Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2025, 12648 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2025, 12648 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);
Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);
Gelet op artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet;
Besluit:
De nieuwe tekst van het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 30 januari 2009, nr. DRZO 2008-001, houdende de aanwijzing van het Habitatrichtlijngebied Waddenzee, het Vogelrichtlijngebied Waddenzee en het Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38), wordt vastgesteld zoals weergegeven in de bijlage “Aanwijzingsbesluit Waddenzee” bij dit besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Namens deze,
w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk
Plaats: ’s-Gravenhage
Datum: 03 april 2025
Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, t.a.v. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. de afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE, Zwolle.
Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:
a) de naam en het adres van de indiener;
b) de dagtekening;
c) een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en
d) de gronden van bezwaar.
Meer informatie over Natura 2000 en gerelateerde onderwerpen vindt u op de website https://www.rijksoverheid.nl/natura2000. Voor vragen over Natura 2000 kunt u op werkdagen van 8.30 uur tot 16.30 uur contact opnemen met het klantcontactcentrum van RVO, telefoon 088 - 042 42 42 (lokaal tarief).
Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Waddenzee.
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire habitattypen aangeduid met een sterretje (*)):
H1110 | Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken |
H1130 | Estuaria |
H1140 | Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten |
H1310 | Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende soorten |
H1320 | Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae) |
H1330 | Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) |
H2110 | Embryonale wandelende duinen |
H2120 | Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”) |
H2130 | *Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”) |
H2160 | Duinen met Hippophaërhamnoides |
H2170 | Duinen met Salix repens ssp. argentea (Salicion arenariae) |
H2190 | Vochtige duinvalleien |
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire soorten aangeduid met een sterretje (*)):
H1014 | Nauwe korfslak (Vertigo angustior) |
H1095 | Zeeprik (Petromyzon marinus) |
H1099 | Rivierprik (Lampetra fluviatilis) |
H1103 | Fint (Alosa fallax) |
H1340 | *Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola) |
H1351 | Bruinvis (Phocoena phocoena) |
H1364 | Grijze zeehond (Halichoerus grypus) |
H1365 | Gewone zeehond (Phoca vitulina) |
H1903 | Groenknolorchis (Liparis loeselii) |
Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU L 20)1 wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Waddenzee.
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2009/147/EG:
A034 | Lepelaar (Platalea leucorodia) |
A037 | Kleine Zwaan (Cygnus columbianus) |
A045 | Brandgans (Branta leucopsis) |
A081 | Bruine kiekendief (Circus aeruginosus) |
A082 | Blauwe kiekendief (Circus cyaneus) |
A103 | Slechtvalk (Falco peregrinus) |
A132 | Kluut (Recurvirostra avosetta) |
A138 | Strandplevier (Charadrius alexandrinus) |
A140 | Goudplevier (Pluvialis apricaria) |
A157 | Rosse grotto (Limosa lapponica) |
A191 | Grote stern (Sterna sandvicensis) |
A193 | Visdief (Sterna hirundo) |
A194 | Noordse stern (Sterna paradisaea) |
A195 | Dwergstern (Sterna albifrons) |
A197 | Zwarte stern (Chlidonias niger) |
A222 | Velduil (Asio flammeus) |
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG:
A005 | Fuut (Podiceps cristatus) |
A017 | Aalscholver (Phalacrocorax carbo) |
A039 | Toendrarietgans (Anser serrirostris) |
A043 | Grauwe gans (Anser anser) |
A046 | Rotgans (Branta bernicla) |
A048 | Bergeend (Tadorna tadorna) |
A050 | Smient (Anas Penelope) |
A051 | Krakeend (Anas strepera) |
A052 | Wintertaling (Anas crecca) |
A053 | Wilde eend (Anas platyrhynchos) |
A054 | Pijlstaart (Anas acuta) |
A056 | Slobeend (Anas clypeata) |
A062 | Topper (Aythya marila) |
A063 | Eider (Somateria mollissima) |
A067 | Brilduiker (Bucephala clangula) |
A069 | Middelste zaagbek (Mergus serrator) |
A070 | Grote zaagbek (Mergus merganser) |
A130 | Scholekster (Haematopus ostralegus) |
A137 | Bontbekplevier (Charadrius hiaticula) |
A141 | Zilverplevier (Pluvialis squatarola) |
A142 | Kievit (Vanellus vanellus) |
A143 | Kanoet (Calidris canutus) |
A144 | Drieteenstrandloper (Calidris alba) |
A147 | Krombekstrandloper (Calidris ferruginea) |
A149 | Bonte strandloper (Calidris alpina) |
A156 | Grutto (Limosa limosa) |
A160 | Wulp (Numenius arquata) |
A161 | Zwarte ruiter (Tringa erythropus) |
A162 | Tureluur (Tringa totanus) |
A164 | Groenpootruiter (Tringa nebularia) |
A169 | Steenloper (Arenaria interpres) |
A183 | Kleine mantelmeeuw (Larus fuscus) |
Deze aanwijzing gaat vergezeld van een nota van toelichting met bijlagen, die integraal deel uitmaakt van deze aanwijzing.
De in de artikelen 1 en 2 genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Waddenzee.
Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting wordt afgeweken. Hiervoor gelden de peildata, genoemd in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:
bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond;
gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
erven: onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terreinen;
tuinen: in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terreinen, beplant met siergewassen en gazons, of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving en veelal, omheind zijn door middel van een afrastering, schutting, muur of haag of geheel of gedeeltelijk zijn omgeven door een sloot;
verhardingen: kunstmatige verhardingen zoals verharde wegen, pleinen, parkeervoorzieningen, erfverhardingen en steenglooiingen met inbegrip van in wegen liggende bruggen en duikers en de tot wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
hoofdspoorweg: op grond van artikel 2 van de spoorwegwet als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg. Voor de begrenzing langs hoofdspoorwegen geldt artikel 3.5 van het omgevingsbesluit (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur).
De instandhoudingsdoelstellingen van de natuurlijke habitattypen, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.3 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.4 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor niet-broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.6 van de nota van toelichting.
Het gebied Waddenzee is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna Habitatrichtlijn) en als speciale beschermingszone in het kader van Richtlijn 2009/147/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna Vogelrichtlijn). Tezamen vormen deze speciale beschermingszones het Natura 2000-gebied Waddenzee. Het besluit bevat de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.
Artikel 1 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Habitatrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.
Artikel 2 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Vogelrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.
Artikel 3 van het besluit introduceert de nota van toelichting en benadrukt dat het besluit niet te lezen is zonder de nota van toelichting. Daarnaast wordt in dit deel van het besluit het Natura 2000-gebied Waddenzee gevormd uit het Habitatrichtlijngebied en het Vogelrichtlijngebied.
Artikel 4 van het besluit regelt de uitgezonderde delen van de in artikel 1 en artikel 2 aangewezen gebieden.
Artikel 5 en artikel 6 van het besluit bepalen dat er voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen verwezenlijkt dienen te worden. De doelstelling van artikel 5 heeft betrekking op de in artikel 1 opgesomde soorten en habitattypen. De soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden in 2003. De doelstelling van artikel 6 heeft betrekking op de in artikel 2 opgesomde vogelsoorten. De vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden in 2000.
In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting worden de aanwijzingen onder de Habitat- en Vogelrichtlijn kort toegelicht.
Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een gebiedsbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op eventuele grenswijzigingen die zijn doorgevoerd nadat het gebied bij de Europese Commissie is aangemeld of die zijn doorgevoerd nadat het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 de bij dit besluit behorende begrenzing toegelicht.
In hoofdstuk 4 wordt een opsomming gegeven van habitattypen en soorten waaraan het gebied zijn betekenis ontleent.
In hoofdstuk 5 worden de algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en worden de specifieke instandhoudingsdoelstellingen, genoemd in artikel 5 en 6, nader toegelicht. Er wordt aangegeven in welke richting de instandhoudingsdoelstelling zich zal moeten ontwikkelen. Daarvoor worden de termen “behoud”, “uitbreiding” of “verbetering” gebruikt. Voor een habitattype wordt de verdeling gemaakt in oppervlakte en kwaliteit, zodat de aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een habitattype altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van oppervlakte en van “behoud” of “verbetering” van kwaliteit wordt gegeven. Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit leefgebied. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van omvang leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van kwaliteit van leefgebied ten behoeve van “behoud” of “uitbreiding” van de populatie.
Bij de nota van toelichting is een bijlage A gevoegd met illustraties van grenswijzigingen indien van toepassing; die illustraties laten zien welke terreindelen na de eerste aanwijzing zijn vervallen of zijn toegevoegd als onderdeel van de speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Anders dan de andere bijlage bij de toelichting maakt bijlage A geen integraal onderdeel uit van dit besluit, aangezien er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet enkel nog rechten worden verleend aan de geometrische begrenzing.
Bijlage B omvat een nadere onderbouwing van de wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.
Artikel 1 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Waddenzee als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn (verder aangeduid als “Habitatrichtlijngebied”). Het gebied is in mei 2003 aangemeld volgens de procedure zoals opgenomen in artikel 4 van deze richtlijn, waarna het gebied in december 2004 door de Europese Commissie onder de naam “Waddenzee” en onder nummer NL1000001 is geplaatst op de Lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio.
Vervolgens is de uitbreiding van het Habitatrichtlijngebied Waddenzee met watergedeelte van de Eems-Dollard ten noorden van de Punt van Reide (in aanvulling op het intergetijdengebied Hond-Paap) in september 2007 aangemeld, waarna het gehele Eems-Dollardgebied op 12 december 2008 door de Europese Commissie afzonderlijk van "Waddenzee" onder de naam “Eems-Dollard” en onder nummer NL2007001 is geplaatst op de (bijgewerkte) Lijst van gebieden van communautair belang, in afwachting van de samenvoeging tot één gebied van communautair belang.
Het gebied is aangewezen voor één prioritair habitattype en één prioritaire soort in de zin van artikel 1 van de Habitatrichtlijn.
Artikel 2 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Waddenzee als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (verder aangeduid als “Vogelrichtlijngebied”). Het gebied is op 8 november 1991 (J. 9115397) aangewezen. Bij de Europese Commissie is dit gebied bekend onder nummer NL9801001.
Met betrekking tot het Vogelrichtlijngebied kan er in dit besluit naast mogelijke grenswijzigingen ook een wijziging plaatsvinden bij de vogelsoorten, waarvoor dit gebied destijds is aangewezen. Deze eventuele wijzigingen worden toegelicht in hoofdstuk 4 en bijlage B. In dit besluit worden alle vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied wordt geacht te zijn aangewezen.
Artikel 3 van dit besluit voorziet in de samenvoeging van de speciale beschermingszones tot één Natura 2000-gebied: Waddenzee (landelijk gebiedsnummer 001).
Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en onder de Vogelrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen en leefgebieden van Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten in een gunstige staat van instandhouding behouden of, in voorkomend geval, herstellen. De instandhoudingsdoelstellingen (artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5) en de begrenzing zijn in algemene zin nader toegelicht in het Natura 2000 doelendocument (2006)2. Dit document geeft het beleidskader van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen weer en de daarbij gehanteerde systematiek. Beschrijvingen van habitattypen en (vogel)soorten waarvoor doelen zijn vastgesteld, zijn opgenomen in het Natura 2000 profielendocument (2008)3.
Het Natura 2000-gebied Waddenzee (inclusief Eems-Dollard) ligt in de provincies Fryslân, Groningen en Noord-Holland en behoort tot het grondgebied van de gemeenten Ameland, Delfzijl, Dongeradeel, Eemsmond, Ferweradiel, Franekeradeel, Harlingen, Het Bildt, Oldambt, Schiermonnikoog, Terschelling, Vlieland, Oldambt, Winsum, Den Helder, Texel en Hollands Kroon. Een deel van het estuarium van de Eems-Dollard is gelegen in het gebied waar geen overeenstemming bestaat tussen Nederland en Duitsland over het verloop van de rijksgrens. Dit deel van het gebied is niet gemeentelijk ingedeeld.
De Nederlandse Waddenzee is onderdeel van het internationale Waddengebied dat zich uitstrekt van Den Helder tot Esbjerg (Denemarken). Het is een natuurlijk en dynamisch zoutwatergetijdengebied dat bestaat uit een complex van diepe geulen en ondiep water met zand- en slibbanken, waarvan grote delen bij eb droog vallen. Deze banken worden doorsneden door een fijn vertakt stelsel van geulen.
Langs het vasteland en op de eilanden liggen verspreid kweldergebieden, die door grote verschillen in vocht- en zoutgehalte bijdragen aan een zeer diverse flora en vegetatie. De kwelders langs de vastelandskust zijn tot stand gekomen door menselijk ingrijpen in de kwelderbodem. Op de overgang van de hoge, groene kwelders en de lager gelegen, nattere landaanwinningskwelders ligt een natuurlijke afslagrand, de zogenaamde kwelderklif. De kwelders op de Waddeneilanden hebben een natuurlijke geomorfologie, met geleidelijke hoogtegradiënten, meanderende kwelderkreken en afwisseling in de mate van natuurlijke drainage. De bodem is over het algemeen zandig, mede door de invloed van stuivend zand uit de nabijgelegen duingebieden. De geleidelijke overgangen van het wad richting duin leveren een grote biodiversiteit op. Enkele voorbeelden hiervan zijn de Boschplaat op Terschelling, Nieuwlandsreid (Zoute Weide) op Ameland en de Oosterkwelder op Schiermonnikoog.
Er is een nagenoeg ongestoorde hydrodynamiek en geomorfologie aanwezig, waarin natuurlijke processen zorgen voor instandhouding en ontwikkeling van karakteristieke ecotopen en habitats en de grenzen van land en water voortdurend wijzigen. Dit is ook duidelijk zichtbaar aan diverse “wandelende” eilanden zoals Rottummerplaat. Tussen Harlingen en Terschelling ligt het door een dijklichaam beschermde eiland Griend dat belangrijke vogelkolonies herbergt. Het landschap kenmerkt zich door zijn vrijwel ongerepte en weidse en open karakter. De identiteit van het Waddengebied wordt mede bepaald door de natuurlijke samenhang tussen Waddenzee, Waddeneilanden, Noordzeekustzone en de vastelandskust en de karakteristieke overgangen tussen land en zee, zoet en zout en droog en nat.
De Waddenzee behoort tot het Natura 2000-landschap “Noordzee, Waddenzee en Delta”.
De ligging van de habitattypen en van de leefgebieden van de soorten (paragraaf 4.4) waarvoor het gebied is aangewezen, vormt het uitgangspunt voor de begrenzing van de Habitatrichtlijngebieden. Dit is inclusief terreindelen die in kwaliteit zijn achteruitgegaan of gedegenereerd. Daarnaast omvat het begrensde gebied ook natuurwaarden die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren, alsmede terreindelen (incl. nieuwe natuur) die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen4.
Bij de keuze en de afbakening van de gebieden is geen rekening gehouden met andere vereisten dan die verband houdend met de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna5.
Het Vogelrichtlijngebied Waddenzee wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van zoute kustwateren, intergetijdengebieden, kwelders en duingebieden die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I (art. 4.1) en tevens fungeert als broedgebied, overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten6.
De geometrische begrenzing van het Natura 2000-gebied Waddenzee is weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage Gebiedsbegrenzingen. Voor zover van toepassing is daarbij onderscheid gemaakt tussen de begrenzingen van Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. De grens met Duitsland van het Natura 2000-gebied in de Eems-Dollard valt samen met de lijn aan Duitse zijde van het grensgebied, bedoeld in artikel 1 van de op 14 mei 1962 te Bennekom tot stand gekomen Aanvullende Overeenkomst bij het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1962, nr. 54), voor zover dit grensgebied in onderhavige aanwijzing is betrokken. Op hoofdlijnen bestaat het Natura 2000-gebied uit: de Waddenzee, inclusief het estuarium van de Eems-Dollard, dat grotendeels begrensd wordt door de waterkerende dijken van het vasteland, van de Waddeneilanden, de Afsluitdijk en bij het ontbreken daarvan de overgang van de eilandkwelders naar de duingebieden. In de zeegaten en ten oosten van Schiermonnikoog is de grens getrokken op grond van die van de Planologische Kernbeslissing Waddenzee (PKB)7. Het Natura 2000-gebied en het PKB-gebied vallen grotendeels samen. Belangrijkste verschillen zijn Polder Breebaart (bij Termunterzijl) en Oostelijk Ras (De Plaat onder West-Terschelling), die deel uitmaken van het Natura 2000-gebied maar niet van het PKB-gebied.
Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van ruim 271.000 ha. Hiervan is ruim 6.900 ha alleen onder de Vogelrichtlijn aangewezen. Deze cijfers betreffen bruto-oppervlakten omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met in de geometrische begrenzing, tekstueel uitgesloten delen (zie artikel 4 en hierna).
Voor de begrenzing van Natura 2000-gebieden geldt de volgende exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, tuinen, erven, verharding en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken. Voor de gebruikte begrippen gelden de definities (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied) zoals die omschreven zijn in artikel 4. Daar waar de geometrische begrenzing en de exclaveringsformule niet overeenstemmen, is de exclaveringsformule doorslaggevend.
Voor de toepassing van de begrenzing en de exclaveringsformule van artikel 4 gelden er peildata:
8 november 1991 voor de gebiedsdelen die zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied;
12 december 2008 voor de gebiedsdelen die geplaatst zijn op de tweede bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio8;
30 januari 2009 en 30 maart 2017 voor de gebiedsdelen die met het Natura-2000 aanwijzingsbesluit zijn toegevoegd aan het eerder aangewezen Vogelrichtlijngebied en aangemelde Habitatrichtlijngebied.
Met betrekking tot het grensverloop langs de duinvoet geldt het volgende voor zover van toepassing in het onderhavige gebied: De zeewaartse grens van duingebieden loopt langs de duinvoet van het buitenduin. Bij duinaangroei verplaatst de grens zich zeewaarts, bij duinafslag landinwaarts met de duinvoet mee.
De begrenzingen van het Vogelrichtlijngebied en van het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) zijn op enkele technische punten verbeterd (2009)9.
Bestaande bebouwing (inclusief erven en tuinen; reeds tekstueel geëxclaveerd) waar geen Natura 2000-waarden voorkomen, is waar mogelijk op grond van kadastrale of topografische lijnen buiten de begrenzing gebracht.
Waterkerende dijken (met uitzondering van smalle pieren) en veerdammen zijn buiten de begrenzing gebracht.
De begrenzing is waar mogelijk gelegd langs topografisch herkenbare lijnen, zoals wegen, perceelscheidingen en overgangen van kwelder naar duin.
Overlap van 5 meter of minder met kadastrale percelen die grotendeels buiten het gebied zijn gelegen is, gelet op de kadastrale inschrijving10, waar mogelijk beperkt. Dit betekent dat aldaar de kadastrale lijn is aangehouden. Deze werkwijze is alleen gevolgd op plekken waar geen Natura 2000-waarden aanwezig zijn.
De oostzijde van de Eems-Dollard is gelegd op de grens van het grensgebied tussen Nederland en Bondsrepubliek Duitsland waar de Aanvullende overeenkomst van 1962 op het Eems-Dollard-verdrag11 met Duitsland van toepassing is (bijlage A).
Onlogische verschillen (< 25 ha) tussen Vogel- en Habitatrichtlijngebied zijn opgeheven door de meest ruime grens aan te houden.
Overige wijzigingen van meer dan 1 ha worden in de volgende alinea’s toegelicht.
In maart 2000 zijn als onderdeel van het Vogelrichtlijngebied Waddeneilanden/Noordzeekustzone/ Polder Breebaart (N/ 2000/ 320) ook aangewezen Polder Breebaart (bij Termunterzijl) en Oostelijk Ras (De Plaat onder West-Terschelling). In beslissing op bezwaar van 7 april 2005 (Stcrt. 2005, nr. 69) is het gebied in zes afzonderlijke Vogelrichtlijngebieden gesplitst: Duinen van Texel, Duinen van Vlieland, Duinen van Terschelling, Duinen van Ameland, Duinen van Schiermonnikoog en Noordzeekustzone. Polder Breebaart en Oostelijk Ras konden daarbij niet worden meegenomen omdat ze geïsoleerd van deze gebieden zijn gelegen. De systematiek van selectie en begrenzing, die in 2000 is gehanteerd bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden, gaat namelijk uit van aaneengesloten gebieden. Deze terreinen, die ook deel uitmaken van het Habitatrichtlijngebied Waddenzee, zijn toegevoegd aan het Vogelrichtlijngebied Waddenzee (bijlage A, weergave A en B) (2009):
Polder Breebaart (73 ha) is een binnendijkse polder met een brak karakter door de aanwezigheid van een regelbare duikeropening in de zeedijk, waardoor bij vloed zeewater binnenstroomt en bij eb uitstroomt. Dit brakwatergebied functioneert niet alleen als rustplaats voor overtijende vogels van de Dollard, maar kan ook een belangrijke broedplaats zijn voor Kluten (2001-04 154- 824 broedparen) en andere watervogels waarvoor de Waddenzee is aangewezen. Grenzend aan de Dollard vormt het gebied één van de belangrijkste broedterreinen van de soort in dit deel van het Waddengebied.
De Plaat onder West-Terschelling (ook bekend als Oostelijk Ras, 106 ha) is een door een dam omgeven wadplaat die via de haven van West-Terschelling in open verbinding staat met de Waddenzee. De plaat vormt een integraal onderdeel van het wadden-ecosysteem en fungeert als voedselgebied en rustplaats voor diverse wadvogels zoals behoorlijke aantallen scholeksters en rosse grutto’s.
Het Vogel- en het Habitatrichtlijngebied zijn verkleind met (2009):
enkele binnendijks gelegen percelen cultuurgrond (bijlage A, weergave C; 12,5 ha) in de Noordpolder ten noorden van Usquert. Dit betreft voormalige buitendijkse gronden die door dijkafsnijding in de jaren tachtig binnendijks zijn komen te liggen. Bij de aanwijzing in 1991 is de grens van de PKB Waddenzee gevolgd die na de dijkafsnijding niet is aangepast. Deze cultuurgronden behoren niet tot het leefgebied van vogels waarvoor de Waddenzee is aangewezen (c.q. de landschapstypen zoals die zijn opgesomd in paragraaf 3.2).
de jachthaven aan de oostzijde van de veerdam bij Nes, Ameland (bijlage A, weergave D; 1,1 ha). Door de beslotenheid (grotendeels omgeven door verhardingen met wegen en bebouwing) en de aanwezigheid van aanlegsteigers heeft deze plek geen betekenis voor de vogels van de Waddenzee.
Het Vogel- en het Habitatrichtlijngebied zijn uitgebreid (2009) met het westelijk deel van de Oude Havenmond bij Den Oever (bijlage A, weergave E; 7,3 ha), dat tegenwoordig een onderdeel is van het intergetijdengebied van de Waddenzee.
Het Habitatrichtlijngebied is verkleind (2009) met de Spuihaven en de Buitenhaven van de Lorentzsluizen (Kornwerderzand, Afsluitdijk), de Noorderhaven bij Breezanddijk (Afsluitdijk) en de beide havens van ’t Horntje op Texel (64,2 ha). Door de aard zijn er geen habitattypen aanwezig en deze havens hebben ook geen betekenis voor de soorten waarvoor het Habitatrichtlijngebied is aangemeld. Om dezelfde reden maakten ze al geen deel uit van het Vogelrichtlijngebied.
Het Habitatrichtlijngebied is uitgebreid (2009) met de Vliehors, een uitgestrekte zandplaat (595 ha) die het westelijk deel van Vlieland omvat. Deze plaat maakte reeds onderdeel uit van het Vogelrichtlijngebied. De Vliehors is een integraal onderdeel van het Waddengebied (vergelijkbaar met De Hors (Texel), Noordvaarder (Terschelling), De Hon (Ameland) en De Balg (Schiermonnikoog). Er vindt primaire duinvorming plaats (habitattype embryonale duinen) en de plaat is bovendien een rustplaats voor de gewone zeehond en voor de grijze zeehond.
De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied is verder als volgt gewijzigd (2009):
Het onbegroeide deel van De Hors (zuidpunt Texel) is overgeheveld van Duinen en Lage Land Texel naar Habitatrichtlijngebied Waddenzee (ca. 300 ha), omdat dergelijk regelmatig onderlopende zandplaten ook elders in het Waddengebied deel uitmaken van de Waddenzee of, aan de zeezijde, van de Noordzeekustzone.
Het onbegroeide deel van de Noordvaarder (Terschelling) is overgeheveld van Duinen Terschelling naar Habitatrichtlijngebied Waddenzee (ca. 370 ha), omdat dergelijk regelmatig onderlopende zandplaten ook elders in het Waddengebied deel uitmaken van de Waddenzee of, aan de zeezijde, van de Noordzeekustzone.
Het estuarium van de Eems-Dollard (15.394 ha) is eveneens aan het Habitatrichtlijngebied Waddenzee toegevoegd (2017). Het bestaat grotendeels uit water en intergetijdengebieden die deel uitmaken van het habitattype estuaria (H1130). De kwelders tussen de Punt van Reide (Termunten) en de rijksgrens (Nieuwe Statenzijl) behoren tot de habitattypen schorren en zilte graslanden, buitendijks (H1330A), zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (H1310A) en schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae) (H1320).
De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is verder als volgt gewijzigd (2009):
Het noordelijke deel van De Hors (ca. 150 ha, bijlage A, weergave F), dat bestaat uit jonge duinen en duinvalleien is overgeheveld naar Vogelrichtlijngebied Duinen Texel omdat het landschappelijk gezien en voor de vogels waarvoor het gebied is aangewezen, één geheel vormt met het laatstgenoemde gebied.
Het noordoostelijke deel van de Noordvaarder (ca. 190 ha, bijlage A, weergave G), dat bestaat uit jonge duinen en duinvalleien is overgeheveld van Vogelrichtlijngebied Waddenzee naar Vogelrichtlijngebied Duinen Terschelling omdat het landschappelijk gezien en voor de vogels waarvoor het gebied is aangewezen, één geheel vormt met het laatstgenoemde gebied.
