Het kantoor Van Houwelingen & Partners, gevestigd te Amsterdam aan de Overschiestraat
186, heeft mij per e-mailbericht van 17 april 2025 in kennis gesteld dat het kantoor
diezelfde dag twee executoriale derdenbeslagen heeft gelegd ten laste van de staat
naar vreemd recht het Koninkrijk Spanje, onder de Europese naamloze vennootschap Airbus
SE, gevestigd en kantoorhoudende te Leiden aan de Mendelweg 30.
De beslagen zijn gelegd uit krachte van de beschikkingen van de Rechtbank Den Haag
van 7 april 2025 waarbij verlof is verleend tot tenuitvoerlegging van een arbitraal
vonnis van 6 september 2019 en een arbitraal vonnis van 11 december 2019.
Ik acht deze ambtshandeling, na consultatie van het Ministerie van Buitenlandse zaken,
in strijd met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Nederlandse Staat. In het
geval van (voorgenomen) maatregelen ten aanzien van vermogensbestanddelen van een
vreemde staat geldt een presumptie van immuniteit. Dit brengt mee dat executiemaatregelen
tegen vermogensbestanddelen van vreemde staten zijn uitgesloten, tenzij en voor zover
de staat uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van zodanige maatregelen, de
staat vermogensbestanddelen heeft aangewezen of gereserveerd ter voldoening van de
desbetreffende vordering(en), of vastgesteld is dat de vermogensbestanddelen in het
bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan
niet-commerciële overheidsdoeleinden.
In dit kader zijn de artikelen 18 tot en met 21 van het Verdrag van de Verenigde Naties
inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (Trb. 2010, 272) relevant. Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht
van staten en hun eigendommen kan op dit punt worden aangemerkt als internationaal
gewoonterecht. Ik verwijs daartoe onder meer naar bestendige jurisprudentie van de
Hoge Raad der Nederlanden (HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45; HR 30 september 2016,
ECLI:NL:HR:2016:2236; HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2103).
De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag en executie
rusten op de schuldeiser die beslag legt of wil leggen op goederen van de vreemde
staat (zie HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236; HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2103;
en Gerechtshof Amsterdam 10 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2629, door de Hoge Raad
in stand gelaten: Hoge Raad 5 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1023).
Hoewel ik niet kan beoordelen of de derdenbeslagen onder Airbus SE zien op eigendommen
die verband houden met het Koninkrijk Spanje, concludeer ik wel dat voorafgaand aan
het doen van de onderhavige aanzegging de schuldeiser onvoldoende informatie aan mij
verstrekt om vast te stellen of sprake is van een van de drie voornoemde, ten aanzien
van immuniteit van executie geldende, uitzonderingen. Daarmee heeft de schuldeiser
niet aan bovenbedoelde stelplicht en bewijslast voldaan.
Daarnaast zijn bij beide arbitrale procedures tegen het Koninkrijk Spanje rechtspersonen
afkomstig uit een van de EU-lidstaten betrokken. Natuurlijke of rechtspersonen afkomstig
uit een van de EU-lidstaten mogen echter op grond van jurisprudentie van het Europese
Hof van Justitie (ECLI:EU:C:2021:655 en ECLI:EU:C:2018:15) geen investeringsarbitrage
voeren tegen een andere EU-lidstaat. Tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen
in Nederland is in strijd met de uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen van
de Nederlandse Staat en is daarmee in strijd met de volkenrechtelijke verplichtingen
van de Nederlandse Staat.
Op basis van de mij thans beschikbare, door de gerechtsdeurwaarder en zijn opdrachtgever
aangeleverde, informatie kom ik dan ook tot de volgende conclusie. Op grond van artikel
3a, tweede en zesde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet zeg ik voornoemde gerechtsdeurwaarder
aan dat het in dezen gelegde executoriale derdenbeslag strijdig is met de volkenrechtelijke
verplichtingen van de Nederlandse Staat en aanstonds opgeheven dient te worden.