Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken | Staatscourant 2025, 15244 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken | Staatscourant 2025, 15244 | advies Raad van State |
’s-Gravenhage, 17 april 2025
Nr. WJZ / 98210353
Aan de Koning
Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende vaststelling van regels over afwijkend gebruik van frequentieruimte
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 30 november 2022, nr. WJZ/22518489, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 25 januari 2023, nr. W18.22.00184/IV, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 5 december 2022, no.2022002653, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende vaststelling van regels over afwijkend gebruik van frequentieruimte, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit stelt regels voor het gebruik van frequentieruimte voor uitzonderlijke overheidstaken, het zogeheten ‘afwijkend gebruik’. Afwijkend gebruik is nu al mogelijk voor het werk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en strafvorderlijke taken (zoals het aftappen van telecommunicatie) en voor het opruimen van explosieven. Afwijkend gebruik wordt ook mogelijk om de openbare orde en openbare veiligheid te waarborgen of bedreigingen daarvan te bestrijden. Dit is in het bijzonder bedoeld voor het bestrijden van drones (ook wel: Unmanned Aerial Vehicles, onbemande mobiele systemen of onbemande luchtvaartuigen) en zal worden uitgewerkt bij ministeriële regeling. Daarnaast biedt het ontwerpbesluit de grondslag voor al bestaande ministeriële regelingen over het toestaan van afwijkend gebruik van frequentieruimte.
De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat belangrijke elementen voor de regeling van afwijkend gebruik niet worden geregeld in dit ontwerpbesluit, maar worden gedelegeerd naar het niveau van de ministeriële regeling: het doel van de vrijstelling, regels en procedure die de inzet van de bevoegdheid inkaderen en de ambtenaren die bevoegd zijn tot afwijkend gebruik. De Afdeling adviseert deze elementen te regelen bij algemene maatregel van bestuur, in dit ontwerpbesluit. Verder adviseert de Afdeling om bij gelegenheid de regels voor afwijkend gebruik in de Telecommunicatiewet en in de uitvoeringsbesluiten te herzien. In verband daarmee is aanpassing van het ontwerpbesluit en de toelichting wenselijk.
De Telecommunicatiewet maakt afwijkend gebruik van frequentieruimte mogelijk voor taken van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, taken voor de strafvordering, en het ruimen van explosieven.1 Met dit ontwerpbesluit wordt afwijkend gebruik ook toegestaan als dit tot doel heeft de openbare orde en openbare veiligheid te waarborgen dan wel bedreigingen daarvan te bestrijden.2
Uit de toelichting blijkt dat het bij dit nieuwe doel gaat om het bestrijden van drones en andere onbemande rijdende en varende objecten. Drones die een gevaar vormen kunnen worden bestreden met projectielen, netten of lasers, maar het kan ook effectief zijn om het radiosignaal te verstoren waarmee ze op afstand worden bestuurd. Op dit moment is het al mogelijk om radiostoormiddelen tegen drones in te zetten. Daarvoor is een verzoek tot ontheffing nodig op grond van artikel 3.22, derde lid, van de Telecommunicatiewet. Het ontwerpbesluit zal de grondslag vormen voor een vrijstellingsregeling voor radiografische bestrijding van onbemande mobiele systemen, waardoor ontheffing vooraf niet meer noodzakelijk is.3
De Afdeling constateert dat het doel, zoals dat in de toelichting wordt geformuleerd, beperkter en concreter is dan de omschrijving van het doel in het ontwerpbesluit.4 Het ontwerpbesluit noemt als doel het waarborgen van de openbare orde en openbare veiligheid en het bestrijden van bedreigingen daarvan. Daarbij wordt het bestrijden van gevaarlijke drones of andere onbemande rijdende en varende objecten niet genoemd.
De Afdeling merkt op dat het in de rede ligt dit doel concreter en nauwkeuriger te omschrijven. Het verstoren van etherfrequenties is een vergaande bevoegdheid, die volgens de toelichting schade kan toebrengen aan vitaal frequentiegebruik (luchtvaart, nutsvoorzieningen) en bedrijfskritische processen.5
De Afdeling adviseert de omschrijving van het nieuwe doel in het ontwerpbesluit in het bijzonder te richten op het bestrijden van gevaarlijke drones en andere onbemande rijdende en varende objecten.
De bevoegdheid tot afwijkend gebruik van frequentieruimte wordt in het ontwerpbesluit zelf niet verder ingekaderd. Uit de toelichting kan worden opgemaakt dat deze bevoegdheid voor bepaalde specifieke situaties is bedoeld. Zo wordt opgemerkt dat de behoefte bestaat om zeer snel op te kunnen treden in het geval van actuele dreiging, bijvoorbeeld bij ‘bepaalde (grote) evenementen’ of op ‘bepaalde terreinen en locaties’. In die gevallen zou de verplichting om vooraf een ontheffingsverzoek in te dienen en de uitkomst daarvan af te wachten administratief te belastend en te traag zijn.6 In de al bestaande vrijstellingsregelingen staat een inkadering naar tijd en locatie.7 Deze inkadering van de inzet van bevoegdheden komt echter niet terug in het ontwerpbesluit zelf.
Verder wordt niet voorzien in procedures die de zorgvuldige inzet van het afwijkend gebruik van frequentieruimte waarborgen. Voor de bestaande vormen van afwijkend gebruik is dit geregeld in de drie geldende vrijstellingsregelingen, dus op het niveau van de ministeriële regeling.
De Afdeling merkt op dat de inkadering van de inzet van bevoegdheid en de procedures in dit ontwerpbesluit dient te worden geregeld en niet op het niveau van de ministeriële regeling. Ministeriële regelingen zijn primair bedoeld voor administratieve voorschriften, uitwerking van details, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften die met grote spoed moeten worden vastgesteld.8 De reikwijdte van een regeling en de inkadering van bevoegdheden zijn onderwerpen die niet als zodanig zijn aan te merken.