Duingebied aan de noordwestzijde van De Boschplaat is overgeheveld van Vogelrichtlijngebied Waddenzee naar Vogelrichtlijngebied Duinen Terschelling (bijlage A, weergave H) omdat het landschappelijk gezien en voor de vogels waarvoor het gebied is aangewezen, één geheel vormt met het laatstgenoemde duingebied.
Kwelders en laaggelegen gronden aan de westzijde van het Nieuwlandsreid (Zoute Weide) zijn overgeheveld van Vogelrichtlijngebied Duinen Ameland naar Vogelrichtlijngebied Waddenzee (bijlage A, weergave I) omdat het landschappelijk gezien en voor de vogels waarvoor het gebied is aangewezen, één geheel vormt met het kweldergebied Nieuwlandsreid.
In artikel 1 en 2 is een opsomming gegeven van de waarden waaraan het gebied zijn betekenis als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied ontleent. Wat betreft de aanwijzing als Habitatrichtlijngebied wordt in paragrafen 4.2.1 en 4.2.2 een lijst gegeven van de habitattypen (met vermelding van de aanwezige subtypen) en soorten waarvoor het gebied is aangewezen12. Paragraaf 4.2.3 vermeldt de vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen. Op alle vermelde habitattypen en soorten is een instandhoudingsdoelstelling van toepassing (zie artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5).
Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 vermeld welke selectiecriteria op het Habitatrichtlijngebied van toepassing zijn en wordt onderbouwd waarom het gebied als Habitatrichtlijngebied is geselecteerd. Van elk habitattype en van elke soort waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet, wordt in bijlage B.3 in tekst en/of tabelvorm de betekenis (relatieve bijdrage) van het gebied afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden die aan de selectiecriteria voldoen. Tenslotte beschrijft paragraaf 4.4 de verspreiding van habitattypen en soorten binnen het gebied, ter onderbouwing van de gevolgde gebiedsbegrenzing.
Het gebied is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitats opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een bijdrage levert aan de instandhouding op landelijk niveau. Ten behoeve van de nationale uitwerking van de Habitatrichtlijn is een deel van de habitattypen verdeeld in subtypen, vanwege de zeer ruime variatie in fysieke omstandigheden en soortensamenstelling. De namen van de habitattypen en daarvan afgeleide subtypen zullen verder met hun verkorte namen worden aangeduid. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.
H1110 | Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken Verkorte naam Permanent overstroomde zandbanken |
betreft het subtype: | |
H1110A | Permanent overstroomde zandbanken (getijdengebied) |
H1140 | Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten Verkorte naam Slik- en zandplaten |
betreft het subtype: | |
H1140A | Slik- en zandplaten (getijdengebied) |
H1310 | Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende soorten Verkorte naam Zilte pionierbegroeiingen |
betreft de subtypen: | |
H1310A | Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) |
H1310B | Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur) |
H1330 | Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) Verkorte naam Schorren en zilte graslanden |
betreft de subtypen: | |
H1330A | Schorren en zilte graslanden (buitendijks) |
H1330B | Schorren en zilte graslanden (binnendijks) |
H2120 | Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”) Verkorte naam Witte duinen |
Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een wezenlijke functie in de levenscyclus vervult. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding op landelijk niveau.
Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.
H1014 | Nauwe korfslak (Vertigo angustior) |
H1095 | Zeeprik (Petromyzon marinus) |
H1099 | Rivierprik (Lampetra fluviatilis) |
H1103 | Fint (Alosa fallax) |
H1340 | *Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola) |
H1351 | Bruinvis (Phocoena phocoena) |
H1364 | Grijze zeehond (Halichoerus grypus) |
H1365 | Gewone zeehond (Phoca vitulina) |
H1903 | Groenknolorchis (Liparis loeselii) |
Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn:
A034 | Lepelaar (Platalea leucorodia) |
A037 | Kleine Zwaan (Cygnus columbianus) |
A045 | Brandgans (Branta leucopsis) |
A081 | Bruine Kiekendief (Circus aeruginosus) |
A082 | Blauwe Kiekendief (Circus cyaneus) |
A103 | Slechtvalk (Falco peregrinus) |
A132 | Kluut (Recurvirostra avosetta) |
A138 | Strandplevier (Charadrius alexandrinus) |
A140 | Goudplevier (Pluvialis apricaria) |
A157 | Rosse Grutto (Limosa lapponica) |
A191 | Grote Stern (Sterna sandvicensis) |
A193 | Visdief (Sterna hirundo) |
A194 | Noordse Stern (Sterna paradisaea) |
A195 | Dwergstern (Sterna albifrons) |
A197 | Zwarte Stern (Chlidonias niger) |
A222 | Velduil (Asio flammeus) |
Verder is het gebied aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen in hun trekzones (artikel 4.2):
A005 | Fuut (Podiceps cristatus) |
A017 | Aalscholver (Phalacrocorax carbo) |
A039 | Toendrarietgans (Anser fabalis ssp. rossicus) |
A043 | Grauwe Gans (Anser anser) |
A046 | Rotgans (Branta bernicla) |
A048 | Bergeend (Tadorna tadorna) |
A050 | Smient (Anas penelope) |
A051 | Krakeend (Anas strepera) |
A052 | Wintertaling (Anas crecca) |
A053 | Wilde Eend (Anas platyrhynchos) |
A054 | Pijlstaart (Anas acuta) |
A056 | Slobeend (Anas clypeata) |
A062 | Topper (Aythya marila) |
A063 | Eider (Somateria mollissima) |
A067 | Brilduiker (Bucephala clangula) |
A069 | Middelste Zaagbek (Mergus serrator) |
A070 | Grote Zaagbek (Mergus merganser) |
A130 | Scholekster (Haematopus ostralegus) |
A137 | Bontbekplevier (Charadrius hiaticula) |
A141 | Zilverplevier (Pluvialis squatarola) |
A142 | Kievit (Vanellus vanellus) |
A143 | Kanoet (Calidris canutus) |
A144 | Drieteenstrandloper (Calidris alba) |
A147 | Krombekstrandloper (Calidris ferruginea) |
A149 | Bonte strandloper (Calidris alpina) |
A156 | Grutto (Limosa limosa) |
A160 | Wulp (Numenius arquata) |
A161 | Zwarte Ruiter (Tringa erythropus) |
A162 | Tureluur (Tringa totanus) |
A164 | Groenpootruiter (Tringa nebularia) |
A169 | Steenloper (Arenaria interpres) |
A183 | Kleine Mantelmeeuw (Larus fuscus) |
Wijzigingen ten opzichte van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1991) zijn verklaard in bijlage B.2 van deze nota van toelichting.
Voor niet-prioritaire habitattypen zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor habitattypen welke verdeeld zijn in subtypen, geldt een aantal van “drie belangrijkste gebieden” per subtype. Voor prioritaire habitattypen15 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden” en voor subtypen van prioritaire habitattypen een aantal van “vijf belangrijkste gebieden” per subtype. Verdeling in subtypen ten behoeve van de selectie is alleen toegepast indien de subtypen een verschillende verspreiding hebben en de beschikbare gegevens verdeling in subtypen toelaten. Voor enkele verspreid over het land voorkomende habitattypen, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd16. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de aanwezige oppervlakte en zo nodig ook de representativiteit van het habitattype. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding17. In de onderstaande tabel zijn de habitattypen vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitattypen waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3).
Habitat- type | Xa | Yb | Landelijke oppervlakte c | Oppervlakte op Waddenzee d | Oppervlakte in Yde gebied e | Selectie bij aanmelding |
H1110A | 3 | 2 | 130.000 | A4 (>75%) | C (<2%) | ja |
H1130 | 5 | 2 | 44.300 | – 18 | A2 (30-50%) | ja |
H1140A | 3 | 3 | 109.000 | A4 (>75%) | C (<2%) | ja |
H1310A | 3 | 3 | 2.200 | A3 (50-75%) | B1 (2-6%) | ja |
H1310B | 3 | 3 | 300 | B2 (6-15%) | B2 (6-15%) | ja |
H1330A | 3 | 3 | 9.900 | A3 (50-75%) | B1 (2-6%) | ja19 |
H2110 | 5 | 5 | 500 | A2 (30-50%) | B1 (2-6%) | ja |
H2120 | 5 | 5 | 2.400 | B2 (6-15%) | B2 (6-15%) | ja |
Aantal gebieden dat maximaal voor dit habitattype kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot één van de X belangrijkste gebieden” voor het betreffende habitattype.
Aantal gebieden dat op grond van dit selectiecriterium voor het habitattype is geselecteerd (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin het habitattype is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).
Geschatte landelijke oppervlakte van het (subtype van het) habitattype in hectaren.
Oppervlakte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte.
Oppervlakte van het habitattype in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied (niet ingevuld indien niet van belang voor de bepaling van de relatieve betekenis van het gebied, wanneer representativiteit in plaats van oppervlakte doorslaggevend was).
Voor niet-prioritaire soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor prioritaire soorten20 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden”. Voor enkele verspreid over het land voorkomende soorten, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd die voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd21. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de omvang van de aanwezige populatie. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding (zie ook bijlage B.3).
Code | Soort | Xa | Yb | Landelijke populatiec | % in Waddenzeed | % in Yde gebied e | Selectie bij aanmelding |
H1103 | Fint | 5 | 4 | onbekend | onbekend | onbekend | ja |
H1364 | Grijze zeehond | 5 | 3 | 1.800-2.000 | B3-B4 (>50%) | B2 (2-6%) | ja |
H1365 | Gewone zeehond | 5 | 5 | 4.200-5.500 | A3 (50-75%) | A3 (50-75%) | ja |
Aantal gebieden dat maximaal voor deze soort kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot één van de X belangrijkste gebieden” voor de betreffende soort.
Aantal gebieden dat op grond van het onder (a) genoemde selectiecriterium voor de soort is geselecteerd (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin deze soort is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).
Landelijke voortplantingspopulatie in exemplaren of aantal bezette kilometerhokken (km2).
Populatiegrootte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke populatie.
Populatiegrootte in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied.
De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Waddenzee is in het bijzonder bepaald aan de hand van de ligging van habitattypen en leefgebieden van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen (zie verder paragraaf 3.2). De verspreiding van de betreffende habitattypen en soorten binnen het gebied wordt in deze paragraaf globaal beschreven ter onderbouwing van de gevolgde begrenzing. Het is niet bedoeld als een uitputtende beschrijving. Gezien de in het gebied voorkomende erosie- en sedimentatieprocessen door water en wind wisselt voorkomen van de habitattypen in omvang, ruimte en tijd. De daarmee samenhangende vernieuwing, verjonging en veroudering van habitattypen (zoals H1310 en H2110) is een van de meest essentiële natuurlijke kenmerken van het gebied. Dit betekent ook dat de begroeiingen van het ene subtype in het andere of van het ene habitattype in het andere kunnen overgaan.
Het intergetijdengebied van de Waddenzee, bestaande uit droogvallende platen, geulen en overige permanente wateren, bestaat afwisselend uit de habitattypen permanent overstroomde zandbanken (H1110A) en slik- en zandplaten (H1140A). Tot het habitattype Estuaria behoren het water en de intergetijdengebieden van de Eems-Dollard (ten zuiden van de Eemshaven), voor zover niet behorend tot H1310, H1320 of H1330.Langs het vasteland en op de eilanden komen uitgestrekte kweldergebieden voor die grotendeels vallen onder de habitattypen zilte pionierbegroeiingen (H1310), slijkgrasvelden (H1320) en schorren en zilte graslanden (H1330). De meest uitgestrekte kwelders zijn Boschplaat (Terschelling), Nieuwlandsreid/Zoute Weide (Ameland), Oosterkwelder (Schiermonnikoog) en de vastelandskwelders van Groningen en Friesland.
Op de kwelders en de eilanden, die deel uitmaken van de Waddenzee, komen verspreid ook duinhabitats voor. Op zandplaten en brede stranden zoals Vliehors en Rottummerplaat betreft dit het habitattype embryonale duinen (H2110). Witte duinen (H2120) zijn plaatselijk aanwezig op de eilanden zoals grenzend aan de Kroon’s Polders (Vlieland). Grijze duinen (H2130) en duindoornstruwelen (H2160) zijn aanwezig in vastgelegde duinen die binnen de begrenzing van Natura 2000-gebied Waddenzee onder meer aanwezig zijn op de Boschplaat en Rottummerplaat. Vochtige duinvalleien (H2190B) komen plaatselijk voor op verzoetende strandvlakten en in primaire duinvalleien.
De aanwezigheid van de nauwe korfslak (H1014) is vastgesteld op Rottumerplaat en Rottumeroog. De gewone zeehond (H1365) komt in de Waddenzee verspreid voor waarbij de droogvallende platen vooral van belang zijn als rustplaats. De grijze zeehond (H1364) komt met name in de westelijke Waddenzee voor, waar in de kolonies in het geboorteseizoen jongen worden geboren. De gehele Waddenzee fungeert als voedselgebied voor beide soorten zeehonden. De rivierprik (H1099) gebruikt de Waddenzee met name als doortrekgebied van en naar bovenstrooms gelegen paaigebieden. Een van de trekroutes waarvoor herstelmaatregelen worden getroffen is het Drentse Aa-gebied. Ook de zeeprik (H1095) gebruikt de Waddenzee als doortrekgebied. De Waddenzee is verder als doortrek- en opgroeigebied voor de fint (H1103) van belang.
Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel aan maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Ingevolge artikel 4, vierde lid, Habitatrichtlijn worden bij aanwijzing als Habitatrichtlijngebied “tevens de prioriteiten vast[gesteld] gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat […] of van een soort […] alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging”.
Deze bepaling is in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nader uitgewerkt. Op grond van dit artikel bestaat de verplichting om in een aanwijzing doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van leefgebieden van vogelsoorten dan wel doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten op te nemen. Om die reden zijn voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Tevens is daarbij aangegeven welke habitattypen en/of soorten ten koste mogen gaan van andere habitattypen en soorten.
In bijlage B.4 van deze nota van toelichting is een overzicht opgenomen van alle gebiedsdoelstellingen per habitattype en per (vogel)soort.
Voor de Natura 2000-gebieden zullen in beheerplannen instandhoudingsmaatregelen worden uitgewerkt die beantwoorden aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten van de betrokken natuurlijke habitats en soorten.
Als verdere invulling van het stellen van prioriteiten zijn voor de acht onderscheiden Natura 2000-landschappen22 op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, hun landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden, kernopgaven geformuleerd. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (“richting geven”) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (2006).
De situatie ten tijde van het publiceren van het aanwijzingsbesluit is bepalend voor wat onder 'behoud' moet worden verstaan en vanaf welk niveau 'uitbreiding' en 'verbetering' nagestreefd moet worden. De instandhoudingsdoelstellingen moeten in dit gebied dus zó begrepen worden, dat het behoudsniveau van de habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten betrekking heeft op oppervlakte en kwaliteit, respectievelijk omvang en kwaliteit leefgebied en omvang populatie, zoals aanwezig in 2009, voor de op dat moment aangewezen Waddenzee, aangevuld met die in 2017, voor het middels een wijzigingsbesluit toegevoegde deelgebied Eems-Dollard. Dit is tevens het niveau waar vanaf 'uitbreiding' en 'verbetering' nagestreefd moet worden.
Behoud en indien van toepassing herstel van:
de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie;
de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijke niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;
de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;
de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
H1110 | Permanent overstroomde zandbanken |
Doel | Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit permanent overstroomde zandbanken, getijdengebied (subtype A). |
Toelichting | Het habitattype permanent overstroomde zandbanken, getijdengebied (subtype A), dat momenteel landelijk een matig ongunstige staat van instandhouding kent, is nagenoeg beperkt tot de Waddenzee. Het habitattype betreft hier de ondiepe delen tussen platen (waarvan de platen zelf onderdeel uitmaken van habitattype H1140 slik- en zandplaten) en diepe geulen met hoge stroomsnelheden. Kwaliteitsverbetering is vooral mogelijk door een deel van de mosselbanken betere ontwikkelingskansen te bieden (diverse stadia van ontwikkeling aanwezig) en door het herstel van de omvang en samenstelling van de visstand. Kenmerkend voor het systeem is de functionele samenhang van verschillende deelsystemen zoals eb- en vloedgeulen en droogvallende platen (H1140). Herstel van zoet-zout gradiënten is tevens van belang voor verbetering van de kwaliteit van dit habitattype. |
H1130 | Estuaria |
Doel | Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit. |
Toelichting | Dit habitattype komt voor in het deelgebied Eems-Dollard (en buiten het Natura 2000-gebied Waddenzee alleen in de Westerschelde). De landelijke staat van instandhouding is zeer ongunstig op de aspecten verspreiding, oppervlakte en kwaliteit. Het landelijke doel is uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. In dit gebied kan voor een behoudsopgave voor oppervlakte worden gekozen omdat de Westerschelde op het aspect van uitbreiding een (veel ) belangrijker bijdrage kan leveren aan de landelijke doelstelling van dit habitattype dan de Eems-Dollard. De beoogde kwaliteitsverbetering heeft met name betrekking op het herstellen van een optimaal bodemleven en het bieden van een goed functionerende trekroute voor vissen. Tot de beoogde kwaliteitsverbetering behoort ook een zo spoedig mogelijk herstel van zeegrasvelden en mosselbanken. |
H1140 | Slik- en zandplaten |
Doel | Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit slik- en zandplaten, getijdengebied (subtype A). |
Toelichting | De Waddenzee is het belangrijkste gebied voor het habitattype slik- en zandplaten, getijdengebied (subtype A). De oppervlakte van de platen is hier nagenoeg natuurlijk. Wat de kwaliteit betreft is enerzijds behoud van de morfologische variatie van belang: de afwisseling tussen platen met een verschillende hoogteligging, mate van dynamiek en sedimentsamenstelling, anderzijds de overgangen daartussen en de overgangen naar diepere geulen en naar habitattypen permanent overstroomde zandbanken (H1110) en zilte pionierbegroeiingen (H1310). Kansen voor verbetering van de kwaliteit liggen met name bij herstel van droogvallende mosselbanken (en de daarbij behorende levensgemeenschappen) en bodemfauna en bij uitbreiding van zeegras- en ruppia-velden. Onder meer herstel van geleidelijke zoet-zoutovergangen is hiervoor van belang. Voor de mosselbanken op de droogvallende platen wordt gestreefd naar een toename van de oppervlakte. Het betreft een zeer dynamisch habitattype waarvan de exacte locatie en de oppervlakte jaarlijks sterk kunnen wisselen ten gevolge van erosie- en sedimentatieprocessen. |
H1310 | Zilte pionierbegroeiingen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit. |
Toelichting | Zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (subtype A) zijn als matig ongunstig beoordeeld. Dit komt met name door de achteruitgang van het habitattype in het Deltagebied. Aan de vastelandskust is de oppervlakte van zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (subtype A) momenteel hoog als gevolg van de kwelderwerken. Zilte pionierbegroeiingen, zeevetmuur (subtype B), verkeren in een gunstige staat van instandhouding. |
H1320 | Slijkgrasvelden |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit. |
Toelichting | De goed ontwikkelde vorm van het habitattype slijkgrasvelden komt van oorsprong niet in het Waddengebied voor. Het wordt niet mogelijk geacht de hier aanwezige matig ontwikkelde vormen van het habitattype met de exoot Engels slijkgras in goede kwaliteit te herstellen. |
H1330 | Schorren en zilte graslanden |
Doel | Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A). Behoud oppervlakte en kwaliteit schorren en zilte graslanden, binnendijks (subtype B). |
Toelichting | Het habitattype schorren en zilte graslanden verkeert in een matig ongunstige staat van instandhouding. De Waddenzee is één van de belangrijkste gebieden in ons land voor schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A). Voor de kwaliteit is het van belang de aanwezige variatie aan verschillende hoogtezones (inclusief pionierkwelders van zilte pionierbegroeiingen, H1310), geomorfologische vormen (groene stranden, slufters, zandige kwelders, kleiige kwelders) en beheersvormen (beweide en onbeweide kwelders) te behouden of te herstellen. |
H2110 | Embryonale duinen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit. |
Toelichting | Het Waddengebied is verreweg het belangrijkste gebied in ons land voor dit habitattype. Naast de Waddenzee komen embryonale duinen voor in aangrenzende Natura 2000-gebieden, met name in Noordzeekustzone(007) en ook op sommige Waddeneilanden. Behoud oppervlakte geldt binnen de (sterke) natuurlijke fluctuaties, en kan gebeuren door behoud van het dynamische landschap met dit habitattype. |
H2120 | Witte duinen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit. |
Toelichting | Het Waddengebied is het belangrijkste gebied in ons land voor dit habitattype. Het komt hier in goede kwaliteit en over grote oppervlakten voor. Behoud van de oppervlakte geldt binnen de (sterke) natuurlijke fluctuaties. |
H2130 | *Grijze duinen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit grijze duinen, kalkrijk (subtype A) en behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit grijze duinen, kalkarm (subtype B). |
Toelichting | Het habitattype grijze duinen komt over een geringe oppervlakte in het gebied voor. Het betreft zowel duingraslanden van relatief kalkrijk als relatief kalkarm substraat. |
H2160 | Duindoornstruwelen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit. |
Toelichting | Het habitattype duindoornstruwelen is over een kleine oppervlakte aanwezig op enkele plekken op de Waddeneilanden. Uitbreiding van het habitattype duindoornstruwelen kan ten koste gaan van onder meer habitattypen grijze duinen (H2130) en vochtige duinvalleien (H2190). Omdat de landelijke staat van instandhouding gunstig is wordt behoud van oppervlakte en kwaliteit nagestreefd. |
H2170 | Kruipwilgstruwelen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit. |
Toelichting | Het habitattype komt op meerdere plaatsen voor in het gebied, met name in de kwelgevoede overgang van duinen naar kwelders. |
H2190 | Vochtige duinvalleien |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B). |
Toelichting | Het habitattype vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B) komt voor op verzoetende delen van strandvlakten en levert thans een geringe relatieve bijdrage aan het bereiken van het landelijk doel. De begroeiingen zijn zeer jong. Verwacht wordt dat dit habitattype zich spontaan zal uitbreiden door verdere verzoeting. Het areaal binnen het gebied wisselt ten gevolge van de natuurlijke dynamiek. |
H1014 | Nauwe korfslak |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | In 2006 en 2007 is de soort op de kwelders van Rottumeroog en Rottumerplaat aangetroffen. |
H1095 | Zeeprik |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie. |
Toelichting | De Waddenzee is als doortrekgebied voor de zeeprik van groot belang. In dit gebied zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk, omdat de oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding niet in dit gebied ligt. Het elders verbeteren van zoet-zout overgangen is van betekenis voor uitbreiding populatie. |
H1099 | Rivierprik |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie. |
Toelichting | De Waddenzee is als doortrekgebied voor de rivierprik van groot belang. In dit gebied zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk. Het elders verbeteren van zoet-zout overgangen is van betekenis voor uitbreiding populatie. |
H1103 | Fint |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie. |
Toelichting | De Waddenzee is als doortrek- en opgroeigebied voor de fint van zeer groot belang. In dit gebied zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk. Het gaat waarschijnlijk vooral om finten die in het bovenstroomse (Duitse) deel van de Eems paaien. Uitbreiding van deze populatie is afhankelijk van maatregelen in Duitsland, omdat de soort voor zijn voortplanting afhankelijk is van de paaigebieden die voornamelijk in Duitsland liggen. |
H1340 | *Noordse woelmuis |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | De noordse woelmuis komt binnen het gebied alleen voor op het eiland Texel (op De Schorren en langs de Mokbaai), waarbij de deelpopulatie in het gebied Waddenzee samen met die in het gebied Duinen en Lage Land Texel één samenhangende populatie vormt. Uitbreiding van leefgebied en populatie is in de genoemde deelgebieden niet mogelijk; de kwaliteit is reeds voldoende. |
H1351 | Bruinvis |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | De bruinvis wordt in de gehele Waddenzee regelmatig waargenomen. De populatie maakt deel uit van die in de gehele Noordzee. Het behoud van de omvang van het leefgebied en de populatie in de Waddenzee maakt dan ook deel uit van een generieke bescherming op internationaal niveau. Er is in dit gebied gekozen voor behoud van de kwaliteit van het leefgebied omdat de kwaliteit daarvan al voldoende is. |
H1364 | Grijze zeehond |
Doel | Behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | De grijze zeehond heeft de gehele Noordzee als leefgebied. De soort komt sinds de jaren tachtig weer in toenemende mate voor in de Waddenzee. Vooral de westelijke Waddenzee is van grote betekenis voor de grijze zeehond. De dieren verblijven vooral op hoge zandplaten zoals de Richel (ten oosten van Vlieland), de Engelse Hoek (ten westen van Terschelling) de Vliehors (ten westen van Vlieland) en op de Razend Bol (ten zuidwesten van Texel). De populatie van de grijze zeehond groeit vooralsnog gestaag en wordt als duurzaam beschouwd, hoewel de aanwas deels afhankelijk is van migratie uit het buitenland. |
H1365 | Gewone zeehond |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie. |
Toelichting | De Waddenzee is vooral van belang als rust- en voortplantingsgebied. Ligplaatsen (getijdenplaten) worden gedurende het gehele jaar gebruikt. Tijdens de zoogtijd en de verharingsperiode worden de ligplaatsen langer bezocht. De meeste jongen worden in het oostelijk deel geboren. De gewone zeehond was in 2002 met circa 4.500 exemplaren in de Nederlandse Waddenzee aanwezig, waarna voor de tweede keer een terugslag door een virus optrad. Verwacht wordt dat de huidige, gestaag groeiende populatie, zich geleidelijk verder zal uitbreiden. |
H1903 | Groenknolorchis |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | De groenknolorchis komt alleen aan de randen van de Waddenzee voor. Meestal betreft het populaties voor van het grootste deel in vijf aangrenzende Natura 2000-gebieden voorkomt. Gezien de vrij beperkte omvang, maar goede kwaliteit van de leefgebieden is behoud in dit gebied voldoende. |
A034 | Lepelaar |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 430 paren. |
Toelichting | Naast de kolonies lepelaars in de duinen van de Waddeneilanden hebben zich ook diverse kolonies gevestigd in natte valleien met rietgroei aan de wadkant van de eilanden: Boschplaat – Terschelling (vanaf 1962, in 2002 227 paren), De Schorren – Texel (vanaf 1982 in 2002 72 paren), Oosterkwelder – Schiermonnikoog (vanaf 1990, in 2002 240 paren), De Hon – Ameland (vanaf 1994, in 2002 17 paren), Rottumerplaat (vanaf 1998, in 2002 19 paren) en Rottumeroog (vanaf 2000, in 2002 5 paren). Ook op de kust van het vasteland heeft de lepelaar zich weten te vestigen (Balgzand). Net als op de eilanden en elders in Nederland heeft de populatie in de Waddenzee een flinke groei doorgemaakt tot een (voorlopig) maximum van 539 paren in 2002. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. |
A063 | Eider |
Doel | Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 5.000 paren. |
