Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2025, 12646 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2025, 12646 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);
Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);
Gelet op artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet;
Besluit:
De nieuwe tekst van het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 4 juli 2013, nr. PDN 2013-015 (Stcrt. 2013, 24454), houdende de aanwijzing van het Habitatrichtlijngebied Van Oordt’s Mersken, het Vogelrichtlijngebied Van Oordt’s Mersken en het Natura 2000-gebied Van Oordt’s Mersken, wordt vastgesteld zoals weergegeven in de bijlage “Aanwijzingsbesluit Van Oordt’s Mersken” bij dit besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Namens deze,
w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk
Plaats: ’s-Gravenhage
Datum: 03 april 2025
Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, t.a.v. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. de afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE, Zwolle.
Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en
de gronden van bezwaar.
Meer informatie over Natura 2000 en gerelateerde onderwerpen vindt u op de website https://www.rijksoverheid.nl/natura2000. Voor vragen over Natura 2000 kunt u op werkdagen van 8.30 uur tot 16.30 uur contact opnemen met het klantcontactcentrum van RVO, telefoon 088 - 042 42 42 (lokaal tarief).
Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Van Oordt’s Mersken.
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire habitattypen aangeduid met een sterretje (*)):
H3130 | Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea |
H4010 | Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix |
H6230 | *Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) |
H6410 | Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige, of lemige kleibodem (Molinion caeruleae) |
H9190 | Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur |
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire soorten aangeduid met een sterretje (*)):
Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU L 20)1 wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Van Oordt’s Mersken.
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2009/147/EG:
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG:
Deze aanwijzing gaat vergezeld van een nota van toelichting met bijlagen, die integraal deel uitmaakt van deze aanwijzing.
De in de artikelen 1 en 2 genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Van Oordt’s Mersken.
Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting wordt afgeweken. Hiervoor gelden de peildata, genoemd in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:
bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond;
gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
erven: onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terreinen;
tuinen: in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terreinen, beplant met siergewassen en gazons, of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving en veelal, omheind zijn door middel van een afrastering, schutting, muur of haag of geheel of gedeeltelijk zijn omgeven door een sloot;
verhardingen: kunstmatige verhardingen zoals verharde wegen, pleinen, parkeervoorzieningen, erfverhardingen en steenglooiingen met inbegrip van in wegen liggende bruggen en duikers en de tot wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
hoofdspoorweg: op grond van artikel 2 van de spoorwegwet als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg. Voor de begrenzing langs hoofdspoorwegen geldt artikel 3.5 van het omgevingsbesluit (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur).
De instandhoudingsdoelstellingen van de natuurlijke habitattypen, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.3 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.4 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor niet-broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.6 van de nota van toelichting.
Het gebied Van Oordt’s Mersken is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna Habitatrichtlijn) en als speciale beschermingszone in het kader van Richtlijn 2009/147/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna Vogelrichtlijn). Tezamen vormen deze speciale beschermingszones het Natura 2000-gebied Van Oordt’s Mersken. Het besluit bevat de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.
Artikel 1 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Habitatrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.
Artikel 2 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Vogelrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.
Artikel 3 van het besluit introduceert de nota van toelichting en benadrukt dat het besluit niet te lezen is zonder de nota van toelichting. Daarnaast wordt in dit deel van het besluit het Natura 2000-gebied Van Oordt’s Mersken gevormd uit het Habitatrichtlijngebied en het Vogelrichtlijngebied.
Artikel 4 regelt de uitgezonderde delen van de in artikel 1 en artikel 2 aangewezen gebieden.
Artikel 5 en artikel 6 van het besluit bepalen dat er voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen verwezenlijkt dienen te worden. De doelstelling van artikel 5 heeft betrekking op de in artikel 1 opgesomde soorten en habitattypen. De soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden in 2003. De doelstelling van artikel 6 heeft betrekking op de in artikel 2 opgesomde vogelsoorten. De vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden in 2000.
In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting worden de aanwijzingen onder de Habitat- en Vogelrichtlijn kort toegelicht.
Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een gebiedsbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op eventuele grenswijzigingen die zijn doorgevoerd nadat het gebied bij de Europese Commissie is aangemeld of die zijn doorgevoerd nadat het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 de bij dit besluit behorende begrenzing toegelicht.
In hoofdstuk 4 wordt een opsomming gegeven van habitattypen en soorten waaraan het gebied zijn betekenis ontleent.
In hoofdstuk 5 worden de algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en worden de specifieke instandhoudingsdoelstellingen, genoemd in artikel 5 en 6, nader toegelicht. Er wordt aangegeven in welke richting de instandhoudingsdoelstelling zich zal moeten ontwikkelen. Daarvoor worden de termen “behoud”, “uitbreiding” en “verbetering” gebruikt. Voor een habitattype wordt de verdeling gemaakt in oppervlakte en kwaliteit, zodat de aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een habitattype altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de oppervlakte en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit wordt gegeven. Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit van het leefgebied. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang van het leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van “behoud” of “uitbreiding” van de populatie.
Bij de nota van toelichting is een bijlage A gevoegd met illustraties van grenswijzigingen indien van toepassing; die illustraties laten zien welke terreindelen na de eerste aanwijzing zijn vervallen of zijn toegevoegd als onderdeel van de speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Anders dan de andere bijlage bij de toelichting maakt bijlage A geen integraal onderdeel uit van dit besluit, aangezien er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet enkel nog rechten worden verleend aan de geometrische begrenzing.
Bijlage B omvat een nadere onderbouwing van de wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.
Er is een appendix toegevoegd aan dit besluit waarin een toelichting wordt gegeven op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Van Oordt’s Mersken gebruikt zijn. Deze paragrafen komen uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.
Artikel 1 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Van Oordt’s Mersken als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn (verder aangeduid als “Habitatrichtlijngebied”). Het gebied is in mei 2003 samen met het gebied Wijnjeterper Schar als één gebied aangemeld volgens de procedure zoals opgenomen in artikel 4 van deze richtlijn, waarna het gebied in december 2004 door de Europese Commissie onder de naam “Wijnjeterper Schar en Terwispeler Grootschar” en onder nummer NL2003050 is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio2. Het gebied is aangewezen voor één prioritair habitattype in de zin van artikel 1 van de Habitatrichtlijn. Het deelgebied Wijnjeterper Schar is als zelfstandig Natura 2000-gebied aangewezen (landelijk gebiedsnummer 16)3.
Artikel 2 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Van Oordt’s Mersken als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (verder aangeduid als “Vogelrichtlijngebied”). Het gebied is op 24 maart 2000 (N/2000/317) aangewezen. Bij de Europese Commissie is dit gebied bekend onder nummer NL9802046. Het bestaande Vogelrichtlijnbesluit N/2000/317 is door middel van dit besluit gewijzigd.
Met betrekking tot het Vogelrichtlijngebied kan er in dit besluit naast mogelijke grenswijzigingen ook een wijziging plaatsvinden bij de vogelsoorten, waarvoor dit gebied destijds is aangewezen. Deze eventuele wijzigingen worden toegelicht in bijlage B. In dit besluit worden alle vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied wordt geacht te zijn aangewezen.
Artikel 3 van dit besluit voorziet in de samenvoeging van de speciale beschermingszones tot één Natura 2000-gebied: Van Oordt’s Mersken (landelijk gebiedsnummer 015).
Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en onder de Vogelrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen en leefgebieden van Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten in een gunstige staat van instandhouding behouden of, in voorkomend geval, herstellen. De instandhoudingsdoelstellingen (artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5) en de begrenzing zijn in algemene zin nader toegelicht in het Natura 2000 doelendocument (2006)4. Dit document geeft het beleidskader van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen weer en de daarbij gehanteerde systematiek. Beschrijvingen van habitattypen en (vogel)soorten waarvoor doelen zijn vastgesteld, zijn opgenomen in het Natura 2000 profielendocument (2008).
Het Natura 2000-gebied Van Oordt’s Mersken ligt in de provincie Fryslân en behoort tot het grondgebied van de gemeente Opsterland5.
Van Oordt’s Mersken ligt in de benedenloop van de laaglandbeek de Boorne (of Koningsdiep) en het aangrenzende laagveengebied. Het bestaat uit de deelgebieden Terwispeler Grootschar, de Dulf, de Zomerpolder en Rome.
Het gebied ligt op de overgang van de Friese Wouden naar het Lage Midden. De volledige beekdalgradiënt van zandgrond, via kwelzone tot overstroomd laagveen komt in het gebied voor. In het winterhalfjaar staat een groot deel van de beekdalgraslanden langs het Koningsdiep onder water.
