Samenwerkingsovereenkomst voor de MIRT-verkenning OV-verbinding Sloterdijk-Amsterdam Centrum

Partijen:

1. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, handelend als bestuursorgaan, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de directeur Openbaar Vervoer en Spoor, de heer W.H.B. Aarnink, hierna te noemen: “IenW”;

2. Het Dagelijks Bestuur van de Vervoerregio Amsterdam, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de portefeuillehouder, de heer G.C.W.M.P. Slegers, handelend ter uitvoering van het besluit van het dagelijks bestuur van 29 februari 2024, hierna te noemen: “de Vervoerregio”;

3. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, handelend als bestuursorgaan van deze gemeente, te dezen vertegenwoordigd door wethouder Verkeer en Vervoer, mevrouw M. van der Horst, hierna te noemen: “Amsterdam”;

Gezamenlijk hierna te noemen “Partijen” en elk afzonderlijk “Partij”.

Overwegende dat:

  • 1. Partijen voornemens zijn om in verband met de plannen voor de grootschalige binnenstedelijke ontwikkellocatie Haven-Stad Zuid en de randvoorwaardelijke schaalsprong van het hoogwaardig OV-netwerk, de ontbrekende schakel in het OV tussen Sloterdijk en Amsterdam Centrum te ontwikkelen inclusief de aansluiting op de nationale en lokale/regionale OV-netwerken, zowel in oost-westelijke als in noord-zuidelijke richting. Hierbij mogen de bestaande OV-netwerken niet worden overbelast;

  • 2. De meest voor de hand liggende oplossing voor het eindbeeld in oost-westelijke richting van de OV-ontwikkeling in het gebied, het sluiten van de metroringlijn van het huidige eindpunt Isolatorweg via een nieuw metrostation Hemknoop tot en met de aansluiting op het Centraal Station is;

  • 3. De meest voor de hand liggende oplossing voor het eindbeeld in noord-zuidelijke richting van de OV-ontwikkeling in het gebied, het verlengen van een tramlijn tussen de Marnixstraat tot de Coen- en Vlothaven, inclusief een brug over de Mercuriushaven is;

  • 4. In het BO MIRT van november 2022 daarom is besloten om een MIRT-verkenning uit te voeren naar de OV-verbinding Sloterdijk – Amsterdam Centrum;

  • 5. Zoals te doen gebruikelijk, naast de meest voor de hand liggende varianten zoals genoemd onder punt 2 en 3, in deze MIRT-verkenning ook verschillende andere varianten voor het eindbeeld in oost-west en noord-zuid worden onderzocht;

  • 6. Er wordt toegewerkt naar een MIRT-Voorkeursbeslissing voor de OV-ontsluiting voor het mogelijk maken van de ontwikkeling van de eerste fase van Haven-Stad Zuid binnen de beschikbare middelen. Voor de realisatie van de eerste fase (Sloterdijk – Hemknoop) van de hierboven beschreven meest voor de hand liggende oplossing hebben rijk en regio zicht op 100% financiering, geheel gedragen door de regio als onderdeel van het samenhangende pakket investeringen uit het BO MIRT van 2022.

  • 7. In het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving op 15 juni 2023 de Mminister en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het startdocument voor de MIRT-verkenning OV-verbinding Sloterdijk – Amsterdam Centrum hebben vastgesteld en daarmee de Startbeslissing hebben genomen om een MIRT-verkenning te starten;

  • 8. Partijen zich aan deze MIRT-verkenning gecommitteerd hebben, door afspraken over financiële bijdragen van rijk en regio zoals gemaakt in het BO MIRT van november 2022;

  • 9. Partijen in de voorbereiding van het BO MIRT van november 2022 financiële afspraken hebben gemaakt, waarvan vooralsnog alleen onderdeel waren het verlengen van de metroringlijn tot en met Hemknoop en het doortrekken van een tramlijn tot en met de Minervahaven;

  • 10. Partijen met elkaar desondanks nut en noodzaak van een volwaardige MIRT-verkenning voor de OV-ontsluiting voor het mogelijk maken van de ontwikkeling van de eerste fase van Haven-Stad Zuid bevestigen;

