Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2025, 12631 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2025, 12631 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);
Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);
Gelet op artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet;
Besluit:
De nieuwe tekst van het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 27 december 2010, nr. PDN 2010-010 (Stcrt. 2011, 4458), houdende de aanwijzing van het Habitatrichtlijngebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving, het Vogelrichtlijngebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving en het Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving, wordt vastgesteld zoals weergegeven in de bijlage “Aanwijzingsbesluit Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving” bij dit besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Namens deze,
w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk
Plaats: ’s-Gravenhage
Datum: 03 april 2025
Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, t.a.v. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. de afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE, Zwolle.
Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:
a) de naam en het adres van de indiener;
b) de dagtekening;
c) een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en
d) de gronden van bezwaar.
Meer informatie over Natura 2000 en gerelateerde onderwerpen vindt u op de website https://www.rijksoverheid.nl/natura2000. Voor vragen over Natura 2000 kunt u op werkdagen van 8.30 uur tot 16.30 uur contact opnemen met het klantcontactcentrum van RVO, telefoon 088 - 042 42 42 (lokaal tarief).
Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving.
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire habitattypen aangeduid met een sterretje (*)):
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire soorten aangeduid met een sterretje (*)):
Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU L 20) 1 wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving.
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2009/147/EG:
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG:
Deze aanwijzing gaat vergezeld van een nota van toelichting met bijlagen, die integraal deel uitmaakt van deze aanwijzing.
De in de artikelen 1 en 2 genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving.
Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting wordt afgeweken. Hiervoor gelden de peildata, genoemd in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting .
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:
bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond;
gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
erven: onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terreinen;
tuinen: in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terreinen, beplant met siergewassen en gazons, of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving en veelal, omheind zijn door middel van een afrastering, schutting, muur of haag of geheel of gedeeltelijk zijn omgeven door een sloot;
verhardingen: kunstmatige verhardingen zoals verharde wegen, pleinen, parkeervoorzieningen, erfverhardingen en steenglooiingen met inbegrip van in wegen liggende bruggen en duikers en de tot wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
hoofdspoorweg: op grond van artikel 2 van de spoorwegwet als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg. Voor de begrenzing langs hoofdspoorwegen geldt artikel 3.5 van het omgevingsbesluit (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur).
De instandhoudingsdoelstellingen van de natuurlijke habitattypen, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.3 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.4 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor niet-broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.6 van de nota van toelichting.
Het gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna Habitatrichtlijn) en als speciale beschermingszone in het kader van Richtlijn 2009/147/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna Vogelrichtlijn). Tezamen vormen deze speciale beschermingszones het Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving. Het besluit bevat de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.
Artikel 1 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Habitatrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.
Artikel 2 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Vogelrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.
Artikel 3 van het besluit introduceert de nota van toelichting en benadrukt dat het besluit niet te lezen is zonder de nota van toelichting. Daarnaast wordt in dit deel van het besluit het Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving gevormd uit het Habitatrichtlijngebied en het Vogelrichtlijngebied.
Artikel 4 van het besluit regelt de uitgezonderde delen van de in artikel 1 en artikel 2 aangewezen gebieden.
Artikel 5 en artikel 6 van het besluit bepalen dat er voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen verwezenlijkt dienen te worden. De doelstelling van artikel 5 heeft betrekking op de in artikel 1 opgesomde soorten en habitattypen. De soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden in 2003. De doelstelling van artikel 6 heeft betrekking op de in artikel 2 opgesomde vogelsoorten. De vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden in 2000.
In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting worden de aanwijzingen onder de Habitat- en Vogelrichtlijn kort toegelicht.
Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een gebiedsbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op eventuele grenswijzigingen die zijn doorgevoerd nadat het gebied bij de Europese Commissie is aangemeld of die zijn doorgevoerd nadat het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 de bij dit besluit behorende begrenzing toegelicht.
In hoofdstuk 4 wordt een opsomming gegeven van habitattypen en soorten waaraan het gebied zijn betekenis ontleent.
In hoofdstuk 5 worden de algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en worden de specifieke instandhoudingsdoelstellingen, genoemd in artikel 5 en 6, nader toegelicht. Er wordt aangegeven in welke richting de instandhoudingsdoelstelling zich zal moeten ontwikkelen. Daarvoor worden de termen “behoud”, “uitbreiding” en “verbetering” gebruikt. Voor een habitattype wordt de verdeling gemaakt in oppervlakte en kwaliteit, zodat de aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een habitattype altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de oppervlakte en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit wordt gegeven. Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit van het leefgebied. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang van het leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van “behoud” of “uitbreiding” van de populatie.
Bij de nota van toelichting is een bijlage A gevoegd met illustraties van grenswijzigingen indien van toepassing; die illustraties laten zien welke terreindelen na de eerste aanwijzing zijn vervallen of zijn toegevoegd als onderdeel van de speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Anders dan de andere bijlage bij de toelichting maakt bijlage A geen integraal onderdeel uit van dit besluit, aangezien er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet enkel nog rechten worden verleend aan de geometrische begrenzing.
Bijlage B omvat een nadere onderbouwing van de wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.
Er is een appendix toegevoegd aan dit besluit waarin een toelichting wordt gegeven op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving gebruikt zijn. Deze paragrafen komen uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.
Artikel 1 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn (verder aangeduid als “Habitatrichtlijngebied”). Het gebied is in mei 2003 aangemeld volgens de procedure zoals opgenomen in artikel 4 van deze richtlijn, waarna het gebied in december 2004 door de Europese Commissie onder de naam “Oudegaasterbrekken, Gouden Bodem en Fluessen” en onder nummer NL2003038 is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio2. Het gebied is aangewezen voor één prioritair habitattype en één prioritaire habitatsoort in de zin van artikel 1 van de Habitatrichtlijn.
Artikel 2 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (verder aangeduid als “Vogelrichtlijngebied”). Het gebied is op 24 maart 2000 onder de namen “Fluessen/Vogelhoek/Morra” (N/2000/298) en “Oudegaasterbrekken e.o.” (N/2000/309) als twee afzonderlijke speciale beschermingszones aangewezen. Bij de Europese Commissie zijn de gebieden bekend onder nummers NL9802050 (Fluessen/Vogelhoek/Morra) en NL9802049 (Oudegaasterbrekken e.o.).
Artikel 3 van dit besluit voorziet in de samenvoeging van de speciale beschermingszones tot één Natura 2000-gebied: Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving (landelijk gebiedsnummer 010).
Met betrekking tot de Vogelrichtlijngebieden kan er in dit besluit naast mogelijke grenswijzigingen ook een wijziging plaatsvinden bij de vogelsoorten, waarvoor dit gebied destijds is aangewezen. Deze eventuele wijzigingen worden toegelicht in bijlage B. In dit besluit worden alle vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied wordt geacht te zijn aangewezen.
Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en onder de Vogelrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen en leefgebieden van Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten in een gunstige staat van instandhouding behouden of, in voorkomend geval, herstellen. De instandhoudingsdoelstellingen (artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5) en eventuele wijziging van de begrenzing zijn in algemene zin nader toegelicht in het Natura 2000 doelendocument (2006)3. Dit document geeft het beleidskader van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen weer en de daarbij gehanteerde systematiek. Beschrijvingen van habitattypen en (vogel)soorten waarvoor doelen zijn vastgesteld, zijn opgenomen in het Natura 2000 profielendocument (2008)4.
Het Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving ligt in de provincie Fryslân en behoort tot het grondgebied van de gemeenten Gaasterlân-Sleat, Nijefurd en Wymbritseradiel.
Het Natura 2000-gebied ‘Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving’ wordt gevormd door de noordelijkste plassen van het Friese Merengebied. Het gebied bestaat uit een aantal grote meren en plassen en omringende oeverlanden en polders. Het gebied ligt in het Lage Midden, een laaggelegen veen en klei-op- veengebied in midden Friesland, dat tussen de hogere zandgronden in het oosten en de kleigronden in het westen ligt. Aan het begin van de jaartelling moet het Lage Midden hebben bestaan uit uitgestrekte zeggenmoerassen en moerasbossen. Vanaf circa de tiende eeuw werd het gebied op kleine schaal in gebruik genomen. Aan het eind van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw werden diverse gemalen aangelegd, waarmee de waterstanden beter gecontroleerd konden worden en veel meer gebieden ontpolderd werden. Het is een open gebied met een afwisseling van intensief gebruikte graslanden, extensief gebruikte zomerpolders en boezemlanden en vaarten, plassen en grote meren, met daarlangs plaatselijk brede rietkragen. De plassen met open water zijn ontstaan door vervening.
Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving behoort tot het Natura 2000-landschap “Meren en Moerassen”.
De ligging van de habitattypen en van de leefgebieden van de soorten (paragraaf 4.4) waarvoor het gebied is aangewezen, vormt het uitgangspunt voor de begrenzing van de Habitatrichtlijngebieden. Dit is inclusief terreindelen die van mindere kwaliteit zijn. Daarnaast omvat het begrensde gebied ook natuurwaarden die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren, alsmede terreindelen die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen5. Bij de keuze en de afbakening van de gebieden is geen rekening gehouden met andere vereisten dan die verband houden met de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna6.
De grenzen van een Vogelrichtlijngebied worden bepaald door het gebruik dat de aanwezige bijlage I-soorten, en/of trekkende watervogels, en/of overige trekkende vogels ervan maken, waarbij wordt uitgegaan van landschapsecologische eenheden en de biotoopeisen van de betrokken vogelsoorten. Het gebied Fluessen/Vogelhoek/Morra is aangewezen als Vogelrichtlijngebied vanwege de aanwezigheid van open water, graslanden en moeraszones die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is zo gekozen dat een in landschapsecologisch opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten.