Toelichting | Na vestiging van de eider als broedvogel in Nederland in het begin van de vorige eeuw, is het aantal paren met ups en downs toegenomen. Het overgrote deel broedt in het Waddengebied (circa 9.000 in 2001), waarvan ongeveer 1/3 in de Waddenzee en 2/3 op de eilanden in duinvegetaties, met voldoende openheid in combinatie met open struweel. Langs de Fries-Groningse kust wordt gebroed vanaf de jaren negentig (maximaal 31 paren in 1999). In de Waddenzee zijn de belangrijkste broedconcentraties te vinden op de kwelders van Schiermonnikoog (2.628 paren in 2001), de Boschplaat (1.190 paren in 2002) en op Rottumeroog en Rottumerplaat (in 2002 respectievelijk 558 en 793 paren). Voor de Waddenzee in totaal werden in de periode 1999-2003 gemiddeld 5.000 paren geteld. Aangezien de vermoedelijke oorzaak van de recente achteruitgang van de populatie in dit gebied is gelegen, is voor verbetering van de kwaliteit van het leefgebied gekozen (habitattypen H1110A en H1140A). Hiermee sluit de verbeterdoelstelling voor de eider aan bij de doelstellingen voor deze habitattypen. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. |
A081 | Bruine kiekendief |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 30 paren. |
Toelichting | Na het vrijwel verdwijnen van de bruine kiekendief als broedvogel in de jaren zestig vond in de jaren zeventig hervestiging en populatie uitbreiding plaats. Maximaal komt een dertigtal paren in het Waddengebied tot broeden in natte valleien met rietgroei. Belangrijkste broedplaatsen zijn de Dollard (12 paren in 2001) en De Boschplaat – Terschelling (9 paren in 2002). Voor de Waddenzee in totaal werden in de periode 1999-2003 jaarlijks 20-34 paren geteld. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. |
A082 | Blauwe kiekendief |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 3 paren. |
Toelichting | Na vestiging op de Waddeneilanden in de jaren veertig breidde de populatie blauwe kiekendieven zich gestaag uit tot een maximum begin jaren negentig. Sedertdien loopt het aantal paren gestaag terug. Blauwe kiekendieven broeden doorgaans in de duinen in duinvegetaties met voldoende openheid (met kort gras en verstuivend zand), in combinatie met open struweel als foerageergebied. In het Natura 2000-gebied Waddenzee komen slechts enkele paren tot broeden, met als enige regelmatige broedplaats De Boschplaat - Terschelling (4 paar in 2001 en 2 paar in 2002). Ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is uitbreiding van de populatie niet ten doel gesteld omdat het slechts een overloop betreft van het duingebied. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. |
A132 | Kluut |
Doel | Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 3.800 paren. |
Toelichting | De helft van de Nederlandse kluten broedt in het Waddengebied. Zij broeden verspreid over het hele Waddengebied met een duidelijk zwaartepunt op het gevarieerde grasland op de kwelders langs de kust van het vasteland: Balgzand en kust van Wieringen, Friese en de populatie in het Waddengebied). Na een sterke groei tot begin jaren negentig (maximaal Groninger waddenkust en de Dollard (meer dan 95% van5.502 paren in 1990) is in de meeste deelgebieden recent een geringe afname geconstateerd (2.977 paren in 2003). Recent is de populatie echter nog sterker afgenomen. Met name verbetering van de kwaliteit van het leefgebied verdient hier aandacht om verdere achteruitgang van de populatie tegen te gaan. De soort verkeert landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. |
A137 | Bontbekplevier |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 60 paren. |
Toelichting | Bontbekplevier broedt verspreid over het hele Waddengebied op zeer spaarzaam begroeide plaatsen langs kusten. Ook kunstmatig ontstane kale terreinen worden snel in gebruik genomen. Een zwaartepunt in de verspreiding in 2002 was te vinden langs de Friese kust. De populatie in de Waddenzee leek het aanvankelijk goed te doen. In recente jaren vindt een duidelijke afname plaats (van 92 in 1998 naar 45 in 2001 en 53 broedparen in 2003). Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. |
A138 | Strandplevier |
Doel | Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 50 paren. |
Toelichting | Als broedvogel is de strandplevier vooral te vinden op zandige, schelpenrijke platen en in primaire duinen. De broedplaatsen bevinden zich vrijwel alle op de eilanden of eilandjes. Langs de kusten van het vaste land wordt maar sporadisch gebroed. De aantallen lopen al decennia lang terug. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is als doel uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied geformuleerd, de potentie van het gebied is hiervoor voldoende. Het gebied kan voldoende draagkracht leveren voor een zelfstandige sleutelpopulatie. |
A183 | Kleine mantelmeeuw |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 19.000 paren. |
Toelichting | Na de vestiging als broedvogel in de jaren zestig zijn de aantallen kleine mantelmeeuwen sterk toegenomen. In de periode 1999-2003 zijn gemiddeld19.000 paren vastgesteld. De belangrijkste broedplaats is De Boschplaat. Andere concentraties bevinden zich op de Oosterkwelder, De Hon en op Rottumeroog en Rottumerplaat. Zeer recent broeden ook paren langs de kusten van het vaste land (met name op het Balgzand: 38 paren in 2002). Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. |
A191 | Grote stern |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 16.000 paren. |
Toelichting | Het gebied heeft voor de grote stern voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. De grote stern is van oudsher een broedvogel in het Waddengebied. Doorgaans broedt meer dan 50% van de Nederlandse belangrijkste en enige regelmatige broedplaats is al tientallen jaren gelegen op Griend. In sommige jaren vestigen zich kleinere populatie hier. De groepen op andere platen in het Waddengebied (grootste nevenvestigingen Rottumerplaat en Oosterkwelder). De populatie heeft zich goed hersteld van het dieptepunt in 1965 (900 paren), maar ligt nog ver onder het niveau van halverwege de 20e eeuw. In 2003 werden maximaal 11.810 paren geteld. Vanwege de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is uitbreiding van de populatie als doel gesteld. Gezien er zich al jaren lang een geleidelijke toename aftekent, volgt het herstel van de populatie dan ook uit het behouden van het huidige leefgebied. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. |
A193 | Visdief |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 5.300 paren. |
Toelichting | De populatie van de visdief was in de jaren zestig sterk teruggevallen (minder dan 2.000 paren). Sedertdien is een redelijk herstel opgetreden, hoewel de aantallen slechts een fractie zijn van de circa 30.000 paren die er in de jaren vijftig broedden. In de periode 1999-2003 werden jaarlijks 4.796 – 5.722 paren geteld. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. |
A194 | Noordse stern |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 1.500 paren. |
Toelichting | In Nederland bereikt de noordse stern zijn zuidelijkste verspreidingsgrens. Het Waddengebied herbergt vrijwel de gehele Nederlandse populatie (in 2002 meer dan 1.500 tegen slechts 34 paren in de Zeeuwse Delta). Over het algemeen broeden de noordse sterns op zeer geëxponeerde broedplaatsen op eilandjes, platen en kwelderranden. Veruit de belangrijkste broedplaats is Griend (in de meeste jaren meer dan 1.000 paren; in 2002 echter 463). Andere belangrijke broedplaatsen in 2002 waren Engelsmanplaat (226 paren), Rottumeroog en Rottumerplaat (respectievelijk 108 en 87 paren), de Fries-Groningse Waddenkust (289 paren). Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. |
A195 | Dwergstern |
Doel | Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 200 paren. |
Toelichting | Afhankelijk van het aanbod aan geschikte schelpenstrandjes vestigen dwergsterns zich verspreid over het hele Waddengebied. De belangrijkste broedplaatsen in de Waddenzee in recente jaren waren Rottumeroog, Rottumerplaat en het duingebied van Texel. Op het dieptepunt van de populatie in de jaren zestig broedden in heel Nederland slechts 100 paren, waarvan enkele 10-tallen in het Waddengebied. Daarna trad herstel op met in het afgelopen decennium maxima van circa 200 paren (201 paren in 1997, 212 paren in 2003). Gezien de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding en de herstelpotentie van dit gebied is hier uitbreiding omvangen en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding van de populatie als doel gesteld. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. |
A222 | Velduil |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 5 broedparen. |
Toelichting | Verspreid aan de wadkant van de eilanden of langs de Fries-Groningse kust broeden velduilen. Op de meeste plaatsen gaat het doorgaans om losse paren, met uitzondering van De Boschplaat waar jaarlijks 2-4 paren broeden. De paren maken deel uit van de populatie die thuis is in de duinen van de Waddeneilanden. In de periode 1998-2003 werden jaarlijks 5-7 paren vastgesteld voor het gehele gebied. Ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is uitbreiding van de populatie niet ten doel gesteld, omdat het vooral een overloop betreft van het duingebied. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Waddeneilanden ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. |
A005 | Fuut |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 310 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de fuut met name een functie als foerageergebied. Aantallen zijn sinds 1990 aanzienlijk hoger dan daarvoor en sindsdien fluctuerend met een licht negatieve tendens. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied. |
A017 | Aalscholver |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 4.200 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting. | Aantallen aalscholvers zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op de beide functies, maar is gebaseerd op hoogwatertellingen. De Waddenzee levert na het IJsselmeer de grootste bijdrage voor de aalscholver binnen Nederland. De soort is jaarrond aanwezig, maar met verreweg de hoogste aantallen in de nazomer en lage aantallen van november-maart. De populatiegrootte vertoont een doorgaande toename, net als in andere delen van het land, maar sterker, zodat het aandeel van de Nederlandse vogels dat in de Waddenzee verblijft geleidelijk is toegenomen van circa 5% in 1980 naar circa 20% in 2003. Deze ontwikkeling verloopt parallel aan een sterke groei van de broedpopulatie in de Waddenzee. Concentraties vormen zich minder rond hoogwatervluchtplaatsen door beperkte afhankelijkheid van laag water. Aan de andere kant zijn er wel gezamenlijke slaapplaatsen. Belangrijke concentratiegebieden zijn Richel, Griend, de haven van Den Oever en enkele van de grote Waddeneilanden (moeilijk bereikbare plaatsen vanwege de verstoringsgevoeligheid van deze soort). Er wordt zowel in de Waddenzee als op de Noordzee gefoerageerd, veelal op platvis. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A034 | Lepelaar |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 520 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen lepelaars zijn van internationale en grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats en foerageergebied. De draagkrachtschatting heeft vooral betrekking op de slaapplaatsfunctie (hoogwatervluchtplaatsen). De Waddenzee levert de grootste bijdrage voor de lepelaar binnen Nederland, tegenwoordig met bijna de helft van het aantal Nederlandse vogels. De lepelaar is een zomervogel, aanwezig van februari-oktober; het aantalsverloop is sterk gebonden aan de ontwikkelingen in de broedkolonies. De verdubbeling van de Nederlandse broedpopulatie in de jaren negentig is nagenoeg volledig toe te schrijven aan toenemend belang van het Waddengebied als broedgebied, die gepaard ging met sterke toename van het aantal niet- broedvogels, met name sinds 1995. Na de broedtijd verspreidt de soort zich vanaf de eilanden over het gehele Waddengebied, onder andere Balgzand. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A037 | Kleine zwaan |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.600 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Aantallen kleine zwanen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats, het gaat hierbij met name om de Friese, Groningse kust en het Balgzand. De Waddenzee levert voor de kleine zwaan één van de grootste bijdragen voor de soort in Nederland. De gegevens omtrent aantallen zijn niet toereikend voor een trendanalyse. De kleine zwaan is een wintergast. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied. |
A039 | Toendrarietgans |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. |
Toelichting. | Aantallen toendrarietganzen zijn van internationale en grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. De Waddenzee (met IJsselmeer en Bargerveen) levert binnen het Natura 2000-netwerk de grootste bijdrage voor de toendrarietgans. De gegevens omtrent aantallen zijn niet toereikend voor een trendanalyse Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A043 | Grauwe gans |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 7.000 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting. | De aantallen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De Waddenzee levert buiten de Delta de grootste bijdrage binnen Nederland. De populatiegrootte vertoont een doorgaande toename sinds de jaren zeventig met een versnelling eind jaren negentig. De soort is jaarrond aanwezig, met hoogste aantallen in oktober-februari. Belangrijke concentraties komen vooral voor in Dollard en langs Groninger kust, in mindere mate langs de Friese kust, op Schiermonnikoog, Balgzand en Terschelling. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort. |
A045 | Brandgans |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 36.800 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting. | Aantallen brandganzen zijn van grote internationale en grote nationale betekenis. De Waddenzee heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De Waddenzee levert als foerageergebied voor de Brandgans, met ongeveer een kwart van de Nederlandse vogels, de grootste bijdrage binnen Nederland en komt als slaapplaats na enkele Friese meren. De Brandgans is een wintergast van oktober-mei. De populatiegrootte vertoont een toename sinds midden jaren tachtig, vergelijkbaar met zoute Delta, maar eerder ingezet dan elders in Nederland. De recente afvlakking is ook in de zoute Delta zichtbaar, maar is minder duidelijk in de rest van Nederland, waardoor het aandeel dat in de zoute gebieden verblijft weer afneemt. Het belangrijkste gebied binnen de Waddenzee is de Friese Waddenkust, vervolgens Dollard en Groningse kust. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A046 | Rotgans |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 26.400 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting. | Aantallen rotganzen zijn van grote internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De Waddenzee levert met bijna 80% van de Nederlandse vogels verreweg de grootste bijdrage voor de rotgans binnen Nederland. De rotgans is een wintergast en doortrekker van september-mei, met een najaarspiek in oktober/november en toenemende aantallen naar het eind van het seizoen in april/mei. De soort vertrekt abrupt en massaal in de tweede helft van mei. In de jaren zeventig en tachtig is de populatie toegenomen, langer en sterker dan in de zoute Delta. In de jaren negentig zijn aantallen gestabiliseerd. Belangrijkste gebied is net als bij de brandgans de Friese Waddenkust, met op zekere afstand de Waddeneilanden, de Groninger kust en Balgzand. Overwinterende vogels bevinden zich vooral in de westelijke Waddenzee. De soort foerageert vooral op kwelders en grasland, maar in het najaar ook op zeegras, zeesla en darmwier, en is daarmee gedeeltelijk getij-afhankelijk. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. |
A048 | Bergeend |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 38.400 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen bergeenden zijn van grote internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De Waddenzee levert met circa 70% van de Nederlandse vogels verreweg de grootste bijdrage voor de bergeend binnen Nederland. De soort is het hele jaar present, met de hoogste aantallen in september- november, laagste in april/mei en een kleiner minimum in augustus als een deel van de vogels voor de rui tijdelijk naar het Duitse Waddengebied trekt. Een groeiend aantal (10-20.000) ruit echter ook in de Nederlandse Waddenzee, onder andere bij Wieringen en onder Ameland. Buiten de ruitijd zijn de grootste concentraties te vinden langs de kusten van het vasteland. Aantallen waren lange tijd stabiel, recent echter enige toename. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A050 | Smient |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 33.100 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen smienten zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De Waddenzee levert de grootste bijdrage voor de smient binnen Nederland. De smient is een wintergast van oktober-maart. De soort laat in de Waddenzee geen duidelijke toename zien zoals in andere delen van het land. In sommige delen van het gebied is zelfs sprake van een afname, bijvoorbeeld door verandering van de vegetatiesamenstelling op de kwelder van de Dollard en door overschakeling op cultuur(gras)land. De soort is niet zeer gebonden aan het getij, maar foerageert ook op zeegrasvelden en concentreert zich vaak toch rond hoogwatervluchtplaatsen van steltlopers. Smienten vertonen soms nachtelijke voedselvluchten van de kwelders naar het binnenland. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A051 | Krakeend |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 320 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de krakeend met name een functie als foerageergebied. De betekenis van de Waddenzee is ondergeschikt aan grotere zoetwatergebieden (met name Haringvliet, Biesbosch, Lauwersmeer) en Grevelingen. Het Balgzand is één van de meest relevante delen van het Waddengebied. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A052 | Wintertaling |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 5.000 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen wintertalingen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De Waddenzee levert de grootste bijdrage voor de wintertaling binnen Nederland. De soort is het hele jaar present, met lage aantallen in mei-juli en de hoogste in september-december. De populatiegrootte toonde lange tijd een afname (met grote fluctuaties) maar recent tekent zich mogelijk een herstel af. Dit patroon lijkt zich te concentreren in het belangrijkste deelgebied voor deze soort: de Dollard, dat recent iets van de nog grotere betekenis van de jaren zeventig lijkt te herwinnen. Het aantalverloop heeft vaak te maken met successie van vegetatie op de kwelders en vertoont vaak overeenkomsten met de ontwikkeling van smient (Dollard) en pijlstaart (rond Lauwersmeer in jaren zeventig). De wintertaling heeft een voorkeur voor beschutte, slikkige delen van de Waddenzee, waar zaden en ongewervelden worden gegeten bij laag water, waarna bij hoog water wordt overgeschakeld op de kwelders. Behalve de Dollard is ook de Friese kust belangrijk. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. |
A053 | Wilde eend |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 25.400 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen wilde eenden zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. De Waddenzee levert de grootste bijdrage voor de wilde eend binnen Nederland. Aantallen zijn, met de nodige fluctuaties, toegenomen sinds de tweede helft van de jaren tachtig. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A054 | Pijlstaart |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 5.900 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen pijlstaarten zijn van grote internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor.de soort met name een functie als foerageergebied. De Waddenzee levert met ongeveer de helft van de Nederlandse vogels verreweg de grootste bijdrage voor de pijlstaart binnen Nederland. De soort is het hele jaar present maar met lage aantallen in mei- juli, hoogste in oktober-februari, met doortrekpieken in oktober en januari/februari. Aantallen waren lange tijd stabiel/fluctuerend, maar recent is er sprake van beduidend hogere aantallen. Aantalsontwikkelingen vertonen overeenkomsten met die van andere eendensoorten (wintertaling) en zijn deels gerelateerd aan vegetatiesuccessie en natuurontwikkeling (onder andere hoge aantallen vastelandskust door uitwisseling Lauwersmeer in de jaren zeventig, net als bij wintertaling). Belangrijke gebieden zijn met name Boschplaat en Balgzand. De pijlstaart foerageert onder andere op wadslakjes bij laag water, maar vooral op zaden en andere plantendelen op natte kwelders en grasland. De soort vertoont soms nachtelijke voedselvluchten naar binnendijkse gebieden. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. |
A056 | Slobeend |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 750 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen slobeenden zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. De Waddenzee levert na de Oostvaardersplassen en Oosterschelde de grootste bijdrage voor de slobeend binnen Nederland. De soort is jaarrond aanwezig, maar is vooral doortrekker met accent op het najaar. Het aantalsverloop toont sterke fluctuaties en geen duidelijke trend. Relatief belangrijke gebieden zijn de kust van Wieringen, Balgzand en de Fries kust. De slobeend heeft een voorkeur voor ondiep, brak of zoet water en slikkige bodems met veel plankton en zaden. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A062 | Topper |
Doel | Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van 3.100 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen toppers zijn van internationale en grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De Waddenzee levert na het IJsselmeer de grootste bijdrage. De topper is een wintergast van november-april. De soort lijkt in de Waddenzee te zijn afgenomen maar door de grote fluctuaties is deze trend niet significant. De aantallen fluctueren enerzijds door winterafhankelijke reacties op ijsvorming (in de Oostzee), anderzijds door verblijf op open water, waardoor de soort relatief moeilijk telbaar is. De topper is echter gevoelig voor veranderingen in het aanbod van schelpdieren. De landelijke trend is mogelijk een weerspiegeling van veranderingen in voedselaanbod in de Waddenzee, waarbij de aantallen een aantal jaren sterk verhoogd waren in het IJsselmeer. De trend in de Waddenzee vertoonde echter geen toename toen de aantallen in het IJsselmeer weer afnamen. De samenhang tussen beide gebieden wat betreft het verblijf van de topper is echter sterk. Uitwisseling tussen de twee gebieden vindt plaats naar aanleiding van fluctuaties in voedselaanbod of weersomstandigheden (meer op de Waddenzee in strenge winters). Slaap- en foerageerfunctie kunnen aan verschillende zijden van de Afsluitdijk liggen. |
A063 | Eider |
Doel | Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van 90.000-115.000 vogels (midwinter-aantallen). |
Toelichting | Aantallen eiders zijn van internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De Waddenzee levert met circa 94% van de Nederlandse vogels verreweg de grootste bijdrage voor de eider binnen Nederland. De soort is het hele jaar present. In sommige jaren foerageert de totale Nederlandse eiderpopulatie in de Waddenzee. In jaren waarin een verlaagd voedselaanbod in de Waddenzee samen gaat met goede jaren voor andere schelpdieren (Spisula) in de Noordzeekustzone, foerageert een deel van de populatie in dat gebied. In de jaren negentig zijn de aantallen in de Waddenzee afgenomen door verhoogde sterfte en het uitwijken van vogels naar de Noordzeekustzone, in verband met slechte broedval en onvoldoende beschikbaarheid van mosselen. Recent (2003) zijn de aantallen in de Waddenzee weer toegenomen ten koste van de aantallen in de Noordzeekustzone. De landelijke trend is daardoor nog niet positief, maar is over de laatste tien jaar ook niet meer significant negatief. De landelijke staat van instandhouding voor de eider als niet-broedvogel is matig ongunstig en de internationale populatieomvang neemt af. Vanwege de grote betekenis van de Waddenzee voor de eider is hier verbetering kwaliteit van het leefgebied van toepassing. |
A067 | Brilduiker |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 100 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen brilduikers zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Aantallen fluctueren sterk, zonder duidelijke trend. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A069 | Middelste zaagbek |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 150 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen middelste zaagbekken zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De soort is een wintergast van oktober-april. De Waddenzee levert één van de grootste bijdragen in Nederland, maar is ondergeschikt aan de Deltawateren. Aantallen fluctueren in de Waddenzee met relatief hoge aantallen in het midden van de jaren negentig. De soort neemt landelijk toe door ontwikkelingen in de zoute Delta waar de aantallen veel hoger zijn (Grevelingen). Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A070 | Grote zaagbek |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 70 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen grote zaagbekken zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De Waddenzee levert één van de grootste bijdragen binnen het Natura 2000-netwerk, maar is ruimschoots ondergeschikt aan het IJsselmeer. Aantallen fluctueren, zonder duidelijke trend. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied. |
A103 | Slechtvalk |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 40 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Aantallen slechtvalken zijn van grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De Waddenzee is het belangrijkste wetland in Nederland, met ongeveer een kwart van de in de Nederlandse telgebieden aanwezige vogels. De slechtvlak is een wintergast en doortrekker, en recent ook broedvogel (Eemshaven). Sinds de jaren tachtig is de soort in aantal toegenomen als gevolg van internationaal herstel van de drastische terugval door pesticiden in de jaren zestig. In de Waddenzee is de populatie op onverklaarde wijze afgenomen in 1997, maar sindsdien neemt de populatie weer geleidelijk toe. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A130 | Scholekster |
Doel | Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van 140.000-160.000 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen scholeksters zijn van grote internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies (gebaseerd op tellingen van hoogwatervluchtplaatsen). Vanwege onzekerheden met betrekking tot herstel van schelpdierbanken in de westelijke Waddenzee is een range gehanteerd. De Waddenzee levert met ongeveer driekwart van de Nederlandse vogels verreweg de grootste bijdrage voor de scholekster binnen Nederland. De soort is het hele jaar present, met laagste aantallen in mei/juni en hoogste in augustus-februari, zonder duidelijke pieken. De populatiegrootte toonde een toename in de jaren zeventig, een doorgaande afname in de jaren negentig en is recent min of meer stabiel op het laagst bekende niveau. Samen met een afname in de zoute Delta zorgt deze trend voor een landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding, zodat voor de Waddenzee een herstelopgave is geformuleerd. |
A132 | Kluut |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 6.700 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen kluten zijn van internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies (gebaseerd op tellingen van hoogwatervluchtplaatsen). De Waddenzee levert verreweg de grootste bijdrage voor de kluut binnen Nederland. De soort is vooral doortrekker en zomergast, met lage aantallen in december- februari en pieken in oktober en april. Hoogste concentraties komen vaak voor aan de vastelandskust, in verband met voorkeur voor slibrijk habitat. Ruiconcentraties komen voor in de nazomer, met name in de Dollard. De populatie is toegenomen in de jaren tachtig, met daarna enige afname en is recent stabiel op gemiddeld niveau. De soort profiteert mogelijk van de toegenomen dichtheid aan wormen als gevolg van schelpdiervisserij. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. |
