanaf 11 april 2022

  • rechtbank Overijssel, locatie Zwolle:

    gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken, vanaf 5 februari 2024

  • rechtbank Amsterdam:

    gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken, vanaf 15 mei 2023

  • rechtbank Limburg:

    gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken, vanaf 6 november 2023

  • rechtbank Rotterdam:

    gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken, vanaf 6 november 2023

  • rechtbank Den Haag:

    gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken, vanaf 5 februari 2024

  • rechtbank Gelderland:

    gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken, vanaf 5 februari 2024

  • rechtbank Noord-Holland:

    gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken, vanaf 5 februari 2024

  • rechtbank Noord-Nederland:

    gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken, vanaf 5 februari 2024

  • rechtbank Oost-Brabant:

    gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken, vanaf 5 februari 2024

  • rechtbank Zeeland-West-Brabant:

    gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken, vanaf 5 februari 2024

  • rechtbank Gelderland:

    alle verzoekschriften, vanaf 6 mei 2024

  • rechtbank Midden-Nederland:

    alle verzoekschriften, vanaf 18 november 2024

  • rechtbank Noord-Nederland

    alle verzoekschriften, vanaf 18 november 2024

  • rechtbank Oost-Brabant:

    alle verzoekschriften, vanaf 18 november 2024

  • rechtbank Rotterdam:

    alle verzoekschriften, vanaf 18 november 2024

  • rechtbank Amsterdam:

    alle verzoekschriften, vanaf 17 maart 2025

  • rechtbank Den Haag:

    alle verzoekschriften, vanaf 17 maart 2025

  • rechtbank Limburg:

    alle verzoekschriften, vanaf 17 maart 2025

  • rechtbank Noord-Holland:

    alle verzoekschriften, vanaf 17 maart 2025

  • rechtbank Overijssel:

    alle verzoekschriften, vanaf 17 maart 2025

  • rechtbank Zeeland-West-Brabant:

    alle verzoekschriften, vanaf 17 maart 2025

Bijlage 5: Regels voor het gebruik van Veilig Mailen (artikelen 1.1, 1.2, 1.4 en 1.11)

Voor communicatie via Veilig Mailen gelden, in aanvulling op de overige regels in dit procesreglement, de volgende regels.

  • 5.1 Gebruik Veilig Mailen

    Voor communicatie via Veilig Mailen maakt de verzender gebruik van het e-mailadres dat per griffie van de rechtbank en per zaaksoort staat vermeld op www.rechtspraak.nl. Daar staat ook vermeld op welke wijze een partij kan verzoeken om toegang tot Veilig Mailen.

  • 5.2 Een e-mail betreft één zaak/karakter e-mail

    Een via Veilig Mailen verzonden e-mailbericht heeft uitsluitend betrekking op één zaak.

    Een e-mailbericht heeft het karakter van een envelop. De inhoud wordt opgenomen in de bijlage(n) bij het e-mailbericht.

    Als een bijlage informatie bevat die ingevolge een wettelijke regeling geheim moet blijven of waarvan ingevolge een wettelijke regeling slechts beperkt mag worden kennis genomen, vermeldt de indiener van het stuk dit uitdrukkelijk in de e-mail.

  • 5.3 Communicatie door de rechtbank via Veilig Mailen

    De rechtbank kan een (proces-)stuk of bericht verzenden via Veilig Mailen, indien de geadresseerde:

    • hierom heeft verzocht, of

    • akkoord is gegaan met een verzoek van de rechtbank in te stemmen met Veilig Mailen, of

    • zelf via Veilig Mailen met de rechtbank heeft gecommuniceerd.

  • 5.4 Onderwerpregel e-mailbericht

    Bij gebruik van Veilig Mailen vermeldt de onderwerpregel van het e-mailbericht uitsluitend:

    • ingeval van een nieuwe zaak: de woorden ‘nieuwe zaak’;

    • ingeval van een lopende zaak: het zaaknummer.

    In geen geval vermeldt de indiener in de onderwerpregel persoonsgegevens of andere vertrouwelijke informatie.

  • 5.5 Wijze van verzenden van bestanden

    (Proces)stukken en berichten zijn als afzonderlijke bestanden bij het e-mailbericht gevoegd. De naam van deze bestanden bevatten een omschrijving en een dagtekening in de vorm van jjmmdd. De bestanden voldoen aan het Pdf-formaat, tenzij het stuk niet in een Pdf-formaat kan worden verstuurd, of de aard van het stuk zich daartegen verzet. In dat geval kan de indiener de rechtbank telefonisch verzoeken indiening van een ander bestandsformaat toe te staan. De bijlagen zijn doorlopend genummerd.

  • 5.6 Maximumomvang via Veilig Mailen te verzenden bijlagen

    Een bijlage bij een mailbericht heeft een maximumomvang van 25 MB.

    Als een bijlage groter is dan 25 MB, wordt deze per post aan de griffie van de rechtbank verzonden of wordt deze afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank.

  • 5.7 Veilig Mailen van stukken die moeten worden voorzien van een originele (‘natte’) handtekening

    Als de wet ondertekening van stukken vereist, worden deze voorzien van een originele (‘natte’) handtekening en gescand als Pdf-bestand via Veilig Mailen ingediend.

  • 5.8 Verstoring toegang Veilig Mailen en verschoonbare termijnoverschrijding

    Als op de laatste dag van een voor de indiener geldende termijn voor indiening van een processtuk of bericht een niet aan hem toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot Veilig Mailen, is een daardoor veroorzaakte overschrijding van de termijn verschoonbaar als het processtuk of bericht uiterlijk wordt ingediend op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring is verholpen.

  • 5.9 Mailen door de rechtbank met bestuursorganen en andere instanties

    Indien de rechtbank met bestuursorganen of andere organisaties via een versleutelde verbinding kan mailen, geldt deze vorm van mailen als Veilig Mailen in de zin van dit procesreglement.

Toelichting op het Procesreglement Scheiding

1 Algemeen
Artikel 1.7

Onder de berichten van 1.7 valt ook het verweerschrift. Het is juridisch onhoudbaar om een verweerschrift waarop een nummer ontbreekt niet te accepteren. Ten aanzien van verweerschriften zou men artikel 1.7 als een instructienorm kunnen beschouwen.

Artikel 1.14

In artikel 22b Rv (dat op 1 september 2017 in werking is getreden) is het standpunt van de Hoge Raad over de substantiërings- en wegwijsplicht bij het overleggen van producties gecodificeerd (onder meer HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404). Het opnemen in de procesreglementen van een voorschrift dat ziet op het moeten toelichten van de overgelegde stukken, voorkomt naar het inzicht van het LOVF voor een deel dat na ontvangst van de stukken alsnog een brief moet worden gestuurd met het verzoek om toelichting.

Artikel 1.18

Aan de verplichting een beëdigde vertaling in de Nederlandse taal over te leggen van stukken die in een vreemde taal zijn gesteld, hoeft niet strikt de hand te worden gehouden, indien het eenvoudig leesbare stukken betreft, zoals de huwelijksakte en geboorteakte, gesteld in de Engelse, Franse of Duitse taal.

2 Indiening verzoekschrift
Artikel 2.1

Inwerkingtreding van het Besluit van 7 juni 2013 tot wijziging van het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969, heeft tot gevolg dat op verzoekschriften als bedoeld in artikel 1:99, eerste lid, onder b, c en d BW behalve de datum van indiening, ook het tijdstip van indiening zal moeten worden aangetekend. Door het LOVF is in dit verband aan de rechtbanken geadviseerd om de volgende werkwijze te hanteren: het openingstijdstip van de griffie op de dag waarop het verzoekschrift de griffie bereikt, zal gelden als tijdstip van indiening van het verzoekschrift. Wanneer aan de zijde van de verzoeker behoefte bestaat aan registratie van een ander tijdstip, dan kan, evenals thans, het verzoekschrift worden ingediend bij de Centrale Balie van de rechtbank, met het verzoek het tijdstip van ontvangst te registreren.

Voor verzoeken tot inschrijving in het huwelijksgoederenregister van het verzoekschrift tot echtscheiding die niet tegelijk met het verzoekschrift tot echtscheiding worden gedaan, geldt dat deze worden gedaan per brief. De griffie geleidt deze verzoeken door naar de griffie huwelijksgoederenregister voor inschrijving en voegt daarbij een gestempeld exemplaar van het verzoekschrift uit het echtscheidingsdossier.

Artikel 2.2

De in artikel 2.2 tweede alinea genoemde houdbaarheidsdatum is gesteld op drie maanden, ook voor buitenlandse huwelijken. In veel buitenlandse scheidingen kan dat problemen opleveren. In die gevallen kan verzoeker een feitelijk onderbouwd beroep doen op artikel 815 lid 6 Rv.

Indien bij voorafgaande voorlopige voorzieningen stukken zijn overgelegd die niet ouder waren dan drie maanden, zijn deze stukken ook genoegzaam voor de bodemprocedure.

Artikel 2.3, tweede alinea

Als een herstel van een verzuim de inhoud van een verzoekschrift betreft, moet de aanvulling betekend worden.

Het in één keer overleggen is een instructienorm. Overtreding daarvan leidt niet tot niet-ontvankelijkheid.

Uitstel voor het indienen van een verweerschrift, leidt niet tot uitstel voor het indienen van stukken. Daarvoor blijft de oorspronkelijk gegeven termijn gelden.

Artikel 2.3, derde alinea

De sanctie op het niet tijdig completeren van de stukken kan zijn niet-ontvankelijkverklaring. Dit zal het geval zijn, indien het stukken betreft die nodig zijn om te kunnen beslissen. De sanctie van niet-ontvankelijkverklaring wordt in dat geval niet ontleend aan het procesreglement, doch aan het niet voldoen aan de stelplicht. Slechts indien voor afloop van de termijn klemmende redenen zijn aangevoerd waarom de stukken niet zijn gecompleteerd, zal daartoe een nadere termijn worden verleend van maximaal vier weken (gelijkloop met de termijn van artikel 5.2). Indien een belanghebbende tegen het uitstel wil protesteren dient deze dat schriftelijk binnen één week na dato van het uitstelverzoek te doen (eveneens gelijk aan artikel 5.2).

Van klemmende redenen is sprake wanneer zich omstandigheden voordoen waardoor het redelijkerwijs niet mogelijk is de proceshandeling binnen de gestelde termijn te verrichten. Algemene voorbeelden van omstandigheden waardoor sprake kan zijn van klemmende redenen zijn:

  • de juridische of feitelijke ingewikkeldheid van de zaak;

  • de noodzaak om voor het verrichten van de betrokken proceshandeling een deskundige in te schakelen, waardoor de termijn wordt overschreden;

  • niet aan de betrokken partij toe te rekenen communicatieproblemen tussen de partij en haar advocaat of tussen de advocaat en een noodzakelijkerwijs voor het verkrijgen van de vereiste stukken in te schakelen instantie; te denken valt aan vertaalproblemen met buitenlandse cliënten en het verkrijgen van (buitenlandse) stukken;

  • het wachten op de uitspraak in andere relevante procedures;

  • meer persoonlijke omstandigheden zoals ziekte van de advocaat of de partij.

Of in een concreet geval sprake is van een klemmende reden staat ter beoordeling van de rechter.

Completering van de stukken staat geheel los van de betekening. Dus, ook al zijn de stukken niet compleet, dient toch binnen vier weken het exploot van betekening te worden overgelegd (zie ook hierna onder artikel 4.2).

3 Voorlopige voorzieningen

Het afzonderlijk indienen van een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen en een verzoek tot (echt)scheiding dient zoveel mogelijk bevorderd te worden, maar er staat geen sanctie op gezamenlijke indiening.

Artikel 3.4

Het klemmende-redenencriterium voor het vragen van uitstel van de mondelinge behandeling geldt behalve voor verzoeken tot het treffen van voorlopige voorzieningen ook voor verzoeken tot wijziging van voorlopige voorzieningen. Een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling wordt dus ook in geval van een verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen pas verleend wanneer degene die uitstel vraagt schriftelijk klemmende redenen aanvoert en de verhinderdata van beide partijen opgeeft.

Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv

Op 5 december 2014 heeft de Hoge Raad (ECLI:HR:2014:3533) beslist dat in iedere verzoekschriftprocedure kan worden verzocht om een voorlopige voorziening, naar analogie van de regeling van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor de dagvaardingsprocedure. Op 31 augustus 2018 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1414) beslist dat de regeling van artikel 223 Rv niet openstaat voor de scheidingsprocedure. De wetgever heeft met de artikelen 821-826 Rv voor de scheidingsprocedure voorzien in een bijzondere regeling van voorlopige voorzieningen in die procedure. Hiermee is kennelijk beoogd een uitputtende regeling te treffen van voorlopige voorzieningen die kenmerkend zijn voor een scheidingsprocedure.

4 Betekeningsexploot
Artikel 4.1 onder b

Bij betekening bij een bekende woon- of verblijfplaats in het buitenland geldt dat de verweertermijn van ten minste drie maanden aanvangt op de dag waarop het exploot in het buitenland is uitgereikt of de volgens de plaatselijke regeling verplichte handelingen daartoe zijn verricht. Er is bewust niet voor gekozen de termijn te laten aanvangen op de dag van betekening. De dag van betekening is niet per definitie gelijk aan de dag van uitreiking. Voorkomen wordt hiermee dat de verweertermijn te kort of reeds verstreken is op de dag van uitreiking.

Artikel 4.2

Overlegging van het exploot is van essentieel belang voor de voortgang van de procedure. Zonder dat is immers geen einde verweertermijn bekend en kan er met de zaak dus verder niets worden gedaan. Het opleggen van een sanctie is dan ook onvermijdelijk. De enig denkbare sanctie is niet-ontvankelijkverklaring. Door deze sanctie vervalt de noodzaak de termijn van artikel 816 lid 1 Rv apart te sanctioneren.

Het opnemen van een sanctie brengt wel mee dat de termijnen redelijk moeten zijn. Het geven van een tweede termijn brengt extra administratieve handelingen met zich mee. Het verdient daarom de voorkeur één termijn te geven die lang genoeg is. Gelet op de aard van de handelingen die voor betekening moeten worden verricht valt niet goed in te zien waarom de termijn langer zou moeten zijn dan vier weken. Bovendien nu het verzoekschrift onmiddellijk wordt ingeschreven (artikel 2.3) hoeft verzoeker niet te wachten tot hij een exemplaar krijgt teruggestuurd.

Steeds wanneer een sanctie wordt opgenomen hoort daar een hardheidsclausule bij. Het is niet redelijk sancties toe te passen als men zich om goede redenen niet aan de opgelegde verplichtingen kan houden.

De eis van artikel 4.2 (betekeningsexploot binnen vier weken ter griffie overleggen) geldt niet voor de akte domiciliekeuze en de openbare oproep, daar de ratio van artikel 4.2 is vaststelling van de verweertermijn en niet beoordeling van de juistheid van de betekening. M.a.w. een tijdig overgelegd exploot kan betrekking hebben op een nietige betekening. Als dat wordt vastgesteld – dat is een rechterlijke beslissing – zal verzoeker opnieuw moeten betekenen en gaat een nieuwe verweertermijn lopen. Het is dus niet nodig dat bijkomende stukken voor de geldigheid binnen vier weken worden overgelegd.

Volgens artikel 4.2 volgt niet-ontvankelijkverklaring wanneer het exploot niet tijdig is ingediend. Het kan echter gebeuren dat er wel een verweerschrift komt omdat het exploot wel is uitgebracht maar alleen niet is ingediend. Voor zo’n geval biedt het reglement geen oplossing.

Besloten is als volgt te handelen:

  • Het verweerschrift is ingekomen voordat de beschikking niet ontvankelijk is afgegeven. In dat geval de sanctie niet toepassen omdat de ratio – het niet kennen van de verweertermijn – dan niet meer opgaat.

  • Het verweerschrift is ingekomen nadat de beschikking niet ontvankelijk is afgegeven. De procedure is dan geëindigd en de zaak kan niet meer worden voortgezet. Verweerschrift terugsturen met deze mededeling. De fout ligt bij verzoeker.

De termijn van vier weken gaat in op de datum van inschrijving. Dit behoeft niet dezelfde datum te zijn als die van binnenkomst. Bij achterstanden op de administratie kunnen er aanzienlijke verschillen ontstaan. Het verdient daarom aanbeveling om bij de ontvangstbevestiging van het verzoekschrift te vermelden wanneer de termijn afloopt.

Completering van de stukken staat geheel los van de betekening. Dus, ook al zijn de stukken niet compleet, dient toch binnen vier weken het exploot van betekening te worden overgelegd (zie ook hiervoor onder artikel 2.3).

De praktijk zal zijn dat als verzoeker niet tijdig klemmende redenen opgeeft er geen mondelinge behandeling nodig zal zijn. Door er in het reglement op te wijzen, geven wij te kennen dat men recht heeft op een mondelinge behandeling maar dat een bepaalde handelwijze wordt uitgelegd als het afzien van dat recht.

Artikel 4.4

Betekening kan achterwege blijven als voldoende duidelijk blijkt dat de wederpartij van het verzoek op de hoogte is. Als voorwaarde voor het afzien van betekening worden daarom strengere eisen gesteld aan de referteverklaring. Voordelen: minder kosten, versnelling van de procedure en minder administratieve handelingen.

Aanvullende mededelingen in het verzoekschrift, die later worden gedaan, moeten worden betekend (bijv. toelichting op eenhoofdig gezag, rechtskeuze, toepasselijk recht e.d.) Immers, de wederpartij kan juist vanwege het ontbreken van die mededelingen beslissen verstek te laten gaan. Bij verstekverlening moet, als er maar enige kans op benadeling van de wederpartij is, zeer formeel worden gehandeld. Daarom dient in beginsel geen verstekbeschikking te worden gegeven op een verzoek dat in welk opzicht dan ook afwijkt van het betekende verzoek.

5 Verweerschrift/referte
Verweerschrift

Gelet op het belang zo spoedig en volledig mogelijk te worden ingelicht bij financiële zaken verdient het aanbeveling om bij indiening van het verweerschrift wanneer draagkracht en/of behoefte betwist wordt/worden reeds aanstonds de gebruikelijke stukken te laten overleggen.

Met betrekking tot de vraag hoe te handelen in een situatie dat een verweerschrift is ingekomen en de stukken, die verzoeker dient over te leggen, niet binnen de gestelde termijn zijn gecompleteerd, is besloten geen niet-ontvankelijkheid uit te spreken, maar tot completering te komen (zie ook de toelichting hiervoor bij artikel 2.3).

Zie ook de toelichting bij artikel 4.2, met name over ‘hoe te handelen indien het betekenings-exploot niet tijdig is ingediend, maar wel een verweerschrift is ingekomen’.

Ter zake ‘onredelijke vertraging’ in artikel 5.2 nog het navolgende:

Bij de bepaling van het eindpunt van de procedure moet rekening worden gehouden met de bijzondere aard van de scheidingsprocedure en het ‘rouwproces’. Ook het belang dat partijen de gelegenheid krijgen om tot overeenstemming te komen moet daarbij worden meegewogen. De suggesties die gedaan zijn bewegen zich tussen ruim drie maanden en twee jaar. Gelet op bovengenoemde bijzondere aard is drie maanden te kort en twee jaar te lang.

Op grond van het bovenstaande is in artikel 5.2 gesteld dat van onredelijke vertraging sprake is als na inschrijving van het inleidend verzoekschrift één jaar is verstreken. Een verzoek om uitstel van de verweertermijn waardoor dit jaar zal worden overschreden, zal dus worden afgewezen. Daardoor blijft het een verstekzaak en worden de verzoeken toegewezen, tenzij het verzoek wordt ingetrokken. Partijen hebben daarna zelf nog in de hand of zij de echtscheiding zullen inschrijven.

Referteverklaring (artikel 5.5)

Ook indien verweerder in het buitenland verblijft, mag de referteverklaring slechts door een (buitenlandse) advocaat worden gelegaliseerd.

De reden waarom in het reglement is voorgeschreven dat legalisatie moet gebeuren door een advocaat is dat het niet alleen gaat om legaliseren van de ondertekening maar ook om ‘autoriseren’. Dit laatste veronderstelt dat de advocaat uitlegt wat de betekenis en de consequenties van het verzoek voor verweerder zijn. Daarom moet het een advocaat zijn.

De eis dat moet worden ondertekend door een andere advocaat, betekent nog niet dat die ook van een ander kantoor moet zijn.

Indien een referteverklaring wordt overgelegd, blijft de zaak procedureel een verstekzaak, doch omdat de wederpartij zich informeel gemeld heeft, ligt het voor de hand om ook aan de advocaat van de wederpartij een afschrift van de beschikking te sturen.

7 Mondelinge behandeling
Artikel 7.3

Uitstel kan ook door iedere partij afzonderlijk worden verzocht.

11 Opneming convenant in de beschikking
Artikel 11.1

Door opneming van de onderling getroffen regeling in de beschikking wordt de tussen partijen onderling getroffen regeling voor executie vatbaar. Er is overleg geweest met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Deurwaarders over de wijze waarop de opneming van een onderling getroffen regeling in de beschikking geformuleerd wordt. Van belang is dat duidelijk blijkt welke verplichtingen er ten opzichte van wie zijn. Indien de onderling getroffen regeling duidelijk is geformuleerd, zal de wijze van opnemen in de beschikking als neergelegd in artikel 11.1 geen problemen geven.

Artikel 11.2

Met betrekking tot het gezag dient een uitdrukkelijke beslissing van de rechter genomen te worden, nu dit punt niet ter vrije beslissing van partijen staat (artikel 1:251 lid 2 BW). Daarnaast kunnen verzoekers belang hebben bij een uitdrukkelijke beslissing van de rechter over een andere nevenvoorziening, waarover zij in de onderling getroffen regeling afspraken hebben gemaakt.

Procesreglement Alimentatie en Bijstandsverhaal

1. Algemeen

  • 1.1 Als niet-digitaal wordt geprocedeerd, worden het verzoekschrift, het verweerschrift en overige processtukken en berichten als volgt ingediend:

    • door toezending per post aan de griffie van de rechtbank, afdeling familie- en jeugdzaken; www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken.

    • door afgifte aan de Centrale Balie van de rechtbank www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken;

    • door toezending via Veilig Mailen, mits het processtuk of het bericht, met eventuele bijlage(n), direct per post aan de griffie van de rechtbank wordt nagezonden of wordt afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank, onder de uitdrukkelijke vermelding dat het reeds eerder via Veilig Mailen ingediende stukken betreft. Voor toezending via Veilig Mailen gelden daarnaast de in Bijlage 5 vermelde regels. Verzendingen via Veilig Mailen die vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend. Indien een termijn op een ander tijdstip op die dag eindigt, gelden verzendingen die voor dat tijdstip zijn ontvangen als binnen de termijn ingediend.

  • 1.2 Onder Veilig Mailen wordt verstaan: de voorziening van de Rechtspraak voor het verzenden en ontvangen van beveiligde e-mail naar en door de rechtbank www.rechtspraak.nl/veilig-mailen-met-de-rechtspraak.

    Een partij die digitaal procedeert kan via Veilig Mailen geen verzoeken en mededelingen doen of processtukken indienen. Audio- en videobestanden worden wel verstuurd via Veilig Mailen.2 In ‘Mijn Rechtspraak’ moet dan een bericht worden geüpload waarmee de rechtbank hierover wordt geïnformeerd.

  • 1.3 Proceshandelingen worden weergegeven in het voor advocaten toegankelijke elektronisch familiejournaal. Een advocaat gebruikt voor het indienen van stukken en voor het berichten van de rechtbank een F-formulier (beschikbaar in het elektronisch familiejournaal).

    Van alle berichten aan de rechtbank dient tegelijkertijd een afschrift aan de wederpartij te worden gezonden. Uit het F-formulier moet blijken dat hieraan is voldaan.

  • 1.4 Van de verzending van een via Veilig Mailen verzonden processtuk of bericht is een bevestiging van de ontvangst beschikbaar, die de verzender zelf kan inzien of ophalen bij de dienst Veilig Mailen die de verzender gebruikt.

    Als tijdstip waarop de rechtbank een processtuk of een bericht via Veilig Mailen heeft ontvangen, geldt het tijdstip waarop het processtuk of het bericht een systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor de rechtbank verantwoordelijkheid draagt (ZIVVER). Dit tijdstip staat vermeld in de ontvangstbevestiging.

  • 1.5 Voor stukken niet zijnde een verzoekschrift, verweerschrift, of verweerschrift op zelfstandig verzoek, volstaat indiening bij de rechtbank van een enkel exemplaar, tenzij er sprake is van meervoudige behandeling van de zaak.

  • 1.6 Op alle berichten dient het zaaknummer en/of rekestnummer te worden vermeld.

  • 1.7 Indien niet aan het voorgaande wordt voldaan, wordt het bericht teruggezonden en wordt op de inhoud geen acht geslagen, tenzij het een verweerschrift betreft.

  • 1.8 Hetgeen hiervoor onder 1.3, 1.6 en 1.7 is gemeld, geldt niet voor brieven van minderjarigen.

  • 1.9 Mededelingen in het elektronisch familiejournaal worden als schriftelijke mededelingen in de zin van dit reglement beschouwd.

  • 1.10 De rechtbank bericht partijen per brief, per telefoon of via Veilig Mailen.

  • 1.11 De Algemene termijnenwet is van toepassing. Een termijn wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag als deze eindigt in het weekend of op een algemeen erkende feestdag.

  • 1.12 Processtukken worden uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingediend, tenzij de wet of het procesreglement voorschrijft dat de stukken eerder moeten worden ingediend.

  • 1.13 Indien meer dan één bijlage wordt overgelegd, dient daarbij een inhoudsopgave gevoegd te worden en dienen de bijlagen genummerd te worden.

    Bij het overleggen van gegevens, stukken of multimediabestanden moeten partijen aangeven ter toelichting of staving van welke stelling deze zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is. Partijen moeten bij audio- en videobestanden aangeven op welke minuut/minuten het voor de procedure relevante deel staat en van dat deel een transcriptie overleggen. Indien hieraan niet voldaan wordt, kan de rechter de overgelegde gegevens of stukken of multimediabestanden buiten beschouwing laten.

  • 1.14 Een partij die zijn verzoek verandert of vermeerdert, of de grondslag daarvan verandert of vermeerdert, vermeldt dit in de kop van het processtuk.

  • 1.15 Voorwerpen kunnen ter griffie worden gedeponeerd. Van het depot maakt de griffier een akte op, die aan het dossier wordt toegevoegd en die in kopie aan partijen wordt verstrekt.

    Indien vanwege de aard van het in depot te geven stuk of voorwerp depot ter griffie niet in aanmerking komt, kan het voorwerp op een andere plaats worden gedeponeerd. In de akte wordt die plaats vermeld.

    Indien een partij een gegevensdrager zoals een usb-stick deponeert, doet die partij gelijktijdig een kopie van deze gegevensdrager aan de andere partij(en) toekomen.

  • 1.16 Indien een partij kennis wenst te nemen van het door de rechtbank aangelegde dossier in zijn zaak, stelt de rechtbank hem hiertoe in de gelegenheid.

  • 1.17 Stukken die in een vreemde taal zijn gesteld, moeten zijn voorzien van een beëdigde vertaling in de Nederlandse taal. Indien het stukken betreft in de Engelse, Duitse of Franse taal behoeft in beginsel geen vertaling te worden overgelegd, tenzij de rechter er om vraagt als hij dat nodig of wenselijk acht voor de behandeling van de zaak, mede gelet op de belangen van de wederpartij.

  • 1.18 Waar in dit reglement gesproken wordt over het overleggen van een BRP-uittreksel, kan ook worden volstaan met overlegging van de burgerservicenummers (BSN) of kopieën van legitimatiebewijzen van partijen waarop het BSN staat vermeld.

    Deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd.

    Als op een ander processtuk een BSN staat vermeld en de partij die het betreffende stuk heeft ingediend niet wenst dat het BSN wordt gedeeld, dan is het de verantwoordelijkheid van die partij om het BSN onleesbaar te maken.

2. Indiening verzoekschrift

(zie ook artikelen 4, 278 en 799 Rv en 62h Participatiewet)

  • 2.1 Iedere werkdag kan een verzoekschrift met bijlagen in tweevoud ter griffie worden ingediend.

    Indien sprake is van meer (dan één) belanghebbenden, dienen voor deze belanghebbenden extra verzoekschriften met bijlagen te worden bijgevoegd.

  • 2.2 In Alimentatiezaken geldt:

    Bij de indiening van het verzoekschrift moeten de volgende stukken worden overgelegd:

    • BRP-uittreksel(s) van verzoeker en belanghebbende(n) – gedateerd en niet ouder dan drie maanden – (zie ook artikel 1.18);

    • de scheidingsbeschikking en het bewijs van inschrijving;

    • de beschikking/het scheidingsconvenant waarvan wijziging wordt verzocht;

    • een afschrift of uittreksel van de geboorteakte(s) van de betreffende minderjarige(n) – gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden –, alsmede een uittreksel uit het gezagsregister.

    In zaken waarin minderjarigen zijn betrokken wordt van de ouders en de minderjarige(n) het BSN of kopieën van hun legitimatiebewijzen waarop het BSN staat vermeld overgelegd. Deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd.

    Indien sprake is van meer (dan één) belanghebbenden, dienen voor deze belanghebbenden extra verzoekschriften met bijlagen te worden bijgevoegd.

  • 2.3 In Bijstandsverhaalzaken geldt:

    Bij de indiening van het verzoekschrift moeten de volgende stukken worden overgelegd:

    • BRP-uittreksel(s) van verzoeker en belanghebbende(n) – gedateerd en niet ouder dan drie maanden – (zie ook artikel 1.18);

    • de aanzegbrief;

    • het verhaalsbesluit;

    • indien het verhaalsbedrag in afwijking van een rechterlijke uitspraak wordt verzocht, deze rechterlijke uitspraak;

    • indien de verleende bijstand geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het onderhoud van minderjarigen, een afschrift of uittreksel van de geboorteakte(s) – gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden –.

  • 2.4 Indien digitaal wordt geprocedeerd wordt de geboorteakte digitaal ingediend op de wijze zoals vermeld in Hoofdstuk 8. Van deze akte moet een scan (in kleur) van het originele gedateerde en gewaarmerkte afschrift of uittreksel als Pdf-bestand worden ingediend. De rechtbank kan daarnaast bevelen dat het origineel van deze akte wordt nagezonden.

  • 2.5 Zodra het verzoekschrift is ontvangen, wordt het ingeschreven. Tevens wordt een ontvangstbevestiging met vermelding van het zaaknummer aan de advocaat van verzoeker gestuurd.

    Wanneer bij indiening van het verzoekschrift niet alle ingevolge artikel 2.2 en 2.3 over te leggen stukken ter griffie zijn binnengekomen, wordt dit bij voormelde ontvangstbevestiging tevens aangegeven. De ontbrekende stukken moeten zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vóór afloop van de verweertermijn in één keer worden overgelegd.

    Wanneer na afloop van de (oorspronkelijke) verweertermijn wordt geconstateerd dat verzoeker aan de verplichting van artikel 2.2 en 2.3 niet volledig heeft voldaan zonder dat daarvoor vóór afloop van de verweertermijn schriftelijk klemmende redenen zijn aangevoerd, kan verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek.

    Indien niet tijdig schriftelijk klemmende redenen zijn aangevoerd, wordt er van uitgegaan dat verzoeker geen prijs stelt op een mondelinge behandeling.

    Niet-ontvankelijkverklaring zonder mondelinge behandeling blijft in beginsel achterwege, indien vóór het verstrijken van de hierboven vermelde termijnen een verweerschrift is ingediend.

  • 2.6 Indien er, analoog aan artikel 223 Rv, een voorlopige voorziening verzocht wordt, dient dit bij voorkeur bij afzonderlijk verzoekschrift te gebeuren. Indien sprake is van een of meer belanghebbenden, dienen evenzovele extra verzoekschriften te worden ingediend. Op het verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening moet – indien bekend – het zaaknummer van de bodemprocedure worden vermeld.

  • 2.7 Indien verzoeker griffierecht is verschuldigd, dient dit binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank waar de behandeling plaatsvindt of ter griffie te zijn gestort.

    Heeft verzoeker het verschuldigde griffierecht niet tijdig voldaan, dan verklaart de rechter verzoeker in beginsel niet-ontvankelijk in het verzoek.

  • 2.8 Wanneer in een verzoekschrift het verzoek wordt gecombineerd met een verzoek inzake gezag of omgang, wordt slechts éénmaal griffierecht berekend.

  • 2.9 Een afschrift van het verzoekschrift wordt aan belanghebbende(n) gestuurd. Daarbij wordt de termijn vermeld waarbinnen deze een verweerschrift kan/kunnen indienen. Deze termijnen zijn:

    • binnen Nederland:

      • bekende woon- of verblijfplaats: vier weken;

      • onbekende woon- of verblijfplaats: drie maanden, te rekenen vanaf het moment dat de gerechtelijke aankondiging is geplaatst in de Staatscourant;

    • buiten Nederland: zowel bij een bekende als onbekende woon- of verblijfplaats: drie maanden.