Oudegaasterbrekken e.o. is aangewezen als Vogelrichtlijngebied vanwege de aanwezigheid van open water en rietkragen die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan van bedoelde vogelsoorten.7
De geometrische begrenzing van het Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving is weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage Gebiedsbegrenzingen. Voor zover van toepassing is daarbij onderscheid gemaakt tussen de begrenzingen van Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. Globaal gaat het om een aantal meertjes met oeverlanden nabij Oudega, het water en oeverlanden van Fluessen en Morra ten oosten en zuiden van Koudum en het gebied Gouden Bodem tussen Heeg en Woudsend, grenzend aan het Heegermeer.
Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van ongeveer 3.060 ha. Hiervan is ongeveer 2.880 ha zowel Vogelrichtlijngebied als Habitatrichtlijngebied. Gouden Bodem (ongeveer 170 ha) is alleen Habitatrichtlijngebied. Deze cijfers betreffen bruto-oppervlakten, omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met in de geometrische begrenzing, tekstueel uitgesloten delen (zie artikel 4 en hierna).
Voor de begrenzing van Natura 2000-gebieden geldt de volgende exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, tuinen, erven, verharding en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken. Voor de gebruikte begrippen gelden de definities (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied) zoals die omschreven zijn in artikel 4. Daar waar de geometrische begrenzing en de exclaveringsformule niet overeenstemmen, is de exclaveringsformule doorslaggevend.
Voor de toepassing van de begrenzing en de exclaveringsformule van artikel 4 gelden er peildata:
24 maart 2000 voor de gebiedsdelen die zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied;
7 december 2004 voor de gebiedsdelen die geplaatst zijn op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio8.
De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied en het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) is op enkele technische punten verbeterd (2010):
Bestaande bebouwing (inclusief erven en tuinen; reeds tekstueel geëxclaveerd) waar geen Natura 2000- waarden voorkomen, is waar mogelijk op grond van kadastrale of topografische lijnen buiten de begrenzing gebracht.
Verharde wegen, die ook reeds tekstueel zijn geëxclaveerd, zijn aan de rand van het gebied zoveel mogelijk ook buiten de begrenzing gebracht.
De begrenzing is waar mogelijk gelegd langs topografisch herkenbare lijnen, zoals wegen, wateren, perceelscheidingen en bosranden.
Overlap van 5 meter of minder met kadastrale percelen die grotendeels buiten het gebied zijn gelegen is, gelet op de kadastrale inschrijving9, waar mogelijk beperkt. Dit betekent dat aldaar de kadastrale lijn is aangehouden. Deze werkwijze is alleen gevolgd op plekken waar geen Natura 2000-waarden aanwezig zijn.
Overige wijzigingen van meer dan 1 ha worden in de volgende alinea toegelicht.
Ten opzichte van het ontwerpbesluit is aan de noordoostzijde van het deelgebied Gouden Bodem de Noorder Ee met oevers (circa 16 ha) buiten de begrenzing gebracht (2010), omdat hier geen waarden aanwezig zijn en het niet van belang wordt geacht voor de instandhoudingdoelstellingen.
In artikel 1 en 2 is een opsomming gegeven van de waarden waaraan het gebied zijn betekenis als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied ontleent. Wat betreft de aanwijzing als Habitatrichtlijngebied wordt in paragrafen 4.2.1 en 4.2.2 een lijst gegeven van de habitattypen (met vermelding van de aanwezige subtypen) en soorten waarvoor het gebied is aangewezen10. Paragraaf 4.2.3 vermeldt de vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen. Op alle vermelde Natura 2000-waarden is een instandhoudingsdoelstelling van toepassing (zie artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5). Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 vermeld welke selectiecriteria op het Habitatrichtlijngebied van toepassing zijn en wordt onderbouwd waarom het gebied als Habitatrichtlijngebied is geselecteerd. Van elke Natura 2000-waarde waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet, wordt in bijlage B.3 in tekst en/of tabelvorm de betekenis (relatieve bijdrage) van het gebied afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden die aan de selectiecriteria voldoen. Ten slotte beschrijft paragraaf 4.4 de verspreiding van habitattypen en soorten binnen het gebied, ter onderbouwing van de gevolgde gebiedsbegrenzing.
Het gebied is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitats opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een bijdrage levert aan de instandhouding op landelijk niveau. Ten behoeve van de nationale uitwerking van de Habitatrichtlijn is een deel van de habitattypen verdeeld in subtypen, vanwege de zeer ruime variatie in fysieke omstandigheden en soortensamenstelling. De namen van de habitattypen en daarvan afgeleide subtypen zullen verder met hun verkorte namen worden aangeduid. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.
H3150 | Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition Verkorte naam Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden |
H6430 | Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones |
Verkorte naam Ruigten en zomen | |
betreft de subtypen: | |
H6430A | Ruigten en zomen (moerasspirea) |
H6430B | Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) |
Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een wezenlijke functie in de levenscyclus vervult. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding op landelijk niveau. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.
Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn:
A045 | Brandgans (Branta leucopsis) |
A068 | Nonnetje (Mergus albellus) |
A119 | Porseleinhoen (Porzana porzana) |
A151 | Kemphaan (Philomachus pugnax) |
Verder is het gebied aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen in hun trekzones (artikel 4.2):
A040 | Kleine rietgans (Anser brachyrhynchus) |
A041 | Kolgans (Anser albifrons) |
A050 | Smient (Anas penelope) |
A061 | Kuifeend (Aythya fuligula) |
A160 | Wulp (Numenius arquata) |
Wijzigingen ten opzichte van de aanwijzingen als Vogelrichtlijngebied (2000) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.2 van deze nota van toelichting.
Voor niet-prioritaire habitattypen opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor habitattypen welke verdeeld zijn in subtypen, geldt een aantal van “drie belangrijkste gebieden” per subtype. Voor prioritaire habitattypen13 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden” en voor subtypen van prioritaire habitattypen een aantal van “vijf belangrijkste gebieden” per subtype. Verdeling in subtypen ten behoeve van de selectie is alleen toegepast indien de subtypen een verschillende verspreiding hebben en de beschikbare gegevens verdeling in subtypen toelaten. Voor één habitattype, dat in voldoende mate in gebieden is vertegenwoordigd die voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd (slijkgrasvelden (H1320)). De betekenis van het gebied is afgemeten aan de aanwezige oppervlakte en zo nodig ook de representativiteit van het habitattype. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding14. Er zijn geen habitattypen waarvoor Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving aan de selectiecriteria voldoet.
Voor niet-prioritaire soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor prioritaire soorten15 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden”. Voor enkele verspreid over het land voorkomende soorten, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd16. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de omvang van de aanwezige populatie. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding17. In de onderstaande tabel zijn de habitatsoorten vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitatsoorten waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3).
Code | Soort | Xa | Yb | Landelijke populatie c | % in Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving d | % in Yde gebied e | Selectie bij aanmelding |
*H1340 | Noordse woelmuis | 10 | 13 | ca. 600 | C (<2%) | C (<2%) | ja |
Aantal gebieden dat maximaal voor deze soort kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot de X belangrijkste gebieden” voor de betreffende soort.
Aantal gebieden dat op grond van de huidige gegevens en omstandigheden zou voldoen aan het onder (a) genoemde selectiecriterium (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin de soort is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).
Landelijke voortplantingspopulatie in exemplaren of aantal bezette kilometerhokken.
Populatiegrootte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke populatie. (Niet ingevuld indien gebied niet één van de X belangrijkste gebieden is.)
Populatiegrootte in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied.
De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving is in het bijzonder bepaald aan de hand van de ligging van habitattypen en leefgebieden van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen (zie verder paragraaf 3.2). De verspreiding van de betreffende habitattypen en soorten binnen het gebied wordt in deze paragraaf globaal beschreven ter onderbouwing van de gevolgde begrenzing. Het is niet bedoeld als een uitputtende beschrijving.
Het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) komt onder meer voor aan de westzijde van de Fluessen. Het habitattype ruigten en zomen (H6430) komt verspreid in het gebied langs het water voor. Verder fungeert het gebied als foerageergebied van meervleermuizen (H1318) afkomstig uit kraamkolonies en verblijfplaatsen rondom het gebied, die overdag in gebouwen in de wijde omgeving verblijven (zie ook paragraaf 5.4) en ’s nachts boven het water foerageren. De habitatsoort noordse woelmuis (H1340) is recentelijk in alle deelgebieden aangetroffen en komt vooral voor in de natte ruigtes en rietlanden langs de oevers van de meren en plassen in het gebied.
Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel aan maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Ingevolge artikel 4, vierde lid, Habitatrichtlijn worden bij aanwijzing als Habitatrichtlijngebied “tevens de prioriteiten vast[gesteld] gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat […] of van een soort […] alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging”.
Deze bepaling is in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nader uitgewerkt. Op grond van dit artikel bestaat de verplichting om in een aanwijzing doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van leefgebieden van vogelsoorten dan wel doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten op te nemen. Om die reden zijn voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Voor zover van toepassing is daarbij aangegeven welke habitattypen en/of (vogel)soorten ten koste mogen gaan van andere habitattypen en (vogel)soorten. Bij broedvogelsoorten met een regionale doelstelling is in de toelichting aangegeven wat in een bepaalde periode de minimale en maximale bijdrage van het betreffende gebied aan het regionale doelniveau is geweest.