De Afdeling adviseert in het ontwerpbesluit de inzet van de bevoegdheid tot het neutraliseren van drones in te kaderen en procedures tot zorgvuldige inzet van het afwijkend gebruik van frequentieruimte op te nemen.
Het ontwerpbesluit kent een algemeen artikel dat erin voorziet dat vier verschillende ministers en de korpschef ambtenaren kunnen aanwijzen voor alle verschillende vormen van ‘afwijkend gebruik’. Welke ambtenaren dit betreffen, is voor de nu al geregelde doelen uitgewerkt in de drie vrijstellingsregelingen en zal voor het nieuwe doel worden uitgewerkt in een vierde vrijstellingsregeling.
De Afdeling merkt op dat ook deze elementen niet op dat niveau dienen te worden geregeld, maar dat in het ontwerpbesluit, voor elk doel afzonderlijk, moet worden geregeld welk orgaan (een minister of de korpschef) ambtenaren aanwijst die bevoegd zijn tot afwijkend gebruik van frequenties, en dat de aan te wijzen ambtenaren zo nauwkeurig mogelijk moeten worden omschreven.9
De Afdeling adviseert het ontwerpbesluit op deze punten aan te passen.
Het ontwerpbesluit is bedoeld om algemene regels vast te stellen voor het afwijkend gebruik van frequentieruimte. Dit afwijkend gebruik was in het ontwerpbesluit zoals dat aan de Afdeling was voorgelegd, mede, maar niet alleen, gericht op het bestrijden van zogenoemde onbemande mobiele objecten.
Het ontwerpbesluit bevatte ook regels en delegatiegrondslagen met het oog op andere doelen, zoals bijvoorbeeld ten behoeve van strafvordering of ten behoeve van het op een veilige manier kunnen ruimen van explosieven. Het ontwerpbesluit vormde daarmee ook de grondslag voor het regelen van andere onderwerpen, die momenteel geregeld zijn in drie vrijstellingsregelingen: de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte EODD, de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte IVD en de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie.
Dat is in de versie van het ontwerpbesluit zoals het zal worden vastgesteld niet langer het geval. Het zal uitsluitend gericht zijn op de bestrijding van onbemande mobiele objecten. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling zal, mede gelet op het gestelde onder punt 2 van dit nader rapport, onderzocht worden of onderwerpen die in genoemde drie regelingen zijn opgenomen op termijn in het besluit moeten worden opgenomen. Dit onderzoek is nog niet afgerond. Om de uitvoering van de bestrijding van onbemande mobiele objecten niet te vertragen, kiest het kabinet ervoor om op dit moment in het besluit alleen inhoudelijke eisen vast stellen met het oog op de bestrijding van onbemande mobiele objecten.
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is ten aanzien van de bestrijding van onbemande mobiele objecten in de nieuwe artikelen 2.1 tot en met 2.3 opgenomen onder welke voorwaarden de frequentieruimte afwijkend mag worden gebruikt. Daarmee is de inkadering van de inzet van bevoegdheid en de procedures op het niveau van een algemene maatregel van bestuur geregeld en is de reikwijdte van het ontwerpbesluit ingeperkt.
Het valt op dat afwijkend gebruik bij strafvorderlijk onderzoek (het aftappen van telecommunicatie) nauwkeurig bij wet is geregeld: het doel en de meeste voorwaarden zijn in de wet gedetailleerd uitgewerkt.10 Voor afwijkend gebruik voor andere doeleinden kan de Minister van EZK per geval ontheffing verlenen. Bij afwijkend gebruik op basis van een ontheffing zijn de doelen in de wet uitgeschreven, maar worden de voorwaarden waaronder de bevoegdheid kan worden uitgeoefend geregeld in uitvoeringsbesluiten. Afwijkend gebruik is ook mogelijk op basis van een algemene vrijstelling; voor een dergelijke vrijstelling (waarvoor de voorwaarden eveneens in uitvoeringsbesluiten worden geregeld) regelt de wet de doelen niet.11
Het stelsel van artikel 3.22 van de wet is daarmee niet evenwichtig in wat er wordt geregeld op welk niveau. Mede daardoor is het inpassen van deze nieuwe algemene maatregel van bestuur gecompliceerd, zoals in punt 1 van dit advies naar voren komt.
De Afdeling adviseert daarom bij gelegenheid de regeling voor afwijkend gebruik in de wet en in de uitvoeringsbesluiten meer systematisch te herzien.
Het kabinet zal het advies van de Afdeling overnemen en te zijner tijd het stelsel van het afwijkend gebruik herzien. Daarbij zal dan ook, zoals hierboven vermeld, meer fundamenteel worden bezien welke onderwerpen in de wet, het besluit en in de (vrijstellings)regelingen worden geregeld.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het besluit een aantal begripsbepalingen toe te voegen en een aantal technische correcties aan te brengen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Economische Zaken, D.S. Beljaarts.
No. W18.22.00184/IV
’s-Gravenhage, 25 januari 2023
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 5 december 2022, no.2022002653, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende vaststelling van regels over afwijkend gebruik van frequentieruimte, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit stelt regels voor het gebruik van frequentieruimte voor uitzonderlijke overheidstaken, het zogeheten ‘afwijkend gebruik’. Afwijkend gebruik is nu al mogelijk voor het werk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en strafvorderlijke taken (zoals het aftappen van telecommunicatie) en voor het opruimen van explosieven. Afwijkend gebruik wordt ook mogelijk om de openbare orde en openbare veiligheid te waarborgen of bedreigingen daarvan te bestrijden. Dit is in het bijzonder bedoeld voor het bestrijden van drones (ook wel: Unmanned Aerial Vehicles, onbemande mobiele systemen of onbemande luchtvaartuigen) en zal worden uitgewerkt bij ministeriële regeling. Daarnaast biedt het ontwerpbesluit de grondslag voor al bestaande ministeriële regelingen over het toestaan van afwijkend gebruik van frequentieruimte.