  • 11. Partijen de MIRT-verkenning van groot belang achten voor de woning- en bereikbaarheidsopgave in de Metropoolregio Amsterdam (MRA) en zonder realisatie van een hoogwaardige OV-verbinding in zowel noord-zuidelijke als west-oostelijke richting, de woningbouwopgave onder druk komt te staan;

  • 12. Partijen het belang van de MIRT-verkenning voor de capaciteit en groei van het regionale OV-netwerk, en daarmee een ontlasting en optimalisatie van het (inter)nationale spoornetwerk bevestigen;

  • 13. Partijen voornemens zijn samen te werken om deze MIRT-verkenning tot een MIRT-Voorkeursbeslissing te laten leiden over een werkend vervoerssysteem. Onder een werkend vervoersysteem wordt zowel de aanleg van integrale infrastructuur, de beschikbaarheid van materieel als de exploitatie en het beheer & onderhoud verstaan;

  • 14. Partijen thans afspraken wensen te maken over de Verkenningsfase.

Komen het volgende overeen:

Artikel 1 Begrippen

I. Ambtelijk Opdrachtgeversoverleg:

het gremium voor de aansturing van de Projectorganisatie en voorbereiding van het Ambtelijk Coördinatie Overleg.

II. Ambtelijk Coördinatie Overleg:

het gremium om op ambtelijk niveau binnen de kaders van de Verkenning besluiten voor te bereiden.

III. Ambtelijk Opdrachtgevers:

de opdrachtgevers die de dagelijkse aansturing van de Projectorganisatie verzorgen en de besluitvorming richting het Bestuurlijk Overleg faciliteren.

IV. Bestuurlijk Overleg:

het gremium waarin besluiten worden genomen over zaken die buiten scope en Taakstellend budget vallen, over zaken die vanuit het Directeurenoverleg worden geëscaleerd, over producten die bestuurlijk vastgesteld dienen te worden en over het MIRT-Voorkeursalternatief.

V. Directeurenoverleg:

het gremium om binnen de kaders van de Verkenning, besluiten te nemen over zaken die door de Ambtelijk Opdrachtgevers, namens de Partijen en adviseurs, in het Ambtelijk Coördinatie Overleg, worden voorgelegd.

VI. Eerste fase Haven-Stad Zuid:

de geprojecteerde ontwikkeling van Haven-Stad Zuid rond het jaar 2035.

VII. Gedelegeerd opdrachtgever:

Amsterdam en de Vervoerregio treden op als opdrachtgever namens de Partijen. Amsterdam en de Vervoerregio verzorgen de dagelijkse aansturing van de Projectorganisatie.

VIII. Mandaatregeling:

het afsprakenkader vastgesteld in het Directeurenoverleg over werkwijze en bevoegdheden om beslissingen te nemen met als doel een efficiënte en slagvaardige uitvoering van de Verkenningsfase.

IX. MIRT-Voorkeursalternatief:

de bestuurlijke MIRT-Voorkeursbeslissing.

X. MIRT-Voorkeursbeslissing:

de beslissing voor de Verkenning naar de OV-ontsluiting voor het mogelijk maken van de ontwikkeling van de eerste fase van Haven-Stad Zuid zoals bedoeld in de MIRT-Spelregels.

XI. Planning- en Studiefase:

de fase zoals bedoeld in de MIRT-procedure tot aan de Projectbeslissing van het Project, waarin de MIRT-Voorkeursbeslissing nader wordt uitgewerkt en nauwkeurige kostenramingen worden opgesteld.

XII. Project:

de MIRT-verkenning OV-verbinding Sloterdijk – Amsterdam Centrum.

XIII. Projectorganisatie:

het team dat de Verkenningsfase uitvoert om te komen tot een MIRT-Voorkeursbeslissing.

XIV. Projectplan:

het door Partijen – met mandaat van het Bestuurlijk Overleg – in het Directeurenoverleg vastgestelde plan voor de uitvoering van de Verkenningsfase.

XV. Scopewijziging:

de wijziging van de inhoud van de Verkenning, zoals vastgelegd in het Projectplan.

