Vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Lauwersmeer

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);

Gelet op artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet;

Besluit:

Artikel 1

De nieuwe tekst van het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 27 december 2010, nr. PDN 2010-008, houdende de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Lauwersmeer en het Natura 2000-gebied Lauwersmeer (Stcrt. 2011, 4458), wordt vastgesteld zoals weergegeven in de bijlage “Aanwijzingsbesluit Lauwersmeer” bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze,

w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum: 03 april 2025

Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, t.a.v. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. de afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE, Zwolle.

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:

  • a)

    de naam en het adres van de indiener;

  • b)

    de dagtekening;

  • c)

    een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en

  • d)

    de gronden van bezwaar.

Meer informatie over Natura 2000 en gerelateerde onderwerpen vindt u op de website https://www.rijksoverheid.nl/natura2000. Voor vragen over Natura 2000 kunt u op werkdagen van 8.30 uur tot 16.30 uur contact opnemen met het klantcontactcentrum van RVO, telefoon 088 - 042 42 42 (lokaal tarief).

Bijlage bij artikel 1

Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Lauwersmeer

Artikel 1 Aanwijzing Lauwersmeer - Vogelrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU L 20)1 wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Lauwersmeer.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A021

    Roerdomp (Botaurus stellaris)

    A034

    Lepelaar (Platalea leucorodia)

    A037

    Kleine zwaan (Cygnus bewickii (Cygnus columbianus bewickii))

    A038

    Wilde zwaan (Cygnus cygnus)

    A042

    Dwerggans (Anser erythropus)

    A045

    Brandgans (Branta leucopsis)

    A068

    Nonnetje (Mergus albellus)

    A075

    Zeearend (Haliaeetus albicilla)

    A081

    Bruine kiekendief (Circus aeruginosus)

    A084

    Grauwe kiekendief (Circus pygargus)

    A119

    Porseleinhoen (Porzana porzana)

    A132

    Kluut (Recurvirostra avosetta)

    A140

    Goudplevier (Pluvialis apricaria)

    A151

    Kemphaan (Philomachus pugnax)

    A190

    Reuzenstern (Sterna caspia)

    A194

    Noordse stern (Sterna paradisaea)

    A222

    Velduil (Asio flammeus)

    A272

    Blauwborst (Luscinia svecica)

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A005

    Fuut (Podiceps cristatus)

    A017

    Aalscholver (Phalacrocorax carbo)

    A041

    Kolgans (Anser albifrons)

    A043

    Grauwe gans (Anser anser)

    A048

    Bergeend (Tadorna tadorna)

    A050

    Smient (Anas penelope)

    A051

    Krakeend (Anas strepera)

    A052

    Wintertaling (Anas crecca)

    A053

    Wilde eend (Anas platyrhynchos)

    A054

    Pijlstaart (Anas acuta)

    A056

    Slobeend (Anas clypeata)

    A059

    Tafeleend (Aythya ferina)

    A061

    Kuifeend (Aythya fuligula)

    A067

    Brilduiker (Bucephala clangula)

    A125

    Meerkoet (Fulica atra)

    A137

    Bontbekplevier (Charadrius hiaticula)

    A156

    Grutto (Limosa limosa)

    A160

    Wulp (Numenius arquata)

    A161

    Zwarte ruiter (Tringa erythropus)

    A275

    Paapje (Saxicola rubetra)

    A292

    Snor (Locustella luscinioides)

    A295

    Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus)

Artikel 2 Aanwijzing Natura 2000-gebied Lauwersmeer

Artikel 3 Exclaveringsformule

  • 1.

    Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting wordt afgeweken. Hiervoor gelden de peildata, genoemd in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:

    • a.

      bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • b.

      bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond;

    • c.

      gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

    • d.

      erven: onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terreinen;

    • e.

      tuinen: in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terreinen, beplant met siergewassen en gazons, of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving en veelal, omheind zijn door middel van een afrastering, schutting, muur of haag of geheel of gedeeltelijk zijn omgeven door een sloot;

    • f.

      verhardingen: kunstmatige verhardingen zoals verharde wegen, pleinen, parkeervoorzieningen, erfverhardingen en steenglooiingen met inbegrip van in wegen liggende bruggen en duikers en de tot wegen behorende paden en bermen of zijkanten;

    • g.

      hoofdspoorweg: op grond van artikel 2 van de spoorwegwet als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg. Voor de begrenzing langs hoofdspoorwegen geldt artikel 3.5 van het omgevingsbesluit (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur).

Artikel 4 Instandhoudingsdoelstellingen Vogelrichtlijn: broedvogels en niet-broedvogels

  • 1.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.3 van de nota van toelichting.

  • 2.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor niet-broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld inparagraaf 5.4 van de nota van toelichting.

Bijlage Nota van toelichting

1. INLEIDING

Het gebied Lauwersmeer is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna Vogelrichtlijn). Deze speciale beschermingszone vormt het Natura 2000-gebied Lauwersmeer. Het besluit bevat de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.