    Het afschrift van het verzoekschrift wordt door de griffie aangetekend aan belanghebbende(n) met een bekende woon- of verblijfplaats in Nederland gestuurd, tenzij zich voor belanghebbende(n) een advocaat heeft gesteld, in welk geval het afschrift van het verzoekschrift uitsluitend per gewone post aan de advocaat wordt gestuurd.

    Het afschrift van het verzoek wordt door de griffie bij een belanghebbende met een bekende woon- en of verblijfplaats in het buitenland verzonden conform de EG Betekeningsverordening, het Haags Betekeningsverdrag 1965, dan wel het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954.

    Indien de belanghebbende een onbekende woon- en of verblijfplaats binnen en of buiten Nederland heeft dan wordt een korte omschrijving van het verzoek geplaatst in de Staatscourant.

3. Verweerschrift/referte

(zie ook artikelen 282 en 801 Rv en 62h Participatiewet)

  • 3.1 Indiening verweerschrift

    Op ieder moment tot aan de afloop van de verweertermijn kan een verweerschrift worden ingediend. De einddatum van de verweertermijn wordt vermeld in het elektronisch familiejournaal.

    Het verweerschrift met eventuele bijlagen wordt in tweevoud ingediend.

    In Alimentatiezaken geldt dat wanneer de draagkracht en/of de behoefte betwist wordt/worden, bij het verweerschrift de stukken genoemd in bijlage 1 van dit procesreglement moeten worden overgelegd.

    In Bijstandsverhaalzaken geldt dat wanneer de draagkracht wordt betwist, bij het verweerschrift de stukken genoemd in bijlage 2 van dit procesreglement moeten worden overgelegd.

  • 3.2 Verzoek tot uitstel indiening verweerschrift

    Een verzoek tot uitstel indiening verweerschrift dient binnen de verweertermijn schriftelijk te worden ingediend.|

    De advocaat van verzoeker en in Bijstandsverhaalzaken ook de gemeente, kunnen uiterlijk binnen één week na datering van het uitstelverzoek schriftelijk reageren.

    Op het uitstelverzoek wordt als volgt beslist:

    • het eerste verzoek wordt altijd toegestaan voor een termijn van maximaal vier weken;

    • ten aanzien van de volgende verzoeken geldt:

      • zij moeten met redenen zijn omkleed;

      • de advocaat van een belanghebbende die uitstel verzoekt deelt daarbij mede of verzoeker instemt;

      • wanneer verzoeker schriftelijk bezwaar maakt tegen de verlening, zal het verzoek worden afgewezen, tenzij sprake is van klemmende redenen. Bij toewijzing zal een termijn van maximaal vier weken worden gegeven;

      • wanneer verzoeker schriftelijk instemt met de verlening, wordt het verzoek toegewezen, ook als de gevraagde termijn langer is dan vier weken, tenzij daardoor de procedure onredelijk wordt vertraagd. Van onredelijke vertraging is in het algemeen sprake als sinds de inschrijving van het inleidend verzoekschrift één jaar is verstreken. Voor zover het gevraagde uitstel deze termijn van één jaar overschrijdt, wordt het afgewezen. Als voor afloop van deze termijn geen verweerschrift is ingediend, wordt de zaak als verstekzaak afgedaan.

      De beslissing op een uitstelverzoek als hiervoor bedoeld, wordt vermeld in het elektronisch familiejournaal. De gemeente, voor zover niet vertegenwoordigd door een advocaat, wordt van deze beslissing schriftelijk op de hoogte gesteld.

  • 3.3 Indien een niet door een advocaat vertegenwoordigde belanghebbende laat weten verweer te willen voeren, zal, onder terugzending van door de belanghebbende ingezonden stukken, worden geantwoord:

    • dat een verweerschrift alléén door tussenkomst van een advocaat kan worden ingediend en

    • dat, indien geen verweerschrift wordt ingediend, mondelinge behandeling achterwege blijft, tenzij de rechter anders bepaalt.

  • 3.4 Sanctie bij te laat ingediend verweerschrift

    Te laat ingediende verweerschriften zullen worden geweigerd tenzij:

    • verweerder een schriftelijke verklaring van verzoeker overlegt, waaruit blijkt dat deze geen bezwaar heeft of

    • verweerder schriftelijk klemmende redenen aanvoert, die de te late indiening rechtvaardigen.

  • 3.5 Referteverklaring

    Tot aan de afloop van de verweertermijn kan een referteverklaring worden overgelegd.

    De referteverklaring is een schriftelijke door een belanghebbende ondertekende verklaring, opgesteld conform bijlage 3 bij dit reglement en geautoriseerd door een advocaat, waaruit genoegzaam blijkt dat de belanghebbende kennis heeft genomen van het verzoekschrift, dat geen verweer zal worden gevoerd en dus ook wordt afgezien van een mondelinge behandeling.

    Indien de referteverklaring wordt ingediend door de advocaat van de belanghebbende zelf is deze vormvrij en behoeft geen gebruik te worden gemaakt van de bijlage. Wel dient verklaard te worden dat de belanghebbende heeft kennis genomen van de inhoud van het verzoekschrift, dat geen verweer gevoerd zal worden en dat afgezien wordt van een mondelinge behandeling. De verklaring dient door de belanghebbende en de advocaat te zijn ondertekend.

    Een referteverklaring heeft tot gevolg dat vanaf het moment van ontvangst daarvan de verweertermijn niet verder afgewacht behoeft te worden, alvorens te kunnen beslissen op het ingediende verzoek, zodat – indien de stukken overigens compleet worden bevonden – aanstonds een datum voor beschikking zal worden bepaald, zonder dat behandeling hoeft plaats te vinden, met uitzondering van een eventueel kindgesprek.

    Voor de indiening van een referteverklaring is geen griffierecht verschuldigd.

  • 3.6 Indien verweerder griffierecht is verschuldigd, dient dit binnen vier weken na indiening van het verweerschrift te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank waar de behandeling plaatsvindt of ter griffie te zijn gestort.

4 Verweerschrift op zelfstandig verzoek in Alimentatiezaken

(zie ook artikel 282 lid 4 Rv)

De hiervoor onder hoofdstuk 3 opgenomen bepalingen betreffende het verweerschrift gelden ook voor het verweerschrift op zelfstandig verzoek.

Het verweerschrift mag uitsluitend betrekking hebben op het (de) zelfstandig(e) verzoek(en).

5. Mondelinge behandeling

(zie ook artikelen 20, 22, 22b, 27, 279, 801 en 803 Rv)

  • 5.1 In Bijstandsverhaalzaken geldt:

    Nadat een verweerschrift is ingediend waarbij verweerder zijn financiële gegevens heeft overgelegd, kan worden bepaald dat partijen gedurende zes weken de gelegenheid krijgen om op basis van die gegevens tot overeenstemming te komen.

  • 5.2 Als, naar het oordeel van de rechter, de zaak op de stukken kan worden afgedaan zonder dat er een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, worden partijen – op een daartoe door hen gedaan verzoek – alsnog in de gelegenheid gesteld hun standpunt mondeling uiteen te zetten.

    Wanneer zowel verzoeker als verweerder schriftelijk aan de rechter hebben laten weten af te zien van een mondelinge behandeling, blijft deze achterwege, tenzij de rechter termen aanwezig acht toch een mondelinge behandeling te gelasten.

  • 5.3 Dagbepaling

    Zodra de procedure zover is gevorderd dat in een zaak een mondelinge behandeling dient te worden bepaald, wordt een datum daarvoor vastgesteld. Bij het bepalen van dag en tijdstip van de mondelinge behandeling wordt uitgegaan van een oproepingstermijn van zes tot acht weken. De oproeping voor de mondelinge behandeling geschiedt per brief. Deze brief dient – voor zover nodig – als bevel bedoeld in artikel 22 Rv.

  • 5.4 Verzoeken om uitstel van de mondelinge behandeling

    Als dag en tijdstip van de mondelinge behandeling zijn vastgesteld zonder vooraf aan partijen verhinderdata op te vragen en partijen vragen binnen één week na verzending van de oproep schriftelijk uitstel van die mondelinge behandeling, zal dat uitstel, behalve bij verzoeken op grond van artikel 1:253a BW, altijd worden verleend.

    Wordt het verzoek om uitstel ingediend:

    • na afloop van bovengenoemde termijn van één week of

    • als de mondelinge behandeling met inachtneming van verhinderdata van partijen is gepland of

    • bij een verzoek op grond van artikel 1:253a BW

    dan kan uitstel worden verleend als door partijen klemmende redenen zijn aangevoerd en hiervan naar het oordeel van de rechtbank sprake is. Lopende schikkingsonderhandelingen zijn in beginsel geen klemmende redenen voor uitstel.

    De partij die uitstel vraagt, dient aan te geven of de wederpartij instemt met het uitstelverzoek en de verhinderdata van beide partijen op te geven voor de eerstkomende drie maanden dan wel een andere door de rechtbank te bepalen periode.

    De beslissing op het uitstelverzoek wordt vermeld in het elektronisch familiejournaal.

    De als partij of adviserende instantie betrokken Raad voor de Kinderbescherming en andere belanghebbenden, die niet door een advocaat worden vertegenwoordigd, worden van deze beslissing schriftelijk op de hoogte gesteld.

    Bij brief worden een nieuwe dag en tijdstip van de mondelinge behandeling meegedeeld.

  • 5.5 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling wordt, voor zover mogelijk, het doel van de mondelinge behandeling aan partijen medegedeeld en kunnen nadere aanwijzingen of bevelen worden gegeven over:

    • de vraagpunten of onderwerpen die de rechter tijdens de mondelinge behandeling wil bespreken;

    • door partijen of belanghebbenden nader in te dienen stukken, waaronder eventuele vertalingen van stukken;

    • de beslissing van de rechter op een eventueel verzoek van (een van) partijen om tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen mee te nemen en te doen horen;

    • door partijen mee te brengen getuigen of partijdeskundigen.

    Indien een partij die op bevel van de rechter een toelichting van zijn stellingen dient te geven of op de zaak betrekking hebbende stukken dient in te dienen, dit met een beroep op gewichtige redenen weigert, dan wel wenst dat uitsluitend de rechter kennis zal mogen nemen van die toelichting of van die in te dienen stukken, vermeldt deze partij dit in een gemotiveerd bericht aan de rechtbank.

    Deze partij zendt de te geven toelichting dan wel de in te dienen stukken op papier naar een door de rechtbank op te geven adres, onder vermelding van het zaaknummer en de mededeling dat het gaat om stukken als bedoeld in de artikelen 22 Rv.

    Een wederpartij kan binnen één week na de dag van de verzending van het in de eerste zin van dit artikel genoemde bericht, op het beroep op weigering dan wel op beperkte kennisneming bij bericht reageren.

    Een andere rechter dan de zaaksrechter beslist zo spoedig mogelijk, maar wel op een regiedag, op het beroep op weigering dan wel beperkte kennisneming van de te geven toelichting dan wel de in te dienen stukken.

  • 5.6 Duur mondelinge behandeling

    Indien een partij voorziet dat de voor de mondelinge behandeling gereserveerde tijd onvoldoende is voor een behoorlijke behandeling van de zaak, kan deze partij zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen één week na verzending van de oproep, de rechter gemotiveerd verzoeken hiervoor meer tijd te reserveren onder opgave van de verhinderdata van alle partijen. Indien deze opgave ontbreekt, wordt aan partijen medegedeeld dat de eerdere dagbepaling van kracht blijft en dat de oorspronkelijk voor de mondelinge behandeling gereserveerde tijd blijft gehandhaafd.

  • 5.7 Een gedetineerde partij deelt de rechter tijdig schriftelijk mee of hij nog zal zijn gedetineerd op de dag en tijdstip van de mondelinge behandeling.

    Indien een gedetineerde partij de mondelinge behandeling in persoon wil bijwonen, verzoekt hij zo spoedig mogelijk schriftelijk de rechter zijn aanwezigheid te bevorderen. Zijn verzoek bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • zijn voor- en achternamen (voluit);

    • zijn geboortedatum- en plaats;

    • zijn huidige verblijfplaats.

  • 5.8 Een partij die de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, draagt zorg voor een tolk. De kosten van de tolk komen voor eigen rekening van de partij.

    De rechtbank kan eisen stellen aan de kwalificaties en/of competenties van de tolk.

  • 5.9 Proceshandelingen en stukken

    In Bijstandsverhaalzaken geldt:

    Een partij die tijdens de mondelinge behandeling nog een proceshandeling wenst te verrichten of stukken in het geding wenst te brengen, zorgt ervoor dat de rechtbank en iedere belanghebbende uiterlijk tien dagen voor de dag van de mondelinge behandeling een afschrift van het te nemen processtuk of de in het geding te brengen stukken hebben ontvangen.

  • 5.10 Indien een partij de aanwezigheid van parketpolitie ter mondelinge behandeling wenselijk acht, verzoekt deze partij dit zo spoedig mogelijk en gemotiveerd bij de griffie van de rechtbank.

    Bijzonderheden van praktische aard met betrekking tot de mondelinge behandeling, zoals de grootte van de zittingsruimte of de noodzaak van beschikbaarheid van bijzondere apparatuur, worden zo spoedig mogelijk bij gemotiveerd bericht aan de rechtbank medegedeeld.

  • 5.11 Verzoeken om meegebrachte getuigen en deskundigen te horen

    Een gemotiveerd verzoek tot het doen horen van getuigen of partijdeskundigen, wordt schriftelijk ingediend. Het verzoek wordt zo spoedig mogelijk ingediend, maar uiterlijk binnen één week na verzending van de oproep, onder opgave van de gegevens van de te horen getuigen of partijdeskundige, onder verzending van een kopie aan belanghebbende(n).

    Op het verzoek kan door belanghebbende(n) tot één week na de ontvangst schriftelijk worden gereageerd. De rechter beslist zo spoedig mogelijk na ontvangst van de reactie van belanghebbende(n) of het ongebruikt verstrijken van de hierboven genoemde termijn van één week.

  • 5.12 Andere zittingen dan mondelinge behandeling

    De artikelen uit dit hoofdstuk (uitgezonderd artikel 5.5) zijn van overeenkomstige toepassing op andere zittingen dan de mondelinge behandeling, waaronder begrepen het (voorlopige) getuigenverhoor, het horen van een (partij)deskundige ter zitting, de (voorlopige) gerechtelijke plaatsopneming of bezichtiging.

  • 5.13 Inlichtingen/informatie verschaffen tijdens of na afloop van de mondelinge behandeling

    Indien tijdens de mondelinge behandeling wordt geconstateerd, dat nog nadere informatie nodig is, kan de rechter:

    • ofwel een nieuwe dag bepalen voor voortzetting van de mondelinge behandeling met daarbij een termijn waarbinnen de informatie moet worden verschaft en zo nodig een termijn voor de wederpartij om op de verschafte informatie te reageren;

    • ofwel een termijn bepalen waarbinnen de informatie moet worden verschaft en zo nodig een termijn voor de wederpartij om op de verschafte informatie te reageren.

    Deze termijnen zijn fataal in die zin, dat de rechter geen acht zal slaan op informatie of reacties die na afloop van de gestelde termijnen zijn binnengekomen. De te laat ingekomen informatie wordt teruggezonden.

6. Kindgesprek in Alimentatiezaken

(zie ook artikel 809 Rv)

  • 6.1 In alimentatiezaken waarin minderjarigen van zestien jaar en ouder zijn betrokken, worden deze door de rechtbank in de gelegenheid gesteld hun mening in beginsel schriftelijk kenbaar te maken.

    Dit wordt ook gedaan:

    • indien partijen het eens zijn over de alimentatie,

    • indien reeds een schriftelijke verklaring van de betreffende minderjarigen is overgelegd.

  • 6.2 De rechter kan besluiten om minderjarigen jonger dan zestien jaar in de gelegenheid te stellen hun mening in beginsel schriftelijk kenbaar te maken.

  • 6.3 Tijdens de mondelinge behandeling geeft de rechter kort en zakelijk weer wat de minderjarigen hebben verklaard.

  • 6.4 Aan de belanghebbenden wordt geen kopie verstrekt van de brieven van de minderjarigen.

7. Uitspraak

(zie ook artikelen 29, 30, 29a, 286 tot en met 289 Rv)

Termijn voor uitspraak is:

  • a. bij verstekken en refertes:

    drie weken na het moment dat is geconstateerd dat de zaak gereed is voor beschikking;

  • b. bij zaken waarin verweer is gevoerd en waarbij is afgezien van een mondelinge behandeling:

    vier weken na het moment dat is geconstateerd dat de zaak gereed is voor beschikking;

  • c. bij zaken waarin verweer is gevoerd en waarbij een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden waar geen mondelinge uitspraak is gedaan: vier weken na de datum van de mondelinge behandeling of – indien toen nog een termijn voor overlegging van nadere informatie en een reactie daarop werd gegund – vier weken na afloop van de laatstgenoemde termijn.

Zodra zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan te verwachten is dat de onder c. genoemde termijn niet wordt gehaald, zal tijdens de mondelinge behandeling een langere termijn worden bepaald.

Indien de hiervoor vermelde uitspraaktermijnen niet gehaald worden, wordt dit vermeld in het elektronisch familiejournaal, met vermelding van een nieuwe uitspraakdatum.

De gemeente, voor zover niet vertegenwoordigd door een advocaat, wordt van deze beslissing schriftelijk op de hoogte gesteld.

De hiervoor genoemde termijnen zijn bedoeld als maximumtermijnen.

8. Digitaal procederen

(zie ook artikel 33 Rv)

  • 8.1 Toepasselijkheid overige bepalingen

    De bepalingen van de overige hoofdstukken van dit procesreglement zijn ook van toepassing indien digitaal wordt geprocedeerd, behoudens indien en voor zover hierna daarvan wordt afgeweken.

    Daarnaast gelden de regels die zijn opgenomen in:

  • 8.2 Begripsbepalingen

    In dit hoofdstuk worden de begrippen uit de wet gebruikt.

    Ter verduidelijking hiervan of in aanvulling hierop is de betekenis van onderstaande begrippen in dit hoofdstuk (in alfabetische volgorde) de volgende:

    • a. Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid: het koppelvlak bestemd voor digitaal verkeer tussen systemen van partijen dan wel hun advocaten of gemachtigden en de rechtbank;

    • b. belanghebbende: degene tegen wie een verzoek in eerste aanleg is gericht of wiens rechten en verplichtingen rechtstreeks bij een verzoek zijn betrokken of die anderszins als belanghebbende moet worden aangemerkt;

    • c. bericht: een mededeling, niet zijnde een processtuk, tussen de rechtbank en een of meer partijen via de daartoe aangewezen digitale weg;

    • d. digitaal dossier: alle in een zaak ingediende processtukken, berichten en de beslissingen van de rechtbank daarop;

    • e. indienen: het digitaal aanleveren van processtukken of bewijsstukken, onder bijvoeging van het daartoe bestemde F-formulier;

    • f. processtuk: ieder stuk van een partij waarin het standpunt van die partij naar voren wordt gebracht;

    • g. verzoeker: de partij die een verzoek indient;

    • h. webportaal ‘Mijn Rechtspraak’: de beveiligde digitale omgeving waarin belanghebbenden, advocaten en andere (professionele) gemachtigden toegang hebben tot het digitale systeem van de rechtbank en het digitale dossier.

    i.

  • 8.3 Mogelijkheid van digitaal procederen

    Digitaal procederen bij de rechtbank is alleen mogelijk, indien en voor zover de wet bepaalt of uit de wet volgt dat partijen in (een) bepaalde categorie(ën) van zaken, hetzij de mogelijkheid hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (vrijwillig digitaal procederen), hetzij de verplichting hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (verplicht digitaal procederen). De categorieën van zaken waarin (vrijwillig of verplicht) digitaal procederen mogelijk is, staan vermeld in de bij dit procesreglement behorende Bijlage 4.

  • 8.4 Toegang tot het webportaal

    Een belanghebbende heeft toegang tot het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ als hij beschikt over een inlogmiddel, zoals omschreven in het Reglement inzake de toegang tot en het gebruik van systeem DT Rechtspraak.

    Een belanghebbende heeft in het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ toegang tot het digitaal dossier in de aanhangige zaken waarin hij partij is. Een partij die niet zelf digitaal procedeert, kan de rechtbank verzoeken hem mee te delen op welke wijze hij toegang kan krijgen tot het digitaal dossier.

  • 8.5 Gevolgen van digitaal procederen

    De partij die digitaal procedeert, gaat ermee akkoord dat:

    • zij geen papieren afdrukken of kopieën van processtukken of berichten ontvangt;

    • de verzending van daarvoor in aanmerking komende processtukken of berichten niet aangetekend geschiedt.

  • 8.6 Wissel van niet-digitaal naar digitaal procederen en omgekeerd

    Een partij die vrijwillig digitaal procedeert en voortaan niet meer digitaal wil procederen, of omgekeerd, verzoekt dit de rechtbank bij bericht. Een wissel wordt in een procedure in beginsel maar één keer toegelaten.

    De wissel is effectief vanaf de datum die in de bevestiging van de rechtbank wordt genoemd. De wissel wordt aan de verzoeker en aan alle belanghebbenden bevestigd.

    Een partij die wisselt naar digitaal procederen, krijgt ook digitaal toegang tot eerder gewisselde processtukken en berichten die in het digitaal dossier zijn opgeslagen.

  • 8.7 Wijze van indiening van processtukken en stukken

    Voor het indienen van processtukken en stukken gelden de volgende voorschriften:

    • een partij voorziet ieder processtuk of bewijsstuk dat zij indient van een benaming bestaande uit een verkorte partijnaam, een (doorlopend) volgnummer en een verkorte aanduiding van de inhoud ervan. Een door een partij gekozen partijnaam wordt door die partij en alle andere partijen consequent gehanteerd.

    • de in te dienen stukken worden als afzonderlijke digitale bestanden geüpload, waarbij de stukken op zodanige wijze worden aangeleverd dat deze in de juiste volgorde kunnen worden geraadpleegd.

  • 8.8 Indiening van berichten en processtukken/ontvangstbevestiging bij digitaal procederen

    De indiening van het verzoekschrift, verweerschrift en overige processtukken en berichten vindt plaats door toezending aan de griffie van de rechtbank via het Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid of via het webportaal.

    De ontvangst van processtukken en berichten wordt automatisch bevestigd.

  • 8.9 Kennisgeving bij digitaal procederen/berichten van de rechtbank aan partijen

    Indien de rechtbank een processtuk, een uitspraak of een bericht in het digitale systeem heeft geplaatst, ontvangt iedere partij die digitaal moet procederen of die heeft laten weten digitaal te procederen en daarbij een e-mailadres heeft opgegeven, daarvan een kennisgeving (notificatie). Het tijdstip waarop deze kennisgeving wordt verstuurd, geldt als het tijdstip waarop het desbetreffende processtuk of bericht aan die partij bekend is gemaakt. Voor dit doel wordt bij de eerste keer dat een partij in een zaak inlogt in het webportaal, een e-mailadres gevraagd. Deze partij is te allen tijde verantwoordelijk voor de werking, de toegankelijkheid, de beschikbaarheid en de raadpleging van dit adres. Indien die partij geen e-mailadres verstrekt, geldt dit als een mededeling dat hij geen kennisgevingen wenst te ontvangen. Dit is voor rekening en risico van die partij.

    De rechtbank bericht partijen door plaatsing van een bericht in het door partijen te raadplegen digitaal dossier in hun zaak.

  • 8.10 Aantal in te dienen exemplaren

    Het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken, het verweerschrift en de bijgevoegde stukken, en de eventueel tijdens de mondelinge behandeling in te dienen processtukken of de in het geding te brengen bewijsstukken worden in enkelvoud ingediend, met een kopie aan iedere belanghebbende indien en zolang deze op papier procedeert.

  • 8.11 Meer dan één verzoeker en/of meer dan één belanghebbende

    Indien wordt geprocedeerd door meer dan één verzoeker of wordt geprocedeerd tegen meer dan één belanghebbende, maakt elk van partijen duidelijk door welke partij(en) het verzoek is ingediend en wie belanghebbende(n) is/zijn.

    Een belanghebbende die digitaal procedeert en niet wenst dat een andere belanghebbende in dezelfde procedure voortaan nog kennis kan nemen van door hem in te dienen processtukken of berichten, verzoekt de rechtbank op duidelijk kenbare wijze om afsplitsing van zijn zaak alvorens zijn volgende processtuk of bericht aan het dossier toe te voegen.

    Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op de verzoeker die niet wenst dat andere verzoekers in dezelfde procedure voortaan nog kennis kunnen nemen van door hem in te dienen processtukken of berichten.

  • 8.12 Uitsluiting van digitaal procederen

    De rechtbank kan een partij of de gemachtigde van die partij tijdelijk of blijvend uitsluiten van het gebruik van het digitale systeem, indien hij aantoonbaar een gevaar vormt voor de integriteit van het digitale systeem of indien hij het digitale systeem verstoort. De uitsluiting wordt medegedeeld bij bericht en heeft alleen betrekking op de procedure waarin de rechtbank deze beslissing heeft genomen.

    Na de uitsluiting van het gebruik van het digitale systeem, wordt de procedure voortgezet volgens de regels die gelden voor niet-digitaal procederen.

  • 8.13 Verstrekking afschrift uitspraak

    De uitspraak kan ook digitaal ter beschikking worden gesteld.

    Van de uitspraak wordt aan de partij die daarbij belang heeft een voor tenuitvoerlegging bestemd afschrift (grosse) verstrekt. Deze grosse wordt altijd op papier verstrekt.

Bijlage 1: Controlelijst alimentatieverzoekschriften

Bij controle bleek het verzoekschrift niet te zijn voorzien van de hieronder aangekruiste informatie c.q. stukken:

  • 1. verzoekschrift in ..........voud

  • 2. naam, voornamen van verzoek(st)er

  • 3. BRP-uittreksel(s) van verzoeker en belanghebbende(n) (zie ook artikel 1.18),

  • 4. naam en adres van advocaat verzoek(st)er

  • 5. naam, voornamen van belanghebbende(n)

  • 6. naam, voornamen en geboortedatum van iedere minderjarige waarop het verzoek betrekking heeft

  • 7. woonplaats/werkelijke verblijfplaats van iedere minderjarige waarop het verzoek betrekking heeft

  • 8. scheidingsbeschikking en het bewijs van inschrijving

  • 9. (eventueel) beschikking/scheidingsconvenant waarvan wijziging wordt gevraagd

  • 10. een afschrift of uittreksel van de geboorteakte(s) van de betreffende minderjarige(n)

  • 11. een uittreksel uit het gezagsregister van iedere minderjarige waarop het verzoek betrekking heeft

  • 12. overige ..........

U wordt verzocht de aangekruiste stukken alsnog zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vóór

..........

in één keer aan te vullen. Het vorenstaande laat onverlet de eigen verantwoordelijkheid van verzoek(st)er om zijn/haar stellingen te onderbouwen.

Wanneer na afloop van de gegeven termijnen wordt geconstateerd dat de gevraagde stukken niet zijn ontvangen zonder dat daarvoor vóór afloop van genoemde termijnen schriftelijk klemmende redenen zijn aangevoerd, kan verzoek(st)er niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek.

Indien niet tijdig schriftelijk klemmende redenen zijn aangevoerd, wordt er van uitgegaan dat verzoeker geen prijs stelt op een mondelinge behandeling.

Datum .......... De griffier ..........

Bijlage 2: Controlelijst bijstandsverhaalverzoekschriften

Bij controle bleek het verzoekschrift niet te zijn voorzien van de hieronder aangekruiste informatie c.q. stukken:

  • 1. het verzoekschrift in .......... voud

  • 2. BRP-uittreksel(s) van belanghebbende(n) (zie ook artikel 1.17)

  • 3. naam, voornamen van belanghebbende(n)

  • 4. de aanzegbrief

  • 5. het verhaalsbesluit

  • 6. de uitspraak waarvan wijziging wordt gevraagd

  • 7. een afschrift of uittreksel van de geboorteakte(s) van iedere minderjarige

  • 8. overige: ..........

U wordt verzocht de aangekruiste stukken alsnog zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk .......... in één keer aan te vullen. Het vorenstaande laat onverlet de eigen verantwoordelijkheid van verzoekster om haar stellingen te onderbouwen.

Wanneer na afloop van de gegeven termijnen wordt geconstateerd dat de gevraagde stukken niet zijn ontvangen zonder dat daarvoor vóór afloop van genoemde termijnen schriftelijk klemmende redenen zijn aangevoerd, kan de gemeente niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek.

Indien niet tijdig schriftelijk klemmende redenen zijn aangevoerd, wordt er van uitgegaan dat de gemeente geen prijs stelt op een mondelinge behandeling.

Datum .......... De griffier ..........

Bijlage 3: Referteverklaring

Ondergetekende,

.......... (naam voluit),

.......... (woonplaats),

verklaart kennis te hebben genomen van het verzoek van

.......... (naam voluit),

in welk verzoekschrift wordt verzocht:

.......... (tekst petitum).

Ondergetekende verzet zich niet tegen het gevraagde.

Ondergetekende weet dat hij/zij het recht heeft gedurende (tenminste) vier weken na ontvangst van het verzoekschrift zich te bezinnen op de vraag of hij/zij verweer zal voeren.

Ondergetekende zal echter geen verweer voeren en heeft er geen bezwaar tegen dat de rechtbank reeds voor afloop van voormelde verweertermijn zonder mondelinge behandeling beslist op het genoemde verzoekschrift.

Ondergetekende machtigt mr. .......... om deze verklaring over te leggen aan de rechtbank.

.......... (plaats)

.......... (datum)

.......... (handtekening)

Mr .......... verklaart hierbij het hiervoor genoemde verzoek besproken te hebben met de ondertekenaar van deze referteverklaring voordat deze gemelde verklaring heeft ondertekend, terwijl ondergetekende aan de hand van een geldig legitimatiebewijs heeft geconstateerd dat bovenstaande handtekening afkomstig is van degene die de betreffende verklaring aflegt.

.......... (handtekening advocaat)

Bijlage 4: Aanvullende bepalingen digitaal procederen (artikel 1.2, 2.2 en hoofdstuk 8)

Bij de volgende rechtbanken is vrijwillig digitaal procederen mogelijk door de advocatuur vanaf de hierna te noemen datum:

  • rechtbank Gelderland, vanaf 6 mei 2024

  • rechtbank Midden-Nederland, vanaf 18 november 2024

  • rechtbank Noord-Nederland, vanaf 18 november 2024

  • rechtbank Oost-Brabant, vanaf 18 november 2024

  • rechtbank Rotterdam, vanaf 18 november 2024

  • rechtbank Amsterdam, vanaf 17 maart 2025

  • rechtbank Den Haag, vanaf 17 maart 2025

  • rechtbank Limburg, vanaf 17 maart 2025

  • rechtbank Noord-Holland, vanaf 17 maart 2025

  • rechtbank Overijssel, vanaf 17 maart 2025

  • rechtbank Zeeland-West-Brabant, vanaf 17 maart 2025

Bijlage 5: Regels voor het gebruik van Veilig Mailen (artikelen 1.1, 1.2 en 1.10)

Voor communicatie via Veilig Mailen gelden, in aanvulling op de overige regels in dit procesreglement, de volgende regels.

  • 5.1 Gebruik Veilig Mailen

    Voor communicatie via Veilig Mailen maakt de verzender gebruik van het e-mailadres dat per griffie van de rechtbank en per zaaksoort staat vermeld op www.rechtspraak.nl. Daar staat ook vermeld op welke wijze een partij kan verzoeken om toegang tot Veilig Mailen.

  • 5.2 Een e-mail betreft één zaak/karakter e-mail

    Een via Veilig Mailen verzonden e-mailbericht heeft uitsluitend betrekking op één zaak.

    Een e-mailbericht heeft het karakter van een envelop. De inhoud wordt opgenomen in de bijlage(n) bij het e-mailbericht.

    Als een bijlage informatie bevat die ingevolge een wettelijke regeling geheim moet blijven of waarvan ingevolge een wettelijke regeling slechts beperkt mag worden kennis genomen, vermeldt de indiener van het stuk dit uitdrukkelijk in de e-mail.

  • 5.3 Communicatie door de rechtbank via Veilig Mailen

    De rechtbank kan een (proces-)stuk of bericht verzenden via Veilig Mailen, indien de geadresseerde:

    • hierom heeft verzocht, of

    • akkoord is gegaan met een verzoek van de rechtbank in te stemmen met Veilig Mailen of

    • zelf via Veilig Mailen met de rechtbank heeft gecommuniceerd

  • 5.4 Onderwerpregel e-mailbericht

    Bij gebruik van Veilig Mailen vermeldt de onderwerpregel van het e-mailbericht uitsluitend:

    • ingeval van een nieuwe zaak: de woorden ‘nieuwe zaak’;

    • ingeval van een lopende zaak: het zaaknummer.

    In geen geval vermeldt de indiener in de onderwerpregel persoonsgegevens of andere vertrouwelijke informatie.

  • 5.5 Wijze van verzenden van bestanden

    (Proces)stukken en berichten zijn als afzonderlijke bestanden bij het e-mailbericht gevoegd. De naam van deze bestanden bevatten een omschrijving en een dagtekening in de vorm van jjmmdd. De bestanden voldoen aan het Pdf-formaat, tenzij het stuk niet in een Pdf-formaat kan worden verstuurd, of de aard van het stuk zich daartegen verzet. In dat geval kan de indiener de rechtbank telefonisch verzoeken indiening van een ander bestandsformaat toe te staan. De bijlagen zijn doorlopend genummerd.

