Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2025, 14336 | algemeenverbindendverklaring van cao-bepalingen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2025, 14336 | algemeenverbindendverklaring van cao-bepalingen |
Beveiliging, Particuliere
Sociaal Fonds 2025/2026
Verbindendverklaring gewijzigde cao-bepalingen
MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelezen het verzoek van de Stichting Sociaal Fonds Particuliere Beveiliging (SFPB) namens partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeenverbindendverklaring van gewijzigde bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;
Partij ter ener zijde: de Nederlandse Veiligheidsbranche;
Partijen ter andere zijde: FNV, CNV en De Unie.
Naar aanleiding van dit verzoek zijn schriftelijke bedenkingen ingebracht door Lanen & Standhardt Advocaten namens partijen bij de cao Veiligheidsdomein, werkgeversvereniging Vereniging Veiligheidsdomein Nederland en werknemersvereniging Alternatief voor Vakbond.
De bedenkingen van partijen bij de cao Veiligheidsdomein kunnen als volgt worden samengevat:
Bedenkinghebbenden verwijzen voor een onderbouwing van de bedenkingen ten aanzien van het sociaal fonds Particuliere Beveiliging (hierna: SFPB) naar een deel van de bedenkingen ten aanzien van de cao Particuliere Beveiliging (hierna: PB).
Strijd met mededingingswetgeving
Bedenkinghebbenden hebben mededingingsrechtelijk onderzoek gedaan naar de verenigbaarheid van de cao PB met de Mededingingswet (Mw). Volgens bedenkinghebbenden is de cao PB onverenigbaar met het kartelverbod van artikel 6 lid 1 Mw, nu sprake is van onderling afgestemde gedragingen die ertoe leiden dat mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
Naar de mening van bedenkinghebbenden kan de cao PB niet profiteren van de in artikel 16 Mw geboden uitzondering op het kartelverbod. Van een verbetering van arbeidsvoorwaarden van werknemers in de cao PB is geen sprake vanwege het lagere salarisniveau ten opzichte van de cao Veiligheidsdomein. Ook wordt de weigering om in te stemmen met dispensatieverlening aan de leden van VVNL van de cao PB onverenigbaar met het kartelrecht geacht en ditzelfde geldt t.a.v. het verbod in artikel 110 van de cao PB om voor meer dan 20% van de loonsom gebruik te maken voor inhuur van arbeidskrachten die niet onder de cao PB vallen (zoals zzp’ers). Naar de mening van bedenkinghebbenden brengt de cao PB geen verbetering van de arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid in de beveiligingsbranche met zich mee en kan aldus niet van de uitzondering op het kartelverbod profiteren.
Voorts maken cao-partijen PB volgens bedenkinghebbenden misbruik van hun economische machtspositie in de zin van artikel 24 Mw.
Toetsing aan Europees recht
Bedenkinghebbenden wijzen erop dat de minister bij toepassing van het Toetsingskader AVV (hierna: TK AVV) rekening dient te houden met EU-recht, dat voorrang heeft boven nationaal recht in geval van strijdigheid. Hierbij wordt in het bijzonder verwezen naar artikel 28 van het EU-Handvest dat het recht op collectieve onderhandelingen en collectieve actie beschermt. Bedenkinghebbenden zijn van mening dat algemeenverbindendverklaring (hierna: avv) ongerechtvaardigd de vrijheid van onderhandelen beperkt voor andere partijen dan cao-partijen PB. Dit is mede het gevolg van het intrekken van eerder aan bedenkinghebbenden verleende dispensaties. Ook andere EU-rechtsbeginselen, zoals de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting, zijn relevant. Hierbij wijzen bedenkinghebbenden erop dat, hoewel de mogelijkheid tot dispensatieverlening door de minister formeel bestaat, deze feitelijk afwezig is.
Bedenkinghebbenden zijn tevens van mening dat de uitspraken van 30 oktober 2024 van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State (202105269/1/A3 en 202400428/1/A3) over eerder aan bedenkinghebbenden verleende dispensaties strijdig zijn met Europees recht. Zij hebben hierover een gerechtelijke procedure aangespannen.