De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat belangrijke elementen voor de regeling van afwijkend gebruik niet worden geregeld in dit ontwerpbesluit, maar worden gedelegeerd naar het niveau van de ministeriële regeling: het doel van de vrijstelling, regels en procedure die de inzet van de bevoegdheid inkaderen en de ambtenaren die bevoegd zijn tot afwijkend gebruik. De Afdeling adviseert deze elementen te regelen bij algemene maatregel van bestuur, in dit ontwerpbesluit. Verder adviseert de Afdeling om bij gelegenheid de regels voor afwijkend gebruik in de Telecommunicatiewet en in de uitvoeringsbesluiten te herzien. In verband daarmee is aanpassing van het ontwerpbesluit en de toelichting wenselijk.
De Telecommunicatiewet maakt afwijkend gebruik van frequentieruimte mogelijk voor taken van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, taken voor de strafvordering, en het ruimen van explosieven.1 Met dit ontwerpbesluit wordt afwijkend gebruik ook toegestaan als dit tot doel heeft de openbare orde en openbare veiligheid te waarborgen dan wel bedreigingen daarvan te bestrijden.2
Uit de toelichting blijkt dat het bij dit nieuwe doel gaat om het bestrijden van drones en andere onbemande rijdende en varende objecten. Drones die een gevaar vormen kunnen worden bestreden met projectielen, netten of lasers, maar het kan ook effectief zijn om het radiosignaal te verstoren waarmee ze op afstand worden bestuurd. Op dit moment is het al mogelijk om radiostoormiddelen tegen drones in te zetten. Daarvoor is een verzoek tot ontheffing nodig op grond van artikel 3.22, derde lid, van de Telecommunicatiewet. Het ontwerpbesluit zal de grondslag vormen voor een vrijstellingsregeling voor radiografische bestrijding van onbemande mobiele systemen, waardoor ontheffing vooraf niet meer noodzakelijk is.3
De Afdeling constateert dat het doel, zoals dat in de toelichting wordt geformuleerd, beperkter en concreter is dan de omschrijving van het doel in het ontwerpbesluit.4 Het ontwerpbesluit noemt als doel het waarborgen van de openbare orde en openbare veiligheid en het bestrijden van bedreigingen daarvan. Daarbij wordt het bestrijden van gevaarlijke drones of andere onbemande rijdende en varende objecten niet genoemd.
De Afdeling merkt op dat het in de rede ligt dit doel concreter en nauwkeuriger te omschrijven. Het verstoren van etherfrequenties is een vergaande bevoegdheid, die volgens de toelichting schade kan toebrengen aan vitaal frequentiegebruik (luchtvaart, nutsvoorzieningen) en bedrijfskritische processen.5
De Afdeling adviseert de omschrijving van het nieuwe doel in het ontwerpbesluit in het bijzonder te richten op het bestrijden van gevaarlijke drones en andere onbemande rijdende en varende objecten.
De bevoegdheid tot afwijkend gebruik van frequentieruimte wordt in het ontwerpbesluit zelf niet verder ingekaderd. Uit de toelichting kan worden opgemaakt dat deze bevoegdheid voor bepaalde specifieke situaties is bedoeld. Zo wordt opgemerkt dat de behoefte bestaat om zeer snel op te kunnen treden in het geval van actuele dreiging, bijvoorbeeld bij ‘bepaalde (grote) evenementen’ of op ‘bepaalde terreinen en locaties’. In die gevallen zou de verplichting om vooraf een ontheffingsverzoek in te dienen en de uitkomst daarvan af te wachten administratief te belastend en te traag zijn.6 In de al bestaande vrijstellingsregelingen staat een inkadering naar tijd en locatie.7 Deze inkadering van de inzet van bevoegdheden komt echter niet terug in het ontwerpbesluit zelf.
Verder wordt niet voorzien in procedures die de zorgvuldige inzet van het afwijkend gebruik van frequentieruimte waarborgen. Voor de bestaande vormen van afwijkend gebruik is dit geregeld in de drie geldende vrijstellingsregelingen, dus op het niveau van de ministeriële regeling.
De Afdeling merkt op dat de inkadering van de inzet van bevoegdheid en de procedures in dit ontwerpbesluit dient te worden geregeld en niet op het niveau van de ministeriële regeling. Ministeriële regelingen zijn primair bedoeld voor administratieve voorschriften, uitwerking van details, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften die met grote spoed moeten worden vastgesteld.8 De reikwijdte van een regeling en de inkadering van bevoegdheden zijn onderwerpen die niet als zodanig zijn aan te merken.
De Afdeling adviseert in het ontwerpbesluit de inzet van de bevoegdheid tot het neutraliseren van drones in te kaderen en procedures tot zorgvuldige inzet van het afwijkend gebruik van frequentieruimte op te nemen.
Het ontwerpbesluit kent een algemeen artikel dat erin voorziet dat vier verschillende ministers en de korpschef ambtenaren kunnen aanwijzen voor alle verschillende vormen van ‘afwijkend gebruik’. Welke ambtenaren dit betreffen, is voor de nu al geregelde doelen uitgewerkt in de drie vrijstellingsregelingen en zal voor het nieuwe doel worden uitgewerkt in een vierde vrijstellingsregeling.