  • 5.6 Maximumomvang via Veilig Mailen te verzenden bijlagen

    Een bijlage bij een mailbericht heeft een maximumomvang van 25 MB.

    Als een bijlage groter is dan 25 MB, wordt deze per post aan de griffie van de rechtbank verzonden of wordt deze afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank.

  • 5.7 Veilig Mailen van stukken die moeten worden voorzien van een originele (‘natte’) handtekening

    Als de wet ondertekening van stukken vereist, worden deze voorzien van een originele (‘natte’) handtekening en gescand als Pdf-bestand via Veilig Mailen ingediend.

  • 5.8 Verstoring toegang Veilig Mailen en verschoonbare termijnoverschrijding

    Als op de laatste dag van een voor de indiener geldende termijn voor indiening van een processtuk of bericht een niet aan hem toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot Veilig Mailen, is een daardoor veroorzaakte overschrijding van de termijn verschoonbaar als het processtuk of bericht uiterlijk wordt ingediend op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring is verholpen.

  • 5.9 Mailen door de rechtbank met bestuursorganen en andere instanties

    Indien de rechtbank met bestuursorganen of andere organisaties via een versleutelde verbinding kan mailen, geldt deze vorm van mailen als Veilig Mailen in de zin van dit procesreglement.

Procesreglement Gezag en Omgang

1 Algemeen

  • 1.1 Dit reglement is van toepassing op alle verzoeken aan de rechtbank op grond van titel 14 en 15 van Boek 1 BW, met uitzondering van die waarop het Procesreglement Civiel Jeugdrecht van toepassing is. Dat wil zeggen: alle verzoeken met betrekking tot gezag en voogdij, waaronder:

    • verzoeken om gezagswijziging of om benoeming van een voogd;

    • verzoeken tot beëindiging van gezag;

    • verzoeken over de uitoefening van het gezamenlijk gezag (artikel 1:253a BW (bijvoorbeeld over de verblijfplaats van de minderjarige);

    • verzoeken over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken.

    Bovendien vallen alle verzoeken over omgang, informatie en consultatie eronder.

  • 1.2 Als niet-digitaal wordt geprocedeerd, worden het verzoekschrift, het verweerschrift en overige processtukken en berichten als volgt ingediend:

    • door toezending per post aan de griffie van de rechtbank, afdeling familie- en jeugdzaken; www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken.

    • door afgifte aan de Centrale Balie van de rechtbank www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken;

    • door toezending via Veilig Mailen, mits het processtuk of het bericht, met eventuele bijlage(n), direct per post aan de griffie van de rechtbank wordt nagezonden of wordt afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank, onder de uitdrukkelijke vermelding dat het reeds eerder via Veilig Mailen ingediende stukken betreft. Voor toezending via Veilig Mailen gelden daarnaast de in Bijlage 3 vermelde regels Verzendingen via Veilig Mailen die vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend, tenzij een termijn op een ander tijdstip op die dag eindigt.

  • 1.3 Onder Veilig Mailen wordt verstaan: de voorziening van de Rechtspraak voor het verzenden en ontvangen van beveiligde e-mail naar en door de rechtbank www.rechtspraak.nl/veilig-mailen-met-de-rechtspraak.

    Een partij die digitaal procedeert kan via Veilig Mailen geen verzoeken en mededelingen doen of processtukken indienen. Audio- en videobestanden worden wel verstuurd via Veilig Mailen.3 In ‘Mijn Rechtspraak’ moet dan een bericht worden geüpload waarmee de rechtbank hierover wordt geïnformeerd.

  • 1.4 Digitaal procederen bij de rechtbank is alleen mogelijk indien en voor zover de wet bepaalt of uit de wet volgt dat partijen:

    • in (een) bepaalde categorie(ën) van zaken, vermeld in bijlage 2, de mogelijkheid hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te

    • procederen (vrijwillig digitaal procederen), of

      • in (een) bepaalde categorie(ën) van zaken, vermeld in bijlage 2, de verplichting hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (verplicht digitaal procederen).

    Voor digitaal procederen gelden, in aanvulling op de regels zoals opgenomen in het Besluit elektronisch procederen, de in dit procesreglement vermelde regels zoals hierna vermeld in hoofdstuk 8 en de in het Reglement inzake de toegang tot en het gebruik van systeem DT rechtspraak opgenomen regels.

    Het uitwisselen van (proces)stukken en berichten tussen de rechtbanken, de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen (als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, hierna: GI) vindt – in de daarvoor aangewezen gevallen – plaats via het Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid, waarover in het kader van de Collectieve Opdracht Routeer Voorziening (CORV) afspraken zijn gemaakt in het Protocol Ketencommunicatie Jeugdbescherming.

  • 1.5 Proceshandelingen worden weergegeven in het voor advocaten toegankelijke elektronisch familiejournaal. Een advocaat gebruikt voor het indienen van stukken en voor het berichten van de rechtbank een F-formulier (beschikbaar in het elektronisch familiejournaal).

    Van alle berichten aan de rechtbank dient tegelijkertijd een afschrift aan de wederpartij, aan de Raad voor de Kinderbescherming en belanghebbenden te worden gezonden. Uit het F-formulier moet blijken dat hieraan is voldaan.

  • 1.6 Van de verzending van een via Veilig Mailen verzonden processtuk of bericht is een bevestiging van de ontvangst beschikbaar, die de verzender zelf kan inzien of ophalen bij de dienst Veilig Mailen die de verzender gebruikt.

    Als tijdstip waarop de rechtbank een processtuk of een bericht via Veilig Mailen heeft ontvangen, geldt het tijdstip waarop het processtuk of het bericht een systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor de rechtbank verantwoordelijkheid draagt (ZIVVER). Dit tijdstip staat vermeld in de ontvangstbevestiging.

  • 1.7 Op alle berichten dient het zaaknummer en/of rekestnummer te worden vermeld.

  • 1.8 Indien niet aan het voorgaande wordt voldaan, wordt het bericht teruggezonden en wordt op de inhoud geen acht geslagen, tenzij het een verweerschrift betreft.

  • 1.9 Hetgeen hiervoor onder 1.5, 1.7 en 1.8 is gemeld, geldt niet voor brieven van minderjarigen.

  • 1.10 Mededelingen in het elektronisch familiejournaal worden als schriftelijke mededelingen in de zin van dit reglement beschouwd.

  • 1.11 De rechtbank bericht partijen per brief, per telefoon of via Veilig Mailen.

  • 1.12 De Algemene termijnenwet is van toepassing. Een termijn wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag als deze eindigt in het weekend of op een algemeen erkende feestdag.

  • 1.13 Processtukken worden uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingediend, tenzij de wet of het procesreglement voorschrijft dat de stukken eerder moeten worden ingediend.

  • 1.14 Indien meer dan één bijlage wordt overgelegd, dient daarbij een inhoudsopgave gevoegd te worden en dienen de bijlagen genummerd te worden.

    Bij het overleggen van gegevens, stukken of multimediabestanden moeten partijen aangeven ter toelichting of staving van welke stelling deze zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is. Partijen moeten bij audio- en videobestanden aangeven op welke minuut/minuten het voor de procedure relevante deel staat en van dat deel een transcriptie overleggen. Indien hieraan niet voldaan wordt, kan de rechter de overgelegde gegevens of stukken of multimediabestanden buiten beschouwing laten.

  • 1.15 Verandering of vermeerdering verzoek

    Een partij die zijn verzoek verandert of vermeerdert, of de grondslag daarvan verandert of vermeerdert, vermeldt dit in de kop van het processtuk.

  • 1.16 Voorwerpen kunnen ter griffie worden gedeponeerd. Van het depot maakt de griffier een akte op, die aan het dossier wordt toegevoegd en die in kopie aan partijen wordt verstrekt.

    Indien vanwege de aard van het in depot te geven stuk of voorwerp depot ter griffie niet in aanmerking komt, kan het voorwerp op een andere plaats worden gedeponeerd. In de akte wordt die plaats vermeld.

    Indien een partij een gegevensdrager zoals een usb-stick deponeert, doet die partij gelijktijdig een kopie van deze gegevensdrager aan de andere partij(en) toekomen.

  • 1.17 Indien een partij kennis wenst te nemen van het door de rechtbank aangelegde dossier in zijn zaak, stelt de rechtbank hem hiertoe in de gelegenheid.

  • 1.18 Stukken die in een vreemde taal zijn gesteld, moeten zijn voorzien van een beëdigde vertaling in de Nederlandse taal. Indien het stukken betreft in de Engelse, Duitse of Franse taal behoeft in beginsel geen vertaling te worden overgelegd, tenzij de rechter er om vraagt als hij dat nodig of wenselijk acht voor de behandeling van de zaak, mede gelet op de belangen van de wederpartij.

  • 1.19 Wanneer de Raad voor de Kinderbescherming als verzoeker optreedt of als belanghebbende moet worden aangemerkt, zijn de voorschriften die in dit reglement ten aanzien van de advocaat van een dergelijke partij zijn opgenomen op de Raad van toepassing, met uitzondering van de bepalingen betreffende het elektronisch familiejournaal. Waar in dit reglement gesproken wordt over de Raad voor de Kinderbescherming wordt daarmee de Raad in zijn adviserende functie bedoeld.

  • 1.20 Waar in dit reglement gesproken wordt over het overleggen van een BRP-uittreksel, kan ook worden volstaan met overlegging van de burgerservicenummers (BSN) of kopieën van legitimatiebewijzen van partijen waarop het BSN staat vermeld. Deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd.

    Als op een ander processtuk een BSN staat vermeld en de partij die het betreffende stuk heeft ingediend niet wenst dat het BSN wordt gedeeld, dan is het de verantwoordelijkheid van die partij om het BSN onleesbaar te maken.

    1.21 Waar in dit reglement gesproken wordt over het overleggen van een uittreksel uit het gezagsregister, geldt, voor een ieder die beschikt over toegang tot het gezagsregister, dat kan worden volstaan met overlegging van een geprint uittreksel.

2 Indiening verzoekschrift

(zie ook artikelen 5, 278, 279, 281 en 799 Rv)

  • 2.1 Iedere werkdag kan een verzoekschrift met bijlagen in viervoud ter griffie worden ingediend. Indien sprake is van meer (dan één) belanghebbenden, dienen voor deze belanghebbenden twee extra verzoekschriften met bijlagen te worden bijgevoegd.

  • 2.2 Het verzoekschrift vermeldt de voornamen, naam en woonplaats, dan wel – bij gebreke van een woonplaats in Nederland – de werkelijke verblijfplaats van de verzoeker en van alle belanghebbenden, en de gewone verblijfplaats van de minderjarige(n).

    Van de ouders en de minderjarige(n) wordt het BSN of kopieën van hun legitimatiebewijzen waarop het BSN staat vermeld overgelegd. Van de verzoeker en van alle belanghebbenden worden de volledige adresgegevens overgelegd. Deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd.

    In geval van ondertoezichtstelling dienen naam en adres van de GI te worden vermeld. Indien het betreft een verzoek als bedoeld in de artikelen 1:266, 1:277, 1:327 of 1:328 BW, dan vermeldt het verzoekschrift tevens of, en zo ja, op welke wijze, de inhoud dan wel de strekking van het verzoekschrift is besproken met de minderjarige en welke reactie de minderjarige hierop heeft gegeven. Bij de indiening van het verzoekschrift moeten de volgende stukken worden overgelegd:

    • BRP-uittreksel(s) van verzoeker en belanghebbende(n); gedateerd en niet ouder dan drie maanden (zie ook artikel 1.20). Indien van belang dienen bewijsstukken met betrekking tot de nationaliteit(en) te worden overgelegd. Als het BRP-uittreksel die gegevens niet vermeldt, dienen andere bewijsstukken ten aanzien van de nationaliteit(en) te worden overgelegd.

    • een afschrift van de beschikking waarvan wijziging wordt verzocht;

    • een afschrift van de geboorteakte(s) van de betrokken minderjarige(n) – gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden – en een uittreksel uit het gezagsregister. Indien digitaal wordt geprocedeerd wordt de geboorteakte digitaal ingediend op de wijze zoals vermeld in Hoofdstuk 8. Van deze akte moet een scan (in kleur) van het originele gedateerde en gewaarmerkte afschrift als Pdf-bestand worden ingediend. De rechtbank kan daarnaast bevelen dat het origineel van deze akte wordt nagezonden;

    • bij verzoeken na echtscheiding, scheiding van tafel en bed en beëindiging dan wel ontbinding geregistreerd partnerschap: bewijs inschrijving;

    • indien vereist: het ouderschapsplan;

    • na overlijden gezaghebbende ouder: een uittreksel uit het overlijdensregister;

    • bij verzoeken tot beëindiging van het gezag: een afschrift van de lopende beschikking ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing.

  • 2.3 Zodra het verzoekschrift is ontvangen, wordt het ingeschreven. Tevens wordt een ontvangstbevestiging met vermelding van het zaaknummer aan de advocaat van verzoeker gestuurd.

    Wanneer bij indiening van het verzoekschrift niet alle ingevolge artikel 2.2 over te leggen stukken ter griffie zijn binnengekomen, wordt dit bij voormelde ontvangstbevestiging tevens aangegeven. De ontbrekende gegevens moeten zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken in één keer worden overgelegd. Wanneer op de in de ontvangstbevestiging of rolmededeling aangegeven datum de verzoeker aan de verplichting van artikel 2.2 niet volledig heeft voldaan zonder dat daarvoor schriftelijk klemmende redenen zijn aangevoerd, kan hij in zijn verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

    Indien niet tijdig schriftelijk klemmende redenen zijn aangevoerd, wordt er van uitgegaan dat verzoeker geen prijs stelt op een mondelinge behandeling.

    Niet-ontvankelijkheidverklaring zonder mondelinge behandeling blijft in beginsel achterwege, indien vóór het verstrijken van de hierboven vermelde termijn een verweerschrift is ingediend.

  • 2.4 Indien er, analoog aan artikel 223 Rv, een voorlopige voorziening verzocht wordt, dient dit bij voorkeur bij afzonderlijk verzoekschrift te gebeuren. Indien sprake is van een of meer belanghebbenden, dienen evenzovele extra verzoekschriften te worden ingediend. Op het verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening moet – indien bekend – het zaaknummer van de bodemprocedure worden vermeld.

  • 2.5 Indien verzoeker griffierecht is verschuldigd, dient dit binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank waar de behandeling plaatsvindt of ter griffie te zijn gestort.

    Wanneer in een verzoekschrift het verzoek wordt gecombineerd met een verzoek inzake alimentatie, wordt slechts éénmaal griffierecht berekend.

    Heeft verzoeker het verschuldigde griffierecht niet tijdig voldaan, dan verklaart de rechter verzoeker in beginsel niet-ontvankelijk in het verzoek.

  • 2.6 De rechtbank zendt een afschrift van het verzoekschrift aan belanghebbende(n) en aan de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank bepaalt daarbij dag en uur waarop de behandeling plaatsvindt.

    Het afschrift van het verzoekschrift met bijlagen en de oproep voor de behandeling worden door de griffie per gewone en aangetekende post aan belanghebbende(n) gestuurd, tenzij zich voor belanghebbende(n) een advocaat heeft gesteld, in welk geval het afschrift van het verzoekschrift met bijlagen en de oproep voor de behandeling uitsluitend per gewone post aan de advocaat worden gestuurd.

  • 2.7 Als sprake is van een verzoek tot beëindiging van het gezag na ondertoezichtstelling op grond van artikel 1:266 BW, dan wordt de GI die belast is met het uitvoeren van de ondertoezichtstelling opgeroepen als belanghebbende.

3 Verweerschrift

(zie ook de artikelen 279 en 282 Rv)

  • 3.1 Het verweerschrift met eventuele bijlagen wordt in drievoud ingediend.

    Indien sprake is van meer (dan één) belanghebbenden, dienen voor deze belanghebbenden extra verweerschriften met bijlagen te worden bijgevoegd.

  • 3.2 Indien een niet door een advocaat vertegenwoordigde belanghebbende laat weten verweer te willen voeren wordt het eventueel ingediende verweerschrift teruggestuurd. Een verweerschrift kan alleen door tussenkomst van een advocaat worden ingediend. Zonder tussenkomst van een advocaat kan een belanghebbende tijdens de mondelinge behandeling verweer voeren en ter voorbereiding vooraf stukken indienen met inachtneming van de in dit procesreglement genoemde termijnen.

  • 3.3 De hiervoor onder artikel 2.2 opgenomen bepalingen betreffende het verzoekschrift zijn van overeenkomstige toepassing op het zelfstandig verzoek in het verweerschrift, voor zover deze stukken niet reeds zijn overgelegd.

  • 3.4 Referteverklaring

    Tot aan de mondelinge behandeling kan een referteverklaring worden overgelegd.

    De referteverklaring is een schriftelijke door een belanghebbende ondertekende verklaring, opgesteld conform bijlage 1 bij dit reglement en geautoriseerd door een advocaat, waaruit genoegzaam blijkt dat de belanghebbende kennis heeft genomen van het verzoekschrift, dat geen verweer zal worden gevoerd en dus ook wordt afgezien van een mondelinge behandeling.

    Indien de ondertekende verklaring niet is geautoriseerd, wordt er alsnog een mondelinge behandeling gehouden.

    Indien de referteverklaring wordt ingediend door de advocaat van de belanghebbende zelf is deze vormvrij en behoeft geen gebruik te worden gemaakt van de bijlage. Wel dient verklaard te worden dat de belanghebbende heeft kennis genomen van de inhoud van het verzoekschrift, dat geen verweer gevoerd zal worden en dat afgezien wordt van een mondelinge behandeling. De verklaring dient door de belanghebbende en de advocaat te zijn ondertekend.

    Een referteverklaring heeft tot gevolg dat – indien de stukken overigens compleet worden bevonden – aanstonds een datum voor beschikking zal worden bepaald, zonder dat behandeling hoeft plaats te vinden, met uitzondering van een eventueel kindgesprek.

    Voor de indiening van een referteverklaring is geen griffierecht verschuldigd.

  • 3.5 Indien verweerder griffierecht is verschuldigd, dient dit binnen vier weken na indiening van het verweerschrift te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank waar de behandeling plaatsvindt of ter griffie te zijn gestort.

4 Verweerschrift op zelfstandig verzoek

(zie ook artikel 282 lid 4 Rv)

De rechter kan aan de verzoeker en aan de overige belanghebbenden gelegenheid geven tegen dit zelfstandig verzoek een verweerschrift in te dienen.

De hiervoor onder hoofdstuk 3 opgenomen bepalingen betreffende het verweerschrift gelden ook voor het verweerschrift op zelfstandig verzoek. Het verweerschrift mag uitsluitend betrekking hebben op het (de) zelfstandig verzoek(en).

5 Mondelinge behandeling

(zie ook artikelen 20, 22, 22b, 27, 279 en 803 Rv)

  • 5.1 Als, naar het oordeel van de rechter, de zaak op de stukken kan worden afgedaan zonder dat er een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, worden partijen – op een daartoe door hen gedaan verzoek – alsnog in de gelegenheid gesteld hun standpunt mondeling uiteen te zetten.

    Wanneer verzoeker en verweerder schriftelijk aan de rechter hebben laten weten af te zien van een mondelinge behandeling, blijft deze achterwege, tenzij de rechter termen aanwezig acht toch een mondelinge behandeling te gelasten.

  • 5.2 Bij het bepalen van dag en tijdstip van de mondelinge behandeling wordt uitgegaan van een oproepingstermijn van vier tot acht weken – en van tenminste drie maanden indien (één van) partijen in het buitenland (woont) wonen –, te rekenen vanaf de binnenkomst van het verzoek, tenzij een extra termijn is gegeven voor het indienen van de ontbrekende stukken. In dat geval gaat de oproepingstermijn lopen ná de ontvangst van de ontbrekende stukken.

    Vorenstaande oproepingstermijnen gelden niet voor verzoeken op grond van artikel 1:253a BW. Deze zaken worden binnen zes weken na indiening van het verzoek mondeling behandeld. Voor deze zaken geldt een oproepingstermijn van in beginsel maximaal drie weken.

  • 5.3 Verzoeken om uitstel van de mondelinge behandeling

    Als dag en tijdstip van de mondelinge behandeling zijn vastgesteld zonder vooraf aan partijen verhinderdata op te vragen en partijen vragen binnen één week na verzending van de oproep schriftelijk uitstel van die mondelinge behandeling, zal dat uitstel, behalve bij verzoeken op grond van artikel 1:253a BW, altijd worden verleend.

    Wordt het verzoek om uitstel ingediend:

    • na afloop van bovengenoemde termijn van één week of

    • als de mondelinge behandeling met inachtneming van verhinderdata van partijen is gepland of

    • bij een verzoek op grond van artikel 1:253a BW

    dan kan uitstel worden verleend als door partijen klemmende redenen zijn aangevoerd en hiervan naar het oordeel van de rechtbank sprake is. Lopende schikkingsonderhandelingen zijn in beginsel geen klemmende redenen voor uitstel.

    De partij die uitstel vraagt, dient aan te geven of de wederpartij instemt met het uitstelverzoek en de verhinderdata van beide partijen op te geven voor de eerstkomende drie maanden dan wel een andere door de rechtbank te bepalen periode.

    De beslissing op het uitstelverzoek wordt vermeld in het elektronisch familiejournaal. De als partij of adviserende instantie betrokken Raad voor de Kinderbescherming en andere belanghebbenden, die niet door een advocaat worden vertegenwoordigd, worden van deze beslissing schriftelijk op de hoogte gesteld. Bij brief worden een nieuwe dag en tijdstip van de mondelinge behandeling meegedeeld.

  • 5.4 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling wordt, voor zover mogelijk, het doel van de mondelinge behandeling aan partijen medegedeeld en kunnen nadere aanwijzingen of bevelen worden gegeven over:

    • de vraagpunten of onderwerpen die de rechter tijdens de mondelinge behandeling wil bespreken;

    • door partijen of belanghebbenden nader in te dienen stukken, waaronder eventuele vertalingen van stukken;

    • de beslissing van de rechter op een eventueel verzoek van (een van) partijen om tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen mee te nemen en te doen horen;

    • door partijen mee te brengen getuigen of partijdeskundigen.

    Indien een partij die op bevel van de rechter een toelichting van zijn stellingen dient te geven of op de zaak betrekking hebbende stukken dient in te dienen, dit met een beroep op gewichtige redenen weigert, dan wel wenst dat uitsluitend de rechter kennis zal mogen nemen van die toelichting of van die in te dienen stukken, vermeldt deze partij dit in een gemotiveerd bericht aan de rechtbank.

    Deze partij zendt de te geven toelichting dan wel de in te dienen stukken op papier naar een door de rechtbank op te geven adres, onder vermelding van het zaaknummer en de mededeling dat het gaat om stukken als bedoeld in de artikelen 22 Rv.

    Een wederpartij kan binnen één week na de dag van de verzending van het in de eerste zin van dit artikel genoemde bericht, op het beroep op weigering dan wel op beperkte kennisneming bij bericht reageren.

    Een andere rechter dan de zaaksrechter beslist zo spoedig mogelijk, maar wel op een regiedag, op het beroep op weigering dan wel beperkte kennisneming van de te geven toelichting dan wel de in te dienen stukken.

  • 5.5 Duur mondelinge behandeling

    Indien een partij voorziet dat de voor de mondelinge behandeling gereserveerde tijd onvoldoende is voor een behoorlijke behandeling van de zaak, kan deze partij zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen één week na verzending van de oproep, de rechter gemotiveerd verzoeken hiervoor meer tijd te reserveren onder opgave van de verhinderdata van alle partijen. Indien deze opgave ontbreekt, wordt aan partijen medegedeeld dat de eerdere dagbepaling van kracht blijft en dat de oorspronkelijk voor de mondelinge behandeling gereserveerde tijd blijft gehandhaafd.

  • 5.6 Een gedetineerde partij deelt de rechter tijdig schriftelijk mee of hij nog zal zijn gedetineerd op de dag en tijdstip van de mondelinge behandeling.

    Indien een gedetineerde partij de mondelinge behandeling in persoon wil bijwonen, verzoekt hij zo spoedig mogelijk schriftelijk de rechter zijn aanwezigheid te bevorderen. Zijn verzoek bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • zijn voor- en achternamen (voluit);

    • zijn geboortedatum- en plaats;

    • zijn huidige verblijfplaats.

  • 5.7 Een partij die de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, draagt zorg voor een tolk. De kosten van de tolk komen voor eigen rekening van de partij.

    De rechtbank kan eisen stellen aan de kwalificaties en/of competenties van de tolk.

  • 5.8 Indien een partij de aanwezigheid van parketpolitie ter mondelinge behandeling wenselijk acht, verzoekt deze partij dit zo spoedig mogelijk en gemotiveerd bij de griffie van de rechtbank.

    Bijzonderheden van praktische aard met betrekking tot de mondelinge behandeling, zoals de grootte van de zittingsruimte of de noodzaak van beschikbaarheid van bijzondere apparatuur, worden zo spoedig mogelijk bij gemotiveerd bericht aan de rechtbank medegedeeld.

  • 5.9 Verzoeken om meegebrachte getuigen en deskundigen te horen

    Een gemotiveerd verzoek tot het doen horen van getuigen of partijdeskundigen, wordt schriftelijk ingediend. Het verzoek wordt zo spoedig mogelijk ingediend, maar uiterlijk binnen één week na verzending van de oproep, onder opgave van de gegevens van de te horen getuigen of partijdeskundige, onder verzending van een kopie aan belanghebbende(n).

    Op het verzoek kan door belanghebbende(n) tot één week na de ontvangst schriftelijk worden gereageerd.

    De rechter beslist zo spoedig mogelijk na ontvangst van de reactie van belanghebbende(n) of het ongebruikt verstrijken van de hierboven genoemde termijn van één week.

  • 5.10 Andere zittingen dan mondelinge behandeling.

    De artikelen uit dit hoofdstuk (uitgezonderd artikel 5.6) zijn van overeenkomstige toepassing op andere zittingen dan de mondelinge behandeling, waaronder begrepen het (voorlopige) getuigenverhoor, het horen van een (partij)deskundige ter zitting, de (voorlopige) gerechtelijke plaatsopneming of bezichtiging.

  • 5.11 Indien tijdens de mondelinge behandeling is besloten de verdere behandeling aan te houden, wordt van het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling een proces-verbaal of een tussenbeschikking opgemaakt. Dit gebeurt ook indien de Raad voor de Kinderbescherming om advies en rapportage is gevraagd. De behandeling wordt aangehouden tot een bepaalde pro-formadatum.

  • 5.12 Van een dossier met betrekking tot de ondertoezichtstelling en/of uithuisplaatsing van een minderjarige wordt slechts kennis genomen indien is gebleken dat de partijen in de gezags- en/of omgangsprocedure met dat dossier bekend zijn. In dat geval kan de rechter in overleg met de partijen ambtshalve bedoelde dossier(s) opvragen en gebruiken.

  • 5.13 Inlichtingen/informatie verschaffen tijdens of na afloop van de mondelinge behandeling

    Indien tijdens de mondelinge behandeling wordt geconstateerd dat nog nadere informatie nodig is kan de rechter:

    • ofwel een nieuwe dag bepalen voor voortzetting van de mondelinge behandeling met daarbij een termijn waarbinnen de informatie moet worden verschaft en zo nodig een termijn voor de wederpartij om op de verschafte informatie te reageren;

    • ofwel een termijn bepalen waarbinnen de informatie moet worden verschaft en zo nodig een termijn voor de wederpartij om op de verschafte informatie te reageren.

    Deze termijnen zijn fataal in die zin, dat de rechter geen acht zal slaan op informatie of reacties die na afloop van de gestelde termijnen zijn binnengekomen. De te laat ingekomen informatie wordt teruggezonden.

  • 5.14 Uiterlijk twee weken voor de in artikel 5.11 bedoelde pro-formadatum dienen partijen en/of de Raad voor de Kinderbescherming aan te geven of voortgezette behandeling dient plaats te vinden of dat de zaak op de stukken kan worden afgedaan.

6 Kindgesprek

(zie ook artikel 809 Rv)

  • 6.1 In zaken waarin minderjarigen van acht jaar en ouder zijn betrokken, worden deze door de rechtbank in de gelegenheid gesteld hun mening mondeling of schriftelijk kenbaar te maken.

    Dit wordt ook gedaan:

    • indien partijen het eens zijn;

    • indien reeds een schriftelijke verklaring van de betreffende minderjarigen is overgelegd.

  • 6.2 Genoemde minderjarigen worden in beginsel afzonderlijk gehoord. Van dit gesprek wordt geen proces-verbaal opgemaakt.

  • 6.3 Tijdens de mondelinge behandeling geeft de rechter kort en zakelijk weer wat de minderjarigen hebben verklaard.

  • 6.4 Aan de belanghebbenden wordt geen kopie verstrekt van de brieven van de minderjarigen.

7 Uitspraak

(zie ook artikelen 29, 30, 29a, 286 tot en met 289 Rv)

Termijn voor uitspraak is:

  • a. bij zaken waarin is afgezien van een mondelinge behandeling:

    vier weken na het moment dat is geconstateerd dat de zaak gereed is voor beschikking;

  • b. bij zaken waarbij een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden waar geen mondelinge uitspraak is gedaan:

    vier weken na de datum van de mondelinge behandeling of – indien nog een termijn voor overlegging van nadere informatie en een reactie daarop werd gegund – vier weken na afloop van de laatstgenoemde termijn.

Zodra zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan te verwachten is dat de termijn van vier weken niet wordt gehaald, kan tijdens de mondelinge behandeling een langere termijn worden bepaald.

Indien de hiervoor vermelde uitspraaktermijnen niet gehaald worden, wordt dit vermeld in het elektronisch familiejournaal, met vermelding van een nieuwe uitspraakdatum. De als partij of adviserende instantie betrokken Raad voor de Kinderbescherming en andere belanghebbenden die niet door een advocaat worden vertegenwoordigd, worden van deze beslissing schriftelijk op de hoogte gesteld

De hiervoor genoemde termijnen zijn bedoeld als maximumtermijnen.

8 Digitaal procederen

(zie ook artikel 33 Rv)

  • 8.1 Toepasselijkheid overige bepalingen

    De bepalingen van de overige hoofdstukken van dit procesreglement zijn ook van toepassing indien digitaal wordt geprocedeerd, behoudens indien en voor zover hierna daarvan wordt afgeweken.

    Daarnaast gelden de regels die zijn opgenomen in:

  • 8.2 Begripsbepalingen

    In dit hoofdstuk worden de begrippen uit de wet gebruikt.

    Ter verduidelijking hiervan of in aanvulling hierop is de betekenis van onderstaande begrippen in dit hoofdstuk (in alfabetische volgorde) de volgende:

    • a. Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid: het koppelvlak bestemd voor digitaal verkeer tussen systemen van partijen dan wel hun advocaten of gemachtigden en de rechtbank;

    • b. belanghebbende: degene tegen wie een verzoek in eerste aanleg is gericht of wiens rechten en verplichtingen rechtstreeks bij een verzoek zijn betrokken of die anderszins als belanghebbende moet worden aangemerkt;

    • c. bericht: een mededeling, niet zijnde een processtuk, tussen de rechtbank en een of meer partijen via de daartoe aangewezen digitale weg;

    • d. digitaal dossier: alle in een zaak ingediende processtukken, berichten en de beslissingen van de rechtbank daarop;

    • e. indienen: het digitaal aanleveren van processtukken of bewijsstukken, onder bijvoeging van het daartoe bestemde F-formulier;

    • f. processtuk: ieder stuk van een partij waarin het standpunt van die partij naar voren wordt gebracht;

    • g. verzoeker: de partij die een verzoek indient;

    • h. webportaal ‘Mijn Rechtspraak’: de beveiligde digitale omgeving waarin belanghebbenden, advocaten en andere (professionele) gemachtigden toegang hebben tot het digitale systeem van de rechtbank en het digitale dossier.

  • 8.3 Mogelijkheid van digitaal procederen

    Digitaal procederen bij de rechtbank is alleen mogelijk, indien en voor zover de wet bepaalt of uit de wet volgt dat partijen in (een) bepaalde categorie(ën) van zaken, hetzij de mogelijkheid hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (vrijwillig digitaal procederen), hetzij de verplichting hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (verplicht digitaal procederen). De categorieën van zaken waarin (vrijwillig of verplicht) digitaal procederen mogelijk is, staan vermeld in de bij dit procesreglement behorende Bijlage 2.

  • 8.4 Toegang tot het webportaal

    Een belanghebbende heeft toegang tot het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ als hij beschikt over een inlogmiddel, zoals omschreven in het Reglement inzake de toegang tot en het gebruik van systeem DT Rechtspraak.

    Een belanghebbende heeft in het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ toegang tot het digitaal dossier in de aanhangige zaken waarin hij partij is. Een partij die niet zelf digitaal procedeert, kan de rechtbank verzoeken hem mee te delen op welke wijze hij toegang kan krijgen tot het digitaal dossier.

