Call for proposals Inspelen op een veranderende arbeidsmarkt, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek

2025

Inhoudsopgave

1

Inleiding

1

 

1.1

Achtergrond

1

 

1.2

Beschikbaar budget

2

 

1.3

Indieningsdeadline(s)

2

2

Doel

2

 

2.1

Doelstelling van het programma

2

 

2.2

Maatschappelijke impact

4

3

Voorwaarden voor aanvragers

5

 

3.1

Wie kan aanvragen

5

 

3.2

Wat kan worden aangevraagd

7

 

3.3

Het opstellen en indienen van de aanvraag

8

 

3.4

Indieningsvoorwaarden

8

 

3.5

Subsidievoorwaarden

9

4

Beoordelingsprocedure

10

 

4.1

De San Francisco Declaration (DORA)

10

 

4.2

Procedure

11

 

4.3

Criteria

13

5

Subsidieverplichtingen

14

6

Contact en overige informatie

18

 

6.1

Contact

18

 

6.2

Overige informatie

18

7

Bijlagen

18

 

7.1

Budgetmodules en tarieven

18

 

7.2

Indexering

20

 

7.3

Bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid

20

1 Inleiding

In deze Call for proposals leest u hoe de aanvraagprocedure is ingericht voor de subsidieronde ‘Inspelen op een veranderende arbeidsmarkt’. Deze Call for proposals valt onder de verantwoordelijkheid van het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO). Het NRO is onderdeel van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

U vindt in deze Call for proposals achtereenvolgens informatie over het doel van dit programma (hoofdstuk 2), de voorwaarden voor de subsidieaanvraag (hoofdstuk 3) en hoe uw aanvraag wordt beoordeeld (hoofdstuk 4). Deze informatie heeft u nodig om een aanvraag voor subsidie te kunnen indienen. In hoofdstuk 5 vindt u de subsidieverplichtingen die van toepassing zijn in geval van toewijzing. In hoofdstuk 6 staan de contactgegevens en in hoofdstuk 7 de bijlagen.

1.1 Achtergrond

Het NRO coördineert en financiert onderwijsonderzoek en bevordert de verbinding tussen wetenschappelijk onderzoek en de praktijk van het onderwijs. Zo werkt het NRO aan verbetering van het onderwijs.

Het NRO programmeert en financiert onderzoek langs de volgende lijnen:

  • 1. onderzoek naar de belangrijkste vraagstukken in het onderwijs;

  • 2. onderzoek naar (kansrijke) aanpakken;

  • 3. vrij onderzoek met als doel de ontwikkeling van kennis voor de toekomst van het onderwijs;

  • 4. talent-, innovatie- en stimuleringsbeurzen voor kennisgedreven werken door onderwijsprofessionals.

Deze Call for proposals draagt bij aan 1) onderzoek naar de belangrijkste vraagstukken in het onderwijs. Deze subsidieronde valt onder de verantwoordelijkheid van de programmacommissie Aansluiting (beroeps)Onderwijs en Arbeidsmarkt (pcAbOA).

1.2 Beschikbaar budget

Het subsidieplafond voor deze Call for proposals bedraagt in totaal € 2.300.000. Binnen deze Call for proposals worden naar verwachting maximaal vier aanvragen toegewezen.

1.3 Indieningsdeadline(s)

Bij het indienen van uw aanvraag in ISAAC dient u ook online nog gegevens in te voeren. Begin daarom ten minste één dag vóór de deadline van deze Call for proposals met het indienen van uw aanvraag.

Aanvragen die na de deadline worden ingediend, worden niet in behandeling genomen.

De deadline voor het indienen van intentieverklaringen is dinsdag 10 juni 2025, voor 14:00:00 CEST. De deadline voor het indienen van documenten voor de toetsing van onderzoeksorganisaties is dinsdag 14 oktober, voor 14:00:00 CEST.

De deadline voor het indienen van aanvragen is dinsdag 28 oktober 2025, voor 14:00:00 CET.

Het indienen van een intentieverklaring is verplicht om in een latere fase een aanvraag in te mogen dienen.

2 Doel

Dit hoofdstuk beschrijft de doelstelling van het programma en de maatschappelijke impact.

2.1 Doelstelling van het programma

Met deze Call for proposals beoogt NRO onderzoek te financieren naar de evaluatie en/of realisatie van beleid. Tevens beoogt het onderzoek inzicht te geven in de vraag hoe beleid optimaal kan inspelen op ontwikkelingen in het mbo in het licht van een snel veranderende arbeidsmarkt.

Voor deze subsidieronde kunnen uitsluitend aanvragen worden ingediend om beleidsgericht onderwijsonderzoek uit te voeren voor het mbo binnen de volgende twee thema’s:

  • 1. Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst

  • 2. Samenwerking in de regio: bestuurskracht mbo-instellingen

De aanvragen worden verdeeld over twee thema’s, volgens onderstaande verdeling:

Thema

Maximaal aantal aanvragen

Thema 1: Opleiden voor de arbeidsmarkt

van de toekomst

2

Thema 2: Bestuurskracht in de regio

2

Totaal

4

Het is mogelijk dat een aanvraag raakvlakken vertoont met beide thema’s. In dat geval dient het meest passende thema te worden gekozen.

Het onderzoek in deze Call dient zich primair te richten op het bekostigd initieel onderwijs op het mbo. De onderzoeken moeten resulteren in aanbevelingen richting beleidsmakers en eventueel de onderwijspraktijk. Doelgroepen die hier gebruik van kunnen maken zijn onderwijsinstellingen en schoolbesturen, onderwijsprofessionals, gemeenten, regionale ontwikkelingsmaatschappijen, het bedrijfsleven, intermediaire partijen, brancheorganisaties, sociale partners, provinciale overheden en de rijksoverheid.

Thema 1: Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst

Onderwijsinstellingen uit het middelbaar beroepsonderwijs hebben als taak om studenten goed voor te bereiden op de arbeidsmarkt. Om studenten kansrijk te kunnen opleiden is het van belang dat het onderwijs aansluit op de actuele en toekomstige benodigde kennis en vaardigheden vanuit het werkveld en de maatschappij. Onderwijsinstellingen moeten hun studenten voorbereiden op een steeds veranderende arbeidsmarkt, waardoor ook vaardigheden om regie te kunnen nemen in een leven lang ontwikkelen urgent zijn. Het bedrijfsleven en organisaties hebben flexibele, goed opgeleide mensen met kennis en kunde nodig, maar zullen ook zelf de potentie van hun werknemers verder moeten ontwikkelen. Daarmee komen ze tegemoet aan de studenten, die persoonlijke ontwikkeling en uitdagend werk ambiëren. Ten slotte kan de overheid met beleid sturen op grote ontwikkelingen in de samenleving.

De arbeidsmarkt van de toekomst zal er anders uitzien dan die van vandaag. Niet in het minst vanwege te verwachten structurele tekorten: te veel werkplekken en te weinig mensen om deze te vervullen, bijvoorbeeld door vergrijzing in de samenleving en een toenemende krimp van studentenaantallen.

Ook valt te denken aan de energietransitie en technologische ontwikkelingen. Het is moeilijk te voorspellen welke beroepscompetenties de werkenden van de toekomst nodig zullen hebben en hoe zij zich moeten aanpassen. Hier ligt een uitdaging, waarbij een bijdrage van alle betrokken partijen nodig is.

Vanuit de overheid is het van belang om met een lange termijnvisie te komen voor de richting van de gewenste economie in Nederland1 en zicht te krijgen op wat belangrijke, te realiseren maatschappelijke opgaven daarbij zijn. Deze visie is nodig om tot goed beleid te komen voor de arbeidsmarkt en het onderwijs, door onder andere zicht te krijgen op welke vaardigheden en opleidingen nodig zijn voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Waar liggen kansen voor afgestudeerden? Hoe kunnen mensen gestimuleerd worden om te blijven leren en ontwikkelen? Ook wil het beter in beeld krijgen waar structurele tekorten worden verwacht, op welke terreinen er sprake van een hoge arbeidsproductiviteit is, en met welke interventies en beleid het hierop kan reageren.2 Bijvoorbeeld rond thema’s zoals de samenwerking en doorstroom tussen het mbo en ho en internationale studentenstromen.

Onderzoek binnen dit eerste thema biedt inzicht in hoeverre en op welke manier onderwijsinstellingen kunnen aansluiten op de te verwachten arbeidsmarkt van de toekomst. Hiernaast biedt het zicht op beleidsimplicaties voor zowel het landelijk overheidsbeleid als het onderwijsbeleid van de mbo- instellingen. Voorstellen kunnen zich richten op welke wijze mbo-instellingen inspelen op veranderingen in de arbeidsmarkt en samenleving en welke aanpakken zorgen voor een goede aansluiting bij de verandering. Te denken valt aan onderstaande of andere relevante vragen:

  • Opleidingsaanbod: Wat zijn de onderliggende mechanismen om tot een kansrijk opleidingsaanbod te komen? Wat is nodig om het aanbod aan te laten sluiten bij de veranderingen (ook in termen van samenwerking met partners in de regio)? Wat zijn de mogelijkheden voor de overheid om te faciliteren en eventueel bij te sturen?

  • Inhoud van opleidingen: Wat hebben studenten aan skills nodig voor een succesvolle levensloop en duurzaam loopbaanperspectief in een voortdurend veranderende arbeidsmarkt en samenleving? Hoe kan dit succesvol vertaald worden naar inhoud van opleidingen? Wat zijn onderliggende mechanismen om tot relevante inhoud van opleidingen te komen, waardoor de kennis en vaardigheden van de afgestudeerden aansluiten op de (toekomstige) vraag en behoeften vanuit bedrijven en organisaties? Wat hebben instellingen hiervoor nodig van de (landelijke of regionale) overheid?

  • Innovatie: Wat zijn effectieve manieren voor onderwijsinstellingen om in te spelen op innovatie? Welke factoren zijn hierop van invloed? Wie zijn hierin de belangrijkste stakeholders en met wie wordt op welke manier samengewerkt? Wat zijn de mogelijkheden voor de overheid om dit te faciliteren?

  • Internationaal: Wat kunnen we leren van andere landen als het gaat om het komen tot een kansrijk opleidingsaanbod en relevante inhoud van opleidingen?

