Pluimveeverwerkende Industrie

Vrijwillig Vervroegde Uittreding 2025/2026

Verbindendverklaring gewijzigde cao-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 juni 2025 tot wijziging van het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Vrijwillig Vervroegde Uittreding voor de Pluimveeverwerkende Industrie

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelezen het verzoek van AWVN namens partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeenverbindendverklaring van gewijzigde bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Partij ter ener zijde: De Vereniging van de Nederlandse Pluimveeverwerkende Industrie (NEPLUVI);

Partijen ter andere zijde: FNV en CNV.

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Besluit:

Dictum I

Het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Vrijwillig Vervroegde Uittreding voor de Pluimveeverwerkende Industrie1 wordt met inachtneming van dictum II als volgt gewijzigd:

A

De onder dictum I opgenomen bepalingen worden als volgt gewijzigd:

Artikel 3 lid 1 van de statuten komt te luiden:

  • ‘1. Met inachtneming van het verder in dit artikel bepaalde bestaat het bestuur uit vier (4) bestuursleden. Twee (2) bestuursleden worden benoemd door werkgeverszijde, te weten door de Vereniging van de Nederlandse Pluimveeverwerkende Industrie NEPLUVI. De overige twee (2) bestuursleden worden benoemd door werknemerszijde, waarbij één lid wordt benoemd door de FNV en één lid door CNV. Het recht van benoeming bestaat alleen op het moment dat de genoemde werkgevers- of werknemersorganisatie partij is bij de cao Pluimveeverwerkende Industrie. Indien door hetgeen bepaald is in de laatste volzin het bestuur uit minder dan vier (4) bestuursleden bestaat, blijft het desalniettemin een geldig bestuur met een geldige bestuurssamenstelling. Deze situatie geldt niet als een situatie zoals deze is omschreven in lid 3 van dit artikel, aangezien een vacature slechts kan ontstaan waar een organisatie op grond van dit lid bevoegd is tot benoeming.’

Artikel 12 van de statuten komt te luiden:

‘Artikel 12. Ontbinding en vereffening.

  • 1. Het bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. Het bestuur zal een besluit tot ontbinding nemen indien, hetzij de werkgeversorganisatie, hetzij de gezamenlijke werknemersorganisaties, zoals bedoeld in artikel 3 van deze statuten, bij aangetekend schrijven aan het bestuur bekend maakt/maken, dat zij hun medewerking aan de stichting opzegt/opzeggen. Het besluit tot ontbinding moet worden genomen binnen een jaar na bedoelde bekendmaking.

  • 2. Het bestuur is belast met de liquidatie en geeft na goedkeuring van het Georganiseerd Overleg een bestemming aan een eventueel batig saldo van de stichting, met dien verstande dat een batig saldo, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf procent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge artikel 5 van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang.

  • 3. Na afloop van de vereffening blijven de boeken en bescheiden van de ontbonden stichting gedurende de bij de wet voorgeschreven termijn onder berusting van de door de vereffenaars aangewezen persoon.

  • 4. Op de vereffening zijn overigens de bepalingen van Titel 1, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing’

Artikel 13 komt te luiden:

‘Artikel 13. Slotbepalingen.

  • 1. In alle gevallen, waarin zowel de wet als deze statuten niet voorzien, beslist het bestuur.

  • 2. Onder schriftelijk wordt in deze statuten verstaan: bij brief, telefax of e-mail, of bij boodschap die via een ander gangbaar communicatiemiddel wordt overgebracht en elektronisch of op schrift kan worden ontvangen mits de identiteit van de verzender met afdoende zekerheid kan worden vastgesteld.’

Artikel 9 wordt toegevoegd aan het Uitvoeringsreglement en komt te luiden:

‘Artikel 9 Liquidatie

  • 1. Indien het bestuur op grond van artikel 12 lid 2 van de statuten van de Stichting besluit tot liquidatie dan geeft het een bestemming aan een eventueel batig saldo van de Stichting.

  • 2. Om in aanmerking te komen voor de subjectieve vrijstelling van de vennootschapsbelasting die is opgenomen in artikel 5 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dient de bestemming van een eventueel batig saldo bij liquidatie van de Stichting te voldoen aan de regels van artikel 3 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971.

  • 3. Om te voldoen aan de in lid 2 genoemde voorwaarde kan het bestuur maximaal 5% van de ingelegde gelden aanwenden voor een ander doel dan ten bate van (1) de vrijwillig vervroegd uit dienst getreden werknemers, die gebruik hebben gemaakt van de sectorale RVU regeling, (2) een ander van de vennootschapsbelasting vrijgesteld lichaam of (3) een algemeen maatschappelijk belang. De genoemde maximaal 5% van de ingelegde gelden kunnen worden aangewend voor een doel dat het meest overeenstemt met het doel van de stichting.’

Dictum II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en heeft geen terugwerkende kracht.

’s-Gravenhage, 30 juni 2025

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, De directeur Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving, P.S. Nanhekhan

Naar boven