  • 8.5 Gevolgen van digitaal procederen

    De partij die digitaal procedeert, gaat ermee akkoord dat:

    • zij geen papieren afdrukken of kopieën van processtukken of berichten ontvangt;

    • de verzending van daarvoor in aanmerking komende processtukken of berichten niet aangetekend geschiedt.

  • 8.6 Wissel van niet-digitaal naar digitaal procederen en omgekeerd

    Een partij die vrijwillig digitaal procedeert en voortaan niet meer digitaal wil procederen, of omgekeerd, verzoekt dit de rechtbank bij bericht. Een wissel wordt in een procedure in beginsel maar één keer toegelaten.

    De wissel is effectief vanaf de datum die in de bevestiging van de rechtbank wordt genoemd. De wissel wordt aan de verzoeker en aan alle belanghebbenden bevestigd.

    Een partij die wisselt naar digitaal procederen, krijgt ook digitaal toegang tot eerder gewisselde processtukken en berichten die in het digitaal dossier zijn opgeslagen.

  • 8.7 Wijze van indiening van processtukken en stukken

    Voor het indienen van processtukken en stukken gelden de volgende voorschriften:

    • een partij voorziet ieder processtuk of bewijsstuk dat zij indient van een benaming bestaande uit een verkorte partijnaam, een (doorlopend) volgnummer en een verkorte aanduiding van de inhoud ervan. Een door een partij gekozen partijnaam wordt door die partij en alle andere partijen consequent gehanteerd.

    • de in te dienen stukken worden als afzonderlijke digitale bestanden geüpload, waarbij de stukken op zodanige wijze worden aangeleverd dat deze in de juiste volgorde kunnen worden geraadpleegd.

  • 8.8 Indiening van berichten en processtukken/ontvangstbevestiging bij digitaal procederen

    De indiening van het verzoekschrift, verweerschrift en overige processtukken en berichten vindt plaats door toezending aan de griffie van de rechtbank via het Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid of via het webportaal.

    De ontvangst van processtukken en berichten wordt automatisch bevestigd.

  • 8.9 Kennisgeving bij digitaal procederen/berichten van de rechtbank aan partijen

    Indien de rechtbank een processtuk, een uitspraak of een bericht in het digitale systeem heeft geplaatst, ontvangt iedere partij die digitaal moet procederen of die heeft laten weten digitaal te procederen en daarbij een e-mailadres heeft opgegeven, daarvan een kennisgeving (notificatie). Het tijdstip waarop deze kennisgeving wordt verstuurd, geldt als het tijdstip waarop het desbetreffende processtuk of bericht aan die partij bekend is gemaakt. Voor dit doel wordt bij de eerste keer dat een partij in een zaak inlogt in het webportaal, een e-mailadres gevraagd. Deze partij is te allen tijde verantwoordelijk voor de werking, de toegankelijkheid, de beschikbaarheid en de raadpleging van dit adres. Indien die partij geen e-mailadres verstrekt, geldt dit als een mededeling dat hij geen kennisgevingen wenst te ontvangen. Dit is voor rekening en risico van die partij. De rechtbank bericht partijen door plaatsing van een bericht in het door partijen te raadplegen digitaal dossier in hun zaak.

  • 8.10 Aantal in te dienen exemplaren

    Het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken, het verweerschrift en de bijgevoegde stukken, en de eventueel tijdens de mondelinge behandeling in te dienen processtukken of de in het geding te brengen bewijsstukken worden in enkelvoud ingediend, met een kopie aan iedere belanghebbende indien en zolang deze op papier procedeert.

  • 8.11 Meer dan één verzoeker en/of meer dan één belanghebbende

    Indien wordt geprocedeerd door meer dan één verzoeker of wordt geprocedeerd tegen meer dan één belanghebbende, maakt elk van partijen duidelijk door welke partij(en) het verzoek is ingediend en wie belanghebbende(n) is/zijn.

    Een belanghebbende die digitaal procedeert en niet wenst dat een andere belanghebbende in dezelfde procedure voortaan nog kennis kan nemen van door hem in te dienen processtukken of berichten, verzoekt de rechtbank op duidelijk kenbare wijze om afsplitsing van zijn zaak alvorens zijn volgende processtuk of bericht aan het dossier toe te voegen.

    Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op de verzoeker die niet wenst dat andere verzoekers in dezelfde procedure voortaan nog kennis kunnen nemen van door hem in te dienen processtukken of berichten.

  • 8.12 Uitsluiting van digitaal procederen

    De rechtbank kan een partij of de gemachtigde van die partij tijdelijk of blijvend uitsluiten van het gebruik van het digitale systeem, indien hij aantoonbaar een gevaar vormt voor de integriteit van het digitale systeem of indien hij het digitale systeem verstoort. De uitsluiting wordt medegedeeld bij bericht en heeft alleen betrekking op de procedure waarin de rechtbank deze beslissing heeft genomen.

    Na de uitsluiting van het gebruik van het digitale systeem, wordt de procedure voortgezet volgens de regels die gelden voor niet-digitaal procederen.

  • 8.13 Verstrekking afschrift uitspraak

    De uitspraak kan ook digitaal ter beschikking worden gesteld.

    Van de uitspraak wordt aan de partij die daarbij belang heeft een voor tenuitvoerlegging bestemd afschrift (grosse) verstrekt. Deze grosse wordt altijd op papier verstrekt.

Bijlage 1: Referteverklaring

Ondergetekende,

.......... (naam voluit),

.......... (woonplaats),

verklaart kennis te hebben genomen van het verzoek van

.......... (naam voluit),

in welk verzoekschrift wordt verzocht:

.......... (tekst petitum).

Ondergetekende verzet zich niet tegen het gevraagde.

Ondergetekende weet dat hij/zij het recht heeft verweer te voeren tegen het verzochte.

Ondergetekende zal echter geen verweer voeren en heeft er geen bezwaar tegen dat de rechtbank zonder mondelinge behandeling beslist op het genoemde verzoekschrift.

Ondergetekende machtigt mr. .......... om deze verklaring over te leggen aan de rechtbank.

.......... (plaats)

.......... (datum)

.......... (handtekening)

Mr. .......... verklaart hierbij het hiervoor genoemde verzoek besproken te hebben met de ondertekenaar van deze referteverklaring voordat deze gemelde verklaring heeft ondertekend, terwijl ondergetekende aan de hand van een geldig legitimatiebewijs heeft geconstateerd dat bovenstaande handtekening afkomstig is van degene die de betreffende verklaring aflegt.

.......... (handtekening advocaat)

Bijlage 2: Aanvullende bepalingen digitaal procederen (artikel 1.3. 1.4, 2.2 en hoofdstuk 8)

Bij de volgende rechtbanken is vrijwillig digitaal procederen mogelijk door de advocatuur, Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen voor de in artikel 1.1 genoemde verzoeken vanaf de hierna te noemen datum:

  • rechtbank Gelderland, vanaf 27 november 2023

  • rechtbank Amsterdam, vanaf 22 april 2024

  • rechtbank Limburg, vanaf 22 april 2024

  • rechtbank Midden-Nederland, vanaf 22 april 2024

  • rechtbank Oost-Brabant, vanaf 22 april 2024

  • rechtbank Den Haag, vanaf 3 juni 2024

  • rechtbank Noord-Holland, vanaf 3 juni 2024

  • rechtbank Noord-Nederland, vanaf 3 juni 2024

  • rechtbank Overijssel, vanaf 3 juni 2024

  • rechtbank Rotterdam, vanaf 3 juni 2024

  • rechtbank Zeeland-West-Brabant, vanaf 3 juni 2024

Bijlage 3: Regels voor het gebruik van Veilig Mailen (artikelen 1.2, 1.3, 1.6 en 1.11)

Voor communicatie via Veilig Mailen gelden, in aanvulling op de overige regels in dit procesreglement, de volgende regels.

  • 3.1 Gebruik Veilig Mailen

    Bij het gebruik van Veilig Mailen maakt de verzender gebruik van het hiertoe aangewezen e-mailadres van de voorziening voor Veilig mailen van de Rechtspraak zoals dat per rechtbank en per zaaksoort staat vermeld op www.rechtspraak.nl. Daar staat ook vermeld op welke wijze een partij kan verzoeken om toegang tot Veilig Mailen.

  • 3.2 Een e-mail betreft één zaak/karakter e-mail

    Een via Veilig Mailen verzonden e-mailbericht heeft uitsluitend betrekking op één zaak.

    Een e-mailbericht heeft het karakter van een envelop. De inhoud wordt opgenomen in de bijlage(n) bij het e-mailbericht.

    Als een bijlage informatie bevat die ingevolge een wettelijke regeling geheim moet blijven of waarvan ingevolge een wettelijke regeling slechts beperkt mag worden kennis genomen, vermeldt de indiener van het stuk dit uitdrukkelijk in de e-mail.

  • 3.3 Communicatie door de rechtbank via Veilig Mailen

    De rechtbank kan een (proces-)stuk of bericht verzenden via Veilig Mailen, indien de geadresseerde:

    • hierom heeft verzocht, of

    • akkoord is gegaan met een verzoek van de rechtbank in te stemmen met Veilig Mailen, of

    • zelf via Veilig Mailen met de rechtbank heeft gecommuniceerd.

  • 3.4 Onderwerpregel e-mailbericht

    Bij gebruik van Veilig Mailen vermeldt de onderwerpregel van het e-mailbericht uitsluitend:

    • ingeval van een nieuwe zaak: de woorden ‘nieuwe zaak’;

    • ingeval van een lopende zaak: het zaaknummer.

    In geen geval vermeldt de indiener in de onderwerpregel persoonsgegevens of andere vertrouwelijke informatie.

  • 3.5 Wijze van verzenden van bestanden

    (Proces)stukken en berichten zijn als afzonderlijke bestanden bij het e-mailbericht gevoegd. De naam van deze bestanden bevatten een omschrijving en een dagtekening in de vorm van jjmmdd. De bestanden voldoen aan het Pdf-formaat, tenzij het stuk niet in een Pdf-formaat kan worden verstuurd, of de aard van het stuk zich daartegen verzet. In dat geval kan de indiener de rechtbank telefonisch verzoeken indiening van een ander bestandsformaat toe te staan. De bijlagen zijn doorlopend genummerd.

  • 3.6 Maximumomvang via Veilig Mailen te verzenden bijlagen

    Een bijlage bij een mailbericht heeft een maximumomvang van 25 MB.

    Als een bijlage groter is dan 25 MB, wordt deze per post aan de griffie van de rechtbank verzonden of wordt deze afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank.

  • 3.7 Veilig Mailen van stukken die moeten worden voorzien van een originele (‘natte’) handtekening

    Als de wet ondertekening van stukken vereist, worden deze voorzien van een originele (‘natte’) handtekening en gescand als Pdf-bestand via Veilig Mailen ingediend.

  • 3.8 Verstoring toegang Veilig Mailen en verschoonbare termijnoverschrijding

    Als op de laatste dag van een voor de indiener geldende termijn voor indiening van een processtuk of bericht een niet aan hem toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot Veilig Mailen, is een daardoor veroorzaakte overschrijding van de termijn verschoonbaar als het processtuk of bericht uiterlijk wordt ingediend op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring is verholpen.

  • 3.9 Mailen door de rechtbank met bestuursorganen en andere instanties

    Indien de rechtbank met bestuursorganen of andere organisaties via een versleutelde verbinding kan mailen, geldt deze vorm van mailen als Veilig Mailen in de zin van dit procesreglement.

Procesreglement Adoptie en Overige (Boek 1)zaken

1 Algemeen

  • 1.1 Dit reglement is van toepassing op

    • verzoeken die betrekking hebben op titel 12 van Boek 1 BW en titel 6 van Boek 10 BW (hierna: Adoptiezaken);

    • verzoeken die betrekking hebben op de in bijlage 2 genoemde artikelen (hierna: Overige (Boek 1)zaken);

    • verzoeken op grond van artikel 34 Paspoortwet. In deze zaken is tussenkomst van een advocaat niet verplicht.

  • 1.2 Als niet-digitaal wordt geprocedeerd, worden het verzoekschrift, het verweerschrift en overige processtukken en berichten als volgt ingediend:

    • door toezending per post aan de griffie van de rechtbank, afdeling familie- en jeugdzaken; www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken.

    • door afgifte aan de Centrale Balie van de rechtbank www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken;

    • door toezending via Veilig Mailen, mits het processtuk of het bericht, met eventuele bijlage(n), direct per post aan de griffie van de rechtbank wordt nagezonden of wordt afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank, onder de uitdrukkelijke vermelding dat het reeds eerder via Veilig Mailen ingediende stukken betreft. Voor toezending via Veilig Mailen gelden daarnaast de in Bijlage 11 vermelde regels. Verzendingen via Veilig Mailen die vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend, tenzij een termijn op een ander tijdstip op die dag eindigt.

  • 1.3 Onder Veilig Mailen wordt verstaan: de voorziening van de Rechtspraak voor het verzenden en ontvangen van beveiligde e-mail naar en door de rechtbank www.rechtspraak.nl/veilig-mailen-met-de-rechtspraak.

    Een partij die digitaal procedeert kan via Veilig Mailen geen verzoeken en mededelingen doen of processtukken indienen. Audio- en videobestanden worden wel verstuurd via Veilig Mailen.4 In ‘Mijn Rechtspraak’ moet dan een bericht worden geüpload waarmee de rechtbank hierover wordt geïnformeerd.

  • 1.4 Proceshandelingen worden weergegeven in het voor advocaten toegankelijke elektronisch familiejournaal. Een advocaat gebruikt voor het indienen van stukken en voor het berichten van de rechtbank een F-formulier (beschikbaar in het elektronisch familiejournaal).

    Van alle berichten aan de rechtbank dient tegelijkertijd een afschrift aan belanghebbende(n) en – indien de zaak betrekking heeft op een minderjarige – aan de Raad voor de Kinderbescherming te worden gezonden. Wanneer de zaak betrekking heeft op een onder toezicht gestelde, dient er tevens een exemplaar van de berichten aan de GI belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling (hierna: de GI) te worden gezonden.

    Uit het F-formulier moet blijken dat hieraan is voldaan.

    1.5 Van de verzending van een via Veilig Mailen verzonden processtuk of bericht is een bevestiging van de ontvangst beschikbaar, die de verzender zelf kan inzien of ophalen bij de dienst Veilig Mailen die de verzender gebruikt.

    Als tijdstip waarop de rechtbank een processtuk of een bericht via Veilig Mailen heeft ontvangen, geldt het tijdstip waarop het processtuk of het bericht een systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor de rechtbank verantwoordelijkheid draagt (ZIVVER). Dit tijdstip staat vermeld in de ontvangstbevestiging.

  • 1.6 Op alle berichten dient het zaaknummer en/of rekestnummer te worden vermeld.

  • 1.7 Indien niet aan het voorgaande wordt voldaan, wordt het bericht teruggezonden en wordt op de inhoud geen acht geslagen, tenzij het een verweerschrift betreft.

  • 1.8 Hetgeen hiervoor onder 1.4, 1.6 en 1.7 is gemeld, geldt niet voor brieven van minderjarigen.

  • 1.9 Mededelingen in het elektronisch familiejournaal worden als schriftelijke mededelingen in de zin van dit reglement beschouwd.

  • 1.10 De rechtbank bericht partijen per brief, per telefoon of via Veilig Mailen.

  • 1.11 De Algemene termijnenwet is van toepassing. Een termijn wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag als deze eindigt in het weekend of op een algemeen erkende feestdag.

  • 1.12 Processtukken worden uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingediend, tenzij de wet of het procesreglement voorschrijft dat de stukken eerder moeten worden ingediend.

  • 1.13 Indien meer dan één bijlage wordt overgelegd, dient daarbij een inhoudsopgave gevoegd te worden en dienen de bijlagen genummerd te worden.

    Bij het overleggen van gegevens, stukken of multimediabestanden moeten partijen aangeven ter toelichting of staving van welke stelling deze zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is. Partijen moeten bij audio- en videobestanden aangeven op welke minuut/minuten het voor de procedure relevante deel staat en van dat deel een transcriptie overleggen. Indien hieraan niet voldaan wordt, kan de rechter de overgelegde gegevens of stukken of multimediabestanden buiten beschouwing laten.

  • 1.14 Een partij die zijn verzoek verandert of vermeerdert, of de grondslag daarvan verandert of vermeerdert, vermeldt dit in de kop van het processtuk.

  • 1.15 Voorwerpen kunnen ter griffie worden gedeponeerd. Van het depot maakt de griffier een akte op, die aan het dossier wordt toegevoegd en die in kopie aan partijen wordt verstrekt.

    Indien vanwege de aard van het in depot te geven stuk of voorwerp depot ter griffie niet in aanmerking komt, kan het voorwerp op een andere plaats worden gedeponeerd. In de akte wordt die plaats vermeld.

    Indien een partij een gegevensdrager zoals een usb-stick deponeert, doet die partij gelijktijdig een kopie van deze gegevensdrager aan de andere partij(en) toekomen.

  • 1.16 Indien een partij kennis wenst te nemen van het door de rechtbank aangelegde dossier in zijn zaak, stelt de rechtbank hem hiertoe in de gelegenheid.

  • 1.17 Stukken die in een vreemde taal zijn gesteld, moeten zijn voorzien van een beëdigde vertaling in de Nederlandse taal.

    Indien het stukken betreft in de Engelse, Duitse of Franse taal behoeft in beginsel geen vertaling te worden overgelegd, tenzij de rechter er om vraagt als hij dat nodig of wenselijk acht voor de behandeling van de zaak, mede gelet op de belangen van de wederpartij.

  • 1.18 Waar in dit reglement gesproken wordt over het overleggen van een BRP-uittreksel, kan ook worden volstaan met overlegging van de burgerservicenummers (BSN) of kopieën van legitimatiebewijzen van partijen waarop het BSN staat vermeld. Deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en worden niet aan de andere partij(en) gestuurd.

    Als op een ander processtuk een BSN staat vermeld en de partij die het betreffende stuk heeft ingediend niet wenst dat het BSN wordt gedeeld, dan is het de verantwoordelijkheid van die partij om het BSN onleesbaar te maken.

  • 1.19 Waar in dit reglement gesproken wordt over het overleggen van een uittreksel uit het gezagsregister, geldt, voor een ieder die beschikt over toegang tot het gezagsregister, dat kan worden volstaan met overlegging van een geprint uittreksel.

  • 1.20 Indien een partij niet in de BRP voorkomt of als het BRP-uittreksel niet alle nationaliteiten vermeldt, dienen andere bewijsstukken ten aanzien van de nationaliteit(en) te worden overgelegd. De genoegzaamheid daarvan staat ter beoordeling van de rechter. Alle stukken moeten zijn gedateerd en gewaarmerkt. De stukken mogen niet langer dan drie maanden voor indiening van het verzoekschrift zijn afgegeven.

2 Indiening verzoekschrift

(zie ook artikelen 5, 278, 279, 281 en 798 tot en met 813 Rv)

  • 2.1 Iedere werkdag kan een verzoekschrift met bijlagen ter griffie worden ingediend. Indien sprake is van één of meer belanghebbenden, moeten er evenzovele extra verzoekschriften met bijlagen worden bijgevoegd.

  • 2.2

    • a. Het verzoekschrift vermeldt het volgende:

      • de voornamen, (geslachts)naam en woonplaats, dan wel – bij gebreke van een woonplaats in Nederland – de werkelijke verblijfplaats van de verzoeker en van alle belanghebbenden, en de gewone verblijfplaats van de minderjarige(n) voor zover het verzoek op hen betrekking heeft;

      • indien de zaak betrekking heeft op een onder toezicht gestelde minderjarige:

      • de naam en het adres van de GI;

        in Adoptiezaken: de geslachtsnaam van eventueel andere (adoptief)kinderen aanwezig in het gezin tot wie beide ouders in familierechtelijke betrekking staan en – indien het verzoek betrekking heeft op een afstandsmoeder die woonplaats heeft gekozen bij de FIOM – de uitdrukkelijke vermelding daarvan;

    • b. bij de indiening van het verzoekschrift moeten worden overgelegd:

      • van de verzoeker(s) en de minderjarige(n): het BSN of kopieën van hun legitimatiebewijzen waarop het BSN staat vermeld. Deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd;

      • de stukken zoals vermeld in bijlagen 2 en 3 (Overige (Boek 1)zaken) dan wel bijlage 1 (Adoptiezaken);

      • in Adoptiezaken: een afschrift van de geboorteakte(n) van eventueel andere (adoptief) kinderen aanwezig in het gezin tot wie beide ouders in familierechtelijke betrekking staan;

      • overige stukken die kunnen dienen tot bewijs van de gestelde feiten.

    Indien digitaal wordt geprocedeerd worden de huwelijksakte en de geboorteakte(s) digitaal ingediend op de wijze zoals vermeld in Hoofdstuk 8. Van deze akte(s) moet een scan (in kleur) van het originele gedateerde en gewaarmerkte afschrift als Pdf-bestand worden ingediend. De rechtbank kan daarnaast bevelen dat het origineel van deze akte(s) wordt nagezonden.

    In Overige (Boek 1)zaken geldt voorts:

    • c. Als belanghebbenden gelden in elk geval de in bijlagen 2 en 4 vermelde belanghebbenden;

    • d. Indien verzoeker van mening is dat een in bijlagen 2 en 4 vermelde belanghebbende in casu geen belanghebbende is, dient hij dat gemotiveerd en met stukken onderbouwd te vermelden.

      Indien verzoeker van mening is dat er meer belanghebbenden zijn dan in bijlagen 2 en 4 vermeld, dient hij dat ook gemotiveerd en met stukken onderbouwd te vermelden.

    • e. Wanneer er sprake is van anderen wier verklaring naar de mening van verzoeker in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, dient van hen ook naam en woonplaats, dan wel – bij gebreke van een woonplaats in Nederland – de werkelijke verblijfplaats, met volledige adresgegevens te worden vermeld (deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd).

  • 2.3 Wanneer het verzoekschrift is ontvangen, wordt het ingeschreven. Er wordt een ontvangstbevestiging met vermelding van het zaaknummer aan verzoeker of diens procesvertegenwoordiger gestuurd.

    Wanneer bij indiening van het verzoekschrift niet alle ingevolge artikel 2.2 over te leggen stukken ter griffie zijn binnengekomen, wordt dit bij voormelde ontvangstbevestiging tevens aangegeven. De ontbrekende gegevens moeten zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, in één keer worden overgelegd. Wanneer op de in de ontvangstbevestiging of rolmededeling aangegeven datum de verzoeker(s) aan de verplichting van artikel 2.2 niet volledig heeft/hebben voldaan zonder dat daarvoor schriftelijk klemmende redenen zijn aangevoerd, kan/kunnen hij/zij in het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

    Indien niet tijdig schriftelijk klemmende redenen zijn aangevoerd, wordt er van uitgegaan dat verzoeker(s) geen prijs stelt/stellen op een mondelinge behandeling.

    Niet-ontvankelijkverklaring zonder mondelinge behandeling blijft in beginsel achterwege, indien vóór het verstrijken van de hierboven vermelde termijn een verweerschrift is ingediend.

  • 2.4 Indien er, analoog aan artikel 223 Rv, een voorlopige voorziening verzocht wordt, dient dit bij voorkeur bij afzonderlijk verzoekschrift te gebeuren. Indien sprake is van een of meer belanghebbenden, dienen evenzovele extra verzoekschriften te worden ingediend. Op het verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening moet – indien bekend – het zaaknummer van de bodemprocedure worden vermeld.

  • 2.5 Indien verzoeker griffierecht is verschuldigd, dient dit binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank waar de behandeling plaatsvindt of ter griffie te zijn gestort.

    Wanneer in een verzoekschrift verzoeken die onderling samenhang vertonen, worden gecombineerd, wordt slechts éénmaal griffierecht berekend. Indien onderlinge samenhang ontbreekt, wordt het verzoek, na overleg met de advocaat, gesplitst en wordt evenzovele malen griffierecht geheven als er na splitsing zaken zijn ontstaan.

    Heeft verzoeker het verschuldigde griffierecht niet tijdig voldaan, dan verklaart de rechter verzoeker in beginsel niet-ontvankelijk in het verzoek.

  • 2.6 Tenzij de rechtbank zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst (artikel 279 Rv), verzendt zij gelijktijdig met de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2.3 een afschrift van het verzoekschrift aan belanghebbende(n) en, indien de zaak betrekking heeft op een minderjarige respectievelijk een onder toezicht gestelde minderjarige, aan de Raad voor de Kinderbescherming respectievelijk GI.

    Bij toezending van het verzoekschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming of de GI, belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, wordt, indien dat het geval is, meegedeeld dat nog niet bepaald is of een mondelinge behandeling zal plaatsvinden, dat de Raad voor de Kinderbescherming of de GI, belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, binnen twee weken kan laten weten een mondelinge behandeling nodig te vinden en dat bij gebreke van een dergelijk bericht de rechtbank naar bevind van zaken zal handelen.

    Wanneer de in dit artikel genoemde toezending gepaard gaat met een oproeping voor een mondelinge behandeling, vindt verzending plaats overeenkomstig artikel 5.3; in de overige gevallen per gewone brief.

  • 2.7 In Overige (Boek 1)zaken geldt:

    Bij de in artikel 2.6 genoemde toezending kan de rechtbank de belanghebbende(n) in de gelegenheid stellen een instemmingsverklaring (zie als voorbeeld bijlage 5) aan de griffie te sturen, waarbij een duidelijk leesbare kopie van een geldig legitimatiebewijs moet worden gevoegd.

3 Verweerschrift

(zie ook artikelen 279 en 282 Rv)

  • 3.1 Het verweerschrift met eventuele bijlagen wordt in tweevoud (Overige (Boek 1)zaken) dan wel drievoud (Adoptiezaken) ingediend.

    Indien sprake is van meer dan één belanghebbenden, moeten er evenzovele extra verweerschriften worden bijgevoegd.

  • 3.2 Indien een niet door een advocaat vertegenwoordigde belanghebbende laat weten verweer te willen voeren wordt het eventueel ingediende verweerschrift teruggestuurd. Daarbij wordt vermeld dat een verweerschrift alleen door tussenkomst van een advocaat kan worden ingediend. Tijdens de mondelinge behandeling mag door de belanghebbende zonder bijstand wel mondeling verweer worden gevoerd en hij mag ter voorbereiding daarvan vooraf stukken indienen met inachtneming van de in dit procesreglement genoemde termijnen.

  • 3.3 De hiervoor onder artikel 2.2 en 2.3 opgenomen bepalingen betreffende het verzoekschrift zijn van overeenkomstige toepassing op het zelfstandig verzoek in het verweerschrift, voor zover deze stukken niet reeds zijn overgelegd.

  • 3.4 In Overige (Boek 1)zaken geldt:

    Tot aan de mondelinge behandeling kan een referteverklaring worden overgelegd. De referteverklaring is een schriftelijke door een belanghebbende ondertekende verklaring opgesteld conform bijlage 6 bij dit reglement en geautoriseerd door een advocaat, waaruit genoegzaam blijkt dat de belanghebbende kennis heeft genomen van het verzoekschrift, dat geen verweer zal worden gevoerd en dus ook wordt afgezien van een mondelinge behandeling.

    Indien de ondertekende verklaring niet is geautoriseerd, wordt er alsnog een mondelinge behandeling gehouden.

    Indien de referteverklaring wordt ingediend door de advocaat van de belanghebbende zelf is deze vormvrij en behoeft geen gebruik te worden gemaakt van de bijlage. Wel dient verklaard te worden dat de belanghebbende heeft kennis genomen van de inhoud van het verzoekschrift, dat geen verweer gevoerd zal worden en dat afgezien wordt van een mondelinge behandeling. De verklaring dient door de belanghebbende en de advocaat te zijn ondertekend.

    Voor de indiening van een referteverklaring is geen griffierecht verschuldigd.

    Indien verweerder griffierecht is verschuldigd, dient dit binnen vier weken na indiening van het verweerschrift te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank waar de behandeling plaatsvindt of ter griffie te zijn gestort.

  • 3.5 Indien verweerder griffierecht is verschuldigd, dient dit binnen vier weken na indiening van het verweerschrift te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank waar de behandeling plaatsvindt of ter griffie te zijn gestort.

4 Verweerschrift op zelfstandig verzoek

(zie ook artikel 282 lid 4 Rv)

De rechter kan aan de verzoeker en de belanghebbende(n) gelegenheid geven tegen dit zelfstandig verzoek een verweerschrift in te dienen.

De hiervoor onder hoofdstuk 3 opgenomen bepalingen betreffende het verweerschrift gelden ook voor het verweerschrift op zelfstandig verzoek. Het verweerschrift mag uitsluitend betrekking hebben op het (de) zelfstandig verzoek(en).

5 Behandeling van het verzoek

(zie ook artikelen 20, 22, 22b, 27, 42-22, 271 tot en met 277, 279 en 803 Rv en 1:212 BW)

  • 5.1 In Adoptiezaken geldt:

    • Wanneer verzoeker(s) een mondelinge behandeling verzoekt/verzoeken, wordt dit verzoek altijd ingewilligd.

    • Wanneer verzoeker(s) en belanghebbende(n) schriftelijk aan de rechter hebben laten weten geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling, óf het een buitenlandse adoptie betreft en er geen belanghebbenden zijn anders dan de biologische ouders, blijft de mondelinge behandeling achterwege, tenzij de rechter termen aanwezig acht toch een mondelinge behandeling te gelasten.

    • Wanneer binnen drie weken na toezending van het verzoekschrift van de zijde van de Raad voor de Kinderbescherming geen reactie is ontvangen, wordt er van uitgegaan dat de Raad geen bezwaar heeft tegen toewijzing van het verzoek.

  • 5.2 In Overige (Boek 1)zaken geldt:

    • Benoeming bijzondere curator

      In afstammingszaken betreffende minderjarigen benoemt de rechtbank zo spoedig mogelijk na ontvangst van het verzoekschrift ambtshalve een bijzondere curator. Deze dient binnen vier weken na zijn benoeming de rechtbank in vijfvoud schriftelijk verslag te doen van zijn bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen.

    • Inwinnen advies bij het Openbaar Ministerie

      Wanneer de rechtbank daartoe aanleiding ziet, kan zij het Openbaar Ministerie verzoeken een conclusie te nemen. Wanneer dit wordt verzocht terwijl nog geen mondelinge behandeling is bepaald, wordt het Openbaar Ministerie verzocht binnen zes weken te concluderen. Indien wel een mondelinge behandeling wordt bepaald, dient het Openbaar Ministerie uiterlijk één week voor de mondelinge behandeling te concluderen. De conclusie wordt in drievoud ingediend.

    • Na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator en/of de conclusie van het Openbaar Ministerie stuurt de rechtbank een afschrift daarvan aan partijen en eventuele overige procesdeelnemers. Wanneer geen mondelinge behandeling zal plaatsvinden, krijgen zij een termijn van twee weken waarbinnen zij op de conclusie van het Openbaar Ministerie schriftelijk commentaar kunnen geven.

  • 5.3 Oproeping

    Bij het bepalen van dag en tijdstip van de mondelinge behandeling wordt uitgegaan van een oproepingstermijn van vier tot acht weken en van ten minste drie maanden indien (één van) partijen in het buitenland (woont) wonen, te rekenen vanaf de binnenkomst van het verzoek, tenzij:

    • een extra termijn is gegeven voor het indienen van de ontbrekende stukken en/of;

    • de bijzondere curator en/of het Openbaar Ministerie een termijn is gegeven als bedoeld in artikel 5.2;

    • de belanghebbende(n) in Overige Boek 1(zaken) een termijn is gegeven voor een instemmingsverklaring.

    In dat geval gaat de oproepingstermijn lopen ná de ontvangst van de betreffende stukken, dan wel het verstrijken van de termijn.

    Onverminderd de artikelen 271 t/m 277 Rv vindt oproeping voor de mondelinge behandeling aldus plaats:

    • verzoeker(s) en belanghebbende(n) voor wie zich een advocaat heeft gesteld, worden via hun advocaat opgeroepen per gewone post;

    • de Raad voor de Kinderbescherming, de GI, de ambtenaar van de burgerlijke stand en het Openbaar Ministerie worden opgeroepen per gewone post;

    • partijen die alleen een bekende woonplaats buiten Nederland hebben, worden opgeroepen op de wijze zoals voorgeschreven in de EG Betekeningsverordening, het Haags Betekeningsverdrag 1965, dan wel het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, al naar gelang wat van toepassing is;

    • partijen die alleen een bekende woonplaats buiten Nederland hebben in een staat die in het geheel geen partij is bij genoemde betekeningsverdragen of de betekeningsverordening worden opgeroepen op de wijze als voorzien in artikel 271 t/m 277 Rv.

    Indien het de adoptie betreft van een Nederlands of in Nederland geboren minderjarige en het adres van de vader/moeder niet bekend is, zal hij/zij door middel van publicatie in de Staatscourant worden opgeroepen.

    Wanneer de stukken moeten worden vertaald in een taal die een op te roepen partij begrijpt, dient de verzoekende partij er op eerste verzoek van de griffie op eigen kosten zo spoedig mogelijk voor zorg te dragen dat de vertaalde stukken ter griffie worden ingediend, waarna de griffie voor toezending aan de betreffende partij zorgdraagt.