In bijlage B.4 van deze nota van toelichting is een overzicht opgenomen van alle gebiedsdoelstellingen per Natura 2000-waarde.
Voor de Natura 2000-gebieden zullen in beheerplannen instandhoudingsmaatregelen worden uitgewerkt die beantwoorden aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten van de betrokken natuurlijke habitats en (vogel)soorten.
Als verdere invulling van het stellen van prioriteiten zijn voor de acht onderscheiden Natura 2000-landschappen kernopgaven geformuleerd op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, de landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (“richting geven”) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en (vogel)soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (2006).
Behoud en indien van toepassing herstel van:
de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie;
de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;
de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;
de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
H3150 | Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit. |
Toelichting | Het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden komt plaatselijk voor in meren en plassen in de vorm van fonteinkruidbegroeiingen. Het habitattype is matig ontwikkeld, en hooguit heel lokaal goed ontwikkeld, aanwezig. |
H6430 | Ruigten en zomen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) en ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B). |
Toelichting | Het subtype ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) komt lokaal over een kleine oppervlakte in het gebied voor. Het subtype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B) komt op een kleine oppervlakte verspreid in het gebied voor in een vorm met moerasmelkdistel. Het grootste deel van de ruigtebegroeiingen in het gebied behoren niet tot het habitattype ruigten en zomen. |
H7140 | Overgangs- en trilvenen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden (subtype B). |
Toelichting | Het habitattype overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden (subtype B) komt, met goede kwaliteit, vooral voor in het deelgebied Vogelhoek, in het zuidwesten van het gebied, en lokaal ook langs de Fluessen. Omdat de potenties voor uitbreiding niet groot zijn, is behoud voldoende. |
H1149 | Kleine modderkruiper |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | De kleine modderkruiper is tot op heden alleen waargenomen in het zuidelijk deel van het gebied, van de Fluessen tot de Morra. Het aantal gevangen individuen suggereert een vrij kleine populatieomvang. |
H1163 | Rivierdonderpad |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | De rivierdonderpad is verspreid over de deelgebieden op veel verschillende locaties waargenomen, tot nu toe alleen langs de grote plassen. |
H1318 | Meervleermuis |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | Het gebied fungeert als foerageergebied van meervleermuizen die overdag in gebouwen in de wijde omgeving verblijven (actieradius 10 km). Dit betreffen onder meer omvangrijke kraamkolonies in Heeg, Workum en Tjerkwerd (meer elk dan 200 dieren), kraamkolonies in Bakhuizen, Woudsend en Koudum (elk 100 tot 150 dieren) en mannenverblijven in Balk en Gaastmeer. Belangrijke vliegroutes naar dit Natura 2000-gebied zijn onder andere Bakhuizervaart, Luts, Jeltesloot, Inthiemasloot, Wegsloot, Lange Vliet, Klifrak, Dijkvaart, Workumer trekvaart, Van Panhuyskanaal en Koudumervar. |
H1340 | *Noordse woelmuis |
Doel | Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie. |
Toelichting | Het gebied vormt momenteel het belangrijkste resterende bolwerk van de noordse woelmuis in Friesland, die in deze regio met uitsterven bedreigd wordt. De soort komt vooral voor langs de oevers van meren en plassen. Verbetering van het leefgebied is van belang om hier een grotere en duurzamere populatie te verkrijgen. |
A119 | Porseleinhoen |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 1 paar. |
Toelichting | Het porseleinhoen is een zeer schaarse broedvogel van graslanden die tot ver in het broedseizoen nat blijven. De soort is het afgelopen decennium niet jaarlijks waargenomen. De inventarisatie-inspanning was echter gering, zodat de status onduidelijk is. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is behoud van de populatie gewenst. Het gewenste aantal paren heeft betrekking op gunstige jaren. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Friese merengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. |
A040 | Kleine rietgans |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 20.500 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Het gebied is van zeer grote nationale en zeer grote internationale betekenis voor kleine rietganzen. De Oudegaasterbrekken heeft met name een functie als slaapplaats en levert daarmee de grootste relatieve bijdrage van Nederland. De omliggende graslanden leveren voor deze soort tevens de grootste relatieve bijdrage als foerageergebieden. Graslanden rond de Fluessen zijn eveneens van nationale en internationale betekenis, waar ongeveer 40% van de Nederlandse vogels verblijft. Trendgegevens zijn niet beschikbaar. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A041 | Kolgans |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 6.700 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | De Oudegaasterbrekken heeft voor de kolgans met name een functie als slaapplaats. Trendgegevens zijn niet beschikbaar. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A045 | Brandgans |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 39.300 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Het gebied is van nationale en internationale betekenis voor brandganzen. De Oudegaasterbrekken heeft met name een functie als slaapplaats, het gebied en omliggende graslanden zijn tevens als foerageergebied van nationale betekenis. De Oudegaasterbrekken leveren binnen het Natura 2000-netwerk na het Sneekermeergebied en de Waddenzee de grootste relatieve bijdrage als slaapplaatsen. Trendgegevens zijn niet beschikbaar. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort. |
A050 | Smient |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2.700 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de smienten met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied. De data zijn nog niet geschikt voor een trendanalyse. Handhaving van de huidige situatie is echter voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A061 | Kuifeend |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2.400 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen kuifeenden zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. De data zijn nog niet geschikt voor een trendanalyse. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is vooral een gevolg van negatieve toekomstverwachtingen op grond van oligotrofiëring en terugkeer van zoet-zout overgangen in andere Natura 2000-gebieden. |
A068 | Nonnetje |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 50 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen nonnetjes zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor het nonnetje met name een functie als foerageergebied. De Oudegaasterbrekken levert de grootste bijdrage binnen het Natura 2000-netwerk, buiten het IJsselmeergebied. De data zijn nog niet geschikt voor een trendanalyse. De landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is vooral gebaseerd op de verslechterde voedselsituatie voor viseters in het IJsselmeer, zodat behoud voor dit gebied voldoende is. |
A151 | Kemphaan |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2.300 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Aantallen kemphanen zijn van nationale betekenis. De Oudegaasterbrekken heeft met name een functie als slaapplaats. Fluessen, Vogelhoek en Morra zijn van belang als foerageergebied. Het gebied levert als slaapplaats één van de grootste relatieve bijdragen in Nederland. Trendgegevens zijn niet beschikbaar. Er is geen landelijke herstelopgave van toepassing, dus handhaving van de huidige situatie is voldoende. |
A160 | Wulp |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | De Oudegaasterbrekken heeft voor de wulp met name een functie als slaapplaats en levert de grootste relatieve bijdrage als binnenlandse slaapplaats. Trendgegevens zijn niet beschikbaar. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
Nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype overgangs- en trilvenen (H7140), veenmosrietlanden (subtype B), omdat uit onderzoek blijkt dat dit type in het gebied voorkomt.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype hoogveenbossen (H91D0), omdat uit onderzoek blijkt dat dit type in het gebied voorkomt.
In afwijking van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en van het ontwerpbesluit (2007) is het gebied niet aangewezen voor de bittervoorn (H1134). Er blijken geen gedocumenteerde waarnemingen van deze soort uit het gebied bekend te zijn.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort kleine modderkruiper (H1149), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort rivierdonderpad (H1163), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.
Er zijn twee Vogelrichtlijnbesluiten van toepassing op het gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving: Oudegaasterbrekken e.o. (2000) en Fluessen/Vogelhoek/Morra (2000).
De vogelsoorten waarvoor de gebieden Oudegaasterbrekken e.o. en Fluessen/Vogelhoek/Morra in 2000 zijn aangewezen, zijn indertijd ontleend aan SOVON (2000)18. De numerieke criteria die daarin zijn opgenomen zijn ontleend aan de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000)19. Een gebied wordt slechts aangewezen voor soorten waarvoor het gebied van landelijke betekenis is. Hiervan is in beginsel sprake indien het gebied minstens 1% van de landelijke broedpopulatie herbergt, indien 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied verblijft of indien het gebied in combinatie met andere gebieden voldoende bijdrage kan leveren aan een sleutelpopulatie.
Voor eventuele toevoeging of verwijdering van vogelsoorten is gebruik gemaakt van SOVON & CBS (2005)20 waarin de ontwikkeling van vogelaantallen in de laatste decennia is beschreven. Dit rapport heeft ten grondslag gelegen aan de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Vogelrichtlijnsoorten. In bijlage 1 van dit rapport zijn de verschillen aangegeven tussen de soortenlijsten per gebied die in beide aangehaalde rapporten zijn opgenomen. Om ecologische redenen die in voorkomende gevallen hieronder zijn vermeld, is soms van deze algemene criteria afgeweken. Deze werkwijze heeft voor de lijst van vogelsoorten waarvoor dit gebied is aangewezen, de volgende consequenties:
In aanvulling op de oorspronkelijke aanwijzingen als Vogelrichtlijngebied (2000), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied ook aangewezen voor de volgende soort trekvogel zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn: kuifeend (A061) als niet-broedvogel. Het gebied herbergde minstens 0,1% van de biogeografische populatie van de kuifeend in de periode 1999/2000-2003/2004.
In dit onderdeel wordt voor elke Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied aan de selectiecriteria voldoet (zie paragraaf 4.3), een overzicht gegeven van alle daarvoor kwalificerende gebieden. Dit gebeurt zoveel mogelijk in de vorm van een tabel met de gebieden die aan de selectiecriteria voldoen, onder vermelding van de relatieve bijdrage. In het geval van habitattypen betreft dit het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. Indien kwaliteit een rol heeft gespeeld in de bepaling van de gebiedenselectie voor habitattypen is dit tekstueel toegelicht. In het geval van soorten betreft de relatieve bijdrage het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen, aantal bezette plekken of kilometerhokken.