Thema 2: Samenwerking in de regio: bestuurskracht mbo- instellingen

Het mbo in Nederland staat voor grote uitdagingen. Het vraagt bestuurskracht van onderwijsinstellingen en samenwerking met (externe) partners om adequaat te kunnen (blijven) inspelen op maatschappelijke opgaven, zoals passende aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, dalende studentaantallen en het bevorderen van de doorstroom van studenten. Bij deze complexe opgaven wordt vaak gekeken naar ‘de regio’, vanuit de gedachte dat samenwerking tussen organisaties in een regio effectief kan bijdragen aan het oplossen van een vraagstuk3.

Een gezamenlijke benadering lijkt nodig om een goed en toegankelijk onderwijsaanbod in de toekomst te kunnen blijven garanderen. Een belangrijke vraag hierbij is op welke manier deze bestuurlijke samenwerking kan worden georganiseerd en welke verbindingen met stakeholders hiervoor nodig zijn.

In recent onderzoek naar de invloed van bestuurlijk handelen op de onderwijskwaliteit in het mbo, wordt de aanwezigheid van zowel intern als extern sociaal kapitaal in een onderwijsorganisatie als een belangrijk onderdeel beschouwd.4 De verbinding van interne actoren tot een hechte bestuurlijke gemeenschap waarin kennis, informatie, motivatie en vertrouwen worden gedeeld, kan substantieel bijdragen aan de kwaliteit van een onderwijsinstelling. De verbinding met externe actoren is belangrijk om noodzakelijke informatie te verkrijgen en zich te verzekeren van steun voor en legitimatie van de onderwijsorganisatie. Een relevant onderscheid bij het extern sociaal kapitaal is 1) de verbinding tussen onderwijsinstellingen in verschillende sectoren (voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs) en 2) de verbinding met stakeholders in de regio. Deze verbindingen kunnen soms moeizaam verlopen waardoor meer zicht op wat kan bijdragen aan het bevorderen van de samenwerking nodig is.

Interne en externe actoren in de regio verbinden rond de huidige vraagstukken in het mbo is zoals eerder beschreven noodzakelijk, maar ook complex. Uit onderzoek blijkt dat samenwerking op twee manieren vorm kan krijgen: operationeel en strategisch. Bij operationele samenwerking kan gedacht worden aan praktijklessen samen opzetten, werkend leren en praktijkroutes voor specifieke groepen studenten. Strategische samenwerking richt zich op innovatie in een bepaald domein en gebied.

Tevens blijkt dat horizontale samenwerking5 geen route zonder hobbels is en spanningen en dilemma’s, bijvoorbeeld op het gebied van communicatie en commitment, met zich meebrengt.6 Dit verkennende onderzoek naar horizontale samenwerkingen gaf ook inzicht in vormen van samenwerking, de werkende mechanismen voor samenwerking en richtinggevende factoren die samenwerking kunnen bevorderen.

Hierop voortbouwend is nog meer kennis en inzicht nodig over de vraagstukken waarvoor samenwerkingspartners zich geplaatst voelen, welke factoren bepalen of een aanpak succesvol is met concrete resultaten tot gevolg, wat dit vraagt van de organisatorische inrichting van een onderwijsinstelling en welke processen intern worden ingeregeld. Meer kennis over deze vraagstukken kan onderwijsinstellingen en betrokken externe samenwerkingspartners in de regio helpen bij de vormgeving van toekomstig beleid.

Het onderzoek in dit thema richt zich daarom enerzijds op de vraag op welke manier het bestuurlijk handelen van mbo-instellingen vormgegeven kan worden om responsief te zijn op maatschappelijke vraagstukken. En anderzijds op de rol hierin van (duurzame) samenwerking met stakeholders in de regio. Daarbij is het nodig ook te kijken naar hoe de samenwerking zich vertaalt naar het onderwijs en vervolgens naar opbrengsten voor studenten. Ook de rol van de landelijke overheid bij het faciliteren van bestuurskracht in de regio dient te worden meegenomen: hoe verhoudt de sturing van de overheid zich tot de sturing in de regio in wisselwerking met onderwijsontwikkeling? Wat moet de overheid juist wel of niet doen? Wat is nodig om de samenwerking tussen onderwijsinstellingen en tussen onderwijsinstellingen en externe stakeholders te optimaliseren?

2.2 Maatschappelijke impact

Nieuwe kennis en inzichten vanuit wetenschappelijk onderzoek kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken van vandaag én morgen. Denk o.a. aan uitdagingen gerelateerd aan het welzijn van kinderen en jongeren, digitalisering, de aansluiting (beroeps)onderwijs en de arbeidsmarkt, of de ongelijkheid in onderwijskansen. Vragen die leven in het brede onderwijsveld en die het verdienen om, op basis van kennis, gezamenlijk opgepakt te worden. Door interactie en afstemming tussen onderzoekers en mogelijke kennisgebruikers (zoals leraren, schoolleiders, bestuurders, lerarenopleiders en beleidsmakers), neemt de kans op het toepassen van kennis toe en daarmee ook de kans op maatschappelijke impact.

Maatschappelijke impact staat hier voor veranderingen die (mede) het gevolg zijn van door onderzoek gegenereerde kennis en kunde. Deze veranderingen dragen bij aan het welzijn van mens, planeet en maatschappij voor deze en toekomstige generaties. Via haar beleid op impact bevordert NWO de mogelijke bijdrage vanuit onderzoek aan maatschappelijke vraagstukken door het stimuleren van productieve interacties met maatschappelijke belanghebbenden. Zowel tijdens de ontwikkeling als in de uitvoering van het onderzoek. Dit doet zij op een manier die past bij het doel van het financieringsinstrument. NWO stimuleert onderzoekers om met een brede blik te kijken naar de mogelijke gewenste en ongewenste impact van hun onderzoek.

2.2.1 Impact op maat

Afhankelijk van het doel van het financieringsinstrument kiest NWO een bijbehorende benadering die de kans op maatschappelijke impact optimaal ondersteunt. Het primaire doel van het financieringsinstrument bepaalt de keuze voor de benadering die NWO inzet om kennisbenutting in verschillende fases van het project (aanvraag, uitvoering, na afloop) te bevorderen en de inspanning die van aanvrager(s) en partners gevraagd wordt.

In dit programma wordt de Impact Plan-benadering toegepast. Hiermee faciliteert NWO de ontwikkeling van een geïntegreerde strategie door onderzoekers en partners om doelgericht de kans op de gewenste maatschappelijk impact te vergroten.

NWO biedt een e-learning module aan die geïnteresseerden op weg kan helpen via NWO Impact - Online workshops. Voor meer informatie over het kennisbenuttingsbeleid van NWO zie de website: Kennisbenutting | NWO.

3 Voorwaarden voor aanvragers

Dit hoofdstuk bevat de voorwaarden die gelden voor uw subsidieaanvraag. Eerst wordt beschreven wie subsidie kan aanvragen (paragraaf 3.1) en waarvoor u subsidie kunt aanvragen (paragraaf 3.2). Vervolgens vindt u de voorwaarden voor het opstellen en indienen van de aanvraag (paragrafen 3.3 en 3.4) en specifieke subsidievoorwaarden (paragraaf 3.5).

3.1 Wie kan aanvragen

Hoogleraren, universitair (hoofd)docenten, docent-onderzoekers, hogeschool(hoofd)docenten, lectoren, practoren, onderwijsprofessionals, docenten en andere onderzoekers7 mogen als hoofd- of medeaanvrager een aanvraag indienen als zij in dienst zijn bij één van de onderstaande organisaties:

  • een universiteit of een hogeschool, zoals bedoeld in artikel 1.8 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek8 en de universiteiten genoemd in de Beleidsregel Universiteiten in het Koninkrijk der Nederlanden;

  • een universitair medisch centrum zoals bedoeld in artikel 1.13 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

  • een onderzoeksorganisatie in Nederland waar onafhankelijk (onderwijs)onderzoek wordt uitgevoerd (zie paragraaf 3.1.1);

  • een regionaal opleidingscentrum (ROC) of een beroepscollege zoals bedoeld in artikel 1.3.1 en artikel 1.3.2. van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover het bekostigd onderwijs9 betreft.

Aanvullende voorwaarden aanvragers:

  • Aanvragers moeten een dienstverband hebben voor de duur van het gehele project. Het kan voorkomen dat de huidige arbeidsovereenkomst van de aanvrager eindigt vóór de beoogde afrondingsdatum van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd of eindigt wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. In dat geval voegt de aanvrager een verklaring van zijn werkgever bij, waarin de betreffende organisatie garandeert dat het project en alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd adequaat zullen worden begeleid voor de volledige duur van het project.

  • Aanvragers met een deeltijd dienstverband dienen garant te staan voor adequate begeleiding van het project en van alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd.

  • Aanvragers met een nuluren-arbeidsovereenkomst zijn uitgesloten van indiening.

  • Aanvragers leveren een onderbouwde substantiële bijdrage (in tijd) aan het project met als doel om de beleidsrelevantie en de kwaliteit van het onderzoek te waarborgen.

  • De hoofdaanvrager moet gepromoveerd zijn.

  • Aanvragers mogen maximaal éénmaal indienen in deze ronde, hetzij als hoofdaanvrager, hetzij als medeaanvrager.

  • In het consortium is in ieder geval één ROC of een beroepscollege is betrokken (zoals bedoeld in artikel 1.3.1 en artikel 1.3.2. van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover het bekostigd onderwijs betreft10

U dient als hoofdaanvrager een aanvraag in namens een consortium. Daarmee wordt bedoeld een samenwerkingsverband tussen aanvragers en/of samenwerkingspartners.

3.1.1 Onderzoeksorganisaties

Aanvragers kunnen verbonden zijn aan de onderzoeksorganisaties zoals bedoeld in artikel 1.1, lid 4, van de NWO Subsidieregeling en die voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden.

De organisatie dient:

  • in Nederland gevestigd te zijn;

  • zich in de hoofdzaak zelf bezig te houden met het op onafhankelijke wijze verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of met het breed verspreiden van de resultaten van de eigen onderzoeksactiviteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht;

  • te kunnen verklaren dat de organisatie een gescheiden boekhouding voert ten aanzien van economische/niet-economische activiteiten en dat ondernemingen met een beslissende invloed op de organisatie geen preferente toegang krijgen tot de onderzoeksresultaten van de organisatie.