  • 5.4 Verzoeken om uitstel van de mondelinge behandeling

    Als dag en tijdstip van de mondelinge behandeling zijn vastgesteld zonder vooraf aan partijen verhinderdata op te vragen en partijen vragen binnen één week na verzending van de oproep schriftelijk uitstel van die mondelinge behandeling, zal dat uitstel, behalve bij verzoeken op grond van artikel 1:253a BW, altijd worden verleend.

    Wordt het verzoek om uitstel ingediend:

    • na afloop van bovengenoemde termijn van één week of

    • als de mondelinge behandeling met inachtneming van verhinderdata van partijen is gepland of

    • bij een verzoek op grond van artikel 1:253a BW

    dan kan uitstel worden verleend als door partijen klemmende redenen zijn aangevoerd en hiervan naar het oordeel van de rechtbank sprake is. Lopende schikkingsonderhandelingen zijn in beginsel geen klemmende redenen voor uitstel.

    De partij die uitstel vraagt, dient aan te geven of de wederpartij instemt met het uitstelverzoek en de verhinderdata van beide partijen op te geven voor de eerstkomende drie maanden dan wel een andere door de rechtbank te bepalen periode.

    De beslissing op het uitstelverzoek wordt vermeld in het elektronisch familiejournaal. De als partij of adviserende instantie betrokken Raad voor de Kinderbescherming en andere belanghebbenden, die niet door een advocaat worden vertegenwoordigd, worden van deze beslissing schriftelijk op de hoogte gesteld. Bij brief worden een nieuwe dag en tijdstip van de mondelinge behandeling meegedeeld.

    5.5 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling wordt, voor zover mogelijk, het doel van de mondelinge behandeling aan partijen medegedeeld en kunnen nadere aanwijzingen of bevelen worden gegeven over:

    • de vraagpunten of onderwerpen die de rechter tijdens de mondelinge behandeling wil bespreken;

    • door partijen of belanghebbenden nader in te dienen stukken, waaronder eventuele vertalingen van stukken;

    • de beslissing van de rechter op een eventueel verzoek van (een van) partijen om tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen mee te nemen en te doen horen;

    • door partijen mee te brengen getuigen of partijdeskundigen.

    Indien een partij die op bevel van de rechter een toelichting van zijn stellingen dient te geven of op de zaak betrekking hebbende stukken dient in te dienen, dit met een beroep op gewichtige redenen weigert, dan wel wenst dat uitsluitend de rechter kennis zal mogen nemen van die toelichting of van die in te dienen stukken, vermeldt deze partij dit in een gemotiveerd bericht aan de rechtbank.

    Deze partij zendt de te geven toelichting dan wel de in te dienen stukken op papier naar een door de rechtbank op te geven adres, onder vermelding van het zaaknummer en de mededeling dat het gaat om stukken als bedoeld in de artikelen 22 Rv.

    Een wederpartij kan binnen één week na de dag van de verzending van het in de eerste zin van dit artikel genoemde bericht, op het beroep op weigering dan wel op beperkte kennisneming bij bericht reageren.

    Een andere rechter dan de zaaksrechter beslist zo spoedig mogelijk, maar wel op een regiedag, op het beroep op weigering dan wel beperkte kennisneming van de te geven toelichting dan wel de in te dienen stukken.

  • 5.6 Duur mondelinge behandeling

    Indien een partij voorziet dat de voor de mondelinge behandeling gereserveerde tijd onvoldoende is voor een behoorlijke behandeling van de zaak, kan deze partij zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen één week na verzending van de oproep, de rechter gemotiveerd verzoeken hiervoor meer tijd te reserveren onder opgave van de verhinderdata van alle partijen. Indien deze opgave ontbreekt, wordt aan partijen medegedeeld dat de eerdere dagbepaling van kracht blijft en dat de oorspronkelijk voor de mondelinge behandeling gereserveerde tijd blijft gehandhaafd.

  • 5.7 Een gedetineerde partij deelt de rechter tijdig schriftelijk mee of hij nog zal zijn gedetineerd op de dag en tijdstip van de mondelinge behandeling.

    Indien een gedetineerde partij de mondelinge behandeling in persoon wil bijwonen, verzoekt hij zo spoedig mogelijk schriftelijk de rechter zijn aanwezigheid te bevorderen. Zijn verzoek bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • zijn voor- en achternamen (voluit);

    • zijn geboortedatum- en plaats;

    • zijn huidige verblijfplaats.

  • 5.8 Een partij die de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, draagt zorg voor een tolk. De kosten van de tolk komen voor eigen rekening van de partij.

    De rechtbank kan eisen stellen aan de kwalificaties en/of competenties van de tolk.

  • 5.9 Indien een partij de aanwezigheid van parketpolitie ter mondelinge behandeling wenselijk acht, verzoekt deze partij dit zo spoedig mogelijk en gemotiveerd bij de griffie van de rechtbank.

    Bijzonderheden van praktische aard met betrekking tot de mondelinge behandeling, zoals de grootte van de zittingsruimte of de noodzaak van beschikbaarheid van bijzondere apparatuur, worden zo spoedig mogelijk bij gemotiveerd bericht aan de rechtbank medegedeeld.

  • 5.10 Verzoeken om meegebrachte getuigen en deskundigen te horen

    Een gemotiveerd verzoek tot het doen horen van getuigen of partijdeskundigen, wordt schriftelijk ingediend. Het verzoek wordt zo spoedig mogelijk ingediend, maar uiterlijk binnen één week na verzending van de oproep, onder opgave van de gegevens van de te horen getuigen of partijdeskundige, onder verzending van een kopie aan belanghebbende(n)

    Op het verzoek kan door belanghebbende(n) tot één week na de ontvangst schriftelijk worden gereageerd.

    De rechter beslist zo spoedig mogelijk na ontvangst van de reactie van belanghebbende(n) of het ongebruikt verstrijken van de hierboven genoemde termijn van één week.

  • 5.11 Andere zittingen dan mondelinge behandeling

    De artikelen uit dit hoofdstuk (uitgezonderd artikel 5.5), zijn van overeenkomstige toepassing op andere zittingen dan de mondelinge behandeling, waaronder begrepen het (voorlopige) getuigenverhoor, het horen van een (partij)deskundige ter zitting, de (voorlopige) gerechtelijke plaatsopneming of bezichtiging.

  • 5.12 Verstrekking van informatie na de mondelinge behandeling

    Indien tijdens de mondelinge behandeling wordt geconstateerd dat nog nadere informatie nodig is kan de rechter:

    • ofwel een nieuwe dag bepalen voor voortzetting van de mondelinge behandeling met daarbij een termijn waarbinnen de informatie moet worden verschaft en zo nodig een termijn voor de wederpartij om op de verschafte informatie te reageren,

    • ofwel een termijn bepalen waarbinnen de informatie moet worden verschaft en zo nodig een termijn voor de wederpartij om op de verschafte informatie te reageren.

    Deze termijnen zijn fataal in die zin, dat de rechter geen acht zal slaan op informatie of reacties die na afloop van de gestelde termijnen zijn binnengekomen. De te laat ingekomen informatie wordt teruggezonden.

  • 5.13 Aanhouding na de mondelinge behandeling

    Indien wordt besloten de verdere behandeling aan te houden, wordt van het verhandelde tijdens de mondelinge een proces-verbaal opgemaakt of wordt een tussenbeschikking gegeven.

    De behandeling wordt aangehouden tot een nader te bepalen (pro-forma)datum. Uiterlijk twee weken voor de bedoelde pro-formadatum moeten aangeven of de mondelinge behandeling moet worden voortgezet of dat de zaak op de stukken kan worden afgedaan.

    De rechtbank zal vervolgens binnen twee weken een oproep voor een nadere mondelinge behandeling verzenden of partijen de datum van de beschikking meedelen. De datum van de beschikking wordt vermeld in het elektronisch familiejournaal. Partijen en andere procesdeelnemers die niet door een advocaat worden vertegenwoordigd, worden van deze beslissing schriftelijk op de hoogte gesteld.

  • 5.14 Kennisneming andere dossiers

    Van een dossier met betrekking tot een bij de rechtbank behandelde of in behandeling zijnde zaak waarvan kennisneming door de rechtbank van belang wordt geacht, wordt slechts kennis genomen indien is gebleken dat de partijen met dat dossier bekend zijn. In dat geval kan de rechter in overleg met de partijen, ambtshalve bedoelde dossier(s) opvragen en gebruiken.

  • 5.15 Spoedeisende zaken

    In zaken die naar het oordeel van de rechtbank of op grond van wet of verdrag spoedeisend zijn, kan worden afgeweken van bovenstaande termijnen en kan in afwijking van het bepaalde in artikel 5.4 uitstel worden geweigerd.

6 Kindgesprek

(zie ook artikel 809 Rv)

  • 6.1 In zaken waarin minderjarigen van acht jaar en ouder zijn betrokken, worden deze door de rechtbank in de gelegenheid gesteld hun mening mondeling of schriftelijk kenbaar te maken.

    Dit wordt ook gedaan:

    • indien partijen het eens zijn;

    • indien reeds een schriftelijke verklaring van de betreffende minderjarigen is overgelegd.

    • indien er een bijzondere curator voor de minderjarige is benoemd.

    In zaken waarin de voorwaarde van artikel 1:228, eerste lid, onder a, BW, van toepassing is, worden minderjarigen van twaalf jaar en ouder opgeroepen om door de rechter te worden gehoord.

  • 6.2 De minderjarigen worden buiten de mondelinge behandeling en in beginsel afzonderlijk gehoord. Van dit gesprek wordt geen proces-verbaal opgemaakt.

  • 6.3 Tijdens de mondelinge behandeling geeft de rechter kort en zakelijk weer wat de minderjarigen hebben verklaard.

  • 6.4 Aan de belanghebbenden wordt geen kopie verstrekt van de brieven van de minderjarigen.

7 Uitspraak

(zie ook artikelen 29, 30, 29a en 286 tot en met 289 Rv)

De termijn voor uitspraak is:

  • a. bij zaken waarin geen mondelinge behandeling plaatsvindt:

    vier weken na het moment dat is geconstateerd dat de zaak gereed is voor beschikking;

  • b. bij zaken waarbij een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden waar geen mondelinge uitspraak is gedaan:

    vier weken na de datum van de mondelinge behandeling of – indien nog een termijn voor overlegging van nadere informatie en een reactie daarop werd gegund – vier weken na afloop van de laatstgenoemde termijn.

Wanneer zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan te verwachten is dat de termijn van vier weken niet wordt gehaald, kan tijdens de mondelinge behandeling een langere termijn worden bepaald.

Indien de hiervoor vermelde uitspraaktermijnen niet gehaald worden, wordt dit vermeld in het elektronisch familiejournaal, met vermelding van een nieuwe uitspraakdatum. Partijen en andere procesdeelnemers die niet door een advocaat worden vertegenwoordigd, worden van deze beslissing schriftelijk op de hoogte gesteld.

De hiervoor genoemde termijnen zijn bedoeld als maximumtermijnen.

8 Digitaal procederen

(zie ook artikel 33 Rv)

  • 8.1 Toepasselijkheid overige bepalingen

    De bepalingen van de overige hoofdstukken van dit procesreglement zijn ook van toepassing indien digitaal wordt geprocedeerd, behoudens indien en voor zover hierna daarvan wordt afgeweken.

    Daarnaast gelden de regels die zijn opgenomen in:

  • 8.2 Begripsbepalingen

    In dit hoofdstuk worden de begrippen uit de wet gebruikt.

    Ter verduidelijking hiervan of in aanvulling hierop is de betekenis van onderstaande begrippen in dit hoofdstuk (in alfabetische volgorde) de volgende:

    • a. Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid: het koppelvlak bestemd voor digitaal verkeer tussen systemen van partijen dan wel hun advocaten of gemachtigden en de rechtbank;

    • b. belanghebbende: degene tegen wie een verzoek in eerste aanleg is gericht of wiens rechten en verplichtingen rechtstreeks bij een verzoek zijn betrokken of die anderszins als belanghebbende moet worden aangemerkt;

    • c. bericht: een mededeling, niet zijnde een processtuk, tussen de rechtbank en een of meer partijen via de daartoe aangewezen digitale weg;

    • d. digitaal dossier: alle in een zaak ingediende processtukken, berichten en de beslissingen van de rechtbank daarop;

    • e. indienen: het digitaal aanleveren van processtukken of bewijsstukken, onder bijvoeging van het daartoe bestemde F-formulier;

    • f. processtuk: ieder stuk van een partij waarin het standpunt van die partij naar voren wordt gebracht;

    • g. verzoeker: de partij die een verzoek indient;

    • h. webportaal ‘Mijn Rechtspraak’: de beveiligde digitale omgeving waarin belanghebbenden, advocaten en andere (professionele) gemachtigden toegang hebben tot het digitale systeem van de rechtbank en het digitale dossier.

  • 8.3 Mogelijkheid van digitaal procederen

    Digitaal procederen bij de rechtbank is alleen mogelijk, indien en voor zover de wet bepaalt of uit de wet volgt dat partijen in (een) bepaalde categorie(ën) van zaken, hetzij de mogelijkheid hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (vrijwillig digitaal procederen), hetzij de verplichting hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (verplicht digitaal procederen). De categorieën van zaken waarin (vrijwillig of verplicht) digitaal procederen mogelijk is, staan vermeld in de bij dit procesreglement behorende Bijlage 10.

  • 8.4 Toegang tot het webportaal

    Een belanghebbende heeft toegang tot het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ als hij beschikt over een inlogmiddel, zoals omschreven in het Reglement inzake de toegang tot en het gebruik van systeem DT Rechtspraak.

    Een belanghebbende heeft in het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ toegang tot het digitaal dossier in de aanhangige zaken waarin hij partij is. Een partij die niet zelf digitaal procedeert, kan de rechtbank verzoeken hem mee te delen op welke wijze hij toegang kan krijgen tot het digitaal dossier.

  • 8.5 Gevolgen van digitaal procederen

    De partij die digitaal procedeert, gaat ermee akkoord dat:

    • zij geen papieren afdrukken of kopieën van processtukken of berichten ontvangt;

    • de verzending van daarvoor in aanmerking komende processtukken of berichten niet aangetekend geschiedt.

  • 8.6 Wissel van niet-digitaal naar digitaal procederen en omgekeerd

    Een partij die vrijwillig digitaal procedeert en voortaan niet meer digitaal wil procederen, of omgekeerd, verzoekt dit de rechtbank bij bericht. Een wissel wordt in een procedure in beginsel maar één keer toegelaten.

    De wissel is effectief vanaf de datum die in de bevestiging van de rechtbank wordt genoemd. De wissel wordt aan de verzoeker en aan alle belanghebbenden bevestigd.

    Een partij die wisselt naar digitaal procederen, krijgt ook digitaal toegang tot eerder gewisselde processtukken en berichten die in het digitaal dossier zijn opgeslagen.

  • 8.7 Wijze van indiening van processtukken en stukken

    Voor het indienen van processtukken en stukken gelden de volgende voorschriften:

    • een partij voorziet ieder processtuk of bewijsstuk dat zij indient van een benaming bestaande uit een verkorte partijnaam, een (doorlopend) volgnummer en een verkorte aanduiding van de inhoud ervan. Een door een partij gekozen partijnaam wordt door die partij en alle andere partijen consequent gehanteerd;

    • de in te dienen stukken worden als afzonderlijke digitale bestanden geüpload, waarbij de stukken op zodanige wijze worden aangeleverd dat deze in de juiste volgorde kunnen worden geraadpleegd.

  • 8.8 Indiening van berichten en processtukken/ontvangstbevestiging bij digitaal procederen

    De indiening van het verzoekschrift, verweerschrift en overige processtukken en berichten vindt plaats door toezending aan de griffie van de rechtbank via het Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid of via het webportaal.

    De ontvangst van processtukken en berichten wordt automatisch bevestigd.

  • 8.9 Kennisgeving bij digitaal procederen/berichten van de rechtbank aan partijen

    Indien de rechtbank een processtuk, een uitspraak of een bericht in het digitale systeem heeft geplaatst, ontvangt iedere partij die digitaal moet procederen of die heeft laten weten digitaal te procederen en daarbij een e-mailadres heeft opgegeven, daarvan een kennisgeving (notificatie). Het tijdstip waarop deze kennisgeving wordt verstuurd, geldt als het tijdstip waarop het desbetreffende processtuk of bericht aan die partij bekend is gemaakt. Voor dit doel wordt bij de eerste keer dat een partij in een zaak inlogt in het webportaal, een e-mailadres gevraagd. Deze partij is te allen tijde verantwoordelijk voor de werking, de toegankelijkheid, de beschikbaarheid en de raadpleging van dit adres. Indien die partij geen e-mailadres verstrekt, geldt dit als een mededeling dat hij geen kennisgevingen wenst te ontvangen. Dit is voor rekening en risico van die partij.

    De rechtbank bericht partijen door plaatsing van een bericht in het door partijen te raadplegen digitaal dossier in hun zaak.

  • 8.10 Aantal in te dienen exemplaren

    Het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken, het verweerschrift en de bijgevoegde stukken, en de eventueel tijdens de mondelinge behandeling in te dienen processtukken of de in het geding te brengen bewijsstukken worden in enkelvoud ingediend, met een kopie aan iedere belanghebbende indien en zolang deze op papier procedeert.

  • 8.11 Meer dan één verzoeker en/of meer dan één belanghebbende

    Indien wordt geprocedeerd door meer dan één verzoeker of wordt geprocedeerd tegen meer dan één belanghebbende, maakt elk van partijen duidelijk door welke partij(en) het verzoek is ingediend en wie belanghebbende(n) is/zijn.

    Een belanghebbende die digitaal procedeert en niet wenst dat een andere belanghebbende in dezelfde procedure voortaan nog kennis kan nemen van door hem in te dienen processtukken of berichten, verzoekt de rechtbank op duidelijk kenbare wijze om afsplitsing van zijn zaak alvorens zijn volgende processtuk of bericht aan het dossier toe te voegen.

    Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op de verzoeker die niet wenst dat andere verzoekers in dezelfde procedure voortaan nog kennis kunnen nemen van door hem in te dienen processtukken of berichten.

  • 8.12 Uitsluiting van digitaal procederen

    De rechtbank kan een partij of de gemachtigde van die partij tijdelijk of blijvend uitsluiten van het gebruik van het digitale systeem, indien hij aantoonbaar een gevaar vormt voor de integriteit van het digitale systeem of indien hij het digitale systeem verstoort. De uitsluiting wordt medegedeeld bij bericht en heeft alleen betrekking op de procedure waarin de rechtbank deze beslissing heeft genomen.

    Na de uitsluiting van het gebruik van het digitale systeem, wordt de procedure voortgezet volgens de regels die gelden voor niet-digitaal procederen.

  • 8.13 Verstrekking afschrift uitspraak

    De uitspraak kan ook digitaal ter beschikking worden gesteld.

    Van de uitspraak wordt aan de partij die daarbij belang heeft een voor tenuitvoerlegging bestemd afschrift (grosse) verstrekt. Deze grosse wordt altijd op papier verstrekt.

Bijlage 1: Over te leggen stukken in Adoptiezaken

In zijn algemeenheid geldt: afschriften van akten, beschikkingen, vonnissen en verklaringen moeten origineel en/of gelegaliseerd en/of geverifieerd zijn conform de Circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek d.d. 28 februari 2023, Stcrt. 2023, 8509, geldig t/m 1 januari 20245. Uittreksels uit de registers moeten origineel dan wel gewaarmerkt zijn.

A. Bij de adoptie van een Nederlands kind
  • 1. Een BRP-uittreksel, van verzoeker(s) en de minderjarige, gedateerd en niet ouder dan drie maanden, met vermelding van alle nationaliteiten van verzoeker(s) en de minderjarige. Als het BRP-uittreksel niet alle nationaliteiten vermeldt, dan dient een ander bewijsstuk van de nationaliteiten te worden overgelegd.

    Uit het BRP-uittreksel moet tevens blijken dat:

    • verzoeker(s) op de dag van de indiening van het verzoek ten minste drie jaar op een gezamenlijk adres woonachtig is/zijn (tenzij de situatie zoals genoemd in artikel 1:227 lid 2, laatste volzin, BW zich voordoet);

    • verzoeker en de minderjarige op de dag van de indiening van het verzoek ten minste één jaar op een gezamenlijk adres woonachtig zijn.

    Indien op het BRP-uittreksel niet het BSN van de minderjarige staat vermeld:

    • opgave van het BSN van de minderjarige (zie ook artikel 1.18).

  • 2. Een afschrift van de geboorteakte van verzoeker(s) en van de minderjarige, gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden.

  • 3. Het BRP-uittreksel van de niet met het gezag belaste ouder van de minderjarige of een BRP-uittreksel waaruit blijkt dat deze ouder niet meer op het laatst bekende adres woonachtig is (zie ook artikel 1.18).

  • 4. Een uittreksel uit het gezagsregister van de minderjarige, gedateerd en niet ouder dan drie maanden.

  • 5. Een afschrift van de huwelijksakte / de akte geregistreerd partnerschap / het samenlevingscontract van verzoeker(s), gedateerd en gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden.

  • 6. Indien het gezag van (een van) de ouder(s) van de minderjarige is beëindigd: een afschrift van de beschikking beëindiging van het gezag.

  • 7. Indien (een van) de ouder(s) van de minderjarige is overleden: de overlijdensakte van deze ouder(s).

  • 8. Indien een belanghebbende de Nederlandse taal niet machtig is: een vertaald afschrift van het verzoekschrift.

  • 9. Indien artikel 1:5 lid 3 BW van toepassing is: een schriftelijke verklaring (volgens bijlage 2) van verzoeker(s) omtrent de geslachtsnaam van het adoptief kind.

  • 10. Indien wordt verzocht om de adoptie van een minderjarige van 16 jaar of ouder: de verklaring van deze minderjarige omtrent de geslachtsnaam (artikel 1:5 lid 7 BW).

  • 11. Bij een herhaald verzoek: een afschrift van de rechterlijke uitspraak, waarbij het verzoek is afgewezen.

B. Bij de adoptie van een buitenlands kind en bij erkenning van een adoptie
  • 1. Een BRP-uittreksel, van verzoeker(s) en de minderjarige, gedateerd en niet ouder dan drie maanden, met vermelding van alle nationaliteiten. Als het BRP-uittreksel niet alle nationaliteiten vermeldt, dan dient een ander bewijsstuk van de nationaliteiten te worden overgelegd.

    Uit het BRP-uittreksel moet tevens blijken dat:

    • verzoeker(s) op de dag van de indiening van het verzoek ten minste drie jaar op een gezamenlijk adres woonachtig zijn;

    • verzoeker(s) en de minderjarige op de dag van de indiening van het verzoek ten minste één jaar op een gezamenlijk adres woonachtig zijn (deze termijn geldt niet bij erkenning van een adoptie).

    Indien een BRP-uittreksel niet kan worden overgelegd:

    • een verklaring van de Nederlandse ambassade of het consulaat waaruit voormelde gegevens blijken.

    Indien op het BRP-uittreksel niet het BSN van de minderjarige staat vermeld:

    • opgave van het BSN van de minderjarige (zie ook artikel 1.18).

  • 2. Een afschrift van de geboorteakte van de verzoeker(s) en van de minderjarige, gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden.

    Bij het ontbreken van een buitenlandse geboorteakte:

    • onderbouwing waarom deze niet kan worden overgelegd;

    • stukken waaruit de plaats, het tijdstip en de omstandigheden van de geboorte kunnen blijken (in verband met de ambtshalve vaststelling van de geboortegegevens).

  • 3. De geldige beginseltoestemming van het Ministerie van Justitie en Veiligheid te Den Haag.

  • 4. Een afschrift van een buitenlands adoptievonnis (waaruit blijkt dat de adoptie volgens het nationale recht van het land van herkomst van de minderjarige heeft plaatsgevonden) en de daaraan ten grondslag liggende stukken of van de beschikking benoeming voogd.

  • 5. Een kopie van de relevante pagina’s uit het legitimatiebewijs van de minderjarige (deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd).

  • 6. Een uittreksel uit het gezagsregister van de minderjarige, gedateerd en niet ouder dan drie maanden.

  • 7. Een afschrift van de huwelijksakte / de akte geregistreerd partnerschap / het samenlevingscontract van verzoeker(s), gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden.

  • 8. Indien artikel 1:5 lid 3 BW van toepassing is: een schriftelijke verklaring (volgens bijlage 2) van verzoeker(s) omtrent de geslachtsnaam van het adoptief kind.

Indien geen geldige beginseltoestemming van het Ministerie van Justitie en Veiligheid te Den Haag kan worden overgelegd dienen ook te worden overgelegd:

  • 9. Indien de adoptie in het buitenland niet tot stand is gekomen, de adresgegevens van de ouders van de minderjarige in het land van herkomst.

  • 10. Indien (een van) de ouder(s) in het buitenland woont en opgeroepen dient te worden en de Nederlandse taal niet machtig is, een beëdigde vertaling van het verzoekschrift in de taal van die ouder(s).

Indien (een van) de ouder(s) van de minderjarige is overleden:

  • 11. de overlijdensakte van deze ouder(s).

Bij een herhaald verzoek:

  • 12. een afschrift van de rechterlijke uitspraak, waarbij het verzoek is afgewezen.

C. Bij éénouderadoptie (daaronder tevens begrepen stiefouderadoptie)
  • 1. Een BRP-uittreksel, van de verzoekende partij en zijn/haar echtgeno(o)t(e), geregistreerde partner of andere levensgezel en de minderjarige, gedateerd en niet ouder dan drie maanden, met vermelding van alle nationaliteiten van verzoeker en de minderjarige. Als het BRP-uittreksel niet alle nationaliteiten vermeldt, dan dient een ander bewijsstuk van de nationaliteiten te worden overgelegd.

    Uit het BRP-uittreksel moet tevens blijken dat:

    • de verzoekende partij en zijn/haar echtgeno(o)t(e), geregistreerde partner of andere levensgezel op de dag van de indiening van het verzoek ten minste drie jaar op een gezamenlijk adres woonachtig zijn (tenzij de situatie zoals genoemd in artikel 1:227 lid 2, laatste volzin, BW zich voordoet);

    • de verzoekende partij en de minderjarige op de dag van de indiening van het verzoek ten minste één jaar op een gezamenlijk adres woonachtig zijn.

    Indien op het BRP-uittreksel niet het BSN van de minderjarige staat vermeld:

    • opgave van het BSN van de minderjarige (zie ook artikel 1.18).

  • 2. Een afschrift van de geboorteakte van de verzoekende partij en van de minderjarige, gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden.

  • 3. Het BRP-uittreksel van de niet met het gezag belaste ouder van de minderjarige of een BRP-uittreksel van de waaruit blijkt dat deze ouder niet meer op het laatste bekende adres woonachtig is (zie ook artikel 1.18).

  • 4. Een uittreksel uit het gezagsregister van de minderjarige, gedateerd en niet ouder dan drie maanden.

  • 5. Een afschrift van de huwelijksakte / de akte geregistreerd partnerschap / het samenlevingscontract van verzoeker(s), gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden.

  • 6. De instemmingsverklaring van de met het gezag belaste ouder.

  • 7. Indien het gezag van (een van) de ouder(s) is beëindigd: een afschrift van de beschikking beëindiging van het gezag.

  • 8. Indien (een van) de ouder(s) van de minderjarige is overleden: de overlijdensakte van deze ouder(s).

  • 9. Indien een belanghebbende de Nederlandse taal niet machtig is: een vertaald afschrift van het verzoekschrift.

  • 10. Indien artikel 1:5 lid 3 BW van toepassing is: een schriftelijke verklaring (volgens bijlage 2) van de verzoekende partij en zijn/haar echtgeno(o)t(e), geregistreerde partner of andere levensgezel omtrent de geslachtsnaam van het adoptief kind.

  • 11. Indien wordt verzocht om de adoptie van een minderjarige van 16 jaar of ouder: de verklaring van deze minderjarige omtrent de geslachtsnaam (artikel 1:5 lid 7 BW).

  • 12. Indien de ouders van de minderjarige zijn gescheiden: een afschrift van de beschikking echtscheiding / ontbinding geregistreerd partnerschap.

Indien sprake is van adoptie door een partner van hetzelfde geslacht als de verzoekende partij dient tevens overlegd te worden:

  • 13. Bij een verzoek tot adoptie van een ongeboren vrucht: een verklaring van de arts dat de vrouw wier kind geadopteerd wordt zwanger is, met vermelding van de datum waarop de geboorte wordt verwacht en na de geboorte van het kind: een gedateerd en gewaarmerkt afschrift van de geboorteakte van het kind.

  • 14. In het geval er sprake is van een bekende donor: een verklaring van die donor conform bijlage 3 van het procesreglement, alsmede een geldig legitimatiebewijs van die donor.

  • 15. In het geval er sprake is van een onbekende donor: een verklaring als bedoeld in artikel 1:227 lid 4 BW.

Bij een herhaald verzoek:

  • 16. een afschrift van de rechterlijke uitspraak, waarbij het verzoek is afgewezen.

D. Bij herroeping adoptie
  • 1. Een BRP-uittreksel van de verzoekende partij en de adoptiefouders, gedateerd en niet ouder dan drie maanden (zie ook artikel 1.18).

  • 2. Een afschrift van de geboorteakte van de geadopteerde, gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden.

  • 3. Een afschrift van de adoptiebeschikking. Indien dit afschrift niet kan worden overgelegd: een bewijs van de latere vermelding van de adoptie in de geboorteakte van de geadopteerde.

  • 4. Bij herroeping van een Nederlands adoptie: een BRP-uittreksel van de Nederlandse biologische ouders, gedateerd en niet ouder dan drie maanden (zie ook artikel 1.18).

  • 5. Bij de herroeping van een buitenlandse adoptie: zo veel mogelijk gegevens waaruit de woonplaats van de biologische ouders kan worden afgeleid.

Bijlage 2: Overzicht van artikelen met stukken en belanghebbenden per artikel in Overige (Boek 1)zaken

Artikel

Onderwerp

De nummers verwijzen naar het overzicht in bijlage 3

De letters verwijzen naar het overzicht in bijlage 4

4

Voornaamswijziging (voor zover niet gecombineerd met een adoptieverzoek)

1, 2a, 3, 7, 8 en 40

a, b en c

9

Verbod voeren geslachtsnaam echtgeno(o)t(e)/geregistreerde partner

1, 4, 5, en 7

d

24

Aanvulling/doorhaling/ verbetering akten burgerlijke stand

1, 3, 6, 7, 9, 10 en 40

b, c, e en f

25c

Vaststelling gegevens

vervangende geboorteakte

In ieder geval: 1, 3, 7, 32, alsmede een ingevulde bijlage 6;

Zo mogelijk: 33

Daarnaast:

Bij geadopteerden: 34

Bij minderjarigen: 3, 8 en 40

a, b, c en f

25d

Wijziging onjuiste of onvolledige gegevens in geval van 1:25c

1, 3, 7, 8, 19, 35, 36 en 40

a, b, c, en f

26, 26a

Verklaring voor recht met betrekking tot buitenlandse akte

1, 3, 6a, 7, 11. 12 en 40

b, c, e en f

26b

Opname buitenlandse akte in registers burgerlijke stand (alleen rechtbank Den Haag)

1, 3, 6a, 7 en 12

b, c, e en f

27

Beroep tegen weigering medewerking ambtenaar burgerlijke stand

1, 3, 7 en 13

b, c, f en g

55

Opheffing stuiting huwelijk

1, 7, 16 en 17

h

69 e.v.

Nietigverklaring huwelijk

1, 4 en 7

a, i en in voorkomend geval f

80a lid 5

Opheffing stuiting geregistreerd partnerschap

1, 7, 16 en 17

h

80 a lid 7

Nietigverklaring geregistreerd partnerschap

1, 4 (akte geregistreerd partnerschap) en 7

a, i en in voorkomend geval f

84

Geschil echtgenoten kosten huishouding

1, 4 en 7

j

86

Opheffing aansprakelijkheid echtgenoot voor huishoudelijke schulden

1, 4 en 7

j

88 lid 6

Vervangende toestemming door rechtbank voor bepaalde rechtshandelingen

1, 4, 7, en 28

j

91

Bestuursopdracht

1, 4, 7 en 28

j

97

Beëindiging bestuursregeling beroep/bedrijf

1, 4 en 7

j

106

Verlenging termijn afstand gemeenschap

1, 4, 7, 19 en 5 of 18

j en k

109

Opheffing gemeenschap

1, 4, en 7

j

138 e.v.