Er is gebruik gemaakt van de volgende klasse-indeling:
A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75%
B1 = 2-6% en B2 = 6-15%
C = <2%
In de kolom “Bronvermelding” zijn de terreinbeherende organisaties en andere instanties en bronnen vermeld, waaraan de oppervlaktecijfers en aantallen zijn ontleend, met vermelding van de jaren waarin deze zijn verzameld of gepubliceerd.
H1340 – *Noordse woelmuis Landelijke populatie ca. 600 kilometerhokken | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Relatieve bijdrage | Bronvermelding |
002 | Duinen en Lage Land Texel | B2 (6-15%) | Aanwijzingsbesluit 2009 |
112 | Biesbosch | B2 (6-15%) | Zoogdiervereniging VZZ 2008 |
115 | Grevelingen | B2 (6-15%) | Zoogdiervereniging VZZ 2008 |
109 | Haringvliet | B1 (2-6%) | Zoogdiervereniging VZZ 2008 |
118 | Oosterschelde | B1 (2-6%) | Aanwijzingsbesluit 2010 |
092 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | B1 (2-6%) | Zoogdiervereniging VZZ 2008 |
095 | Oostelijke Vechtplassen | B1 (2-6%) | Zoogdiervereniging VZZ 2008 |
114 | Krammer-Volkerak | B1 (2-6%) | Zoogdiervereniging VZZ 2008 |
091 | Polder Westzaan | B1 (2-6%) | Zoogdiervereniging VZZ 2008 |
090 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | C (<2%) | Zoogdiervereniging VZZ 2008 |
009 | Groote Wielen | C (<2%) | Zoogdiervereniging VZZ 2008 |
010 | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | C (<2%) | Zoogdiervereniging VZZ 2008 |
089 | Eilandspolder | C (<2%) | Zoogdiervereniging VZZ 2008 |
Voor de prioritaire soort noordse woelmuis, waarvan de ondersoort arenicola alleen in Nederland voorkomt (grote internationale verantwoordelijkheid), geldt in de eerste plaats het selectiecriterium “tien belangrijkste gebieden”. Bij de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) waren er acht gebieden waar populaties van redelijke omvang bekend waren die tevens een groot en kwalitatief relatief goed leefgebied tot hun beschikking hadden. Deze acht gebieden zijn achtereenvolgens Duinen en Lage Land Texel (002)21, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (090), Polder Westzaan (091), Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092)22, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103), Haringvliet (109), Biesbosch (112) en Grevelingen (115). Omwille van een goede geografische spreiding is bij de aanmelding aan deze acht gebieden nog een negende gebied toegevoegd, namelijk Eilandspolder (089), dat een belangrijk bolwerk vormt voor de populatie in het veenweidegebied van Laag Holland. Met deze negen – kwalitatief beste – gebieden werd de sterk bedreigde metapopulatie uit Friesland nog niet afgedekt. Daarom zijn ten tijde van de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden aanvullend nog drie gebieden geselecteerd: IJsselmeer (072)23, Groote Wielen (009) en Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving (010). Voor Zuidwest-Nederland zijn de drie geselecteerde gebieden (Haringvliet, Biesbosch en Grevelingen) uitgebreid met het Krammer-Volkerak (114), dat tevens een verbinding vormt tussen de verschillende leefgebieden in het Deltagebied. Omwille van de geografische verspreiding en duurzame instandhouding zijn bij de aanmelding derhalve 13 gebieden in plaats van 10 gebieden geselecteerd. Op grond van inventarisatiegegevens uit de periode 1994-2007 zijn, afgemeten aan het aantal bezette kilometerhokken, Duinen en Lage Land Texel (002), Biesbosch en Grevelingen de drie belangrijkste gebieden voor de noordse woelmuis. Daarnaast behoren Haringvliet, Oosterschelde (118), Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, Oostelijke Vechtplassen (095), Krammer-Volkerak, Polder Westzaan, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder tot de tien belangrijkste gebieden voor deze soort. Groote Wielen, Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving en Eilandspolder kunnen hieraan worden toegevoegd omwille van het bereiken van voldoende geografische spreiding en dekking (mede gelet op de precaire situatie van de Friese populatie).
Voor zover de hier vermelde gebiedsdoelen en relatieve bijdragen betrekking hebben op de Natura 2000-gebieden die buiten dit aanwijzingsbesluit vallen en waarvan de definitieve besluiten op het moment van vaststelling van het onderhavige besluit nog niet zijn vastgesteld, moeten deze worden beschouwd als “indicatieve” opgaven en kunnen ze nog aan verandering onderhevig zijn.
In dit onderdeel wordt voor iedere Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied is aangewezen, inzichtelijk gemaakt hoe de landelijke doelstelling24 is uitgewerkt in de Natura 2000-gebieden. De landelijke doelstellingen vormen een kader voor de formulering van instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau. De gebiedsdoelen bij elkaar “opgeteld”, eventueel tezamen met een opgave buiten het Natura 2000-netwerk, hebben als som het landelijke doel. Onder iedere tabel wordt de landelijke staat van instandhouding van de betreffende Natura 2000-waarde vermeld. Indien de landelijke doelstelling van de betreffende waarde afwijkt van wat kan worden verwacht uit de landelijke staat van instandhouding, is dit hier gemotiveerd. Gebiedsdoelstellingen die afwijken van de landelijke doelstelling, worden ook zoveel mogelijk gemotiveerd. In gevallen waarin motivering ontbreekt, is aanpassing nog in overweging (met name naar aanleiding van zienswijzen) in het kader van het besluit voor het betreffende gebied. Doelstellingen die volgens de tabellen zijn aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit (zie kolom “Besluit”) staan eveneens onder de betreffende tabellen gemotiveerd. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-waarden die zijn toegevoegd ten opzichte van het ontwerpbesluit, zijn in principe op behoud gesteld, omdat de landelijke doelstelling al haalbaar werd geacht zonder deze toevoegingen. De instandhoudingsdoelstellingen die om deze reden op behoud zijn gesteld en daarmee afwijken van de landelijke doelstelling voor de betreffende Natura 2000-waarde, zijn in de tabellen gemarkeerd met een x. De niet-broedvogelsoorten waarvoor zowel landelijk als in alle gebieden een behoudopgave is gesteld zijn samengevat in één tabel. Bij broedvogels en niet-broedvogels wordt in de kolom “Populatie” tevens aangegeven of er sprake is van herstel dan wel uitbreiding (↑). In een aparte kolom is van elk gebied de relatieve bijdrage vermeld. Voor een nadere toelichting en de klasse-indeling wordt verwezen naar de inleiding van onderdeel 3 van deze bijlage.
H3150 – Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
009 | Groote Wielen | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
010 | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
013 | Alde Feanen | behoud | verbetering | C | ontwerpbesluit |
018 | Rottige Meenthe & Brandemeer | uitbreiding | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
034 | Weerribben | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
035 | De Wieden | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
036 | Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
037 | Olde Maten & Veerslootslanden | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
038 | Uiterwaarden IJssel | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
067 | Gelderse Poort | behoud | verbetering | C | ontwerpbesluit |
071 | Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
072 | IJsselmeer | behoud | behoud | A1 | aanwijzingsbesluit x |
074 | Zwarte Meer | uitbreiding | verbetering | B2 | aanwijzingsbesluit |
076 | Veluwerandmeren | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
083 | Botshol | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
094 | Naardermeer | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
095 | Oostelijke Vechtplassen | uitbreiding | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | uitbreiding | verbetering | B1 | ontwerpbesluit |
130 | Langstraat | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
Ongeveer de helft van de landelijke oppervlakte van het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden wordt binnen de Natura 2000-gebieden beschermd (gebaseerd op een schatting van de oppervlakten van zowel begroeide als onbegroeide waterdelen van eutrofe meren en plassen). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In verscheidene gebieden wordt afgeweken van de landelijke doelstelling. In Olde Maten & Veerslootslanden (037) zijn behoudsdoelstellingen geformuleerd, omdat uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit al in voldoende mate in andere gebieden in Noordwest-Overijssel (De Wieden (035) en Weerribben (034)) kan worden gerealiseerd. In andere gebieden wordt er van de landelijke doelstelling afgeweken, omdat er nagenoeg geen mogelijkheid (ruimte) is om het habitattype uit te breiden en/of potentie om de kwaliteit ervan te verbeteren, bijvoorbeeld in Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving (010), Alde Feanen (013), Gelderse Poort (067) en Botshol (083). In het Naardermeer (094) is door recent herstel een aanzienlijk areaal van het habitattype aanwezig. Behoud is derhalve voldoende.
H6430A – Ruigten en zomen, moerasspirea Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage a | Besluit |
010 | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
034 | Weerribben | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
035 | De Wieden | behoud | behoud | A1 | ontwerpbesluit |
036 | Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
038 | Uiterwaarden IJssel | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
039 | Vecht- en Beneden-Reggegebied | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
067 | Gelderse Poort | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
070 | Lingegebied & Diefdijk-Zuid | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
072 | IJsselmeer | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
074 | Zwarte Meer | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
083 | Botshol | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
104 | Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | A2 | ontwerpbesluit |
152 | Grensmaas | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
De weergegeven relatieve bijdragen betreffen een voorlopige inschatting, omdat er nog onduidelijkheid is over de landelijke oppervlakte van dit subtype.