Te grote benadeling van de rechtmatige belangen van derden en scheve verdeling
Volgens bedenkinghebbenden is met avv van de cao PB – zonder dispensatieverlening – de beveiliging in Nederland in het geding. Met de restrictie op de inhuur van derden in de cao PB zullen flexwerkers niet meer voor de beveiliging kiezen, terwijl er op de arbeidsmarkt een grote krapte is. Daarnaast zal dit de bedrijfscontinuïteit van VNNL-bedrijven in gevaar brengen en leiden tot faillissementen.
Naar de mening van bedenkinghebbenden dient er bij het meerderheidsvereiste, conform paragraaf 4.1 van het TK AVV, rekening gehouden te worden of sprake is van een ‘zeer scheve verhouding’ van de meerderheid binnen het werkingssfeergebied van de cao. Van een scheve verdeling kan sprake zijn tussen grote en kleine bedrijven. In dit verband wordt erop gewezen dat VVNL-leden merendeels MKB-bedrijven zijn.
Toepassing van paragraaf 6.2.1 Toetsingskader
Bedenkinghebbenden wijzen erop dat zij voor hun eigen cao Veiligheidsdomein een avv-verzoek hebben ingediend, nog voordat de minister het onderhavige avv-verzoek voor de cao PB heeft ontvangen. Aangezien er sprake is van werkingssfeeroverlap tussen beide cao’s en er in de voorbije 11 jaren ook niet voldaan is aan het ‘doorgaans’ criterium met betrekking tot de cao PB, kan het avv-verzoek PB onder verwijzing naar het daarover in paragraaf 6.2.1 TK AVV bepaalde niet worden toegewezen.
Tot slot hebben bedenkinghebbenden na afloop van de tervisieleggingstermijn van dit verzoek om avv nog bedenkingen ingediend tegen de door cao-partijen SFPB ingediende representativiteitsopgaaf. Ik merk hierover op dat, conform paragraaf 3.2 TK AVV, buiten de periode van tervisielegging ingediende bedenkingen niet in behandeling worden genomen. Om die reden blijven deze te laat ingediende bedenkingen hier dan ook verder buiten beschouwing.
Overwegende ten aanzien van de bedenkingen:
Strijd met mededingingswetgeving
Artikel 6 Mw vormt de kern van het Nederlandse kartelverbod en is gemodelleerd naar artikel 101 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Het verbiedt afspraken tussen ondernemingen die de mededinging beperken.
Cao-afspraken die direct betrekking hebben op arbeidsvoorwaarden vallen in de regel buiten artikel 6 Mw. In het Albany-arrest van het Hof van Justitie van de EU (C-67/96, 1999) is geoordeeld dat cao-afspraken die tussen sociale partners worden gesloten in het kader van cao-onderhandelingen en de werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden van werknemers verbeteren, van het kartelverbod zijn uitgezonderd. Het recht van sociale partners om te onderhandelen en collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten prevaleert boven de mogelijke mededingingsbeperkende gevolgen die daaruit zouden kunnen voortvloeien. Dit betekent dat overeenkomsten die in het kader van onderhandelingen tussen de sociale partners worden gesloten en die ertoe strekken de werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden van werknemers te verbeteren, naar hun aard en doel niet onder artikel 101, eerste lid, VWEU vallen. Artikel 16 Mw, de zogenaamde cao-exceptie, codificeert deze uitzondering onder verwijzing naar artikel 1 Wet op de CAO.
In het kader van een verzoek om avv vindt een inhoudelijke toetsing van de cao-bepalingen plaats op grond van de Wet AVV, het recht en het avv-beleid zoals verwoord in de paragrafen 4, 5 en 6 van het TK AVV.
Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen bedenkingenhebbenden naar bepalingen bij de cao PB. Aangezien deze bepalingen niet zijn opgenomen in het SFPB, verwijs ik voor de inhoudelijke behandeling hiervan mede naar de overwegingen in de cao PB.