Let op: Voorafgaand aan het indienen van een aanvraag wordt door NWO aan de hand van bovengenoemde voorwaarden getoetst of een organisatie aan artikel 1.1, lid 4, van de NWO Subsidieregeling voldoet en dus als aanvrager mag deelnemen. NWO voert deze toets mede uit om te controleren of er geen sprake is van het verlenen van verboden staatssteun

De organisatie van de beoogde aanvrager levert ten behoeve van deze toetsing uiterlijk 10 werkdagen voor de deadline van indiening per e-mail aan staatssteun@nro.nl (dus uiterlijk 14 oktober voor 14:00:00 CEST) de volgende documenten aan:

  • een recent uittreksel van de kamer van koophandel;

  • de oprichtingsakte en/of actuele statuten;

  • de laatst beschikbare jaarrekening voorzien van een controleverklaring;

  • de ingevulde Verklaring Onderzoeksorganisatie, beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals.

Het is toegestaan om andere relevante documentatie toe te voegen. Tevens kan NWO om aanvullende informatie vragen als bovenstaande documenten niet voldoende uitsluitsel bieden om te bepalen of de organisatie mag optreden als aanvrager.

Als de organisatie van de beoogde aanvrager binnen een ander NWO programma is getoetst aan deze voorwaarden, neem dan tijdig contact op met NWO via het bovengenoemde e-mailadres om af te stemmen of deze organisatie opnieuw moet worden getoetst.

Indien de organisatie van de beoogde aanvrager de voor de toets op de voorwaarden benodigde stukken niet op tijd aanlevert, kan NWO de betreffende organisatie niet als aanvrager accepteren.

Als in de uitgewerkte aanvraag nieuwe aanvragers toegevoegd worden aan het consortium en deze nieuwe aanvragers niet verbonden zijn aan een instelling vermeld in deze paragraaf dient ook voor deze organisatie(s) een toets op de voorwaarden plaats te vinden. Ook hiervoor geldt dat de organisatie van de beoogde aanvrager uiterlijk 10 werkdagen voor de deadline van indiening per e-mail (dus uiterlijk 12 juni voor 14:00:00 CEST) in ieder geval bovenstaande documenten aanlevert.

Een onderzoeksorganisatie die voorafgaand aan het indienen van een vooraanmelding is getoetst en goedgekeurd als aanvrager, hoeft voorafgaand aan het indienen van de aanvraag niet nogmaals getoetst te worden.

3.1.2 Samenwerkingspartners

Een samenwerkingspartner is een partij die nauw betrokken is bij de uitvoering van het onderzoek en/of de kennisbenutting. Hierbij kan gedacht worden aan bedrijven en publieke en private organisaties. Tevens kan een partij waarvan medewerkers conform paragraaf 3.1 in aanmerking komen als aanvrager, ervoor kiezen om als samenwerkingspartner betrokken te zijn wanneer dat passend is bij de inzet en/of rol.

De rol die deze partijen spelen bij de voorbereiding, uitvoering, en vertaling van het onderzoek naar de maatschappij dient in de aanvraag beschreven te worden. Binnen de subsidie kan alleen vergoeding voor salaris- en/of onderzoekskosten van samenwerkingspartners worden aangevraagd via de budgetmodules materieel en/of kennisbenutting.

De samenwerkingspartners in deze Call for proposals kunnen zijn medewerkers van aan het onderwijs gerelateerde instellingen, medewerkers van beleidsinstellingen, medewerkers van onderwijsadviesinstellingen, medewerkers van sociale partners en medewerkers van gemeenten.

3.1.3 Hoofd- en medeaanvragers

De hoofdaanvrager dient de aanvraag in via ISAAC, het elektronische indiensysteem van NWO. Tijdens het beoordelingsproces communiceert NWO met de hoofdaanvrager.

Na toewijzing van een aanvraag wordt de hoofdaanvrager projectleider en aanspreekpunt voor NWO. De onderzoeksorganisatie van de hoofdaanvrager is hoofdbegunstigde en wordt penvoerder.

Medeaanvragers hebben een actieve rol bij de uitvoering van het project. De (deel)projectleider(s) en begunstigde(n) zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het gehele project.

3.2 Wat kan worden aangevraagd

Per project is maximaal € 575.000 subsidie aan te vragen. De maximale looptijd van het voorgestelde project is drie jaar. De aanvrager(s) kan/kunnen kosten opvoeren voor personeel, materieel en kennisbenutting. De beschikbare budgetmodules (inclusief eventuele maximale bedragen) staan hieronder vermeld. Vraag alleen datgene aan wat essentieel is om het project uit te voeren. De tarieven en een toelichting op deze budgetmodules staan in bijlage 7.1.

3.2.1 Personeel

Voor personeel dat een bijdrage levert aan het project, kan subsidie voor de loonkosten worden aangevraagd. Het bedrag hiervoor is afhankelijk van het type aanstelling en de organisatie waar het personeel werkt.

3.2.1.1 Personeel bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden of een umc

Voor personeel dat werkzaam is bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden of een universitair medisch centrum (umc) kunnen loonkosten worden opgevoerd voor de volgende functies: promovendus, postdoc, niet-wetenschappelijk personeel (NWP).

Het is mogelijk om loonkosten van junior onderzoekers (niet-promovendi), universitair (hoofd)docenten en hoogleraren op te voeren.

3.2.1.2 Personeel van hogescholen, onderwijsinstellingenen en overige organisaties

Het is mogelijk om loonkosten op te voeren van personeel van hogescholen, onderwijsinstellingen, en overige organisaties.

3.2.1.3 Studenten

Het is mogelijk om studenten in te zetten voor het project als ze studeren aan een onderzoeksorganisatie genoemd in paragraaf 3.1. Er is geen maximum aan het aantal studenten dat kan meewerken in het project.

3.2.2 Materieel

Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke materiële kosten. Voor deze kosten geldt een maximum van 25% van het subsidiebedrag dat gealloceerd is voor personele kosten.

3.2.3 Kennisbenutting

Financiering kan worden aangevraagd voor activiteiten die bevorderen dat kennis uit het onderzoek wordt benut,11 om zo de maatschappelijke impact van het onderzoek te vergroten.

Impact Plan: Het is verplicht om een bedrag op te voeren voor kennisbenutting. Deze kosten zijn ten minste 5% en maximaal 20% van het subsidiebedrag.

3.3 Het opstellen en indienen van de aanvraag

Voor het opstellen van uw aanvraag doorloopt u de volgende stappen:

  • download het aanvraagformulier vanuit het online aanvraagsysteem ISAAC of vanaf de website van NWO (op de website van het betreffende financieringsinstrument);

  • vul het aanvraagformulier in;

  • sla het formulier op als pdf en dien het met de eventueel verplichte bijlage(n) in ISAAC in;

  • vul de online in ISAAC gevraagde gegevens in.

Verplichte bijlage(n):

  • begroting;

  • consortiumpartner formulier.

Optionele bijlage(n) uitsluitend:

  • letter of commitment en verklaring cofinanciering;

  • verklaring aanstelling en projectbegeleiding.

De aanvraag en bijlage(n) dienen conform het door NWO aangeboden template opgesteld te worden. Bijlagen dienen los van de aanvraag in ISAAC geüpload te worden. Alle bijlagen, met uitzondering van de begroting, dienen als pdf-bestand (zonder beveiliging) te worden ingediend. De begroting moet als Excel-bestand worden ingediend in ISAAC. Andere bijlagen dan hierboven vermelde bijlagen zijn niet toegestaan.

Het is verplicht uw aanvraag in het Nederlands op te stellen.

Het indienen van een aanvraag kan alleen via het online aanvraagsysteem ISAAC. Aanvragen die niet via ISAAC zijn ingediend, worden niet in behandeling genomen.

U bent als hoofdaanvrager verplicht een aanvraag via het eigen persoonlijke ISAAC-account in te dienen.

Het is verplicht om in ISAAC minimaal één disciplinecode in te vullen die van toepassing is op het voorgestelde onderzoek. U kunt hiervoor alleen gebruik maken van de NWO disciplinecodes, te vinden via Disciplinecodes | NWO. Deze codes vult u in onder het tabblad “Algemeen” bij “Disciplines”. Neem in ieder geval de disciplinecode voor ‘Onderwijswetenschappen’ (1.90.00) op. Indien meerdere disciplinecodes van toepassing zijn op het voorgestelde onderzoek, wordt u gevraagd om deze ook in te vullen in ISAAC. Het invullen van aanvullende disciplinecodes is niet verplicht.

Het is belangrijk om tijdig te beginnen met uw aanvraag in ISAAC:

  • indien u nog geen ISAAC-account heeft, dient deze op tijd te worden aangemaakt om eventuele aanmeldproblemen te voorkomen;

  • nieuwe onderzoeksorganisaties moeten eventueel nog door NWO toegevoegd worden aan ISAAC;

  • u moet ook online nog gegevens invoeren.

Aanvragen die na de deadline worden ingediend, neemt NWO niet in behandeling.

Voor vragen van technische aard verzoeken wij u contact op te nemen met de ISAAC-helpdesk, zie contact (hoofdstuk 6).

Werkt een hoofd- en/of medeaanvrager bij een onderzoeksorganisatie die niet is opgenomen in de database van ISAAC? U kunt dit dan melden via relatiebeheer@nwo.nl zodat de onderzoeksorganisatie kan worden toegevoegd. Hier zijn enige dagen voor nodig. Daarom is het van belang dit uiterlijk een week voor de deadline te melden.

NWO gaat er vanuit dat de aanvrager de onderzoeksorganisatie waar zij/hij werkzaam is heeft geïnformeerd over het indienen van de aanvraag en dat de onderzoeksorganisatie de subsidievoorwaarden van deze Call for proposals aanvaardt.

3.4 Indieningsvoorwaarden

3.4.1 Formele voorwaarden voor indiening

NWO toetst uw aanvraag op alle in deze Call for proposals gestelde voorwaarden, inclusief onderstaande voorwaarden. Alleen als uw aanvraag aan deze voorwaarden voldoet, wordt deze toegelaten tot de beoordelingsprocedure. U wordt gevraagd om na indiening van een aanvraag beschikbaar te zijn om eventuele administratieve correcties door te voeren en zo (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening.

