V-78174 Verlenen startvergunning voor opsporen van aardwarmte in het kader van door de centrale overheid te voeren beleid voor het gebied genaamd Amsterdam-Diemen-Almere 1, Ministerie van Economische Zaken

1. Aanvraag

Op 8 oktober 2024 heb ik, de Minister van Klimaat en Groene Groei, een aanvraag ontvangen voor een startvergunning voor het opsporen van aardwarmte in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek, op grond van artikel 24c, van de Mijnbouwwet, van EBN B.V. (hierna: EBN). EBN heeft op 3 december 2024 en 2 januari 2025 op mijn verzoek aanvullingen ingediend.

De vergunning is aangevraagd in het kader van de Seismische Campagne Aardwarmte Nederland (hierna: SCAN, zie ook onder andere de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat aan de Tweede Kamer d.d. 16 juni 2023 (Kamerstukken 31 239, nr. 378)). Het aangevraagde gebied bestaat uit twee deelgebieden: Amsterdam-Diemen en Almere-Pampus. Het aangevraagde deelgebied Amsterdam-Diemen ligt binnen de gemeenten Amsterdam en Diemen (beide provincie Noord-Holland) en binnen het verzorgingsgebied van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht. Deelgebied Amsterdam-Diemen heeft een oppervlakte van 7,43 km2. Het aangevraagde gebied Almere-Pampus ligt binnen de gemeente Almere (provincie Flevoland) en binnen het verzorgingsgebied van Waterschap Zuiderzeeland. Deelgebied Almere-Pampus heeft een oppervlakte van 2,86 km2. De vergunning wordt aangevraagd met een geldigheidsduur tot en met 31 december 2026.

In de aanvraag wordt geen specifiek dieptebereik aangevraagd. Primair is de geplande onderzoeksboring gericht op de watervoerende zandsteenlagen van de Formatie van Slochteren (Boven-Rotliegend Groep), secundair richt de boring zich op de watervoerende zandsteenlagen van de Formatie van Breda, bestaande uit de Formatie van Diessen en Formatie van Groote Heide (Boven Noordzee Groep).

2. Beleid aardwarmte in Nederland

Voor de afbouw van de vraag naar aardgas moeten kansrijke duurzame alternatieven, zoals aardwarmte (ook wel: geothermie), ontwikkeld worden. Aardwarmte heeft de potentie om een belangrijke rol te spelen in de verduurzaming van de warmtevoorziening en daarmee in de transitie naar een CO2-arme energievoorziening. Twee belangrijke onderdelen van de nationale ambitie zijn de Klimaatwet en het Klimaatakkoord (Bijlage 892567 bij Kamerstuk 32 813 nr. 342). Het Klimaatakkoord gaat over vijf sectoren: gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, landbouw en landgebruik, en elektriciteit.

De mijnbouwregelgeving bevat sinds 1 juli 2023 een eigen vergunningensystematiek voor aardwarmte. De verschillende typen aardwarmtevergunningen en bijbehorende procedures die bestaan, kunnen geraadpleegd worden op de website www.mijnbouwvergunningen.nl.

3. Juridisch kader

3.1. Mijnbouwregelgeving

Om aardwarmte te mogen opsporen en winnen is op grond van artikel 24b van de Mijnbouwwet een startvergunning of een vervolgvergunning nodig. Dit geldt ook voor het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid. EBN is voornemens aardwarmte op te sporen ten behoeve van door de centrale overheid te voeren beleid. EBN is niet voornemens aardwarmte te winnen.

Op het nemen van een besluit op de onderhavige vergunningaanvraag zijn op basis van artikel 24c, eerste lid, van de Mijnbouwwet de bepalingen uit hoofdstuk 2a van de Mijnbouwwet niet van toepassing, maar sluit ik aan bij de bepalingen van dit hoofdstuk, voor zover dit met het bijzondere karakter van de vergunning te verenigen is. De volgende bepalingen van hoofdstuk 2a acht ik niet verenigbaar met het bijzondere karakter van deze vergunning en hierbij sluit ik dus niet aan in dit besluit:

  • Artikel 24n van de Mijnbouwwet waaruit volgt dat een startvergunning alleen aan een houder van een toewijzing zoekgebied kan worden verleend, omdat de startvergunning in het kader van het verkrijgen van gegevens voor het door de centrale overheid te voeren beleid geen marktordenende vergunning met winning van aardwarmte als doel is waarvoor eerst een toewijzing zoekgebied nodig is. De aanvrager hoeft derhalve geen houder van een toewijzing zoekgebied voor aardwarmte te zijn om de vergunning aan te vragen en te krijgen;