De landelijke staat van instandhouding van het habitattype ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De landelijk opgave is gericht op het behoud van de huidige verspreiding van deze ruigten die meestal lintvormige begroeiingen vormen over het gehele rivierengebied. Bijzondere soorten van dit subtype zijn onder meer te verwachten in ruigten en zomen in extensief beheerde beekdalen die incidenteel overstromen met beekwater en in laagveenmoerassen. Alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke doelstelling.
H6430B – Ruigten en zomen, harig wilgenroosje Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en behoud/verbetering kwaliteit a | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage c | Besluit |
010 | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | behoud | behoud | C | conform ontwerp |
038 | Uiterwaarden IJssel | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
072 | IJsselmeer | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
082 | Uiterwaarden Lek | uitbreiding | behoud | C | ontwerpbesluit |
089 | Eilandspolder | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
090 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
091 | Polder Westzaan | uitbreiding | verbetering | C | ontwerpbesluit |
092 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
108 | Oude Maas | uitbreiding | behoud | C | ontwerpbesluit |
109 | Haringvliet | uitbreiding | verbetering | B | ontwerpbesluit |
111 | Hollands Diep | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | uitbreiding | behoud | A | ontwerpbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud b | behoud | C | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
124 | Groote Gat | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
Verbetering kwaliteit geldt voor de brakke varianten.
Waarschijnlijk kan dit subtype bij de huidige voortschrijdende verzoeting niet behouden blijven, maar zullen hiervoor (minder bedreigde) zoete vormen ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) in de plaats komen.
De weergegeven relatieve bijdragen betreffen een voorlopige inschatting, omdat er nog onduidelijkheid is over de landelijke oppervlakte van dit subtype. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) omdat kwantitatieve gegevens over het voorkomen van deze zoomvegetaties beperkt beschikbaar zijn. Oppervlakten zijn moeilijk te bepalen omdat het meestal slechts smalle stroken of kleine plekken betreft.
De landelijke staat van instandhouding van het habitattype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Niet in alle gebieden kan de landelijke doelstelling worden nagestreefd. De doelstelling voor uitbreiding van de oppervlakte wordt enkel nagestreefd in de belangrijkste gebieden voor dit habitattype, zoals Oude Maas (108), Haringvliet (109) en Biesbosch (112). De landelijke doelstelling voor verbetering van de kwaliteit is alleen neergelegd in gebieden die potentie bieden voor verbetering van de kwaliteit van de brakke variant van dit habitattype.
H7140B – Overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
010 | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | behoud | behoud | C | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
013 | Alde Feanen | uitbreiding | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
018 | Rottige Meenthe & Brandemeer | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
034 | Weerribben | behoud | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
035 | De Wieden | behoud | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
037 | Olde Maten & Veerslootslanden | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
083 | Botshol | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
089 | Eilandspolder | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
090 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
091 | Polder Westzaan | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
092 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | uitbreiding | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
094 | Naardermeer | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit x |
095 | Oostelijke Vechtplassen | uitbreiding | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | uitbreiding | verbetering | B2 | aanwijzingsbesluit |
118 | Oosterschelde | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
130 | Langstraat | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
Meer dan de helft van de landelijke oppervlakte van het habitattype overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden (subtype B) is opgenomen binnen het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van dit subtype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Niet in alle gebieden kan echter de landelijke doelstelling nagestreefd worden. In het gebied Rottige Meenthe & Brandemeer (018) wordt uitbreiding van de oppervlakte of verbetering van de kwaliteit bijvoorbeeld niet realistisch geacht, gezien de geringe potentie voor herstel van de benodigde kalkrijke kwel. In het gebied De Wieden (035) wordt in tegenstelling tot de landelijke doelstelling behoud van de oppervlakte beoogd. Er is reeds een grote oppervlakte van dit habitattype aanwezig in het gebied en er is geen potentie om deze verder uit te breiden. In het voormalig brakwaterveen Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (090) is het doel voor dit subtype ook op behoud van de oppervlakte gesteld. Reden hiervoor is dat het habitattype over een relatief grote oppervlakte voorkomt. Ook wordt hier, evenals in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092), behoud van de kwaliteit beoogd. Snelle verzuring en verbossing vergen in deze gebieden reeds grote inspanningen om de kwaliteit te behouden. Ook in de gebieden Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving (010), Eilandspolder (089) en Polder Westzaan (091) wijken de doelstellingen af van de landelijke doelstelling. De kansen voor nieuwvorming zijn onduidelijk en de meeste andere gebieden hebben een beter perspectief voor verbetering van de kwaliteit.
H91D0 – *Hoogveenbossen Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
010 | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | behoud | behoud | C | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
013 | Alde Feanen | uitbreiding | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
018 | Rottige Meenthe & Brandemeer | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
022 | Norgerholt | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
024 | Witterveld | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
025 | Drentsche Aa-gebied | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
029 | Holtingerveld | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit x |
032 | Mantingerzand | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
034 | Weerribben | behoud | verbetering | B2 | aanwijzingsbesluit |
035 | De Wieden | behoud | verbetering | B2 | aanwijzingsbesluit |
045 | Springendal & Dal van de Mosbeek | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
046 | Bergvennen & Brecklenkampse veld | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit x |
049 | Dinkelland | behoud | verbetering | C | wijzigingsbesluit |
053 | Buurserzand & Haaksbergerveen | uitbreiding | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
054 | Witte Veen | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
057 | Veluwe | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
061 | Korenburgerveen | behoud | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
091 | Polder Westzaan | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit x |
092 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
094 | Naardermeer | uitbreiding | behoud | A1 | aanwijzingsbesluit |
095 | Oostelijke Vechtplassen | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
133 | Kampina & Oisterwijkse Vennen | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
135 | Kempenland–West | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
136 | Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
137 | Strabrechtse Heide & Beuven | behoud | verbetering | C | wijzigingsbesluit |
138 | Weerter- en Budelerbergen & Ringselven | uitbreiding | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
142 | Sint Jansberg | behoud | verbetering | C | wijzigingsbesluit |
144 | Boschhuizerbergen | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
145 | Maasduinen | behoud | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
149 | Meinweg | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
150 | Roerdal | behoud | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
155 | Brunssummerheide | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
Ongeveer twee derde van de landelijke oppervlakte van het habitattype hoogveenbossen bevindt zich binnen het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In de gebieden met de grootste ecologische potentie voor herstel van het habitattype en/of waar de grootste bijdrage aan de landelijke doelstelling gerealiseerd kan worden, wordt uitbreiding van de oppervlakte en/of verbetering van de kwaliteit van het habitattype nagestreefd. In de overige gebieden wordt volstaan met behoud van het habitattype. Bijvoorbeeld in het gebied Maasduinen (145) is het areaal waar het habitattype hoogveenbossen voor kan komen al volledig benut, waardoor er geen mogelijkheden voor uitbreiding zijn. Ook in het gebied Rottige Meenthe & Brandemeer (018) wordt behoud van het habitattype beoogd. Hier is, gezien de hydrologie, geringe potentie voor het habitattype. In Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) komt het habitattype verspreid voor met een relatief grote totaaloppervlakte. Uitbreiding zou ten koste gaan van het karakter van het gebied. In de laagveengebieden Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092) en Oostelijke Vechtplassen (095) zijn kleine oppervlakten hoogveenbossen aanwezig, evenals in de Limburgse gebieden Meinweg (149) en Roerdal (150). Er is weinig potentie voor ontwikkeling van het habitattype in deze gebieden. In enkele van deze gebieden is echter wel potentie voor kwaliteitsverbetering. In de gebieden met hoogveenkernen komen hoogveenbossen voor rondom de hoogveenkern op de zandbodem (onder andere in de gebieden Witterveld (024), Witte Veen (054), Wooldse Veen (064)). Aangezien de prioriteit in deze gebieden bij de ontwikkeling van hoogveen ligt en de potenties ter verbetering van de kwaliteit en/of uitbreiding van de oppervlakte beperkt zijn, wordt hier slechts in beperkte mate gestreefd naar uitbreiding en/of kwaliteitsverbetering.
H1149 – Kleine modderkruiper Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Besluit |
009 | Groote Wielen | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
010 | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | behoud | behoud | behoud | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
013 | Alde Feanen | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
015 | Van Oordt’s Mersken | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
018 | Rottige Meenthe & Brandemeer | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
025 | Drentsche Aa-gebied | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
034 | Weerribben | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
035 | De Wieden | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
036 | Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
037 | Olde Maten & Veerslootslanden | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
038/ 066-068 | Rijntakken | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
039 | Vecht- en Beneden-Reggegebied | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
070 | Lingegebied & Diefdijk-Zuid | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
071 | Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
073 | Markermeer & IJmeer | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
074 | Zwarte Meer | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
076 | Veluwerandmeren | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
083 | Botshol | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
089 | Eilandspolder | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
090 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
091 | Polder Westzaan | behoud a | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
092 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
094 | Naardermeer | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
095 | Oostelijke Vechtplassen | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
097 | Meijendel & Berkheide | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
105 | Zouweboezem | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
111 | Hollands Diep | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | behoud | ontwerpbesluit |
130 | Langstraat | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
132 | Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
133 | Kampina & Oisterwijkse Vennen | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
135 | Kempenland-West | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
136 | Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
137 | Strabrechtse Heide & Beuven | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
138 | Weerter- en Budelerbergen & Ringselven | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
139 | Deurnsche Peel & Mariapeel | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
141 | Oeffelter Meent | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
145 | Maasduinen | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
147 | Leudal | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
Enige achteruitgang in omvang leefgebied ten gunste van habitattype ruigten en zomen (H6430) is toegestaan25.