A137 | Bontbekplevier |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.800 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen bontbekplevieren zijn van internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies (gebaseerd op tellingen van hoogwatervluchtplaatsen). De Waddenzee levert voor de bontbekplevier de grootste bijdrage binnen Nederland. De bontbekplevier is grotendeels doortrekker, met een piek in augustus/september en één in mei. Deze worden toegeschreven aan de populatie die naar West- en Zuid-Afrika trekt. Een eerdere aantalspiek in maart wordt toegeschreven aan de populatie die in West-Europa en Noord- Afrika overwintert. De soort komt meer voor op en bij de eilanden, dan langs de vastelandskust, maar er zijn geen echte concentratiegebieden. De soort heeft een voorkeur voor zandige plaatsen om te overtijen. In de jaren negentig zijn de aantallen in het Deltagebied toegenomen. De omvang van de populatie die in West- en Zuid-Afrika overwintert neemt internationaal gezien mogelijk af. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A140 | Goudplevier |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 19.200 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen goudplevieren zijn van internationale en grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De Waddenzee levert binnen het Natura 2000-netwerk voor de soort de grootste bijdrage. De goudplevier is vooral doortrekker, met pieken in november en maart, lage aantallen in december/januari en is bijna afwezig in mei-juli. De soort komt verspreid voor langs eiland- en vastelandskusten, met enige concentratie in onder andere de Dollard. De soort is in de jaren tachtig in de Waddenzee in aantal toegenomen en is sindsdien min of meer stabiel, met grote fluctuaties. De toename heeft mogelijk te maken gehad met verslechtering van binnenlandse leefgebied (landbouwgebieden). Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied. Ten gevolge van de voorgenomen ontpolderingen van zomerpolders zal de oppervlakte foerageergebied afnemen, waardoor mogelijk enige achteruitgang van het aantal goudplevieren zal plaatsvinden. |
A141 | Zilverplevier |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 22.300 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen zilverplevieren zijn van grote internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies (gebaseerd op tellingen van hoogwatervluchtplaatsen). De Waddenzee levert de grootste bijdrage voor de zilverplevier binnen Nederland. De soort is het hele jaar present, met lage aantallen in juni/juli, sterke doortrekpieken in augustus/september en nog sterker in mei. De zilverplevier komt meer voor langs de eilanden dan langs het vasteland, foeragerend op de platen, relatief veel in het oosten van het gebied. In de jaren zeventig en tachtig fors zijn aantallen toegenomen, sindsdien is de populatiegrootte min of meer stabiel. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A142 | Kievit |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 10.800 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen kieviten zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied. De Waddenzee levert de grootste bijdrage voor de kievit binnen het Natura 2000-netwerk in Nederland. Aantallen vertonen een geleidelijke toename met fluctuaties. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. Ten gevolge van het ontpolderen van buitendijkse polders zal de oppervlakte zilte natte graslanden afnemen, waardoor mogelijk enige achteruitgang van het aantal kieviten zal plaatsvinden. |
A143 | Kanoet |
Doel | Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van 44.400 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen kanoeten zijn van grote internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies (gebaseerd op tellingen van hoogwatervluchtplaatsen). De Waddenzee levert voor de kanoet de grootste bijdrage binnen Nederland. De soort is het hele jaar present, met lage aantallen in mei-juli, relatief hoge aantallen in augustus-februari en een doortrekpiek in augustus die wordt toegeschreven aan ondersoort canutus uit de Siberische broedgebieden. De kanoet komt nauwelijks voor aan de vastelandskust (met uitzondering van Balgzand), overtijers hebben de voorkeur voor afgelegen zandvlakten als bijvoorbeeld Vliehors, Richel en Griend. De soort overtijt in zeer grote groepen maar wisselt sterk tussen de beschikbare plaatsen, met zeer grote actieradius. De overwinteraars behoren tot de Groenlands/Canadese ondersoort islandica. Aantallen waren eerst stabiel en zijn daarna fors toegenomen en sinds de eerste helft van de jaren negentig weer fors afgenomen. Deze afname wordt voor een (klein) deel gecompenseerd door toename in de zoute Delta en resulteert niet in aantallen die lager zijn dan in de jaren zeventig en tachtig, zodat de landelijke staat van instandhouding slechts matig ongunstig is. Daarom is uitgegaan van behoud van de huidige aantallen (gemiddelde van de seizoenen 1999/2000 t/m 2003/2004). De afname lijkt echter door te gaan en wordt toegeschreven aan veranderingen in de voedselbeschikbaarheid die verband houden met veranderingen van sedimentsamenstelling en afname van dichtheden en kwaliteit van schelpdieren als het nonnetje Macoma balthica. Omdat daardoor ook de andere aspecten van de staat van instandhouding (matig) ongunstig zijn, is verbetering van kwaliteit leefgebied in het doel opgenomen. |
A144 | Drieteenstrandloper |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 3.700 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen drieteenstrandlopers zijn van internationale en grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies (gebaseerd op tellingen van hoogwatervluchtplaatsen). De Waddenzee levert voor deze soort de grootste bijdrage binnen Nederland. De soort is het hele jaar present, met lage aantallen juni, doortrekpieken in augustus en vooral in mei. De drieteenstrandloper ontbreekt nagenoeg langs de vastelandskust, foerageert deels op stranden (Noordzeekustzone). Voor overtijen heeft de soort de voorkeur voor afgelegen zandplaten als Richel, Noorderhaaks, Engelsmanplaat, Rottumerplaat, Simonszand en Vliehors. In de jaren negentig toonde de populatiegrootte een doorgaande toename, die nog niet lijkt af te vlakken. De landelijke staat van instandhouding is matig ongunstig omdat hoge recreatiedruk effect heeft op de verspreiding. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. |
A147 | Krombekstrandloper |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2.000 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Aantallen krombekstrandlopers zijn van zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies (gebaseerd op tellingen van hoogwatervluchtplaatsen). De Waddenzee levert voor de krombekstrandloper binnen Nederland de grootste bijdrage. De soort is een doortrekker, voornamelijk in de herfst, met hoogste aantallen in juli/augustus (september), eerst vooral adulten en in augustus- september juvenielen. Aantallen fluctueren sterk, vermoedelijk in verband met slechte telbaarheid, en vertonen geen duidelijke trend. De draagkracht is berekend over de periode 1999-2002. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A149 | Bonte strandloper |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 206.000 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen bonte strandlopers zijn van grote internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies (gebaseerd op tellingen van hoogwatervluchtplaatsen). De Waddenzee levert verreweg de grootste bijdrage voor de bonte strandloper binnen Nederland. De soort is het hele jaar present, met lage aantallen in juni (en juli), een breed doortrekpatroon met relatief hoge aantallen in augustus-november en maart-mei. De bonte strandloper foerageert in het intergetijdengebied op relatief slikkige platen en overtijt zowel langs de vastelandskust als op de eilanden, vaak in concentraties van tienduizenden vogels. Belangrijke concentraties komen voor op Griend, Richel, Dollard. Behalve op Vlieland komen relatief hoge dichtheden voor in het oosten van het Waddengebied, waar meer platen liggen. De populatie is afgenomen tot midden jaren tachtig, met daarna een doorgaande toename en recent de hoogst bekende aantallen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A156 | Grutto |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.100 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen grutto’s zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies (gebaseerd op tellingen van hoogwatervluchtplaatsen). De Waddenzee is het belangrijkste wetland van Nederland, afgezien van een aantal slaapplaatsen. Belangrijke deelgebieden zijn de kust van Wieringen, Friese kust en Dollard. In de Waddenzee, net als in de zoete Delta, toonde de populatiegrootte een doorgaande toename, die de recente afname in het rivierengebied en het IJsselmeergebied enigszins compenseert. Het Waddengebied wordt daardoor de belangrijkste regio voor niet-broedvogels. Toch is de landelijke toename afgevlakt en er is inmiddels een tendens tot afname die de broedvogelindex dreigt te gaan volgen. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied. Ten gevolge van de voorgenomen ontpolderingen van zomerpolders zal de oppervlakte foerageergebied afnemen, waardoor mogelijk enige achteruitgang van het aantal grutto’s zal plaatsvinden. |
A157 | Rosse grutto |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 54.400 vogels (seizoensgemiddelde). Enige afname in relatie tot herstel van schelpdierbanken is aanvaardbaar. |
Toelichting | Aantallen rosse grutto’s zijn van grote internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies (gebaseerd op tellingen van hoogwatervluchtplaatsen). De Waddenzee levert verreweg de grootste bijdrage voor deze soort binnen Nederland, met tegenwoordig circa 90% van de Nederlandse vogels. De soort is het hele jaar present, met lage aantallen in juni, doortrekpieken in augustus en mei. Deze pieken betreffen de Siberische vogels die onderweg zijn naar Noordwest en West-Afrika, de wat lagere aantallen overwinteraars zijn afkomstig uit Scandinavië. De soort overtijt veel meer op de eilanden dan langs de vastelandskust. Grote concentraties komen vooral voorop afgelegen zandplaten als Griend, Richel, Vlieland, samen met kanoet en bonte strandloper. In de jaren tachtig is de populatie licht afgenomen en sindsdien weer toegenomen. In het Deltagebied is van een dergelijke toename nauwelijks sprake, zodat het aandeel van de Waddenzee steeds verder is toegenomen. Net als bij andere wormeneters wordt dit in verband gebracht met veranderde samenstelling van sediment en bodemfauna. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding |
A160 | Wulp |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 96.200 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen wulpen zijn van grote internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies (gebaseerd op tellingen van hoogwatervluchtplaatsen). De Waddenzee levert met meer dan 85% van de Nederlandse vogels de grootste bijdrage voor de wulp binnen Nederland. De soort is het hele jaar present, met lage aantallen in mei en juni (broedtijd) en relatief hoge tijdens de najaarstrek in augustus-september. De soort komt zeer verspreid over het gebied, Friese kust is daarbij relatief belangrijk. De wulp foerageert in slikkige delen van het wad en op mosselbanken, overtijt op kwelders, liefst afgelegen (Richel, Griend) want de soort is nogal verstoringgevoelig. De doorgaande populatietoename in de Waddenzee, die in de zoute Delta pas zeer recent in enige toename weerspiegeld wordt, herinnert aan de trends bij de rosse grutto (A157). Bij de wulp wordt de toename echter in eerste instantie toegeschreven aan het beëindigen van de jacht in het buitenland, met name in Denemarken (1994). Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A161 | Zwarte ruiter |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.200 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen zwarte ruiters zijn van internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies (gebaseerd op tellingen van hoogwatervluchtplaatsen). De Waddenzee levert met meer dan de helft van de Nederlandse vogels verreweg de grootste bijdrage voor de zwarte ruiter binnen Nederland. De soort komt vooral voor in de zomermaanden, met een klein piekje tijdens de voorjaarstrek in mei en een sterke piek tijdens de najaarstrek die al in juli/augustus plaatsvindt. De zwarte ruiter komt sterk geconcentreerd voor in de Dollard en in de rest van het gebied verspreid in kleine aantallen. De soort foerageert vaak in de directe omgeving van hoogwatervluchtplaatsen. Sinds de jaren zeventig zijn aantallen toegenomen, recent is er sprake van lagere aantallen maar nog geen doorgaande afname. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A162 | Tureluur |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 16.500 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen tureluurs zijn van internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies (gebaseerd op tellingen van hoogwatervluchtplaatsen). De Waddenzee levert met meer dan 80% van de Nederlandse vogels verreweg de grootste bijdrage voor de tureluur binnen Nederland. De soort is het hele jaar present, met doortrekpieken in mei en vooral juli/augustus, als de populatie van Scandinavische en Baltische broedvogels doortrekken naar Zuid-Europa en West-Afrika. Aanzienlijk lagere aantallen overwinteraars zijn afkomstig van IJsland en de Faeröer (ondersoort robusta). De tureluur komt zeer verspreid voor over het gehele Waddengebied, zowel vastlandskust als de eilanden. Sinds de jaren zeventig vertonen de aantallen geen duidelijke trend. De meest recente aantallen vertonen weer een opgaande tendens na twee dieptepunten rond midden jaren tachtig en midden jaren negentig. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. |
A164 | Groenpootruiter |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.900 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen groenpootruiters zijn van internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies (gebaseerd op tellingen van hoogwatervluchtplaatsen). De Waddenzee levert met meer dan driekwart van de Nederlandse vogels verreweg de grootste bijdrage voor de soort binnen Nederland. De soort is afwezig van november-maart, met doortrekpieken net als de andere ruiters in mei en vooral juli/augustus. De groenpootruiter komt verspreid voor over de gehele Waddenzee, maar veel minder langs de vastelandskust dan op de eilanden. De beste gebieden zijn onder andere kwelders van Schiermonnikoog en Terschelling (Groede), Texel (Schorren) en Balgzand. Aantallen zijn toegenomen rond begin jaren negentig en zijn sindsdien stabiel/fluctuerend. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A169 | Steenloper |
Doel | Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van 2.300-3.000 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen steenlopers zijn van internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies (gebaseerd op tellingen van hoogwatervluchtplaatsen). De Waddenzee levert met meer dan 80% van de Nederlandse vogels verreweg de grootste bijdrage voor de soort binnen Nederland. De soort komt bijna het hele jaar voor, met lage aantallen in juni, hoogste aantallen rond augustus, als Scandinavische vogels doortrekken naar West-Afrika. Overwinteraars zijn vooral broedvogels uit Groenland en Oost-Canada. Terwijl de aantallen van de Scandinavische vogels min of meer stabiel zijn, is er bij de (in gemiddelde aantallen sterk overheersende) overwinterende populatie duidelijk sprake van afname. Vooral midden jaren negentig was er een forse afname, sindsdien zijn de aantallen (een deel van de meest recente getallen ligt inmiddels binnen de in het doel aangegeven range) toegenomen maar nog niet volledig hersteld. Door het grote belang van de Waddenzee resulteert dit in een landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding, zodat een herstelopgave voor de Waddenzee noodzakelijk is. Dit geldt met name voor de afname in de jaren negentig, die wellicht verband houdt met onder andere slechte broedval. Met betrekking tot de eerdere afname wordt ook klimaatverandering als mogelijke oorzaak genoemd (overwintering dichter bij de broedgebieden). De verwachting is echter dat met het herstel van de droogvallende mosselbanken het leefgebied van de steenloper zich zodanig herstelt dat de aantallen nog wat verder kunnen toenemen. |
A197 | Zwarte stern |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 23.000 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Aantallen zwarte sterns zijn van internationale en grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. De slaapplaatsfunctie betreft vooral het Balgzand en in mindere mate de kust van Wieringen. De Waddenzee vormt binnen Nederland één van de gebieden die voor de zwarte stern de grootste bijdrage leveren. Gegevens omtrent aantallen zijn niet toereikend voor trendanalyse. De vogels foerageren waarschijnlijk grotendeels op het IJsselmeer. De aantallen in de Waddenzee worden daardoor mede bepaald door het voedselaanbod in het IJsselmeer. De oorzaak van de negatieve trend en de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding in Nederland is niet goed bekend maar ligt mogelijk eerder in het IJsselmeergebied dan in de Waddenzee. Het gestelde doel moet daarom worden gezien in samenhang met dat van het IJsselmeer. De draagkracht is berekend over de periode 1999-2004. |
Grenswijziging Vogelrichtlijn Waddenzee.

Grenswijziging Vogelrichtlijn Waddenzee.

Topografische ondergrond: © De auteursrechten en databankrechten zijn voorbehouden aan de Topografische Dienst Kadaster, Emmen, 2008
Grenswijziging Vogelrichtlijn Waddenzee.


Topografische ondergrond: © De auteursrechten en databankrechten zijn voorbehouden aan de Topografische Dienst Kadaster, Emmen, 2008
Grenswijziging Vogelrichtlijn Waddenzee

Topografische ondergrond: © De auteursrechten en databankrechten zijn voorbehouden aan de Topografische Dienst Kadaster, Emmen, 2008
Grenswijziging Vogelrichtlijn Waddenzee

Topografische ondergrond: © De auteursrechten en databankrechten zijn voorbehouden aan de Topografische Dienst Kadaster, Emmen, 2008
Grenswijziging Vogelrichtlijn Waddenzee

Topografische ondergrond: © De auteursrechten en databankrechten zijn voorbehouden aan de Topografische Dienst Kadaster, Emmen, 2008
Grenswijziging Vogelrichtlijn Waddenzee

Topografische ondergrond: © De auteursrechten en databankrechten zijn voorbehouden aan de Topografische Dienst Kadaster, Emmen, 2008
Grenswijziging Vogelrichtlijn Waddenzee

Topografische ondergrond: © De auteursrechten en databankrechten zijn voorbehouden aan de Topografische Dienst Kadaster, Emmen, 2008
Ligging Vogelrichtlijngebied ten opzichte van grensgebied Eems -Dollardverdrag als bedoeld in artikel 1 van de Aanvullende overeenkomst van 1962 (zie verder paragraaf 3.3)

Uitbreiding Habitatrichtlijngebied met Eems-Dollard
Blauw = reeds aangewezen als Vogelrichtlijngebied
Groen zonder arcering = reeds aangewezen als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied
Groen met dubbele arcering = uitbreiding Habitatrichtlijngebied; reeds aangewezen als Vogelrichtlijngebied

Nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.
In overeenstemming met de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) maar in afwijking van het ontwerpbesluit is het gebied aangewezen voor het habitattype Estuaria (H1130). Dit habitattype is in het Waddengebied beperkt tot de Eems-Dollard.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype grijze duinen, kalkrijk (H2130A), omdat dit subtype, naast het subtype kalkarm (subtype B) waar het gebied reeds voor is aangewezen, blijkens recente vegetatiekaarten blijkt voor te komen (zie ook paragraaf 4.4).
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) maar conform het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype duindoornstruwelen (H2160) omdat het habitattype blijkens recente vegetatiekaarten blijkt voor te komen (zie ook paragraaf 4.4).
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype kruipwilgstruwelen (H2170), omdat uit onderzoek blijkt dat dit type in het gebied voorkomt.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) maar conform het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype vochtige duinvalleien, kalkrijk (H2190B). Het type komt voor op verzoetende strandvlakten en in primaire duinvalleien op verschillende eilanden.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort nauwe korfslak (H1014). De soort is in 2006-2007 zowel op Rottumeroog als Rottumerplaat vastgesteld.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort noordse woelmuis (H1340), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort bruinvis (H1351), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort groenknolorchis (H1903), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.
De vogelsoorten waarvoor het gebied in 1991 is aangewezen, betreffen een opsomming van vogelsoorten waaraan het gebied zijn natuurwetenschappelijke betekenis ontleend. Bij de aanwijzing van 49 Vogelrichtlijngebieden in 2000 is vastgesteld voor welke soorten op grond van artikel 4 van de Vogelrichtlijn een verplichting bestaat voor het treffen van speciale beschermingsmaatregelen in de vorm van de aanwijzing van gebieden (in de richtlijn aangeduid als “speciale beschermingszones”)23. Dit betreft in de eerste plaats 46 soorten die zijn opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn24. Daarnaast zijn gebieden aangewezen voor 49 (andere) trekkende vogelsoorten zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn. Een gebied wordt slechts aangewezen voor de soorten waarvoor het gebied van landelijke betekenis is.
Hiervan is in beginsel sprake indien minstens 1% van de landelijke broedpopulatie herbergt, indien minstens 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied verblijft, het gebied tot één van de vijf belangrijkste gebied behoort (slechtvalk), of indien het gebied in combinatie met andere gebieden voldoende bijdrage kan leveren aan een sleutelpopulatie. De vogelsoorten zijn ontleend aan SOVON & CBS (2006)25. Dit rapport heeft ten grondslag gelegen aan de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Vogelrichtlijnsoorten. Om ecologische redenen, die in voorkomende gevallen hieronder zijn vermeld, is soms van deze algemene criteria afgeweken. Deze werkwijze heeft voor de vogellijst van dit gebied de volgende consequenties (conform het ontwerpbesluit):
Van de oorspronkelijke aanwijzing zijn de volgende soorten gehandhaafd: aalscholver (A017), lepelaar als broedvogel (A034), brandgans (A045), rotgans (A046), bergeend (A048), topper (A062), eider (A063), brilduiker (A067), middelste zaagbek (A069), scholekster als niet-broedvogel (A130), kluut als broedvogel (132), bontbekplevier als niet-broedvogel (A137), zilverplevier (A141), kanoet (A143), bonte strandloper (A149), rosse grutto (A157), wulp (A160), zwarte ruiter (A161), tureluur als niet-broedvogel (A162), groenpootruiter (A164), kleine mantelmeeuw (A183), grote stern (A191), visdief (A193), noordse stern (A194), dwergstern (A195), zwarte stern (A197).
Ten opzichte van de oorspronkelijke aanwijzing zijn negen soorten van bijlage I toegevoegd. Als broedvogels zijn dit: bruine kiekendief (A081), blauwe kiekendief (A082), strandplevier (A138) en velduil (A222). Het voorkomen van deze broedvogels is van landelijke betekenis (minstens 1% van de landelijke broedpopulatie in het gebied aanwezig).
Van bijlage I zijn verder als niet-broedvogel toegevoegd: lepelaar (A034), kleine zwaan (A037), slechtvalk (A103), kluut (A132) en goudplevier (A140). Het voorkomen van kleine zwaan, kluut en goudplevier is van landelijke en/ of internationale betekenis (minstens 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied aanwezig).
Op grond van toegenomen kennis over aantallen, verspreiding en populatieomvang zijn voor de slechtvalk alleen instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor de vijf gebieden met de grootste bijdrage. De Waddenzee behoort tot de vijf belangrijkste gebieden.
Ten opzichte van de oorspronkelijke aanwijzing zijn 16 soorten zoals bedoeld in artikel 4.2 als niet-broedvogel toegevoegd: bontbekplevier (A137) als broedvogel, fuut (A005), toendrarietgans (A039), grauwe gans (A043), smient (A050), krakeend (A051), wintertaling (A052), wilde eend (A053), pijlstaart (A054), slobeend (A056), grote zaagbek (A070), kievit (A142), drieteenstrandloper (A144), krombekstrandloper (A147), grutto (A156) en steenloper (A169). Het voorkomen van deze soorten is van landelijke en/ of internationale betekenis (minstens 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied aanwezig).
In vergelijking met de oorspronkelijke aanwijzing zijn de volgende vogelsoorten niet meer opgenomen, omdat deze soorten niet behoren tot de soorten waarvoor Vogelrichtlijngebieden worden aangewezen conform de in 2000 geformuleerde beleidslijn (zie boven): scholekster (A130) en tureluur (A162), beide als broedvogel, en kokmeeuw, stormmeeuw en zilvermeeuw.
In dit onderdeel wordt voor elk habitattype en soort waarvoor het onderhavige gebied aan de selectiecriteria voldoet (zie paragraaf 4.3), een overzicht gegeven van alle daarvoor kwalificerende gebieden. Dit gebeurt zoveel mogelijk in de vorm van een tabel met de gebieden die aan de selectiecriteria voldoen, onder vermelding van de relatieve bijdrage. Dit is de bijdrage van het gebied aan de landelijke instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype of de soort. In het geval van habitattypen betreft dit het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. In geval van soorten is dit het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen (vogels, grote zoogdieren, sommige planten) of aantal bezette plekken of kilometerhokken.
Er is gebruik gemaakt van de volgende klasse-indeling:
A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = > 75%
B1 = 2-6% en B2 = 6-15%
C < 2%
In de kolom Bronvermelding zijn de terreinbeherende organisaties, andere instanties en bronnen vermeld, waaraan de oppervlaktecijfers en aantallen zijn ontleend onder vermelding van de jaren waarin deze zijn verzameld of gepubliceerd. Verklaring gebruikte afkortingen: AWD = Waternet, beheerder Amsterdamse Waterleidingduinen, DEF = Ministerie van Defensie, DSB = Dienst Stadsbeheer (Den Haag), DZH = Duinwaterbedrijf Zuid-Holland (beheerplan), LNH = Landschap Noord-Holland, NPZK = Nationaal Park Zuid- Kennemerland, PWN = Provinciaal Waterleidingbedrijf Noord-Holland, RWS = Rijkswaterstaat (kwelderkartering), SBB = Staatsbosbeheer, V&W = Ministerie Verkeer & Waterstaat, ZLD = provincie Zeeland, TOP10 = Topografische kaart 1: 10.000 (*aangevuld met andere bronnen).
H1110A – Permanent overstroomde zandbanken, getijdengebied Landelijke oppervlakte ca. 130.000 ha | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
001 | Waddenzee | A4 (>75%) | TOP10 |
113 | Voordelta | C (<2%) | Aanwijzingsbesluit 2008 |
Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn de twee volgende gebieden voor dit habitattype geselecteerd: Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007) en Voordelta (113). In het Natura 2000 doelendocument (2006) is dit habitattype inmiddels in twee subtypen verdeeld (respectievelijk getijdengebied en Noordzee-kustzone) om recht te doen aan de ecologische variatie en gelet op het aanzienlijke verschil in ecologische vereisten. De “belangrijkste gebieden” voor dit subtype zijn: Waddenzee en Voordelta. De Waddenzee is het belangrijkste gebied voor dit subtype met circa 99% van de totale landelijke oppervlakte. Verder komt deze vorm van het getijdengebied in relatief kleine oppervlakte alleen nog voor in de Haringvlietmonding in de Voordelta.
H1130 - Estuaria Landelijke oppervlakte ca. 44.300 ha | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
001 | Waddenzee | A2 (30-50%) | Topografische kaart |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | A3 (50-75%) | Aanwijzingsbesluit 2010 |
Voor de aanmelding van de Habitatrichtlijn (2003) zijn de twee volgende gebieden voor het habitattype geselecteerd: Waddenzee (001) en Westerschelde & Saeftinghe (122). Dit betreffen de enige gebieden waar het habitattype zich bevindt binnen Nederland.
H1140A – Slik- en zandplaten, getijdengebied Landelijke oppervlakte ca.109.000 ha | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
001 | Waddenzee | A4 (>75%) | TOP10 |
113 | Voordelta | C (<2%) | Aanwijzingsbesluit 2008 |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | C (<2%) | Aanwijzingsbesluit 2008 |
123 | Zwin & Kievittepolder | G (C <2%) a | Ministerie V&W, 2008 |
De letter "G" in deze kolom geeft aan dat het gebied is geselecteerd teneinde een voldoende grensoverschrijdende ecologische eenheid te vormen binnen het internationale verspreidingsgebied van het habitattype.
Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn de twee volgende gebieden voor dit habitattype geselecteerd: Waddenzee (001) en Voordelta (113). In het Natura 2000 doelendocument (2006) is dit habitattype inmiddels in twee subtypen verdeeld (respectievelijk getijdengebied en Noordzee-kustzone) om recht te doen aan de ecologische variatie en gelet op het aanzienlijke verschil in ecologische vereisten. De “belangrijkste gebieden” voor dit subtype zijn: Waddenzee, Voordelta en Duinen Goeree & Kwade Hoek (101). De Waddenzee heeft verreweg de grootste oppervlakte van dit habitattype. Zwin & Kievittepolder (123) kan hieraan als grensoverschrijdend gebied worden toegevoegd. Het gebied grenst aan het door Vlaanderen aangemelde “SBZ Duinen inclusief IJzermonding en Zwin” (420 ha) met onder meer dit habitattype.
H1310A – Zilte pionierbegroeiingen, zeekraal Landelijke oppervlakte ca. 2.200 ha | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
001 | Waddenzee | A3 (50-75%) | RWS 2002-06, SBB 1999 |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | A1 (15-30%) | RWS 2004 |
118 | Oosterschelde | B1 (2-6%) | RWS 2001* |
Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden zijn voor dit habitattype de volgende vijf gebieden geselecteerd: Waddenzee (001), Duinen en Lage Land Texel (002)26, Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)27, Grevelingen (115) en Zwin en Kievittepolder (123)28.
In het Natura 2000 doelendocument (2006) is dit habitattype inmiddels in twee subtypen verdeeld (respectievelijk zeekraal en zeevetmuur) om recht te doen aan de ecologische variatie en gelet op het aanzienlijke verschil in ecologische vereisten. De “belangrijkste gebieden” voor dit subtype zijn: Waddenzee, Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122). Van deze gebieden herbergt Waddenzee de grootste oppervlakte (ongeveer 50% landelijke oppervlakte), voor Westerschelde (ongeveer 20%) en Oosterschelde (ongeveer 5%). Het vierde en vijfde gebied zijn Duinen en Lage Land Texel en Noordzeekustzone (007), deze gebieden bevatten net iets meer dan 2% van de landelijke oppervlakte van het subtype. De overige gebieden zijn slechts relatief kleine oppervlakten aanwezig.
H1310B – Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur) Landelijke oppervlakte ca. 300 ha | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
115 | Grevelingen | A3 (50-75%) | SBB 2003 |
007 | Noordzeekustzone | A1 (15-30%) | RWS 2004, SBB 1999, TOP10 |
002 | Duinen en Lage Land Texel | B2 (6-15%) | SBB 2005-06, DEF 2004 |
Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden zijn voor dit habitattype de volgende vijf gebieden geselecteerd: Waddenzee (001), Duinen en Lage Land Texel (002)21, Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)22, Grevelingen(115) en Zwin en Kievittepolder (123)23.
In het Natura 2000 doelendocument (2006) is dit habitattype inmiddels in twee subtypen verdeeld (respectievelijk zeekraal en zeevetmuur) om recht te doen aan de ecologische variatie en gelet op het aanzienlijke verschil in ecologische vereisten.
De “belangrijkste gebieden” voor dit subtype zijn: Grevelingen, Noordzeekustzone (007) en Duinen en Lage Land Texel. Van deze gebieden herbergt de Grevelingen verreweg de grootste oppervlakte (ca. 65%). Op de tweede plaats staat Noordzeekustzone waar zich recent op het Groene Strand van Schiermonnikoog ook een forse oppervlakte heeft ontwikkeld. Duinen Texel staat op de derde plaats hoewel niet duidelijk is of dit subtype in de Waddenzee niet meer voorkomt dan de beschikbare karteringen aangeven. Op de 5de plaats staat Kwade Hoek dat onderdeel is van Natura 2000-gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek. In de overige gebieden zijn slechts relatief kleine oppervlakten aanwezig.
H1330A – Schorren en zilte graslanden, buitendijks Landelijke oppervlakte ca. 9.900 ha | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
001 | Waddenzee | A3 (50-75%) | RWS 2002-06, SBB 1999 |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | A1 (15-30%) | RWS 2004 |
118 | Oosterschelde | B1 (2-6%) | RWS 2001 |
Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor dit habitattype de volgende vijf gebieden geselecteerd: Waddenzee (001), Duinen en Lage Land Texel (002)29, Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)30, Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe(122)31.
In het Natura 2000 doelendocument (2006) is dit habitattype in twee subtypen verdeeld (respectievelijk buitendijks en binnendijks) om recht te doen aan de ecologische variatie en gelet op het aanzienlijke verschil in ecologische vereisten. De drie “belangrijkste gebieden” voor dit subtype zijn: Waddenzee, Westerschelde & Saeftinghe en Oosterschelde, waarbij de Waddenzee aan top staat met meer dan de helft van het landelijk areaal. Op de tweede plaats staat Westerschelde met het uitgestrekte schorrengebied van het verdronken Land van Saeftinghe. Op de 4e plaats komt Duinen en Lage Land Texel. Duinen Goeree & Kwade Hoek dat op de 5e plaats stond, komt thans op de 7e plaats na Duinen Terschelling (004) en Noordzeekustzone (007), maar oppervlakten ontlopen elkaar niet veel.
H2110 – Embryonale duinen Landelijke oppervlakte ca. 500 ha | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
007 | Noordzeekustzone | A2 (30-50%) | RWS 2004, SBB 1999 |
001 | Waddenzee | A1 (15-30% | RWS 2002-06, SBB 1999 |
002 | Duinen en Lage Land Texel | B2 (6-15%) | SBB 2005-06, DEF 2004 |
004 | Duinen Terschelling | B2 (6-15%) | SBB 1999 |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | B1 (2-6%) | Aanwijzingsbesluit 2008 |
Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor dit habitattype de volgende vijf gebieden geselecteerd: Waddenzee (001), Duinen Terschelling (004), Zwin & Kievittepolder (123)32, Duinen Schiermonnikoog (006) en Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)33. Ten gevolge van herbegrenzing binnen het Waddengebied en het beschikbaar komen van meer kwantitatieve gegevens voldoen de volgende gebieden aan het criterium van “belangrijkste gebieden”: Noordzeekustzone (007), Waddenzee, Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Terschelling en Duinen Goeree & Kwade Hoek. Noordzeekustzone blijkt na het beschikbaar komen van meer kwantitatieve gegevens het “belangrijkste gebied” voor het habitattype. Dit habitattype wordt vooral aangetroffen op de koppen van de Waddeneilanden (onderdeel van de Natura 2000- gebieden 001 t/m 007) waar ruimte bestaat voor natuurlijke dynamiek. Ruim de helft van de landelijke oppervlakte van dit habitattype is gelegen in het Waddengebied. In het Deltagebied is het belangrijkste gebied voor dit habitattype Kwade Hoek, dat onderdeel uitmaakt van Duinen Goeree & Kwade Hoek, waarmee het gebied landelijk op de vijfde plek staat.
Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor het habitattype witte duinen (H2120) de volgende vijf gebieden geselecteerd: Waddenzee (001), Duinen Terschelling (004), Duinen Ameland (005), Duinen Schiermonnikoog (006) en Duinen Goeree & Kwade Hoek (101). Op grond van de huidige kennis voldoen de volgende gebieden aan het criterium van “belangrijkste gebieden”: Waddenzee (001), Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Terschelling (004), Duinen Ameland (005) en Noordhollands Duinreservaat (087). Deze gebieden herbergen meer dan 150 ha van dit habitattype. Zwin & Kievittepolder (123) kan hieraan als grensoverschrijdend gebied worden toegevoegd. Het gebied grenst aan het door Vlaanderen aangemelde “SBZ Duinen inclusief IJzermonding en Zwin” (420 ha) met onder meer dit habitattype.
Het gebied behoort tot één van de belangrijkste gebieden voor de volgende soorten:
Voor de fint (H1103) geldt het selectiecriterium “vijf belangrijkste gebieden”. Ten tijde van de selectie waren er drie gebieden geselecteerd voor deze soort, te weten: Waddenzee (001), Voordelta (113) en Haringvliet (109).
Naast de zoute kustwateren zijn potentiële leefgebieden voor de fint die zoete wateren die vanuit zee bereikbaar zijn. Finten trekken de rivier op tot daar waar het getij nog merkbaar is. De Biesbosch (112) behoort op basis hiervan ook tot de belangrijkste gebieden. Er wordt aangenomen dat het numerieke belang van elk van deze gebieden afgezet tegen de landelijke populatie meer dan 15% bedraagt. Het belang van andere gebieden waar de soort geregeld wordt aangetroffen, wordt ingeschat op minder dan 15%.
H1364 – Grijze zeehond Landelijke populatie 1.800-2.000 individuen | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
001 | Waddenzee | B3-B4 (>50%) | IMARES (2002-2006) |
007 | Noordzeekustzone | B1-B2 (2-15%) | Profielendocument, 2006 |
113 | Voordelta | B2 (2-6%) | Aanwijzingsbesluit 2008 |
Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden zijn de volgende twee gebieden voor de grijze zeehond geselecteerd: Waddenzee (001) en Noordzeekustzone (007). Hier bevindt zich ruim twee derde van de landelijke populatie, welke geschat wordt op 1.800-2.000 individuen. Daarmee voldoen deze twee gebieden aan het criterium “vijf belangrijkste gebieden van Nederland” dat op deze soort van toepassing is. Sinds de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden in 2003 is het aantal grijze zeehonden toegenomen in de Voordelta (113) van 9 individuen in 2002 tot ruim 200 individuen in 2006.
H1365 – Gewone zeehond Landelijke populatie 4.200-5.500 individuen | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
001 | Waddenzee | A3-A4 (>50%) | IMARES (2002-2006) |
007 | Noordzeekustzone | B1 (2-6%) | Zie noota |
113 | Voordelta | C (<2%) | Waterdienst RWS (2002-2006) |
122 | Westerschelde & Saefinghe | C (<2%) | Waterdienst RWS (2002-2006) |
118 | Oosterschelde | C (<2%) | Waterdienst RWS (2002-2006) |
Vanwege het ontbreken van gegevens is voor de schatting van het aandeel in de Noordzeekustzone gebruik gemaakt van het artikel “The importance of the North Sea for winter dispersal of harbours seals from the Wadden Sea” (Biological Conservation 81: 97-102). Hierbij is een schatting gemaakt van het aandeel in de populatie destijds (procentueel) uitgaande van de populatiegrootte in 1994 (10.500).
Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden zijn toentertijd de drie volgende gebieden voor deze soort geselecteerd: Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007) en Voordelta (113). In de Waddenzee gaat het om gemiddeld 3.500 exemplaren (> 60% landelijke populatie) waarvan een deel ’s winters in de aangrenzende Noordzeekustzone verblijft. In het Deltagebied gaat het recent om 110-170 exemplaren waarvan het merendeel in de Voordelta. Daarmee voldoen deze drie gebieden aan het criterium “vijf belangrijkste gebieden van Nederland” dat op deze niet- prioritaire soort van toepassing is. Op basis van recente gegevens blijkt dat het aantal individuen in Westerschelde & Saeftinghe (122) en Oosterschelde (118) is toegenomen.
De hier vermelde gebiedsdoelen en vermeldingen van de relatieve bijdrage van de Natura 2000-gebieden die buiten dit aanwijzingsbesluit vallen en waarvan de definitieve besluiten op het moment van vaststelling van het onderhavige besluit nog niet zijn vastgesteld, moeten worden beschouwd als “indicatieve” opgaven en kunnen nog aan verandering onderhevig zijn.
In dit onderdeel wordt voor iedere Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied is aangewezen, inzichtelijk gemaakt hoe de landelijke doelstelling is uitgewerkt in de Natura 2000-gebieden. Onder iedere tabel wordt de landelijke staat van instandhouding (SvI) van betreffende habitattype of (vogel)soort vermeld. Indien de landelijke doelstelling van de betreffende waarde afwijkt van wat kan worden verwacht uit de SvI, is dit hier gemotiveerd. Gebiedsdoelstellingen die afwijken van de landelijke doelstelling worden ook zoveel mogelijk gemotiveerd. In gevallen waarin motivering ontbreekt, is aanpassing nog in overweging (met name naar aanleiding van zienswijzen) in het kader van het besluit voor het betreffende gebied. Doelstellingen die volgens de tabellen zijn aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit (zie kolom “besluit”) staan eveneens onder de betreffende tabellen gemotiveerd. De instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en soorten die zijn toegevoegd naar aanleiding van zienswijzen, zijn in principe op behoud gesteld, omdat de landelijke doelstelling al haalbaar werd geacht zonder deze toevoegingen.
De niet-broedvogelsoorten waarvoor zowel landelijk als in alle gebieden een behoudsopgave is gesteld zijn samengevat in één tabel. Waar in de vogeltabellen wordt geschreven “A…b” betreft het een broedvogel en waar wordt geschreven “A…n" betreft het een niet-broedvogel. In een aparte kolom is van elk gebied de relatieve bijdrage vermeld. Voor een nadere toelichting en de klasse-indeling wordt verwezen naar de inleiding van onderdeel 3 van deze bijlage. In de kolom “Populatie” wordt tevens aangegeven of er sprake is van herstel dan wel uitbreiding.
H1110A – Permanent overstroomde zandbanken, getijdengebied Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | A4 | conform ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
Vrijwel het gehele landelijke areaal van dit subtype ligt in Natura 2000-gebieden. De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype permanent overstroomde zandbanken, getijdengebied (subtype A) is op het aspect kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. Voor de Voordelta is de doelstelling voor de kwaliteit op behoud gezet. Dit heeft te maken met het feit dat het overgrote deel van dit subtype aanwezig is in de Waddenzee, alwaar een verbeterdoelstelling geldt. Daarbij is herstel van de kwaliteit in de Voordelta afhankelijk van het herstel van het zoet-zout gradiënt met het Haringvliet zoals voorgesteld in de vorm van de “Kier”. Deze opgave ligt in het Haringvliet en niet in de Voordelta.
H1130 – Estuaria Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | A2 | wijzigingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | uitbreiding | verbetering | A3 | aanwijzingsbesluit |
Het gehele landelijke areaal van het habitattype estuaria ligt binnen het Natura 2000-netwerk. De staat van instandhouding van het habitattype is beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Het relatieve belang van Nederland is groot en wordt vertegenwoordigd door de Natura 2000-gebieden Waddenzee (001) en Westerschelde & Saeftinghe (122). De doelstelling van het gebied Westerschelde & Saeftinghe sluit aan op de landelijke doelstelling. Voor het gebied Waddenzee ligt het accent op behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit. In dit gebied kan voor een behoudsopgave voor oppervlakte worden gekozen omdat de Westerschelde op het aspect van uitbreiding een (veel) belangrijker bijdrage kan leveren aan de landelijke doelstelling van dit habitattype dan de Eems-Dollard. Voor de Westerschelde houdt kwaliteitsverbetering in: herstel van de afwisseling aan diverse deelecosystemen (laagdynamische en hoogdynamische, diepe en ondiepe, zoete en zoute delen en geleidelijke overgangen tussen al deze deelsystemen) met de bijbehorende hoge biodiversiteit. De kwaliteitsverbetering komt ook ten goede aan de instandhoudingsdoelstelling voor de belendende schorren (H1330). Voor de Westerschelde is behoud van het meergeulenstelsel en uitbreiding van de oppervlakte met laagdynamische delen (droogvallende platen en ondiepe wateren) noodzakelijk. Voor de Waddenzee heeft de beoogde kwaliteitsverbetering met name betrekking op het herstellen van een optimaal bodemleven en het bieden van een goed functionerende trekroute voor vissen. Tot de beoogde kwaliteitsverbetering behoort ook een zo spoedig mogelijk herstel van zeegrasvelden en mosselbanken.
H1140A – Slik- en zandplaten, getijdengebied Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | A4 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | C | doel toegevoegd |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
Vrijwel het gehele landelijke areaal van dit subtype ligt in Natura 2000-gebieden. De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype slik- en zandplaten, getijdengebied (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierbij aan. De doelstelling voor de gebieden Duinen en Lage Land Texel (001) en Duinen Goeree & Kwade Hoek (101) is op “behoud kwaliteit” gezet omdat hier geen aanwijzingen zijn voor negatieve kwaliteitsbeïnvloeding door menselijke activiteiten. De doelstelling voor de kwaliteit is voor de Voordelta op behoud gezet, vanwege het relatief lage aandeel (respectievelijk circa o,4% van de landelijke oppervlakte) van dit subtype in dit gebied.
H1310A – Zilte pionierbegroeiingen, zeekraal Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | A3 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | B1 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | doel vervallen | |||
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | B1 | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
118 | Oosterschelde | uitbreiding | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
121 | Yerseke en Kapelse Moer | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | uitbreiding | behoud | A1 | ontwerpbesluit |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
Vrijwel alle kweldergebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van habitattype zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig” en “gunstig”34. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect oppervlakte is met name gericht op de sterke achteruitgang in de Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122) door erosie van de schorren. Uitbreiding oppervlakte wordt daarom alleen in deze twee gebieden beoogd. Voor de overige gebieden is behoud oppervlakte voldoende.
H1310B – Zilte pionierbegroeiingen, zeevetmuur Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | B2 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | B2 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | doel vervallen | |||
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | doel vervallen | |||
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | A1 | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | A3 | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
Vrijwel alle kweldergebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype zilte pionierbegroeiingen, zeevetmuur (subtype B) is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling.
H1320 – Slijkgrasvelden Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit a | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | A2 | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
118 | Oosterschelde | behoud | geen | A2 | conform ontwerp |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | B2 | ontwerpbesluit |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
In een deel van de gebieden mag het areaal afnemen ten gunste van het habitattype H1310A zilte pionierbegroeiingen, zeekraal35.
Vrijwel alle kweldergebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000- netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype slijkgrasvelden is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling met betrekking tot de oppervlakte sluit hierop aan. De zeer ongunstige kwaliteit van het habitattype in Nederland wordt veroorzaakt door het geheel of vrijwel geheel verdwenen zijn van de belangrijkste typische soort klein slijkgras. Daarvan komen geen goed ontwikkelde vormen meer voor. Het habitattype komt wel veel voor in een vorm met Engels slijkgras, waarvan de kwaliteit lager wordt beoordeeld omdat deze soort die hier niet van nature voorkomt in de vorige eeuw is aangeplant. Deze matige vorm ontstaat vaak op plekken waar kwelders eroderen. Daarom mag in een deel van de gebieden het areaal afnemen ten gunste van het habitattype zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (H1310A). Herstel van de kwaliteit van de door klein slijkgras gedomineerde vormen van het habitattype wordt op dit moment niet als haalbaar gezien, doordat de vegetaties tegenwoordig geheel uit Engels slijkgras bestaan. Het landelijk doel is daarom behoud van de kwaliteit. De gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling, met uitzondering van de Oosterschelde, waar geen doelstelling is geformuleerd voor de kwaliteit van het habitattype. Door de aanwezigheid van de Oosterscheldekering staan de randgebieden van de Oosterschelde sterk onder druk, doordat er meer zand de Oosterschelde uit gevoerd wordt, dan dat er zand in komt. Deze randgebieden, waar zich het habitattype slijkgraslanden bevindt, vloeien hierdoor naar de diepere delen van de Oosterschelde, waardoor het lastig is om slijkgraslanden hier te behouden.
H1330A - Schorren en zilte graslanden, buitendijks Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | A3 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | B1 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | doel vervallen | |||
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | uitbreiding | verbetering | A1 | ontwerpbesluit |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
Vrijwel alle kweldergebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Waddenzee (001) en Westerschelde & Saeftinghe (122) herbergen tezamen meer dan 80% van de landelijke oppervlakte en kunnen daarmee ook de grootste bijdrage leveren aan de herstelopgave. In de andere gebieden is het habitattype reeds in goede kwaliteit aanwezig (dus behoud is voldoende) of is herstel waarschijnlijk niet mogelijk gegeven de getijdedemping ten gevolge van de aanleg van de stormvloedkering (Oosterschelde (118)).
Met deze gebiedsdoelen wordt de landelijke doelstelling voldoende afgedekt.
H1330B – Schorren en zilte graslanden, binnendijks Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en kwaliteit | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | B1 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | B2 | conform ontwerp |
091 | Polder Westzaan | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | A2 | ontwerpbesluit |
118 | Oosterschelde | uitbreiding | behoud | B2 | ontwerpbesluit |
121 | Yerseke & Kapelse Moer | behoud | behoud | A1 | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
124 | Groote Gat | geen | geen | C | ontwerpbesluit |
Van het habitattype schorren en zilte graslanden, binnendijks (H1330B) is bijna driekwart van de landelijke oppervlakte opgenomen in het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het subtype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling wijkt af op het aspect kwaliteit, omdat de “matig ongunstige” staat van instandhouding van de kwaliteit het gevolg is van de ongunstige situatie in het Noord-Hollandse veenweidegebied (onder andere Polder Westzaan, 091). Door vermindering van zoute kwel staan de betreffende zilte vegetaties daar sterk onder druk. Daarom is alleen in Polder Westzaan (091) een verbeterdoelstelling neergelegd.
H2110 – Embryonale duinen Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | A1 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | B2 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | doel vervallen | |||
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | B2 | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | doel vervallen | |||
006 | Duinen Schiermonnikoog | doel vervallen | |||
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | A2 | conform ontwerp |
086 | Schoorlse Duinen | uitbreiding | behoud | C | ontwerpbesluit |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
116 | Kop van Schouwen | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000- netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype embryonale duinen is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Met één uitzondering zijn de gebiedsdoelen in overeenstemming met de landelijke doelstelling. Het gebiedsdoel voor Schoorlse Duinen (086) wijkt af van het landelijk doel op het aspect oppervlakte. Het habitattype is langs de Hollandse kust betrekkelijk zeldzaam en door recente inrichtingsmaatregelen is er een situatie ontstaan met uitbreidingsmogelijkheden voor het habitattype in dit gebied. Met een uitbreidingsdoelstelling wordt beoogd optimaal gebruik te maken van de ecologische potenties van het gebied.
H2120 – Witte duinen Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit a | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | B2 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | B2 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | B1 | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | B2 | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | behoud | behoud | B2 | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | behoud | behoud | B1 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | doel vervallen | |||
084 | Duinen Den Helder – Callantsoog | behoud | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | behoud | verbetering | C | ontwerpbesluit |
086 | Schoorlse Duinen | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
087 | Noordhollands Duinreservaat | uitbreiding | verbetering | B2 | ontwerpbesluit |
088 | Kennemerland-Zuid | uitbreiding | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
096 | Coepelduynen | behoud | verbetering | C | ontwerpbesluit |
097 | Meijendel & Berkheide | behoud | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
099 | Solleveld & Kapittelduinen | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
100 | Voornes Duin | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
116 | Kop van Schouwen | behoud | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
117 | Manteling van Walcheren | behoud | behoud | B1 | doel toegevoegd |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | verbetering | C | ontwerpbesluit |
Verbetering kwaliteit wordt vooral nagestreefd in de duinen van de vastelandskust en het Deltagebied.
Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype witte duinen is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De doelstelling van verbetering kwaliteit wordt nagestreefd door het optimaliseren van verstuiving. In de gebieden waar deze ontwikkeling conflicteert met de veiligheid van het achterliggende land, is geen verbeterdoelstelling neergelegd (zoals in Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)). In het Waddengebied komt het habitattype reeds over een groot oppervlakte en in goede kwaliteit voor. Ook voor deze gebieden is een behoudsopgave geformuleerd.
Voor de gebieden langs de (Noord-)Hollandse kust (Schoorlse Duinen (086), Noordhollands Duinreservaat (087) en Kennemerland-Zuid (088)) is, in tegenstelling tot het landelijk doel, gekozen voor de doelstelling uitbreiding oppervlakte. Vanwege de grote breedte van het duingebied is uitbreiding van witte duinen in deze gebieden goed mogelijk. Dit is vooral van belang voor de uitbreidingsopgave van het prioritaire type grijze duinen (*H2130).
H2130A – *Grijze duinen, kalkrijk Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | C | doel toegevoegd |
002 | Duinen en Lage Land Texel | uitbreiding | verbetering | B1 | doel aangepasta |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | C | doel toegevoegd |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | B1 | doel toegevoegd |
005 | Duinen Ameland | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
087 | Noordhollands Duinreservaat | uitbreiding | verbetering | A1 | ontwerpbesluit |
088 | Kennemerland-Zuid | uitbreiding | verbetering | A2 | ontwerpbesluit |
096 | Coepelduynen | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
097 | Meijendel & Berkheide | uitbreiding | verbetering | B2 | ontwerpbesluit |
098 | Westduinpark & Wapendal | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
099 | Solleveld & Kapittelduinen | uitbreiding | verbetering | C | doel aangepast b |
100 | Voornes Duin | uitbreiding | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | uitbreiding | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
116 | Kop van Schouwen | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
117 | Manteling van Walcheren | behoud | behoud | C | doel toegevoegd |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
De doelstelling voor Duinen en Lage Land Texel is aangepast, omdat op dit Waddeneiland relatief veel kalkrijke bodem aanwezig is, waar goede mogelijkheden zijn voor uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van dit habitattype.
De doelstelling voor Solleveld & Kapittelduinen is aangepast, omdat uitbreiding van de oppervlakte mogelijk is vanuit vergraste en verstruweelde duingraslanden.
Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype grijze duinen, kalkrijk (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig” en “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In afwijking van de landelijke doelstelling is voor gebieden met een relatief geringe bijdrage (onder andere Duinen Ameland (005), Duinen Schiermonnikoog (006), Zwin & Kievittepolder (123)) aan deze landelijke doelstelling gekozen voor een behoudsdoelstelling.
Ook voor het gebied Coepelduynen (096) geldt een behoudsopgave, omdat het habitattype daar nog in goed ontwikkelde vorm voorkomt en er geen mogelijkheden zijn voor uitbreiding van de oppervlakte.