XVI. Startbeslissing:

de beslissing zoals bedoeld in de MIRT-Spelregels dat het startpunt markeert van de Verkenning.

XVII. Taakstellend budget:

het totaal van bijdragen van Partijen aan de Verkenningsfase.

XVIII. Verkenning(sfase):

de fase waarin het Project zich bevindt en zoals bedoeld in de MIRT-procedure, waarbij, samen met de omgeving, onderzoek wordt gedaan om te komen tot een oplossing voor een opgave. De opgave wordt breed onderzocht. Dit gebeurt stap voor stap om toe te werken naar een te nemen MIRT-Voorkeursbeslissing voor dit Project.

XIX. VTW-procedure:

het verzoek tot wijziging van de kaders (tijd, scope en geld) zoals vastgelegd in het Projectplan. De werkwijze van deze procedure is beschreven in de Mandaatregeling van 2 februari 2024.

Artikel 2 Doel

Partijen spreken af om de samenwerking binnen het Project vorm te geven en te willen komen tot een te nemen MIRT-Voorkeursbeslissing.

Artikel 3 Scope en planning

  • 1. De Verkenning volgt het MIRT-Spelregels met als doel een MIRT-Voorkeursbeslissing.

  • 2. In de Verkenning onderzoeken Partijen meerdere alternatieven, die worden afgewogen en in beeld gebracht. Voor de kansrijke alternatieven wordt in ieder geval in beeld gebracht:

    • a. de route van het tracé (inclusief tunnels, kabels en leidingen);

    • b. de ligging en globale positionering en inpassing van stations (inclusief de directe stationsomgeving, zoals inrichting voorplein en wegen alsmede aansluiting op de wijk);

    • c. het vervoerssysteem passend bij het tracé en de samenhang en afhankelijkheden met en consequenties voor bestaande modaliteiten;

    • d. de investeringskosten van de aanleg van de infrastructuur van het tracé en inclusief levensduurkosten en een maatschappelijke kosten-batenanalyse;

    • e. de effecten op milieu en omgeving met behulp van een milieueffectrapportage.

  • 3. In het Projectplan van 3 september 2024 zijn de scope, planning en kosten nader uitgewerkt.

  • 4. De inhoudelijke scope van de Verkenning ziet toe op het komen tot een MIRT-Voorkeursalternatief voor de OV-ontsluiting voor het mogelijk maken van de ontwikkeling van de eerste fase van Haven-Stad Zuid.

  • 5. In de totstandkoming van een MIRT-Voorkeursalternatief voor de OV-ontsluiting wordt toekomstvastheid als beoordelingscriteria meegenomen.

  • 6. Partijen streven ernaar de informatie ten behoeve van de MIRT-Voorkeursbeslissing, binnen het Taakstellend budget, zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, in het vierde kwartaal 2026 gereed te hebben.

  • 7. Indien de planning niet gehaald kan worden, zullen Partijen in het Directeurenoverleg spreken over aanpassing van de planning, dan wel beheersmaatregelen treffen. Daarna wordt de aanpassing voorgelegd aan het Bestuurlijk Overleg.

Artikel 4 Verdeling van verantwoordelijkheden

  • 1. Amsterdam en de Vervoerregio leveren beiden een Ambtelijk Opdrachtgever en zij handelen samen namens Partijen.

  • 2. De Ambtelijk Opdrachtgevers zijn eindverantwoordelijk voor het realiseren van de Verkenning binnen de gestelde kaders en voor de juiste en tijdige berichtvorming daarover in de richting van het Directeurenoverleg en het Bestuurlijk Overleg. De Ambtelijk Opdrachtgevers sturen gezamenlijk de Projectorganisatie aan en zijn samen met de opdrachtgever van IenW de enige schakel tussen het bestuur en de ambtelijke organisatie. In het Ambtelijk Coördinatie Overleg bereiden de Partijen op ambtelijk niveau binnen de kaders van de Verkenning besluiten voor.

  • 3. IenW is mede-opdrachtgever maar draagt niet bij aan de financiering van de Verkenning, noch aan het Taakstellend budget noch aan eventuele meerkosten als gevolg van tegenvallers binnen de Verkenning.