De Afdeling merkt op dat ook deze elementen niet op dat niveau dienen te worden geregeld, maar dat in het ontwerpbesluit, voor elk doel afzonderlijk, moet worden geregeld welk orgaan (een minister of de korpschef) ambtenaren aanwijst die bevoegd zijn tot afwijkend gebruik van frequenties, en dat de aan te wijzen ambtenaren zo nauwkeurig mogelijk moeten worden omschreven.9
De Afdeling adviseert het ontwerpbesluit op deze punten aan te passen.
Het valt op dat afwijkend gebruik bij strafvorderlijk onderzoek (het aftappen van telecommunicatie) nauwkeurig bij wet is geregeld: het doel en de meeste voorwaarden zijn in de wet gedetailleerd uitgewerkt.10 Voor afwijkend gebruik voor andere doeleinden kan de Minister van EZK per geval ontheffing verlenen. Bij afwijkend gebruik op basis van een ontheffing zijn de doelen in de wet uitgeschreven, maar worden de voorwaarden waaronder de bevoegdheid kan worden uitgeoefend geregeld in uitvoeringsbesluiten. Afwijkend gebruik is ook mogelijk op basis van een algemene vrijstelling; voor een dergelijke vrijstelling (waarvoor de voorwaarden eveneens in uitvoeringsbesluiten worden geregeld) regelt de wet de doelen niet.11
Het stelsel van artikel 3.22 van de wet is daarmee niet evenwichtig in wat er wordt geregeld op welk niveau. Mede daardoor is het inpassen van deze nieuwe algemene maatregel van bestuur gecompliceerd, zoals in punt 1 van dit advies naar voren komt.
De Afdeling adviseert daarom bij gelegenheid de regeling voor afwijkend gebruik in de wet en in de uitvoeringsbesluiten meer systematisch te herzien.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 30 november 2022, nr. WJZ/ 22518489;
Gelet op artikel 3.22, vierde lid, en 18.12, eerste lid, van de Telecommunicatiewet;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van ............, nr. ...........);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van ..........., nr. WJZ/...........;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
inbreuk maken op normaal gebruik van frequentieruimte met daarvoor bedoelde apparatuur, die voldoet aan artikel 3 van dit besluit.
Afwijkend gebruik van frequentieruimte is toegestaan:
a. als dit als doel heeft de openbare orde en openbare veiligheid te waarborgen dan wel bedreigingen daarvan te bestrijden;
b. in de gevallen, bedoeld in artikel 3.22, tweede en derde lid, van de wet.
1. Bij regeling van Onze Minister, handelende in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, worden nadere regels gesteld aan de apparatuur waarmee afwijkend gebruik mag worden gemaakt van frequentieruimte.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben betrekking op:
a. technische eisen aan de apparatuur, de wijze waarop de apparatuur uitzendt of verstoort, en de functies waarover het apparaat beschikt met name om de verstoring te kunnen richten en beperken;
b. de wijze waarop aangetoond wordt dat de apparatuur voldoet aan de eisen, bedoeld in onderdeel a;
c. registratie van de apparatuur, en
d. eisen aan de opslag van de apparatuur.
1. Bevoegd tot het gebruik van de apparatuur, bedoeld in artikel 3, zijn:
a. de ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en die individueel dan wel uit hoofde van hun functie zijn aangewezen door de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012, en
b. de ambtenaren die individueel dan wel uit hoofde van hun functie zijn aangewezen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie en Veiligheid, Financiën, of Defensie.
2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de door Onze Minister, handelende in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, bij ministeriële regeling vastgestelde eisen betreffende kennis van de operationele, technische en juridische aspecten van het gebruik van die apparatuur.
Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de volgende regelingen mede op artikel 3 en 4 van dit besluit:
a. de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte EODD;
b. de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte IVD;
c. de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
Dit besluit stelt delegatiegrondslagen vast om eisen te kunnen stellen aan apparatuur waarmee zogenoemd afwijkend gebruik mag worden gemaakt van de frequentieruimte. Tevens worden delegatiegrondslagen vastgesteld om eisen te kunnen stellen aan ambtenaren die bevoegd zijn tot dat gebruik. Afwijkend gebruik van frequentieruimte betreft activiteiten die inbreuk maken op normaal gebruik van de frequentieruimte. Hieronder wordt bijvoorbeeld het bewust jammen of spoofen van communicatie, het scannen van nummers of hacken op verbindingen verstaan. Met toegelaten afwijkend frequentiegebruik kunnen bepaalde overheidsdiensten de openbare orde en openbare veiligheid waarborgen en bedreigingen daarvan bestrijden.
Het belang van informatie en communicatie in de samenleving is de afgelopen jaren sterk toegenomen en daarmee ook het belang van frequenties die gebruikt worden als – kort gezegd – transportmiddel van signalen (gegevens). Dit vraagt om en rechtvaardigt een actieve rol van de overheid op het gebied van ordening van het radiospectrum, de verdeling van de veelal schaarse frequenties en het toezicht op en bescherming van doelmatig en ongestoord frequentiegebruik. Hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet geeft in verband daarmee onder meer regels omtrent de verdeling van de frequentieruimte, neergelegd in het Nationaal Frequentie Plan (hierna: NFP) en de toekenning van frequentiegebruiksrechten via bijvoorbeeld vergunningverlening.
