Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2025, 20431 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2025, 20431 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op artikel 3.1, tweede lid, van het Besluit dierlijke producten;
Besluit:
De Regeling dierlijke producten wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1.1, eerste lid, komt de begripsbepaling van minister te luiden:
Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;.
B
Aan artikel 3.5 worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:
c. organische meststoffen of bodemverbeteraars gebruiken op bedrijven waar geen landbouwhuisdieren worden gehouden;
d. organische meststoffen of bodemverbeteraars hanteren en verhandelen, uitsluitend in kleinhandelsverpakkingen met een gewicht van maximaal 50 kg voor toepassingen buiten de voeder- en voedselketen.
C
Aan artikel 3.8, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
c. dierlijke bijproducten en afgeleide producten te gebruiken voor diagnose en onderzoek in een laboratorium bedoeld om informatie te verschaffen over een bepaalde eigenschap van de bemonsterde partij en een basis te vormen voor een besluit betreffende die partij dan wel het proces waarmee die partij is geproduceerd.
D
Na artikel 3.15 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Met toepassing van artikel 24, derde lid, in samenhang met bijlage XIII, hoofdstuk II, van verordening (EU) nr. 142/2011, is het de producent van voeder voor gezelschapsdieren toegestaan om de dierlijke bijproducten, bedoeld in punt 3, onder v, van voornoemd hoofdstuk II, de in voornoemd onderdeel genoemde behandelingen te laten ondergaan.
E
Artikel 3.20 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel a komt te luiden:
a. dode gezelschapsdieren die worden:
1°. begraven overeenkomstig artikel 3.10, eerste lid;
2°. verbrand of meeverbrand overeenkomstig artikel 12, onderdeel a, subonderdeel i, of onderdeel b, subonderdeel i, van verordening (EG) nr. 1069/2009 in een erkend dierencrematorium; of
3°. verwijderd of gebruikt volgens een toegelaten alternatieve methode als bedoeld in artikel 16, onderdeel e, van verordening (EG) nr. 1069/2009 en genoemd in bijlage IV, hoofdstuk IV, afdeling 2, van verordening (EU) nr. 142/2011, in een daartoe erkend of geregistreerd bedrijf dat geen andere dierlijke bijproducten of afgeleide producten verbrandt, verwijdert of gebruikt dan dode gezelschapsdieren;.
2. In onderdeel b wordt voor ‘dierencrematorium’ ingevoegd ‘erkend’.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage, 15 juni 2025
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Deze regeling voorziet in wijzigingen van de Regeling dierlijke producten (hierna: de Regeling). Er zijn enkele mogelijkheden voor vereenvoudigingen en afwijkingen opgenomen in de relevante verordeningen, verordening (EG) nr. 1069/20091 en verordening (EU) nr. 142/20112, nadat die zijn vastgesteld, die met deze regeling ook in de Nederlandse regelgeving zijn geregeld. Met de wijzigingen zijn enkele mogelijkheden voor gebruik of verwijdering van dierlijke producten die door de autoriteiten volgens de toepasselijke EU-regelgeving kunnen worden toegestaan, geregeld. Daarnaast voorzien enkele wijzigingen in de verlichting van de administratieve lasten door vereenvoudiging van administratieve voorschriften.
Dierlijke bijproducten
Met het Besluit dierlijke producten en de Regeling is (mede) uitvoering gegeven aan verordening (EG) nr. 1069/2009, waarbij voorschriften zijn gesteld inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke producten en afgeleide producten, en verordening (EU) nr. 142/2011, die uitvoering geeft aan verordening (EG) nr. 1069/2009. Deze voorschriften strekken tot beheersing van de risico’s voor de volks- en diergezondheid en tot bescherming van de veiligheid van de voedsel- en voederketen. Aangezien de risico’s voor de volks- en diergezondheid niet voor alle dierlijke bijproducten gelijk zijn, zijn dierlijke bijproducten in de artikelen 8, 9 en 10 van verordening (EG) nr. 1069/2009 in categorieën ingedeeld op basis van het risico dat deze bijproducten vormen voor de volks- en diergezondheid. Daarbij is categorie 1-materiaal het materiaal met het hoogste risico en categorie 3-materiaal het materiaal met het laagste risico voor de volks- en diergezondheid. De voorschriften van de beide verordeningen hebben onder meer betrekking op het verwerken, gebruiken of verwijderen van dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide producten.