Deze voorwaarden zijn:

  • de hoofdaanvrager en medeaanvrager(s) voldoen aan de in paragraaf 3.1 gestelde voorwaarden;

  • de aanvraag voldoet aan de DORA-richtlijnen zoals beschreven in paragraaf 4.1;

  • het aanvraagformulier is, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, compleet en volgens de instructies ingevuld;

  • de aanvraag is ingediend via het ISAAC-account van de hoofdaanvrager;

  • de aanvraag is ontvangen voor de gestelde deadline;

  • de aanvraag is in het Nederlands opgesteld;

  • de aanvraagbegroting is volgens de voorwaarden van deze Call for proposals opgesteld (gebruikmakend van het beschikbaar gestelde format dat de meest recente tarieven bevat);

  • het voorgestelde project heeft een looptijd van minimaal 2 en maximaal 3 jaar;

  • alle vereiste bijlagen zijn, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, compleet en volgens de instructies ingevuld en conform de voorwaarden van deze Call for proposals opgesteld en ingediend.

3.5 Subsidievoorwaarden

Op alle aanvragen zijn de NWO Subsidieregeling 2024 en het Akkoord bekostiging wetenschappelijk onderzoek van toepassing.

3.5.1 Naleving Nationale leidraad kennisveiligheid

Wetenschap van wereldklasse kan profiteren van internationale samenwerking. De Nationale leidraad kennisveiligheid (hierna: de Leidraad) helpt kennisinstellingen ervoor te zorgen dat internationale samenwerking veilig kan plaatsvinden. Bij kennisveiligheid gaat het om ongewenste overdracht van gevoelige kennis en technologie die de nationale veiligheid aantast; om heimelijke beïnvloeding van onderwijs en onderzoek door statelijke actoren, en daarmee de academische vrijheid en de sociale veiligheid in gevaar brengt; en om ethische kwesties die kunnen spelen in de samenwerking met landen die de grondrechten niet respecteren.

Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na te gaan of het project in lijn is en blijft met de Leidraad. Met het indienen van de aanvraag committeert de aanvrager zich aan de overwegingen in deze Leidraad. In geval van het vermoeden van schending van de Leidraad bij een bij NWO ingediende aanvraag voor projectfinanciering of een door NWO gefinancierd project, kan NWO de aanvrager verzoeken om een risicoafweging te overleggen waaruit blijkt dat de overwegingen uit de Leidraad zijn gevolgd. Indien de aanvrager niet aan het verzoek van NWO voldoet of als de risicoafweging klaarblijkelijk een schending van de Leidraad behelst, kan dit gevolgen hebben voor de subsidieverlening of vaststelling door NWO. Ook kan NWO in een voorkomend geval nadere voorwaarden opnemen in de toewijzingsbrief.

De Nationale leidraad kennisveiligheid vindt u op de website van de rijksoverheid: Home | Loket Kennisveiligheid.

3.5.2 Datamanagement

Resultaten van wetenschappelijk onderzoek moeten kunnen worden gerepliceerd, geverifieerd en gefalsifieerd. In het digitale tijdperk betekent dit dat behalve publicaties ook onderzoeksdata zo veel mogelijk vrij toegankelijk moeten zijn. NWO verwacht dat de onderzoeksdata die voortkomen uit projecten die door NWO zijn gefinancierd zo veel mogelijk vrij beschikbaar komen voor hergebruik door andere onderzoekers. NWO hanteert daarbij het principe: “zo open als mogelijk, beschermd indien nodig”. Van onderzoekers wordt verwacht dat zij ten minste die data en/of niet-numerieke resultaten die ten grondslag liggen aan de conclusies van binnen het project gepubliceerde werken openbaar maken, gelijktijdig met de publicatie zelf. Eventuele kosten die hiervoor worden gemaakt, kunnen worden meegenomen in de projectbegroting. Onderzoekers maken kenbaar hoe met data voortkomend uit het project wordt omgegaan aan de hand van de datamanagementparagraaf in de aanvraag, en het datamanagementplan na toewijzing van subsidie.

Datamanagementparagraaf

De datamanagementparagraaf maakt deel uit van de aanvraag. Onderzoekers wordt gevraagd reeds voor aanvang van het onderzoek te bedenken hoe de verzamelde data geordend en gecategoriseerd moeten worden zodat zij vrij beschikbaar kunnen worden gesteld. Vaak zullen al vóór het tot stand komen van de data en de analyse daarvan maatregelen getroffen moeten worden om opslag en deling later mogelijk te maken. Indien niet alle data voortkomende uit het project openbaar gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld om redenen van privacy, ethiek of valorisatie, dient de aanvrager dit beargumenteerd kenbaar te maken in de datamanagementparagraaf.

De datamanagementparagraaf wordt niet beoordeeld en daarom ook niet meegewogen in de beslissing om een aanvraag al dan niet toe te wijzen. De commissie kan wel advies geven met betrekking tot de datamanagementparagraaf.

3.5.3 Wetenschappelijke integriteit

Het project dat NWO financiert moet, conform de NWO Subsidieregeling, uitgevoerd worden in overeenstemming met de nationaal en internationaal aanvaarde normen van wetenschappelijk handelen zoals neergelegd in de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (2018). Met het indienen van de aanvraag committeert de aanvrager zich aan deze code. In geval van (mogelijke) schending van deze normen bij een door NWO gefinancierd project, dient de aanvrager NWO hiervan onverwijld op de hoogte te stellen en dient deze alle ter zake relevante documenten aan NWO te overleggen. Meer informatie over de gedragscode en het beleid op het gebied van wetenschappelijke integriteit vindt u op de website: Wetenschappelijke integriteit | NWO.

3.5.4 Ethische verklaring of vergunning

Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na te gaan of voor de uitvoering van het voorgestelde project een ethische verklaring of vergunning noodzakelijk is. De aanvrager dient er voor te zorgen dat deze tijdig wordt verkregen bij de relevante instelling of ethische commissie. Het wel of niet hebben van een ethische verklaring of vergunning op het moment van het aanvraagproces heeft geen invloed op de beoordeling van de aanvraag. Bij toewijzing wordt de subsidie verleend onder de voorwaarde dat de benodigde ethische verklaring of vergunning vóór de uiterste startdatum van het project is verkregen. Het project kan pas starten nadat NWO een kopie van de ethische verklaring of vergunning heeft ontvangen.

3.5.5 Eigen bijdrage

Eigen bijdrage is in deze Call for proposals niet verplicht. Het is wel mogelijk eigen bijdragen toe te voegen in de aanvraag, bijvoorbeeld wanneer een promovendus wordt aangesteld.

Eigen bijdrage

Eigen bijdrage is een bijdrage, cash of in-kind, door een aanvrager of samenwerkingspartner. De tariefstelling voor de personele inzet onder de eigen bijdrage is gelijk aan de tariefstelling voor de personele inzet onder de subsidie. Nadere toelichting op de tariefstelling is te vinden in bijlage 7.1.

Verklaring eigen bijdrage

U moet de rol en de garantie van deze eigen bijdrage duidelijk toelichten in het aanvraagformulier. Daarnaast dient u samen met uw aanvraag een ‘letter of commitment en cofinanciering’ in. In deze verklaring spreekt u zowel inhoudelijke en/of financiële steun uit aan het project en bevestigt de toegezegde eigen bijdrage. Verklaringen welke genoemd worden in de aanvraag, zijn verplicht als bijlagen bij het indienen van de aanvraag. De verklaring moet zijn ondertekend door een tekenbevoegd persoon. Het NRO stelt een verplicht format beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals op de NRO website en in ISAAC.

4 Beoordelingsprocedure

Dit hoofdstuk beschrijft allereerst de beoordeling volgens de DORA-principes (paragraaf 4.1) en hoe de beoordelingsprocedure verloopt (paragraaf 4.2). Vervolgens somt het de criteria op waaraan de beoordelingscommissie uw aanvraag toetst (paragraaf 4.3).

Voor alle bij de beoordeling en/of besluitvorming betrokken personen en betrokken NWO- medewerkers is de NWO Code Persoonlijke Belangen van toepassing (Code persoonlijke belangen | NWO).

NWO streeft naar een inclusieve cultuur, waarin geen plaats is voor bewuste of onbewuste barrières vanwege culturele, etnische of religieuze achtergrond, gender, seksuele oriëntatie, gezondheid of leeftijd (Diversiteit en inclusie | NWO). NWO stimuleert leden van een beoordelingscommissie actief om zich bewust te worden van impliciete associaties en te proberen deze te minimaliseren. NWO voorziet hen van informatie over concrete manieren om de beoordeling van een aanvraag te verbeteren.

4.1 De San Francisco Declaration (DORA)

NWO is ondertekenaar van de San Francisco Declaration on Research Assessment (DORA). DORA is een wereldwijd initiatief dat beoogt de manier waarop onderzoek en onderzoekers worden beoordeeld te verbeteren. DORA bevat aanbevelingen voor onderzoeksfinanciers, onderzoeksinstellingen, wetenschappelijke tijdschriften en andere partijen.

DORA richt zich op het terugdringen van het onkritisch gebruik van bibliometrische indicatoren en het wegnemen van onbewuste vooringenomenheid (unconscious bias) bij de beoordeling van onderzoek en onderzoekers. Overkoepelende filosofie van DORA is dat onderzoek moet worden beoordeeld op zijn eigen kwaliteiten en verdiensten in plaats van op basis van afgeleide indicatoren, zoals het tijdschrift waarin het onderzoek wordt gepubliceerd.

NWO gaat bij het beoordelen van het wetenschappelijk track record van aanvragers uit van een brede definitie van wetenschappelijke output.

NWO verzoekt commissieleden bij de beoordeling van aanvragen niet af te gaan op indicatoren als de Journal Impact Factor of de h-index. U mag deze niet vermelden in uw aanvraag. Wel mag u naast publicaties ook andere wetenschappelijk producten te vermelden, zoals datasets, patenten, software en code enzovoort.

Voor meer informatie over wat NWO doet om de principes van DORA te implementeren zie: DORA | NWO.

4.2 Procedure

De aanvraagprocedure bestaat uit de volgende stappen:

  • indiening van de intentieverklaring;

  • indiening van de aanvraag;

  • in behandeling nemen van de aanvraag;

  • voorselectie;

  • preadvisering beoordelingscommissie;

  • weerwoord;

  • vergadering van de beoordelingscommissie;

  • besluitvorming.

Voor deze Call for proposals wordt een externe, onafhankelijke beoordelingscommissie ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers uit de wetenschap en de praktijk met kennis van het vakgebied. De taak van de beoordelingscommissie is om de ingediende aanvragen en de daarop betrekking hebbende stukken in onderlinge samenhang en op eigen merites te beoordelen op basis van de gegeven beoordelingscriteria in deze Call for proposals.