In artikel 3.22 van de Telecommunicatiewet is een regeling opgenomen voor zogeheten afwijkend gebruik van de frequentieruimte. Dat omvat onder andere een gebruik dat afwijkt van de bestemming zoals neergelegd in het NFP alsmede een gebruik van de frequentie, of inmenging daarop, anders en door een ander dan (krachtens bijvoorbeeld een vergunning) de rechthebbende. Voor de ministers met verantwoordelijkheden op het gebied van openbare orde en veiligheid, zoals Defensie en Justitie en Veiligheid, alsmede de taak van de politie tot directe handhaving van de openbare orde, is het gewenst dat van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt. Zij moeten kunnen interveniëren op radiocommunicatie wanneer die leidt tot serieuze dreigingen. Voor de Algemene inlichtingen- en Veiligheidsdienst, de Militaire inlichtingen- en Veiligheidsdienst, de Explosieven Opruimingsdienst Defensie en door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen opsporingsambtenaren bestaan reeds vrijstellingsregelingen om in het radiospectrum te mogen storen, scannen of jammen1.
Een nieuwe ontwikkeling is de opkomst van drones. Er komen daar steeds meer van en steeds weer nieuwe types; deze worden zowel recreatief als professioneel gebruikt. Waar het eindpunt van deze ontwikkeling ligt is vooralsnog moeilijk te voorspellen. De algemene term voor dit soort apparaten is ‘onbemand luchtvaartuig’ of Unmanned Aerial Vehicles (UAV’s). Ter directe handhaving van de openbare orde en openbare veiligheid is er een actuele behoefte om drones te kunnen neutraliseren wanneer die een serieuze dreiging opleveren. Ook onbemande rijdende en varende objecten kunnen dreiging opleveren.
Bestrijding van onbemande mobiele systemen is een gebied in ontwikkeling. Onderzoek vindt plaats naar allerlei middelen om UAV’s te kunnen bestrijden dan wel te stoppen, zoals met projectielen, met netten, lasers, enzovoort. Toepassing van radiostoormiddelen is daarbij één van de opties. In dat laatste geval tracht men bijvoorbeeld de radiografische aansturing van de drone te verstoren. Daarvoor moeten specialisten worden opgeleid getraind en apparatuur worden aangeschaft en uitgetest. Voor het radiografisch bestrijden van onbemande mobiele systemen zal daarom een nieuwe ministeriële regeling worden vastgesteld.
Dit besluit bevat de delegatiegrondslagen om bij ministeriële regeling technische eisen te kunnen stellen aan de verstoringsapparatuur, aan de wijze waarop aangetoond wordt dat de apparatuur voldoet aan die technische eisen en aan de registratie van deze apparatuur. Tevens bevat dit besluit een delegatiegrondslag om bij ministeriële regeling eisen te stellen aan de bevoegdheid van de ambtenaren die deze apparatuur in de praktijk gaan gebruiken. Het bedienen van een radiostoormiddel is een zeer specialistische functie, waarvoor men verschillende opleidingsonderdelen moet hebben doorlopen. Het pakket aan bevoegdheidseisen verkleint de risico’s dat rechthebbende frequentiegebruikers onnodig schade oplopen van het afwijkend frequentiegebruik. Daartoe is het onder andere noodzakelijk dat de aangewezen ambtenaren adequaat zijn opgeleid.
Apparatuureisen kunnen over de tijd worden gemoderniseerd en opleidingseisen aangepast om voortschrijdende technologie en extra ervaringen in de regeling op te nemen.
De bestaande betreffende vrijstellingsregelingen zijn direct gebaseerd op artikel 3.22, tweede lid, van de Telecommunicatiewet. Dit besluit zal vanaf het moment van inwerkingtreding mede de grondslag vormen voor de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte IVD, de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte EODD en de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie. Dit is om zeker te stellen dat ook de eisen aan apparatuur en aan de ambtenaren die bevoegd zijn voor dat gebruik ingebed zijn in het totale stelsel van de Telecommunicatiewet. Tevens zal het nieuwe besluit de grondslag vormen voor een nieuwe vrijstellingsregeling voor radiografische bestrijding van onbemande mobiele systemen.
De werkwijze wat betreft inzet van radiostoormiddelen tegen drones was tot dusver dat de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Defensie bij de Minister van EZK een verzoek tot ontheffing konden indienen tot gebruik van een radiostoormiddel op grond van artikel 3.22, derde lid, van de Telecommunicatiewet. Drones komen tegenwoordig steeds meer voor, en daarmee ook de mogelijkheid van incidenten met drones die een dreiging voor de openbare orde en openbare veiligheid kunnen opleveren. Betreffende overheidsdiensten hebben behoefte om in geval van een actuele dreiging zeer snel en direct te kunnen optreden, bijvoorbeeld voor bepaalde (grote) evenementen. Het kan daarnaast gewenst zijn bepaalde terreinen en locaties permanent te kunnen beveiligen tegen drones. Door de toegenomen incidenten met drones is er bij deze diensten tevens meer behoefte hun ambtenaren op te leiden, bij te scholen en te trainen in verantwoord gebruik van radiostoormiddelen. Het wordt administratief te belastend, te inflexibel en te traag om voor al die gevallen vooraf ontheffingsverzoeken te moeten indienen en beoordeling te moeten afwachten. Om deze redenen wordt voor radiografische bestrijding van onbemande mobiele systemen een vrijstellingsregeling voorzien.
Door het vaststellen van delegatiegrondslagen kunnen er bij ministeriële regeling eisen worden gesteld aan het gebruik van de apparatuur en de deskundigheid en bevoegdheid om die stoorapparatuur te bedienen. Door deze eisen aan apparatuur en bevoegdheid te stellen, wordt verantwoord afwijkend gebruik bevorderd. Met technisch goed werkende apparatuur en met juist opgeleide ambtenaren die die apparatuur gebruiken, wordt de kans verkleind op onnodig, onnodig krachtig en/of te langdurig afwijkend gebruik in verhouding tot het beoogde operationele doel.