De landelijke staat van instandhouding voor de kleine modderkruiper is op het aspect leefgebied beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelen sluiten aan op de landelijke opgave. Inventarisatiegegevens van de soort zijn slechts in beperkte mate aanwezig, daarom worden er geen relatieve bijdragen per gebied gegeven. Gezien de ruime verspreiding en het algemene voorkomen van de soort, voldoet de kwaliteit van het leefgebied op het merendeel van de vindplaatsen. Het streven is om het algemeen voorkomen van de kleine modderkruiper in Nederland te bestendigen. Het is met name van belang om de soort in de kern van zijn verspreidingsgebied in hoge aantallen en wijdverspreid te behouden. Net als de grote modderkruiper kan de kleine modderkruiper daarnaast profiteren van de ingeslagen beleidswegen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het meer ecologisch beheren van wateren door waterschappen.
H1163 – Rivierdonderpad Landelijke doelstelling: behoud/uitbreiding omvang en behoud/verbetering kwaliteit leefgebied [ten behoeve van behoud populatie26] a | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Besluit |
009 | Groote Wielen | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
010 | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | behoud | behoud | behoud | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
013 | Alde Feanen | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
025 | Drentsche Aa-gebied | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
034 | Weerribben | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
035 | De Wieden | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
036 | Uiterwaarden Zwarte water en Vecht | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
038/ 066-068 | Rijntakken | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
039 | Vecht- en Beneden-Reggegebied | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
049 | Dinkelland | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
057 | Veluwe | uitbreiding | behoud | uitbreiding | aanwijzingsbesluit |
071 | Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
072 | IJsselmeer | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
073 | Markermeer & IJmeer | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
074 | Zwarte Meer | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
076 | Veluwerandmeren | behoud b | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
090 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
092 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
095 | Oostelijke Vechtplassen | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
133 | Kampina & Oisterwijkse Vennen | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
145 | Maasduinen | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
147 | Leudal | behoud | behoud | behoud | wijzigingsbesluit |
148 | Swalmdal | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
150 | Roerdal | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
152 | Grensmaas | behoud | behoud | behoud | aanwijzingsbesluit |
157 | Geuldal | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | aanwijzingsbesluit |
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied in de grote wateren en uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied in de beken.
Enige achteruitgang in oppervlakte leefgebied ten gunste van broedvogelsoorten roerdomp (A021) of grote karekiet (A298) is toegestaan27.
De landelijke staat van instandhouding van de rivierdonderpad is op het aspect leefgebied als “matig ongunstig”28 beoordeeld en heeft voornamelijk betrekking op in beken voorkomende rivierdonderpadden, waaronder de “beekdonderpad” (Cottus rhenanus). De staat van instandhouding van de “gewone” rivierdonderpad (Cottus perifretum) die een veel ruimere verspreiding heeft in meren, rivieren en beken, wordt, behalve in beken, vooralsnog als gunstig beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Er zijn onvoldoende inventarisatiegegevens over de landelijke verspreiding van de soort op kilometerhokniveau bekend, daarom worden er geen relatieve bijdragen per gebied gegeven. In de beekdalgebieden is een landelijke hersteldoelstelling neergelegd. Alleen in de gebieden Veluwe (057) en Geuldal (157), waar het leefgebied het meest onder druk staat en er mogelijkheden zijn voor herstel van het leefgebied en van de populatie, is een hersteldoelstelling neergelegd.
H1318 – Meervleermuis (zomer) Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
009 | Groote Wielen | behoud | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
010 | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | behoud | behoud | behoud | B2 | conform ontwerp |
013 | Alde Feanen | behoud | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
018 | Rottige Meenthe & Brandemeer | behoud | behoud | behoud | B2 | ontwerpbesluit |
034 | Weerribben | behoud | behoud | behoud | B2 | ontwerpbesluit |
035 | De Wieden | behoud | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
039 | Vecht- en Beneden-Reggegebied | behoud | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
067 | Gelderse Poort | behoud | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
072 | IJsselmeer | behoud | behoud | behoud | B1a | aanwijzingsbesluit |
072 | IJsselmeer | behoud | behoud | behoud | B1a | aanwijzingsbesluit |
073 | Markermeer & IJmeer | behoud | behoud | behoud | B1a | aanwijzingsbesluit |
073 | Markermeer & IJmeer | behoud | behoud | behoud | B1a | aanwijzingsbesluit |
074 | Zwarte Meer | behoud | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
076 | Veluwerandmeren | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
083 | Botshol | behoud | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
090 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | behoud | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
091 | Polder Westzaan | behoud | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
092 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | behoud | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
094 | Naardermeer | behoud | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
095 | Oostelijke Vechtplassen | behoud | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | behoud | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
De relatieve bijdrage geldt voor het Natura 2000-gebied als geheel, dus voor het Habitatrichtlijngedeelte en het Vogelrichtlijngedeelte gecombineerd.
De landelijke staat van instandhouding van de meervleermuis is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “gunstig”29. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke opgave, die gericht is op behoud van foerageergebieden die gebruikt worden door meervleermuizen uit kraamkolonies en verblijfplaatsen in de omgeving van de betreffende Natura 2000- gebieden.
H1340 – *Noordse woelmuis Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | verbetering | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
009 | Groote Wielen | uitbreiding | verbetering | behoud | C | ontwerpbesluit |
010 | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | conform ontwerp |
013 | Alde Feanen | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | ontwerpbesluit |
072 | IJsselmeer | uitbreiding | behoud | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
089 | Eilandspolder | behoud | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
090 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | behoud | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
091 | Polder Westzaan | behoud | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
092 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | behoud | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
095 | Oostelijke Vechtplassen | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | B1 | ontwerpbesluit |
100 | Voornes Duin | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | behoud | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
108 | Oude Maas | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | ontwerpbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | behoud | B1 | ontwerpbesluit |
111 | Hollands Diep | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | C | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | behoud | B2 | ontwerpbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | behoud | B1 | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | behoud | B2 | ontwerpbesluit |
116 | Kop van Schouwen | behoud | verbetering | behoud | C | ontwerpbesluit |
118 | Oosterschelde | uitbreiding | behoud | uitbreiding | B1 | aanwijzingsbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de noordse woelmuis is op het aspect leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Landelijke uitbreiding van de populatie wordt vooral beoogd in de Friese gebieden omdat het leefgebied vooral daar sterk versnipperd is geraakt. De doelstellingen uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied en uitbreiding populatie zijn verder neergelegd in gebieden die daarvoor mogelijkheden bieden (bijvoorbeeld in het kader van natuurontwikkeling) of waar duidelijke aanwijzing is dat de soort recent is achteruitgegaan. In Duinen en Lage Land Texel (002) staat het doel voor omvang van het leefgebied op “behoud” omdat de soort al over het gehele eiland voorkomt. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied is vooral nodig om de populatie weerstand te kunnen laten bieden tegen concurrentie met andere diersoorten. In het IJsselmeer (072) en Oosterschelde (118) is op het aspect kwaliteit van de landelijke opgave afgeweken. In de Oosterschelde is de kwaliteit al op orde; derhalve is behoud voldoende. In het IJsselmeer is afgeweken omdat hier de mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit beperkt zijn.
A119 – Porseleinhoen Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | 4 | C | aanwijzingsbesluit |
005 | Duinen Ameland | behoud | behoud | 2 | C | aanwijzingsbesluit |
008 | Lauwersmeer | behoud | behoud | 15 | B2 | ontwerpbesluit |
009 | Groote Wielen | behoud | behoud | 4 (↑) | C | ontwerpbesluit |
010 | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | behoud | behoud | 1 | C | doel aangepast a |
012 | Sneekermeergebied | behoud | behoud | 2 (↑) | C | ontwerpbesluit |
013 | Alde Feanen | behoud | behoud | 20 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
019 | Leekstermeergebied | behoud | behoud | 2 (↑) | C | ontwerpbesluit |
020 | Zuidlaardermeergebied | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | B2 | ontwerpbesluit |
023 | Fochteloërveen | behoud | behoud | 20 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
033 | Bargerveen | behoud | behoud | 15 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
034 | Weerribben | uitbreiding | verbetering | 30 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
035 | De Wieden | behoud | behoud | 20 | B2 | ontwerpbesluit |
036 | Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht | behoud | behoud | 10 (↑) | C | ontwerpbesluit |
038 | Uiterwaarden IJssel | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
066 | Uiterwaarden Neder-Rijn | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
067 | Gelderse Poort | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | C | ontwerpbesluit |
068 | Uiterwaarden Waal | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | C | ontwerpbesluit |
072 | IJsselmeer | uitbreiding | verbetering | 18 (↑) | B1 | aanwijzingsbesluit |
074 | Zwarte Meer | uitbreiding | verbetering | 7 (↑) | B1 | aanwijzingsbesluit |
075 | Ketelmeer & Vossemeer | uitbreiding | verbetering | 4 (↑) | C | aanwijzingsbesluit |
078 | Oostvaardersplassen | uitbreiding | verbetering | 40 (↑) | B2 | aanwijzingsbesluit |
095 | Oostelijke Vechtplassen | behoud | behoud | 8 | B1 | ontwerpbesluit |
105 | Zouweboezem | behoud | behoud | 9 (↑) | C | ontwerpbesluit |
106 | Boezems Kinderdijk | behoud | behoud | 1 | C | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | 5 (↑) | C | ontwerpbesluit |
140 | Groote Peel | uitbreiding | verbetering | 5 (↑) | C | aanwijzingsbesluit |
De doelstelling is aangepast van “uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit” in “behoud omvang en kwaliteit”, omdat het aantal van 1 broedpaar neerkomt op behoud van de draagkracht in de periode 1999-2003 en er geen ruimte is voor verdere verbetering of uitbreiding van het leefgebied.