Vanwege de in de beoordelingscommissie aanwezige expertise en beleidsgericht onderwijsonderzoek gericht specifiek voor Nederland, heeft NWO besloten om bij de beoordeling van de aanvragen gebruik te maken van de mogelijkheid gegeven in artikel 2.2.4, lid 2, van de NWO Subsidieregeling, om de beoordelingsprocedure uit te voeren zonder referenten in te schakelen.

4.2.1 Indiening van de intentieverklaring

Met een intentieverklaring geeft u aan dat u een aanvraag wilt indienen voor deze Call for proposals. Het indienen van een intentieverklaring is verplicht om in een latere fase een aanvraag in te mogen dienen. De intentieverklaring is bedoeld om NWO te informeren over het te verwachten aantal aanvragen. U moet uw intentieverklaring voor de deadline indienen via ISAAC (zie paragraaf 1.3).

Neem in de intentieverklaring ook een definitieve opgave van de namen van hoofdaanvrager en medeaanvragers op. U kunt hier niet meer van afwijken in het aanvraagformulier. U ontvangt als hoofdaanvrager een ontvangstbevestiging van de intentieverklaring.

U mag een intentieverklaring intrekken. Dit doet u via uw account in ISAAC.

4.2.2 Indiening van een aanvraag

Voor indiening van de aanvraag is een standaardformulier beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals op de NWO website. In uw aanvraag moet u zich houden aan de vragen die in dit formulier staan en aan de werkwijze die in de toelichting staat. Ook moet u zich houden aan de voorwaarden voor het maximale aantal woorden en pagina’s.

Uw volledig ingevulde aanvraagformulier moet voor de deadline via ISAAC zijn ontvangen (zie paragraaf 1.3). Na dit tijdstip kunt u geen aanvraag meer indienen. De hoofdaanvrager ontvangt na indiening van de aanvraag een ontvangstbevestiging.

4.2.3 In behandeling nemen van de aanvraag

Zo snel mogelijk nadat u uw aanvraag heeft ingediend, hoort u of NWO uw aanvraag in behandeling neemt. NWO bepaalt dit aan de hand van een aantal administratief-technische criteria (zie de formele voorwaarden voor indiening, paragraaf 3.4). Alleen als uw aanvraag hieraan voldoet, kan NWO deze in behandeling nemen.

Houd er rekening mee dat NWO u binnen twee weken na de indieningsdeadline kan benaderen om eventuele administratieve correcties door te voeren om (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening. U krijgt één keer de gelegenheid om de correcties door te voeren, hiervoor krijgt u vijf werkdagen de tijd.

4.2.4 Voorselectie

Indien NWO dusdanig veel aanvragen heeft ontvangen dat het totaal aangevraagde subsidiebedrag vier maal groter is dan het subsidieplafond voor deze Call for proposals (zoals vermeld in paragraaf 1.2), kan een voorselectie van de aanvragen plaatsvinden. De beoordelingscommissie beoordeelt dan alle aanvragen globaal aan de hand van de beoordelingscriteria (zie 4.3.1). U krijgt vervolgens vijf werkdagen de gelegenheid om te reageren op het voorlopig oordeel van de beoordelingscommissie. Met inachtneming hiervan adviseert de beoordelingscommissie NWO om de minst kansrijke aanvragen af te wijzen. De overige aanvragen worden verder in behandeling genomen.

4.2.5 Preadvisering beoordelingscommissie

Hierna wordt uw aanvraag voor commentaar voorgelegd aan enkele leden van de beoordelingscommissie (de preadviseurs). De preadviseurs geven schriftelijk een inhoudelijk en beargumenteerd commentaar op de aanvraag. Zij formuleren dit commentaar aan de hand van de inhoudelijke beoordelingscriteria (zie paragraaf 4.3.1) en geven de aanvraag per beoordelingscriterium een cijfermatige score. Hierbij wordt de NWO scoretabel gehanteerd (op een schaal van 1 tot 9, waarbij ‘1’ excellent is en ‘9’ ontoereikend).

4.2.6 Weerwoord

De hoofdaanvrager ontvangt geanonimiseerde pre-adviezen. U heeft daarna de gelegenheid om een weerwoord te formuleren. U krijgt vijf werkdagen de tijd om uw weerwoord via ISAAC in te dienen. Mocht u besluiten de aanvraag in te trekken, dan dient u dit zo snel mogelijk per e-mail aan het bureau te melden en de aanvraag in ISAAC in te trekken. Indien NWO uw weerwoord na de deadline ontvangt, wordt het niet meegenomen in de verdere procedure.

4.2.7 Vergadering van de beoordelingscommissie

De beoordelingscommissie maakt op basis van het beschikbare materiaal een eigen afweging. Hierbij geldt dat de pre-adviezen in belangrijke mate richtinggevend zijn voor de uiteindelijke beoordeling, maar niet per se onverkort worden overgenomen door de beoordelingscommissie. De commissie weegt de argumenten van de pre-adviseurs (ook onderling) en bekijkt of in het weerwoord een goede reactie is geformuleerd op de kritische opmerkingen uit de pre-adviezen.

De commissie stelt naar aanleiding van de bespreking een schriftelijk advies op aan de pcAbOA over de kwaliteit en prioritering van de aanvragen. Dit advies baseert zij op de beoordelingscriteria. De aanvraag als geheel moet ten minste de kwalificatie ‘goed’ krijgen om in aanmerking te komen voor de subsidie. Daarnaast moet de aanvraag tevens op elk van de afzonderlijke beoordelingscriteria tenminste de kwalificatie ‘goed’ krijgen.

Voor meer informatie over de kwalificaties zie NWO | Financiering aanvragen, hoe werkt dat?.

Als na de bespreking van de aanvragen blijkt dat twee of meer aanvragen op basis van hun gewogen totaalscore niet van elkaar te onderscheiden zijn, dan is er sprake van een ex aequo-situatie (zie paragraaf over ex aequo).

4.2.8 Ex aequo

Onder ex aequo verstaat NWO de situatie waarin twee of meer aanvragen op basis van hun gewogen score niet van elkaar te onderscheiden zijn. Een ex aequo situatie is relevant rondom de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens. Of er sprake is van een ex aequo situatie wordt als volgt bepaald. Het uitgangspunt is de door de beoordelingscommissie opgestelde prioritering, met eindscores afgerond op 2 decimalen. De referentiescore is de score van de laagst geprioriteerde aanvraag binnen de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens. Alle aanvragen met een score die 0,05 of minder van de referentiescore afliggen, worden in overweging genomen. Zo worden de aanvragen geselecteerd die binnen 0,1 gelijk zijn. Indien een ex aequo situatie zich voordoet op de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens, dan zal met de hoogste score op het criterium ‘wetenschappelijke kwaliteit’ als hoogste eindigen. Als de ex aequo situatie daarmee niet wordt doorbroken, zal de aanvraag met de hoogste score op het criterium ‘beleidsmatige betekenis en praktijkrelevantie’ als hoogste eindigen. Als ook dan aanvragen gelijk eindigen bepaalt de beoordelingscommissie met behulp van een (anonieme) meerderheidsstemming de prioritering (conform artikel 2.2.7, derde lid, sub a, onderdeel iv van de NWO Subsidieregeling). Als ook stemming geen uitsluitsel biedt, of niet gewenst is, wordt de ex aequo situatie doorgestuurd naar het besluitnemend orgaan.

4.2.9 Besluitvorming

Tot slot toetst de programmacommissie Aansluiting (beroeps) Onderwijs en Arbeidsmarkt (pcAbOA) de gevolgde procedure en het advies van de beoordelingscommissie. Vervolgens stelt zij de definitieve kwalificaties vast en besluit over toe- en afwijzing van de aanvragen.

4.2.10 Tijdpad

Hieronder treft u het tijdpad aan voor deze Call for proposals. Het kan zijn dat NWO het noodzakelijk acht om tijdens de lopende procedure nog aanpassingen in het tijdpad van deze Call for proposals aan te brengen. Uiteraard ontvangt u hierover op tijd bericht.

Intentieverklaringen

10 juni 2025

Deadline intentieverklaringen

Verzoek toetsing organisatie (indien van toepassing):

14 oktober 2025

Deadline verzoek toetsing organisatie

Aanvragen

28 oktober 2025

Deadline aanvragen

Eind november 2025

Raadplegen preadviseurs

In de week van 5 januari 2026

Aanvragers kunnen een weerwoord indienen

Eind januari / begin februari 2026

Vergadering beoordelingscommissie

Eind maart 2026

Besluit besluitnemend orgaan

4.3 Criteria

4.3.1 Inhoudelijke beoordelingscriteria

De aanvragen die binnen deze Call for proposals worden ingediend worden inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

  • 1. Relevantie voor onderwijsbeleid en/of -praktijk (35%)

  • 2. wetenschappelijke kwaliteit (35%)

  • 3. kwaliteit projectplan en consortium (30%)

De criteria bevatten de volgende onderliggende onderdelen.

  • 1. Relevantie voor onderwijsbeleid en/of -praktijk (35%)

    • a. Past het voorgestelde onderzoek binnen het in paragraaf 2.1 beschreven kader en het gekozen thema?

    • b. In hoeverre is de beleidsmatige betekenis van het onderzoek helder en overtuigend? Wordt gezocht naar een oplossing, een nieuwe visie of zinvolle aanbevelingen?

    • c. Speelt het onderzoek in op vragen en problemen waarmee professionals zich in het beleid en in de praktijk geconfronteerd zien?

    • d. In hoeverre worden de stakeholders van het onderzoek (onderwijspraktijk- en/of onderwijsbeleidsprofessionals) aantoonbaar betrokken in het gehele proces van vraagarticulatie tot en met de activiteiten om de beoogde bruikbare kennis voor beleid te bereiken? Is er interactie tussen wetenschap en beleid om tot bruikbare kennis voor beleid en praktijk te komen?

    • e. In hoeverre is de bruikbaarheid van de opbrengsten voor het beleid van andere onderwijsinstellingen duidelijk omschreven?

    • f. In hoeverre is overtuigend beschreven hoe de resultaten en inzichten uit het onderzoek bijdragen aan de beoogde bruikbare kennis voor beleid en is er een passend kennisdelingsplan (de plannen voor verspreiding van de (tussentijdse) resultaten) voor onderwijsbeleidsprofessionals?

