Op grond van artikel 13, tweede lid, van het Reglement voor de ondernemingskamer en
artikel 13, tweede lid, van het Reglement voor de bijzondere kamer bij het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, ontvangen de deskundige leden en plaatsvervangende deskundige leden
van de ondernemingskamer en de penitentiaire kamer als bedoeld in de artikelen 66
en 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie, tot op heden een vergoeding van € 1.000
per zittingsdag.
Artikel 13, derde lid, van beide Reglementen biedt de grondslag om de vergoeding voor
de deskundige leden en plaatsvervangende deskundige leden van de ondernemingskamer
en de penitentiaire kamer jaarlijks met ingang 1 januari van het jaar waarvoor het
bedrag gaat gelden bij ministeriële regeling aan te passen aan de ontwikkeling van
de consumentenprijsindex (CPI).
De jaarmutatie CPI wordt gemeten als de stijging van de CPI ten opzichte van de overeenkomstige
periode in het voorgaande jaar. De vergoeding wordt gewijzigd met het jaarmutatiecijfer
CPI voor de maand juli van het voorgaande kalenderjaar.
Het bedrag van de vergoeding voor de leden en plaatsvervangende deskundige leden van
de ondernemingskamer respectievelijk de penitentiaire kamer is niet gewijzigd sinds
1 juli 2013 respectievelijk 1 juli 2012. Met deze regeling vindt een indexering plaats
over de periode sindsdien tot en met 31 juli 2024. Het bedrag van de vergoeding wordt
aangepast met de jaarmutatiecijfers CPI voor de maand juli van de jaren 2013 respectievelijk
2012 tot en met 2024.
Dit betekent dat de vergoeding voor de deskundige leden en plaatsvervangende deskundige
leden van de ondernemingskamer wordt geïndexeerd met 32,95 procent en voor de leden
van de penitentiaire kamer met 37,03 procent. De vergoeding per zittingsdag bedraagt
na deze verhoging voor de deskundige leden en plaatsvervangende deskundige leden van
de ondernemingskamer € 1.330 en voor de deskundige leden en plaatsvervangende deskundige
leden van de penitentiaire kamer € 1.370. Gezien de huidige inflatie en het gegeven
dat sinds 2013 respectievelijk 2012 geen verhoging heeft plaatsgevonden, is deze verhoging
op zijn plaats.
Uit artikel 13, derde lid, van beide Reglementen volgt dat de indexering per 1 januari
van enig jaar dient plaats te vinden. Daarom is ervoor gekozen om aan deze regeling
terugwerkende kracht te verlenen tot en met 1 januari 2025. Gelet op het begunstigende
karakter van deze regeling ontmoet het verlenen van terugwerkende kracht geen bezwaar.