Uit de inhoudelijke toetsing van de voor avv voorgedragen cao-bepalingen is gebleken dat deze arbeidsvoorwaarden betreffen die het resultaat zijn van collectieve onderhandelingen (‘aard’ vereiste van cao-exceptie) en voor werknemers rechtstreeks leiden tot regulering van de arbeidsvoorwaarden en/of werkgelegenheid (‘doel’ vereiste van cao-exceptie). De cao PB is op normale wijze tot stand gekomen, de daarin geregelde arbeidsvoorwaarden leveren geen strijd op met artikel 6 Mw en vallen onder de cao-exceptie van artikel 16 Mw. Het enkele feit dat de cao Veiligheidsdomein, zoals bedenkinghebbenden stellen, op onderdelen betere arbeidsvoorwaarden bevat (zoals specifiek aangevoerd m.b.t. de salariëring), doet aan deze conclusie niets af. Overigens is de cao PB een minimum cao en biedt daarmee een ondergrens van de in die cao geregelde arbeidsvoorwaarden. Het staat bedenkinghebbenden dan ook vrij om, ook gedurende de periode van avv van de cao PB, hun eigen ter zake geldende gunstigere arbeidsvoorwaarden op de werknemers toe te passen. Zolang daarbij de minimumvoorwaarden uit de algemeen verbindend verklaarde cao PB maar worden nageleefd.
Ook de weigering van cao-partijen om in te stemmen met dispensatieverzoeken van bedenkinghebbenden wordt niet als strijdig met artikel 6 Mw aangemerkt. Bovendien is de rechtmatigheid van zowel door cao-partijen als door de minister genomen dispensatiebesluiten getoetst door de rechter.
Tot slot merk ik met betrekking tot het door bedenkinghebbenden aangehaalde artikel 24 Mw op dat uit niets is gebleken dat cao-partijen PB in een andere gedaante dan als sociale partners hebben opgetreden ten behoeve van het voeren van hun collectief arbeidsvoorwaardenoverleg. Met andere woorden, niet gebleken is dat sociale partners hierbij als onderneming of ondernemersvereniging economisch hebben gehandeld. Evenmin is gebleken dat de cao PB (mede) wordt ingezet voor concurrentiebeperkende doeleinden.
Toetsing aan Europees recht
Bedenkinghebbenden stellen dat het recht op collectief onderhandelen te vergaand wordt beperkt en dat de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting relevant zijn. Hierover wordt opgemerkt dat avv tot doel heeft om het onderbieden op arbeidsvoorwaarden te voorkomen. Avv dient daarmee juist het belang van het recht collectief te kunnen onderhandelen. Dat het avv-instrument niet in strijd is met de collectieve onderhandelingsvrijheid is onder meer bepaald in de uitspraak van de ILO-zaak van Altro via en LBV tegen de Nederlandse Staat, nummer 2628 (report No 351, november 2008). Het specifiek door bedenkinghebbenden aangehaalde artikel 28 Handvest is sterk geïnspireerd door de ILO-normen. De rechten die in de ILO-verdragen zijn vastgelegd vormen de internationale grondslag voor het Europese grondrecht op collectieve actie.
Bedenkinghebbenden zijn hierover een gerechtelijke procedure tegen de Staat gestart. Kort gezegd stellen zij de Staat aansprakelijk wegens onrechtmatig handelen op grond van lidstaataansprakelijkheid voor de rechterlijke macht (wegens onrechtmatige rechtspraak) en aansprakelijkheid voor het niet respecteren van EU- en internationale grondrechten.
Nu bedenkinghebbenden hun in dit verband geuite bezwaren reeds ter beoordeling hebben voorgelegd aan de civiele rechter, wordt hierop in het kader van onderhavige procedure voor avv niet nader ingegaan. Met het oog op de rechtszekerheid en in het licht van de lopende gerechtelijke procedure, is het niet aan de minister om hierover in deze fase een zelfstandig oordeel te vellen.