Verrekening

1, 4, 5, 7, 30 en zie verder hoofdstuk 9 van het procesreglement echtscheiding

j en d

200 en 201/202a en 202b

Ontkenning vaderschap / moederschap

1, 2, 3, 4, 5, 7, 23, 24, 40 en 43

a, b en l

204 lid 3 en lid 4

Vervangende toestemming erkenning

1, 2, 3, 7, 24,26 en 44

a, b en l

205 en 205a

Vernietiging erkenning

1, 2, 3, 7, 24, 40, 42 en 45

a, b, l en in voorkomend geval f

207

Gerechtelijke vaststelling ouderschap

1, 2, 3, 7, 24, 26, 27, 40, 41 en 46

Indien dit verzoek wordt gecombineerd met een verzoek ex artikel 1: 208 BW is in zoverre het proces-

reglement alimentatie van overeenkomstige toepassing

a, l, m en r

211

Inroeping/betwisting van staat

1, 2, 3, 7, 23, 24, 40 en 47

a, b, l en n

212

Benoeming bijzondere

curator

1, 2, 3 en 7

s

409

Benoeming bewindvoerder bij afwezigheid

1, 2, 7, 28 en 37

a, o en p

412

Machtiging uitoefening recht erfgenaam/legataris

1, 2, 7, 28 en 29

a en k

413

Vaststelling van vermissing

1, 2, 7 en 28

a en o

426

Verklaring vaststelling van overlijden

1, 2, 7 en 28

a en o

34 Paspoortwet

Vervangende toestemming voor aanvraag van een reisdocument

1, 2, 3 en 7

c

Haags Kinder- alimentatie executieverdrag 1958

Verzoeken van het LBIO inzake de erkenning en

de tenuitvoerlegging van beslissingen over de onderhoudsverplichtingen

1, 7, en stukken zoals genoemd in artikel 4 van het Verdrag

q

Haags Alimentatie-executieverdrag 1973

Verzoeken van het LBIO inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van

beslissingen over de onderhoudsverplichtingen

1, 7, en de stukken genoemd in de artikelen 17 en 20 van het Verdrag

q

Haags Verdrag Kinderontvoering 1980

Gelasten onmiddellijke

terugkeer van een kind

1, 2, 3, 4, 7, 31 en de stukken genoemd in artikel 30 van het Verdrag

b, c

Verdrag van Luxemburg 1980

Art. 7: erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen

Art. 8: teruggeleiding kind

1, 2, 3, 4, 7 en de stukken genoemd in artikel 13 van het Verdrag

b, c

Uitvoeringswet internationale kinderontvoering

Art. 6: bezwaar tegen weigering verzoek door centrale autoriteit

Art. 13: gedwongen

afgifte van een internationaal ontvoerd kind

Art. 14: vaststelling wettelijk gezag, alsmede vaststelling van, uitvoering van en toezicht op de omgangsregeling van een kind in het buitenland

Art. 6: 1, 2, 3, 4, 7, 31 en 38

Art. 13: 1, 2, 3, 4, 7, 31 en 40

Art. 14: 1, 2, 3, 4, 7 en 31

b, c

b, c

b, c

Bijlage 3: Overzicht van stukken in Overige (Boek 1)zaken

In zijn algemeenheid geldt: afschriften van akten, beschikkingen, vonnissen en verklaringen moeten origineel en/of gelegaliseerd en/of geverifieerd zijn conform de Circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek d.d. 28 februari 2023, Stcrt. 2023, 8509, geldig t/m 1 januari 20246. Uittreksels uit de registers moeten origineel dan wel gewaarmerkt zijn.

  • 1. Een BRP-uittreksel (gedateerde en niet ouder dan drie maanden) van verzoeker en alle belanghebbenden met vermelding van de nationaliteit(en) en/of eventueel een vergelijkbaar buitenlands stuk. Als het BRP-uittreksel niet alle nationaliteiten vermeldt, dan dient een ander bewijsstuk van de nationaliteit(en) te worden overgelegd.

  • 2. Een authentiek afschrift van de geboorteakte – gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden –.

  • 2a. Een authentiek afschrift van de geboorteakte – gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden – dan wel de akte van inschrijving van de buitenlandse geboorteakte in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag (gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden). Indien in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand geen geboorteakte is ingeschreven: een verklaring van de ambtenaar van de burgerlijke stand dat geen geboorteakte in zijn registers voorkomt, een buitenlandse geboorteakte, gelegaliseerd en/of geverifieerd een en ander met toepassing van de Legalisatiecirculaire. Indien geen buitenlandse geboorteakte kan worden verkregen: zie artikel 25c in bijlage 1.

  • 3. Een uittreksel uit het gezagsregister (niet ouder dan drie maanden).

  • 4. Een authentiek afschrift van de huwelijksakte c.q. de akte geregistreerd partnerschap (niet ouder dan drie maanden).

  • 5. Een bewijs van inschrijving van de echtscheiding c.q. de beëindiging van het geregistreerd partnerschap.

  • 6. Een authentiek afschrift van de akte van de burgerlijke stand waarvan aanvulling/doorhaling/verbetering wordt verzocht (niet ouder dan drie maanden).

  • 6a. Een authentiek afschrift van de buitenlandse akte gelegaliseerd en/of geverifieerd met toepassing van de Legalisatiecirculaire.

  • 7. Stukken ter onderbouwing van het verzoek.

  • 8. Indien het verzoek betrekking heeft op een minderjarige en het verzoek is ingediend door één ouder: een verklaring van de andere ouder (met/zonder gezag) dat deze met het verzoek instemt, dan wel een opgave van redenen voor het ontbreken van deze verklaring.

  • 9. Een instemmingsverklaring van de relevante in de akte vermelde personen of hun wettelijke vertegenwoordigers.

  • 10. Indien het verzoek door het Openbaar Ministerie wordt ingediend: de brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand aan het Openbaar Ministerie waarin wijziging van de akte wordt verzocht, met daarin opgenomen een concreet voorstel voor de formulering van de te wijzigen punten in de akte.

  • 11. De akte van de burgerlijke stand waaraan een latere vermelding moet worden toegevoegd (niet ouder dan drie maanden).

  • 12. De brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand met diens schriftelijke reactie/advies. Indien voor het indienen van het verzoek een schriftelijke discussie met de ambtenaar van de burgerlijke stand is gevoerd: deze correspondentie.

  • 13. Het originele weigeringsbesluit van de ambtenaar van de burgerlijke stand.

  • 14. Vervallen.

  • 15. Vervallen.

  • 16. De akte van stuiting.

  • 17. Explo(o)t(en) van betekening.

  • 18. De akte van overlijden.

  • 19. Eventuele vorige beschikking(en).

  • 20. Vervallen.

  • 21. Vervallen.

  • 22. Vervallen.

  • 23. Een BRP-uittreksel, gedateerd en niet ouder dan drie maanden, met vermelding van de nationaliteit(en) van de echtgenoten of geregistreerde partners ten tijde van de geboorte van de minderjarige, dan wel indien het huwelijk of geregistreerd partnerschap voordien is ontbonden, ten tijde van de ontbinding en/of eventueel een vergelijkbaar stuk. Als het BRP-uittreksel niet alle nationaliteiten vermeldt, dan dient een ander bewijsstuk van de nationaliteit(en) te worden overgelegd.

  • 24. Indien reeds een bijzondere curator is benoemd: een afschrift van de beschikking benoeming bijzondere curator.

  • 25. Vervallen

  • 26. Een bewijsstuk dat de moeder op het tijdstip van de geboorte van de minderjarige niet gehuwd was en niet geregistreerd was als partner in de zin van de wet.

  • 27. Voor zover mogelijk een gezamenlijke verklaring van de ouders met betrekking tot de geslachtsnaam van de minderjarige, één en ander met inachtneming van artikel 1:5 BW.

  • 28. Een opgave van pogingen die zijn ondernomen om de afwezige op te sporen, een en ander onderbouwd met bewijsstukken.

  • 29.

    • Een uittreksel uit het boedelregister (artikel 4:186 BW).

    • Het bewijs van het bestaan en de omvang van het erfdeel/legaat.

  • 30. De akte van de huwelijkse voorwaarden.

  • 31. De (buitenlandse) gezags- en/of omgangsbeslissing.

  • 32.

    • Het Koninklijk besluit naturalisatie van degene wiens geboortegegevens

    • moeten worden vastgesteld.

    • Recente stukken waaruit de verblijfsstatus van degene wiens geboortegegevens moeten worden vastgesteld blijkt.

    • Afschriften van rapporten eerste en nader gehoor door de Vreemdelingendienst/IND van degene wiens geboortegegevens moeten worden vastgesteld.

    • Origineel legitimatiebewijs uit het land van herkomst van degene wiens geboortegegevens moeten worden vastgesteld.

    • Overige originele stukken uit het land van herkomst ter bevestiging van de identiteit van degene wiens geboortegegevens moeten worden vastgesteld (o.a. diploma’s, lidmaatschapskaarten, identiteitsboekjes etc.).

    • Een uitlating over pogingen die zijn ondernomen om de akte van geboorte van degene wiens geboortegegevens moeten worden vastgesteld te verkrijgen en waarom deze tevergeefs zijn geweest (met bewijsstukken) en/of waarom legalisatie en/of verificatie is geweigerd.

  • 33.

    • Een verklaring van ouders, familieleden, kennissen met betrekking tot de geboorte van degene wiens geboortegegevens moeten worden vastgesteld.

    • Een uitlating over de omstandigheden waaronder, het tijdstip waarop en de plaats waar de geboorte van degene wiens geboortegegevens moeten worden vastgesteld, heeft plaatsgehad (met bewijsstukken).

    • Een uitlating over naamsvoering (al of niet naamsketen).

    • Een uitlating over de namen en geboortegegevens ouders van degene wiens geboortegegevens moeten worden vastgesteld (met bewijsstukken).

    • De stukken die zijn overgelegd bij de naturalisatie van degene wiens geboortegegevens moeten worden vastgesteld.

    • De stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de inschrijving van degene wiens geboortegegevens moeten worden vastgesteld in de BRP.

  • 34.

    • Een authentiek afschrift van het adoptievonnis van vóór de inwerkingtreding van de Wet 7 juni 1990, Stb. 302.

    • Het bewijs van de inschrijving van het adoptievonnis.

  • 35. Een authentiek afschrift van de akte van inschrijving van de oorspronkelijke uitspraak (niet ouder dan drie maanden).

  • 36. Stukken die in de vorige procedure zijn overgelegd.

  • 37. Een bereidverklaring van de aspirant-bewindvoerder.

  • 38. De beschikking van de centrale autoriteit.

  • 39. Vervallen.

  • 40. Het BSN van de minderjarige (zie ook artikel 1.19).

  • 41. Indien de persoon ten aanzien van wie vaststelling van het ouderschap is verzocht of de moeder is overleden: een BRP-uittreksel met de vermelding van de nationaliteit(en) op het tijdstip van overlijden en/of een vergelijkbaar buitenlands stuk. Als het BRP-uittreksel niet alle nationaliteiten vermeldt, dan dient een ander bewijsstuk van de nationaliteit(en) te worden overgelegd

  • 42. Een bewijsstuk waaruit de nationaliteit(en) van de persoon die de minderjarige erkend heeft, de moeder en de minderjarige ten tijde van de erkenning blijkt (artikel 10:95 BW).

  • 43. Stukken waaruit de verblijfsstatus van de betrokkene(n) ten tijde van de geboorte van het kind blijkt.

  • 44. Stukken waaruit de huidige verblijfsstatus van de betrokkene(n) blijkt.

  • 45. Stukken waaruit de verblijfsstatus van de betrokkene(n) ten tijde van de erkenning van het kind blijkt.

  • 46. Stukken waaruit de verblijfsstatus van de betrokkene(n) ten tijde van de indiening van het verzoek blijkt.

  • 47. Stukken waaruit de verblijfsstatus van de betrokkene(n) blijkt, zowel ten tijde van de geboorte van het kind als de huidige verblijfsstatus.

Bijlage 4: Overzicht van belanghebbenden in Overige (Boek 1) zaken

Voor alle in de onderstaande lijst genoemde belanghebbenden geldt dat zij alleen belanghebbenden zijn voor zover zij niet verzoeker zijn.

  • a. Degene op wie het verzoek betrekking heeft.

  • b. Indien het verzoek betrekking heeft op een minderjarige:

    • beide ouders ongeacht de gezagssituatie

    • degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende tenminste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt

  • c. Degene die het gezag of de voogdij heeft over de minderjarige en, indien aanwezig, de met de uitvoering van een ondertoezichtstelling belaste GI.

  • d. De gewezen echtgenoot/geregistreerde partner.

  • e. Degene van wie gegevens in de akte/uitspraak zijn vermeld of wier gegevens het betreft.

  • f. De ambtenaar van de burgerlijke stand.

  • g. Degene van wie gegevens in de akte zouden moeten worden vermeld.

  • h. De aanstaande echtgenoten/geregistreerde partners, degene die gestuit heeft, de echtgenoot/geregistreerde partner die nogmaals wil huwen/een partnerschap wil laten registreren.

  • i. De echtgenoot waarmee eveneens getrouwd is (bigamie) en de derde(n) die toestemming tot het huwelijk had(den) moeten geven, te weten de ouders, de curator of de voogd.

  • j. De andere echtgenoot/geregistreerde partner.

  • k. De erfgena(a)m(en) van degene op wie het verzoek betrekking heeft.

  • l. De minderjarige (vertegenwoordigd door een bijzondere curator).

  • m. De aangewezen vader.

  • n. De gepretendeerde ouders.

  • o. De afwezige zelf, de gezinsleden van de afwezige, de vermoedelijke afstammelingen, de schuldeisers, de medevennoten, de maten etc.

  • p. De beoogd bewindvoerder.

  • q. De alimentatieplichtige.

  • r. De moeder.

  • s. De te benoemen bijzondere curator.

Bijlage 5: Instemmingsverklaring in Overige (Boek 1)zaken

Behorende bij: ..........

Zaak- of rekestnummer: ..........

Verzoekschrift van: ..........

Ingediend op: ..........

Contactpersoon: ..........

Instemmingsverklaring belanghebbende,

Naam: ..........

Woonplaats: ..........

Hierbij verklaar ik dat ik op de hoogte ben van de inhoud en strekking van het verzoekschrift en de bijbehorende bijlagen.

Ik ga akkoord met toewijzing van het verzoek, althans ik wil geen verweer voeren.

Tevens verklaar ik dat ik geen gebruik wil maken van mijn recht om door de rechter gehoord te worden.

Ik heb een kopie van een geldig legitimatiebewijs van mijzelf bijgevoegd.

Plaats: ..........

Datum: ..........

Handtekening: ..........

Bijlage 6: Referteverklaring in Overige (Boek 1)zaken

Zaak- of rekestnummer: ..........

Ondergetekende,

.......... (naam voluit),

.......... (woonplaats),

verklaart kennis te hebben genomen van het verzoek van

.......... (naam voluit),

in welk verzoekschrift wordt verzocht:

.......... (tekst petitum).

Ondergetekende verzet zich niet tegen het gevraagde.

Ondergetekende weet dat hij/zij het recht heeft verweer te voeren tegen het verzochte. zal echter geen verweer voeren en heeft er geen bezwaar tegen dat de rechtbank zonder mondelinge behandeling beslist op het genoemde verzoekschrift.

Ondergetekende machtigt mr. .......... om deze verklaring over te leggen aan de rechtbank.

.......... (plaats)

.......... (datum)

.......... (handtekening)

Mr. .......... verklaart hierbij het hiervoor genoemde verzoek besproken te hebben met de ondertekenaar van deze referteverklaring voordat deze gemelde verklaring heeft ondertekend, terwijl ondergetekende aan de hand van een geldig legitimatiebewijs heeft geconstateerd dat bovenstaande handtekening afkomstig is van degene die de betreffende verklaring aflegt.

.......... (handtekening advocaat)

Bijlage 7: Verklaring ex artikel 1:5 lid 3 BW in Adoptiezaken

Ondergetekenden,

.......... (naam adoptiefouder 1)

.......... (naam adoptiefouder 2)

verklaren gezamenlijk dat hun adoptiefkind(eren) de na te noemen geslachtsnaam zal (zullen) dragen:

..........

..........

.......... (invullen van de geslachtsnaam van adoptiefouder 1 óf 2).

Handtekening adoptiefouder 1

..........

Handtekening adoptiefouder 2

..........

Datum: ..........

(s.v.p. blokletters gebruiken)

Bijlage 8: Verklaring bekende donor/verwekker in Adoptiezaken

Ondergetekende,

..........

verklaart:

  • * Geen belanghebbende te zijn in de adoptieprocedure van ..........

    omdat ..........

  • * Belanghebbende te zijn in de adoptieprocedure van .......... op grond van de hiernavolgende argumentatie:

    ..........

    ..........

    ..........

en verzoekt de rechtbank om wel/niet * gehoord te worden.

.......... (handtekening)

Datum: ..........

  • * svp doorhalen wat niet van belang is

Bijlage 9: Schema art. 25c BW-zaken in Overige (Boek 1)zaken

Naam: ..........

Advocaat: ..........

Zaak- of rekestnummer: ..........

 

Naam (geslachts-naam, voornaam (Naams-keten)

Geboorte-datum

Geboorte-plaats (en evt. land)

Naam vader

Geboorte-datum vader

Geboorte-plaats vader

Naam moeder

Geboorte-datum moeder

Geboorte-plaats moeder

verzoek:

                 

1e gehoor d.d

                 

Nader gehoor

d.d.

                 

Verblijfs-

document d.d.

                 

BRP gemeente d.d.

                 

KB d.d.

                 

Overig stuk, te weten

                 

Bijlage 10: Aanvullende bepalingen digitaal procederen (artikel 1.3, 2.2 en hoofdstuk 8)

Bij de volgende rechtbanken is vrijwillig digitaal procederen mogelijk door de advocatuur vanaf de hierna te noemen datum:

  • rechtbank Gelderland, vanaf 6 mei 2024

  • rechtbank Midden-Nederland, vanaf 18 november 2024

  • rechtbank Noord-Nederland, vanaf 18 november 2024

  • rechtbank Oost-Brabant, vanaf 18 november 2024

  • rechtbank Rotterdam, vanaf 18 november 2024

  • rechtbank Amsterdam, vanaf 17 maart 2025

  • rechtbank Den Haag, vanaf 17 maart 2025

  • rechtbank Limburg, vanaf 17 maart 2025

  • rechtbank Noord-Holland, vanaf 17 maart 2025

  • rechtbank Overijssel, vanaf 17 maart 2025

  • rechtbank Zeeland-West-Brabant, vanaf 17 maart 2025

Bijlage 11: Regels voor het gebruik van Veilig Mailen (artikelen 1.2, 1.3, 1.5 en 1.10)

Voor communicatie via Veilig Mailen gelden, in aanvulling op de overige regels in dit procesreglement, de volgende regels.

  • 8.1 Gebruik Veilig Mailen

    Bij het gebruik van Veilig Mailen maakt de verzender gebruik van het hiertoe aangewezen e-mailadres van de voorziening voor Veilig mailen van de Rechtspraak zoals dat per rechtbank en per zaaksoort staat vermeld op www.rechtspraak.nl. Daar staat ook vermeld op welke wijze een partij kan verzoeken om toegang tot Veilig Mailen.

  • 8.2 Een e-mail betreft één zaak/karakter e-mail

    Een via Veilig Mailen verzonden e-mailbericht heeft uitsluitend betrekking op één zaak.

    Een e-mailbericht heeft het karakter van een envelop. De inhoud wordt opgenomen in de bijlage(n) bij het e-mailbericht.

    Als een bijlage informatie bevat die ingevolge een wettelijke regeling geheim moet blijven of waarvan ingevolge een wettelijke regeling slechts beperkt mag worden kennis genomen, vermeldt de indiener van het stuk dit uitdrukkelijk in de e-mail.

  • 8.3 Communicatie door de rechtbank via Veilig Mailen

    De rechtbank kan een (proces-)stuk of bericht verzenden via Veilig Mailen, indien de geadresseerde:

    • hierom heeft verzocht, of

    • akkoord is gegaan met een verzoek van de rechtbank in te stemmen met Veilig Mailen, of

    • zelf via Veilig Mailen met de rechtbank heeft gecommuniceerd.

  • 8.4 Onderwerpregel e-mailbericht

    Bij gebruik van Veilig Mailen vermeldt de onderwerpregel van het e-mailbericht uitsluitend:

    • ingeval van een nieuwe zaak: de woorden ‘nieuwe zaak’;

    • ingeval van een lopende zaak: het zaaknummer.

    In geen geval vermeldt de indiener in de onderwerpregel persoonsgegevens of andere vertrouwelijke informatie.

  • 8.5 Wijze van verzenden van bestanden

    (Proces)stukken en berichten zijn als afzonderlijke bestanden bij het e-mailbericht gevoegd. De naam van deze bestanden bevatten een omschrijving en een dagtekening in de vorm van jjmmdd. De bestanden voldoen aan het Pdf-formaat, tenzij het stuk niet in een Pdf-formaat kan worden verstuurd, of de aard van het stuk zich daartegen verzet. In dat geval kan de indiener de rechtbank telefonisch verzoeken indiening van een ander bestandsformaat toe te staan. De bijlagen zijn doorlopend genummerd.

  • 8.6 Maximumomvang via Veilig Mailen te verzenden bijlagen

    Een bijlage bij een mailbericht heeft een maximumomvang van 25 MB.

    Als een bijlage groter is dan 25 MB, wordt deze per post aan de griffie van de rechtbank verzonden of wordt deze afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank.

  • 8.7 Veilig Mailen van stukken die moeten worden voorzien van een originele (‘natte’) handtekening

    Als de wet ondertekening van stukken vereist, worden deze voorzien van een originele (‘natte’) handtekening en gescand als Pdf-bestand via Veilig Mailen ingediend.

  • 8.8 Verstoring toegang Veilig Mailen en verschoonbare termijnoverschrijding

    Als op de laatste dag van een voor de indiener geldende termijn voor indiening van een processtuk of bericht een niet aan hem toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot Veilig Mailen, is een daardoor veroorzaakte overschrijding van de termijn verschoonbaar als het processtuk of bericht uiterlijk wordt ingediend op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring is verholpen.

  • 8.9 Mailen door de rechtbank met bestuursorganen en andere instanties

    Indien de rechtbank met bestuursorganen of andere organisaties via een versleutelde verbinding kan mailen, geldt deze vorm van mailen als Veilig Mailen in de zin van dit procesreglement.

Procesreglement Civiel jeugdrecht

1 Algemeen

  • 1.1 Dit reglement is van toepassing op de in de bijlage A genoemde verzoeken.

    1.2 Als niet-digitaal wordt geprocedeerd, worden het verzoekschrift, het verweerschrift en overige processtukken en berichten als volgt ingediend:

    • door toezending per post aan de griffie van de rechtbank, afdeling familie- en jeugdzaken; www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken

    • door afgifte aan de Centrale Balie van de rechtbank www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken

    • door toezending via Veilig Mailen, mits het processtuk of het bericht, met eventuele bijlage(n), direct per post aan de griffie van de rechtbank wordt nagezonden of wordt afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank, onder de uitdrukkelijke vermelding dat het reeds eerder via Veilig Mailen ingediende stukken betreft. Voor toezending via Veilig Mailen gelden daarnaast de in Bijlage E vermelde regels.

    Verzendingen via Veilig Mailen die vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend, tenzij een termijn op een ander tijdstip op die dag eindigt.

  • 1.3 Onder Veilig Mailen wordt verstaan: de voorziening van de Rechtspraak voor het verzenden en ontvangen van beveiligde e-mail naar en door de rechtbank www.rechtspraak.nl/veilig-mailen-met-de-rechtspraak.

    Een partij die digitaal procedeert kan via Veilig Mailen geen verzoeken en mededelingen doen of processtukken indienen. Audio- en videobestanden worden wel verstuurd via Veilig Mailen.7 In ‘Mijn Rechtspraak’ moet dan een bericht worden geüpload waarmee de rechtbank hierover wordt geïnformeerd.

  • 1.4 Digitaal procederen bij de rechtbank is alleen mogelijk indien en voor zover de wet bepaalt of uit de wet volgt dat partijen:

    • in (een) bepaalde categorie(ën) van zaken, vermeld in bijlage D, de mogelijkheid hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (vrijwillig digitaal procederen), of

    • in (een) bepaalde categorie(ën) van zaken, vermeld in bijlage D, de verplichting hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (verplicht digitaal procederen).

    Voor digitaal procederen gelden, in aanvulling op de regels zoals opgenomen in het Besluit elektronisch procederen, de in dit procesreglement vermelde regels zoals hierna vermeld in hoofdstuk 9 en de in het Reglement inzake de toegang tot en het gebruik van systeem DT rechtspraak opgenomen regels.

    Het uitwisselen van (proces)stukken en berichten tussen de rechtbanken, de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen (als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, hierna GI) vindt – in de daarvoor aangewezen gevallen – plaats via het Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid, waarover in het kader van de Collectieve Opdracht Routeer Voorziening (CORV) afspraken zijn gemaakt in het Protocol Ketencommunicatie Jeugdbescherming.

  • 1.5 Van alle berichten aan de rechtbank, niet zijnde verzoekschriften, dient door de Raad voor de Kinderbescherming, de GI, het college van burgemeester en wethouders en de advocaat c.q. procesvertegenwoordiger tegelijkertijd een afschrift aan de wederpartij en eventuele andere belanghebbenden te worden gezonden. Uit het bericht moet blijken dat hieraan is voldaan.

  • 1.6 Van de verzending van een via Veilig Mailen verzonden processtuk of bericht is een bevestiging van de ontvangst beschikbaar, die de verzender zelf kan inzien of ophalen bij de dienst Veilig Mailen die de verzender gebruikt.

    Als tijdstip waarop de rechtbank een processtuk of een bericht via Veilig Mailen heeft ontvangen, geldt het tijdstip waarop het processtuk of het bericht een systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor de rechtbank verantwoordelijkheid draagt (ZIVVER). Dit tijdstip staat vermeld in de ontvangstbevestiging.

  • 1.7 Op alle berichten dient het zaaknummer en/of rekestnummer te worden vermeld.

  • 1.8 De rechtbank bericht partijen per brief, per telefoon of via Veilig Mailen.

  • 1.9 De Algemene termijnenwet is van toepassing. Een termijn wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag als deze eindigt in het weekend of op een algemeen erkende feestdag.

  • 1.10 Processtukken worden uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingediend, tenzij de wet of het procesreglement voorschrijft dat de stukken eerder moeten worden ingediend.

  • 1.11 Gelet op het bepaalde in artikel 1:326 BW dient voor ouder ook voogd te worden gelezen.

  • 1.12 In dit reglement wordt onder minderjarige tevens verstaan de jeugdige die achttien jaar is en ten aanzien van wie op het tijdstip waarop hij achttien jaar werd, een machtiging op grond van Hoofdstuk 6 ‘Gesloten jeugdhulp bij ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen’ van de Jeugdwet gold.

  • 1.13 Bij iedere beslissing naar aanleiding van dit reglement vormt het belang van het kind de eerste overweging.

  • 1.14 Verandering of vermeerdering verzoek

    Een partij die zijn verzoek verandert of vermeerdert, of de grondslag daarvan verandert of vermeerdert, vermeldt dit in de kop van het processtuk.

  • 1.15 Stukken die in een vreemde taal zijn gesteld, moeten zijn voorzien van een beëdigde vertaling in de Nederlandse taal. Indien het stukken betreft in de Engelse, Duitse of Franse taal behoeft in beginsel geen vertaling te worden overgelegd, tenzij de rechter er om vraagt als hij dat nodig of wenselijk acht voor de behandeling van de zaak, mede gelet op de belangen van de wederpartij.

  • 1.16 Voorwerpen kunnen ter griffie worden gedeponeerd. Van het depot maakt de griffier een akte op, die aan het dossier wordt toegevoegd en die in kopie aan partijen wordt verstrekt.

    Indien vanwege de aard van het in depot te geven stuk of voorwerp depot ter griffie niet in aanmerking komt, kan het voorwerp op een andere plaats worden gedeponeerd. In de akte wordt die plaats vermeld.

    Indien een partij een gegevensdrager zoals een usb-stick deponeert, doet die partij gelijktijdig een kopie van deze gegevensdrager aan de andere partij(en) toekomen.

  • 1.17 Indien een partij kennis wenst te nemen van het door de rechtbank aangelegde dossier in zijn zaak, stelt de rechtbank hem hiertoe in de gelegenheid.

  • 1.18 Waar in dit reglement gesproken wordt over het overleggen van een BRP-uittreksel, kan ook worden volstaan met overlegging van de burgerservicenummers (BSN) of kopieën van legitimatiebewijzen van partijen waarop het BSN staat vermeld. Deze gegevens worden in één apart stukken aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd.

    Als op een ander processtuk een BSN staat vermeld en de partij die het betreffende stuk heeft ingediend niet wenst dat het BSN wordt gedeeld, dan is het de verantwoordelijkheid van die partij om het BSN onleesbaar te maken.

  • 1.19 Waar in dit reglement gesproken wordt over het overleggen van een uittreksel uit het gezagsregister, geldt, voor een ieder die beschikt over toegang tot het gezagsregister, dat kan worden volstaan met overlegging van een geprint uittreksel.

2 Indiening verzoekschrift

(zie ook artikelen 1:265k BW, 5, 265, 278, 279, 281 en 799a Rv)

  • 2.1 Verzoeken als bedoeld in dit procesreglement gericht aan de kinderrechter kunnen worden ingediend zonder advocaat, met uitzondering van het verzoek als bedoeld in artikel 1:262b BW (geschil uitvoering ondertoezichtstelling). Voor een overzicht waarin staat welke natuurlijke persoon/instantie in welke procedure als verzoeker kan optreden, wordt verwezen naar bijlage A bij dit procesreglement.

    Indien er, analoog aan artikel 223 Rv, een voorlopige voorziening verzocht wordt, dient dit bij voorkeur bij afzonderlijk verzoekschrift te gebeuren. Indien sprake is van een of meer belanghebbenden, dienen evenzovele extra verzoekschriften te worden ingediend. Op het verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening moet – indien bekend – het zaaknummer van de bodemprocedure worden vermeld.

  • 2.2 Iedere werkdag kan een verzoekschrift met bijlagen ter griffie worden ingediend. Per belanghebbende dienen twee kopieën van het verzoekschrift met bijlagen te worden bijgevoegd. Zijn belanghebbenden woonachtig op eenzelfde adres dan kan worden volstaan met twee kopieën, met dien verstande dat een minderjarige van twaalf jaar of ouder steeds een eigen kopie van het verzoekschrift zonder bijlagen krijgt toegestuurd.

    Indien digitaal wordt geprocedeerd wordt de geboorteakte digitaal ingediend op de wijze zoals vermeld in Hoofdstuk 9. Van deze akte moet een scan (in kleur) van het originele gedateerde en gewaarmerkte afschrift als Pdf-bestand worden ingediend. De rechtbank kan daarnaast bevelen dat het origineel van deze akte wordt nagezonden.

    In zaken betrekking hebbende op de toepassing van hoofdstuk 6 van de Jeugdwet (gesloten jeugdhulp) ontvangt de minderjarige van twaalf jaar of ouder alsmede de minderjarige jonger dan twaalf jaar die in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen steeds een eigen kopie van het verzoekschrift met alle bijlagen.

  • 2.3 Het verzoekschrift vermeldt de voornamen, naam en woonplaats, dan wel – bij gebreke van een woonplaats in Nederland – de werkelijke verblijfplaats van de verzoeker en van alle belanghebbenden, en de gewone verblijfplaats van de minderjarige(n) alsmede een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust (zie in dit verband ook het te overleggen Bijzonderhedenformulier, bijlage B bij dit procesreglement).

    Van de ouders en de minderjarige(n) wordt het BSN of kopieën van hun legitimatiebewijzen waarop het BSN staat vermeld overgelegd. Van de verzoeker en van alle belanghebbenden worden de volledige adresgegevens overgelegd.

    Deze gegevens en het Bijzonderhedenformulier (bijlage B) worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd.

    Indien het een verzoek betreft als bedoeld in de artikelen 1:255, 1:256, 1:259, 1:260, 1:261, 1:265b lid 1, 1:265c lid 2, 1:265e lid 1 of lid 4, 1:265h of 1:265i BW, dan vermeldt het verzoekschrift tevens of, en zo ja, op welke wijze, de inhoud dan wel de strekking van het verzoekschrift is besproken met de minderjarige en welke reactie de minderjarige hierop heeft gegeven.

    Als belanghebbenden gelden in elk geval:

    • de ouder(s) met gezag belast;

    • de stiefouder, zolang deze met de verzorgende ouder samenleeft, en de minderjarige tot zijn gezin behoort;

    • de minderjarige van twaalf jaar en ouder;

    • de minderjarige jonger dan twaalf jaar die in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen in geval van toepassing van hoofdstuk 6 van de Jeugdwet (gesloten jeugdhulp);

    • de perspectief biedende pleegouder of de pleegouder die de minderjarige een jaar of langer verzorgt en opvoedt;

    • de GI, vanaf het moment dat een (voorlopige) ondertoezichtstelling is uitgesproken, indien het inleidende verzoekschrift afkomstig is van de Raad voor de Kinderbescherming (zie ook artikel 5.11).

    Indien verzoeker van mening is dat een hiervoor vermelde belanghebbende in casu geen belanghebbende is, dan wel van mening is dat er andere belanghebbenden zijn dan hiervoor vermeld, dient hij dat, indien mogelijk gemotiveerd en met stukken onderbouwd, te vermelden.

    Zie ook bijlage C bij dit procesreglement.

A. het reguliere verzoek
  • 2.4.1 Verzoek tot ondertoezichtstelling

    Bij de indiening van het verzoekschrift tot ondertoezichtstelling (artikel 1:255 BW) moeten de volgende stukken worden overgelegd.