Het oude ontginningspatroon is er grotendeels bewaard gebleven. Karakteristiek voor het beekdal zijn de hoger gelegen vaak beboste zandgronden langs de flanken en de lager gelegen natte graslanden langs de beek. In het algemeen heeft het dal een weids en open karakter. Het terrein kent een kleinschalige afwisseling van moerassen en diverse typen grasland, waaronder heischrale graslanden, blauwgraslanden, dotterbloemhooilanden en grote zeggenvegetaties. Langs het Koningsdiep komen voornamelijk rietbegroeiingen voor.
Van Oordt’s Mersken behoort tot het Natura 2000-landschap “Beekdalen”.
De ligging van de habitattypen en van de leefgebieden van de soorten (paragraaf 4.4) waarvoor het gebied is aangewezen, vormt het uitgangspunt voor de begrenzing van de Habitatrichtlijngebieden. Dit is inclusief terreindelen die van mindere kwaliteit zijn. Daarnaast omvat het begrensde gebied ook natuurwaarden die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren, alsmede terreindelen die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen6.
Bij de keuze en de afbakening van de gebieden is geen rekening gehouden met andere vereisten dan die verband houden met de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna7.
De grenzen van een Vogelrichtlijngebied worden bepaald door het gebruik dat de aanwezige bijlage I- soorten, en/of trekkende watervogels, en/of overige trekkende vogels ervan maken, waarbij wordt uitgegaan van landschapsecologische eenheden en de biotoopeisen van de betrokken vogelsoorten.
Van Oordt's Mersken is aangewezen als Vogelrichtlijngebied vanwege de aanwezigheid van beekdalgraslanden aan weerszijden van het Koningsdiep, die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het vormt het leefgebied van een soort van Bijlage I (art. 4.1) en fungeert tevens als broedgebied, overwinteringsgebied, voedselgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan van bedoelde vogelsoorten8.
De geometrische begrenzing van het Natura 2000-gebied Van Oordt’s Mersken is weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage Gebiedsbegrenzingen. Voor zover van toepassing is daarbij onderscheid gemaakt tussen de begrenzingen van Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. Op hoofdlijnen omvat het gebied de polder de Dulf, Boarnedal en Bouwespolder en de natuurreservaten Mersken en Terwispeler Grootschar. Het Habitatrichtlijngebied is kleiner en omvat tevens een gedeelte ten noorden van het Koningsdiep. Het Habitatrichtlijngebied is in 2003 aangemeld als onderdeel van het Habitatrichtlijngebied Wijnjeterper Schar en Terwispeler Grootschar. Bij de samenvoeging van Habitat- en Vogelrichtlijngebieden tot Natura 2000-gebieden is Terwispeler Grootschar samengevoegd met het Vogelrichtlijngebied Van Oordt’s Mersken en is Wijnjeterper Schar (landelijk gebiedsnummer 16) een afzonderlijk gebied geworden.
Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van ongeveer 840 ha. Daarvan is ongeveer 540 ha aangewezen onder zowel Vogel- als Habitatrichtlijn en ongeveer 310 ha alleen onder de Vogelrichtlijn. Deze cijfers betreffen bruto-oppervlakten omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met in de geometrische begrenzing, tekstueel uitgesloten delen (zie artikel 4 en hierna).
Voor de begrenzing van Natura 2000-gebieden geldt de volgende exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, tuinen, erven, verharding en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken. Voor de gebruikte begrippen gelden de definities (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied) zoals die omschreven zijn in artikel 4. Daar waar de geometrische begrenzing en de exclaveringsformule niet overeenstemmen, is de exclaveringsformule doorslaggevend.
Voor de toepassing van de begrenzing en de exclaveringsformule van artikel 4 gelden er peildata:
De begrenzingen van het Vogelrichtlijngebied en het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) zijn op enkele technische punten aangepast (2013):
Bestaande bebouwing (inclusief erven en tuinen; reeds tekstueel geëxclaveerd) waar geen Natura 2000-waarden voorkomen, is waar mogelijk op grond van kadastrale of topografische lijnen buiten de begrenzing gebracht.
De begrenzing is waar mogelijk gelegd langs topografisch herkenbare lijnen, zoals wegen, wateren, perceelscheidingen en bosranden.
Rijksweg A7 die het gebied over een afstand van ongeveer 2 km doorsnijdt, is inclusief de op- en afritten geëxclaveerd.
Overige verharde wegen, die ook reeds tekstueel waren geëxclaveerd, zijn aan de rand van het gebied ook zoveel mogelijk buiten de begrenzing gebracht.
Verschillen (< 25 ha) tussen Vogel- en Habitatrichtlijngebied zijn opgeheven door de meest ruime grens aan te houden.
Overlap van 5 meter of minder met kadastrale percelen die grotendeels buiten het gebied zijn gelegen, is gelet op de kadastrale inschrijving9, waar mogelijk beperkt. Dit betekent dat aldaar de kadastrale lijn is aangehouden. Deze werkwijze is alleen gevolgd op plekken waar geen Natura 2000-waarden aanwezig zijn.
Overige wijzigingen van meer dan 1 ha worden in de volgende alinea toegelicht.
Het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) is binnen het Vogelrichtlijngebied (ten noorden van het Koningsdiep) met 115 ha uitgebreid wegens de aanwezigheid en verdere ontwikkeling van de habitattypen heischrale graslanden (H6230) en blauwgraslanden (H6410) (2013).
In artikel 1 en 2 is een opsomming gegeven van de waarden waaraan het gebied zijn betekenis als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied ontleent. Wat betreft de aanwijzing als Habitatrichtlijngebied wordt in paragrafen 4.2.1 en 4.2.2 een lijst gegeven van de habitattypen (met vermelding van de aanwezige subtypen) en soorten waarvoor het gebied is aangewezen10. Paragraaf 4.2.3 vermeldt de vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen. Op alle vermelde Natura 2000-waarden is een instandhoudingsdoelstelling van toepassing (zie artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5).
Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 vermeld welke selectiecriteria op het Habitatrichtlijngebied van toepassing zijn en wordt onderbouwd waarom het gebied als Habitatrichtlijngebied is geselecteerd. Van elke Natura 2000-waarde waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet, wordt in bijlage B.3 in tekst en/of tabelvorm de betekenis (relatieve bijdrage) van het gebied afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden die aan de selectiecriteria voldoen. Ten slotte beschrijft paragraaf 4.4 de verspreiding van habitattypen en soorten binnen het gebied, ter onderbouwing van de gevolgde gebiedsbegrenzing.
Het gebied is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitats opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een bijdrage levert aan de instandhouding op landelijk niveau. Ten behoeve van de nationale uitwerking van de Habitatrichtlijn is een deel van de habitattypen verdeeld in subtypen, vanwege de zeer ruime variatie in fysieke omstandigheden en soortensamenstelling. De namen van de habitattypen en daarvan afgeleide subtypen zullen verder met hun verkorte namen worden aangeduid. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2008) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.
H3130 | Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea Verkorte naam Zwakgebufferde vennen |
H4010 | Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix Verkorte naam Vochtige heiden |
betreft het subtype: | |
H4010A | Vochtige heiden (hogere zandgronden) |
H6230 | *Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) Verkorte naam Heischrale graslanden |
Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een wezenlijke functie in de levenscyclus vervult. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding op landelijk niveau. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2008) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.
Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn:
Verder is het gebied aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen in hun trekzones (artikel 4.2):
Wijzigingen ten opzichte van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000) en/of het ontwerpbesluit (2008) zijn verklaard in bijlage B.2 van deze nota van toelichting.
Voor niet-prioritaire habitattypen opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor habitattypen welke verdeeld zijn in subtypen, geldt een aantal van “drie belangrijkste gebieden” per subtype. Voor prioritaire habitattypen13 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden” en voor subtypen van prioritaire habitattypen een aantal van “vijf belangrijkste gebieden” per subtype. Verdeling in subtypen ten behoeve van de selectie is alleen toegepast indien de subtypen een verschillende verspreiding hebben en de beschikbare gegevens verdeling in subtypen toelaten. Voor één habitattype, dat in voldoende mate in gebieden is vertegenwoordigd die voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd (slijkgrasvelden (H1320)). De betekenis van het gebied is afgemeten aan de aanwezige oppervlakte en zo nodig ook de representativiteit van het habitattype. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding14. In de onderstaande tabel zijn de habitattypen vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitattypen waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3).
Habitattype | Xa | Yb | Landelijke oppervlakte c | Oppervlakte in Van Oordt’s Merskend | Oppervlakte in Yde gebiede | Selectie bij aanmelding |
*H6230 | 10 | 10 | Zie bijlage B.3 | ja | ||
H6410 | 5 | 5 | ca. 180 | C (<2%) | - | ja |
Aantal gebieden dat maximaal voor dit habitattype kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot de X belangrijkste gebieden” voor het betreffende habitattype.