H2130B – *Grijze duinen, kalkarm Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | B1 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | uitbreiding | verbetering | B2 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | uitbreiding | verbetering | B2 | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | B2 | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | uitbreiding | verbetering | B1 | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | uitbreiding | verbetering | B1 | conform ontwerp |
084 | Duinen Den Helder – Callantsoog | behoud | behoud | B2 | ontwerpbesluit |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | uitbreiding | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
086 | Schoorlse Duinen | uitbreiding | verbetering | B2 | ontwerpbesluit |
087 | Noordhollands Duinreservaat | uitbreiding | verbetering | B2 | ontwerpbesluit |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud | verbetering | B2 | ontwerpbesluit |
097 | Meijendel & Berkheide | uitbreiding | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
099 | Solleveld & Kapittelduinen | uitbreiding | verbetering | C | doel aangepasta |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
116 | Kop van Schouwen | uitbreiding | verbetering | B2 | ontwerpbesluit |
117 | Manteling van Walcheren | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
De doelstelling voor Solleveld & Kapittelduinen is aangepast, omdat uitbreiding van de oppervlakte mogelijk is vanuit vergraste en verstruweelde duingraslanden.
Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000- netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype grijze duinen, kalkarm (subtype B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig” en “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De doelstellingen voor de gebieden Duinen Goeree & Kwade Hoek (101) en Duinen Den Helder – Callantsoog (084) wijken af van de landelijke doelstelling, omdat het habitattype in deze gebieden reeds in goed ontwikkelde vorm aanwezig is en er geen mogelijkheden zijn voor uitbreiding van de oppervlakte. Ook de doelstelling van het gebied Grevelingen (115) wijkt af van de landelijke doelstelling, omdat het gebied te weinig kustdynamiek heeft om uitbreiding of verbetering te kunnen realiseren. Vanwege de dynamische omstandigheden in de Waddenzee (001) is uitbreiding van de oppervlakte in dit gebied niet mogelijk. Hier wordt dan ook alleen ingezet op verbetering van de kwaliteit. Ook in het gebied Kennemerland-Zuid (088) wordt alleen ingezet op verbetering van de kwaliteit, aangezien de overwegend kalkrijke bodem hier geen mogelijkheden biedt voor uitbreiding van de oppervlakte.
H2160 – Duindoornstruwelen Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit… a | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud a | behoud | B1 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | behoud | behoud | B1 | conform ontwerp |
084 | Duinen Den Helder – Callantsoog | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
086 | Schoorlse Duinen | behoud a | behoud | C | ontwerpbesluit |
087 | Noordhollands Duinreservaat | behoud a | behoud | B2 | ontwerpbesluit |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud a | behoud | A2 | ontwerpbesluit |
096 | Coepelduynen | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
097 | Meijendel & Berkheide | behoud a | behoud | B2 | ontwerpbesluit |
098 | Westduinpark & Wapendal | behoud a | behoud | C | ontwerpbesluit |
099 | Solleveld & Kapittelduinen | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
100 | Voornes Duin | behoud a | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud a | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
116 | Kop van Schouwen | behoud a | behoud | B2 | ontwerpbesluit |
117 | Manteling van Walcheren | behoud a | behoud | C | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
… van goed ontwikkelde vormen in de gebieden waar het type een belangrijke positie in het duinlandschap inneemt. Enige achteruitgang in oppervlakte is toegestaan ten gunste van uitbreiding oppervlakte van habitattypen *grijze duinen (H2130), duinbossen (H2180) of vochtige duinvalleien (H2190), mits de totale oppervlakte van goed ontwikkelde vormen niet afneemt36.
Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype duindoornstruwelen is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling. Aan een groot deel van de gebieden is een ten gunste formulering toegevoegd. Afhankelijk van het voorkomen in deze gebieden zullen één of meerdere van de begunstigde habitattypen (*H2130, H2180 of H2190) in de “ten gunste formulering” van de betreffende gebieden zijn opgenomen.
H2170 – Kruipwilgstruwelen Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit a | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | C | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | B2 | Aanwijzingsbesluit |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | C | Aanwijzingsbesluit |
004 | Duinen Terschelling | behoud b | behoud | A1 | Aanwijzingsbesluit |
005 | Duinen Ameland | behoud b | behoud | B2 | Aanwijzingsbesluit |
006 | Duinen Schiermonnikoog | behoud b | behoud | B1 | Aanwijzingsbesluit |
084 | Duinen Den Helder – Callantsoog | uitbreiding | verbetering | C | Aanwijzingsbesluit |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | behoud | behoud | C | Aanwijzingsbesluit |
086 | Schoorlse Duinen | behoud | behoud | C | Aanwijzingsbesluit |
087 | Noordhollands Duinreservaat | behoud b | behoud | B1 | Aanwijzingsbesluit |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud b | behoud | C | Aanwijzingsbesluit |
100 | Voornes Duin | behoud b | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | A1 | Aanwijzingsbesluit |
116 | Kop van Schouwen | behoud b | behoud | B1 | Aanwijzingsbesluit |
117 | Manteling van Walcheren | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
Lokaal uitbreiding oppervlakte van goed ontwikkelde vormen en lokaal verbetering kwaliteit.
De oppervlakte mag afnemen ten gunste van het habitattype vochtige duinvalleien (H2190)37.
Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype kruipwilgstruwelen is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling. De lokale uitbreiding- en verbeteringdoelstelling ligt in het gebied Duinen Den Helder – Callantsoog (084). Het habitattype komt hier in geringe mate voor in matige tot goede kwaliteit en het gebied heeft goede potentie voor herstel.
H2190B – Vochtige duinvalleien, kalkrijk Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | uitbreiding | verbetering | B2 | doel aangepasta |
003 | Duinen Vlieland | uitbreiding | behoud | C | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | behoud | B2 | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | uitbreiding | verbetering | C | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | uitbreiding | verbetering | C | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | B1 | conform ontwerp |
084 | Duinen Den Helder – Callantsoog | uitbreiding | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
087 | Noordhollands Duinreservaat | uitbreiding | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
088 | Kennemerland-Zuid | uitbreiding | verbetering | B2 | ontwerpbesluit |
097 | Meijendel & Berkheide | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
099 | Solleveld & Kapittelduinen | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
100 | Voornes Duin | uitbreiding | verbetering | B2 | aanwijzingsbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | uitbreiding | verbetering | B2 | aanwijzingsbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | uitbreiding | behoud | C | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | A2 | ontwerpbesluit |
116 | Kop van Schouwen | uitbreiding | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
117 | Manteling van Walcheren | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
Voor het gebied Duinen en Lage Land Texel (002) is het doel voor de oppervlakte aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit omdat het beheer reeds blijkt te zijn gericht op uitbreiding.
Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype vochtige duinvalleien, kalkrijk (2190B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Wanneer er geen potentiële herstel mogelijkheden aanwezig zijn binnen de begrenzing van het gebied door bijvoorbeeld de mate van dynamiek, zoals in Waddenzee (001) en Noordzeekustzone (007), is er behoudsdoelstelling neergelegd. Alle verbeterdoelstellingen sluiten aan op reeds ingezet hydrologisch herstel (Waddeneilanden en Hollandse kust) en regeneratie van duinvalleien in duingebieden die door waterwinning zijn aangetast. Voor duurzaam voortbestaan van jonge stadia en de rijke variatie aan vochtige duinvalleien, is vergroting van dynamiek door wind en zee noodzakelijk in een deel van de gebieden. Een dergelijke ontwikkeling wordt nagestreefd op plaatsen waar dit niet in conflict is met de veiligheid van het achterliggend land.
H1014 – Nauwe korfslak Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | behoud | C | doel toegevoegd |
087 | Noordhollands Duinreservaat | behoud | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud | behoud | behoud | A1 | ontwerpbesluit |
097 | Meijendel & Berkheide | behoud | behoud | behoud | A1 | ontwerpbesluit |
099 | Solleveld & Kapittelduinen | behoud | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
100 | Voornes Duin | behoud | behoud | behoud | A1 | aanwijzingsbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
116 | Kop van Schouwen | behoud | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
117 | Manteling van Walcheren | behoud | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
154 | Geleenbeekdal | behoud | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de nauwe korfslak is op het aspect populatie onbekend38. Op het aspect leefgebied is de staat van instandhouding beoordeeld als “matig ongunstig”. Dit laatste wordt vermoedelijk veroorzaakt door de toestand van de duinen, verreweg het belangrijkste leefgebied. De hoeveelheid geschikt habitat (met name populierenbos) vertoont hier een lichte afname. Dit heeft twee oorzaken. Ten eerste neemt door natuurlijk successie in de duinen het oppervlak aan eikenbos toe. Ten tweede worden populierachtigen en daarmee vergelijkbare soorten op zeer veel plaatsen gekapt omdat ze niet als inheems worden beschouwd. De landelijke geformuleerde behoudsdoelstelling wordt met deze ontwikkelingen een behoorlijke opgave. In de kalkrijke duinen moeten leefgebieden voor de soort (per saldo) behouden blijven voor behoud van de populatie. Alle gebiedsdoelen sluiten aan bij de landelijke doelstelling die gericht is op behoud. Op langere termijn is meer inzicht nodig in verspreiding, populatiedynamiek en ecologie van deze soort om adequate bescherming mogelijk te maken.
H1095 – Zeeprik Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | conform ontwerp |
067 | Gelderse Poort | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
068 | Uiterwaarden Waal | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
111 | Hollands Diep | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | concept-ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | aanwijzingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | uitbreiding | C | ontwerpbesluit |
150 | Roerdal | behoud | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de zeeprik is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig” 39. De doelstelling van de gebieden Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007), Haringvliet (109), Hollands Diep (111), Biesbosch (112), Voordelta (113), Westerschelde & Saeftinghe (122) en Roerdal (150) wijkt op het aspect omvang leefgebied af van de landelijke doelstelling, omdat het leefgebied voor de soort hier niet kan worden uitgebreid. De doelstelling van de gebieden Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007), Hollands Diep (111), Biesbosch (112), Voordelta en Westerschelde & Saeftinghe (122) wijkt op het aspect kwaliteit leefgebied af van de landelijke doelstelling, omdat de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding op dit aspect niet wordt veroorzaakt door deze gebieden.
H1099 – Rivierprik Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | conform ontwerp |
025 | Drentsche Aa-gebied | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | concept-ontwerp |
067 | Gelderse Poort | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
068 | Uiterwaarden Waal | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
111 | Hollands Diep | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | concept-ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | aanwijzingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | uitbreiding | C | ontwerpbesluit |
150 | Roerdal | behoud | verbetering | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
152 | Grensmaas | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | ontwerpbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de rivierprik is voor de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”. De doelstellingen van de gebieden Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007), Drentsche Aa-gebied (025), Hollands Diep (111), Biesbosch (112), Voordelta (113), Westerschelde & Saeftinghe (122) en Grensmaas (152), wijken op het aspect leefgebied af van de landelijke doelstelling. De landelijke matig ongunstige staat van instandhouding van de soort wordt niet veroorzaakt in deze gebieden. Door behoud van het leefgebied en het nemen van maatregelen elders wordt in deze gebieden uitbreiding van de populatie beoogd. In Haringvliet (109) en Roerdal (150) is uitbreiding van het leefgebied ook niet aan de orde, maar is wel kwaliteitsverbetering van het leefgebied ten doel gesteld. In het Roerdal en Haringvliet worden verbindingen met andere gebieden gelegd, in de uiterwaarden van de Neder-Rijn worden mogelijkheden voor de rivierprik als opgroeigebied verbeterd. De doelstelling van het gebied Gelderse Poort (067) sluit aan bij de landelijke doelstelling.
H1103 – Fint Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | conform ontwerp |
109 | Haringvliet | behoud | verbetering | uitbreiding | A1 | ontwerpbesluit |
111 | Hollands Diep | behoud | behoud | uitbreiding | B1 | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | concept-ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | uitbreiding | A1 | aanwijzingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | uitbreiding | C | ontwerpbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de fint is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. Landelijk is daarom uitbreiding van de populatie ten doel gesteld. Door behoud van doortrekgebieden en potentiële paaiplaatsen kan dit worden gerealiseerd. Alle gebiedsdoelen sluiten hierop aan. Alleen voor het Haringvliet wijkt de doelstelling voor kwaliteit af van de landelijke doestelling. De verbetering van de kwaliteit heeft betrekking op onder andere de verbinding met het gebied Voordelta, zoals voorgesteld in de vorm van de “Kier”, waarbij de Haringvlietsluizen op een kier gezet zullen worden.
H1340 – *Noordse woelmuis Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | behoud | C | conform ontwerp-wijzigingsbesluit x |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | verbetering | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
009 | Groote Wielen | uitbreiding | verbetering | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
010 | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
013 | Alde Feanen | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
072 | IJsselmeer | uitbreiding | behoud | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
089 | Eilandspolder | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
090 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
091 | Polder Westzaan | behoud | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
092 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | behoud | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
095 | Oostelijke Vechtplassen | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | B1 | aanwijzingsbesluit |
100 | Voornes Duin | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
108 | Oude Maas | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
109 | Haringvliet | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | B1 | aanwijzingsbesluit |
111 | Hollands Diep | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
112 | Biesbosch | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | B2 | aanwijzingsbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
115 | Grevelingen | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | B2 | aanwijzingsbesluit |
116 | Kop van Schouwen | behoud | verbetering | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
118 | Oosterschelde | uitbreiding | behoud | uitbreiding | B1 | aanwijzingsbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de noordse woelmuis is op het aspect leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Landelijke uitbreiding van de populatie wordt vooral beoogd in de Friese gebieden omdat het leefgebied vooral daar sterk versnipperd is geraakt. De doelstellingen uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied en uitbreiding populatie zijn verder neergelegd in gebieden die daarvoor mogelijkheden bieden (bijvoorbeeld in het kader van natuurontwikkeling) of waar duidelijke aanwijzing is dat de soort recent is achteruitgegaan. In Duinen en Lage Land Texel (002) staat het doel voor omvang van het leefgebied op “behoud” omdat de soort al over het gehele eiland voorkomt. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied is vooral nodig om de populatie weerstand te kunnen laten bieden tegen concurrentie met andere diersoorten. In de aangrenzende Waddenzee (001) is ook de kwaliteit van het leefgebied al goed. In IJsselmeer (072) en Oosterschelde (118) is op het aspect kwaliteit van de landelijke opgave afgeweken. In de Oosterschelde is de kwaliteit al op orde; derhalve is behoud voldoende. In het IJsselmeer is afgeweken omdat hier de mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit beperkt zijn. In Krammer-Volkerak (114) is afgeweken omdat verwacht wordt dat de oppervlakte geschikt leefgebied (eilanden) nagenoeg gelijk zal blijven.
H1351 – Bruinvis Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | behoud | C | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
007 | Noordzeekustzone | behoud | verbetering | behoud | B1 | wijzigingsbesluit a |
113 | Voordelta | behoud | verbetering | behoud | C | wijzigingsbesluit |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
163 | Vlakte van de Raan | behoud | verbetering | behoud | C | wijzigingsbesluit b |
164 | Doggersbank | behoud | behoud | behoud | B1 | Aanwijzingsbesluit b |
165 | Klaverbank | behoud | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
Wijzigingsbesluit Noordzeekustzone, Staatscourant 4 oktober 2012, nr.20040.
Wijzigingsbesluit Vlakte van de Raan, Staatscourant 20 maart 2013, nr.7442.
De landelijke staat van instandhouding van de bruinvis is beoordeeld als “matig ongunstig”40. De landelijke doelstelling sluit wat het aspect leefgebied betreft daarop aan: “behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie” (zie de toelichting in de tweede alinea). Het aspect populatie wordt, ondanks een geschat aantal bruinvissen dat hoger is dan de referentiewaarde, gewaardeerd met een matig ongunstige staat van instandhouding omdat de populatie een onevenwichtige leeftijdsopbouw lijkt te hebben41. De oorzaken van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding kunnen op basis van de beschikbare informatie niet worden gekoppeld aan de afzonderlijke gebieden omdat de populatie in de Nederlandse Noordzee deel uitmaakt van een veel grotere populatie van de zuidelijke Noordzee.
Op basis van beschikbare informatie met betrekking tot de specifieke ecologische functie voor de bruinvis kan geen onderscheid gemaakt worden ten aanzien van het belang van de afzonderlijke gebieden enerzijds en de rest van de Noordzee anderzijds. Bescherming van de sterk mobiele soort in een specifiek gebied is daarom niet geëigend, maar moet aansluiten bij de relevante ecologische schaal van het voorkomen van de populatie bruinvissen (het zuidelijke deel van de Noordzee). Hiervoor is een generieke, Noordzee-brede aanpak nodig. Het Bruinvisbeschermingsplan42 gaat daarom uit van het beginsel dat generieke bescherming meer geëigend is dan bescherming in een specifiek gebied.
De doelstelling voor de gebieden Noordzeekustzone (007), Voordelta (113) en Vlakte van de Raan (163) sluiten aan bij de landelijke doelstelling. Voor de gebieden Doggersbank (164) en Klaverbank (165) is behoud tot doel gesteld om verdere achteruitgang te voorkomen. In de gebieden Waddenzee (001), Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122) is gekozen voor een behoudsdoelstelling voor de kwaliteit van het leefgebied omdat de kwaliteit daarvan reeds voldoende goed is. De oorzaken van de matig ongunstige staat van instandhouding (zoals genoemd in het profiel voor deze soort) zijn niet van toepassing in deze gebieden.
Met deze benadering, waarbij een generieke, Noordzee-brede aanpak voor de bescherming van de bruinvis (ook buiten Natura 2000-gebieden) is aangevuld met een verbeterdoel in een deel van de gebieden, wordt een landelijk gunstige staat van instandhouding van het leefgebied nagestreefd op een haalbare en betaalbare manier.
H1364 – Grijze zeehond Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | behoud | A3 | aanwijzingsbesluit |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | behoud | B1-B2 | aanwijzingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
163 | Vlakte van de Raan | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
164 | Doggersbank | behoud | behoud | behoud | C | in voorbereiding |
165 | Klaverbank | behoud | behoud | behoud | C | in voorbereiding |
De landelijke staat van instandhouding van de grijze zeehond is op het aspect populatie beoordeeld als “gunstig”. Op het aspect leefgebied is de staat van instandhouding beoordeeld als “matig ongunstig”, omdat veel ligplaatsen door verstoring ongeschikt zijn. Grijze zeehonden moeten daarom, voor het werpen van jongen, zandbanken opzoeken die regelmatig overspoeld worden. Hierdoor treedt frequent sterfte van jongen op. Het is onduidelijk of het huidige leefgebied geschikt genoeg is voor een duurzame populatie zonder immigratie. Recent neemt het aantal in de Nederlandse kustwateren geboren pups toe en neemt de immigratie vanuit het Verenigd Koninkrijk af. Uit tellingen van 2010 blijkt dat de grijze zeehond in grotere aantallen voorkomt dan als streefbeeld in het profiel is opgenomen. Dit lijkt te indiceren dat het ontbreken van voldoende permanent droge en onverstoorde ligplaatsen voor het werpen en zogen van jongen een minder groot probleem is dan eerder verondersteld. Daarom kan worden volstaan met een landelijke behoudsopgave voor de kwaliteit van het leefgebied . De gebiedsdoelstellingen sluiten hierop aan.
Naast de Waddenzee (001) is de Noordzeekustzone (007) het belangrijkste gebied voor de grijze zeehond in Nederland. Het gebied heeft, met name in de winter, een belangrijke foerageerfunctie. Gelet op de recente toename van de soort, wordt een behoudsdoelstelling voorlopig voldoende geacht. De gebiedsdoelstellingen sluiten hierop aan. Voor de gebieden in de Exclusieve Economische Zone (EEZ), Doggersbank (164) en Klaverbank (165), moet het volgende opgemerkt worden: op basis van beschikbare informatie over de ecologische functie van deze gebieden voor de grijze zeehond kan geen onderscheid gemaakt worden ten aanzien van het belang van de afzonderlijke gebieden enerzijds en de rest van de EEZ anderzijds. Hetzelfde is van toepassing voor de Vlakte van de Raan (163), dat mogelijk als foerageergebied dient voor dieren die zich in de nabije omgeving voortplanten of door het gebied trekken.
In die Natura 2000-gebieden waar droogvallende zandplaten en/of embryonale duinen (rust- en voortplantingsgebied) aanwezig zijn, kunnen gebiedsspecifieke maatregelen gericht op de verstoring een bijdrage leveren aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling. Voor mariene gebieden waar deze ligplaatsen niet zijn, zijn generieke maatregelen met betrekking tot verstorende activiteiten meer geëigend.
H1365 – Gewone zeehond Landelijke doelstelling: behouda omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | uitbreiding | A3 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | behoud | B1 | conform ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
118 | Oosterschelde | behoud | verbetering | uitbreiding | C | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | verbetering | uitbreiding | C | ontwerpbesluit |
De landelijke doelstelling voor “omvang leefgebied” is gewijzigd in “behoud” omdat het uitsluitend een kwaliteitsprobleem betreft. Toename van areaal rustig gebied heeft betrekking op de kwaliteit van het reeds aanwezige gebied (zie besluit Voordelta).
De gewone zeehond verkeert landelijk in een gunstige staat van instandhouding. De populatie neemt de laatste decennia gestaag toe en het verspreidingsgebied is stabiel. Het overgrote deel van de populatie bevindt zich in de Waddenzee. De ligplaatsen zijn hier goed beschermd, vooral tijdens zoog- en verharingstijd. Met behoud van het huidige leefgebied wordt een uitbreiding van de populatie ten doel gesteld. De gestage groei van de populatie zal de komende jaren naar verwachting doorzetten, mits virussen uitblijven. Ook in de Noordzeekustzone, welke met name een foerageerfunctie voor de populatie uit de Waddenzee kent, gaat het goed met de soort. In dit gebied is geen uitbreiding voor de populatie ten doel gesteld. Zuid-west Nederland herbergt geen levensvatbare populatie. De oorzaak hiervan is een te laag geboortecijfer in het Deltagebied, waardoor de kleine populatie in zichzelf niet in stand kan houden. In het Deltagebied wordt gestreefd naar een regionale populatie van ten minste 200 exemplaren, waarbij de Voordelta de grootste bijdrage levert. Om dit doel te bereiken zal in de gebieden Voordelta, Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinghe het areaal aan onverstoorde gebied moeten toenemen zodat ze meer geschikt worden voor voortplanting. De landelijke doelstelling voor “omvang leefgebied” is gewijzigd in “behoud”, uitbreiding van de oppervlakte is niet aan de orde, omdat het uitsluitend een kwaliteitsprobleem betreft. Toename van areaal rustig gebied heeft betrekking op de kwaliteit van het reeds aanwezige gebied.
H1903 – Groenknolorchis Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit biotoop ten behoeve van uitbreiding populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | behoud | C | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | behoud | A1 | aanwijzingsbesluit |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | behoud | A1 | aanwijzingsbesluit |
005 | Duinen Ameland | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
006 | Duinen Schiermonnikoog | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
018 | Rottige Meenthe & Brandemeer | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
034 | Weerribben | behoud | behoud | behoud | A1 | aanwijzingsbesluit |
035 | De Wieden | behoud | behoud | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
072 | IJsselmeer | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | behoud | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
088 | Kennemerland-Zuid | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
094 | Naardermeer | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
095 | Oostelijke Vechtplassen | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
100 | Voornes Duin | uitbreiding | behoud | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
116 | Kop van Schouwen | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de habitatsoort groenknolorchis is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”43. De landelijke opgave sluit hierop aan. De kansen voor uitbreiding van populaties zijn in de meeste gebieden echter beperkt; er is daarom veelal voor een behoudopgave gekozen. In de gebieden Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Vlieland (003), Duinen Terschelling (004), Duinen Schiermonnikoog (006) en Weerribben (034) is voor een behoudopgave gekozen, omdat de biotoop hier in voldoende mate en kwaliteit voorkomt. De behoudopgave in Waddenzee (001) en Noordzeekustzone (007) sluit hierop aan, omdat het dezelfde populaties betreft als die op de genoemde eilanden. In de Deltagebieden (Grevelingen (115) en Westerschelde & Saeftinghe (122)), hangen de ontwikkelingen van de populatie samen met de fluctuerende waterstanden en natuurlijke successie. In het IJsselmeer (072) worden de mogelijkheden voor herstel of uitbreiding zeer laag ingeschat. In de gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen (085), Naardermeer (094), Oostelijke Vechtplassen (095) en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) gaat het om kleine populaties, waarvoor momenteel geen tot weinig uitbreidingsmogelijkheden worden gezien.
A034 – Lepelaar Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | 430a | A2 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | 120 | B2 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | 170 | B2 | conform ontwerp |
078 | Oostvaardersplassen | behoud | behoud | 200 (↑) | B2 | ontwerpbesluit |
079 | Lepelaarplassen | behoud | behoud | 20 | C | ontwerpbesluit |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | behoud | behoud | 70 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
100 | Voornes Duin | behoud | behoud | 100 | B2 | aanwijzingsbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | 30 (↑) | C | concept-ontwerp |
119 | Veerse Meer | behoud | behoud | 10 | C | ontwerpbesluit |
127 | Markiezaat | behoud | behoud | 20 (↑) | C | ontwerpbesluit |
Het doel is aangepast naar 430 paren, in het ontwerpbesluit was abusievelijk 340 paren vermeldt als doelstelling.
De landelijke staat van instandhouding van de lepelaar is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “gunstig”. De Nederlandse broedpopulatie laat sinds 1981 een matige toename zien. De toename geldt het sterkst voor de Waddeneilanden, daarnaast zijn er enkele nieuwe kolonies ontstaan in onder andere Markiezaat (127) en Krammer-Volkerak (114). De verbeterde waterkwaliteit en de goede soortbescherming hebben hieraan bijgedragen. De soort is daardoor in de afgelopen decennia minder kwetsbaar geworden.
Gezien de gunstige staat van instandhouding is de landelijke doelstelling gericht op behoud van het leefgebied en de bijbehorende populatie. De gebiedsdoelstellingen sluiten hierop aan. In enkele gebieden wordt met het behoud van het huidige leefgebied een hoger aantal broedparen beoogd. Dit geldt voor de Oostvaardersplassen (078), Zwanenwater & Pettermerduinen (085), Krammer-Volkerak (114) en Markiezaat (127). In de Oostvaardersplassen en Zwanenwater & Pettemerduinen sluiten de beoogde doelstellingen aan bij de potentie van het leefgebied. In het Krammer-Volkerak en Markiezaat komt de soort in toenemende mate voor, de gemiddelden uit SOVON & CBS (2006) zijn hierop aangepast bij het formuleren van de doelstellingen. Vrijwel de gehele landelijke doelstelling zal binnen het Natura 2000-netwerk worden gerealiseerd.