De regelgeving op grond van dit besluit zal deze eisen nader invullen. In de bestaande vrijstellingsregelingen is dat al gebeurd. In deze regelingen zijn daarnaast, op grond van artikel 3.22, tweede lid, van de Telecommunicatiewet, ook voorwaarden gesteld aan het afwijkend gebruik zelf. Zo is in de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte IVD aangegeven dat jammen ten hoogste 24 uur mag duren. De nog op te stellen regeling ter bestrijding van onbemande mobiele systemen zal een bepaling bevatten over de inzet van radiostoormiddelen.
Een voornemen tot afwijkend gebruik van de frequentieruimte wordt, voor zover dat mogelijk is, vooraf gemeld aan de minister van EZK. Na afloop van een afwijkend gebruik vindt daarover rapportage plaats aan de minister van EZK. De vereisten hiervoor worden in de betreffende regelingen beschreven. Een en ander geeft de minister van EZK de mogelijkheid de effecten van het afwijkend gebruik op het radiospectrum via eigen monitoring vast te stellen en, indien aan de orde, te relateren aan (klachten over) eventuele opgetreden interferentie bij spectrumgebruikers.
Het gebruik van stoormiddelen in het radiospectrum, ten behoeve van bijvoorbeeld openbare orde en veiligheid, is volledig een nationale competentie. Er bestaat geen Europese regelgeving (of afspraken) voor het gebruik van stoormiddelen.
Storen van radiofrequenties valt buiten de scope van de Radio Apparatuur Richtlijn 2014/53/EU 2 (RED), omdat deze richtlijn alleen ziet op het op de markt aanbieden en de ingebruikneming in de Unie van radioapparatuur en niet op het gebruik van radioapparatuur. De handel in stoormiddelen valt wel onder deze richtlijn. In artikel 1, derde lid, van deze richtlijn is een uitzonderingsbepaling opgenomen voor het in de handel brengen van bepaalde radioapparatuur. Deze uitzonderingsbepaling is geïmplementeerd in het Besluit radioapparaten 2016 en ziet onder meer op het in de handel brengen van radiostoormiddelen die worden gebruikt ten behoeve van bijvoorbeeld openbare orde en veiligheid.
Dit besluit betreft de inzet van radiostoormiddelen uitsluitend door ambtenaren van politie en ambtenaren die werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de Ministers van Defensie, Financiën, Justitie en Veiligheid of Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en die bij ministeriële regeling nader zullen worden geduid. Radiostoormiddelen zullen dus in geen enkel geval door anderen mogen worden toegepast.
Er zijn twee besluiten met een raakvlak met onderhavig besluit. Hieronder wordt aangegeven hoe deze twee besluiten zich verhouden tot onderhavig besluit.
Het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering gaat net als onderhavig besluit over afwijkend gebruik van frequentieruimte. Maar in tegenstelling tot onderhavig besluit gaat het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering over hulpmiddelen voor een bepaald doel, waarmee ook afwijkend gebruik wordt gemaakt van de frequentieruimte.
Het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering bevat regels over de inzet van technische hulpmiddelen bij de uitoefening van bijzondere opsporingsbevoegdheden. Specifiek gaat het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering over middelen die worden ingezet ten behoeve van stelselmatige observatie met een technisch hulpmiddel, het opnemen van vertrouwelijke communicatie of het opnemen van telecommunicatie zonder medewerking van de betrokken aanbieder. Het besluit is gericht op technische hulpmiddelen die signalen registreren en op een gegevensdrager vastleggen.
Onderhavig besluit heeft een andere reikwijdte, namelijk het bieden van een delegatiegrondslag om eisen te kunnen stellen aan apparatuur en mensen die die apparatuur bedienen bij dreigingen van de openbare orde en openbare veiligheid. Tevens is deze grondslag benodigd voor de uitwerking van de bevoegdheid tot vrijstelling die de Minister van EZK heeft. In beide gevallen hoeft er geen sprake te zijn van het uitoefenen van bijzondere opsporingsbevoegdheden, of van het opnemen van communicatie. De twee besluiten kunnen elkaar dus raken, maar dat is niet per definitie het geval.
Als er regels worden gesteld aan apparatuur waarmee afwijkend gebruik wordt gemaakt van frequentieruimte en er is tevens sprake van middelen bedoeld in het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering, dan zal aan beide besluiten moeten worden voldaan.
Naar aanleiding van een opmerking in de internetconsultatie wordt opgemerkt dat onderhavig besluit en het Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie los van elkaar staan. Het Besluit bijzondere vergaring nummergegevens stelt voorwaarden om toepassing te kunnen geven aan strafvorderlijke bevoegdheden tot het onderzoek van telecommunicatie. Dit besluit ziet niet op dit domein, maar gaat over het voorkomen dan wel het bestrijden van dreigingen van de openbare orde en openbare veiligheid.
Afwijkend frequentiegebruik kan schade dan wel hinder opleveren aan frequentiegebruikers en aan elektronische apparatuur. Bijvoorbeeld aan nationale mobiele netwerken en diens gebruikers, aan ander vitaal overheidsfrequentiegebruik, denk aan luchtvaart, spoor- en nutsfuncties, of aan allerlei bedrijfskritische toepassingen in de industrie, zorginstellingen en medische toepassingen.
Gezien de risico’s wordt afwijkend frequentiegebruik alleen bij hoge uitzondering, onder strikte condities en qua inzet per geval slechts lokaal toegestaan door de betrokken departementen of de politie. Er moeten procedures zijn zodat een beslissing tot daadwerkelijke inzet zorgvuldig wordt genomen en waardoor aantoonbaar is op basis van welke informatie besloten wordt tot inzet. Tevens moet de ambtenaar die de daadwerkelijke inzet doet aan de opleidingseisen voldoen en tot de bediening van de apparatuur aangewezen zijn. Verantwoordelijkheid voor schade aan anderen veroorzaakt, en voor de afhandeling van eventuele compensatie daarvoor ligt bij inzet door de politie bij de politie en overigens bij het departement van degene die tot inzet heeft besloten.