  • 4. De Vervoerregio vervult de functie van kasbeheerder voor het innen van de bijdrage van Amsterdam en is uit dien hoofde penvoerder voor de opdracht aan de Uitvoeringsorganisatie Infrastructuur en Energie (voorheen de Directie Bijzondere Projecten) van de gemeente Amsterdam.

  • 5. Partijen laten zich bij de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst adviseren door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijk Ordening, de projectorganisatie Haven-Stad, GVB, de Nederlandse Spoorwegen en ProRail.

  • 6. De Uitvoeringsorganisatie Infrastructuur en Energie van de gemeente Amsterdam is als opdrachtnemer verantwoordelijk voor de inrichting en het functioneren van de Projectorganisatie en de uitvoering van de Verkenning. Voor opdrachten die de Uitvoeringsorganisatie Infrastructuur en Energie in de markt zal uitzetten, is Amsterdam de aanbestedende dienst en voert dit uit namens en voor rekening en risico van Amsterdam en de Vervoerregio. Dit geldt ook voor ook eventuele meerkosten die gedurende de uitvoering van de Verkenning ontstaan.

  • 7. In het kader van de horizontale samenwerking kunnen Partijen medewerkers ter beschikking stellen aan de Projectorganisatie, zulks tegen vergoeding, zoals opgenomen in de begroting van het Projectplan van 3 september 2024. Nadere afspraken tussen de Projectorganisatie en Partijen hierover worden in het Directeurenoverleg gemaakt. Ook nadere afspraken over de inbreng van kennis, kunde en deskundigheid, zoals bedoeld in artikel 5, vijfde lid, worden door Partijen en de Projectorganisatie in het Directeurenoverleg gemaakt.

Artikel 5 Financiële afspraken

  • 1. Voor werkzaamheden die nodig zijn om de Verkenning uit te voeren en te komen tot een MIRT-Voorkeursbeslissing stellen Amsterdam en de Vervoerregio, zijnde de financierende partijen van de Verkenning, een Taakstellend budget beschikbaar van € 25 miljoen (exclusief btw, prijspeil 2024).

  • 2. Amsterdam en de Vervoerregio dragen ieder 50% bij aan het Taakstellend budget.

  • 3. Het Taakstellend budget wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de Index Bruto Overheidsinvesteringen (IBOI) zoals gehanteerd door de Minister van Financiën. Hierbij wordt de stand gehanteerd van de restverplichting op 1 januari van het jaar waarin de indexatie plaatsvindt. Dit leidt vervolgens tot verhoging van de bijdrage van Amsterdam en de Vervoerregio in het Taakstellend budget (ieder 50%).

  • 4. Partijen en adviseurs dragen elk de kosten van de inzet van eigen personeel voor de begeleiding en voor de benodigde besluitvorming in de Verkenningsfase.

  • 5. De directe kosten van de dagelijkse aansturing van de Projectorganisatie door Amsterdam en de Vervoerregio, alsook kosten voor inbreng van expertise van Partijen, anders dan de in het vierde lid bedoelde inzet, zijn in de begroting van het Projectplan van 3 september 2024 opgenomen. Partijen maken in het Directeurenoverleg nadere afspraken over de omvang en betaling van de vergoedingen.

  • 6. Partijen stellen alles in het werk om de Verkenning binnen planning, scope en het Taakstellend budget te realiseren.

  • 7. Tegenvallers binnen de Verkenning worden in eerste instantie gecompenseerd met meevallers en/of minderwerk binnen het Taakstellend budget.

  • 8. Indien het Taakstellend budget niet toereikend blijkt te zijn om te komen tot een MIRT-Voorkeursbeslissing wordt geëscaleerd naar het Bestuurlijk Overleg en indien geen andere oplossing wordt gevonden worden meerkosten gelijkelijk gedeeld tussen Amsterdam en de Vervoerregio, zijnde de financierende partijen van de Verkenning.