A063 – Eider Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | 5.000 | A3 | doel aangepasta |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | 110 | C | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | 2.100 | A1 | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | uitbreiding | verbetering | 100 (↑) | C | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | behoud | behoud | 200 | A1 | doel aangepasta |
Een deel (2.300) van het aantal dat eerder aan dit gebied was toegekend, is overgeheveld naar Waddenzee omdat de betreffende paren in het kweldergebied van het eiland nestelen dat onderdeel is van de Waddenzee. Het doel voor het leefgebied in de Waddenzee is aangepast in verbetering kwaliteit. De landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is mede gevolg van de afname van het voedselaanbod en de daaraan verbonden sterfte met name in dit gebied.
De landelijke staat van instandhouding van de eider is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied als “zeer ongunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling omvat een behoudsopgave voor het leefgebied met een doelniveau van 8.000 broedparen. Vanwege de aard van de leefgebieden is de populatie vrijwel beperkt tot Natura 2000-gebieden. Het genoemde doelniveau is de ondergrens van aantal schattingen in de periode 1999-2003 (8.000- 10.000). De getelde aantallen komen op een lager totaal uit (afgerond 7.500 paren) omdat er bij de landelijke aantalsopgave vanuit is gegaan dat de tellingen een onderschatting zijn van de populatiegrootte.
Reden voor de zeer ongunstige staat instandhouding op het aspect populatie is de recente slechte voorplanting. Dit hangt samen met de afname van voedselaanbod en de daaraan verbonden sterfte. De landelijke doelstelling is daarom aangepast in “behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud van 8.000 broedparen”. Dit valt samen met verbeteropgaven voor de habitattypen H1110A en H1140A in het Waddengebied en noodzakelijk geacht om de broedpopulatie niet verder te laten afnemen. Deze doelstelling geldt met name voor de Waddenzee. In Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Vlieland (003) en Duinen Schiermonnikoog (006) wordt behoud van het leefgebied (c.q. broedterrein) voor behoud van de populatie nagestreefd. De te behouden populatieaantallen zijn gebaseerd op de historische potentie van de gebieden. In Duinen Ameland (005) is de kwaliteit van het leefgebied dermate achteruitgegaan dat een inspanning vereist is om de populatie weer op gewenst niveau te brengen.
A081 – Bruine kiekendief Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | 30 | B1 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | 30 | B1 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | 20 | C | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | 45 | B1 | doel aangepasta |
005 | Duinen Ameland | behoud | behoud | 40 | B1 | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | behoud | behoud | 25 | B1 | conform ontwerp |
008 | Lauwersmeer | behoud | behoud | 20 | C | concept-ontwerp |
013 | Alde Feanen | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | C | ontwerpbesluit |
014 | Deelen | uitbreiding | verbetering | 5 | C | ontwerpbesluit |
035 | Wieden | behoud | behoud | 20 | C | ontwerpbesluit |
072 | IJsselmeer | behoud | behoud | 20 | C | ontwerpbesluit |
078 | Oostvaardersplassen | behoud | behoud | 40 | B1 | ontwerpbesluit |
092 | Ilperveld, Varkensland, … | behoud | behoud | 15 | C | ontwerpbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | 20 | C | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | 30 | B1 | concept-ontwerp |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | 10 | C | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | 20 | C | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | 20 | C | ontwerpbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de bruine kiekendief is voor alle aspecten als “gunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling staat dan ook zowel voor omvang als kwaliteit van het leefgebied op behoud met een landelijk doelniveau van 1.300 broedparen. De soort heeft een ruime landelijke verspreiding (presentie in atlasblokken ca. 40%) waardoor minder dan de helft van de landelijke broedpopulatie in Vogelrichtlijngebieden is geconcentreerd.
Hierdoor is de soort minder kwetsbaar dan soorten die in hun verspreiding beperkt zijn tot een relatief klein aantal gebieden.
De som van de gebiedsdoelen als percentage van het landelijke doelniveau bedraagt ruim 30%, hetgeen voldoende wordt geacht voor het duurzaam behoud van de populatie op de lange termijn. Het aandeel in Natura 2000-gebieden is groter (48%) dan de som van de gebiedsdoelen, omdat niet overal een doel is gesteld door de toepassing van een landelijke drempelwaarde (minimaal 1% landelijke populatie). Alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan bij de landelijke doelstelling, met uitzondering van de gebieden Alde Feanen (013) en Deelen (014). Vanwege de voor de regio unieke potentie voor een sleutelpopulatie is er voor het gebied Alde Feanen gekozen voor een hersteldoelstelling. Vanwege de recente afname van de populatie in gebied Deelen is hier een beperkte herstelopgave geformuleerd, zodat de soort voor het gebied behouden kan blijven.
A082 – Blauwe kiekendief Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | 3 | B1 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | 20 | A1 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | uitbreiding | verbetering | 9 (↑) | B1 | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | 40 (↑) | A2 | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | B2 | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | behoud | behoud | 10 (↑) | B2 | conform ontwerp |
033 | Bargerveen | behoud | behoud | 1 | C | ontwerpbesluit |
078 | Oostvaardersplassen | uitbreiding | verbetering | 4 | B1 | ontwerpbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de blauwe kiekendief is voor wat betreft elk van de aspecten populatie en leefgebied als “zeer ongunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling omvat een herstelopgave voor het leefgebied en een doelniveau dat ruim driemaal groter is dan de populatie in de peilperiode 1999-2003 (78): “behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie tot 250 paren”. Vanwege de aard van het leefgebied is de broedpopulatie tegenwoordig geheel beperkt tot Natura 2000-gebieden.
Het doelniveau van 250 ligt ver boven de historische referenties: 120-130 en 110-120 (respectievelijk 1992 en 1996)44. Het landelijk doelniveau opgenomen in het landelijk doel is daarom verlaagd tot 110 (genoemde referenties zijn geflatteerd door tijdelijk gunstige omstandigheden in Zuidelijk Flevoland). De som van de gebiedsdoelen (107) is nu nagenoeg gelijk aan genoemd doelniveau.
Mede gelet op de recente sterke afname van het aantal broedparen in alle broedterreinen, wordt verhoging van de gebiedsdoelen zoals opgenomen in de ontwerpbesluiten, in geen van de gebieden haalbaar geacht. De doelstelling van de gebieden Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Schiermonnikoog (006) en Bargerveen (033) wijken af van de landelijke doelstelling, vanwege de recente toename in de gebieden en de relatief stabiele trend van de laatste jaren. De doelstelling van de Waddenzee (001) wijkt af, omdat het gebied een overloop betreft van vogels uit de duinengebieden.
A132 – Kluut Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | 3.800 | A2 | doel aangepasta |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | 120 (↑) | C | doel toegevoegd |
008 | Lauwersmeer | behoud | behoud | 110 | C | concept-ontwerp |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | 2000R | B1 | ontwerpbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | 2000R | B2 | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | 2000R | B1 | ontwerpbesluit |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | 2000R | B1 | ontwerpbesluit |
120 | Zoommeer | behoud | behoud | 2000R | C | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | 2000R | B1 | ontwerpbesluit |
127 | Markiezaat | behoud | behoud | 2000R | C | ontwerpbesluit |
Verbetering kwaliteit is noodzakelijk om verdere populatieafname in dit gebied dit gebied te voorkomen.
(R) Betreft een regionale doelstelling.
De landelijke staat van instandhouding van de kluut is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling is een behoudsopgave voor zowel leefgebied als populatie omvang met een doelniveau van 8.000. De gebiedsdoelen sluiten hierop aan, daarmee is 76% van de landelijke doelstelling afgedekt door gebiedsdoelen voor deze soort. De matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect leefgebied betreft de afname in de Waddenzee (001), waar een verbeteropgave is geformuleerd.
Bijna een kwart van de landelijke broedpopulatie broedt in gebieden buiten het Natura 2000- netwerk (en in Natura 2000-gebieden waar voor de soort geen doel is gesteld). De behoudsopgave ligt dus deels buiten Natura 2000 hetgeen samenhangt met een vrij ruime landelijke verspreiding (presentie in atlasblokken 21%). Hierdoor is de soort minder kwetsbaar dan soorten die in hun verspreiding beperkt zijn tot een relatief klein aantal gebieden.
A137 – Bontbekplevier Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | 60 | A1 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | C | doel aangepasta |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | C | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | doel vervallen | ||||
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | 20 | B1 | conform ontwerp |
008 | Lauwersmeer | behoud | behoud | 4 | C | concept-ontwerp |
072 | IJsselmeer | behoud | behoud | 10 | B1 | ontwerpbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | 100R (↑) | C | ontwerpbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | 100R (↑) | B1 | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | 100R (↑) | B2 | ontwerpbesluit |
118 | Oosterschelde | uitbreiding | verbetering | 100R (↑) | B2 | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | uitbreiding | verbetering | 100R (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
127 | Markiezaat | behoud | behoud | 100R (↑) | C | ontwerpbesluit |
Het doel is aangepast van 5 naar 20 paar. In het ontwerpbesluit was geen rekening gehouden met de broedvogels in binnendijks gelegen terreinen langs de waddijk.
(R) Betreft een regionale doelstelling.
De landelijke staat van instandhouding van de bontbekplevier is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”45. De landelijke doelstelling voor de bontbekplevier luidt “Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 400 paren.” Dit is een wijziging ten opzichte van het Natura 2000 doelendocument, waar de doelstelling voor het leefgebied op behoud was gesteld. De landelijke doelstelling sluit met de wijziging aan op de staat van instandhouding voor het aspect leefgebied. De beoordeling “matig ongunstig” van het aspect populatie is gebaseerd op de recente aantalsafname.
In gebieden met de beste potenties dient leefgebied te worden hersteld voor uitbreiding van de lokale populatie om verdere afname van de landelijke populatie tegen te gaan. Dit herstel is voorzien voor Duinen Texel (002) en Duinen Terschelling (004). In vergelijking tot het ontwerpbesluit is de doelstelling voor Duinen en Lage Land Texel verhoogd van 5 naar 20 paar. In het ontwerpbesluit was geen rekening gehouden met de broedvogels in de diverse binnendijks gelegen terreinen langs de waddijk (Zandkes, Ottersaat, Petten, de Bol en Wagejot). Samen met de Waddenzee is een populatie van 110 broedparen ten doel gesteld voor het Waddengebied. Ook in de Delta wordt een licht herstel van de populatie nagestreefd, om achteruitgang van de landelijke populatie buiten de Natura 2000-gebieden (veelal tijdelijke populaties) op te vangen. Voor Lauwersmeer en IJsselmeer is gekozen voor behoud leefgebied, omdat de potentie voor herstel er onvoldoende is.
Deze (trekvogel)soort is in 2000 als doelsoort voor Vogelrichtlijngebieden opgenomen op grond van de overweging: “de beschermde gebieden leveren een wezenlijke bijdrage aan de bescherming van de soort” (van wezenlijke bijdrage is sprake indien Vogelrichtlijngebieden minstens 25% van de landelijke populatie herbergen)46. De som van de gebiedsdoelen (224) bedraagt ruim 50% van het doelniveau waarmee Natura 2000 een “wezenlijke bijdrage” levert aan de instandhouding van de soort op landelijke schaal.
A138 – Strandplevier Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | uitbreiding | verbetering | 50 (↑) | B2 | doel aangepasta |
002 | Duinen en Lage Land Texel | doel vervallena | ||||
003 | Duinen Vlieland | doel vervallena | ||||
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | B1 | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | doel vervallena | ||||
007 | Noordzeekustzone | uitbreiding | verbetering | 30 (↑) | B1 | doel aangepasta |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | 270R (↑) | B1 | aanwijzingsbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | 270R (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | 270R (↑) | B2 | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | uitbreiding | verbetering | 270R (↑) | A1 | ontwerpbesluit |
118 | Oosterschelde | uitbreiding | verbetering | 270R (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
120 | Zoommeer | behoud | behoud | 270R (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | 270R (↑) | B2 | ontwerpbesluit |
127 | Markiezaat | behoud | behoud | 270R (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
In de gebieden Duinen en Lage Land Texel, Duinen Vlieland en Duinen Schiermonnikoog waren aantallen broedparen toegekend die deels behoren tot zowel de Noordzeekustzone en in grotere mate de Waddenzee. Deze aantallen zijn nu aan de betreffende gebieden toegekend. Daarnaast is uitbreiding van de populatie in deze gebieden beoogd. In vergelijking tot het ontwerpbesluit zijn de doelstelling voor Waddenzee en Noordzeekustzone verhoogd van respectievelijk 15 en 20 broedparen naar 50 en 30 broedparen.
(R) Betreft een regionale doelstelling.
De landelijke staat van instandhouding van de strandplevier is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling omvat een herstelopgave voor het leefgebied voor herstel van de populatie van ten minste 400 paar verdeeld over ten minste 10 sleutelpopulaties van ten minste 20 paren. In het Waddengebied en de Noordzeekustzone (007) ligt een belangrijke opgave voor het bereiken van deze landelijke doelstelling, vanwege de aanwezige potentie, zoals op de Noordvaarder. Deze verhoging heeft voor beide gebieden deels betrekking op de aantallen van de vervallen gebieden (002, 003 en 006) en deels betrekking op de potenties voor uitbreiding in beide gebieden. In het Deltagebied wordt een toename van de populatie nagestreefd die onder andere door herstel van het leefgebied in de Oosterschelde gerealiseerd kan worden. Zo zal de natuurontwikkeling in de Oosterschelde nieuwe broedgelegenheid bieden in het noordelijke deel van de Prunje, waardoor uitbreiding van de populatie hier te verwachten is. Mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit van het leefgebied in de andere Deltagebieden zullen worden onderzocht. De som van de gebiedsdoelen (360 paren) bedraagt 90% van het doelniveau (400 paren).
A183 – Kleine mantelmeeuw Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | 19.000 | A1 | doel aangepasta |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | 14.000 | A1 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | 2.500 | B1 | conform ontwerp |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | behoud | behoud | 110 | C | ontwerpbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | 810 | C | concept-ontwerp |
119 | Veerse Meer | behoud | behoud | 700 (↑) | C | ontwerpbesluit |
Het aantal voor de Waddenzee is aangepast conform het gemiddelde van de periode 1999-2003 (SOVON & CBS, 2006).
De landelijke staat van instandhouding van de kleine mantelmeeuw is voor alle aspecten “gunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling luidt dan ook “behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie”. Het oorspronkelijke doelniveau van 90.000 broedparen is gebaseerd op het recente toename van 82.000 in de peilperiode 1999-2003 en 92.000 in de jaren 2005-0647. Dit is het grootste aantal dat ooit in Nederland is vastgesteld na explosieve toename in de afgelopen 40 jaar48. Deze ontwikkeling hangt samen met gunstige voedselaanbod (“discards” van de zeevisserij), aanwezigheid van tijdelijk geschikt broedterrein in de vorm van braakliggende terrein (met name Maasvlakte) en mogelijk ook de afname van de zilvermeeuw. Het laat zich aanzien dat deze hoge stand op lange termijn niet houdbaar is, alleen al ten gevolge van de beoogde vermindering van “discards” in de zeevisserij. Het landelijke doel is daarom verlaagd tot 43.000 broedparen, zijnde de gemiddelde omvang van de landelijke broedpopulatie in de periode 1993-199749. Dit aantal wordt ruim voldoende geacht voor het voortbestaan van de soort als broedvogel op de lange termijn.
Ruim de helft van dit aantal nestelt in Natura 2000-gebieden, waarbij de gebieden in het Waddengebied een belangrijke plaats innemen. Behoud in de aangewezen gebieden is passend voor het bereiken van de landelijke instandhoudingsdoelstelling.
A191 – Grote stern Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor herstel populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | 16.000 (↑) | A3 | doel aangepasta |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | 4000R | C | ontwerpbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | 4000R | A1 | ontwerpbesluit |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | 4000R | C | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | 4000R | A1 | ontwerpbesluit |
In vergelijking tot het ontwerpbesluit is het gebiedsdoel voor de Waddenzee verhoogd van 9500 naar 16.000 gelet op de recente populatie-ontwikkeling (in 2006 bijna 14.000 in Waddengebied, incl. Duinen Texel50).
(R) Betreft een regionale doelstelling.
De landelijke staat van instandhouding van de grote stern is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied respectievelijk als “zeer ongunstig” en “gunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling omvat geen herstelopgave voor het leefgebied maar wel een doelniveau dat ruim 50% groter is dan de actuele populatie (ca. 16.000): “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor herstel populatie tot 25.000 paren” 51. Vanwege de kwetsbaarheid van de nestplaatsen is de soort vrijwel volledig aangewezen op het Natura 2000-netwerk52.
Het landelijk doelniveau is nu vastgesteld op 20.000 broedparen, hetgeen iets minder is dan de ondergrens van de populatieschommelingen in de periode 1900-1960 (voor de grote terugval naar het dieptepunt van 900 in 1965). Een hoger doelniveau wordt niet realistisch geacht gelet op het verminderd aanbod aan natuurlijke broedplaatsen (uitvoering Deltawerken, verdwijning De Beer) en de verslechtering van het voedselaanbod. Ook dient te worden opgemerkt dat rond 1990 een nieuwe broedplaats in Zeebrugge (Vlaanderen) is ontstaan (recent 1000-4000 paren) hetgeen mogelijk ten koste is gegaan van de Zeeuwse broedpopulatie.
Dit heeft als consequentie dat de beoordeling van de staat van instandhouding voor wat betreft het aspect populatie wordt gewijzigd in “matig ongunstig”53. Alleen in de Waddenzee een (beperkte) herstelopgave haalbaar wordt geacht.
A193 – Visdief Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit voor herstel populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | 5.300 | A1 | conform ontwerp |
072 | IJsselmeer | behoud | behoud | 2.100 | B2 | ontwerpbesluit |
073 | Markermeer & IJmeer | behoud | behoud | 630 | B1 | ontwerpbesluit |
077 | Eemmeer & Gooimeer Zuidoever | behoud | behoud | 400 | B1 | ontwerpbesluit |
092 | Ilperveld, Varkensland, … | behoud | behoud | 180 | C | ontwerpbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | 6500R (↑) | B2 | ontwerpbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | 6500R (↑) | C | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | 6500R (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | 6500R (↑) | B2 | ontwerpbesluit |
120 | Zoommeer | behoud | behoud | 6500R (↑) | C | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | 6500R (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
(R) Betreft een regionale doelstelling.
De landelijke staat van instandhouding van de visdief is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”. Na een sterke terugval in de jaren zestig vindt momenteel voortdurend herstel plaats, al lijkt dit momenteel te stagneren. De landelijke doelstelling is behoud van het leefgebied dat plaats biedt aan de herstellende populatie van uiteindelijk 20.000 broedparen. Het regiodoel voor het Deltagebied sluit hierbij aan; behoud van het huidige leefgebied voor herstel van de populatie van ten minste 6.500 broedparen. In het Waddengebied wordt het stoppen van de neergaande trend ten doel gesteld. In het Markermeer & IJmeer (073), Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092) en Eemmeer& Gooimeer zuidoever (077) is de bijdrage aan de landelijke doelstelling relatief klein en worden de potenties laag ingeschat. Ongeveer driekwart van de landelijke opgave ligt binnen het Natura 2000-netwerk. In de definitieve besluiten van de overige gebieden wordt bezien wat de potenties van de gebieden zijn de landelijke opgave nader binnen Natura 2000 te concentreren.
A194 – Noordse stern Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | 1.500 | A4 | conform ontwerp |
008 | Lauwersmeer | behoud | behoud | 5 | C | concept-ontwerp |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | 20 | C | ontwerpbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de noordse stern is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling voor de noordse stern luidt “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 1.800 paren.” Dit is een wijziging ten opzichte van het Natura 2000 doelendocument, waar abusievelijk een draagkracht voor ten minste 2.000 paren wordt vermeld. Behoud van de populatie is gerelateerd aan de periode 1999-2003. De populatie bedroeg in 1999-2003 gemiddeld 1.800 paar. De Nederlandse populatie vertoonde over de afgelopen twee decennia een matige toename. Het landelijke doel is daarom geformuleerd als behoud van het huidige populatieniveau. De gebiedsdoelen sluiten hierbij aan, waarbij de grootste opgave ligt in de Waddenzee (001). De soort is voornamelijk gebonden aan de zoute kustgebieden en is daarmee voor het grootste deel afhankelijk van het Natura 2000-netwerk waar 88% van de landelijke populatie broedt. De som van de gebiedsdoelen bedraagt circa 85% van het landelijk doelniveau, waarmee de bijdrage van het Natura 2000-netwerk aan de landelijke doelstelling voldoende is afgedekt.
A195 – Dwergstern Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor herstel populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | uitbreiding | verbetering | 210 (↑) | A2 | doel aangepasta |
002 | Duinen en Lage Land Texel | uitbreiding | verbetering | 40 (↑) | B1 | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | B1 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | C | doel aangepastb |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | 300R (↑) | A1 | ontwerpbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | 300R (↑) | C | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | 300R (↑) | C | ontwerpbesluit |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | 300R (↑) | B2 | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | 300R (↑) | A1 | ontwerpbesluit |
Het gebied heeft potentie voor een broedpopulatie van 210 paren (dit aantal heeft er recent gebroed).
Het deelgebied Razende Bol heeft potentie voor uitbreiding van de populatie. Hoewel in de periode 1999-2003 gemiddeld slechts 1 paar tot broeden kwam, zijn recent aantallen vastgesteld van 14, 12 en 25 paren (respectievelijk 2004, 2005 en 2007). De doelstelling is hierop aangepast.
(R) Betreft een regionale doelstelling.
De landelijke staat van instandhouding van de dwergstern is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied resp. als “zeer ongunstig” en “matig ongunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling zoals gepubliceerd in 2006, omvat geen herstelopgave voor het leefgebied maar wel een doelniveau dat ruim 30% hoger is dan de actuele populatie in topjaren (585 in 2006): “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor herstel populatie tot 800 paren”54. Vanwege de kwetsbaarheid van de nestplaatsen is de soort vrijwel volledig aangewezen op het Natura 2000-netwerk. Het landelijk doelniveau is nu vastgesteld op 600 broedparen55, hetgeen voldoende is voor het duurzaam voortbestaan op de lange termijn. Een hoger doelniveau wordt niet realistisch geacht, gelet op het verminderd aanbod aan natuurlijke broedplaatsen in vergelijking tot de situatie van een halve eeuw geleden (met name door de afname van natuurlijke dynamiek in het Deltagebied door de uitvoering van de Deltawerken).
Hierbij dient ook te worden opgemerkt dat rond 1990 in Zeebrugge (Vlaanderen) een nieuwe kolonie is ontstaan (recent 100-200, max. ruim 400 paren) hetgeen mogelijk ten koste is gegaan van de Zeeuwse broedpopulatie. De verlaging van het doelniveau heeft als consequentie dat de beoordeling van de staat van instandhouding voor wat betreft het aspect populatie wordt gewijzigd in “matig ongunstig”56. De som van de gebiedsdoelen bedraagt bijna 600 broedparen, waarbij alleen in het Waddengebied een herstelopgave haalbaar wordt geacht. In vergelijking tot het ontwerpbesluit zijn de gebiedsdoelen in Waddenzee en Noordzeekustzone verhoogd van resp. 200 en 5 broedparen naar 210 en 20 broedparen. De aangepaste waarden betreffen de maximale aantallen die in recente jaren in de gebieden zijn vastgesteld (resp. 2003 en 2007). In het Waddengebied, waar de Natura 2000-gebieden op veel plekken op elkaar aansluiten, is het overigens vooral van belang dat de som van de gebiedsdoelen (290) wordt gehaald. De som van de gebiedsdoelen, met daarbij opgeteld het aantal dat buiten Natura 2000 broedt (1%), bereikt het genoemde doelniveau van 600.
A222 – Velduil Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | 5 | A1 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | A2 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | doel vervallen | ||||
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | A1 | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | B1 | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | uitbreiding | verbetering | 2 (↑) | C | doel aangepasta |
008 | Lauwersmeer | behoud | behoud | 1 | B1 | concept-ontwerp |
033 | Bargerveen | behoud | behoud | 1 | B1 | concept-ontwerp |
De doelstelling voor Duinen Schiermonnikoog is aangepast van 1 naar 2 broedpaar, het gemiddeld voorkomen in de eerste helft van de jaren negentig.
De landelijke staat van instandhouding van de velduil is voor wat betreft elk van de aspecten populatie en leefgebied als “zeer ongunstig” beoordeeld. In de loop van tweede helft van de vorige eeuw zijn steeds meer geschikte broedplaatsen in het binnenland verloren gegaan, waardoor de soort nu vrijwel alleen nog op Waddeneilanden voorkomt. De inpoldering van Lauwersmeer en Zuidelijk Flevoland, waardoor tijdelijk geschikt leefgebied ontstond, boden kortstondig soelaas. In de periode 1970-90 schommelde de landelijke broedpopulatie, afhankelijk van de muizenstand, tussen 60 en 200. Sindsdien is het met de populatie bergafwaarts gegaan. De som van de gebiedsdoelen bedraagt 59 broedparen.
De landelijke doelstelling omvat een herstelopgave voor het leefgebied: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel van ten minste 5 sleutelpopulaties van ten minste 20 paren (nationale populatie van ten minste 100 paren)”. Dit betreft het populatieniveau van begin negentiger jaren toen er buiten de Waddeneilanden nog tijdelijk geschikte broedplaatsen aanwezig waren. Het gemiddelde gedurende 1999-2003 bedroeg 27 broedparen, vrijwel beperkt tot de Waddeneilanden.