Te grote benadeling van de rechtmatige belangen van derden en scheve verdeling
Bedenkinghebbenden stellen dat avv – zonder dispensatie – er onder meer voor zorgt dat de beveiliging in Nederland in het geding is en zal leiden tot faillissementen. Deze stelling is niet nader beargumenteerd. Cao-partijen SFPB geven hierover aan dat de voor- en nadelen van het toepassen van de cao PB voor de VVNL-bedrijven (die vallen onder de werkingssfeer van de cao PB) niet anders is dan de voor- en nadelen die gelden voor de rest van de markt. Voorzover deze bedenkingen verder zien op dispensatieverlening aan bedenkinghebbenden, wijs ik erop dat de hiervoor aangevoerde argumentatie niet de beoordeling van het verzoek tot avv zelf raakt. Zoals al eerder opgemerkt worden voor avv ingediende cao-bepalingen getoetst aan de Wet AVV, het recht en het avv-beleid. De toetsing aan het recht betreft toetsing op kennelijke strijdigheid met het recht. Voor dispensatie bestaat er een afzonderlijke procedure met een eigen beoordelingskader.
Bedenkingen die feitelijk neerkomen op een verzoek om dispensatie worden niet betrokken in de procedure voor avv. Overigens hebben bedenkinghebbenden naast het indienen van deze bedenkingen tevens een verzoek om dispensatie ingediend. Op dit verzoek wordt afzonderlijk beslist.
Verder hebben bedenkinghebbenden aangevoerd dat sprake is van een scheve verdeling op grond van paragraaf 4.1 TK AVV. De cao-bepalingen waarop een avv-verzoek betrekking heeft, moeten reeds gelden voor een naar het oordeel van de minister belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen. De representativiteit wordt berekend door het aantal relevante personen werkzaam bij werkgevers direct gebonden door de cao, uit te drukken in een percentage van het totaal aantal personen die binnen de werkingssfeer van de cao vallen. Een meerderheid van 60 procent wordt in ieder geval als ‘belangrijk’ gekwalificeerd. Een meerderheid tussen de 55 en 60 procent wordt als belangrijke meerderheid gekwalificeerd tenzij het draagvlak voor de cao binnen het werkingssfeergebied gering is of er een zeer scheve verdeling ontstaat.
Uit de door cao-partijen SFPB overgelegde representativiteitsopgaaf is gebleken dat de representativiteit 63% bedraagt. Hiermee wordt aan het vereiste van een belangrijke meerderheid voldaan en wordt niet toegekomen aan een beoordeling of sprake is van een scheve verdeling.
Toepassing van paragraaf 6.2.1 Toetsingskader
Volgens paragraaf 6.2.1 van het TK AVV worden werkingssfeerbepalingen die geen duidelijke afbakening van de rechtsgebieden bevatten of die werkingssfeeroverlap met een of meer andere cao's waarvan bepalingen algemeen verbindend zijn verklaard of doorgaans algemeen verbindend worden verklaard teweegbrengen, niet algemeen verbindend verklaard.
Avv van bepalingen die werkingssfeeroverlap veroorzaken met een andere cao waarvan bepalingen reeds of doorgaans algemeen verbindend zijn of worden verklaard, is niet mogelijk, omdat op één arbeidsverhouding niet gelijktijdig twee avv-besluiten van dezelfde aard van toepassing kunnen zijn. Dit geldt niet alleen omdat bepalingen kunnen conflicteren, maar eveneens omdat daaruit dubbele verplichtingen kunnen voortvloeien.
Uit de toetsing van het verzoek om avv van de – nog niet eerder algemeen verbindend verklaarde – cao Veiligheidsdomein is gebleken dat deze werkingssfeeroverlap veroorzaakt met de doorgaans algemeen verbindend verklaarde cao PB. Aangezien voorts nog is gebleken dat betrokken partijen ondanks gevoerde gesprekken hiervoor op de korte termijn geen oplossing hebben, is in lijn met het gestelde in paragraaf 6.2.1 TK AVV voorrang gegeven aan het verder behandelen van onderhavig avv-verzoek voor de cao PB en is het avv-verzoek voor de cao Veiligheidsdomein afgewezen. Dat het avv-verzoek voor de cao Veiligheidsdomein eerder was ingediend dan dat voor de cao PB doet hieraan niets af. Datzelfde geldt voor het door bedenkinghebbenden aangevoerde argument dat van een doorgaans algemeen verbindend verklaarde cao PB geen sprake is nu deze in de afgelopen 11 jaren ook avv-loze perioden heeft gekend.