  • 9. De bijdragen van Amsterdam en de Vervoerregio zijn exclusief btw, en zullen inclusief btw worden betaald voor zover btw aantoonbaar niet kan worden verrekend of teruggevorderd.

  • 10. Partijen treden binnen twee weken met elkaar in overleg als Amsterdam en/of de Vervoerregio haar financiële verplichtingen niet nakomt of kan nakomen.

  • 11. Indien het gehele Project niet doorgaat of de Verkenning tussentijds stopt, treden Partijen in overleg over de vraag of en hoe zij eventueel te veel betaalde bedragen kunnen terugbetalen, waarbij uitgangspunt is dat deze betaalde bedragen naar rato van de inbreng terugvloeien naar Amsterdam en de Vervoerregio.

Artikel 6 Scopewijzigingen

  • 1. Een Scopewijziging in de Verkenning wordt door de Partij die de wijziging initieert, aan het Directeurenoverleg voorgelegd, voorzien van een advies van de Projectorganisatie en het Ambtelijk Coördinatie Overleg ten aanzien van de haalbaarheid en de impact van de wijziging uitgedrukt in tijd, geld en risico’s. Hiervoor geldt de VTW-procedure zoals opgenomen in de door het Directeurenoverleg vastgestelde Mandaatregeling.

  • 2. Het Directeurenoverleg besluit of een Scopewijziging kan worden goedgekeurd of dat escalatie naar het Bestuurlijk Overleg nodig is.

  • 3. Een Scopewijziging die het risicoprofiel van het Project niet vergroot, niet leidt tot een belangrijke ingreep in het Taakstellend budget en/of aanpassing van de planning en waarbij de functionaliteit in stand blijft, wordt in beginsel door het Directeurenoverleg goedgekeurd.

  • 4. In het Directeurenoverleg wordt besloten hoe wordt omgegaan met mogelijke gevolgen van de Scopewijziging op tijd, scope en geld. Een Scopewijziging die leidt tot meerkosten in de Verkenning, is in principe voor rekening en risico van de Partij(en) die de wijziging heeft/hebben geïnitieerd en die Partij(en) houdt/houden in diens eigen begroting daarmee rekening.

  • 5. De instemming van Partijen met een Scopewijziging wordt inclusief de daarmee gemoeide afspraken, als bedoeld in het vierde lid, aangehecht aan het Projectplan.

Artikel 7 Organisatiestructuur

  • 1. Om als Partijen optimaal te kunnen samenwerken, is een organisatiestructuur in het leven geroepen die bestaat uit een Bestuurlijk Overleg, Directeurenoverleg, Ambtelijk Coördinatie Overleg, Ambtelijk Opdrachtgeversoverleg en Projectorganisatie.

  • 2. Het Ambtelijke Coördinatie Overleg bestaat uit één vertegenwoordiger van iedere Partij, van de Projectorganisatie en van de adviseurs.

  • 3. Het Directeurenoverleg bestaat uit één vertegenwoordiger per Partij. De adviseurs, zoals bedoeld in het vorige lid, nemen deel en hebben een adviserende rol.

  • 4. Het Bestuurlijk Overleg bestaat uit vertegenwoordigers van Partijen. De adviseurs hebben daarin geen rol of zitting, tenzij dat door de Partijen wordt verzocht.

Artikel 8 Projectorganisatie

  • 1. De integrale onafhankelijke Projectorganisatie wordt vormgegeven overeenkomstig het door het Directeurenoverleg goedgekeurde Projectplan van 3 september 2024.

  • 2. Governancemodel, Mandaatregeling en verantwoordingswijze zijn door Partijen besproken en vastgesteld in het Directeurenoverleg van 22 januari 2024. Eventuele wijzigingen daarvan worden in het Directeurenoverleg besproken.

Artikel 9 Overleg

  • 1. In het kader van dagelijkse aansturing overleggen de Ambtelijk Opdrachtgevers van Amsterdam en de Vervoerregio eenmaal per twee weken met de Projectorganisatie in het Ambtelijk Opdrachtgeversoverleg.

  • 2. Partijen en adviseurs spreken elkaar in het Ambtelijk Coördinatie Overleg eenmaal per vier weken.