De landelijke staat van instandhouding van het porseleinhoen is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel van een populatie van ten minste 400 paren”. De aantallen van het porseleinhoen vertonen jaarlijks grote schommelingen als gevolg van weersomstandigheden zodat een doelstelling op basis van het gemiddelde niet doelmatig is. Er is daarom gekozen voor een populatieniveau in gunstige jaren, de jaren waarin in het late voorjaar sprake is van hoge waterstanden in het leefgebied dat de belangrijkste voorwaarde is om tot broeden over te gaan. De herstelopgave volgt het Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004 (2000)30. Er zijn voor het porseleinhoen extra inspanningen nodig om de gewenste landelijke minimumpopulatie te bereiken31. Er is een beleidskeuze gemaakt om strategisch te lokaliseren door de opgave voor herstel van plas-dras situaties voor onder andere het porseleinhoen te leggen in het landschap Meren en Moerassen, waaronder het gebied IJsselmeer (072). Daarnaast liggen er potenties in het rivierengebied, waar de soort momenteel matig vertegenwoordigd is (met uitzondering van het noordelijke deel van de IJssel). Behoud wordt nagestreefd in die gebieden waar de historische potentie niet meer haalbaar is, waar de lokale populatietrend stabiel of toenemend is zodat behoud van het leefgebied voldoende is, of waar onvoldoende trendgegevens beschikbaar zijn om de potenties voor herstel in te schatten. De gebieden Duinen Vlieland (003), Duinen Ameland (005) bieden onvoldoende potentie voor verdere verbetering van het leefgebied en de daarmee samenhangende populatieontwikkeling. In de gebieden Bargerveen (033) en Boezems Kinderdijk (106) is de lokale populatietrend stabiel; in de gebieden Lauwersmeer (008), Fochteloërveen (023), De Wieden (035) en Oostelijke Vechtplassen (095) is de lokale populatietrend toenemend. Van de gebieden Groote Wielen (009), Sneekermeergebied (012) en Leekstermeergebied (019) zijn onvoldoende trendgegevens beschikbaar. Voor Groote Wielen, Sneekermeergebied, Leekstermeergebied, Fochteloërveen, Bargerveen, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (036), Zouweboezem (105) en Biesbosch (112) is ingeschat dat het behoud van het leefgebied voldoende is voor een (kleine) toename van de populatie.
De doelniveaus van niet-broedvogels zijn meestal uitgedrukt als seizoensgemiddelde of als (gemiddeld) seizoensmaximum. Deze gemiddelden, die worden bepaald aan de hand van maandelijkse tellingen, worden als volgt berekend32:
Het seizoensgemiddelde is het gemiddelde aantal in een gebied aanwezige vogels over het gehele seizoen, berekend aan de hand van maandelijks uitgevoerde tellingen over een reeks seizoenen (1999/2000- 2003/2004). Het (gemiddeld) seizoensmaximum is het gemiddelde van het grootste getelde aantal (piekaantal) per seizoen (juli t/m juni van het volgende jaar) berekend over een reeks van achtereenvolgende seizoenen (meestal vijf seizoenen: 1999/2000-2003/2004). Bij voorkeur is het doelniveau uitgedrukt als seizoensgemiddelde omdat dit een indicatie geeft voor het gebruik van een gebied over het gehele seizoen. Bij onvoldoende beschikbaarheid van jaarrondtellingen moet soms worden teruggevallen op het seizoensmaximum.
Niet-broedvogelsoorten Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie | |||||
Vogelsoort | Aantal gebieden | Landelijke doelstelling | Populatie Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | Relatieve bijdrage* | Besluit |
A040 Kleine rietgans(d) | 4 | 8.000 | 20.500 (max) | sf | conform ontwerp |
A041 Kolgans (d);(e) | 36 | 218.300 | 6.700 (max) | s | conform ontwerp |
A045 Brandgans (d);(e) | 26 | 140.900 | 39.300 (max) | sf | conform ontwerp |
A050 Smient (d);(e) | 46 | 258.200 | 2.700 | sf, C | conform ontwerp |
A061 Kuifeend (c);(f) | 21 | 75.700 | 2.400 | f, B1 | conform ontwerp |
A068 Nonnetje (a) | 18 | 690 | 50 | f, B2 | conform ontwerp |
A151 Kemphaan(b) | 5 | 39.500 | 2.300 (max) | sf | conform ontwerp |
A160 Wulp (d) | 17 | 101.100 | behoud | s | doel aangepast (g) |
* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf). Relatieve bijdrage is alleen berekend als het landelijke doel en het gebiedsdoel beide zijn gebaseerd op dezelfde waarde (óf seizoensmaximum óf seizoensgemiddelde).
Nonnetje: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd voor deze soort vanwege slechte stuurbaarheid van vermoedelijke oorzaken (Natura 2000 doelendocument, 2006).
Kemphaan: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd. De recente afname is verbonden aan een afname op internationaal niveau en mogelijk aan enkele andere slecht stuurbare factoren (Natura 2000 doelendocument, 2006).
Kuifeend: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soort geformuleerd, omdat deze staat van instandhouding alleen gebaseerd is op toekomstverwachting (Natura 2000 doelendocument, 2006).
Kleine rietgans, kolgans, brandgans, smient en wulp: de staat van instandhouding van de soort is beoordeeld als “gunstig”.
Kolgans, brandgans en smient: enige afname landelijk veroorzaakt door extensivering van landgebruik (onder andere door natuurontwikkeling) is aanvaardbaar.
Kuifeend: enige afname landelijk als gevolg van herstel van zout-zoet overgangen is aanvaardbaar.
De instandhoudingsdoelstelling heeft nu ook betrekking op het aspect populatie. Door het niet opnemen van een draagkrachtindicatie vanwege het ontbreken van voldoende betrouwbare kwantitatieve gegevens was de doelstelling voor de populatie onbedoeld geheel weggevallen. Dit is in dit besluit gerepareerd.
Toelichting op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Oudegaasterbrekken e.o. gebruikt zijn (2000).
Onderstaande paragrafen zijn afkomstig uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.
Oudegaasterbrekken e.o. is aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn vanwege de aanwezigheid van open water en rietkragen die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van de beschermingszone is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan van bedoelde vogelsoorten. Het onderhavige gebied is tevens aangewezen als watergebied van internationale betekenis onder de Wetlands-Conventie vanwege het voorkomen van belangrijke aantallen watervogels (criterium 6).
Oudegaasterbrekken e.o. kwalificeert als speciale beschermingszone vanwege het voorkomen van drempeloverschrijdende aantallen van de Kleine rietgans en Brandgans33die het gebied benutten als overwinteringsgebied en/of rustplaats. Het gebied kan hierdoor tevens worden aangemerkt als watergebied van internationale betekenis zoals bedoeld in de Wetlands-Conventie (criterium 6).
Soort van Bijlage I en een trekkende watervogelsoort waarvoor het gebied aan de 1%-drempel voldoet
Soort | Art. 4 | Brva | Biogeogr. Populatiee | 1% Biopopf | % in SBZg | Telperiode |
Kleine rietgans A. brachyrhynchus | 2 | nee | Spitsbergen/NW-Europa | 340 | 39% | 1980-98 |
Brandgans Branta leucopsis | 1 | nee | Rusland/Nederland | 1 800 | 3,8% | 1980-98 |
De kwalificatie betreft in het gebied niet-broedende vogels (indien ingevuld met "nee")
Biogeografische populatie waartoe de in Nederland pleisterende exemplaren van deze soort worden gerekend
Drempelwaarde zijnde 1% van de betreffende biografische populatie (biografische populatie en drempelwaarde ontleend aan Rose & Scott 1997, Waterfowl Population Estimates – 2nd edition. Wetlands International, Wageningen)
Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie
Andere soorten van Bijlage I waarvoor het gebied van betekenis is, zijn Nonnetje en Kemphaan (niet- broedvogels). Andere trekkende vogelsoorten waarvoor het gebied van betekenis is als overwinteringsgebied en/of rustplaats: Kolgans, Smient, Wulp. De biotopen van deze vogels hebben mede de begrenzing van dit gebied bepaald.
Het aangewezen gebied behoort tot één van de belangrijkste slaap- en rustplaatsen van de Kleine rietgans in het Nederlandse overwinteringsgebied. Binnen het gebied zijn vooral de eigenlijke Oudegaasterbrekken en het Rietmeer favoriet. Van de ene op de andere dag vindt uitwisseling plaats met andere slaapplaatsen in het Friese overwinteringsgebied waaronder de Piaamer Geul (Kooiwaard), Gaastwad en de Steile Bank (alle drie in sbz Friese IJsselmeerkust) en sbz Witte en Zwarte Brekken. De slaap- en rustplaatsen binnen sbz Oudegaasterbrekken e.o. worden verder ook door Brandgans, Kolgans en Smient gebruikt. Het Nonnetje foerageert als visetende watervogel verspreid over het open water van de meren. De boezemlanden van Gaastmeer, Het Hop en Ringwiel zijn van belang als slaapplaats voor Wulp en Kemphaan.
Toelichting op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Fluessen/Vogelhoek/Morra gebruikt zijn (2000).