Gebruik dierlijke bijproducten door bedrijven
Bedrijven die dierlijke bijproducten verwerken of verwijderen en vervoerders, handelaren en gebruikers van dierlijke bijproducten moeten bij het uitvoeren van die activiteiten handelen overeenkomstig verordening (EG) nr. 1069/2009 en verordening (EU) nr. 142/2011. Exploitanten van bedrijven of inrichtingen waar activiteiten met dierlijke producten worden verricht die een aanzienlijk risico voor de volks- en diergezondheid inhouden, hebben op grond van artikel 24 van verordening (EG) nr. 1069/2009 een erkenning nodig voordat zij die activiteiten kunnen verrichten. Inrichtingen of bedrijven die bepaalde veilige soorten materiaal hanteren of verwerken hoeven niet te worden erkend, maar moeten op grond van artikel 23 van verordening (EG) nr. 1069/2009 bij de bevoegde autoriteit zijn geregistreerd. Het doel van de registratie is controle en tracering van de materiaalstroom. Verordening (EU) nr. 142/2011 geeft hierop uitzonderingsmogelijkheden, waarvan er twee zijn toegevoegd aan deze regeling.
Gezien het lage risico van contacten van landbouwhuisdieren met organische meststoffen en bodemverbeteraars worden gebruikers daarvan die geen landbouwhuisdieren houden en exploitanten die dergelijke producten in consumentverpakking aanbieden aan de gebruikers, wanneer die gebruikers actief zijn buiten de voedsel- en voederketen, vrijgesteld van de verplichting tot kennisgeving uit hoofde van artikel 23 van verordening (EG) nr. 1069/2009.
Sommige vormen van gebruik of verwijdering van dierlijke bijproducten zijn alleen toegestaan als de bevoegde autoriteit van een lidstaat hiervoor toestemming heeft gegeven. Met deze regeling is die toestemming ook gegeven voor het gebruik van dierlijke bijproducten en afgeleide producten voor diagnose en onderzoek in laboratoria voor zover het analyses betreft van monsters die genomen zijn in het kader van (bedrijfs)controles op de naleving van de wetgeving bij het in de handel brengen inzake levensmiddelen, diervoeders en dierlijke bijproducten en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn. Hiertoe behoort ook de analyse van monsters van dierlijke mest in een erkend laboratorium als bedoeld in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
Verwerking en verwijdering van kadavers
De verwerking en verwijdering van (delen van) kadavers die categorie 1- of 2-materiaal bevatten geschiedt in beginsel door Rendac Son B.V. (hierna: Rendac). In artikel 3.20 van de Regeling zijn de desbetreffende dierlijke bijproducten aangewezen. Voor deze aangewezen dierlijke bijproducten geldt een aangifteplicht rustend op de houder en een ophaalplicht rustend op de ondernemer Rendac. Een aantal dierlijke bijproducten is van deze hoofdregel uitgezonderd. Voor deze uitgezonderde dierlijke bijproducten, waaronder dode gezelschapsdieren, geldt dat zij op een andere manier mogen worden verwerkt en verwijderd. Daarvoor was alleen voorzien in begraving of crematie. Met deze regeling zijn de mogelijkheden uitgebreid tot andere vormen van verwerking en verwijdering die de Europese regelgeving toestaat, zoals de verwerking door middel van alkalische hydrolyse. Het gebruik hiervan is beperkt tot bedrijven die uitsluitend met betrekking tot dode gezelschapsdieren voor die werkzaamheden zijn erkend of geregistreerd.