    • een BRP-uittreksel van alle belanghebbenden; gedateerd en niet ouder dan drie maanden; dan wel indien de ouder(s) niet meer ingeschreven staat/staan een BRP-uittreksel van de laatst bekende woonplaats (zie ook artikel 1.18);

    • een afschrift van de geboorteakte van de betrokken minderjarige – gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden – en een uittreksel uit het gezagsregister (niet ouder dan drie maanden). ;

    • het BSN van de betrokken minderjarige (deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd);

    • na overlijden van de gezaghebbende ouder: een uittreksel uit het overlijdensregister;

    • in het geval als bedoeld in artikel 1:255 lid 3 BW, het betreffende verzoek van de burgemeester aan de Raad voor de Kinderbescherming.

  • 2.4.2 Verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling

    Een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling (artikel 1:257 BW) dient schriftelijk te worden ingediend. Slechts in zeer spoedeisende gevallen kan het verzoek mondeling worden gedaan, waarna het verzoek onverwijld schriftelijk wordt bevestigd.

  • 2.4.3 Verzoek tot ondertoezichtstelling na voorlopige ondertoezichtstelling

    Een verzoek tot ondertoezichtstelling na een voorlopige ondertoezichtstelling, moet uiterlijk vijf weken voor afloop van de voorlopige ondertoezichtstelling worden ingediend.

  • 2.4.4 Verzoek tot ondertoezichtstelling gecombineerd met een verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing

    Bij de indiening van een gecombineerd verzoek tot ondertoezichtstelling (artikel 1:255 BW) en tot een machtiging tot uithuisplaatsing (artikel 1:265b BW) moeten bij het verzoekschrift de volgende stukken worden overgelegd:

    • een BRP-uittreksel van alle belanghebbenden; gedateerd en niet ouder dan drie maanden; dan wel indien de ouder(s) niet meer ingeschreven staat/staan een BRP-uittreksel van de laatst bekende woonplaats (zie ook artikel 1.18);

    • een afschrift van de geboorteakte van de betrokken minderjarige – gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden – en een uittreksel uit het gezagsregister (niet ouder dan drie maanden);

    • het BSN van de betrokken minderjarige (deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd);

    • na overlijden van de gezaghebbende ouder: een uittreksel uit het overlijdensregister;

    • de verleningsbeslissing voor jeugdhulp van het college van burgemeester en wethouders voor zover wettelijk vereist (artikel 1:265b lid 2 BW).

  • 2.4.5 Bij de indiening van een gecombineerd verzoek tot ondertoezichtstelling (artikel 1:255 BW) en tot machtiging om een jeugdige te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie of tot voorwaardelijke machtiging om een jeugdige te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie (artikel 6.1.2 en 6.1.4 van de Jeugdwet) moeten bij het verzoekschrift de volgende stukken worden overgelegd:

    • een BRP-uittreksel van alle belanghebbenden; gedateerd en niet ouder dan drie maanden; dan wel indien de ouder(s) niet meer ingeschreven staat/staan een BRP-uittreksel van de laatst bekende woonplaats (zie ook artikel 1.18);

    • een afschrift van de geboorteakte van de betrokken minderjarige – gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden – en een uittreksel uit het gezagsregister (niet ouder dan drie maanden);

    • het BSN van de betrokken minderjarige (deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd);

    • na overlijden gezaghebbende ouder: een uittreksel uit het overlijdensregister;

    • de instemmingsverklaring van een gekwalificeerde gedragswetenschapper, die de minderjarige met het oog hierop kort tevoren heeft onderzocht;

    • bij het verzoek tot voorwaardelijke machtiging: het hulpverleningsplan (artikel 6.1.4 lid 4 van de Jeugdwet).

  • 2.4.6 Verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing

    Bij de indiening van een afzonderlijk verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing (artikel 1:265b BW), moeten bij het verzoekschrift de volgende stukken worden overgelegd:

    • een overzicht van de adresgegevens van alle belanghebbenden, zo mogelijk ondersteund met een BRP-uittreksel, gedateerd en niet ouder dan drie maanden (deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd);

    • de verleningsbeslissing voor jeugdhulp van het college van burgemeester en wethouders voor zover wettelijk vereist (artikel 1:265b lid 2 BW);

    • een afschrift van de beschikking tot ondertoezichtstelling;

    • een plan van aanpak;

    • een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling.

  • 2.4.7 Bij de indiening van een afzonderlijk verzoek tot machtiging om een jeugdige te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie (artikel 6.1.2 van de Jeugdwet) moeten bij het verzoekschrift de volgende stukken worden overgelegd:

    • een overzicht van de adresgegevens van alle belanghebbenden, zo mogelijk ondersteund met een BRP-uittreksel, gedateerd en niet ouder dan drie maanden (deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd);

    • bij gesloten jeugdhulp met instemming van de met gezag belaste ouders: een afschrift van de geboorteakte van de minderjarige – gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden – en een uittreksel uit het gezagsregister (niet ouder dan drie maanden);

    • indien een GI de voogdij heeft: de voogdijbeschikking;

    • een afschrift van de beschikking tot ondertoezichtstelling voor zover van toepassing;

    • een plan van aanpak;

    • een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling;

    • de instemmingsverklaring van een gekwalificeerde gedragswetenschapper, die de minderjarige met het oog hierop kort tevoren heeft onderzocht;

    • de rechterlijke beslissing op grond waarvan het jeugdreclasseringstoezicht wordt uitgevoerd als de GI die de jeugdreclassering uitvoert uit dien hoofde het verzoek doet (artikel 6.1.8 lid 3 van de Jeugdwet).

  • 2.4.8 Bij de indiening van een verzoek tot spoedmachtiging om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven (artikel 6.1.3 van de Jeugdwet) moet bij het verzoekschrift worden overgelegd:

    • de instemmingsverklaring van een gekwalificeerde gedragswetenschapper, die de minderjarige met het oog hierop kort tevoren heeft onderzocht, tenzij onderzoek feitelijk onmogelijk is.

  • 2.4.9 Bij de indiening van een afzonderlijk verzoek tot voorwaardelijke machtiging om een jeugdige te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie (artikel 6.1.4 van de Jeugdwet) moeten bij het verzoekschrift de volgende stukken worden overgelegd:

    • een overzicht van de adresgegevens van alle belanghebbenden, zo mogelijk ondersteund met een BRP-uittreksel, gedateerd en niet ouder dan drie maanden (deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd);

    • bij gesloten jeugdhulp met instemming van de met gezag belaste ouders: een afschrift van de geboorteakte van de minderjarige – gedateerd, gewaarmerkt en niet ouder dan drie maanden – en een uittreksel uit het gezagsregister (niet ouder dan drie maanden);

    • indien een GI de voogdij heeft: de voogdijbeschikking;

    • een afschrift van de beschikking tot ondertoezichtstelling voor zover van toepassing;

    • een hulpverleningsplan;

    • een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling;

    • de instemmingsverklaring van een gekwalificeerde gedragswetenschapper, die de minderjarige met het oog hierop kort tevoren heeft onderzocht;

    • de rechterlijke beslissing op grond waarvan het jeugdreclasseringstoezicht wordt uitgevoerd als de GI die de jeugdreclassering uitvoert uit dien hoofde het verzoek doet (artikel 6.1.8 lid 3 van de Jeugdwet).

  • 2.4.10 Verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling

    Bij de indiening van het verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstelling (artikel 1:260 BW) moeten de volgende stukken worden overgelegd:

    • een overzicht van de adresgegevens van alle belanghebbenden, zo mogelijk ondersteund met een BRP-uittreksel, gedateerd en niet ouder dan drie maanden (deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd);

    • het BSN van de betrokken minderjarige (in een aparte brief die tegelijk met het verzoekschrift aan de rechtbank wordt gestuurd of door overlegging van kopieën van identiteitsbewijzen waarop het BSN staat vermeld Deze brief/kopieën maken geen deel uit van de processtukken en worden niet aan de andere partij(en) gestuurd);

    • een afschrift van de beschikking waarvan verlenging wordt verzocht;

    • een plan van aanpak;

    • een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling;

    • indien een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd: een advies van de Raad voor de Kinderbescherming met betrekking tot de verlenging.

    • a. Een verlengingsverzoek wordt uiterlijk tijdens de zesde week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende ondertoezichtstelling ingediend.

      Een verlengingsverzoek dat gelijktijdig wordt ingediend met een verzoek tot verlenging van de machtiging gesloten jeugdhulp wordt uiterlijk tijdens de vierde week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende ondertoezichtstelling ingediend.

    • b. Een verlengingsverzoek ingediend na afloop van de geldigheidsduur van de lopende ondertoezichtstelling is niet-ontvankelijk.

  • 2.4.11 Verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing

    Bij de indiening van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (artikel 1:265c BW) moeten bij het verzoekschrift de volgende stukken worden overgelegd:

    • een overzicht van de adresgegevens van alle belanghebbenden, zo mogelijk ondersteund met een BRP-uittreksel, gedateerd en niet ouder dan drie maanden (deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd);

    • een afschrift van de beschikking waarvan verlenging wordt verzocht;

    • een afschrift van de beschikking tot ondertoezichtstelling;

    • een plan van aanpak;

    • een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling;

    • de verleningsbeslissing voor jeugdhulp van het college van burgemeester en wethouders voor zover wettelijk vereist (artikel 1:265b lid 2 BW).

    • a. Een verlengingsverzoek wordt uiterlijk tijdens de zesde week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging tot uithuisplaatsing ingediend.

    • b. Een verlengingsverzoek ingediend na afloop van de geldigheidsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing is niet-ontvankelijk.

  • 2.4.12 Bij de indiening van een verzoek tot verlenging van een machtiging of een voorwaardelijke machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp (artikel 6.1.12 van de Jeugdwet) moeten bij het verzoekschrift de volgende stukken worden overgelegd:

    • een overzicht van de adresgegevens van alle belanghebbenden, zo mogelijk ondersteund met een BRP-uittreksel, gedateerd en niet ouder dan drie maanden (deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd);

    • een afschrift van de beschikking waarvan de verlenging wordt verzocht;

    • een afschrift van de beschikking tot ondertoezichtstelling voor zover van toepassing;

    • een plan van aanpak;

    • een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling (voor zover van toepassing) en het verloop van de jeugdhulp;

    • een instemmingsverklaring van een gekwalificeerde gedragswetenschapper, die de minderjarige met het oog hierop kort tevoren heeft onderzocht;

    • bij het verzoek tot verlenging van de voorwaardelijke machtiging: het hulpverleningsplan (artikel 6.1.4 lid 6 van de Jeugdwet);

    • de rechterlijke beslissing op grond waarvan het jeugdreclasseringstoezicht wordt uitgevoerd als de GI die de jeugdreclassering uitvoert uit dien hoofde het verzoek doet (artikel 6.1.8 lid 3 van de Jeugdwet).

    • a. Een verlengingsverzoek wordt uiterlijk tijdens de vierde week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp ingediend.

    • b. Een verlengingsverzoek ingediend na afloop van de geldigheidsduur van de machtiging is niet-ontvankelijk.

  • 2.4.13 Bij verzoeken van belanghebbende natuurlijke personen ex artikelen 1:259 (vervanging GI), 1:264 lid 2 (vervallen verklaren aanwijzing), 1:265 lid 3 (wegens gewijzigde omstandigheden geheel/deels intrekking aanwijzing), 1:265d lid 4 (beëindigen uithuisplaatsing / bekorten duur / wijziging verblijfplaats), 1:265f lid 2 (contact) BW worden de beslissing van de GI die het toezicht heeft en een afschrift van de beschikking tot ondertoezichtstelling overgelegd.

    De GI zendt na de oproep uiterlijk een week voor de mondelinge behandeling het plan van aanpak en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling aan de rechtbank en belanghebbende(n).

    Bij verzoeken van de wettelijke vertegenwoordiger of de jeugdige ex artikel 6.1.7 van de Jeugdwet met betrekking tot de toepassing van artikel 6.1.6 lid 6 van de Jeugdwet (beslissing jeugdhulpaanbieder opname) en artikel 6.1.5 van de Jeugdwet (wijziging hulpverleningsplan door jeugdhulpaanbieder) in het kader van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp wordt de beslissing van de jeugdhulpaanbieder overgelegd.

  • 2.4.14 Bij verzoeken van de GI ex artikelen 1:259 (vervanging GI), 1:262b (geschil uitvoering ondertoezichtstelling), 1:263 (bekrachtiging schriftelijke aanwijzing), 1:265e (gedeeltelijke gezagsuitoefening), 1:265f (contact beperken), 1:265g (vaststelling of wijziging omgangs-/zorgregeling), 1:265h (medische behandeling) en 1:265i (wijziging verblijf) BW moeten bij het verzoekschrift de volgende stukken worden overgelegd:

    • een overzicht van de adresgegevens van alle belanghebbenden, zo mogelijk ondersteund met een BRP-uittreksel, gedateerd en niet ouder dan drie maanden (deze gegevens worden in één apart stuk aan de rechtbank gestuurd tegelijk met het verzoekschrift. Dit stuk maakt geen deel uit van de processtukken en wordt niet aan de andere partij(en) gestuurd);

    • een afschrift van de beschikking tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor zover van toepassing;

    • een plan van aanpak;

    • een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling.

  • 2.5 Zodra het verzoekschrift is ontvangen, wordt het ingeschreven. Tevens wordt een ontvangstbevestiging met vermelding van het zaaknummer aan de advocaat c.q. procesvertegenwoordiger of verzoeker gestuurd.

    Wanneer bij indiening van het verzoekschrift niet alle over te leggen stukken ter griffie zijn binnengekomen, wordt dit bij voormelde ontvangstbevestiging tevens aangegeven. De ontbrekende gegevens moeten uiterlijk binnen twee weken na dagtekening ontvangstbevestiging worden overgelegd.

  • 2.6 De rechtbank verzendt gelijktijdig met de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2.5 een afschrift van het verzoekschrift met bijlagen aan de advocaat c.q. procesvertegenwoordiger van de belanghebbende(n) en belanghebbenden. Het afschrift van het verzoekschrift met bijlagen wordt, ingeval geen advocaat voor belanghebbende gesteld is, door de rechtbank aan die belanghebbende gestuurd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.1.4.

    De rechtbank kan daarbij dag en uur bepalen waarop de behandeling plaatsvindt. In dat geval vindt de verzending van het verzoek met de oproep plaats overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.1.3.

B. het spoedeisende verzoek

(zie ook artikelen 800 lid 3 en 809 lid 3 Rv)

  • 2.7 Een beschikking tot voorlopige ondertoezichtstelling (artikel 1:257 BW), tot machtiging uithuisplaatsing, tot spoedmachtiging gesloten jeugdhulp (artikel 6.1.3 van de Jeugdwet) alsmede tot voorlopige voogdij (artikelen 1:241 en 1:268 BW) en tot wijziging verblijfplaats (artikel 1:265i BW) kan aanstonds worden afgegeven, indien de mondelinge behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Bedoelde verzoeken dienen binnen de openingstijden van de griffie schriftelijk te worden ingediend. Slechts in zeer spoedeisende gevallen kan hiervan worden afgeweken en kan het verzoek mondeling worden gedaan, waarna het verzoek onverwijld schriftelijk wordt bevestigd. Spoedverzoeken die mondeling zijn gedaan, dienen op de eerstvolgende werkdag vóór 12.00 uur bij de rechtbank te worden bevestigd.

  • 2.8 Buiten de openingstijden van de griffie kunnen spoedeisende verzoeken worden gericht aan een door de rechtbank bekend gemaakte piketdienst. Het verzoek kan dan telefonisch worden gedaan en wordt mondeling toe- dan wel afgewezen. Het verzoek dient op de eerstvolgende werkdag vóór 12:00 uur schriftelijk bij de rechtbank te worden bevestigd.

  • 2.9 Een machtiging uithuisplaatsing en spoedmachtiging gesloten jeugdhulp worden voor de duur van maximaal vier weken toegewezen. Binnen twee weken zal de zaak mondeling worden behandeld en worden alle belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. De bij het verzoekschrift behorende stukken dienen zo spoedig mogelijk te worden overgelegd, uiterlijk tijdens de mondelinge behandeling.

C. het beroep in procedures met betrekking tot vrijwillige jeugdhulp
  • 2.10 In geval van beroepen tegen op grond van de Jeugdwet genomen verleningsbeslissingen voor jeugdhulp in het vrijwillig kader dient de Landelijke Procesregeling Bestuursrecht als leidraad.

3 Verweerschrift

(zie ook artikel 282 Rv)

Iedere belanghebbende kan een verweerschrift indienen met inachtneming van artikel 1.10 van dit procesreglement of, – indien toegestaan door de kinderrechter – in de loop van de behandeling. Het aantal kopieën van het verweerschrift met bijlagen moet gelijk zijn aan het aantal belanghebbenden en de eventuele advoca(a)t(en).

Het verweerschrift kan een zelfstandig verzoek bevatten. De hiervoor onder artikel 2.2, 2.4.1, 2.4.4, 2.4.5 en 2.4.6 opgenomen bepalingen betreffende het verzoekschrift zijn van overeenkomstige toepassing op het zelfstandig verzoek in het verweerschrift, voor zover deze stukken niet reeds zijn overgelegd.

Ook indien wordt afgezien van het indienen van een verweerschrift kan tijdens de mondelinge behandeling mondeling verweer worden gevoerd.

4 Verweerschrift op zelfstandig verzoek

(zie ook artikel 282 lid 4 Rv)

De kinderrechter kan aan de verzoeker en aan de overige belanghebbenden gelegenheid geven tegen een zelfstandig verzoek een verweerschrift in te dienen.

De hiervoor onder hoofdstuk 3 opgenomen bepalingen betreffende het verweerschrift gelden ook voor het verweerschrift op een zelfstandig verzoek. Het verweerschrift mag uitsluitend betrekking hebben op het (de) zelfstandig verzoek(en).

5 Mondelinge behandeling

(zie ook artikelen 22, 22b, 279, 283 en 803 Rv)

  • 5.1 Bij het bepalen van dag en tijdstip van de mondelinge behandeling wordt uitgegaan van een oproepingstermijn van één tot vier weken voorafgaand aan de datum van de mondelinge behandeling.

  • 5.1.1 Bij het bepalen van dag en tijdstip van de mondelinge behandeling voor eerste verzoeken zal de oproeping op een zo kort mogelijke termijn worden bepaald.

  • 5.1.2 Dag en tijdstip van de mondelinge behandeling zullen worden vastgesteld zonder vooraf aan belanghebbenden verhinderdata op te vragen.

  • 5.1.3 Bij een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling moeten schriftelijk klemmende redenen worden aangevoerd. Een verzoek tot uitstel kan slechts worden gehonoreerd als de rechtbank dat niet in strijd acht met de belangen van de minderjarige(n)

    Indien het verzoek tot uitstel wordt gehonoreerd, worden bij brief een nieuwe dag en tijdstip van de mondelinge behandeling meegedeeld.

  • 5.1.4 Bij elk nieuw verzoekschrift worden verzoeker(s) en belanghebbende(n) voor wie zich geen advocaat heeft gesteld per gewone en aangetekende post opgeroepen.

    Verzoeker(s) en belanghebbende(n) voor wie zich een advocaat heeft gesteld worden via hun advocaat opgeroepen per gewone post.

    De Raad voor de Kinderbescherming, de GI en de officier van justitie worden opgeroepen per gewone post.

  • 5.2 In zaken betrekking hebbende op de toepassing van hoofdstuk 6 van de Jeugdwet (gesloten jeugdhulp) geeft de rechter de Raad voor Rechtsbijstand ambtshalve een last tot toevoeging van een raadsman aan de minderjarige. Alleen advocaten die geregistreerd staan op de bij de Raad voor de Rechtsbijstand in beheer zijnde lijst van jeugdrechtadvocaten komen voor de hiervoor bedoelde last tot toevoeging in aanmerking.

  • 5.3 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling wordt, voor zover mogelijk, het doel van de mondelinge behandeling aan partijen medegedeeld en kunnen nadere aanwijzingen of bevelen worden gegeven over:

    • de vraagpunten of onderwerpen die de rechter tijdens de mondelinge behandeling wil bespreken;

    • door partijen of belanghebbenden nader in te dienen stukken, waaronder eventuele vertalingen van stukken;

    • de beslissing van de rechter op een eventueel verzoek van (een van) partijen om tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen mee te nemen en te doen horen;

    • door partijen mee te brengen getuigen of partijdeskundigen.

    Indien een partij die op bevel van de rechter een toelichting van zijn stellingen dient te geven of op de zaak betrekking hebbende stukken dient in te dienen, dit met een beroep op gewichtige redenen weigert, dan wel wenst dat uitsluitend de rechter kennis zal mogen nemen van die toelichting of van die in te dienen stukken, vermeldt deze partij dit in een gemotiveerd bericht aan de rechtbank.

    Deze partij zendt de te geven toelichting dan wel de in te dienen stukken op papier naar een door de rechtbank op te geven adres, onder vermelding van het zaaknummer en de mededeling dat het gaat om stukken als bedoeld in de artikelen 22 Rv.

    Een wederpartij kan binnen één week na de dag van de verzending van het in de eerste zin van dit artikel genoemde bericht, op het beroep op weigering dan wel op beperkte kennisneming bij bericht reageren.

    Een andere rechter dan de zaaksrechter beslist zo spoedig mogelijk, maar wel op een regiedag, op het beroep op weigering dan wel beperkte kennisneming van de te geven toelichting dan wel de in te dienen stukken.

  • 5.4 Duur mondelinge behandeling

    Indien een partij voorziet dat de voor de mondelinge behandeling gereserveerde tijd onvoldoende is voor een behoorlijke behandeling van de zaak, kan deze partij zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen één week na verzending van de oproep, de rechter gemotiveerd verzoeken hiervoor meer tijd te reserveren onder opgave van de verhinderdata van alle partijen. Indien deze opgave ontbreekt, wordt aan partijen medegedeeld dat de eerdere dagbepaling van kracht blijft en dat de oorspronkelijk voor de mondelinge behandeling gereserveerde tijd blijft gehandhaafd.

  • 5.5 Indien (één van) de belanghebbende(n) de Nederlandse taal niet machtig is/zijn, dient de verzoekende partij zorg te dragen voor een tolk tijdens de mondelinge behandeling en eventuele vervolgzitting(en).

  • 5.6 Een gedetineerde partij deelt de rechter tijdig schriftelijk mee of hij nog zal zijn gedetineerd op de dag en tijdstip van de mondelinge behandeling.

    Indien een gedetineerde partij de mondelinge behandeling in persoon wil bijwonen, verzoekt hij zo spoedig mogelijk schriftelijk de rechter zijn aanwezigheid te bevorderen. Zijn verzoek bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • zijn voor- en achternamen (voluit);

    • zijn geboortedatum- en plaats;

    • zijn huidige verblijfplaats.

  • 5.7 Indien een partij de aanwezigheid van parketpolitie ter mondelinge behandeling wenselijk acht, verzoekt deze partij dit zo spoedig mogelijk en gemotiveerd bij de griffie van de rechtbank.

    Bijzonderheden van praktische aard met betrekking tot de mondelinge behandeling, zoals de grootte van de zittingsruimte of de noodzaak van beschikbaarheid van bijzondere apparatuur, worden zo spoedig mogelijk bij gemotiveerd bericht aan de rechtbank medegedeeld.

  • 5.8 Verzoeken om meegebrachte getuigen en deskundigen te horen

    Een gemotiveerd verzoek tot het doen horen van getuigen of partijdeskundigen, wordt schriftelijk ingediend. Het verzoek wordt zo spoedig mogelijk ingediend, maar uiterlijk binnen één week na verzending van de oproep, onder opgave van de gegevens van de te horen getuigen of partijdeskundige, onder verzending van een kopie aan belanghebbende(n)

    Op het verzoek kan door belanghebbende(n) tot één week na de ontvangst schriftelijk worden gereageerd.

    De rechter beslist zo spoedig mogelijk na ontvangst van de reactie van belanghebbende(n) of het ongebruikt verstrijken van de hierboven genoemde termijn van één week.

  • 5.9 Andere zittingen dan mondelinge behandeling

    De artikelen uit dit hoofdstuk (uitgezonderd artikel 5.3), zijn van overeenkomstige toepassing op andere zittingen dan de mondelinge behandeling, waaronder begrepen het (voorlopige) getuigenverhoor, het horen van een (partij)deskundige ter zitting, de (voorlopige) gerechtelijke plaatsopneming of bezichtiging.

  • 5.10 Indien tijdens de mondelinge behandeling om inhoudelijke redenen is besloten de verdere behandeling aan te houden, wordt van het verhandelde van de mondelinge behandeling een proces-verbaal of een tussenbeschikking (op)gemaakt. De behandeling wordt aangehouden tot een bepaalde nadere datum.

  • 5.11 Is het inleidende verzoekschrift afkomstig van de Raad voor de Kinderbescherming dan wordt de GI niet als belanghebbende aangemerkt. In dat geval wordt de GI uitgenodigd om als informant bij de behandeling van het verzoek aanwezig te zijn.

    Zodra een (voorlopige) ondertoezichtstelling is uitgesproken, wordt de GI voor het verdere verloop van de procedure als belanghebbende aangemerkt (zie ook artikel 2.3).

  • 5.12 Indien tijdens de mondelinge behandeling wordt geconstateerd dat nog nadere informatie nodig is kan de kinderrechter:

    • ofwel een termijn bepalen waarbinnen de informatie moet worden verschaft en zo nodig een termijn voor de wederpartij om op de verschafte informatie te reageren;

    • ofwel een nieuwe dag en tijdstip bepalen voor voortzetting van de mondelinge behandeling met daarbij een termijn waarbinnen de informatie moet worden verschaft en zo nodig een termijn voor de wederpartij om op de verschafte informatie te reageren.

  • 5.13 Een ter zitting gedaan verzoek tot wijziging/aanvulling van het schriftelijk verzoek kan in de beoordeling worden betrokken indien alle belanghebbenden tijdens de mondelinge behandeling aanwezig zijn en in de gelegenheid zijn gesteld hun mening daarover kenbaar te maken.

  • 5.14 Uiterlijk twee weken voor de in artikel 5.10 bedoelde nadere datum dienen partijen en/of de Raad voor de Kinderbescherming aan te geven of voortgezette behandeling dient plaats te vinden of dat de zaak op de stukken kan worden afgedaan.

6 Vervallen

7 Kindgesprek

(zie ook artikel 809 Rv)

  • 7.1 In zaken, waarin minderjarigen van acht jaar en ouder zijn betrokken, worden deze door de kinderrechter in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

    In zaken, waarin een spoedmachtiging, een machtiging dan wel een voorwaardelijke machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp wordt verzocht, wordt de minderjarige altijd door de kinderrechter gehoord, tenzij deze vaststelt dat de minderjarige niet bereid is zich te doen horen (artikel 6.1.10 van de Jeugdwet). Bij een spoedmachtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp is artikel 800 lid 3 Rv van overeenkomstige toepassing.

  • 7.2 De minderjarige wordt in beginsel alleen, buiten aanwezigheid van anderen, gehoord, met uitzondering van zaken waarin een machtiging plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp wordt verzocht. In die zaken wordt de minderjarige in aanwezigheid van zijn advocaat gehoord.

    Van het gesprek wordt geen proces-verbaal opgemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling geeft de rechter kort en zakelijk weer wat de minderjarige mondeling dan wel schriftelijk heeft verklaard.

    Aan de belanghebbenden wordt geen kopie verstrekt van de brieven van de minderjarigen.

  • 7.3 Het transport naar de zitting van strafrechtelijk geplaatste minderjarigen wordt door de rechtbank geregeld.

    Het transport van civielrechtelijk geplaatste minderjarigen wordt niet door de rechtbank geregeld.

8 Uitspraak

(zie ook artikelen 29, 30, 29a, 286 tot en met 289 Rv)

  • 8.1 Termijn voor uitspraak is:

    • bij zaken waarin is afgezien van een mondelinge behandeling:

      uiterlijk vier weken na het moment dat is geconstateerd dat de zaak gereed is voor beschikking doch in ieder geval voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende ondertoezichtstelling en/of machtiging tot uithuisplaatsing.

    • bij zaken waarin een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden:

      in beginsel mondeling ter zitting dan wel uiterlijk twee weken na de datum van de mondelinge behandeling of – indien nog een termijn voor overlegging van nadere informatie en een reactie daarop werd gegund – twee weken na afloop van de laatstgenoemde termijn doch in ieder geval voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende ondertoezichtstelling en/of machtiging tot uithuisplaatsing.

    Zodra zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan te verwachten is dat de termijn van twee weken niet wordt gehaald, kan ter zitting een langere termijn worden bepaald.

  • 8.2 Indien blijkt dat – om welke reden dan ook – de hiervoor vermelde uitspraaktermijnen niet gehaald worden, dient dat schriftelijk aan partijen meegedeeld te worden met vermelding van een nieuwe uitspraakdatum.

9 Digitaal procederen

(zie ook artikel 33 Rv)

  • 9.1 Toepasselijkheid overige bepalingen

    De bepalingen van de overige hoofdstukken van dit procesreglement zijn ook van toepassing indien digitaal wordt geprocedeerd, behoudens indien en voor zover hierna daarvan wordt afgeweken.

    Daarnaast gelden de regels die zijn opgenomen in:

  • 9.2 Begripsbepalingen

    In dit hoofdstuk worden de begrippen uit de wet gebruikt.

    Ter verduidelijking hiervan of in aanvulling hierop is de betekenis van onderstaande begrippen in dit hoofdstuk (in alfabetische volgorde) de volgende:

    • a. Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid: het koppelvlak bestemd voor digitaal verkeer tussen systemen van partijen dan wel hun advocaten of gemachtigden en de rechtbank;

    • b. belanghebbende: degene tegen wie een verzoek in eerste aanleg is gericht of wiens rechten en verplichtingen rechtstreeks bij een verzoek zijn betrokken of die anderszins als belanghebbende moet worden aangemerkt;

    • c. bericht: een mededeling, niet zijnde een processtuk, tussen de rechtbank en een of meer partijen via de daartoe aangewezen digitale weg;

    • d. digitaal dossier: alle in een zaak ingediende processtukken, berichten en de beslissingen van de rechtbank daarop;

    • e. indienen: het digitaal aanleveren van processtukken of bewijsstukken, onder bijvoeging van het daartoe bestemde F-formulier;

    • f. processtuk: ieder stuk van een partij waarin het standpunt van die partij naar voren wordt gebracht;

    • g. verzoeker: de partij die een verzoek indient;

    • h. webportaal ‘Mijn Rechtspraak’: de beveiligde digitale omgeving waarin belanghebbenden, advocaten en andere (professionele) gemachtigden toegang hebben tot het digitale systeem van de rechtbank en het digitale dossier.

  • 9.3 Mogelijkheid van digitaal procederen

    Digitaal procederen bij de rechtbank is alleen mogelijk, indien en voor zover de wet bepaalt of uit de wet volgt dat partijen in (een) bepaalde categorie(ën) van zaken, hetzij de mogelijkheid hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (vrijwillig digitaal procederen), hetzij de verplichting hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (verplicht digitaal procederen). De categorieën van zaken waarin (vrijwillig of verplicht) digitaal procederen mogelijk is, staan vermeld in de bij dit procesreglement behorende Bijlage D.

  • 9.4 Toegang tot het webportaal

    Een belanghebbende heeft toegang tot het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ als hij beschikt over een inlogmiddel, zoals omschreven in het Reglement inzake de toegang tot en het gebruik van systeem DT Rechtspraak.

    Een belanghebbende heeft in het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ toegang tot het digitaal dossier in de aanhangige zaken waarin hij partij is. Een partij die niet zelf digitaal procedeert, kan de rechtbank verzoeken hem mee te delen op welke wijze hij toegang kan krijgen tot het digitaal dossier.

  • 9.5 Gevolgen van digitaal procederen

    De partij die digitaal procedeert, gaat ermee akkoord dat:

    • zij geen papieren afdrukken of kopieën van processtukken of berichten ontvangt;

    • de verzending van daarvoor in aanmerking komende processtukken of berichten niet aangetekend geschiedt.

  • 9.6 Wissel van niet-digitaal naar digitaal procederen en omgekeerd

    Een partij die vrijwillig digitaal procedeert en voortaan niet meer digitaal wil procederen, of omgekeerd, verzoekt dit de rechtbank bij bericht. Een wissel wordt in een procedure in beginsel maar één keer toegelaten.

    De wissel is effectief vanaf de datum die in de bevestiging van de rechtbank wordt genoemd. De wissel wordt aan de verzoeker en aan alle belanghebbenden bevestigd.

    Een partij die wisselt naar digitaal procederen, krijgt ook digitaal toegang tot eerder gewisselde processtukken en berichten die in het digitaal dossier zijn opgeslagen.

  • 9.7 Wijze van indiening van processtukken en stukken

    Voor het indienen van processtukken en stukken gelden de volgende voorschriften:

    • een partij voorziet ieder processtuk of bewijsstuk dat zij indient van een benaming bestaande uit een verkorte partijnaam, een (doorlopend) volgnummer en een verkorte aanduiding van de inhoud ervan. Een door een partij gekozen partijnaam wordt door die partij en alle andere partijen consequent gehanteerd.