  • Artikel 24p van de Mijnbouwwet op basis waarvan een uitnodiging door middel van een publicatie in de Staatscourant is vereist tot het indienen van concurrerende aanvragen voor de aanvraag om een startvergunning die zich gedeeltelijk bevindt in een aangrenzend gebied waarvoor geen andere vergunning voor aardwarmte geldt. Het opsporen van aardwarmte is in dit geval ten behoeve van door de centrale overheid te voeren beleid en niet voor commerciële winning van aardwarmte. Een startvergunning heeft daarom geen exclusief karakter om de markt te ordenen, wat betekent dat in een bepaald gebied meerdere houders van een startvergunning kunnen zijn en de vergunninghouder dus geen alleenrecht krijgt om aardwarmte in het gebied te winnen. Daarom is het niet nodig de aanvraag te publiceren voor concurrerende aanvragen, zodat vergunninghouders in aangrenzende geibieden ook de kans krijgen een startvergunning te krijgen voor dat gebied;

  • Artikel 24r van de Mijnbouwwet op basis waarvan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de besluitvorming voor de aanvraag voor een startvergunning. Hiervoor is gekozen omdat dit de meeste zware vergunning is van de drie vergunningen voor aardwarmte, aangezien op grond van de startvergunning naar aardwarmte zal worden geboord en aardwarmte mag worden gewonnen. De effecten van de voorliggende aanvraag zijn daarentegen beperkt. Qua activiteiten betreft het enkel opsporing van aardwarmte en geen winning in tegenstelling tot een reguliere aanvraag startvergunning. De activiteiten zullen ook gedurende een korte termijn plaatsvinden en het is niet de bedoeling dat na die termijn activiteiten langdurig worden voortgezet door middel van een vervolgvergunning, zoals bij een reguliere aanvraag startvergunning wel het geval is. Derhalve wordt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure niet toegepast, maar wordt het besluit op de aanvraag voorbereid volgens de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht;

  • Artikel 24t, eerste lid, onderdeel b, van de Mijnbouwwet op grond waarvan geen startvergunning kan worden verleend indien voor dat gebied iemand anders dan de aanvrager een aardwarmtevergunning heeft, omdat de startvergunning in het kader van centraal te voeren beleid geen exclusief karakter heeft om de markt te ordenen. Daarmee kan deze startvergunning wel verleend worden als voor de aardlagen die in de aanvraag worden aangeduid, al een aan een ander aardwarmtevergunning is verleend;

  • Artikel 24t, tweede lid, onderdelen c en d, van de Mijnbouwwet op grond waarvan een aanvraag kan worden geweigerd in verband met aspecten omtrent de afzet van warmte, omdat er geen commerciële afzet van de gewonnen aardwarmte wordt beoogd met de startvergunning voor het opsporen van aardwarmte in het kader van het verkrijgen van gegevens voor het door de centrale overheid te voeren beleid;

  • Artikel 24v, eerste en tweede lid, van de Mijnbouwwet waaruit volgt dat de startvergunning voor twee jaar geldt en eenmaal met een jaar kan worden verlengd. Een startvergunning voor het opsporen van aardwarmte in het kader van het verkrijgen van gegevens voor het door de centrale overheid te voeren beleid heeft niet het doel daarna langdurig commercieel te winnen met een vervolgvergunning, waardoor een korte vergunningsduur wenselijk is zodat het gebied zo snel mogelijk wordt benut voor aardwarmtewinning of weer vrijvalt voor een ander om aardwarmte te kunnen ontwikkelen. Daarom kan voor dit type startvergunning voor een afwijkende vergunningsduur worden gekozen die nodig is voor het verkrijgen van de gegevens voor het beleid.

In het volgende hoofdstuk wordt na het advies toegelicht hoe ik oordeel met betrekking tot de betreffende afwegingsgronden die wel van toepassing worden geacht binnen deze procedure.

Toezicht

Op grond van artikel 127 van de Mijnbouwwet heeft Staatstoezicht op de Mijnen (hierna: SodM) de taak om toezicht uit te oefenen op de naleving van de bij of krachtens de Mijnbouwwet gestelde regels. Dit betekent dat SodM erop toeziet of de vergunninghouder zich houdt aan dit besluit en de hieraan verbonden voorschriften en beperkingen in dit besluit in combinatie met de eisen voor de activiteiten uit de Mijnbouwregeling.

Andere vergunningen

Naast een startvergunning heeft de aanvrager meerdere vergunningen nodig om een de onderzoeksboring te kunnen ontwikkelen en uit te voeren. Voor de aanleg van de mijnbouwlocatie en het uitvoeren van de diepboringen zijn bijvoorbeeld onder andere omgevingsvergunningen nodig.

3.2 Voorbereidingsprocedure

EBN heeft per email, ontvangen op 8 oktober 2024, een aanvraag ingediend voor een startvergunning voor het opsporen van aardwarmte in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek, op grond van artikel 24c van de Mijnbouwwet.

EBN heeft op 3 december 2024 en 2 januari 2025 op mijn verzoek aanvullingen ingediend.

Tijdens de behandeling van deze aanvraag startvergunning is advies gevraagd aan:

  • Adviesgroep Economische Zaken en Klimaat van de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO-AGE, hierna: TNO) op grond van artikel 123, tweede lid, van de Mijnbouwwet;

  • SodM op grond van artikel 127 van de Mijnbouwwet;

  • alle betrokken decentrale overheden op grond van artikel 24q van de Mijnbouwwet;

  • de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) op grond van artikel 123, tweede lid, van de Mijnbouwwet;

  • de Mijnraad op grond van artikel 105, derde lid, van de Mijnbouwwet.