  • 3. Partijen spreken elkaar in het Directeurenoverleg eenmaal per acht weken.

  • 4. Partijen spreken elkaar in ieder geval eenmaal per jaar in het Bestuurlijk Overleg en vaker in geval bestuurlijke besluiten voorliggen dan wel tussentijdse producten bestuurlijk vastgesteld dienen te worden. Dit betreft in ieder geval:

    • a. het vaststellen van tussentijdse producten zoals de Nota Reikwijdte en Detailniveau, de Nota Kansrijke Oplossingen en verplichte producten uit de Omgevingswet en plan-mer;

    • b. het vaststellen van het MIRT-Voorkeursalternatief en het nemen van de MIRT-Voorkeursbeslissing;

    • c. het eventueel wijzigen van deze samenwerkingsovereenkomst.

  • 5. Het Directeurenoverleg besluit wanneer escalatie naar het Bestuurlijk Overleg nodig is.

  • 6. Afhankelijk van de omstandigheden en actualiteit kan overleg vaker of minder vaak plaatsvinden.

Artikel 10 Voorwaarden voor uitvoering

  • 1. Partijen spannen zich in de publiekrechtelijke besluiten te nemen en de privaatrechtelijke en de feitelijke handelingen te verrichten die voor de Verkenning nodig zijn, daar waar Partijen een rol en verantwoordelijkheid hebben. Dit doen zij met inachtneming van de vereiste zorgvuldigheid en voortvarendheid.

  • 2. Partijen informeren elkaar tijdig over alle zaken die van belang zijn voor de Verkenning, in het bijzonder over die zaken die van invloed zijn op scope, planning of Taakstellend budget.

Artikel 11 Vervolgprocedure

  • 1. De Verkenning zal als onderdeel van de MIRT-Spelregels de projectbesluitprocedure met een voorkeursbeslissing en een plan-milieueffectrapportage (plan-mer), conform de bepalingen van afdeling 5.2 van de Omgevingswet, volgen.

  • 2. Partijen bepalen op een later moment of de gemeente Amsterdam en/of de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat als bevoegd gezag het projectbesluit zal vaststellen:

    • a. indien artikel 5.46 van de Omgevingswet van toepassing is, wordt een projectbesluitprocedure gevolgd waarbij de voorkeursbeslissing wordt vastgesteld door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat;

    • b. zo niet, dan wordt een projectbesluitprocedure gevolgd waarbij de voorkeursbeslissing wordt vastgesteld door de gemeente Amsterdam door het wijzigen van het omgevingsplan voor een ‘gemeentelijk project van publiek belang’.

  • 3. Partijen bespreken in een Bestuurlijk Overleg wie als bevoegd gezag de voorkeursbeslissing en/of het projectbesluit zal vaststellen.

  • 4. Aan het einde van de Verkenning maken Partijen de keuze of, met een MIRT-Voorkeursbeslissing, wordt doorgegaan naar de Planning- en Studiefase. Vereiste hierbij is dat Partijen ten minste overeenstemming hebben over het MIRT-Voorkeursalternatief en afspraken hebben gemaakt over de dekking van het benodigde budget.

  • 5. Voordat de Planning- en Studiefase start, zullen Partijen afspraken formaliseren in een nieuwe overeenkomst, waarin in ieder geval afspraken worden vastgelegd over financiering, risicoverdeling van het benodigde budget, projectorganisatie, fiscaliteit en governance voor die fase.

Artikel 12 Wijziging

  • 1. Deze samenwerkingsovereenkomst kan schriftelijk worden gewijzigd. Partijen treden met elkaar in overleg als er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat ongewijzigde instandhouding van de samenwerkingsovereenkomst in redelijkheid en billijkheid niet kan worden verlangd. De wijziging behoeft de instemming van alle Partijen.

  • 2. Een wijziging kan niet het doel van de samenwerkingsovereenkomst betreffen.

  • 3. Een Partij kan andere Partijen schriftelijk verzoeken de samenwerkingsovereenkomst te wijzigen. Partijen treden in overleg binnen een maand nadat Partijen het schriftelijke verzoek tot wijziging hebben ontvangen.