De wijzigingen in de Regeling dierlijke producten hebben beperkte gevolgen voor de regeldruk. Bedrijven die organische meststoffen en bodemverbeteraars in kleinhandelsverpakkingen buiten de voedsel- en voederketen verwerken en verhandelen, worden vrijgesteld van strengere regels, wat zorgt voor een lastenverlichting. Daarnaast kunnen producenten van gezelschapsdierenvoeder door de aanpassingen alternatieve behandelingen toepassen op dierlijke bijproducten. Dit biedt meer mogelijkheden voor het bedrijfsleven zonder extra administratieve gevolgen. Ook de regels voor de verwijdering van dode gezelschapsdieren zijn verruimd. Dit biedt meer flexibiliteit zonder toename van regeldruk, aangezien de verplichting tot melding en verwijdering van andere dierlijke bijproducten ongewijzigd blijft.
Een ontwerp van de onderhavige regeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). ATR is van oordeel dat de regeldruk voldoende in kaart is gebracht. ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het geen significante gevolgen voorziet voor de regeldruk.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) is belast met het toezicht op de naleving van onderhavige voorschriften.
De NVWA is betrokken bij het vormgeven van de onderhavige regeling. Een concept is aan de NVWA aangeboden voor een uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets. De NVWA acht de regeling handhaafbaar, uitvoerbaar en fraudebestendig.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2025. Dit is in overeenstemming met het beleid van vaste verandermomenten.
In artikel 1.1, eerste lid, is de benaming van de Minister aangepast.
Met het oog op de verlichting van de administratieve lasten voor zowel de betrokken ondernemingen als de NVWA, is de mogelijkheid benut die in artikel 20, vierde lid, van verordening (EU) nr. 142/2011 aan de lidstaten is geboden om de volgende twee groepen van exploitanten vrij te stellen van de kennisgevingsplicht van artikel 23 van verordening (EG) nr. 1069/2009: gebruikers van organische meststoffen of bodemverbeteraars op bedrijven waar geen landbouwhuisdieren worden gehouden en exploitanten die organische meststoffen of bodemverbeteraars aanbieden en verhandelen aan de eindgebruiker, uitsluitend in kleinhandelsverpakkingen met een gewicht van maximaal 50 kg voor toepassingen buiten de voeder- en voedselketen.3 Met het toevoegen van twee onderdelen aan artikel 3.5 is de vrijstelling van die twee groepen exploitanten gerealiseerd.
In artikel 17, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1069/2009 is voorzien in de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteit (in dit geval de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) om toe te staan dat wordt afgeweken van de vaste manieren van verwijdering en gebruik van dierlijke bijproducten en afgeleide producten voor onderzoek en enkele andere specifieke doeleinden. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt in artikel 3.8, eerste lid, van de Regeling. Daarbij waren de laboratoria die ook onderzoek verrichten aan of met genoemde producten niet expliciet genoemd. Gelet op de omvang van dit onderzoek in deze laboratoria is het wenselijk om, gegeven de met de toepassing en naleving van de voorschriften in verband met het gebruik van het materiaal gemoeide administratieve lasten, laboratoria het gebruik onder voorwaarden toe te staan voor zover het uitvoeren van analyses betreft op monsters die genomen zijn in het kader van (bedrijfs)controles op de naleving van de wetgeving inzake levensmiddelen, diervoeders en dierlijke bijproducten en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn. Dit betreft ook de analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest in daartoe, op basis van Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, erkende laboratoria.
Dit met dien verstande dat het slechts laboratoria betreft die zijn geregistreerd bij de NVWA op voet van het bepaalde in artikel 23, eerste en tweede lid, van verordening (EG) nr. 1069/2009 en die voldoen aan de in bijlage VI, hoofdstuk I, bij verordening (EU) nr. 142/2011 vastgestelde eisen.