Aantal gebieden dat op grond van de huidige gegevens en omstandigheden zou voldoen aan het onder (a) genoemde selectiecriterium (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin het habitattype is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).
Geschatte landelijke oppervlakte van het (subtype van het) habitattype in hectaren.
Oppervlakte in het onderhavige gebied, uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte. (Niet ingevuld indien gebied niet één van de X belangrijkste gebieden is.)
Oppervlakte van het habitattype in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied. (Niet ingevuld indien niet van belang voor de bepaling van de relatieve betekenis van het gebied, wanneer representativiteit in plaats van oppervlakte doorslaggevend was.)
Voor niet-prioritaire soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor prioritaire soorten15 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden”. Voor enkele verspreid over het land voorkomende soorten, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd16. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de omvang van de aanwezige populatie. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding17. Er zijn geen habitatsoorten waarvoor Van Oordt’s Mersken aan de selectiecriteria voldoet.
De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Van Oordt’s Mersken is bepaald aan de hand van de ligging van habitattypen en leefgebieden van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen (zie verder paragraaf 3.2). De verspreiding van de betreffende habitattypen en soorten binnen het gebied wordt in deze paragraaf globaal beschreven ter onderbouwing van de gevolgde begrenzing. Het is niet bedoeld als een uitputtende beschrijving.
Het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010A) komt voor in Terwispeler Grootschar. Blauwgraslanden (H6410) komt voor op enkele percelen in het oostelijk deel van het gebied (Mersken/Hege Geasten). In deelgebied Boarnedal is een grotere oppervlakte goed ontwikkelde blauwgraslanden aanwezig. In het verleden kwamen heischrale graslanden (H6230) goed ontwikkeld voor op overgangen van vochtige heiden naar blauwgrasland, maar tegenwoordig zijn in Mersken/Hege Geasten nog slechts restanten aanwezig in de vorm van rompgemeenschappen of associatiefragmenten uit het borstelgrasverbond. Verder zijn heischrale graslanden aanwezig in het noorden van Boarnedal.
In sloten verspreid in het gebied komen de grote modderkruiper (H1145) en kleine modderkruiper (H1149) voor.
Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel aan maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Ingevolge artikel 4, vierde lid, Habitatrichtlijn worden bij aanwijzing als Habitatrichtlijngebied “tevens de prioriteiten vast[gesteld] gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat […] of van een soort […] alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging”.
Deze bepaling is in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nader uitgewerkt. Op grond van dit artikel bestaat de verplichting om in een aanwijzing doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van leefgebieden van vogelsoorten dan wel doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten op te nemen. Om die reden zijn voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Voor zover van toepassing is daarbij aangegeven welke habitattypen en/of (vogel)soorten ten koste mogen gaan van andere habitattypen en (vogel)soorten. Bij broedvogelsoorten met een regionale doelstelling is in de toelichting aangegeven wat in een bepaalde periode de minimale en maximale bijdrage van het betreffende gebied aan het regionale doelniveau is geweest.
In bijlage B.4 van deze nota van toelichting is een overzicht opgenomen van alle gebiedsdoelstellingen per Natura 2000-waarde.
Voor de Natura 2000-gebieden zullen in beheerplannen instandhoudingsmaatregelen worden uitgewerkt die beantwoorden aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten van de betrokken natuurlijke habitats en (vogel)soorten.
Als verdere invulling van het stellen van prioriteiten zijn voor de acht onderscheiden Natura 2000-landschappen18 kernopgaven geformuleerd op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, de landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (“richting geven”) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en (vogel)soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (2006).
Behoud en indien van toepassing herstel van:
de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie;
de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;
de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;
de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
H3130 | Zwakgebufferde vennen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit. |
Toelichting | Het habitattype komt in de vorm van de Associatie van Vlottende bies voor in een ven ten noorden van het Koningsdiep, te midden van schraallanden behorende tot H6230 en H6410. Behoud is voldoende, omdat de kwaliteit al goed is en de potenties voor uitbreiding gering. |
H4010 | Vochtige heiden |
Doel | Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige heiden, hogere zandgronden (subtype A). |
Toelichting | Het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (subtype A) komt over een geringe oppervlakte voor in een gradiënt met blauwgraslanden (H6410) en heischrale graslanden (H6230), en is overwegend van matige kwaliteit. Kwaliteitsverbetering kan worden gerealiseerd door het terugdringen van vergrassing. |
H6230 | *Heischrale graslanden |
Doel | Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. |
Toelichting | Het habitattype heischrale graslanden komt over een geringe oppervlakte voor in mozaïek met begroeiingen van het habitattype blauwgraslanden (H6410). De kwaliteit is overwegend matig. Bij verbetering van de kwaliteit van het habitattype blauwgraslanden (H6410) kunnen de heischrale graslanden meeliften. |
H6410 | Blauwgraslanden |
Doel | Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. |
Toelichting | Het habitattype blauwgraslanden komt voor op de overgang van zand naar beekdal en in het laagveen. Het type komt voor in een heischrale variant en is gedeeltelijk goed ontwikkeld. Er is in dit gebied grote potentie voor uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. |
A151 | Kemphaan |
Doel | Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 10 hennen. |
Toelichting | Van oudsher is de kemphaan een broedvogel in Van Oordt’s Mersken. De laatste 10 jaren werden tussen 0 en 8 (2000) hennen waargenomen. Een hogere populatiedoelstelling dan ten minste 10 hennen zou een conflict geven met de overige doelstellingen voor het gebied. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding en de negatieve lokale trend is voor de kemphaan een doel voor uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied geformuleerd. Het gebied kan onvoldoende draagkracht leveren voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Friese Merengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. |
A275 | Paapje |
Doel | ding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van tenminste 5 paren. |
Toelichting | Van oudsher is het paapje een broedvogel in Van Oordt’s Mersken. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is voor het paapje een doel voor uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied geformuleerd. Het aantal in het doel is gelijk aan het gemiddelde aantal van de jaren 1996 en 1997 met respectievelijk 4 en 6 paren. In de jaren 2006-2009 fluctueerde het aantal tussen 1 en 2 paren. Het gebied kan onvoldoende draagkracht leveren voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Fries-Drentse grensstreek ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. |
A041 | Kolgans |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 5.000 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen kolganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Sinds midden jaren tachtig zijn de aantallen kolganzen sterk toegenomen. |
A045 | Brandgans |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 4.200 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen brandganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft voor de soort betrekking op de foerageerfunctie. De slaapplaatsfunctie is mogelijk belangrijker, maar trendgegevens en een seizoensgemiddelde hiervan ontbreken. Van Oordt’s Mersken levert vermoedelijk één van de grootste bijdragen als slaapplaats voor de brandgans in Nederland. In de periode 1999/2000-2003/2004 is een seizoensmaximum van 35.000 vogels geteld. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort. |
A050 | Smient |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 4.200 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied. De beschikbare tellingen vertonen geen compleet beeld maar lijken te duiden op een sterke toename van de aantallen smienten sinds het begin van de jaren negentig. |
Nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2008) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype zwakgebufferde vennen (H3130), omdat uit onderzoek blijkt dat dit type in het gebied voorkomt.
In afwijking van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), maar conform het ontwerpbesluit (2008), is het gebied niet aangewezen voor het habitattype droge heiden (H4030). Dit gebied is in 2003 samen met het gebied Wijnjeterper Schar aangemeld als één Habitatrichtlijngebied onder de naam “Wijnjeterper Schar en Terwispeler Grootschar”. Later is dit gebied in tweeën gesplitst. Het habitattype droge heiden ligt enkel in het gebied Wijnjeterper Schar, derhalve is deze doelstelling voor het gebied Van Oordt’s Mersken vervallen.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2008) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype oude eikenbossen (H9190), omdat uit onderzoek blijkt dat dit type in het gebied voorkomt.
De vogelsoorten waarvoor het gebied in 2000 is aangewezen, zijn indertijd ontleend aan SOVON (2000)19. De numerieke criteria die daarin zijn opgenomen zijn ontleend aan de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000)20. Een gebied wordt slechts aangewezen voor soorten waarvoor het gebied van landelijke betekenis is. Hiervan is in beginsel sprake indien het gebied minstens 1% van de landelijke broedpopulatie herbergt, indien 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied verblijft of indien het gebied in combinatie met andere gebieden voldoende bijdrage kan leveren aan een sleutelpopulatie.