    • de in te dienen stukken worden als afzonderlijke digitale bestanden geüpload, waarbij de stukken op zodanige wijze worden aangeleverd dat deze in de juiste volgorde kunnen worden geraadpleegd.

  • 9.8 Indiening van berichten en processtukken/ontvangstbevestiging bij digitaal procederen

    De indiening van het verzoekschrift, verweerschrift en overige processtukken en berichten vindt plaats door toezending aan de griffie van de rechtbank via het Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid of via het webportaal.

    De ontvangst van processtukken en berichten wordt automatisch bevestigd.

  • 9.9 Kennisgeving bij digitaal procederen/berichten van de rechtbank aan partijen

    Indien de rechtbank een processtuk, een uitspraak of een bericht in het digitale systeem heeft geplaatst, ontvangt iedere partij die digitaal moet procederen of die heeft laten weten digitaal te procederen en daarbij een e-mailadres heeft opgegeven, daarvan een kennisgeving (notificatie). Het tijdstip waarop deze kennisgeving wordt verstuurd, geldt als het tijdstip waarop het desbetreffende processtuk of bericht aan die partij bekend is gemaakt. Voor dit doel wordt bij de eerste keer dat een partij in een zaak inlogt in het webportaal, een e-mailadres gevraagd. Deze partij is te allen tijde verantwoordelijk voor de werking, de toegankelijkheid, de beschikbaarheid en de raadpleging van dit adres. Indien die partij geen e-mailadres verstrekt, geldt dit als een mededeling dat hij geen kennisgevingen wenst te ontvangen. Dit is voor rekening en risico van die partij.

    De rechtbank bericht partijen door plaatsing van een bericht in het door partijen te raadplegen digitaal dossier in hun zaak.

  • 9.10 Aantal in te dienen exemplaren

    Het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken, het verweerschrift en de bijgevoegde stukken, en de eventueel tijdens de mondelinge behandeling in te dienen processtukken of de in het geding te brengen bewijsstukken worden in enkelvoud ingediend, met een kopie aan iedere belanghebbende indien en zolang deze op papier procedeert.

  • 9.11 Meer dan één verzoeker en/of meer dan één belanghebbende

    Indien wordt geprocedeerd door meer dan één verzoeker of wordt geprocedeerd tegen meer dan één belanghebbende, maakt elk van partijen duidelijk door welke partij(en) het verzoek is ingediend en wie belanghebbende(n) is/zijn.

    Een belanghebbende die digitaal procedeert en niet wenst dat een andere belanghebbende in dezelfde procedure voortaan nog kennis kan nemen van door hem in te dienen processtukken of berichten, verzoekt de rechtbank op duidelijk kenbare wijze om afsplitsing van zijn zaak alvorens zijn volgende processtuk of bericht aan het dossier toe te voegen.

    Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op de verzoeker die niet wenst dat andere verzoekers in dezelfde procedure voortaan nog kennis kunnen nemen van door hem in te dienen processtukken of berichten.

  • 9.12 Uitsluiting van digitaal procederen

    De rechtbank kan een partij of de gemachtigde van die partij tijdelijk of blijvend uitsluiten van het gebruik van het digitale systeem, indien hij aantoonbaar een gevaar vormt voor de integriteit van het digitale systeem of indien hij het digitale systeem verstoort. De uitsluiting wordt medegedeeld bij bericht en heeft alleen betrekking op de procedure waarin de rechtbank deze beslissing heeft genomen.

    Na de uitsluiting van het gebruik van het digitale systeem, wordt de procedure voortgezet volgens de regels die gelden voor niet-digitaal procederen.

  • 9.13 Verstrekking afschrift uitspraak

    De uitspraak kan ook digitaal ter beschikking worden gesteld.

    Van de uitspraak wordt aan de partij die daarbij belang heeft een voor tenuitvoerlegging bestemd afschrift (grosse) verstrekt. Deze grosse wordt altijd op papier verstrekt.

Bijlage A. Schema verzoekers

Afkortingen

De gecertificeerde instelling GI

Ondertoezichtstelling OTS

Het Openbaar Ministerie OM

De Raad voor de Kinderbescherming Raad

Uithuisplaatsing UHP

Schriftelijke aanwijzing s.a.

Voorlopige ondertoezichtstelling VOTS

NB: in sommige van de ondergenoemde wetsartikelen wordt gesproken over ‘degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt’ Daarmee wordt in ieder geval steeds de pleegouder bedoeld.

Onderwerp

Verzoeker(s)

Artikel BW (nieuw)

Hoger beroep mogelijk?

Voorlopige Voogdij (indien er geen gezag is of wordt uitgeoefend)

Raad

OM

1:241 lid 2

Ja

Voorlopige Voogdij (indien het gezag geschorst is)

Raad

OM

Pleegouder1

1:268 (verwijst naar 1:267)

Ja

OTS

Raad

OM

De ouder (met of zonder gezag)1

Pleegouder1

1:255 lid 2

Ja

VOTS

Raad

OM

De ouder (met of zonder gezag)1

Pleegouder1

1:257 (verwijst naar 1:255 lid 2)

Nee

Vervanging GI

GI

Raad,

De ouder met gezag

De minderjarige van 12 jaar en ouder (e.o.)

1:259

Nee

Verlenging OTS

GI

De ouder (met of zonder gezag)2

Pleegouder2

Raad2

OM2

1: 260 lid 2

Ja

Opheffen OTS

GI

Raad2

De ouder (met gezag)2

De minderjarige van 12 jr e.o.2

1:261 lid 2

Ja

Geschillen over de uitvoering van de OTS

De ouder (met gezag)3

De minderjarige van 12 jr e.o.3

De pleegouder3

GI

De zorgaanbieder of aanbieder 3 van jeugdhulp vallend onder verantwoordelijkheid van het college

1:262b

Nee

Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing (eventueel met dwangmiddel)

GI

1:263 lid 3

Nee

Geheel/gedeeltelijk vervallen verklaren s.a.

De ouder (met gezag)

De minderjarige van 12 jaar e.o.

1:264

Nee

(m.u.v. beschikkingen ingevolge artikel 1:265f lid 2)

Geheel/gedeeltelijk intrekken s.a.

De ouder (met gezag)

De minderjarige van 12 jaar e.o.

1:265

Nee

(m.u.v. beschikkingen ingevolge artikel 1:265f lid 2)

UHP

GI

Raad

OM

1:265b lid 1

1:265b lid 2

Ja

Verlenging UHP

De GI

Raad2

OM2

1:265c

Ja

Beëindiging UHP/Bekorting duur/afzien overplaatsing minderjarige

De ouder (met gezag)

De minderjarige van 12 jaar e.o.

Pleegouder

1:265d lid 4 jo lid 2

Ja

Gedeeltelijke gezagsuitoefening door GI

GI

Raad2

Pleegouder2

1:265e lid 5

Ja

Verlengen gedeeltelijke gezagsuitoefening door GI

GI

Raad2

Pleegouder2

1: 265e lid 3

Ja

Wijziging gedeeltelijke gezagsuitoefening door GI

GI

Raad2

Pleegouder2

1: 265e lid 5

Ja

Beperking contact in s.a.

De ouder (met gezag)

De minderjarige van 12 jaar e.o.

1:265f lid 2 jo 264 en 265

Ja

Vaststellen zorgregeling/

Omgangsregeling in het kader van de OTS

GI

1:265g lid 1

Ja

Wijziging zorgregeling/ omgangsregeling in het kader van de OTS

De ouder (met gezag)

De omgangsgerechtigde

De minderjarige van 12 jaar e.o.

GI

1:265g lid 2

Ja

Vervangende toestemming medische behandeling

GI

1:265 h lid 1

Ja

Toestemming wijziging verblijf pleegouder na 1 jaar

GI

1:265i

Ja

De machtiging, spoedmachtiging en de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp

Buiten OTS:

College van b&w

GI die jeugdreclassering uitvoert

Bij (nieuw verzoek) OTS:

Raad

OM

Bij een lopende OTS:

Raad

OM

GI

6.1.8 lid 1 Jeugdwet

6.1.8 lid 3 Jeugdwet

6.1.8. lid 2 Jeugdwet

6.1.8. lid 2 Jeugdwet

Ja

Wijziging hulpverleningsplan in het kader van een voorwaardelijke machtiging geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren

De wettelijke vertegenwoordiger

De jeugdige

6.1.7 lid 1 Jeugdwet

Ja

Intrekking schorsing tenuitvoerlegging machtiging gesloten jeugdhulp geheel/gedeeltelijk vervallen verklaren

De wettelijke vertegenwoordiger

De jeugdige

6.1.12 lid 5 Jeugdwet (verwijst naar 6.1.7 Jeugdwet)

Ja

Opneming in accommodatie gesloten jeugdhulp ten tijde van een voorwaardelijke machtiging geheel/gedeeltelijk vervallenverklaren

De wettelijke vertegenwoordiger

De jeugdige

6.1.7 lid 1 Jeugdwet

Ja

X Noot
1

indien de Raad niet overgaat tot het verzoek

X Noot
2

indien de GI niet overgaat tot het verzoek

X Noot
3

alleen via een advocaat (1:265k)

Bijlage B: Bijzonderhedenformulier GI/RvdK

Bijzonderhedenformulier voor de zitting van de kinderrechter

Naam minderjarige(n) en geboortedatum en BSN: ..........

Roepnaam minderjarige: ..........

BSN ouder(s) en/of andere belanghebbenden: ..........

Stemmen belanghebbenden in met het verzoek? Ja/Nee

Dient er voor de behandeling extra tijd te worden uitgetrokken? Ja/Nee

Is er een tolk geregeld? Ja/Nee, voor wie? ..........

Dienen belanghebbenden gescheiden te worden opgeroepen? Ja/Nee

Is het nodig dat belanghebbenden gescheiden wachten? Ja/Nee

Is assistentie van de parketpolitie noodzakelijk? Ja/Nee

Is de minderjarige gedetineerd of gesloten geplaatst? Ja/Nee

Wil de minderjarige naar de mondelinge behandeling komen? Ja/Nee

Zijn er andere belanghebbenden gedetineerd? Ja/Nee

Is een belanghebbende woonachtig op een geheim adres? Ja/Nee

Wijkt het feitelijk adres van één van de belanghebbenden af van het BRP-adres en, zo ja, wat is dit feitelijke adres? ..........

Opgave werkdagen (en eventueel vakantie) indien(st)er i.v.m. de bereikbaarheid:

..........

(indien mogelijk wordt hiermee rekening gehouden bij het plannen van de mondelinge behandeling, zie ook artikel 5.1.2 van dit procesreglement)

Dit formulier is ingevuld door ..........

.......... (datum)

Bijlage C: Toelichting Procesreglement Civiel Jeugdrecht

Afwijking in het belang van het kind

Uitgangspunt van de samenstellers is geweest dat, gezien het bijzondere karakter van de rechtsgang, het in de praktijk mogelijk moet zijn in het belang van de minderjarige af te wijken van het reglement. Dit is in artikel 1.8 en door woorden als ‘in beginsel’ of ‘kan’ of ‘in elk geval’ tot uitdrukking gebracht.

Dient de minderjarige een eigen verzoekschrift met bijlagen te krijgen? (2.2)

In zaken die geen betrekking hebben op gesloten jeugdhulp is er voor gekozen de minderjarige een eigen verzoekschrift zonder bijlagen te sturen. Het is aan de Raad of de GI het verzoek met de minderjarige te bespreken. In de rapportages staan dikwijls ook gegevens over anderen zoals zijn ouders en broers en zusjes.

Indien echter de minderjarige om toezending van de bijlagen verzoekt, kan daaraan worden voldaan, zeker als de minderjarige zestien jaar of ouder is (conform de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming).

In zaken die betrekking hebben op gesloten jeugdhulp ontvangt de minderjarige van twaalf jaar of ouder alsmede de minderjarige die jonger is dan twaalf jaar die in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen steeds een eigen verzoekschrift met bijlagen. De achterliggende gedachte is dat deze minderjarigen ingevolge artikel 6.1.2 lid 2 van de Jeugdwet bekwaam zijn in rechte op te treden en dus zelfstandig procespartij zijn.

Wie zijn belanghebbenden? (2.3)

De ouder zonder gezag en de biologische ouder worden niet standaard aangemerkt als belanghebbenden. Dat neemt niet weg dat het in een bepaalde situatie voor de rechter van belang kan zijn om een ouder zonder gezag of biologische ouder voor een mondelinge behandeling uit te nodigen en te horen als informant als bedoeld in artikel 800 lid 2 Rv.

Onder het begrip ‘belanghebbende’ valt ook de perspectief biedende pleegouder of pleegouder die de minderjarige een jaar of langer verzorgt en opvoedt. Met de inwerkingtreding van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen is artikel 798 Rv gewijzigd in die zin dat aan lid 1 toegevoegd is dat voor de toepassing van de betreffende afdeling (rechtspleging in andere zaken dan scheidingszaken) onder belanghebbenden ook worden verstaan: ‘degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt’.

Spoedverzoek (2.9)

Een machtiging uithuisplaatsing kan worden verleend voor maximaal vier weken. Rechtbanken kunnen er voor kiezen de termijn korter te bepalen.

Tolk (5.5)

Dat de verzoeker voor een tolk zorgt, past in het systeem van de wet, immers de verzoekende partij dient er zorg voor te dragen dat de kinderrechter de zaak in volle omvang kan behandelen.

Bijlage D: Aanvullende bepalingen digitaal procederen (artikel 1.4, 2.2 en hoofdstuk 9)

Bij de volgende rechtbanken is vrijwillig digitaal procederen mogelijk door de advocatuur, Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen voor de in artikel 1.1 genoemde verzoeken vanaf de hierna te noemen datum:

  • rechtbank Gelderland, vanaf 27 november 2023

  • rechtbank Amsterdam, vanaf 22 april 2024

  • rechtbank Limburg, vanaf 22 april 2024

  • rechtbank Midden-Nederland, vanaf 22 april 2024

  • rechtbank Oost-Brabant, vanaf 22 april 2024

  • rechtbank Den Haag, vanaf 3 juni 2024

  • rechtbank Noord-Holland, vanaf 3 juni 2024

  • rechtbank Noord-Nederland, vanaf 3 juni 2024

  • rechtbank Overijssel, vanaf 3 juni 2024

  • rechtbank Rotterdam, vanaf 3 juni 2024

  • rechtbank Zeeland-West-Brabant, vanaf 3 juni 2024

Bijlage E: Regels voor het gebruik van Veilig Mailen (artikelen 1.2, 1.3, 1.6 en 1.8)

Voor communicatie via Veilig Mailen gelden, in aanvulling op de overige regels in dit procesreglement, de volgende regels.

  • E.1 Gebruik Veilig Mailen

    Bij het gebruik van Veilig Mailen maakt de verzender gebruik van het hiertoe aangewezen e-mailadres van de voorziening voor Veilig mailen van de Rechtspraak zoals dat per rechtbank en per zaaksoort staat vermeld op www.rechtspraak.nl. Daar staat ook vermeld op welke wijze een partij kan verzoeken om toegang tot Veilig Mailen.

  • E.2 Een e-mail betreft één zaak/karakter e-mail

    Een via Veilig Mailen verzonden e-mailbericht heeft uitsluitend betrekking op één zaak.

    Een e-mailbericht heeft het karakter van een envelop. De inhoud wordt opgenomen in de bijlage(n) bij het e-mailbericht.

    Als een bijlage informatie bevat die ingevolge een wettelijke regeling geheim moet blijven of waarvan ingevolge een wettelijke regeling slechts beperkt mag worden kennis genomen, vermeldt de indiener van het stuk dit uitdrukkelijk in de e-mail.

  • E.3 Communicatie door de rechtbank via Veilig Mailen

    De rechtbank kan een (proces-)stuk of bericht verzenden via Veilig Mailen, indien de geadresseerde:

    • hierom heeft verzocht, of

    • akkoord is gegaan met een verzoek van de rechtbank in te stemmen met Veilig Mailen, of

    • zelf via Veilig Mailen met de rechtbank heeft gecommuniceerd.

  • E.4 Onderwerpregel e-mailbericht

    Bij gebruik van Veilig Mailen vermeldt de onderwerpregel van het e-mailbericht uitsluitend:

    • ingeval van een nieuwe zaak: de woorden ‘nieuwe zaak’;

    • ingeval van een lopende zaak: het zaaknummer.

    In geen geval vermeldt de indiener in de onderwerpregel persoonsgegevens of andere vertrouwelijke informatie.

  • E.5 Wijze van verzenden van bestanden

    (Proces)stukken en berichten zijn als afzonderlijke bestanden bij het e-mailbericht gevoegd. De naam van deze bestanden bevatten een omschrijving en een dagtekening in de vorm van jjmmdd. De bestanden voldoen aan het Pdf-formaat, tenzij het stuk niet in een Pdf-formaat kan worden verstuurd, of de aard van het stuk zich daartegen verzet. In dat geval kan de indiener de rechtbank telefonisch verzoeken indiening van een ander bestandsformaat toe te staan. De bijlagen zijn doorlopend genummerd.

  • E.6 Maximumomvang via Veilig Mailen te verzenden bijlagen

    Een bijlage bij een mailbericht heeft een maximumomvang van 25 MB.

    Als een bijlage groter is dan 25 MB, wordt deze per post aan de griffie van de rechtbank verzonden of wordt deze afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank.

  • E.7 Veilig Mailen van stukken die moeten worden voorzien van een originele (‘natte’) handtekening

    Als de wet ondertekening van stukken vereist, worden deze voorzien van een originele (‘natte’) handtekening en gescand als Pdf-bestand via Veilig Mailen ingediend.

  • E.8 Verstoring toegang Veilig Mailen en verschoonbare termijnoverschrijding

    Als op de laatste dag van een voor de indiener geldende termijn voor indiening van een processtuk of bericht een niet aan hem toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot Veilig Mailen, is een daardoor veroorzaakte overschrijding van de termijn verschoonbaar als het processtuk of bericht uiterlijk wordt ingediend op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring is verholpen.

  • E.9 Mailen door de rechtbank met bestuursorganen en andere instanties

    Indien de rechtbank met bestuursorganen of andere organisaties via een versleutelde verbinding kan mailen, geldt deze vorm van mailen als Veilig Mailen in de zin van dit procesreglement.

Procesreglement Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en Wet zorg en dwang

1 Algemeen

  • 1.1 Dit reglement is van toepassing op zaken die gegrond zijn op de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet zorg en dwang, al dan niet door toepassing van artikel 2.3 Wet forensische zorg.

  • 1.2 Als niet-digitaal wordt geprocedeerd, worden de processtukken en berichten als volgt ingediend:

    • door toezending per post aan de griffie van de rechtbank, afdeling familie- en jeugdzaken

      www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken

    • door afgifte aan de Centrale Balie van de rechtbank www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken

    • door toezending via Veilig Mailen, mits het processtuk of het bericht, met eventuele bijlage(n), direct per post aan de griffie van de rechtbank wordt nagezonden of wordt afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank, onder de uitdrukkelijke vermelding dat het reeds eerder via Veilig Mailen ingediende stukken betreft.

    • Voor toezending via Veilig Mailen gelden daarnaast de in Bijlage 2 vermelde regels. Verzendingen via Veilig Mailen die vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend, tenzij een termijn op een ander tijdstip op die dag eindigt.

  • 1.3 Onder Veilig Mailen wordt verstaan: de voorziening van de Rechtspraak voor het verzenden en ontvangen van beveiligde e-mail naar en door de rechtbank www.rechtspraak.nl/veilig-mailen-met-de-rechtspraak.

    Een partij die digitaal procedeert kan via Veilig Mailen geen verzoeken en mededelingen doen of processtukken indienen. Audio- en videobestanden worden wel verstuurd via Veilig Mailen.8 In ‘Mijn Rechtspraak’ moet dan een bericht worden geüpload waarmee de rechtbank hierover wordt geïnformeerd.

  • 1.4 Van de verzending van een via Veilig Mailen verzonden processtuk of bericht is een bevestiging van de ontvangst beschikbaar, die de verzender zelf kan inzien of ophalen bij de dienst Veilig Mailen die de verzender gebruikt.

    Als tijdstip waarop de rechtbank een processtuk of een bericht via Veilig Mailen heeft ontvangen, geldt het tijdstip waarop het processtuk of het bericht een systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor de rechtbank verantwoordelijkheid draagt (ZIVVER). Dit tijdstip staat vermeld in de ontvangstbevestiging.

  • 1.5 Als niet-digitaal wordt geprocedeerd, bericht de rechtbank partijen per brief, per telefoon of via Veilig Mailen.

  • 1.6 Op alle (proces)stukken en berichten dient het zaaknummer en/of rekestnummer te worden vermeld.

2 Digitaal procederen

(zie ook artikel 33 Rv)

  • 2.1 Mogelijkheid van digitaal procederen

    Digitaal procederen bij de rechtbank is alleen mogelijk indien en voor zover de wet bepaalt of uit de wet volgt dat partijen:

    • in (een) bepaalde categorie(ën) van zaken, vermeld in bijlage 1, de mogelijkheid hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (vrijwillig digitaal procederen), of

    • in (een) bepaalde categorie(ën) van zaken, vermeld in bijlage 1, de verplichting hebben geheel of gedeeltelijk digitaal te procederen (verplicht digitaal procederen).

  • 2.2 Toepasselijke bepalingen

    Naast de bepalingen van dit hoofdstuk gelden de regels die zijn opgenomen in:

  • 2.3 Begripsbepalingen

    In dit hoofdstuk worden de begrippen uit de wet gebruikt.

    Ter verduidelijking hiervan of in aanvulling hierop is de betekenis van onderstaande begrippen in dit hoofdstuk (in alfabetische volgorde) de volgende:

    • a. Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid: het koppelvlak bestemd voor digitaal verkeer tussen systemen van partijen dan wel hun advocaten of gemachtigden en de rechtbank;

    • b. belanghebbende: degene tegen wie een verzoek in eerste aanleg is gericht of wiens rechten en verplichtingen rechtstreeks bij een verzoek zijn betrokken of die anderszins als belanghebbende moet worden aangemerkt;

    • c. bericht: een mededeling, niet zijnde een processtuk, tussen de rechtbank en een of meer partijen via de daartoe aangewezen digitale weg;

    • d. digitaal dossier: alle in een zaak ingediende processtukken, berichten en de beslissingen van de rechtbank daarop;

    • e. indienen: het digitaal aanleveren van processtukken of bewijsstukken, onder bijvoeging van het daartoe bestemde F-formulier;

    • f. processtuk: ieder stuk van een partij waarin het standpunt van die partij naar voren wordt gebracht;

    • g. verzoeker: de partij die een verzoek indient;

    • h. webportaal ‘Mijn Rechtspraak’: de beveiligde digitale omgeving waarin belanghebbenden, advocaten en andere (professionele) gemachtigden toegang hebben tot het digitale systeem van de rechtbank en het digitale dossier.

  • 2.4 Digitale communicatie tussen de rechtbank en het Openbaar Ministerie, het Centrum Indicatiestelling Zorg en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd vindt plaats via het Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid.

    Digitale communicatie tussen de rechtbank en andere dan hierboven genoemde procesdeelnemers vindt plaats via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’.

  • 2.5 Toegang tot het webportaal

    Een procesdeelnemer heeft toegang tot het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ als hij beschikt over een inlogmiddel, zoals omschreven in het Reglement inzake de toegang tot en het gebruik van systeem DT Rechtspraak.

    Een procesdeelnemer heeft in het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ toegang tot het digitaal dossier in de aanhangige zaken waarin hij partij is. Een partij die niet zelf digitaal procedeert, kan de rechtbank verzoeken hem mee te delen op welke wijze hij toegang kan krijgen tot het digitaal dossier.

  • 2.6 Gevolgen van digitaal procederen

    De partij die digitaal procedeert, gaat ermee akkoord dat:

    • zij geen papieren afdrukken of kopieën van processtukken of berichten ontvangt;

    • de verzending van daarvoor in aanmerking komende processtukken of berichten niet aangetekend geschiedt.

  • 2.7 Wissel van niet-digitaal naar digitaal procederen en omgekeerd

    Een partij die vrijwillig digitaal procedeert en voortaan niet meer digitaal wil procederen, of omgekeerd, verzoekt dit de rechtbank bij bericht. Een wissel wordt in een procedure in beginsel maar één keer toegelaten.

    De wissel is effectief vanaf de datum die in de bevestiging van de rechtbank wordt genoemd. De wissel wordt aan de verzoeker en aan alle belanghebbenden bevestigd.

    Een partij die wisselt naar digitaal procederen, krijgt ook digitaal toegang tot eerder gewisselde processtukken en berichten die in het digitaal dossier zijn opgeslagen.

  • 2.8 Wijze van indiening van processtukken en stukken

    Voor het indienen van processtukken en stukken gelden de volgende voorschriften:

    • een partij voorziet ieder processtuk of bewijsstuk dat zij indient van een benaming bestaande uit een verkorte partijnaam, een (doorlopend) volgnummer en een verkorte aanduiding van de inhoud ervan. Een door een partij gekozen partijnaam wordt door die partij en alle andere partijen consequent gehanteerd.

    • de in te dienen stukken worden als afzonderlijke digitale bestanden geüpload, waarbij de stukken op zodanige wijze worden aangeleverd dat deze in de juiste volgorde kunnen worden geraadpleegd.

  • 2.9 Indiening van berichten en processtukken/ontvangstbevestiging bij digitaal procederen

    De indiening van het verzoekschrift, verweerschrift en overige processtukken en berichten vindt plaats door toezending aan de griffie van de rechtbank via het Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid of via het webportaal.

    De ontvangst van processtukken en berichten wordt automatisch bevestigd.

  • 2.10 Kennisgeving bij digitaal procederen/berichten van de rechtbank aan partijen

    Indien de rechtbank een processtuk, een uitspraak of een bericht in het digitale systeem heeft geplaatst, ontvangt iedere partij die digitaal moet procederen of die heeft laten weten digitaal te procederen en daarbij een e-mailadres heeft opgegeven, daarvan een kennisgeving (notificatie). Het tijdstip waarop deze kennisgeving wordt verstuurd, geldt als het tijdstip waarop het desbetreffende processtuk of bericht aan die partij bekend is gemaakt. Voor dit doel wordt bij de eerste keer dat een partij in een zaak inlogt in het webportaal, een e-mailadres gevraagd. Deze partij is te allen tijde verantwoordelijk voor de werking, de toegankelijkheid, de beschikbaarheid en de raadpleging van dit adres. Indien die partij geen e-mailadres verstrekt, geldt dit als een mededeling dat hij geen kennisgevingen wenst te ontvangen. Dit is voor rekening en risico van die partij.

    De rechtbank bericht partijen door plaatsing van een bericht in het door partijen te raadplegen digitaal dossier in hun zaak.

  • 2.11 Aantal in te dienen exemplaren

    Het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken, het verweerschrift en de bijgevoegde stukken, en de eventueel tijdens de mondelinge behandeling in te dienen processtukken of de in het geding te brengen bewijsstukken worden in enkelvoud ingediend, met een kopie aan iedere belanghebbende indien en zolang deze op papier procedeert.

  • 2.12 Uitsluiting van digitaal procederen

    De rechtbank kan een partij of de gemachtigde van die partij tijdelijk of blijvend uitsluiten van het gebruik van het digitale systeem, indien hij aantoonbaar een gevaar vormt voor de integriteit van het digitale systeem of indien hij het digitale systeem verstoort. De uitsluiting wordt medegedeeld bij bericht en heeft alleen betrekking op de procedure waarin de rechtbank deze beslissing heeft genomen.

    Na de uitsluiting van het gebruik van het digitale systeem, wordt de procedure voortgezet volgens de regels die gelden voor niet-digitaal procederen.

  • 2.13 Verstrekking afschrift uitspraak

    De uitspraak kan ook digitaal ter beschikking worden gesteld.

    Van de uitspraak wordt aan de partij die daarbij belang heeft een voor tenuitvoerlegging bestemd afschrift (grosse) verstrekt. Deze grosse wordt altijd op papier verstrekt.

Bijlage 1: Aanvullende bepalingen digitaal procederen (hoofdstuk 2)

Bij alle rechtbanken is vrijwillig digitaal procederen mogelijk in zaken die gegrond zijn op de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet zorg en dwang, al dan niet door toepassing van artikel 2.3 Wet forensische zorg.

Bijlage 2: Regels voor het gebruik van Veilig Mailen (artikelen 1.2, 1.3, 1.4 en 1.5)

Voor communicatie via Veilig Mailen gelden, in aanvulling op de overige regels in dit procesreglement, de volgende regels.

  • 2.1 Gebruik Veilig Mailen

    Bij het gebruik van Veilig Mailen maakt de verzender gebruik van het hiertoe aangewezen e-mailadres van de voorziening voor Veilig mailen van de Rechtspraak zoals dat per rechtbank en per zaaksoort staat vermeld op www.rechtspraak.nl. Daar staat ook vermeld op welke wijze een partij kan verzoeken om toegang tot Veilig Mailen.

  • 2.2 Een e-mail betreft één zaak/karakter e-mail

    Een via Veilig Mailen verzonden e-mailbericht heeft uitsluitend betrekking op één zaak.

    Een e-mailbericht heeft het karakter van een envelop. De inhoud wordt opgenomen in de bijlage(n) bij het e-mailbericht.

    Als een bijlage informatie bevat die ingevolge een wettelijke regeling geheim moet blijven of waarvan ingevolge een wettelijke regeling slechts beperkt mag worden kennis genomen, vermeldt de indiener van het stuk dit uitdrukkelijk in de e-mail.

  • 2.3 Communicatie door de rechtbank via Veilig Mailen

    De rechtbank kan een (proces-)stuk of bericht verzenden via Veilig Mailen, indien de geadresseerde:

    • hierom heeft verzocht, of

    • akkoord is gegaan met een verzoek van de rechtbank in te stemmen met Veilig Mailen, of

    • zelf via Veilig Mailen met de rechtbank heeft gecommuniceerd.

  • 2.4 Onderwerpregel e-mailbericht

    Bij gebruik van Veilig Mailen vermeldt de onderwerpregel van het e-mailbericht uitsluitend:

    • ingeval van een nieuwe zaak: de woorden ‘nieuwe zaak’;

    • ingeval van een lopende zaak: het zaaknummer.

    In geen geval vermeldt de indiener in de onderwerpregel persoonsgegevens of andere vertrouwelijke informatie.

  • 2.5 Wijze van verzenden van bestanden

    (Proces)stukken en berichten zijn als afzonderlijke bestanden bij het e-mailbericht gevoegd. De naam van deze bestanden bevatten een omschrijving en een dagtekening in de vorm van jjmmdd. De bestanden voldoen aan het Pdf-formaat, tenzij het stuk niet in een Pdf-formaat kan worden verstuurd, of de aard van het stuk zich daartegen verzet. In dat geval kan de indiener de rechtbank telefonisch verzoeken indiening van een ander bestandsformaat toe te staan. De bijlagen zijn doorlopend genummerd.

  • 2.6 Maximumomvang via Veilig Mailen te verzenden bijlagen

    Een bijlage bij een mailbericht heeft een maximumomvang van 25 MB.

    Als een bijlage groter is dan 25 MB, wordt deze per post aan de griffie van de rechtbank verzonden of wordt deze afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank.

  • 2.7 Veilig Mailen van stukken die moeten worden voorzien van een originele (‘natte’) handtekening

    Als de wet ondertekening van stukken vereist, worden deze voorzien van een originele (‘natte’) handtekening en gescand als Pdf-bestand via Veilig Mailen ingediend.

  • 2.8 Verstoring toegang Veilig Mailen en verschoonbare termijnoverschrijding

    Als op de laatste dag van een voor de indiener geldende termijn voor indiening van een processtuk of bericht een niet aan hem toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot Veilig Mailen, is een daardoor veroorzaakte overschrijding van de termijn verschoonbaar als het processtuk of bericht uiterlijk wordt ingediend op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring is verholpen.

  • 2.9 Mailen door de rechtbank met bestuursorganen en andere instanties

    Indien de rechtbank met bestuursorganen of andere organisaties via een versleutelde verbinding kan mailen, geldt deze vorm van mailen als Veilig Mailen in de zin van dit procesreglement.


X Noot
1

Het is technisch nog niet mogelijk om audio- en videobestanden te uploaden via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’.

X Noot
2

Het is technisch nog niet mogelijk om audio- en videobestanden te uploaden via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’

X Noot
3

Het is technisch nog niet mogelijk om audio- en videobestanden te uploaden via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’

X Noot
4

Het is technisch nog niet mogelijk om audio- en videobestanden te uploaden via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’.

X Noot
5

Indien de circulaire niet is verlengd, moeten de stukken gelegaliseerd en geverifieerd worden op de wijze zoals in de meest recente circulaire is bepaald.

X Noot
6

Indien de circulaire niet is verlengd, moeten de stukken gelegaliseerd en geverifieerd worden op de wijze zoals in de meest recente circulaire is bepaald

X Noot
7

Het is technisch nog niet mogelijk om audio- en videobestanden te uploaden via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’

X Noot
8

Het is technisch nog niet mogelijk om audio- en videobestanden te uploaden via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’

Naar boven