Overigens hebben bedenkinghebbenden tegen de afwijzing van hun avv-verzoek bij de bestuursrechter een verzoek om voorlopige voorziening ingediend waarbij zij ook hebben verzocht de cao PB niet algemeen verbindend te laten verklaren. Voor dit verzoek heeft de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaard. In vervolg hierop hebben bedenkinghebbenden bij de civiele rechter een kort geding aangespannen. Bij vonnis van 30 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter alle vorderingen van bedenkinghebbenden, waaronder het opschorten van de verdere behandeling van onderhavig avv-verzoek, afgewezen.
Op grond van het bovenstaande concludeer ik dat de bedenkingen geen beletsel vormen om tot avv over te gaan.
Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;
Besluit:
Het besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Sociaal Fonds Particuliere Beveiliging1 wordt met inachtneming van dictum II als volgt gewijzigd:
A
De onder dictum I opgenomen bepalingen worden als volgt gewijzigd:
Artikel 2 komt te luiden:
1. Toepassing van de fonds-cao
De bepalingen van deze fonds-cao zijn van toepassing op particuliere beveiligingsorganisaties..
Met een particuliere beveiligingsorganisatie bedoelen we:
a. een particulier beveiligingsbedrijf (dat is toegelaten op grond van artikel 3 sub a van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr))
b. een particuliere alarmcentrale (dat is toegelaten op grond van artikel 3 sub b van de Wpbr)
c. een particulier geld- en waardetransportbedrijf (dat is toegelaten op grond van artikel 3 sub c van de Wpbr)
d. een videotoezichtcentrale (die is toegelaten op grond van artikel 3 sub e van de Wpbr)
2. Een aantal particuliere beveiligingsorganisaties is uitgezonderd
• Niet als particuliere beveiligingsorganisatie volgens sub a wordt aangemerkt de organisatie die voor ten hoogste 5% van het totale SV-loon (sociale verzekeringsloon) beveiligingswerkzaamheden uitvoert en deze beveiligingswerkzaamheden uitsluitend ten behoeve van de eigen organisatie worden verricht conform de werkzaamheden van een bedrijfsbeveiligingsdienst, in de zin van artikel 3 sub d van de Wpbr.
• Niet als particuliere beveiligingsorganisatie volgens sub a wordt aangemerkt
○ een vereniging, stichting, naamloze vennootschap of besloten vennootschap, die als lid is toegelaten tot deelneming aan de competities van de sectie betaald voetbal of de sectie amateurvoetbal van de KNVB (hierna: ‘de Club’) en ten behoeve van de activiteiten van de Club binnen haar organisatie een stewardorganisatie heeft;
○ een aan de Club gelieerde onderneming die namens de Club de stewardorganisatie verzorgt uitsluitend ten behoeve van de activiteiten van de Club.
Deze clubs en ondernemingen voeren buiten de activiteiten van de Club geen beveiligingswerkzaamheden uit.
• Niet als particuliere beveiligingsorganisatie volgens sub c Wpbr wordt aangemerkt: KLM N.V.
Deze cao is niet van toepassing op werknemers in dienst van een werkgever die valt onder de werkingssfeer van een rechtsgeldige cao evenementen- en horecabeveiliging voorzover deze werknemers werkzaamheden verrichten in de evenementen- en/of horecabeveiliging.