  • 2. Wetenschappelijke kwaliteit (35%)

    • a. In hoeverre zijn de centrale probleemstelling en de onderzoeksvragen helder beschreven en afgebakend?

    • b. In hoeverre is de aansluiting op bestaande (ook beleidsspecifieke) kennis en theorieën helder en draagt het onderzoek bij aan de wetenschappelijke kennisbasis?

    • c. In hoeverre zijn de voorgestelde methoden, meetinstrumenten en technieken betrouwbaar, valide en geschikt om de onderzoeksvragen te beantwoorden?

    • d. Is er een analyse van risicofactoren en een plan van aanpak hoe deze voldoende te adresseren?

  • 3. Kwaliteit projectplan en consortium (30%)

    • a. In hoeverre is het projectplan, waaronder de beschreven activiteiten, gehanteerde methodes, planning en begroting, helder omschreven, haalbaar en passend bij de beoogde opbrengsten?

    • b. Maakt het projectplan, waaronder de planning en risicoanalyse, de haalbaarheid van het onderzoek op overtuigende wijze aannemelijk?

    • c. Zijn de aanvragers deskundig op het desbetreffende terrein, mede blijkend uit publicaties, presentaties en kennisbenuttingsprestaties? (Voor de beoordeling van publicaties wordt o.a. gebruik gemaakt van het Onderzoek publicatieculturen Sociale en Geesteswetenschappen. De Journal Impact Factor en H-index mogen niet als indicator worden meegenomen conform de DORA-verklaring)

    • d. In hoeverre vullen de expertises van de aanvragers en samenwerkingspartners elkaar aan en wordt duidelijk wat de (individuele) taak- en rolverdeling is binnen het consortium bij de uitvoering van het onderzoek?

    • e. Is de bijdrage van de hoofdaanvrager voldoende substantieel (in tijd) om de kwaliteit van het onderzoek en de beleidsrelevantie van het onderzoek te waarborgen?

De aanvraag als geheel moet ten minste de kwalificatie ‘goed’ krijgen om in aanmerking te komen voor de subsidie. Daarnaast moet de aanvraag tevens op elk van de afzonderlijke beoordelingscriteria tenminste de kwalificatie ‘goed’ krijgen.

5 Subsidieverplichtingen

In dit hoofdstuk worden de verschillende subsidieverplichtingen toegelicht die – in aanvulling op de in paragraaf 3.5 genoemde subsidievoorwaarden – van toepassing zijn na toewijzing.

5.1.1 Start project

Uiterste startdatum

Een toegekend project moet uiterlijk zes maanden na de toewijzing starten. Als het project te laat start dan kan het NRO het toewijzingsbesluit intrekken.

Voor de start van het project dient u een volledig ingevuld en ondertekend startformulier in via ISAAC. Daarnaast registreert u iedere aanstelling van een promovendus of postdoc via ISAAC voor de aanstellingsduur op het project.

5.1.2 Voortgang project

Tussentijdse wijzigingen melden

U bent als hoofdaanvrager verplicht om wijzigingen in de planning of uitvoering van het onderzoek onmiddellijk te melden. In die melding geeft u het NRO een beargumenteerde motivatie voor de wijzigingen.

Monitoring voortgang

Halverwege de looptijd van het onderzoek moet de hoofdaanvrager verslag doen van het tot dan toe uitgevoerde onderzoek. Daarbij dient u aan te geven hoe het onderzoek in de resterende looptijd wordt uitgevoerd. Mocht het verslag daartoe aanleiding geven kan een voortgangsgesprek worden georganiseerd.

Het NRO volgt en ondersteunt de voortgang en evalueert de resultaten van het onderzoek. Hierbij wordt uitgegaan van de planning en beoogde opbrengsten zoals vermeld in uw aanvraag. Een aanzienlijke afwijking op de aanvraag, zonder voorafgaande instemming van het NRO, kan ertoe leiden dat het NRO de betaling van tranches (tijdelijk) stop zet, en de subsidie gedeeltelijk of geheel intrekt, en waar nodig terugvordert.

Daarnaast vraagt het NRO u gedurende de looptijd, en tot twee jaar na de looptijd van het project, iedere publicatie of andere vorm van output te registreren in ISAAC. U volgt hierbij het Standaard Evaluatie Protocol (SEP). Op www.isaac.nwo.nl vindt u een uitgebreide beschrijving van welke stappen u doorloopt om producten in ISAAC te registreren.

Kennisbenutting

Voor NRO is het van belang dat de gegenereerde kennis voortkomend uit door NRO gefinancierd onderzoek ook zijn weg vindt naar de maatschappij. Om de potentie voor maatschappelijke impact van het onderzoek te vergroten is aantoonbare betrokkenheid nodig van belangrijke gebruikers vanaf de vorming van het consortium tot en met afronding van het project.

Gedurende de uitvoering van het onderzoek vraagt het NRO consortia te reflecteren op de impact van het onderzoek en na te denken op welke manier informatie uit het onderzoek benut, verspreid en geborgd kan worden onder eindgebruikers en andere belanghebbenden. Dit komt terug in het monitoren van de voortgang van het onderzoek.

Onderwijskennis

In het kader van kennisdisseminatie en kennisbenutting kunnen uitvoerders gedurende de looptijd van het onderzoek uitgenodigd worden om in relatie tot het thema van de aanvraag een bijdrage te leveren aan een themapagina op het nationale kennisknooppunt Onderwijskennis.nl. Dit platform wordt mogelijk gemaakt door NRO en toont wetenschappelijk onderbouwde bronnen van diverse partners met als doel het toegankelijk maken van kennis en het verbinden van onderwijsonderzoek met de onderwijspraktijk en onderwijsbeleid. De website biedt thematische pagina’s over relevante onderwijsthema’s, met onder andere thematische overzichten, praktische handvatten en verdiepende bronnen.

Een bijdrage kan gevraagd worden in de vorm van het aanleveren van een geschikte bron, maar ook in de vorm van het reviewen van een thematisch overzicht of van reeds geselecteerde bronnen over het onderzoeksthema van de aanvraag. Een bijdrage is mogelijk ongeacht de onderwijssector of het perspectief van het onderzoek. Indien een bijdrage aan Onderwijskennis gewenst is, neemt het NRO contact op met de projectleider. U kunt ook contact opnemen via de contactpagina op Onderwijskennis.nl indien u zelf een bijdrage wilt leveren.

Presentatie projecten

Het NRO belegt regelmatig bijeenkomsten waar onderzoeken die zijn gehonoreerd gepresenteerd worden. Daarmee beoogt het NRO, conform zijn missie, bij te dragen aan het verbeteren en vernieuwen van het onderwijs. Het NRO kan uitvoerders van dit project uitnodigen om aan de bijeenkomsten een bijdrage te leveren. Daarnaast wordt van de uitvoerders gevraagd om hun onderzoek te presenteren op andere bijeenkomsten in relatie tot de thema’s van deze Call for proposals.

5.1.3 Afronding project

Eindrapport, Factsheet en Procesverslag

Twee maanden voor de einddatum van het project verwacht de Programmacommissie een digitale conceptversie van het eindrapport, een factsheet plus een procesverslag. In de factsheet staan puntsgewijs de kenmerken van de publicatie beknopt beschreven. Deze informatie helpt de gebruiker van kennis te bepalen of de publicatie past bij de informatiebehoefte.

De Programmacommissie beoordeelt het concepteindrapport en de factsheet op zichzelf, maar ook tegen de achtergrond van de oorspronkelijke aanvraag en het procesverslag. Binnen dertig dagen ontvangt de hoofdaanvrager een reactie van de Programmacommissie in de vorm van een goed- of afkeuring van de conceptversie en inhoudelijk commentaar. Indien:

  • het rapport wordt afgekeurd, dient de onderzoeker het rapport aan te passen op grond van het commentaar totdat het wordt goedgekeurd door de programmaraad;

  • het rapport is goedgekeurd, verwerkt de onderzoeker het (laatste) commentaar in het rapport waarna de definitieve versie binnen de gestelde termijn wordt ingediend via ISAAC.

Het eindrapport moet de volgende onderdelen bevatten:

  • de methodologische en wetenschappelijke verantwoording van de gebruikte procedure. Deze informatie moet helder en toegankelijk worden weergegeven;

  • een leesbare Nederlandse samenvatting/managementsamenvatting van de belangrijkste resultaten van maximaal twee pagina’s, bij voorkeur voorin het rapport;

  • een beschrijving van de opzet van het onderzoek;

  • de opzet en uitvoering van het veldwerk en de dataverzameling (incl. een beschrijving en verantwoording van de kwaliteit van het databestand);

  • een beschrijving en verantwoording van het gebruikte instrumentarium (incl. gegevens als schaling (indien van toepassing), betrouwbaarheid en validiteit van de gehanteerde instrumenten);

  • de resultaten van de analyses ter beantwoording van de onderzoeksvragen.

Tevens gelden de volgende uitgangspunten:

  • De publicatie is gericht op een breed publiek waaronder in ieder geval professionals uit de onderwijspraktijk, wetenschappelijke onderzoekers en beleidmakers.

  • Het eindrapport wordt in het Nederlands opgesteld.

  • De tekst moet overzichtelijk zijn, de lezer moet zich snel een beeld kunnen vormen van de inhoud en de relevantie voor zijn of haar eigen praktijk.

Financiële verantwoording

Uiterlijk binnen drie maanden na afronding van het onderzoek dient de hoofdaanvrager een financiële verantwoording in. Let op: Indien de instelling van de hoofdaanvrager geen onderwijsinstelling is en het Onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ dus niet van toepassing is, moet tevens een accountantsverklaring worden ingediend.

Daarnaast registreert u afzonderlijk in ISAAC het definitieve eindrapport en alle overige tot dan toe in het project gerealiseerde output. Vervolgens sluit het NRO de subsidieperiode af en stelt de definitieve subsidie vast.

Publicatie NRO website

Nadat uw project succesvol is afgerond publiceert het NRO het definitieve eindrapport plus de factsheet op de website. Houdt u er rekening mee dat dit gevolgen kan hebben voor het publiceren van verdere (wetenschappelijk) publicaties voortkomend uit dit onderzoek.

