De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
Gelet op artikel 2, eerste lid, en 4, eerste lid, onder b, van het Kaderbesluit subsidies
I en M;
BESLUIT:
ARTIKEL I
Artikel 1 van de Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen 2024–2027 wordt
in de definitie van walstroomvoorziening na ‘haveninfrastructuur’ ingevoegd ‘inclusief,
indien aanwezig, een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit
ter plaatse dan wel opslageenheden voor de opslag van hernieuwbare elektriciteit als
bedoeld in artikel 56 ter, lid 2 bis, van de Algemene vrijstellingsverordening’.
ARTIKEL II
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van
de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
TOELICHTING
Doel en aanleiding
De Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen 2024–2027 voorziet in een stimulans
aan bedrijven in zeehavens om walstroom aan te leggen om daarmee effectief de stikstofdepositie
te verlagen in met stikstof overbelaste Natura-2000 gebieden. De sector heeft aangegeven
dat er steeds meer last wordt ondervonden van netcongestie. Dit kan er toe leiden
dat walstroomprojecten worden uitgesteld of dat ze worden uitgevoerd zonder dat in
de eerste periode na realisatie walstroom geleverd kan worden aan zeeschepen.
De onderhavige wijziging van de Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen maakt
het mogelijk dat bij een aanvraag voor subsidiëring van een walstroomvoorziening óók
de opwekkingsinfrastructuur voor hernieuwbare elektriciteit en de opslag van deze
elektriciteit kan worden gesubsidieerd. Hiermee wordt een stimulans geboden om deze
mitigerende maatregelen te nemen tegen netcongestie. Artikel 56 ter van de Algemene
groepsvrijstellingsverordening (AGVV) biedt die mogelijkheid.
Artikel 56 ter van de AGVV stelt hieraan de voorwaarde dat de nominale productiecapaciteit
van de installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit ter plaatse (in
de AGVV wordt ‘on-site’ gehanteerd) niet groter is dan het maximale nominale uitgangsvermogen
van de oplaadinfrastructuur waarop zij is aangesloten. Aandachtspunt is daarnaast
dat de emissies die ontstaan tijdens de productie van hernieuwbare elektriciteit ter
plaatse, meegenomen dienen te worden in de berekening van de stikstofdepositiereductie
met de AERIUS-calculator. De inzet van biobrandstoffen leidt in dat geval bijvoorbeeld
tot een aanzienlijk lagere netto-reductie van de stikstofdepositie.
De enkele wijziging van de definitie van ‘walstroomvoorziening’ is voldoende om ook
de opwekking voor hernieuwbare elektriciteit en de opslag daarvan te kunnen subsidiëren.
Advisering en consultatie
In aanloop van deze regeling heeft afstemming plaatsgevonden met de sector door middel
van meerdere consultatierondes en met de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO)
als uitvoerder van de regeling. Daaruit is naar voren gekomen dat de behoefte groot
is aan een uitbreiding van de subsidiemogelijkheden op korte termijn.
Gezien de geringe effecten is deze wijziging niet voorgelegd aan het Adviescollege
toetsing en regeldruk. Ook heeft er geen internetconsultatie plaatsgevonden. Door
de toekomstige openstelling van een nieuwe subsidieronde (per 3 juni) is deze vorm
gekozen en zal consultatie dan ook niet in betekenende mate kunnen leiden tot aanpassing
van het voorstel.
Inwerkingtreding en vaste verandermomenten
Op grond van het kabinetsbeleid inzake vaste verandermomenten treden ministeriële
regelingen in werking met ingang van 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober. Uitgangspunt
daarbij is dat bekendmaking uiterlijk twee maanden voor inwerkingtreding geschiedt.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de publicatie in de Staatscourant
in verband met de openstelling van de aanvraagperiode van de Tijdelijke subsidieregeling
walstroom zeeschepen 2024–2027 in 2025 (3 juni–30 september 2025). Er wordt op grond
van aanwijzing 4.17, vijfde lid, onder a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving
afgeweken van de vaste verandermomenten en er wordt tevens een kortere invoeringstermijn
dan twee maanden aangehouden. Een latere inwerkingtreding zal, gezien de komende openstelling,
tot aanmerkelijke ongewenste private en publieke nadelen leiden. De desbetreffende
sector en uitvoeringsinstantie zijn betrokken geweest bij de voorbereiding en nadere
invulling van deze regeling, zodat zij zich al op de uitbreiding van de definitie
hebben kunnen voorbereiden.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, B. Madlener