In dit hoofdstuk is beschreven welke adviseur een advies heeft uitgebracht en in hoofdstuk 4 op welke wijze dat advies is meegenomen bij de beoordeling van de aanvraag startvergunning.

Adviezen op de aanvraag

Over de aanvraag startvergunning Amsterdam-Diemen-Almere 1 hebben de volgende adviseurs, op mijn verzoek, advies uitgebracht:

  • TNO heeft op 28 januari 2025 per brief advies uitgebracht (kenmerk: AGE 25-10.004). Op 2 april 2025 heeft TNO aanvullend advies uitgebracht (kenmerk: AGE 25-10.025);

  • SodM heeft op 20 december 2024 per brief advies uitgebracht (kenmerk: ADV-8820 / 94325705);

  • het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland (hierna: provincie Noord-Holland) heeft op 11 december 2024 per brief advies uitgebracht (kenmerk: 2349299/2349309);

  • het college van gedeputeerde staten van de provincie Flevoland (hierna: provincie Flevoland) heeft op 11 december 2024 per brief advies uitgebracht (kenmerk: 334158);

  • het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: gemeente Amsterdam) heeft op 17 december 2024 per brief advies uitgebracht (kenmerk: GEO-ADA1);

  • het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: gemeente Almere) heeft op 10 december 2024 per brief advies uitgebracht (geen kenmerk);

  • het dagelijks bestuur van het Waterschap Zuiderzeeland (hierna: waterschap Zuiderzeeland) heeft op 7 januari 2025 per brief advies uitgebracht (kenmerk: 1013556);

  • het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: Hoogheemraadschap AGV) heeft op 7 januari 2025 per brief advies uitgebracht (kenmerk: WN2024-005385);

  • RVO heeft op 14 januari 2025 per e-mail advies uitgebracht (geen kenmerk);

  • de Mijnraad heeft op 27 maart 2025 per brief advies uitgebracht (kenmerk: MIJR/97974657).

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen heeft per e-mail laten weten geen gebruik te maken van haar adviesrecht.

5. Besluit

Op basis van de aanvraag en de adviezen oordeel ik dat de aanvraag geen aanleiding geeft deze af te wijzen op grond van artikel 24t van de Mijnbouwwet en artikelen 29p en 29q van het Mijnbouwbesluit.

Gelet op

de artikelen 24b, 24c, eerste lid, 24t en 24v, derde lid van de Mijnbouwwet en de artikelen 29p en 29q van het Mijnbouwbesluit;

Besluit:

Artikel 1 – Verlenen startvergunning

De Minister van Klimaat en Groene Groei verleent aan EBN B.V. een startvergunning voor de opsporing van aardwarmte in het kader van door de centrale overheid te voeren beleid verleend voor het gebied Amsterdam-Diemen-Almere 1.

Artikel 2 – Gebied

  • 1. De startvergunning geldt voor het gehele dieptebereik vanaf een diepte van 500 meter onder maaiveld in het gebied Amsterdam-Diemen-Almere 1.

  • 2. Het gebied Amsterdam-Diemen-Almere 1, bestaande uit deelgebied Amsterdam-Diemen en deelgebied Almere-Pampus, wordt begrensd door de rechte lijnen tussen de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting (RD), bedoeld in tabel 1 en 2.

  • 3. Het gebied heeft een oppervlakte van 10,29 km2.

    Tabel 1: Coördinaten van deelgebied Amsterdam-Diemen.

    Punt

    X

    Y

    1

    128890,000

    486630,000

    2

    131210,000

    486950,000

    3

    131310,000

    483940,000

    4

    129640,000

    482880,000

    5

    129000,000

    483590,000

    6

    129320,000

    484640,000

    Tabel 2: Coördinaten van deelgebied Almere-Pampus.

    Punt

    X

    Y

    7

    137390,000

    486920,000

    8

    138930,000

    487610,000

    9

    139560,000

    486210,000

    10

    137780,000

    485230,000

    11

    137650,000

    486450,000

Artikel 3 – Werkplan

EBN B.V. geeft uitvoering aan de activiteiten beschreven in het werkplan dat onderdeel uitmaakt van de op 8 oktober 2024 ingediende aanvraag.

Artikel 4 – Geldigheidsduur

De vergunning geldt vanaf de dag na bekendmaking tot en met 31 december 2026.

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan EBN B.V. Van deze beschikking wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

De Minister van Klimaat en Groene Groei, namens deze: J. Visser MT-lid Directie Transitie Diepe Ondergrond

Tegen dit besluit kan degene, wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, binnen 6 weken na de dag waarop dit besluit is verzonden, een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Minister van Klimaat en Groene Groei, directie Wetgeving en Juridische Zaken, Postbus 20401, 2500 EK Den Haag. Dit besluit is verzonden op de in de aanhef vermelde datum.

Naar boven