Voor eventuele toevoeging of verwijdering van vogelsoorten is gebruik gemaakt van SOVON & CBS (2005)21 waarin de ontwikkeling van vogelaantallen in de laatste decennia is beschreven. Dit rapport heeft ten grondslag gelegen aan de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Vogelrichtlijnsoorten. In bijlage 1 van dit rapport zijn de verschillen aangegeven tussen de soortenlijsten per gebied die in beide aangehaalde rapporten zijn opgenomen. Om ecologische redenen die in voorkomende gevallen hieronder zijn vermeld, is soms van deze algemene criteria afgeweken. Deze werkwijze heeft voor de lijst van vogelsoorten waarvoor dit gebied is aangewezen, de volgende consequenties:
In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000), maar conform het ontwerpbesluit (2008) is de grutto (A156) als niet-broedvogel niet meer opgenomen. Het gebied herbergde minder dan 0,1% van de biogeografische populatie van de grutto in de periode 1999/2000- 2003/2004.
In aanvulling op de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000), maar conform het ontwerpbesluit (2008) is het gebied ook aangewezen voor de volgende vogelsoort van bijlage I van de Vogelrichtlijn: kemphaan (A151) als broedvogel. De soort is van oudsher bekend als broedvogel in het gebied. Door gebrek aan telgegevens in de periode 1993-1997 was de soort niet eerder opgenomen in de eerdere aanwijzing als Vogelrichtlijngebied. Het gebied herbergde minstens 1% van de landelijke broedpopulatie in de periode 1999-2003.
In dit onderdeel wordt voor elke Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied aan de selectiecriteria voldoet (zie paragraaf 4.3), een overzicht gegeven van alle daarvoor kwalificerende gebieden. Dit gebeurt zoveel mogelijk in de vorm van een tabel met de gebieden die aan de selectiecriteria voldoen, onder vermelding van de relatieve bijdrage. In het geval van habitattypen betreft dit het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. Indien kwaliteit een rol heeft gespeeld in de bepaling van de gebiedenselectie voor habitattypen is dit tekstueel toegelicht. In het geval van soorten betreft de relatieve bijdrage het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is.
Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen, aantal bezette plekken of kilometerhokken.
Er is gebruik gemaakt van de volgende klasse-indeling:
A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75%
B1 = 2-6% en B2 = 6-15%
C = <2%
In de kolom “Bronvermelding” zijn de terreinbeherende organisaties en andere instanties en bronnen vermeld, waaraan de oppervlaktecijfers en aantallen zijn ontleend, met vermelding van de jaren waarin deze zijn verzameld of gepubliceerd.
H6230 – *Heischrale graslanden
Ten tijde van de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor het prioritaire habitattype heischrale graslanden (H6230), dat sterk verspreid over de verschillende Natura 2000-landschappen voorkomt, de volgende tien gebieden geselecteerd: Wijnjeterper Schar en Terwispeler Grootschar (015- 016)22, Drentsche Aa-gebied (025)23, Holtingerveld (029)24, Borkeld (044), Veluwe (057), Willinks Weust (062), Zwanenwater & Pettemerduinen (085)25, Bemelerberg & Schiepersberg (156), Geuldal (157) en Sint Pietersberg & Jekerdal (159).
Met de huidige kennis zijn de grootste oppervlakten met goede kwaliteit (minstens 2 ha) gelegen in Drentsche Aa-gebied, Holtingerveld, Dwingelderveld (030), Bergvennen & Brecklenkampse Veld (046), Borkeld, Aamsveen (055), Veluwe, Bemelerberg & Schiepersberg en Sint Pietersberg & Jekerdal. Ook enkele andere gebieden bevatten aanzienlijke oppervlakten, maar hier betreft het geheel of grotendeels matige kwaliteit (rompgemeenschappen), waardoor deze gebieden wat betreft dit habitattype niet tot de tien belangrijkste gebieden worden gerekend. Het volgende gebied (inmiddels in twee gebieden gesplitst) wordt ook tot de tien belangrijkste gebieden gerekend vanwege de goede kwaliteit: Wijnjeterper Schar (016) en Terwispeler Grootschar (laatstgenoemde thans deelgebied van Van Oordt’s Mersken (015)), met complete gradiënten van vochtige heiden (H4010), heischrale graslanden naar blauwgraslanden (H6410) en bijzondere soorten als valkruid en welriekende nachtorchis. Uit oogpunt van voldoende geografische spreiding kunnen hieraan nog twee gebieden worden toegevoegd: Duinen Terschelling (004) en Zwanenwater & Pettemerduinen.
H6410 – Blauwgraslanden Landelijke oppervlakte ca. 180 ha | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
015 | Van Oordt’s Mersken | C (<2%) | Provincie Fryslân 2009 |
016 | Wijnjeterper Schar | B1 (2-6%) | Aanwijzingsbesluit 2010 |
037 | Olde Maten & Veerslootslanden | B1 (2-6%) | Aanwijzingsbesluit 2013 |
049 | Dinkelland | B1 (R, 2-6%) a | Provincie Overijssel 2009 |
065 | Binnenveld | B1 (2-6%) | Staatsbosbeheer 2009 |
069 | De Bruuk | B2 (6-15%) | Aanwijzingsbesluit 2013 |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | B2 (6-15%) | Provincie Zuid-Holland 2011 |
132 | Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek | B2 (R, 6-15%) a | Aanwijzingsbesluit 2013 |
De letter “R” in deze kolom geeft aan dat het gebied is geselecteerd teneinde een voldoende regionale spreiding te verkrijgen binnen het landelijke verspreidingsgebied van het habitattype.
Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor dit habitattype vijf gebieden geselecteerd: Wijnjeterper Schar en Terwispeler Grootschar (015-016)26, Olde Maten & Veerslootslanden (037), Dinkelland (049), Binnenveld (065)27 en De Bruuk (069). De landelijke oppervlakte van dit habitattype bedraagt ongeveer 180 ha, waarvan waarschijnlijk minder dan de helft van goede kwaliteit is.
Op grond van recente gegevens, met name over het kwaliteitsaspect, herbegrenzing van gebieden, aanpassing van de definitie van het habitattype (onder andere heldere afbakening ten opzichte van kalkmoerassen (H7230) en heischrale graslanden (H6230)) en inschatting van de herstelkansen, worden de volgende gebieden als belangrijkste beschouwd:
In De Bruuk is één van de grootste oppervlakten aanwezig (circa 10 ha), waarvan een groot deel goed ontwikkeld is. De kansen op uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit zijn groot (en deels al in ontwikkeling). Het habitattype komt voor in twee vormen, te weten als blauwgrasland en veldrusschraalland. De laatste vorm is nergens anders in ons land zo goed ontwikkeld.
In het gebied Binnenveld is een aanzienlijke oppervlakte aanwezig (circa 8 ha), waarvan ongeveer de helft goed ontwikkeld is en waar substantiële uitbreiding kan worden gerealiseerd.
Olde Maten & Veerslootslanden herbergt ongeveer 5 ha blauwgrasland, ten dele goed ontwikkeld met bijzondere soorten als knotszegge en parnassia. Het aangrenzende gebied De Wieden (035) heeft weliswaar een grotere oppervlakte maar minder bijzondere soorten. Ook worden de herstelkansen daar lager ingeschat.
In het gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) is door de uitbreiding met het aangrenzende voormalig beschermd natuurmonument De Meije de oppervlakte blauwgrasland toegenomen tot ruim 15 ha, waardoor dit Natura 2000-gebied het belangrijkste gebied in het westen van het land is met als bijzondere soort knotszegge.
Wijnjeterper Schar en Terwispeler Grootschar (nu onderdeel van Van Oordt’s Mersken (015)) herbergen in totaal ruim 5 ha blauwgrasland, deels van goede kwaliteit met bijzondere soorten als knotszegge en vlozegge.
Het habitattype blauwgraslanden komt verspreid over het land in diverse Natura 2000-landschappen voor waardoor de ecologische variatie van dit schaarse habitattype in de genoemde belangrijkste gebieden onvoldoende wordt afgedekt. Met het oog op geografische spreiding worden daarom nog twee gebieden in de Natura 2000-landschappen Beekdalen en Rivierengebied toegevoegd:
In Dinkelland zijn in het deelgebied Punthuizen blauwgraslanden (enkele ha) van bijzondere kwaliteit aanwezig, met bijzondere soorten als moeraswespenorchis, wijdbloeiende rus en moerassmele.
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (132) bevat een aanzienlijke oppervlakte (ongeveer 10 ha) van deels goede kwaliteit. Het betreft één van de weinige voorbeelden van blauwgrasland met grote pimpernel en draadrus.
Voor zover de hier vermelde gebiedsdoelen en relatieve bijdragen betrekking hebben op de Natura 2000-gebieden die buiten dit aanwijzingsbesluit vallen en waarvan de definitieve besluiten op het moment van vaststelling van het onderhavige besluit nog niet zijn vastgesteld, moeten deze worden beschouwd als “indicatieve” opgaven en kunnen ze nog aan verandering onderhevig zijn.