Agentschap Telecom is de uitvoerende dienst van het Ministerie van EZK die verantwoordelijk is voor de uitvoering van dit besluit, voor uitvoering van de ministeriële regelingen, inclusief de nog op te stellen ministeriële regeling voor bestrijding van onbemande mobiele systemen.
Agentschap Telecom zal erop toezien dat de desbetreffende overheidsdiensten voldoen aan de eisen die aan de apparatuur en aan de bevoegde ambtenaren worden gesteld. Het Agentschap acht het besluit uitvoerbaar en handhaafbaar, zo blijkt uit de uitgevoerde uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets.
De betreffende departementen en de politie gaan kosten maken voor de gestelde vereisten, zoals voor het opleiden van ambtenaren die bevoegd zijn voor het gebruik van de radiostoormiddelen. De uitvoering door Agentschap Telecom verbonden aan de vrijstellingsregelingen en het toezicht daarop, worden qua kosten door het agentschap aan de behoeftestellende departementen toegerekend.
In het geval dat de politie of een departement beslist tot inzet van radiostoormiddelen en daarmee schade aan anderen toebrengt, voorziet het in afhandeling daarvan en, indien aan de orde, financiële compensatie voor de gedupeerden.
Een ontwerp van dit besluit is ten behoeve van consultatie op de site www.internetconsultatie.nl gepubliceerd geweest van 29 juli 2020 tot en met 15 september 2020. Er zijn twee openbare reacties ontvangen en een aantal vertrouwelijke reacties.
In de consultatiereacties is gevraagd de reikwijdte van het besluit duidelijker af te bakenen of deze te beperken tot een lijst van methoden en activiteiten waarmee frequentiegebruik verstoord mag worden.
Aan het verzoek tot meer afbakening is tegemoet gekomen door een definitie van afwijkend gebruik op te nemen. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf één van deze toelichting en de artikelsgewijze toelichting. Er is niet gekozen voor het opnemen van een lijst met methoden of technieken waarmee afwijkend gebruik kan worden gemaakt van de frequentieruimte. De technische ontwikkelingen gaan snel en het is niet wenselijk dit besluit te limiteren waardoor een bepaalde overheidsorganisatie in de toekomst een nieuwe methode niet zou kunnen gebruiken als die wel bijdraagt aan het doel, namelijk de bescherming van de openbare orde en veiligheid.
De meeste gemaakte opmerkingen betroffen niet de inhoud van dit besluit, maar gingen alvast over de inhoud van een nieuwe vrijstellingsregeling voor radiografische bestrijding van onbemande mobiele systemen, die op dit besluit gebaseerd kan worden. Het betrof bijvoorbeeld wensen van reguliere frequentiegebruikers om achteraf te worden geïnformeerd over stooractiviteiten die plaatsgevonden hebben en betrof vragen over schadeafhandeling. Ook werd in reacties nadruk gelegd op het belang van opleiding van bedieners van stoorapparaten. Deze opmerkingen zullen zo veel mogelijk worden meegenomen in de totstandkoming van de vrijstellingsregeling. Deze regeling zal ook weer geconsulteerd worden.
Onder andere werd gevraagd of een verplichting tot rapportage aan de gebruikers van de frequentie kan worden opgelegd als afwijkend gebruik wordt gemaakt van de frequentie. Het kabinet ziet onvoldoende aanleiding dit verzoek in te willigen. Drie vrijstellingsregelingen die op dit besluit gebaseerd zullen worden bestaan al jaren. Hiervan wordt zeer beperkt gebruik gemaakt en gebruik ervan is in principe zonder impact. De behoefte om hierover gerapporteerd te krijgen was er tot zover niet, en vertrouwelijkheid van bepaalde activiteiten staat dat vaak ook niet toe. Wat betreft de voorziene nieuwe regeling counter-drones zal de wens en behoefte hiertoe worden bezien.
Er volgen geen regeldrukgevolgen uit het voorstel. Het college van het Adviescollege toetsing regeldruk heeft besloten het dossier niet te selecteren voor een formeel advies.
Binnen de organisaties zullen medewerkers worden aangewezen die radiostoormiddelen mogen bedienen. Op enigerlei wijze zullen deze ambtenaren geregistreerd moeten worden, zodat duidelijk is welke personen bevoegd zijn de middelen in te zetten. Hier zal enige vorm van gegevensverwerking van die medewerkers uit voortvloeien.
Omdat het ontwerpbesluit de basis biedt voor de verwerking van deze gegevens, is het ontwerpbesluit voorgelegd voor advies aan de Autoriteit Persoonsgegevens. De Autoriteit Persoonsgegevens had geen opmerkingen over het ontwerpbesluit.
De voornoemde vrijstellingsregeling ter bestrijding on onbemande mobiele systemen zal ook voor advies aan de Autoriteit Persoonsgegevens worden voorgelegd.
De ministeriële regeling ter bestrijding van onbemande mobiele systemen zoals drones zal genotificeerd worden ingevolge Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241). Dit ontwerpbesluit bevat slechts delegatiegrondslagen en hoeft daarom niet genotificeerd te worden.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad het wordt geplaatst. Daarmee wordt zowel ten aanzien van de invoeringstermijn, als ten aanzien van het tijdstip van inwerkingtreding afgeweken van het kabinetsbeleid inzake vaste verandermomenten. De afwijking van dit beleid wordt gerechtvaardigd omdat dit aanmerkelijke publieke nadelen voorkomt. De taken van de genoemde overheidsorganisaties vereisen dat de mogelijkheden tot afwijking van het gebruik van de frequentieruimte kunnen worden benut op het moment dat de vereiste regelgeving gereed is.
