Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Staatscourant 2025, 16921 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Staatscourant 2025, 16921 | advies Raad van State |
Afdeling Verdragen
BZ2515237
’s-Gravenhage, 16 april 2025
Aan de Koning
Nader Rapport inzake de Overeenkomst tussen de Benelux-Staten en de Republiek Suriname inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van een geldig diplomatiek of dienstpaspoort; Brussel, 14 februari 2025 (Trb. 2025, 15 herdruk)
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 20 maart 2025, no. 2025000595, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk haar advies inzake de bovenvermelde overeenkomst rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 2 april 2025, nr. W02.25.00061/II/K, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft U hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 20 maart 2025, no.2025000595, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt de overeenkomst tussen de Benelux-Staten en de Republiek Suriname inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van een geldig diplomatiek of dienstpaspoort; Brussel, 14 februari 2025 (Trb. 2025, 15), met toelichtende nota.
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk heeft geen opmerkingen over het verdrag.
De Afdeling adviseert het verdrag aan de beide Kamers der Staten-Generaal, de Staten van Aruba, die van Curaçao en die van Sint Maarten over te leggen.
De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk,
Th.C. de Graaf
Ik verzoek U mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen de overeenkomst vergezeld van de toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en tevens over te leggen aan de Staten van Aruba, de Staten van Curaçao en de Staten van Sint Maarten.
De Minister van Buitenlandse Zaken, C.C.J. Veldkamp.
No. W02.25.00061/II/K
’s-Gravenhage, 2 april 2025
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 20 maart 2025, no.2025000595, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt de overeenkomst tussen de Benelux-Staten en de Republiek Suriname inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van een geldig diplomatiek of dienstpaspoort; Brussel, 14 februari 2025 (Trb. 2025, 15), met toelichtende nota.
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk heeft geen opmerkingen over het verdrag.
De Afdeling adviseert het verdrag aan de beide Kamers der Staten-Generaal, de Staten van Aruba, die van Curaçao en die van Sint Maarten over te leggen.
De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk, Th.C. de Graaf.
De op 14 februari 2025 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Benelux-Staten en de Republiek Suriname inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van een geldig diplomatiek of dienstpaspoort (hierna te noemen: het Verdrag) heeft als doel om houders van diplomatieke paspoorten of houders van dienstpaspoorten uit Suriname en de Benelux-Staten visumvrij toegang te geven tot elkaars grondgebied voor een verblijf van ten hoogste 90 dagen in een periode van 180 dagen.
Het visumbeleid betreft een gedeelde bevoegdheid van de Europese Unie (EU) en de EU-lidstaten op grond van artikel 4, eerste en tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De gedeelde bevoegdheid betekent op grond van artikel 2, tweede lid, VWEU dat de Unie en de lidstaten wetgevend kunnen optreden en juridisch bindende handelingen kunnen vaststellen. De lidstaten oefenen hun bevoegdheid uit voor zover de Unie haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend. Voor wat betreft het visumbeleid voeren de Benelux-Staten deze bevoegdheid tezamen uit op grond van de op 11 april 1960 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied (Trb. 1960, 40).
Welke nationaliteiten een visum nodig hebben om het Schengengebied in te reizen en welke niet, is geregeld in Verordening (EU) nr. 2018/1806 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PbEU 2018, L 303). Op basis van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van deze Verordening, kunnen de EU-lidstaten hier zelfstandig van afwijken ten aanzien van houders van diplomatieke paspoorten, dienstpaspoorten en andere officiële paspoorten. Als de Europese Commissie van de Europese Raad een mandaat krijgt om met een derde staat te onderhandelen over het vrijstellen van de visumplicht (inclusief houders van diplomatieke of dienstpaspoorten), moeten de Benelux-Staten hun eigen initiatieven die onder artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a vallen beëindigen. De Benelux-Staten bepalen in overleg met elkaar met welke landen onderhandelingen worden gestart en welke van de Benelux-Staten daarin het voortouw neemt. De in het Verdrag opgenomen uitzondering op de visumplicht voor houders van diplomatieke paspoorten en dienstpaspoorten wordt binnen vijf werkdagen nadat deze uitzonderingsmaatregelen in werking zijn getreden medegedeeld aan de Europese Commissie op grond van artikel 12 van de Verordening.
De onderhandelingen met Suriname over het Verdrag zijn gevoerd door België. De onderhandelingen van de Benelux-Staten met Suriname over een overeenkomst betreffende de terug- en overname van onregelmatig verblijvende personen verliepen gelijktijdig met de onderhandelingen over visumvrijstelling voor houders van diplomatieke of dienstpaspoorten.
De technische analyse van de huidige niet-biometrische diplomatieke en dienstpaspoorten van Suriname wees uit dat de beveiliging van de documenten achterhaald is, omdat het lange tijd zonder technische verbeteringen in omloop is. De Surinaamse autoriteiten hebben echter inmiddels grote stappen gezet om biometrische paspoorten uit te gaan geven, zoals de benodigde wetswijzing en het tekenen van een aanbesteding voor de productie ervan. Met het sluiten van de visumvrijstellingsovereenkomst verbindt Suriname zich aan artikel 8 van het Verdrag, waarin is vastgelegd dat een partij de andere partijen van specimina zal voorzien indien er gewijzigde paspoorten in omloop gebracht worden.
Het sluiten van dit Verdrag onderstreept en ondersteunt de goede bilaterale relatie van Nederland met Suriname. Het verdrag betreffende de terug- en overname van personen die onregelmatig op het grondgebied verblijven (Trb. 2025, 16) dient het realiseren en onderhouden van goede samenwerking op het gebied van migratie. Het sluiten van dergelijke verdragen met herkomstlanden is onderdeel van het terugkeerbeleid, zoals ook verwoord in het Hoofdlijnenakkoord. Nederland had gelet hierop een sterke wens om beide verdragen met Suriname te sluiten.
De regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten wensen de medegelding van dit Verdrag. Omdat het visumbeleid een Koninkrijksaangelegenheid is zal de gelding van het Verdrag op grond van artikel 14 het Verdrag worden uitgebreid tot Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Caribisch Nederland. De goedkeuring van het Verdrag wordt derhalve voor het gehele Koninkrijk gevraagd.
Op grond van de Regeling vrijstelling visumplicht Rijksvisumwet zijn personen met de Surinaamse nationaliteit reeds vrijgesteld van de visumplicht voor de Caribische delen van het Koninkrijk. Het Verdrag blijft deze visumvrijstelling voor houders van een diplomatiek of dienstpaspoort borgen.
Ruim voor de invoering van het Schengenvisum had de Benelux in 1975 reeds een visumvrijstellingsverdrag met Suriname gesloten (Trb. 1975, 139). Dit verdrag regelde vrijstelling voor alle paspoorthouders. Vanaf 1 september 1980 is de toepassing van het verdrag uit 1975 door het Koninkrijk der Nederlanden (Trb. 1980, 152) geschorst. Vanaf 22 december 1980 is de toepassing van het verdrag uit 1975 door Suriname geschorst (Trb. 1981, 125). De bepalingen van het verdrag uit 1975 worden als gevolg van de opschorting niet uitgevoerd. Het huidige Verdrag heeft geen gevolgen voor de werking van het verdrag uit 1975. Het onderhavige Verdrag ziet enkel op vrijstelling van de visumplicht voor diplomatieke en dienstpaspoorten. In artikel 7 van het Verdrag is voorzien in de terug- en overname van personen met een diplomatiek of dienstpaspoort.
Naar het oordeel van de regering bevat dit Verdrag geen een ieder verbindende bepalingen in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, die aan een rechtssubject rechtstreeks rechten toekennen of plichten opleggen. De vrijstelling voor houders van diplomatieke of dienstpaspoorten is immers bedoeld om de internationale betrekkingen te ondersteunen en om de houders van diplomatieke of dienstpaspoorten bij de uitoefening van de functie in de andere staat te faciliteren door visumvrijstelling. De bepalingen van het Verdrag zijn dan ook bestemd om alleen de overheid te binden in haar betrekking tot de andere verdragspartij.
De regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten wensen de medegelding van dit Verdrag. Op grond van artikel 14 kan het Verdrag worden uitgebreid tot Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Caribisch Nederland. De goedkeuring van het Verdrag wordt derhalve voor het gehele Koninkrijk gevraagd.
Hieronder worden de artikelen uit het Verdrag toegelicht.
Artikel 1 definieert de begrippen ‘Benelux-Staten’ evenals ‘Grondgebied’, waarbij wordt aangegeven dat het gaat om de grondgebieden in Europa van de Benelux-Staten. Op basis van artikel 14 kan de werking van het Verdrag worden uitgebreid tot het Caribische deel van Nederland en tot de andere landen van het Koninkrijk.
Dit artikel wijst de bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het Verdrag. Voor het Koninkrijk der Nederlanden is dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Surinaamse diplomatieke of dienstpaspoorthouders hebben zonder visum toegang tot de Benelux-Staten en mogen daar maximaal 90 dagen gedurende een periode van 180 dagen verblijven. De periode van maximaal 90 dagen uit 180 dagen is conform de definitie van kort verblijf die geïntroduceerd is in Verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) en van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord, Verordeningen (EG) nr. 1683/95 en (EG) nr. 539/2001 van de Raad en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EG) nr. 810 / 2009 van het Europees Parlement en de Raad.
Anderzijds hebben houders van diplomatieke of dienstpaspoorten van de Benelux-Staten visumvrij toegang tot Suriname en mogen zij daar maximaal 90 dagen verblijven.
In geval een houder van een diplomatiek paspoort of dienstpaspoort wordt geplaatst op een ambassade of consulaat of bij een internationale organisatie op het grondgebied van de andere partij, zal deze schriftelijk worden aangemeld en gedurende zijn plaatsing visumvrij kunnen binnenkomen, verblijven en vertrekken. Partijen verbinden zich om de bij accreditatie geldende regelingen te respecteren.
Een verdragspartij kan de toegang weigeren aan een diplomatieke of dienstpaspoorthouder van de andere partij als deze als ongewenste vreemdeling wordt beschouwd of als de aanwezigheid van de desbetreffende persoon wordt beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde of nationale veiligheid.
Voor zover het niet in het Verdrag is geregeld, blijven alle nationale wetten en regelingen alsmede EU-verordeningen gelden die betrekking hebben op toegang, verblijfsduur, verblijf, tewerkstelling en uitzetting.
In dit artikel wordt de medewerking verzekerd van de respectievelijke autoriteiten voor de terugkeer van onderdanen in het bezit van een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort die op elkaars grondgebied verblijven.
Indien een van de partijen nieuwe of gewijzigde diplomatieke paspoorten of dienstpaspoorten in omloop brengt, zal deze de andere partijen tijdig – in beginsel minimaal 60 dagen van tevoren – specimina hiervan sturen, evenals de bijbehorende technische specificaties.
De artikelen 9 tot en met 14 bevatten bepalingen over het oplossen van geschillen, de depositaris, de procedure voor wijziging van het Verdrag, inwerkingtreding, opzegging, schorsing en de territoriale toepassing. Op grond van artikel 14 zal de depositaris in kennis worden gesteld van de uitbreiding van het Verdrag tot Caribisch Nederland en Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-16921.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.