In dit onderdeel wordt voor iedere Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied is aangewezen, inzichtelijk gemaakt hoe de landelijke doelstelling28 is uitgewerkt in de Natura 2000-gebieden. De landelijke doelstellingen vormen een kader voor de formulering van instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau. De gebiedsdoelen bij elkaar “opgeteld”, eventueel tezamen met een opgave buiten het Natura 2000-netwerk, hebben als som het landelijke doel. Onder iedere tabel wordt de landelijke staat van instandhouding van de betreffende Natura 2000-waarde vermeld. Indien de landelijke doelstelling van de betreffende waarde afwijkt van wat kan worden verwacht uit de landelijke staat van instandhouding, is dit hier gemotiveerd.
Gebiedsdoelstellingen die afwijken van de landelijke doelstelling, worden ook zoveel mogelijk gemotiveerd. In gevallen waarin motivering ontbreekt, is aanpassing nog in overweging (met name naar aanleiding van zienswijzen) in het kader van het besluit voor het betreffende gebied. Doelstellingen die volgens de tabellen zijn aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit (zie kolom “Besluit”) staan eveneens onder de betreffende tabellen gemotiveerd. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-waarden die zijn toegevoegd ten opzichte van het ontwerpbesluit, zijn in principe op behoud gesteld, omdat de landelijke doelstelling al haalbaar werd geacht zonder deze toevoegingen. De instandhoudingsdoelstellingen die om deze reden op behoud zijn gesteld en daarmee afwijken van de landelijke doelstelling voor de betreffende Natura 2000-waarde, zijn in de tabellen gemarkeerd met een x. De niet-broedvogelsoorten waarvoor zowel landelijk als in alle gebieden een behoudopgave is gesteld zijn samengevat in één tabel. Bij broedvogels en niet-broedvogels wordt in de kolom “Populatie” tevens aangegeven of er sprake is van herstel dan wel uitbreiding (↑). In een aparte kolom is van elk gebied de relatieve bijdrage vermeld. Voor een nadere toelichting en de klasse-indeling wordt verwezen naar de inleiding van onderdeel 3 van deze bijlage.
H3130 – Zwakgebufferde vennen Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
015 | Van Oordt’s Mersken | behoud | behoud | C | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
016 | Wijnjeterper Schar | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
017 | Bakkeveense Duinen | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
027 | Drents-Friese Wold & Leggelderveld | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
029 | Holtingerveld | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
030 | Dwingelderveld | behoud a | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
032 | Mantingerzand | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
039 | Vecht- en Beneden-Reggegebied | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
041 | Boetelerveld | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
046 | Bergvennen & Brecklenkampse Veld | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
047 | Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
049 | Dinkelland | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
051 | Lonnekermeer | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
053 | Buurserzand & Haaksbergerveen | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
054 | Witte Veen | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
055 | Aamsveen | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit x |
057 | Veluwe | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
058 | Landgoederen Brummen | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
060 | Stelkampsveld | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
061 | Korenburgerveen | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit x |
094 | Naardermeer | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
128 | Brabantse Wal | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
130 | Langstraat | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
131 | Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
133 | Kampina & Oisterwijkse Vennen | uitbreiding | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
134 | Regte Heide & Riels Laag | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
135 | Kempenland-West | behoud | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
136 | Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
137 | Strabrechtse Heide & Beuven | behoud | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
138 | Weerter- en Budelerbergen & Ringselven | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
144 | Boschhuizerbergen | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
145 | Maasduinen | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
146 | Sarsven en De Banen | uitbreiding | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
149 | Meinweg | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van habitattype zure vennen (H3160) is toegestaan29.
Het habitattype zwakgebufferde vennen heeft een sterk versnipperd voorkomen dat doorgaans over kleine oppervlakten voorkomt. Ongeveer een derde van dit habitattype is opgenomen in het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan30. De uitbreidingsopgave is neergelegd in de gebieden waar de beste mogelijkheden zijn en/of die in de toekomst een grote bijdrage kunnen leveren aan het landelijk doel (bijvoorbeeld Kampina & Oisterwijkse Vennen (133) en Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (136)). In de gebieden waar een behoudopgave is gesteld voor de oppervlakte wordt uitbreiding nagenoeg niet mogelijk geacht omdat het habitattype bijvoorbeeld voorkomt in geïsoleerde poelen en er van nature geen nieuwe vennen bij zullen komen (onder andere Dwingelderveld (030), Boetelerveld (041), Dinkelland (049), Veluwe (057), Landgoederen Brummen (058), Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (131), Boschhuizerbergen (144)), of omdat het habitattype al over een grote oppervlakte voorkomt (Kempenland-West (135)). Ook de landelijke doelstelling ter verbetering van de kwaliteit wordt nagestreefd in de gebieden waar de potentie het hoogst is. In de gebieden waar een behoudopgave is gesteld komt het habitattype mogelijk al in voldoende kwaliteit voor (onder andere Veluwe (057)), in een aantal gevallen door recentelijke herstelwerkzaamheden (Regte Heide & Riels Laag (134), Boschhuizerbergen, Sarsven en De Banen (146)). In de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen zijn de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering nog onzeker. In vennen waar de habitattypen zeer zwakgebufferde vennen (H3110) en zwakgebufferde vennen (H3130) samen voorkomen, dient het beheer vooral gericht te zijn op het meer zeldzame en meer bedreigde habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110).
H4010A – Vochtige heiden, hogere zandgronden Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
015 | Van Oordt’s Mersken | behoud | verbetering | C | conform ontwerp |
016 | Wijnjeterper Schar | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
017 | Bakkeveense Duinen | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit x |
023 | Fochteloërveen | uitbreiding | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
024 | Witterveld | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
025 | Drentsche Aa-gebied | uitbreiding | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
027 | Drents-Friese Wold & Leggelderveld | uitbreiding | verbetering | B2 | aanwijzingsbesluit |
028 | Elperstroomgebied | uitbreiding | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
029 | Holtingerveld | uitbreiding | verbetering | B2 | aanwijzingsbesluit |
030 | Dwingelderveld | uitbreiding | verbetering | B2 | ontwerpbesluit |
032 | Mantingerzand | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
039 | Vecht- en Beneden-Reggegebied | behoud | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
041 | Boetelerveld | uitbreiding | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
042 | Sallandse Heuvelrug | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
043 | Wierdense Veld | behoud | verbetering | C | ontwerpbesluit |
044 | Borkeld | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
045 | Springendal & Dal van de Mosbeek | behoud | verbetering | C | ontwerpbesluit |
046 | Bergvennen & Brecklenkampse Veld | uitbreiding | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
048 | Lemselermaten | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
049 | Dinkelland | behoud | verbetering | C | ontwerpbesluit |
051 | Lonnekermeer | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
053 | Buurserzand & Haaksbergerveen | uitbreiding | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
054 | Witte Veen | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
055 | Aamsveen | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
057 | Veluwe | uitbreiding | verbetering | B2 | ontwerpbesluit |
058 | Landgoederen Brummen | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
060 | Stelkampsveld | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
061 | Korenburgerveen | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
128 | Brabantse Wal | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
133 | Kampina & Oisterwijkse Vennen | uitbreiding | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
134 | Regte Heide & Riels Laag | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
135 | Kempenland-West | behoud | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
136 | Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux | uitbreiding | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
137 | Strabrechtse Heide & Beuven | behoud | verbetering | B2 | aanwijzingsbesluit |
145 | Maasduinen | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
149 | Meinweg | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
155 | Brunssummerheide | uitbreiding | behoud | C | ontwerpbesluit |
Het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (subtype A) komt wijdverspreid voor in Nederland. Meer dan twee derde van de landelijke oppervlakte van dit subtype is opgenomen binnen het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan31. Mogelijkheden voor uitbreiding van de oppervlakte liggen onder andere op de Veluwe (057) en in de gebieden op het Drents plateau, waar dit subtype over grote oppervlakten voorkomt. Verder is de uitbreidingsopgave neergelegd in de gebieden waar de beste potenties zijn: waar voldoende ruimte en mogelijkheden zijn voor uitbreiding. Ook de landelijke doelstelling ter verbetering van de kwaliteit wordt nagestreefd in de gebieden waar de potentie het hoogst is: bijvoorbeeld waar herstel van sterk vergraste vormen van dit subtype mogelijk is. Een speciale herstelopgave voor de kwaliteit van dit subtype ligt in de beekdalen waar het habitattype onderdeel uitmaakt van de gradiënt van hogere zandgronden naar de beek (bijvoorbeeld Wijnjeterper Schar (016), Stelkampsveld (060) en Meinweg (149)). In de meeste gebieden waar, in tegenstelling tot deze landelijke doelstelling, behoud van de kwaliteit wordt nagestreefd komt het subtype slechts in beperkte mate voor. De potenties ter verbetering van de kwaliteit zijn in deze gebieden veelal gering.