Deze wijziging betreft het opnemen van een nieuw artikel 3.15a in de Regeling, waarbij is toegestaan dat andere behandelingen dan inblikken of verhitten bij de productie van bepaald verwerkt voeder voor gezelschapsdieren worden toegepast. In bijlage XIII, hoofdstuk II, van verordening (EU) nr. 142/2011 wordt hiervoor de grondslag geboden. Deze aanpassing biedt bedrijven die voeder voor gezelschapsdieren produceren de mogelijkheid om bij de vervaardiging van voeder voor gezelschapsdieren dierlijke bijproducten van categorie 3-materiaal afkomstig van knaagdieren en haasachtigen en afkomstig van waterdieren, aquatische en terrestrische ongewervelden, te betrekken mits het een behandeling ondergaat die waarborgt dat het voeder voor gezelschapsdieren geen onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid inhoudt. Het verwerkte voeder voor gezelschapsdieren moet in nieuwe verpakkingen worden verpakt. Zo kunnen innovatieve methoden bij de productie van voeder voor gezelschapsdieren worden toegepast. Hierdoor wordt bijgedragen aan diversificatie en verduurzaming binnen de diervoedersector en wordt de concurrentiekracht van de insectensector gestimuleerd, terwijl de veiligheidsnormen en duurzaamheid binnen de sector gewaarborgd blijven.
In onderdeel a van artikel 3.20 van de Regeling waren reeds dode gezelschapsdieren uitgezonderd van de door Rendac te verwijderen en te verwerken dierlijke bijproducten, voor zover deze worden begraven of worden verbrand of meeverbrand in een erkend dierencrematorium. Met onderhavige wijziging van genoemd onderdeel a wordt geregeld dat ook de toepassing van toegelaten alternatieve verwerkingsmethoden voor dode gezelschapsdieren, zoals alkalische hydrolyse (ook wel resomeren genoemd), onder de uitzondering valt. Het gebruik hiervan is beperkt tot bedrijven die uitsluitend met betrekking tot dode gezelschapsdieren voor die werkzaamheden zijn erkend of geregistreerd. Zo zijn huisdiereigenaren en bedrijven in staat gesteld om veilige en door de EU toegelaten verwerkingsmethoden te gebruiken. Deze uitzondering geldt enkel voor bedrijven die zich met die methoden specifiek richten op dode gezelschapsdieren. De uitzondering geldt ook voor dierencrematoria die naast verbranding of meeverbranding de toegelaten alternatieve verwerkingsmethoden aanbieden en hiertoe door de NVWA erkend zijn. Om te anticiperen op toekomstige door de EU toegestane alternatieve verwerkingsmethoden, is een verwijzing opgenomen naar de bepalingen van de beide verordeningen waarbij de alternatieve verwerkingsmethoden worden toegelaten, zonder deze toe spitsen op één van de daar specifiek genoemde methoden die worden toegelaten voor de verwijdering van dode gezelschapsdieren.
In artikel 3.20, onderdeel b, is een technische verduidelijking doorgevoerd, door te bepalen dat de verbranding of meeverbranding van dode paarden alleen in ‘erkende’ dierencrematoria mag plaatsvinden.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PbEU 2009, L 300).
Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (PbEU 2011, L 54).
De mogelijkheid om deze categorieën uit te zonderen is na de eerste vaststelling van verordening (EU) nr. 142/2011 aan artikel 20, vierde lid, daarvan toegevoegd, te weten per 27 januari 2015, met Verordening (EU) 2015/9 van de Commissie van 6 januari 2015 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 142/2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (PbEU 2015, L 3). Overigens is hierbij rekening gehouden met een kennelijk onjuiste vertaling in de Nederlandse taalversie van het betreffende onderdeel f, waarin ‘biologische meststoffen of bodemverbeteraars verhandelen’ was opgenomen in plaats van ‘organische meststoffen of bodemverbeteraars verwerken en verhandelen’.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-20431.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.