3. Dispensatie
1. Een werkgever kan verzoeken om dispensatie van (één of meer bepalingen) deze cao. Dispensatie wordt verleend door het Sociaal Fonds Particuliere Beveiliging overeenkomstig het reglement dispensatieverzoek opgenomen in bijlage 5 van deze cao. Dispensatie kan worden verleend als:
– vanwege zwaarwegende argumenten toepassing van de cao redelijkerwijze niet kan worden gevergd. Van zwaarwegende argumenten is sprake als de specifieke bedrijfskenmerken op essentiële punten verschillen van ondernemingen die tot de werkingssfeer van de cao gerekend kunnen worden.
2. Dispensatie wordt ten hoogste verleend voor de looptijd van de cao of de duur van de regeling die wordt voorgelegd voor dispensatie.
3. Het Sociaal Fonds Particuliere Beveiliging kan een gegeven dispensatie te allen tijde intrekken. Indien zij daartoe overgaat zal zij dit schriftelijk en gemotiveerd kenbaar maken aan degene die om dispensatie had verzocht.’
Artikel 4 lid 3 sub b komt te luiden:
‘3. Bijdrage aan SFPB
b. Van de genoemde bijdrage zal met ingang van 1 juli 2021 0,06125% door de werknemer worden bijgedragen. De werkgever is verplicht dit aandeel van de werknemer te vorderen door inhouding per loonperiode op diens bruto-loon.’
Controlereglement
Artikel 3 lid 4 komt te luiden:
‘4. De bedrijfsoordelen ‘onvoldoende’ worden door SFPB op de website van SFPB bekend gemaakt, zodra 60% van de werkgevers conform de nieuwe controlesystematiek zijn beoordeeld en een bedrijfsoordeel hebben gekregen. SFPB zal hierbij de zorgvuldigheid in acht nemen die in het maatschappelijk verkeer wordt betaamd hetgeen met zich meebrengt dat SFPB in beginsel niet onnodig de eer en goede naam van de bedrijven beschadigd.’
Artikel 5 lid 6 komt te luiden:
‘6. In beginsel binnen 4 weken nadat de onderzochte werkgever de gevraagde controledocumenten volledig heeft getoond ontvangt de werkgever een rapport, waarin is aangegeven of en zo ja, op welke onderdelen van de administratie omissies zijn geconstateerd. Tevens worden correcties en bewijsstukken van de correcties opgevraagd waarbij een termijn wordt gesteld waarbinnen de verbeteringen dienen te zijn uitgevoerd en de nabetalingen te zijn voldaan.
Bij niet-ernstige overtredingen dient herstel en nabetaling over de controleperiode (een jaar) plaats te vinden. Bij ernstige en zeer ernstige overtredingen moet er hersteld en nabetaald worden over de hele controleperiode tot het moment van de vorige controle (dus maximaal rond de drie jaar). Voor bedrijven die voor het eerst worden gecontroleerd, geldt bij ernstige en zeer ernstige overtredingen, herstel en betalingen over een periode van tenminste drie jaar.’
Artikel 6 lid 2 komt te luiden:
‘2. In een aantal gevallen komen de kosten van een controle voor rekening van de onderneming, namelijk:
a. voor het uitvoeren van een hercontrole bij een bedrijf dat een bedrijfsoordeel ‘onvoldoende’ kreeg, ongeacht of deze hercontrole op initiatief van het bedrijf of op initiatief van het SFPB wordt ingepland.
b. Voor het afzeggen van een schriftelijk bevestigd controlebezoek. Als deze afzegging binnen dertig kalenderdagen tevoren plaatsvindt 50% van € 2.000,– en bij afzegging binnen veertien kalenderdagen het volledige bedrag. Bij afzegging worden deze kosten in rekening gebracht per ingeplande controledag.
De ter dezer zake verkregen middelen worden toegevoegd aan de geldmiddelen van SFPB (als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de Statuten SFPB) en besteed aan de bestedingsactiviteit aangegeven in artikel 3 sub I van de Statuten SFPB.’
Stcrt. 27 oktober 2021, nr. 25125; laatstelijk gewijzigd bij besluit van 21 september 2023 (Stcrt. 26 september 2023, nr. 22067).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-14336.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.