H6230 – *Heischrale graslanden Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | B2 | aanwijzingsbesluit |
005 | Duinen Ameland | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
015 | Van Oordt’s Mersken | uitbreiding | verbetering | C | conform ontwerp |
016 | Wijnjeterper Schar | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
025 | Drentsche Aa-gebied | uitbreiding | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
026 | Drouwenenzand | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
027 | Drents-Friese Wold & Leggelderveld | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
028 | Elperstroomgebied | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
029 | Holtingerveld | uitbreiding | verbetering | B2 | aanwijzingsbesluit |
030 | Dwingelderveld | uitbreiding | behoud | B2 | ontwerpbesluit |
032 | Mantingerzand | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
033 | Bargerveen | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
039 | Vecht- en Beneden-Reggegebied | behoud | verbetering | C | ontwerpbesluit |
041 | Boetelerveld | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
042 | Sallandse Heuvelrug | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
044 | Borkeld | uitbreiding | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
045 | Springendal & Dal van de Mosbeek | uitbreiding | behoud | C | ontwerpbesluit |
046 | Bergvennen & Brecklenkampse Veld | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
048 | Lemselermaten | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
049 | Dinkelland | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
051 | Lonnekermeer | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
055 | Aamsveen | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
057 | Veluwe | uitbreiding | verbetering | A2 | ontwerpbesluit |
058 | Landgoederen Brummen | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
060 | Stelkampsveld | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
062 | Willinks Weust | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | uitbreiding | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
155 | Brunssummerheide | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
156 | Bemelerberg & Schiepersberg | uitbreiding | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
157 | Geuldal | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
159 | Sint Pietersberg & Jekerdal | uitbreiding | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
Het habitattype heischrale graslanden heeft een sterk versnipperd voorkomen dat doorgaans over kleine oppervlakten voorkomt. Van de circa 100 ha heischrale graslanden in Nederland is ongeveer de helft opgenomen in het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van dit habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In enkele gebieden wijkt de doelstelling betreffende de oppervlakte af van het landelijk doel en wordt behoud nagestreefd. De belangrijkste reden hiervoor is dat er buiten het huidig voorkomen in het betreffende gebied niet of nauwelijks uitbreidingsmogelijkheden aanwezig zijn, onder andere in Dinkelland (049). Het landelijke doel ter verbetering van de kwaliteit van dit habitattype kan ook niet in alle gebieden gerealiseerd worden.
De meest kansrijke gebieden zijn aangewezen voor kwaliteitsverbetering van het habitattype. In enkele andere gebieden wordt behoud van de kwaliteit nagestreefd, in tegenstelling tot het landelijk doel. Mogelijke redenen hiervoor zijn de aanwezigheid van reeds goede kwaliteit (Bargerveen (033)) en geringe mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering (Dinkelland).
H6410 – Blauwgraslanden Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
006 | Duinen Schiermonnikoog | uitbreiding | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
013 | Alde Feanen | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
015 | Van Oordt’s Mersken | uitbreiding | verbetering | C | conform ontwerp |
016 | Wijnjeterper Schar | behoud | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
018 | Rottige Meenthe & Brandemeer | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
021 | Lieftinghsbroek | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
025 | Drentsche Aa-gebied | uitbreiding | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
028 | Elperstroomgebied | uitbreiding | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
034 | Weerribben | behoud | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
035 | De Wieden | uitbreiding | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
037 | Olde Maten & Veerslootslanden | uitbreiding | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
041 | Boetelerveld | uitbreiding | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
045 | Springendal & Dal van de Mosbeek | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
046 | Bergvennen & Brecklenkampse Veld | uitbreiding | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
047 | Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
048 | Lemselermaten | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
049 | Dinkelland | uitbreiding | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
051 | Lonnekermeer | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
057 | Veluwe | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
058 | Landgoederen Brummen | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
060 | Stelkampsveld | uitbreiding | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
061 | Korenburgerveen | uitbreiding | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
062 | Willinks Weust | uitbreiding | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
065 | Binnenveld | uitbreiding | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
069 | De Bruuk | uitbreiding | verbetering | B2 | aanwijzingsbesluit |
083 | Botshol | behoud | verbetering | C | ontwerpbesluit |
084 | Duinen Den Helder – Callantsoog | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
087 | Noordhollands Duinreservaat | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
094 | Naardermeer | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
095 | Oostelijke Vechtplassen | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | uitbreiding | verbetering | B2 | ontwerpbesluit |
105 | Zouweboezem | uitbreiding | behoud | C | ontwerpbesluit |
116 | Kop van Schouwen | uitbreiding | behoud | C | ontwerpbesluit |
130 | Langstraat | uitbreiding | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
131 | Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
132 | Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek | uitbreiding | verbetering | B2 | aanwijzingsbesluit |
133 | Kampina & Oisterwijkse Vennen | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
135 | Kempenland-West | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
Het habitattype blauwgraslanden komt in verspreid liggende gebieden in kleine oppervlakten voor. Van de circa 180 ha blauwgrasland in Nederland is ongeveer twee derde opgenomen in het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het habitattype blauwgraslanden is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “zeer ongunstig”32. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Voor het merendeel van de gebieden geldt dat de doelen aansluiten bij de landelijke doelstelling van uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit van het habitattype. In een aantal gevallen is hiervan afgeweken en is er gekozen voor een behoudsdoelstelling voor de oppervlakte of de kwaliteit. De belangrijkste reden met betrekking tot de oppervlakte is dat er buiten het huidig voorkomen in het betreffende gebied niet of nauwelijks uitbreidingsmogelijkheden aanwezig zijn. De landelijke doelstelling ter verbetering van de kwaliteit van dit habitattype kan ook niet in alle gebieden gerealiseerd worden. In het gebied Duinen Schiermonnikoog (006) bijvoorbeeld wordt gezien de geïsoleerde ligging van het gebied geen potentieel herstel van de kwaliteit verwacht. De meest kansrijke gebieden zijn aangewezen voor kwaliteitsverbetering van het habitattype.
H9190 – Oude eikenbossen Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
015 | Van Oordt’s Mersken | behoud | behoud | C | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
025 | Drentsche Aa-gebied | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
027 | Drents-Friese Wold & Leggelderveld | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
029 | Holtingerveld | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
030 | Dwingelderveld | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
032 | Mantingerzand | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit x |
039 | Vecht- en Beneden-Reggegebied | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
044 | Borkeld | behoud | verbetering | C | wijzigingsbesluit |
045 | Springendal & Dal van de Mosbeek | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
049 | Dinkelland | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
051 | Lonnekermeer | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
053 | Buurserzand & Haaksbergerveen | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
057 | Veluwe | uitbreiding | verbetering | A4 | aanwijzingsbesluit |
131 | Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
133 | Kampina & Oisterwijkse Vennen | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
135 | Kempenland-West | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
136 | Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit x |
145 | Maasduinen | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
147 | Leudal | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
Ruim drie kwart van de landelijke oppervlakte van het habitattype oude eikenbossen bevindt zich binnen het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het habitattype oude eikenbossen is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan33. In enkele gebieden wordt in tegenstelling tot de landelijke doelstelling behoud van de kwaliteit en/of oppervlakte beoogd. Een reden hiervoor is dat de kwaliteit reeds goed is (bijvoorbeeld Drentsche Aa-gebied (025)). Een andere reden is dat het habitattype over slechts een geringe oppervlakte voorkomt, waardoor er geen potentie is om de kwaliteit te verbeteren (onder andere het gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (131)). Daarnaast geldt behoud van de oppervlakte wanneer uitbreiding ten koste gaat van andere waarden, (onder andere in Holtingerveld (029), waar uitbreiding ten koste zou gaan van het habitattype zandverstuivingen (H2330)).