DANS

Alle producten en tussenproducten moet u binnen drie maanden na publicatie van een rapport uploaden in DANS Data Stations. Dit is het online archiveringssysteem van Data Archiving and Networked Services (DANS) van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (KNAW, i.c. Data Stations - DANS (knaw.nl). Het gaat hier met name om de databestanden met onderzoeksgegevens die zich lenen voor meervoudig gebruik. Uiteraard moet u ervoor zorgen dat de bestanden geen vertrouwelijke gegevens en gerubriceerde gegevens bevatten. Ook schrapt u de gegevens waarvan op grond van de wet- en regelgeving het openbaar maken achterwege moet blijven. U moet bij het aanbieden van de databestanden het unieke OND-nummer vermelden. Ook moeten de databestanden voldoen aan de richtlijnen van DANS. Na opname van de databestanden in een van de vier domeinspecifieke DANS Data Stations kent DANS een Persistent Identifier toe aan het databestand.

NCO

Omvangrijke landelijk representatieve databestanden moet u mogelijk ter beschikking stellen aan het CBS. Daarmee is een verbinding mogelijk met het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO), dat gefinancierd wordt door het NRO. De NCO-coördinatoren adviseren over de wenselijkheid hiervan bij de start van het project. Als het bestand integraal onderdeel wordt van het NCO dan ontvangt u instructies en handleidingen over de voorwaarden waaraan de dataverzameling moet voldoen en hoe u de respondenten informeert.

5.1.4 Datamanagement

Na toewijzing van een aanvraag dient de aanvrager de datamanagementparagraaf uit te werken tot een datamanagementplan. Aanvragers kunnen hierbij gebruik maken van het advies van de commissie. De aanvrager beschrijft in het plan of gebruik gemaakt wordt van bestaande data of dat het om een nieuwe dataverzameling gaat en hoe de dataverzameling dan FAIR: vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar gemaakt wordt. Het datamanagementplan dient voor indiening te zijn afgestemd met een data steward of vergelijkbare functionaris van de onderzoeksorganisatie waar het project wordt uitgevoerd. NWO beoordeelt het plan zo snel mogelijk. Goedkeuring van het datamanagementplan door NWO is voorwaarde voor de subsidieverlening. Het plan kan tijdens het onderzoek worden bijgesteld.

Meer informatie over het datamanagementprotocol van NWO staat op: Research datamanagement | .

5.1.5 Maatschappelijk verantwoord licentiëren

Uit het project kan kennis voortkomen die geschikt is voor toepassing in de maatschappij. Bij het aangaan van afspraken over licentie- en/of overdracht van onder deze Call for proposals ontwikkelde onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden met de tien principes voor maatschappelijk verantwoord licentiëren, zoals opgenomen in het NFU rapport “NFU-19.3793 Maatschappelijk Verantwoord Licenseren CMYK 7.indd”.

5.1.6 Open Access

NWO heeft de Berlin Declaration (2003) ondertekend en is lid van cOAlitie S (2018) en zet zich in om de resultaten van wetenschappelijk onderzoek dat door NWO gefinancierd wordt vrij toegankelijk te maken via internet (Open Access). Daarmee geeft NWO invulling aan het beleid van de Nederlandse regering om al het publiek gefinancierde onderzoek Open Access beschikbaar te maken.

Wetenschappelijke publicaties van onderzoek dat is gefinancierd op basis van toewijzingen voortvloeiend uit deze Call for proposals dienen daarom Open Access beschikbaar te zijn volgens de Beleidsregel Open Access.

Wetenschappelijke artikelen

Voor wetenschappelijke artikelen geldt dat zij direct op het moment van publicatie (zonder embargo) Open Access beschikbaar gesteld moeten worden via één van de volgende routes:

  • publicatie in een volledig open access tijdschrift of platform dat is geregistreerd in de DOAJ;

  • publicatie in een abonnementstijdschrift en het deponeren van tenminste de auteursversie van het artikel in een Open Access repository die is geregistreerd in OpenDOAR;

  • publicatie in een tijdschrift waarvoor een transformatieve Open Access overeenkomst beschikbaar is tussen de UNL en een uitgever. Zie daarover: Open Access |.

Boeken

Voor boeken, boekhoofdstukken en bundels gelden afwijkende voorwaarden. Zie daarover de Beleidsregel Open Access op Open Science | NWO.

Overige typen publicaties

NWO moedigt aan dat ook niet-wetenschappelijke publicaties zo vroeg mogelijk en onder een open licentie open access beschikbaar gesteld worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om rapporten, working papers, posters, protocollen, prototypen, presentaties en projectwebsites. Om de vindbaarheid, hergebruik en langdurige beschikbaarheid te garanderen, is het advies:

  • een DOI (Digital Object Identifier) of andere persistent identifier toe te passen;

  • een open licentie, bij voorkeur een Creative Commens Licentie, te hanteren;

  • het materiaal in een trusted repository op te slaan die langdurige toegankelijkheid garandeert.

NWO adviseert om gebruik te maken van Zenodo dat gratis opslag en geautomatiseerde diensten aanbiedt op deze drie terreinen.

CC BY licentie

Met het oog op een optimale verspreiding van publicaties moet tenminste een Creative Commons (CC BY) licentie worden toegepast. Bij de aanwezigheid van zwaarwegende belangen kan de auteur verzoeken om te publiceren onder toepassing van een CC BY-ND licentie. Voor boeken, bundels en boekhoofdstukken staat de keuze van een CC BY licentie vrij.

Kosten

Eventuele kosten voor publiceren in volledig Open Access tijdschriften kunnen worden begroot in de projectbegroting door gebruikmaking van de budgetmodule ‘materieel’. Kosten voor publicaties in hybride tijdschriften komen niet in aanmerking voor vergoeding door NWO. Voor Open Access boeken kan een beroep gedaan worden op het aparte NWO Open Access boekenfonds.

Voor een nadere toelichting op het Open Access beleid van NWO zie: Open Science | NWO.

6 Contact en overige informatie

6.1 Contact

6.1.1 Inhoudelijke vragen

Voor inhoudelijke vragen over deze Call for proposals neemt u contact op met:

Drs. Marloes Kerpershoek-Keijzer

Tel: 070 344 4690

Simone Penders MSc.

Tel: 070 344 4690

Email: pcaboa@nro.nl

6.1.2 Technische vragen over het elektronisch aanvraagsysteem ISAAC

Bij technische vragen over het gebruik van ISAAC kunt u contact opnemen met de ISAAC-helpdesk. Raadpleeg eerst de handleiding voordat u de helpdesk om advies vraagt. De ISAAC-helpdesk is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 10.00 tot 17.00 uur op telefoonnummer +31 (0) 70 34 40 600. U kunt uw vraag ook per e-mail stellen via isaac.helpdesk@nwo.nl. U ontvangt dan binnen twee werkdagen een reactie.

6.2 Overige informatie

NWO verwerkt persoonsgegevens die zij in het kader van deze ronde ontvangt conform de NWO privacyverklaring, Privacyverklaring | NWO.

NWO kan aanvragers mogelijk benaderen voor een evaluatie van de procedure en/of het onderzoeksprogramma.

7 Bijlagen

7.1 Budgetmodules en tarieven

7.1.1 Personeel

Promovendus

Een promovendus wordt 48 maanden voor 1,0 fte aangesteld bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden of een umc. Indien een project korter duurt dan 48 maanden, is het noodzakelijk dat de decaan of instituutsdirecteur schriftelijk toezegt om het resterende deel van het promotietraject te financieren. Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een promovendus die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.

Gebruik de tarieven van een promovendus in de salaristabellen van UNL en NFU. Voor iedere promovendus is een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière

Postdoc

Een postdoc wordt aangesteld bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, een umc of onderzoeksorganisatie zoals genoemd in paragraaf 3.1. Gebruik de tarieven van een senior wetenschappelijk medewerker in de salaristabellen van UNL, en de tarieven van een postdoc bij een umc in de salaristabellen van NFU. Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een postdoc die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.

Alleen een postdoc positie met een aanstelling van ten minste 12 maanden voor 0,5 fte kwalificeert als een aanstelling waarvoor een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar staat ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.

Niet-wetenschappelijk personeel

Financiering kan worden aangevraagd voor niet-wetenschappelijk personeel (NWP) dat nodig is voor de uitvoering van het project. Het kan bijvoorbeeld gaan om programmeurs, technisch assistenten, analisten of projectleiders. De inzet van NWP moet worden beschreven in de aanvraag.

De duur van de aanstelling is niet langer dan de looptijd van het door NWO gefinancierde project. Afhankelijk van het functieniveau wordt gekozen uit de salaristabellen van het UNL of NFU voor NWP- mbo, NWP-hbo en NWP-academisch. Voor NWP is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.

Universitair (hoofd)docenten, hoogleraren en junior onderzoekers/onderzoeksassistentie

Financiering kan worden aangevraagd voor loonkosten van universitair (hoofd)docenten, hoogleraren en junior onderzoekers/onderzoeksassistentie bij universiteiten en umc’s. Begeleiding van een promovendus of postdoc komt niet in aanmerking voor financiering.

Gebruik de tarieven volgens de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2.1 gemiddelde directe loonkosten per salarisschaal, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. De salarisschaal bepaalthet tarief. Voor hoogleraren geldt maximaal schaal 17.

Voor universitair (hoofd)docenten, hoogleraren en junior onderzoekers (m.u.v. promovendi) is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.

Personeel van hogescholen, onderwijsinstellingen en overige (onderzoeks)organisaties

Financiering kan worden aangevraagd voor personeel van hogescholen, overige onderwijsinstellingen en overige (onderzoeks)organisaties. De tarieven worden bepaald aan de hand van de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2.2 gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. De te verwachten werkelijke loonkosten per mensjaar van de aangevraagde functie bepaalt de schaal/het tarief uit de HOT-tabel. Deze loonkosten bevatten alleen de directe werkgeverslasten inclusief het in de HOT-tabel opgenomen vaste bedrag voor overhead, en mag geen overige opslagen bevatten als bijvoorbeeld een winstopslag.

Studenten

In het onderzoek kunnen studenten worden ingezet. Indien de studenten bijdragen als onderdeel van hun curriculum, geldt het tarief volgens de gebruikelijke stagevergoeding van de universiteit, hogeschool of mbo instelling.

Indien de studenten als bijbaan naast hun studie als student-assistent bijdragen, geldt maximaal het tarief volgens HOT-tabel 2 schaal 1.