De Telecommunicatiewet bevat geen begripsbepaling van afwijkend gebruik van frequentieruimte. Daarom is in dit besluit een begripsbepaling opgenomen en is aangegeven wanneer afwijkend gebruik is toegestaan.
Afwijkend gebruik is alles dat afwijkt van normaal gebruik. Onder normaal gebruik wordt verstaan het handelen overeenkomstig de Telecommunicatiewet, en de daarop gebaseerde regelgeving en besluiten. Het betekent onder meer dat frequentieruimte wordt gebruikt zoals dat is bestemd en gereguleerd in het NFP. Normaal gebruik is ook het handelen overeenkomstig de vergunningvoorwaarden, als een vergunning is vereist. Indien sprake is van vergunningvrij gebruik moet aan de voorwaarden daarvan worden voldaan.
Dit afwijkende gebruik wordt alleen toegestaan als het doel is om de openbare orde en veiligheid te handhaven en bedreigingen te bestrijden. Met deze doelomschrijving wordt tevens beoogd dat daadwerkelijk kan worden ingegrepen bij concrete dreigingen, maar dat ook preventief kan worden gehandeld, als daarmee de openbare orde en veiligheid gehandhaafd kunnen worden.
Afwijkend gebruik is ook het gebruik als bedoeld in artikel 3.22, tweede en derde lid, van de Telecommunicatiewet. Artikel 3.22, tweede lid, bevat een grondslag voor het vast kunnen stellen van een vrijstellingsregeling. Artikel 3.22, derde lid, bevat de mogelijkheid een ontheffing te verlenen met het oog op in de dat artikellid genoemde doeleinden, bijvoorbeeld voor oefendoeleinden of om de plaats vast te stellen waar iemand in acuut levensgevaar verkeert. Ook in die situaties is sprake van afwijkend gebruik van de frequentieruimte.
In dit artikel is een delegatiegrondslag opgenomen om bij ministeriële regeling nadere eisen te kunnen stellen aan de te gebruiken apparatuur. De delegatiegrondslag zal gebruikt worden voor de nog op te stellen regeling ter bestrijding van onbemande mobiele systemen. Tevens kan dit artikel een grondslag vormen om eisen te stellen aan apparatuur, als de minister een ontheffing verleent voor het afwijkend gebruik voor frequentieruimte, een bevoegdheid die de minister van EZK heeft op grond van artikel 3.22, derde lid, van de Telecommunicatiewet.
De ambtenaren die door het bevoegd gezag uitdrukkelijk aangewezen kunnen worden om gebruik te mogen maken van de bedoelde apparatuur zijn ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 2012 die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en ambtenaren werkzaam onder de verantwoordelijkheid van de ministers die een taak hebben in het waarborgen van de openbare orde en openbare veiligheid. Ambtenaren kunnen individueel en als lid van een team in hun functie worden aangewezen. In de uitwerking van de nieuwe ministeriële regeling ter bestrijding van onbemande mobiele systemen zal worden geborgd dat de inzet door specialistische functionarissen of eenheden zal worden gedaan. Ook in de bestaande vrijstellingsregelingen is dit als zodanig vastgelegd.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
Artikel 2, aanhef en onderdeel a, van het ontwerpbesluit en toelichting, paragraaf 5 (Gevolgen).
Toelichting onder ‘Hoofdlijnen van het voorstel’. De inzet zal per geval ‘slechts lokaal’ worden toegestaan (zie toelichting onder ‘Gevolgen’).
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdelen b en d van de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte EODD, artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdelen b en e van de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte IVD en artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdelen b en e van de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie.
Aanwijzingen 2.19 en 2.24 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Zie ook het advies van 8 december 2022, W17.22.00077, over het Besluit uitgebreide productenverantwoordelijkheid textiel, www.raadvanstate.nl.
Zoals nu al in de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie, waarin het gaat om ‘de in artikel 141, aanhef, onderdelen b en d, bedoelde opsporingsambtenaren’.
In artikel 3.22, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, en ook in het Wetboek van Strafvordering.
Het ontwerpbesluit is waarschijnlijk om die reden mede gebaseerd op de vangnetbepaling in artikel 18.12, eerste lid, van de Telecommunicatiewet. Naar huidige opvattingen kan met zo’n algemene delegatiebepaling niet worden volstaan. Aanwijzing 2.23 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
Artikel 2, aanhef en onderdeel a, van het ontwerpbesluit en toelichting, paragraaf 5 (Gevolgen).
Toelichting onder ‘Hoofdlijnen van het voorstel’. De inzet zal per geval ‘slechts lokaal’ worden toegestaan (zie toelichting onder ‘Gevolgen’).
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdelen b en d van de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte EODD, artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdelen b en e van de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte IVD en artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdelen b en e van de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie.
Aanwijzingen 2.19 en 2.24 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Zie ook het advies van 8 december 2022, W17.22.00077, over het Besluit uitgebreide productenverantwoordelijkheid textiel, www.raadvanstate.nl.
Zoals nu al in de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie, waarin het gaat om ‘de in artikel 141, aanhef, onderdelen b en d, bedoelde opsporingsambtenaren’.
In artikel 3.22, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, en ook in het Wetboek van Strafvordering.
Het ontwerpbesluit is waarschijnlijk om die reden mede gebaseerd op de vangnetbepaling in artikel 18.12, eerste lid, van de Telecommunicatiewet. Naar huidige opvattingen kan met zo’n algemene delegatiebepaling niet worden volstaan. Aanwijzing 2.23 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte IVD, Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte EODD en de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie.
Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG (PbEU L 153)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-15244.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.