Onderstaande paragrafen zijn afkomstig uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.
Het gebied Fluessen/Vogelhoek/Morra is aangewezen als speciale beschermingszone vanwege de aanwezigheid van open water, graslanden en moeraszones die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van de beschermingszone is zo gekozen dat een in landschapsecologisch opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten. Het onderhavige gebied is tevens aangewezen als watergebied van internationale betekenis onder de Wetlands-Conventie vanwege het voorkomen van belangrijke aantallen watervogels (criterium 5,6).
Het gebied Fluessen/Vogelhoek/Morra kwalificeert als speciale beschermingszone vanwege het voorkomen van drempeloverschrijdende aantallen van de Brandgans34 die het gebied benut als overwinteringsgebied en rustplaats. Het gebied kan hierdoor tevens worden aangemerkt als watergebied van internationale betekenis zoals bedoeld in de Wetlands-Conventie (criterium 6). Fluessen/Vogelhoek/Morra wordt verder aangewezen als watergebied van internationale betekenis onder de Wetlands-Conventie vanwege geregeld voorkomen van minstens 20.000 watervogels (criterium 5).
Trekkende watervogelsoort waarvoor het gebied aan de 1%-drempel voldoet
Soort | Art. 4 | Brva | Biogeografische populatieb | 1% Biopopc | % in sbzd | Telperiode |
Brandgans Branta leucopsis | 1 | nee | Rusland/Nederland | 1800 | 3,4% | 1993-1997 |
De kwalificatie betreft in het gebied niet-broedende vogels (indien ingevuld met "nee")
Biogeografische populatie waartoe de in Nederland pleisterende exemplaren van deze soort worden gerekend
Drempelwaarde zijnde 1% van de betreffende biografische populatie (biografische populatie en drempelwaarde ontleend aan Rose & Scott 1997, Waterfowl Population Estimates – 2nd edition. Wetlands International, Wageningen)
Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie
Andere soorten van Bijlage I waarvoor het gebied van betekenis is, zijn Porseleinhoen (broedvogel); Nonnetje en Kemphaan (niet-broedvogels). Andere trekkende vogelsoorten waarvoor het gebied van betekenis is als overwinteringsgebied en/of rustplaats: Kolgans en Kuifeend. De biotopen van deze vogels hebben mede de begrenzing van dit gebied bepaald.
De betekenis van de Fluessen/Vogelhoek/Morra is vooral gelegen in de functie die het vervult als slaapplaats voor Brandgans en Kolgans die overdag in de ruime omgeving voedsel zoeken. De vastgestelde aantallen geven overigens geen goed beeld van de betekenis van de nachtelijke slaapplaats omdat de cijfers voornamelijk zijn gebaseerd op tellingen die overdag in de voedselgebieden zijn verricht. De belangrijkste slaap- en rustplaats voor Kolgans (tienduizenden35) betreft het boezemland langs de Groote Noordwolderpolder en het aansluitende open water. Kuifeend en Nonnetje gebruiken het open water zowel om te foerageren als te rusten. De graslanden van Polder De Samenvoeging en de oeverlanden vormen het broedgebied voor Kemphaan en diverse moerasvogels (o.a. Porseleinhoen, Roerdomp, Bruine kiekendief). Op het eilandje Oarden in het zuidelijk deel van de Fluessen bevindt zich een broedkolonie van de Visdief.
LEGENDA: Artikel | Noemer |
Indicatief/exact | |
GIO-id36 | |
1, eerste lid | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving – Habitatrichtlijngebied |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_OudegaasterbrekkenFluessenEnOmgeving_HR/nld@2025‑03‑01 | |
2, eerste lid | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving – Vogelrichtlijngebied |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_OudegaasterbrekkenFluessenEnOmgeving_VR/nld@2025‑03‑01 | |
3, tweede lid | Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_OudegaasterbrekkenFluessenEnOmgeving_N2000/nld@2025‑03‑01 |
Dit besluit betreft de vaststelling van een nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit voor het Habitatrichtlijngebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving, het Vogelrichtlijngebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving en het Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving, maar nu gepubliceerd met behulp van de nieuwe digitale standaard voor officiële publicaties: de Standaard Officiële Publicaties (STOP). Het besluit wordt inhoudelijk ongewijzigd vastgesteld. Dit aanwijzingsbesluit is de bijlage bij dit besluit. De nieuwe tekst is enkel een redactionele aanpassing, en brengt geen wijziging met enig rechtsgevolg met zich ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De reden voor de vaststelling van deze nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit is, dat in het kader van de Omgevingswet wordt overgegaan op nieuwe digitale standaarden voor de vormgeving van besluiten.
Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond van artikel 16.25a van de Omgevingswet niet van toepassing, omdat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het betreft geen wijzigingen die leiden tot een andere inhoudelijke reikwijdte dan het geldende aanwijzingsbesluit voor dit gebied: er is geen sprake van wijzigingen van de geldende begrenzing of van instandhoudingsdoelstellingen. De tekst betreft enkel een redactionele aanpassing. In zoverre is dus ook geen sprake van zelfstandige rechtsgevolgen ten opzichte van het geldende besluit. Belanghebbenden die menen dat er wel sprake is van relevante wijzigingen en nieuwe rechtsgevolgen, kunnen evenwel met een bezwaarschrift eventuele bedenkingen tegen het besluit naar voren te brengen en de beslissing op het bezwaarschrift in een beroepsprocedure door de bestuursrechter laten toetsen.
Dit betreft een geconsolideerde versie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, inclusief wijzigingen die sindsdien op de richtlijn van toepassing zijn. Met uitzondering van de bijlagen en verwijzingen is de tekst van de richtlijn inhoudelijk niet gewijzigd. Terug naar link van noot.
Beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 december 2004 tot vaststelling, op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (2004/813/EG). PB EU 2004, L 387/1. Laatstelijk vervangen door Uitvoeringsbesluit van de Commissie 2013/26/EU van 16 november 2012 tot vaststelling van een zesde bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (PbEU 2013, L 24/ 379). Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
De begrenzingsmethodiek is verder uitgewerkt in het Gebiedendocument (2004). Terug naar link van noot.
Hof van Justitie EG, 7 november 2000, First Corporate Shipping, zaak C-371/98, punten 16 en 25. Terug naar link van noot.
De wijze van begrenzing van Vogelrichtlijngebieden is toegelicht in de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.
Beschikking van de Commissie 2004/813/EG van 7 december 2004 tot vaststelling op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (Pb 29‑12‑2004, L 387/1). Terug naar link van noot.
Conform artikel 15 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Stb. 2004, 31) is dit besluit, wat betreft de kadastrale percelen die geheel of gedeeltelijk binnen het aangewezen gebied zijn gelegen, in de kadastrale registratie als beperking ingeschreven. Terug naar link van noot.
Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.
Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.
Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.
Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.
De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.
Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.
Soorten waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: zeeprik (H1095), elft (H1102), zalm (H1106), bittervoorn (H1134) en kleine modderkruiper (H1149). Voor de platte schijfhoren (H4056) zijn geen gebieden geselecteerd omdat de soort bij de uitbreiding van de EU in 2004 is toegevoegd aan bijlage II. Terug naar link van noot.
De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.
SOVON (2000): Belangrijke vogelgebieden in Nederland 1993-97. SOVON-informatierapport 2000/01. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek- Ubbergen. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2000): Nota van Antwoord Vogelrichtlijn, bijlage 1, selectiecriteria en methode van begrenzing. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag. Terug naar link van noot.
SOVON & CBS (2005): Trends van vogelaantallen in het Nederlandse Natura 2000 netwerk. SOVON-informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Ilperveld/Oostzanerveld/Varkensland. Terug naar link van noot.
Destijds bekend als Friese IJsselmeerkust. Terug naar link van noot.
De landelijke doelomschrijving in deze paragraaf beperkt zich in principe tot behoud/uitbreiding oppervlakte (of omvang leefgebied) en behoud/verbetering kwaliteit (leefgebied), in geval van soorten en vogels aangevuld met het doel voor behoud/uitbreiding populatie. Voor de volledige formulering van de landelijke doelen inclusief toelichting wordt verwezen naar het Natura 2000 doelendocument (2006). Terug naar link van noot.
Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.
Uit de toelichting in het Natura 2000 doelendocument (2006) blijkt dat de populatiedoelstelling behoud is, hoewel dat niet expliciet is vermeld in de doelstelling zelf. Terug naar link van noot.
Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.
De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.
De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.
Boer, T. den (2000): Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004. Rapport Directie Natuurbeheer nr.47. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Wageningen. Terug naar link van noot.
Natura 2000 doelendocument (2006): Tekstkader 4.5.1 Landelijke doelen broedvogels (“gemaakte keuze”). Terug naar link van noot.
Voorbeeld voor een seizoen met de volgende telresultaten (juli-juni): 0, 0, 0, 100, 100, 200, 100, 100, 0, 0, 0, 0. Het seizoensmaximum bedraagt in dit geval 200, het seizoensgemiddelde 50 (som van alle maandcijfers gedeeld door 12). Terug naar link van noot.
Onderstreepte soorten zijn opgenomen in Bijlage I van de richtlijn (art. 4.1). Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2007): Nota van Antwoord. Inspraakprocedure aanwijzing Natura 2000-gebieden. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
Een verkennend onderzoek naar de betekenis van de Friese binnenwateren voor pleisterende watervogels (A&W-rapport 38 (1992), Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden). Terug naar link van noot.
Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_waterkwaliteit/nld@2019‑11‑01). Terug naar link van noot.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-12631.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.