Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 mei 2025, kenmerk 4046340-1078446, houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving van hoofdstuk 2 van de Warenwet en het verlenen van mandaat voor de uitvoering en handhaving van hoofdstuk 2 van de Warenwet

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 35c van de Warenwet,

Gezien de instemming van de inspecteur-generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur en de Minister van Economische Zaken;

Besluit:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Minister:

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. Wet:

Warenwet.

Artikel 2

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 35 en 35a van de Wet zijn belast de ambtenaren met de functiebenamingen inspecteur, senior inspecteur, coördinerend/specialistisch inspecteur en inspecteur/medewerker toezicht van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken.

Artikel 3

  • 1. Aan de Inspecteur-Generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur wordt mandaat verleend om namens de Minister:

    • a. een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 35d van de Wet of overeenkomstig artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een last onder dwangsom op te leggen;

    • b. een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 35e van de Wet op te leggen;

    • c. een besluit te nemen op een bezwaarschrift gericht tegen een besluit als bedoeld in onderdeel a of b;

    • d. verweer te voeren ingeval beroep of hoger beroep is ingesteld ter zake van een besluit op bezwaar als bedoeld in onderdeel c;

    • e. verweer te voeren ingeval een voorlopige voorziening is ingesteld in het kader van een bezwaar, beroep of hoger beroep ter zake van een besluit als bedoeld in onderdeel a of b;

    • f. beleidsregels vast te stellen ten aanzien van de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 35 en 35a van de Wet.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 10:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de Inspecteur-Generaal bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen, behoudens voor wat betreft het vaststellen van beleidsregels als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Implementatiewet toegankelijkheidsvoorschriften producten en diensten in werking treedt.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, V. Maeijer

TOELICHTING

Met dit besluit worden de toezichthouders aangewezen die belast zijn met het toezicht op de naleving van de eisen die bij of krachtens de Warenwet (hierna: de wet) zijn gesteld ter implementatie van de Europese toegankelijkheidsrichtlijn1 (hierna: de richtlijn). Tevens wordt met dit besluit mandaat verleend ten aanzien van werkzaamheden die verband houden met de uitvoering en handhaving van hoofdstuk 2 van de wet, waarin de implementatiebepalingen geregeld zijn.

Gelet op artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is dit besluit met instemming van de Minister van Economische Zaken tot stand gekomen, voor zover het strekt tot verlening van mandaat en machtiging aan de onder die minister ressorterende Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (hierna: RDI), en met instemming van de Inspecteur-Generaal van de RDI.

Aanwijzing toezichthouders

In artikel 2 worden de ambtenaren van de RDI die een toezichthoudende taak hebben, aangewezen als toezichthouder. De ambtenaren van de RDI zullen toezicht houden op de producteisen die volgen uit de richtlijn, zoals deze geregeld zijn in het Warenwetbesluit toegankelijkheidsvoorschriften 2024.

Mandaat handhaving

Ter handhaving van de eisen die bij of krachtens hoofdstuk 2 van de wet zijn gesteld, kunnen verschillende bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten worden ingezet. De artikelen 35d en 35e van de wet geven de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de bevoegdheid om ter handhaving van de eisen die bij of krachtens de artikelen 35 en 35a van de wet zijn gesteld, een last onder bestuursdwang of een bestuurlijke boete op te leggen. Gelet op artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan in plaats van een last onder bestuursdwang ook een last onder dwangsom worden opgelegd. Deze bevoegdheden van de minister worden in het eerste lid van artikel 3 van het onderhavige besluit gemandateerd aan de Inspecteur-Generaal van de RDI.

Gelet op artikel 10:9 van de Awb is in het tweede lid van artikel 3 bepaald dat de Inspecteur-Generaal bevoegd is tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen. Daarbij dient wel artikel 10:3, vierde lid, van de Awb in acht worden genomen. Op grond van dat artikellid mag ter zake van de oplegging van een bestuurlijke boete van meer dan 340 euro geen mandaat worden verleend aan degene die van de overtreding een rapport of proces-verbaal heeft opgemaakt.

Wat betreft rechtsmiddelen die tegen een handhavingsbesluit worden ingesteld, geldt het volgende. Ter zake van handhavingsbesluiten die door de RDI in mandaat zijn genomen, heeft de Inspecteur-Generaal van de RDI op grond van artikel 3, eerste lid, onder c, d en e van het onderhavige besluit mandaat om op bezwaar te beslissen of verweer te voeren in (hoger) beroepsprocedures en procedures ter zake van een verzoek om een voorlopige voorziening. Ook hier geldt dat ondermandaat kan worden verleend aan ondergeschikte functionarissen.

Ook wordt aan de Inspecteur-Generaal van de RDI mandaat verleend beleidsregels ten aanzien van de handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk van de wet vast te stellen. Ten aanzien van deze laatste bevoegdheid kan geen ondermandaat verleend worden.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, V. Maeijer


X Noot
1

Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten.

Naar boven