  • 4. De wijziging van de samenwerkingsovereenkomst wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

Artikel 13 Geschillen en toepasselijk recht

  • 1. De afspraken in de samenwerkingsovereenkomst binden Partijen.

  • 2. Er is sprake van een geschil zodra één van de Partijen dit schriftelijk onder opgaaf van redenen aan de andere Partijen meldt.

  • 3. Indien er een geschil ontstaat tussen Partijen, zullen zij eerst trachten dit geschil in der minne op te lossen door middel van mediation.

  • 4. Indien mediation niet binnen zes maanden tot een oplossing leidt, is elk der partijen gerechtigd het geschil voor te leggen aan de bevoegde rechter te Amsterdam.

  • 5. Op de samenwerkingsovereenkomst is uitsluitend Nederlands recht van toepassing.

Artikel 14 Communicatie

  • 1. Partijen dragen gezamenlijk zorg voor een optimale onderlinge en externe communicatie op basis van een communicatieplan dat in het Directeurenoverleg wordt vastgesteld.

  • 2. Alle stukken van de Verkenning dienen vertrouwelijk behandeld te worden, behoudens wanneer publicatie volgt uit een wettelijke verplichting. Indien één van de Partijen een document wil publiceren, dan wordt dit onderling afgestemd en, indien nodig, besproken in het Directeurenoverleg.

  • 3. Indien één van de Partijen of adviseurs vragen van de media krijgt, dan dient beantwoording afgestemd te worden met de Projectorganisatie. De Projectorganisatie draagt in dat geval en in het geval de Projectorganisatie zelf vragen krijgt, zorg voor de coördinatie en afstemming met de Ambtelijk Opdrachtgevers en opdrachtgever van IenW. Partijen blijven eindverantwoordelijk voor de communicatie.

Artikel 15 Opzegging

  • 1. Partijen kunnen de samenwerkingsovereenkomst opzeggen als de Verkenningsfase niet volledig is uitgevoerd en door Partijen gezamenlijk schriftelijk is vastgesteld dat niet aan de in deze samenwerkingsovereenkomst opgenomen verplichtingen kan worden voldaan of Partijen gezamenlijk schriftelijk vaststellen dat ze niet meer aan de in deze samenwerkingsovereenkomst opgenomen verplichtingen willen voldoen.

  • 2. Opzegging van de samenwerkingsovereenkomst op grond van het eerste lid is in geval van overschrijding van het Taakstellend budget alleen aan de orde nadat een versobering van het Project is onderzocht en deze versobering door Partijen als ontoereikend is beoordeeld.

  • 3. Partijen zijn elkaar bij opzegging van de samenwerkingsovereenkomst geen schadevergoeding verschuldigd, behoudens in geval van grove nalatigheid.

Artikel 16 Einde van de samenwerkingsovereenkomst

  • 1. De samenwerkingsovereenkomst eindigt met ingang van de dag na de datum waarop de Verkenningsfase is afgerond en door Partijen schriftelijk is vastgesteld dat aan de in deze samenwerkingsovereenkomst opgenomen verplichtingen is voldaan.

  • 2. Deze samenwerkingsovereenkomst eindigt in ieder geval uiterlijk op 31 december 2028.

Artikel 17 Inwerkingtreding

De samenwerkingsovereenkomst treedt in werking met ingang van de dag nadat de laatste Partij deze heeft ondertekend.

Artikel 18 Publicatie

Binnen 10 werkdagen na inwerkingtreding wordt de tekst van deze samenwerkingsovereenkomst door IenW gepubliceerd in de Staatscourant.

Aldus overeengekomen en in drievoud ondertekend:

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, W.H.B. Aarnink (directeur Openbaar Vervoer en Spoor)

Den Haag, 12 december 2024

Het Dagelijks Bestuur van de Vervoerregio Amsterdam, G.C.W.M.P. Slegers (portefeuillehouder Vervoerregio Amsterdam)

Zaanstad, 12 december 2024

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, M. van der Horst (wethouder Verkeer en Vervoer)

Amsterdam, 11 december 2024

Naar boven