Materieel

Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke kosten met betrekking tot onder meer verbruiksgoederen, inkoop van diensten, personele inzet en/of onderzoekskosten vanuit samenwerkingspartners, inhuur van derden, materialen, kleine instrumenten, toegang tot (inter)nationale faciliteiten, software en onderzoeksmiddelen die na gebruik geen economische waarde meer hebben. Reis- en verblijfkosten (nationaal en internationaal) voor alle mensen die aan het project werken incl. buitenlandse gastonderzoekers, kosten voor de organisatie van (internationale) workshops en symposia, kosten voor datamanagement, publicaties, en kosten in het kader van citizen science vallen eveneens onder deze module.

Reiskosten (nationaal en internationaal) worden alleen vergoed op basis van tweede klasse/economy class tarieven. Voor publicaties gelden de bepalingen in de paragraaf 4.5 Open access. Kosten voor een controleverklaring kunnen alleen worden opgevoerd voor instellingen die niet onderworpen zijn aan het onderwijsaccountantsprotocol van OCW voor maximaal € 5.000 per controleverklaring.

Het is niet toegestaan om kosten op te voeren voor:

  • organisatie-infrastructuur en overhead, waaronder een volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR-advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening en thuiswerkvergoeding;

  • het gebruik en onderhoud van in eigen beheer ontwikkelde wetenschappelijke infrastructuur;

  • reguliere onderwijsactiviteiten.

Indien het maximum aan te vragen bedrag (zie paragraaf 3.2.2) niet toereikend is voor het uitvoeren van het onderzoek, kan, mits goed gemotiveerd in de aanvraag, daarvan afgeweken worden.

7.1.2 Kennisbenutting

Het aangevraagde budget dient in de aanvraag adequaat gespecificeerd te worden. Gebruik voor de bepaling van de tarieven de bepalingen van Personeel en Materieel.

Impact Plan-benadering

Het is verplicht om bij het opstellen van een aanvraag gebruik te maken van deze module en minimaal 5%, en maximaal 20% van het subsidiebedrag in te zetten.

In de projectbegroting staan binnen deze module in ieder geval kosten voor de volgende activiteiten:

  • Specifieke activiteiten om kennisbenutting naar (intermediaire) partijen die niet in het project gefinancierd worden, zoals bijvoorbeeld kennisplatforms, te bevorderen. Deze activiteiten omvatten onder andere gezamenlijke leeractiviteiten, trainingen en communicatie-activiteiten.

  • Belanghebbenden (‘stakeholders’) betrekken: activiteiten georganiseerd door het consortium gericht op het betrekken van stakeholders, zoals consultatie workshops, expert meetings, ronde tafel bijeenkomsten e.d.

  • Communicatie: activiteiten georganiseerd door het consortium zoals (internationale) learning events, ontwikkeling van video’s, blogs, nieuwsbrieven en andere media uitingen. Het inhuren van communicatie expertise kan hier ook onder vallen.

  • Ontwikkeling van vaardigheden: Activiteiten gericht op het ontwikkelen van vaardigheden die verder gaan dan de niveaus van de individuele studenten, promovendi of postdocs, zoals het ontwikkelen van cursussen voor stakeholders of masterstudenten.

  • Monitoring en evaluatiemomenten waarin kennisbenutting onderwerp van discussie is: zoals bijvoorbeeld de tussentijdse evaluaties en de bijeenkomsten van commissies.

7.2 Indexering

Het tarief op het moment van de besluitdatum is van toepassing. NWO past bij de toekenning zo nodig eenmalig ambtshalve een indexering toe van de loonkosten. Hierbij wordt de datum gehanteerd dat de tarieven ingaan. Indien de datum van bekendmaking van de tarieven later is dan de ingangsdatum, wordt de datum van bekendmaking gehanteerd. De tarieven van de Universiteiten van Nederland (UNL) gaan doorgaans in op 1 juli, van de Nederlandse Federatie van Universitair medische centra (NFU) op 1 augustus en van de Handleiding Overheidstarieven (HOT) op 1 januari.

Ambtshalve indexering heeft geen invloed op het subsidieplafond en het maximaal aan te vragen subsidiebedrag. Het subsidieplafond en het maximaal aan te vragen subsidiebedrag blijven ongewijzigd tijdens de beoordelingsprocedure. Bij toewijzing wordt indexering toegepast op het subsidiebedrag.

Indien cofinanciering is vereist dan wel toegestaan, heeft de ambtshalve indexering geen gevolgen voor de eisen aan eigen bijdragen en cofinanciering, noch voor de IE-rechten die uit de cofinanciering kunnen voortvloeien.

7.3 Bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid12 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

  • Aeres Hogeschool, uitgaande van de Stichting Aeres Groep;

  • Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, uitgaande van de Stichting Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten;

  • ArtEZ hogeschool voor de kunsten, uitgaande van de Stichting ArtEZ;

  • Avans Hogeschool, uitgaande van de Stichting Avans;

  • Breda University of Applied Sciences, uitgaande van de Stichting Breda University of Applied Sciences;

  • Christelijke Hogeschool Ede, uitgaande van de Stichting voor Christelijk Hoger Beroepsonderwijs op Gereformeerde grondslag;

  • Christelijke Hogeschool Windesheim, uitgaande van de Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim;

  • Codarts, Hogeschool voor de Kunsten, uitgaande van de Stichting Codarts, Hogeschool voor de Kunsten;

  • De Haagse Hogeschool, uitgaande van de Stichting Hoger Beroepsonderwijs Haaglanden;

  • Design Academy, uitgaande van de Stichting The Design Academy;

  • Fontys Hogescholen, uitgaande van de Stichting Fontys;

  • Hanzehogeschool Groningen, uitgaande van de Stichting Hanzehogeschool Groningen;

  • HAS Hogeschool, uitgaande van de Stichting HAS Opleidingen te ’s-Hertogenbosch;

  • Hogeschool van Amsterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Amsterdam;

  • Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Arnhem en Nijmegen;

  • Hogeschool «De Driestar», uitgaande van de Stichting voor Christelijk Hoger Onderwijs op Reformatorische grondslag «De Driestar»;

  • Hogeschool der Kunsten Den Haag, uitgaande van de Stichting Hogeschool der Kunsten Den Haag;

  • Hogeschool INHOLLAND, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Nederland;

  • Hogeschool IPABO Amsterdam/Alkmaar, uitgaande van de Stichting voor de Protestants Christelijke en de Rooms-Katholieke lerarenopleiding voor het Basisonderwijs in Noord-Holland;

  • Hogeschool Leiden, uitgaande van Stichting Hogeschool Leiden;

  • Hogeschool Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool Rotterdam;

  • Hogeschool Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Utrecht;

  • Hogeschool Viaa, uitgaande van Stichting Hogeschool Viaa;

  • Hogeschool voor Beeldende Kunst en Vormgeving, uitgaande van de Stichting Gerrit Rietveld Academie;

  • Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor de Kunsten Utrecht;

  • Hotelschool The Hague, uitgaande van de Stichting Hotelschool Den Haag;

  • HZ University of Applied Sciences, uitgaande van de Stichting HZ University of Applied Sciences;

  • Iselinge Hogeschool, uitgaande van de Stichting Iselinge Hogeschool;

  • Katholieke PABO, uitgaande van de Stichting Katholieke Opleiding tot Leraren in het Basisonderwijs;

  • Marnix Academie, uitgaande van de Stichting Protestants Christelijke Hoger Beroepsonderwijs Utrecht;

  • NHL Stenden Hogeschool, uitgaande van Stichting NHL Stenden Hogeschool;

  • Pedagogische Hogeschool de Kempel, uitgaande van de Stichting De Kempel;

  • Saxion Hogeschool, uitgaande van de Stichting Saxion;

  • Thomas More Hogeschool, uitgaande van de Stichting Thomas More Hogeschool;

  • Van Hall Larenstein, uitgaande van de Stichting Van Hall Larenstein;

  • Zuyd Hogeschool, uitgaande van de Stichting Zuyd Hogeschool.


X Noot
1

Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050, (2024). Gematigde groei – Rapport van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050, Den Haag.

X Noot
2

Bakens, J., Cörvers, F., Fouarge, D., & Levels, M. (2023). ROA Visie Talentvraag 2040. ROA Reports Vol. 2023 No. 002

X Noot
3

E.Hooge, H.Theisens, H.van der Veen & S. Waslander (2022). De regio als bestuurlijk schaalniveau. Tilburg/Den Haag: TIAS School for Business and Society, Tilburg University / De Haagse Hogeschool. https://www.nro.nl/onderzoeksprojecten/sturen-met-ruimte- regionaal-bestuur-in-het-onderwijs

X Noot
4

Hermanussen,J.,Van der Sluis, M., Wolf, M.(2024). Versterken van het bestuurlijk vermogen van mbo-instellingen voor professionalisering van onderwijsteams. ECBO.

X Noot
5

Horizontale samenwerking wordt daarbij gezien als een proces van co-creatie van publieke waarde in een netwerk dat uit meerdere organisaties bestaat. Uit: van Montfort, C., van Schoonhoven, R., de Graaf, D., & de Vijlder, F., (2022). Verduurzaming van publieke waarde door samenwerking in het MBO verduurzaming-van-publieke-waarde-door-samenwerking-in-het-mbo.pdf (nro.nl).

X Noot
6

Van Montfort, C., van Schoonhoven, R., de Graaf, D., & de Vijlder, F., (2022). Verduurzaming van publieke waarde door samenwerking in het MBO verduurzaming-van-publieke-waarde-door-samenwerking-in-het-mbo.pdf (nro.nl).

X Noot
7

Onderzoekers die aanvrager zijn beschikken ten minste over een masterdiploma of gelijkwaardige kwalificatie

X Noot
8

Een overzicht van de betreffende hogescholen staat in bijlage 7.3

X Noot
9

Dit betreft bekostigd beroepsonderwijs en bekostigd voortgezet algemeen volwassenen onderwijs. Contractonderwijs dat wordt aangeboden door de mbo instelling valt buiten de scope van deze Call for proposals.

X Noot
10

Dit betreft bekostigd beroepsonderwijs en bekostigd voortgezet algemeen volwassenen onderwijs. Contractonderwijs dat wordt aangeboden door de mbo instelling valt buiten de scope van deze Call for proposals.

X Noot
11

Alle activiteiten die worden aangevraagd onder deze budgetmodule moeten passen binnen de definitie van "Activiteiten inzake kennisoverdracht" die door de Europese Commissie wordt gehanteerd in de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2022, C 414).

X Noot
12

Staat een betreffende instelling er niet bij, neem dan contact op met de programmasecretaris via de gegevens vermeld in hoofdstuk 6.

Naar boven