H1145 – Grote modderkruiper Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Besluit |
013 | Alde Feanen | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
015 | Van Oordt’s Mersken | behoud | behoud | behoud | conform ontwerp |
025 | Drentsche Aa-gebied | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
034 | Weerribben | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
035 | De Wieden | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
037 | Olde Maten & Veerslootslanden | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
038 | Uiterwaarden IJssel | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | ontwerpbesluit |
039 | Vecht- en Beneden-Reggegebied | uitbreiding | behoud | uitbreiding | ontwerpbesluit |
053 | Buurserzand & Haaksbergerveen | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
067 | Gelderse Poort | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | ontwerpbesluit |
068 | Uiterwaarden Waal | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
070 | Lingegebied & Diefdijk-Zuid | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
071 | Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem | uitbreiding | verbetering | behoud | aanwijzingsbesluit |
074 | Zwarte Meer | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
095 | Oosterlijke Vechtplassen | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
105 | Zouweboezem | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
130 | Langstraat | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
132 | Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de grote modderkruiper is beoordeeld als “matig ongunstig”. Inventarisatiegegevens van de soort zijn slechts in beperkte mate aanwezig, daarom worden er geen relatieve bijdragen per gebied gegeven. Wel is duidelijk dat het leefgebied is gekrompen. De landelijke doelstelling is gericht op het plaatselijk verbeteren van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie. De toepassing van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de gedragscode voor waterschappen kunnen tevens een positieve bijdrage leveren aan een verbetering van het leefgebied van de soort. Hersteldoelstellingen zijn neergelegd in die gebieden waar de soort onder druk staat en/of er goede mogelijkheden zijn voor het uitbreiden en verbeteren van het leefgebied ten behoeve van het uitbreiden van de populatie.
H1149 – Kleine modderkruiper Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Besluit |
013 | Alde Feanen | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
015 | Van Oordt’s Mersken | behoud | behoud | behoud | conform ontwerp |
018 | Rottige Meenthe & Brandemeer | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
025 | Drentsche Aa-gebied | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
034 | Weerribben | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
035 | De Wieden | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
036 | Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
037 | Olde Maten & Veerslootslanden | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
038 | Uiterwaarden IJssel | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
039 | Vecht- en Beneden-Reggegebied | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
045 | Springendal & Dal van de Mosbeek | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
065 | Binnenveld | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
067 | Gelderse Poort | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
070 | Lingegebied & Diefdijk-Zuid | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
071 | Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
074 | Zwarte Meer | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
076 | Veluwerandmeren | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
083 | Botshol | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
089 | Eilandspolder | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
090 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
091 | Polder Westzaan | behoud a | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
092 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
094 | Naardermeer | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
095 | Oostelijke Vechtplassen | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
105 | Zouweboezem | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
130 | Langstraat | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
132 | Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
133 | Kampina & Oisterwijkse Vennen | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
135 | Kempenland-West | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
138 | Weerter- en Budelerbergen & Ringselven | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
141 | Oeffelter Meent | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
Enige achteruitgang in omvang leefgebied ten gunste van habitattypen schorren en zilte graslanden (H1330) of ruigten en zomen (H6430) is toegestaan34.
De landelijke staat van instandhouding voor de kleine modderkruiper is op het aspect leefgebied beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelen sluiten aan op de landelijke opgave. Inventarisatiegegevens van de soort zijn slechts in beperkte mate aanwezig, daarom worden er geen relatieve bijdragen per gebied gegeven. Gezien de ruime verspreiding en het algemene voorkomen van de soort, voldoet de kwaliteit van het leefgebied op het merendeel van de vindplaatsen. Het streven is om het algemeen voorkomen van de kleine modderkruiper in Nederland te bestendigen. Het is met name van belang om de soort in de kern van zijn verspreidingsgebied in hoge aantallen en wijdverspreid te behouden. Net als de grote modderkruiper kan de kleine modderkruiper daarnaast profiteren van de ingeslagen beleidswegen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het meer ecologisch beheren van wateren door waterschappen.
A151 – Kemphaan Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
008 | Lauwersmeer | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | B1 | aanwijzingsbesluit |
009 | Groote Wielen | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | C | aanwijzingsbesluit |
012 | Sneekermeergebied | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | B1 | aanwijzingsbesluit |
013 | Alde Feanen | behoud | behoud | 10 (↑) | C | aanwijzingsbesluit |
015 | Van Oordt’s Mersken | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | B1 | doel aangepast a |
072 | IJsselmeer | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | C | aanwijzingsbesluit |
090 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | uitbreiding | verbetering | 25 (↑) | B2 | ontwerpbesluit |
092 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | C | aanwijzingsbesluit |
In de doelstelling is het begrip “paren” vervangen door het begrip “hennen”, omdat de kemphaan geen broedparen vormt. De hennen verzorgen alléén de broedzorg en de jongen.
De landelijke staat van instandhouding van de kemphaan als broedvogel is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie van ten minste 1000 hennen”. Vrijwel alle gebiedsdoelen sluiten aan op de landelijke doelstelling.
A275 – Paapje Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | 25 (↑) | C | aanwijzingsbesluit |
006 | Duinen Schiermonnikoog | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | C | aanwijzingsbesluit |
008 | Lauwersmeer | behoud | behoud | 11 | B1 | aanwijzingsbesluit |
015 | Van Oordt’s Mersken | uitbreiding | verbetering | 5 (↑) | C | conform ontwerp |
023 | Fochteloërveen | behoud | behoud | 60 | B2 | aanwijzingsbesluit |
027 | Drents-Friese Wold & Leggelderveld | behoud | behoud | 18 | B1 | aanwijzingsbesluit |
030 | Dwingelderveld | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
033 | Bargerveen | uitbreiding | verbetering | 30 (↑) | B1 | aanwijzingsbesluit |
035 | De Wieden | uitbreiding | verbetering | 6 (↑) | C | aanwijzingsbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van het paapje is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel van een populatie van ten minste 700 paren”35. Het beoogde herstel van de landelijke populatie zal voor een deel moeten worden bereikt door maatregelen buiten de Natura 2000-gebieden en in Natura 2000-gebieden die minder dan 1% van de landelijke broedpopulatie herbergen waar derhalve geen instandhoudingsdoelstelling is geformuleerd. In enkele gebieden is een behoudopgave geformuleerd. Behoud wordt nagestreefd in die gebieden waar de historische potentie niet meer haalbaar is, waar de lokale populatietrend stabiel of toenemend is zodat behoud van het leefgebied voldoende is, of waar onvoldoende trendgegevens beschikbaar zijn om de potenties voor herstel in te schatten.
In het gebied Lauwersmeer (008) is de lokale trend stabiel, zodat behoud van het leefgebied en de populatie voldoende is. De historische potentie is gelijk aan de actuele toestand gedurende de periode 1999-2003.
In gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld (027) is de populatie recent toegenomen en is om die reden een behoudopgave gesteld.
De doelniveaus van niet-broedvogels zijn meestal uitgedrukt als seizoensgemiddelde of als (gemiddeld) seizoensmaximum. Deze gemiddelden, die worden bepaald aan de hand van maandelijkse tellingen, worden als volgt berekend36:
Het seizoensgemiddelde is het gemiddelde aantal in een gebied aanwezige vogels over het gehele seizoen, berekend aan de hand van maandelijks uitgevoerde tellingen over een reeks seizoenen (1999/2000- 2003/2004).
Het (gemiddeld) seizoensmaximum is het gemiddelde van het grootste getelde aantal (piekaantal) per seizoen (juli t/m juni van het volgende jaar) berekend over een reeks van achtereenvolgende seizoenen (meestal vijf seizoenen: 1999/2000-2003/2004).
Bij voorkeur is het doelniveau uitgedrukt als seizoensgemiddelde omdat dit een indicatie geeft voor het gebruik van een gebied over het gehele seizoen. Bij onvoldoende beschikbaarheid van jaarrondtellingen moet soms worden teruggevallen op het seizoensmaximum.
Niet-broedvogelsoorten Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie | |||||
Vogelsoort | Aantal gebieden | Landelijke doelstelling | Populatie Van Oordt’s Mersken | Relatieve bijdrage* | Besluit |
A041 Kolgans (a);(b) | 36 | 218.300 | 5.000 | sf, B1 | conform ontwerp |
A045 Brandgans (a);(b) | 26 | 140.900 | 4.200 | sf, B1 | conform ontwerp |
A050 Smient (a);(b) | 46 | 258.200 | 6.400 | sf, B1 | conform ontwerp |
* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf). Relatieve bijdrage is alleen berekend als het landelijke doel en het gebiedsdoel beide zijn gebaseerd op dezelfde waarde (óf seizoensmaximum óf seizoensgemiddelde).
Toelichting op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Van Oordt’s Mersken e.o. gebruikt zijn (2000).
Onderstaande paragrafen zijn afkomstig uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.
Van Oordt's Mersken is aangewezen als speciale beschermingszone vanwege de aanwezigheid van beekdalgraslanden aan weerszijden van het Koningsdiep, die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het vormt het leefgebied van een soort van Bijlage I (art. 4.1) en fungeert tevens als broedgebied, overwinteringsgebied, voedselgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van de beschermingszone is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan van bedoelde vogelsoorten.
Van Oordt's Mersken kwalificeert als speciale beschermingszone vanwege het voorkomen van drempeloverschrijdende aantallen van Kolgans en Brandgans37 die het gebied benutten als overwinteringsgebied, voedselgebied en/of rustplaats.