Herstel naar de situatie van twintig jaar geleden wordt niet realistisch geacht, omdat in het binnenland nauwelijks nog regelmatig bezette broedplaatsen aanwezig zijn. Het landelijk doelniveau is daarom vastgesteld op 60 (gemiddelde periode 1993-1997). De landelijke doelstelling is als volgt aangepast: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie tot 60 paren”57.
Het merendeel van de gebiedsdoelstellingen sluit aan op de landelijke opgave. In een drietal gebieden is voor een behoudsopgave gekozen. In de Waddenzee (001) betreffen de broedlocaties vooral overloop gebied naar de duinen. In de overloop naar de duinen zijn vrijwel geen mogelijkheden voor uitbreiding en/of verbetering van het leefgebied. In het Lauwersmeer (008) komt de velduil zeer beperkt tot broeden. Behoud van de huidige stand is reeds een behoorlijke opgave. Gezien de zeer geïsoleerde ligging van het gebied, en het gegeven dat de trend van de populatie in dit gebied redelijk constant is, is tevens gekozen voor een behoudsopgave in het Bargerveen (033).
A062 – Topper Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied58 | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve Bijdrage* | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | 3.100 | f, A1 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | geen | f, B1-B2a | conform ontwerp |
072 | IJsselmeer | behoud | behoud | 15.800 | f, A4 | ontwerpbesluit |
073 | Markermeer & IJmeer | behoud | behoud | 70 | f, C | ontwerpbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | 120 | f, C | ontwerpbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | 80 | f, C | aanwijzingsbesluit |
* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf).
Geschat aan de hand van de aantalsindicatie opgenomen in het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit (2005).
De landelijke staat van instandhouding van de topper is op het aspect populatie beoordeeld als “zeer ongunstig”. Dit is als gevolg van de afname in de zoute wateren die mogelijk met aanbod van schelpdieren te maken heeft. De ongunstige staat van de populatie resulteert echter niet in een herstelopgave in de vorm van een doelniveau dat hoger is dan de huidige aantallen, omdat de aantallen van voor 1988 ook relatief laag waren en omdat er geen aanwijzingen zijn voor potentiële duurzaamheid van de verhoogde aantallen rond 1990. De landelijke herstelopgave is alleen op gebiedsniveau toegepast in de Waddenzee, aangezien de zeer ongunstige staat van instandhouding voor de populatie vooral is veroorzaakt door afname in dat gebied (zie Natura 2000 profielendocument (2008)).
A063 – Eider Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied59 | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage* | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | 90.000- 115.000 (↑) | f, A4 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | 26.200 | f, A1 | conform ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | 2.500 | f, C | aanwijzingsbesluit |
* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf).
De landelijke staat van instandhouding voor de eider is op het aspect leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”60. De huidige herstelopgave komt voort uit de verminderde kwaliteit leefgebied in de vorm van verlaagd voedselaanbod (met name schelpdieren). De landelijke doelstelling is daarom gewijzigd van “uitbreiding omvang leefgebied” in “behoud”, het leefgebied (H1110A of H1140A) is in voldoende mate aanwezig alleen in verminderde kwaliteit. Er is alleen een herstelopgave van toepassing in de Waddenzee waar het merendeel van de winterpopulatie verblijft. De Noordzeekustzone fungeert vooral in voedselarme jaren als “overloopgebied” door verschuiving van eiders vanuit de Waddenzee. In de Voordelta wordt behoud voldoende geacht omdat de landelijk ongunstige situatie niet in dit gebied is gelegen.
A130 – Scholekster Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied 61 | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Omvang leefgebied | Kwaliteit leefgebied | Populatie | Relatieve bijdrage* | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | 140.000 - 160.000 (↑) | sf, A4 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | 3.300 a | s, C a | conform ontwerp |
038 | Uiterwaarden IJssel | behoud | behoud | 210 | sf, C | ontwerpbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | 790 | sf, C | aanwijzingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | 2.500 | sf, C | aanwijzingsbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | 560 | sf, C | ontwerpbesluit |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | 24.000 | sf, A1 | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | 7.500 | sf, B1 | ontwerpbesluit |
* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf)
De populatieschatting is afgeleid van de gemiddelde seizoensmaxima over de periode 1999/2000-2003/2004. Ook de relatieve bijdrage is hierop gebaseerd.
De staat van instandhouding voor de scholekster is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig gunstig”. In Nederland is de populatie scholeksters fors afgenomen (bij een internationale toename) in relatie tot verminderd voedselaanbod in de intergetijdegebieden (schelpdieren). Alleen voor de Waddenzee is een verbeteropgave geformuleerd voor de kwaliteit van het leefgebied, vanwege het relatief grote belang van dit gebied en omdat de mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit in het Deltagebied beperkt zijn (met name zandhonger Oosterschelde). In de Natura 2000-gebieden Uiterwaarden IJssel, Duinen Goeree & Kwade Hoek, Voordelta en Grevelingen zijn bovendien geen aanwijzingen voor afname van de populaties of voor vermindering kwaliteit leefgebied (zelfs aantalstoename in gebieden Uiterwaarden IJssel en Duinen Goeree & Kwade Hoek sinds respectievelijk 1980/81 en 1990/91).
A143 – Kanoet Landelijke doelstelling: Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Omvang leefgebied | Kwaliteit leefgebied | Populatie | Relatieve bijdrage* | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | 44.400 (↑) | sf, A4 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | 560 a | s, C | conform ontwerp |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | 7.700 | sf, B2 | ontwerpbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | 600 | sf, C | ontwerpbesluit |
127 | Markiezaat | behoud | behoud | 1.600 a | s, B1 | ontwerpbesluit |
* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf).
De populatieschatting is gebaseerd op gemiddelde seizoensmaxima over de periode 1999/2000-2003/2004.
De landelijke staat van instandhouding van de kanoet is op de aspecten leefgebied en toekomstperspectief beoordeeld als “matig ongunstig”. Het seizoensgemiddelde bedroeg over 1988-2000 circa 60.000, maar was daarvoor aanzienlijk lager (circa 40.000). De afname van rond 2001 heeft niet geleid tot lagere waarden dan in de periode van voor 1988. De trend is daardoor over de lange termijn neutraal en over kortere termijn onzeker. Daarom is de herstelopgave niet gericht op leefgebied voor hogere aantallen. Behoud van de huidige populatie (gemiddelde over de periode 1999-2003) vergt echter wel inspanningen, vandaar de verbeteropgave voor kwaliteit leefgebied. Omdat de Waddenzee ruim 80% van de Nederlandse populatie herbergt en de recente negatieve tendens hier is geconcentreerd terwijl in de delta sprake is geweest van toename, is alleen voor de Waddenzee een herstelopgave geformuleerd.
A169 – Steenloper Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en kwaliteit leefgebied. | ||||||
N2k- nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage* | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | 2.300-3.300 (↑) | sf, A3 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | 160 | sf, B1 | conform ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | 70 | sf, B1 | aanwijzingsbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | 30 | sf, C | conform ontwerp |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | 580 | sf, A1 | conform ontwerp |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | 230 | sf, B2 | conform ontwerp |
* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf).
De landelijke staat van instandhouding van de steenloper is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. De algemene trend voor de steenloperaantallen in de Waddenzee is licht dalend, voor de Delta stabiel.
Oorzaak van de licht dalende trend kan in verband worden gebracht met het verdwijnen van droogvallende mosselbanken in de Waddenzee. De mosselbanken zijn in de Waddenzee in de laatste wel teruggekeerd in het oostelijk deel, maar nog niet in het westelijk deel. De herstelopgave is daarom alleen in de Waddenzee neergelegd. Mogelijk spelen de ontwikkelingen in de internationale “flyway”-populatie ook een rol in de daling van het populatieaantal in de Waddenzee.
Overige niet-broedvogelsoorten Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied | |||||
Vogelsoort | Aantal gebieden | Landelijk doelstelling populatie | Populatie Waddenzee | Relatieve bijdrage* | Besluit |
A005 Fuut b; j | 24 | 10.900 | 310 | f, B1 | conform ontwerp |
A017 Aalscholver h | 26 | 24.500 | 4.200 | sf, A1 | conform ontwerp |
A034 Lepelaar h | 22 | 1.225 | 520 | sf, A2 | conform ontwerp |
A037 Kleine zwaan c | 29 | 4.820 | 1.600 | s, A2a | conform ontwerp |
A039 Toendrarietgans h | 10 | 34.100 | - | s, A3a | conform ontwerp |
A043 Grauwe gans h; I | 31 | 86.300 | 7.000 | sf, B2 | conform ontwerp |
A045 Brandgans h; I | 26 | 140.900 | 36.800 | sf, A1 | conform ontwerp |
A046 Rotgans d | 6 | 36.500 | 26.400 | sf, A4 | conform ontwerp |
A048 Bergeend h | 14 | 49.900 | 38.400 | sf, A3 | conform ontwerp |
A050 Smient h; I | 44 | 258.200 | 33.100 | sf, B2 | conform ontwerp |
A051 Krakeend h; j | 35 | 10.200 | 320 | f, B1 | conform ontwerp |
A052 Wintertaling e | 24 | 21.000 | 5.00 | f, A1 | conform ontwerp |
A053 Wilde eend h | 13 | 128.000 | 25.400 | f, A1 | conform ontwerp |
A054 Pijlstaart d | 25 | 7.850 | 5.900 | f, A3 | conform ontwerp |
A056 Slobeend h; j | 38 | 5.750 | 750 | f, B2 | conform ontwerp |
A067 Brilduiker h; j | 10 | 4.380 | 100 | f, B1 | conform ontwerp |
A069 Middelste zaagbek h | 7 | 3.310 | 150 | f, B1 | conform ontwerp |
A070 Grote zaagbek f | 7 | 1.800 | 70 | f, B1 | conform ontwerp |
A103 Slechtvalk h | 6 | 180 | 40 | f, A1a | conform ontwerp |
A132 Kluut d; j | 17 | 9.510 | 6.700 | sf, A3 | conform ontwerp |
A137 Bontbekplevier h | 10 | 2.260 | 1.800 | sf, A3 | conform ontwerp |
A140 Goudplevier g | 11 | 32.300 | 19.200 | sf, A3 | conform ontwerp |
A141 Zilverplevier h; l | 8 | 27.600 | 22.300 | sf, A4 | conform ontwerp |
A142 Kievit d | 11 | 75.500 | 10.800 | sf, B2 | conform ontwerp |
A144 Drieteenstrandloper m | 6 | 4.310 | 3.700 | sf, A2 | conform ontwerp |
A147 Krombekstrandloper h | 1 | 340 | 2.000 | sf, A4a | conform ontwerp |
A149 Bonte strandloper h | 8 | 187.300 o | 206.000 | sf, A4 | conform ontwerp |
A156 Grutto n | 22 | 6.000 | 1.100 | sf, A1 | conform ontwerp |
A157 Rosse grutto h | 7 | 39.500 o | 54.400 | sf, A4 | conform ontwerp |
A160 Wulp h | 17 | 101.100 | 96.200 | sf, A4 | conform ontwerp |
A161 Zwarte ruiter h | 5 | 2.040 | 1.200 | sf, A3 | conform ontwerp |
A162 Tureluur d | 9 | 18.480 | 16.500 | sf, A4 | conform ontwerp |
A164 Groenpootruiter h | 3 | 2.210 | 1.900 | sf, A4 | conform ontwerp |
A197 Zwarte stern f | 4 | 47.700 | 23.000 | s, A3a | conform ontwerp |
* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf).
Schatting huidige relatieve bijdrage is gebaseerd op gemiddeld seizoensmaximum 1999/2000-2003/2004 in het gebied. Voor de toendrarietgans en krombekstrandloper is deze gespiegeld aan het landelijk gemiddeld seizoensgemiddelde, voor de slechtvalk en zwarte stern is deze gespiegeld aan het landelijke gemiddeld seizoensmaxima over dezelfde periode.
Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd voor de fuut, dit vanwege slechte stuurbaarheid van vermoedelijke oorzaken (Natura 2000 doelendocument, 2006).
Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor de kleine zwaan geformuleerd. De recente afname is verbonden aan een afname op internationaal niveau en mogelijk aan enkele andere slecht stuurbare factoren. (Natura 2000 doelendocument, 2006).
Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor de rotgans, pijlstaart, kluut, kievit en tureluur geformuleerd, omdat de matig ongunstige staat van instandhouding alleen gebaseerd is op toekomstverwachting (Natura 2000 doelendocument, 2006).
Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect populatie is landelijk een behoudsdoelstelling voor de wintertaling geformuleerd. De matig ongunstige staat van instandhouding is gebaseerd op een populatie-afname die niet leidt tot een waarde van minder dan 75% van de draagkracht indicatie (Natura 2000 doelendocument, 2006).
Ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor de grote zaagbek en zwarte stern geformuleerd, vanwege slecht stuurbare oorzaken en enige compensatie door toename in de randmeren (Natura 2000 doelendocument, 2006).
De goudplevier heeft landelijk een opgave voor uitbreiding omvang en verbeteropgave kwaliteit leefgebied. De verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied is niet zichtbaar in de trend, deze laat een toename zien binnen Natura 2000 netwerk. Dit betreft echter minder dan de helft van de Nederlandse vogels en is een gevoel van verschuivingen in de ligging van de pleisterplaatsen. Incidentele tellingen buiten het monitoringsnetwerk suggereren dat de kwaliteit van het leefgebied buiten het Natura 200 netwerk is afgenomen. Herstelopgaven binnen het netwerk zijn in dit licht niet geformuleerd (Natura 2000 doelendocument, 2006).
De landelijke staat van instandhouding van de soort is beoordeeld als “gunstig”.
Enige afname veroorzaakt door extensivering van landgebruik (onder andere door natuurontwikkeling) is aanvaardbaar.
Enige landelijke afname als gevolg van herstel van zout-zoet overgangen is aanvaardbaar.
Het aandeel van dit gebied in de Nederlandse Natura 2000-populatie is gebaseerd op basis van het gemiddelde over de seizoensmaxima van 99/00-03/04 (SOVON & CBS, 2006).
Enige afname ten behoeve van herstel van het leefgebied voor schelpdiereters is aanvaardbaar.
Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is voor de drieteenstrandloper landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd, vanwege de internationaal vooralsnog stabiele en nationaal doorgaand toenemende populatie.
De grutto heeft landelijk een opgave voor uitbreiding omvang en verbeteropgave kwaliteit leefgebied. Aangezien deze opgave niet te realiseren is binnen het Natura 2000 netwerk is in alle gebieden een behoudsopgave voor de grutto geformuleerd (Natura 2000 doelendocument, 2006).
De landelijke doelstelling van de bonte strandloper en rosse grutto is gebaseerd op respectievelijk de perioden 1989-1995 en 1980-1995 en is daarmee lager dan het huidige aantal over de periode 1999-2003. De recente toename van de populatie, met name geconcentreerd in de Waddenzee, is mogelijk verbonden met dezelfde ontwikkelingen die afname van schelpdiereters heeft veroorzaakt. Bij herstel van het betreffende habitat zal de populatie van de rosse grutto mogelijk weer afnemen.
LEGENDA: Artikel | Noemer |
Indicatief/exact | |
GIO-id62 | |
1, eerste lid | Waddenzee – Habitatrichtlijngebied |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_Waddenzee_HR/nld@2025‑03‑01 | |
2, eerste lid | Waddenzee – Vogelrichtlijngebied |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_Waddenzee_VR/nld@2025‑03‑01 | |
3, tweede lid | Natura 2000-gebied Waddenzee |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_Waddenzee_N2000/nld@2025‑03‑01 |
Dit besluit betreft de vaststelling van een nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit voor het Habitatrichtlijngebied Waddenzee, het Vogelrichtlijngebied Waddenzee en het Natura 2000-gebied Waddenzee, maar nu gepubliceerd met behulp van de nieuwe digitale standaard voor officiële publicaties: de Standaard Officiële Publicaties (STOP). Het besluit wordt inhoudelijk ongewijzigd vastgesteld. Dit aanwijzingsbesluit is de bijlage bij dit besluit. De nieuwe tekst is enkel een redactionele aanpassing, en brengt geen wijziging met enig rechtsgevolg met zich ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De reden voor de vaststelling van deze nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit is, dat in het kader van de Omgevingswet wordt overgegaan op nieuwe digitale standaarden voor de vormgeving van besluiten.
Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond van artikel 16.25a van de Omgevingswet niet van toepassing, omdat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het betreft geen wijzigingen die leiden tot een andere inhoudelijke reikwijdte dan het geldende aanwijzingsbesluit voor dit gebied: er is geen sprake van wijzigingen van de geldende begrenzing of van instandhoudingsdoelstellingen. De tekst betreft enkel een redactionele aanpassing. In zoverre is dus ook geen sprake van zelfstandige rechtsgevolgen ten opzichte van het geldende besluit. Belanghebbenden die menen dat er wel sprake is van relevante wijzigingen en nieuwe rechtsgevolgen, kunnen evenwel met een bezwaarschrift eventuele bedenkingen tegen het besluit naar voren te brengen en de beslissing op het bezwaarschrift in een beroepsprocedure door de bestuursrechter laten toetsen.
Dit betreft een geconsolideerde versie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, inclusief wijzigingen die sindsdien op de richtlijn van toepassing zijn. Met uitzondering van de bijlagen en verwijzingen is de tekst van de richtlijn inhoudelijk niet gewijzigd. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
De begrenzingsmethodiek is verder uitgewerkt in het Gebiedendocument (2004). Terug naar link van noot.
Hof van Justitie EG, 7 november 2000, First Corporate Shipping, zaak C-371/98, punten 15 en 25. Terug naar link van noot.
De wijze van begrenzing van Vogelrichtlijngebieden is toegelicht in de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.
Planologische kernbeslissing Derde Nota Waddenzee, tekst na parlementaire instemming, bijlage 1 (nadere omschrijving pkb-grens en coördinaten langs Noordzeekustzone en de Waddeneilanden), 2007. Terug naar link van noot.
Beschikking van de Commissie 2004/813/EG van 7 december 2004 tot vaststelling op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (Pb 29‑12‑2004, L 387/1). Terug naar link van noot.
Inclusief 17 ha Habitatrichtlijngebied zoals vermeld in de legenda bij de weergaves in bijlage A. Dit betreft de dijk langs Polder Breebaart die deel uitmaakt van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied. Bij de aanwijzing van de Eems-Dollard als Habitatrichtlijngebied wordt de dijk buiten de begrenzing gebracht. Terug naar link van noot.
Conform artikel 15 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Stb. 2004, 31) zal dit besluit voor wat betreft de kadastrale percelen die geheel of gedeeltelijk binnen het aangewezen gebied zijn gelegen, in de kadastrale registratie als beperking worden ingeschreven. Terug naar link van noot.
Zoals omschreven in artikel 1 van de Aanvullende overeenkomst van 14 mei 1962 bij het Eems-Dollard- verdrag (Trb. 1962, 54). In dit gebied wordt het natuurbeheer in samenwerking met Duitsland uitgevoerd omdat er in dit gebied geen overeenstemming bestaat over het grensverloop tussen beide landen. Terug naar link van noot.
Prioritaire habitattypen en habitatrichtlijnsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje (*). Terug naar link van noot.
Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, Pb EG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PB EG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.
Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, Pb EG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PB EG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.
Prioritaire habitattypen en Habitatrichtlijn-soorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje (*). Terug naar link van noot.
Habitattypen waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: slijkgrasvelden (H1320) en ruigten en zomen, moerasspirea (H6430A) en ruigten en zomen, droge bosranden (H6430C). Terug naar link van noot.
De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Belangrijkste waren de gebieden waar het habitattype “het best ontwikkeld en de grootste omvang aanwezig is”. Terug naar link van noot.
Zie voor nadere motivering, nota van toelichting Bijlage B.1. Terug naar link van noot.
Dit geldt voor het habitattype schorren en zilte graslanden (H1330) als geheel. Terug naar link van noot.
Prioritaire habitattypen en Habitatrichtlijn-soorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje (*). Terug naar link van noot.
Soorten waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: zeeprik (H1095), elft (H1102), zalm (H1106), bittervoorn (H1134) en kleine modderkruiper (H1149). Voor de platte schijfhoren (H4056) zijn geen gebieden geselecteerd omdat de soort bij de uitbreiding van de EU in 2004 is toegevoegd bijlage II. Terug naar link van noot.
Het Natura 2000-landschap van het gebied waarop dit besluit betrekking heeft, staat vermeld in paragraaf 3.2 van deze nota van toelichting. Terug naar link van noot.
Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.
De Nota van Antwoord (2000) vermeldt 43 soorten waarvoor gebieden zijn aangewezen. Sindsdien zijn twee soorten aan bijlage I toegevoegd waarvoor ook reeds gebieden waren aangewezen (strandplevier en dwergmeeuw). Tenslotte zullen ook voor de dwerggans nog gebieden worden aangewezen. Terug naar link van noot.
Trends van vogels in het Nederlandse Natura 2000 netwerk. SOVON-informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Duinen Goeree. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Zwin. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Duinen Goeree. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Westerschelde. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Zwin. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Duinen Goeree. Terug naar link van noot.
In het Natura 2000 doelendocument (2006) zijn deze twee beoordelingen abusievelijk verwisseld. Terug naar link van noot.
Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.
Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.
Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.
Staat van instandhouding van het aspect populatie gewijzigd van “matig ongunstig” in “onbekend” wegens gebrek aan trendgegevens. Terug naar link van noot.
Staat van instandhouding van het aspect leefgebied gewijzigd van “gunstig” in “matig ongunstig” omdat er beletsels voor vrije migratie bestaan (zie ook Natura 2000 profielendocument, september 2008). Terug naar link van noot.
Wijzigingsbesluit Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (007) (Stcrt. 2012, 200400). Terug naar link van noot.
Natura 2000-profiel Bruinvis (2014): beoordelingsaspect populatie. Terug naar link van noot.
Camphuysen C.J. & M.L. Siemensma (2011). Conservation plan for the Harbour Porpoise Phocoena phocoena in The Netherlands: towards a favourable conservation status. NIOZ Report 2011-07, Royal Netherlands Institute for Sea Research, Texel. Terug naar link van noot.
De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.
Algemene en schaarse vogels van Nederland (Avifauna van Nederland 2, 2001), zie ook Bekhuis & Zijlstra (Limosa 64 (1991: 143-153) waaruit blijkt dat de landelijke populatie pas sinds 1980 boven de 100 is uitgekomen; voor de oorspronkelijke doelniveau van 250 bestaat geen historische referentie. Terug naar link van noot.
De beoordeling “matig ongunstig” op het aspect populatie wijkt af van de beoordeling “zeer ongunstig”, zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), omdat de populatiegrootte niet onder het niveau zit van de referentiepopulatie, terwijl deze nog wel een meer dan gemiddelde afname laat zien (> 1% per jaar). Terug naar link van noot.
Nota van Antwoord Vogelrichtlijn, Algemeen deel, bijlage 1 (2000). Terug naar link van noot.
Broedvogels in Nederland in 2006 (SOVON-monitoringrapport 2008/01). Terug naar link van noot.
Algemene en schaarse vogels van Nederland (Avifauna van Nederland 2, 2001). Terug naar link van noot.
Nota van Antwoord Vogelrichtlijn, Algemeen deel, bijlage 1 (2000). Terug naar link van noot.
Broedvogels in Nederland in 2006 (SOVON-monitoringrapport 2008/01). Terug naar link van noot.
Het cijfer van 25.000 is gebaseerd op de historische referentie van ca. 50 jaar geleden, waarvan de haalbaarheid laag wordt ingeschat door gebrek aan geschikte broedplaatsen. Terug naar link van noot.
In de peilperiode 1999-2003 100% in aangewezen gebieden maar in 2006 6% broedpopulatie in nieuwe kolonie in Natura 2000-gebied Duinen Texel (002) waarvoor geen gebiedsdoel is gesteld. Terug naar link van noot.
In geval van een niet-afnemende populatietrend is “matig ongunstig” van toepassing indien de actuele populatie minder dan 25% afwijkt van de referentie (c.q. doelniveau). Terug naar link van noot.
Het cijfer van 800 is gebaseerd op de historische referentie van ruim een halve eeuw geleden, waarvan de haalbaarheid laag wordt ingeschat door sterk veranderde omstandigheden (aanleg Deltawerken, toename recreatiedruk, vegetatiesuccessie door gebrek aan natuurlijke dynamiek). Terug naar link van noot.
Doelniveau ontleend aan Actieplan Dwergstern (Vogelbescherming Nederland, 1993). Terug naar link van noot.
In geval van een niet-afnemende populatietrend is “matig ongunstig” van toepassing indien de actuele populatie minder dan 25% afwijkt van de referentie (c.q. doelniveau). Terug naar link van noot.
De verwijzing naar sleutelpopulaties is komen te vervallen omdat populaties van 20 broedparen actueel (of potentieel) nog maar in twee gebieden kunnen worden gehaald. Terug naar link van noot.
De landelijke doelstelling voor “omvang leefgebied” is gewijzigd in “behoud” omdat het uitsluitend een kwaliteitsprobleem betreft. Leefgebied (H1110A) is in voldoende mate aanwezig. Terug naar link van noot.
De landelijke doelstelling voor “omvang leefgebied” is gewijzigd in “behoud” omdat het uitsluitend een kwaliteitsprobleem betreft. Leefgebied (H1110A of H1140A) is in voldoende mate aanwezig. Terug naar link van noot.
De staat van instandhouding wijkt op het aspect leefgebied af van die vermeld in het Natura 2000- doelendocument. Het criterium voor “zeer ongunstig” is niet van toepassing, omdat de slechtere omstandigheden voor de eidereend niet structureel van aard zijn. Daarnaast past de beoordeling nu ook beter op de beoordeling van de kwaliteit van H1110 en H1140 (wat feitelijk het leefgebied van deze soort is). Terug naar link van noot.
De landelijke doelstelling voor “omvang leefgebied” is gewijzigd in “behoud” omdat het uitsluitend een kwaliteitsprobleem betreft. Leefgebied (H1110A of H1140A) is in voldoende mate aanwezig. Terug naar link van noot.
Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_waterkwaliteit/nld@2019‑11‑01). Terug naar link van noot.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-12648.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.