Soort van Bijlage I en een trekkende watervogelsoort waarvoor het gebied aan de 1%-drempel voldoet
Soort | Art. 4 | Brva | Biogeogr. populatieb | 1% Biopopc | % in SBZd | Telperiode |
Kolgans Anser albifrons | 2 | nee | NW-Siberië/ NW-Europa | 6 000 | 2,4% | 1993-97 |
Brandgans Branta leucopsis | 1 | nee | Rusland - Nederland | 1 800 | 5,3% | 1994-97 |
De kwalificatie betreft in het gebied aanwezige niet-broedende vogels (indien ingevuld met "nee")
Biogeografische populatie waartoe de in Nederland pleisterende exemplaren van deze soort worden gerekend
Drempelwaarde zijnde 1% van de betreffende biografische populatie (biografische populatie en drempelwaarde ontleend aan Rose & Scott 1997, Waterfowl Population Estimates – 2nd edition. Wetlands International, Wageningen)
Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie
Andere trekkende vogelsoorten waarvoor het gebied van betekenis is als overwinteringsgebied en/of rustplaats zijn Smient en Grutto. De schrale graslanden zijn verder van belang als broedgebied voor Paapje (trekvogel opgenomen in de nationale lijst van met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende soorten). De biotopen van deze vogels hebben mede de begrenzing van dit gebied bepaald.
De in het winterhalfjaar deels onder water staande beekdalgraslanden langs het Koningsdiep fungeren als slaapplaats en voedselgebied voor Kolgans, Brandgans en Smient en Grutto. Verspreid in de schrale graslanden komt het Paapje als broedvogel voor.
LEGENDA: Artikel | Noemer |
Indicatief/exact | |
GIO-id38 | |
1, eerste lid | Van Oordt’s Mersken – Habitatrichtlijngebied |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_VanOordtsMersken_HR/nld@2025‑03‑20 | |
2, eerste lid | Van Oordt’s Mersken – Vogelrichtlijngebied |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_VanOordtsMersken_VR/nld@2025‑03‑20 | |
3, tweede lid | Natura 2000-gebied Van Oordt’s Mersken |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_VanOordtsMersken_N2000/nld@2025‑03‑20 |
Dit besluit betreft de vaststelling van een nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit voor het Habitatrichtlijngebied Van Oordt’s Mersken, het Vogelrichtlijngebied Van Oordt’s Mersken en het Natura 2000-gebied Van Oordt’s Mersken, maar nu gepubliceerd met behulp van de nieuwe digitale standaard voor officiële publicaties: de Standaard Officiële Publicaties (STOP). Het besluit wordt inhoudelijk ongewijzigd vastgesteld. Dit aanwijzingsbesluit is de bijlage bij dit besluit. De nieuwe tekst is enkel een redactionele aanpassing, en brengt geen wijziging met enig rechtsgevolg met zich ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De reden voor de vaststelling van deze nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit is, dat in het kader van de Omgevingswet wordt overgegaan op nieuwe digitale standaarden voor de vormgeving van besluiten.
Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond van artikel 16.25a van de Omgevingswet niet van toepassing, omdat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het betreft geen wijzigingen die leiden tot een andere inhoudelijke reikwijdte dan het geldende aanwijzingsbesluit voor dit gebied: er is geen sprake van wijzigingen van de geldende begrenzing of van instandhoudingsdoelstellingen. De tekst betreft enkel een redactionele aanpassing. In zoverre is dus ook geen sprake van zelfstandige rechtsgevolgen ten opzichte van het geldende besluit. Belanghebbenden die menen dat er wel sprake is van relevante wijzigingen en nieuwe rechtsgevolgen, kunnen evenwel met een bezwaarschrift eventuele bedenkingen tegen het besluit naar voren te brengen en de beslissing op het bezwaarschrift in een beroepsprocedure door de bestuursrechter laten toetsen.
Dit betreft een geconsolideerde versie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, inclusief wijzigingen die sindsdien op de richtlijn van toepassing zijn. Met uitzondering van de bijlagen en verwijzingen is de tekst van de richtlijn inhoudelijk niet gewijzigd. Terug naar link van noot.
Beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 december 2004 tot vaststelling, op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (2004/813/EG). PB EU 2004, L 387/1. Laatstelijk vervangen door Uitvoeringsbesluit van de Commissie 2013/26/EU van 16 november 2012 tot vaststelling van een zesde bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (PbEU 2013, L 24/ 379). Terug naar link van noot.
Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Wijnjeterper Schar (Stcrt 2010, 2212). Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
De begrenzingsmethodiek is verder uitgewerkt in het Gebiedendocument (2004). Terug naar link van noot.
Hof van Justitie EG, 7 november 2000, First Corporate Shipping, zaak C-371/98, punten 16 en 25. Terug naar link van noot.
De wijze van begrenzing van Vogelrichtlijngebieden is toegelicht in de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.
Conform artikel 15 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Stb. 2004, 31) is dit besluit, wat betreft de kadastrale percelen die geheel of gedeeltelijk binnen het aangewezen gebied zijn gelegen, in de kadastrale registratie als beperking ingeschreven. Terug naar link van noot.
Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.
Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.
Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.
Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.
De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.
Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.
Soorten waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: zeeprik (H1095), elft (H1102), zalm (H1106), bittervoorn (H1134) en kleine modderkruiper (H1149). Voor de platte schijfhoren (H4056) zijn geen gebieden geselecteerd omdat de soort bij de uitbreiding van de EU in 2004 is toegevoegd aan bijlage II. Terug naar link van noot.
De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.
Het Natura 2000-landschap van het gebied waarop dit besluit betrekking heeft staat vermeld in paragraaf 3.2 van deze nota van toelichting. Terug naar link van noot.
SOVON (2000): Belangrijke vogelgebieden in Nederland 1993-97. SOVON-informatierapport 2000/01. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek- Ubbergen. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2000): Nota van Antwoord Vogelrichtlijn, bijlage 1, selectiecriteria en methode van begrenzing. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag. Terug naar link van noot.
SOVON & CBS (2005): Trends van vogelaantallen in het Nederlandse Natura 2000 netwerk. SOVON-informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.
Dit gebied is bij de samenvoeging van Habitat- en Vogelrichtlijngebieden tot Natura 2000-gebieden in twee delen gesplitst: Wijnjeterper Schar (016) en Terwispeler Grootschar dat gelegen is binnen het Vogelrichtlijngebied Van Oordt’s Mersken (015). Bij de onderbouwing van de selectie worden beide gebieden nog als één Habitatrichtlijngebied beschouwd. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Drentsche Aa. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Havelte-Oost. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Duinen Zwanenwater en Pettemerduinen. Terug naar link van noot.
Dit gebied is bij de samenvoeging van Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebieden tot Natura 2000-gebieden in twee delen gesplitst: Wijnjeterper Schar (016) en Terwispeler Grootschar dat gelegen is binnen het Vogelrichtlijngebied Van Oordt’s Mersken (015). Bij de onderbouwing van de selectie worden beide gebieden nog als één Habitatrichtlijngebied beschouwd. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Bennekomse Meent. Terug naar link van noot.
De landelijke doelomschrijving in deze paragraaf beperkt zich in principe tot behoud/uitbreiding oppervlakte (of omvang leefgebied) en behoud/verbetering kwaliteit (leefgebied), in geval van soorten en vogels aangevuld met het doel voor behoud/uitbreiding populatie. Voor de volledige formulering van de landelijke doelen inclusief toelichting wordt verwezen naar het Natura 2000 doelendocument (2006). Terug naar link van noot.
Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.
Landelijk doel gewijzigd: Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld (Stcrt. 2011, 4458). Terug naar link van noot.
Landelijk doel gewijzigd: Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden Wijnjeterper Schar en Elperstroomgebied (Stcrt. 2010, 2212). Terug naar link van noot.
De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.
Staat van instandhouding en landelijke doel gewijzigd: Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld (Stcrt. 2011, 4458). Terug naar link van noot.
Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.
Landelijk doel gewijzigd: Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden Duinen Terschelling en Duinen Schiermonnikoog (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.
Voorbeeld voor een seizoen met de volgende telresultaten (juli-juni): 0, 0, 0, 100, 100, 200, 100, 100, 0, 0, 0, 0. Het seizoensmaximum bedraagt in dit geval 200, het seizoensgemiddelde 50 (som van alle maandcijfers gedeeld door 12). Terug naar link van noot.
Onderstreepte soorten zijn opgenomen in Bijlage I van de richtlijn (art. 4.1). Terug naar link van noot.
Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_waterkwaliteit/nld@2019‑11‑01). Terug naar link van noot.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-12646.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.