Artikel 1 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Vogelrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 2 van het besluit introduceert de nota van toelichting en benadrukt dat het besluit niet te lezen is zonder de nota van toelichting. Daarnaast wordt in dit deel van het besluit het Natura 2000-gebied Lauwersmeer gevormd uit het Vogelrichtlijngebied.

Artikel 3 van het besluit regelt de uitgezonderde delen van het in artikel 1 aangewezen gebied.

Artikel 4 van het besluit bepaalt dat er voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen verwezenlijkt dienen te worden. De doelstelling van artikel 4 heeft betrekking op de in artikel 1 opgesomde vogelsoorten. De vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden in 2000.

In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting wordt de aanwijzing onder de Vogelrichtlijn kort toegelicht.

Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een gebiedsbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op eventuele grenswijzigingen die zijn doorgevoerd nadat het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 de bij dit besluit behorende begrenzing toegelicht.

In hoofdstuk 4 wordt een opsomming gegeven van soorten waaraan het gebied zijn betekenis ontleent.

In hoofdstuk 5 worden de algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en worden de specifieke instandhoudingsdoelstellingen, genoemd in artikel 4, nader toegelicht. Er wordt aangegeven in welke richting de instandhoudingsdoelstelling zich zal moeten ontwikkelen. Daarvoor worden de termen “behoud”, “uitbreiding” en “verbetering” gebruikt. Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit van het leefgebied. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang van het leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van “behoud” of “uitbreiding” van de populatie.

Bij de nota van toelichting is een bijlage A gevoegd met illustraties van grenswijzigingen indien van toepassing; die illustraties laten zien welke terreindelen na de eerste aanwijzing zijn vervallen of zijn toegevoegd als onderdeel van de speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn. Anders dan de andere bijlage bij de toelichting maakt bijlage A geen integraal onderdeel uit van dit besluit, aangezien er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet enkel nog rechten worden verleend aan de geometrische begrenzing.

Bijlage B omvat een nadere onderbouwing van de wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.

Er is een appendix toegevoegd aan dit besluit waarin een toelichting wordt gegeven op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Lauwersmeer gebruikt zijn. Deze paragrafen komen uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.

2. AANWIJZING VOGELRICHTLIJN

Artikel 1 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Lauwersmeer als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (verder aangeduid als “Vogelrichtlijngebied”). Het gebied is op 24 maart 2000 (N/2000/304) aangewezen. Bij de Europese Commissie is dit gebied bekend onder nummer NL9802012.

Naast mogelijke grenswijzigingen kan er ook een wijziging plaatsvinden bij de vogelsoorten, waarvoor dit gebied destijds is aangewezen. Deze eventuele wijzigingen worden toegelicht in bijlage B. In dit besluit worden alle vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied wordt geacht te zijn aangewezen.

Dit Vogelrichtlijngebied wordt voortaan aangeduid als Natura 2000-gebied Lauwersmeer (landelijk gebiedsnummer 008).

Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en onder de Vogelrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen en leefgebieden van Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten in een gunstige staat van instandhouding behouden of, in voorkomend geval, herstellen. De instandhoudingsdoelstellingen (artikel 4 en hoofdstuk 5) en de begrenzing zijn in algemene zin nader toegelicht in het Natura 2000 doelendocument (2006)2. Dit document geeft het beleidskader van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen weer en van de daarbij gehanteerde systematiek. Beschrijvingen van habitattypen en (vogel)soorten waarvoor doelen zijn vastgesteld, zijn opgenomen in het Natura 2000 profielendocument (2008)3.

Het Natura 2000-gebied Lauwersmeer ligt in de provincies Fryslân en Groningen en behoort tot het grondgebied van de gemeenten Dongeradeel, Kollumerland c.a. (Kollumerland en Nieuwkruisland), De Marne en Zuidhorn.

3. GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEGRENZING

3.1 Gebiedsbeschrijving

Het huidige Lauwersmeer ligt op de plaats van de voormalige monding van het riviertje de Lauwers, de grensrivier tussen Groningen en Friesland. In 1280 overstroomden grote delen van Noord-Nederland tijdens een stormvloed, waarbij de Lauwerszee is ontstaan. Dit voormalig estuarium, waarin de krekenstructuur nog goed herkenbaar is, is in de eeuwen daarna door opeenvolgende bedijkingen verkleind. In 1969 is de toenmalige Lauwerszee door de aanleg van een dijk van de Waddenzee en daarmee van getijdenwerking afgesneden. Na de afsluiting ontwikkelde zich in het Lauwersmeer aanvankelijk een zoute pioniervegetatie. Dit werd gevolgd door grazige vegetaties van brak tot zoet milieu.

Het gebied is weids door het vlakke, open landschap en bestaat tegenwoordig uit open water met een systeem van geulen, prielen, slikken en zandplaten en landaanwinningwerken. Het landdeel is een grootschalig gebied met een gering reliëf. De voormalige kwelders zijn in de eerste helft van de jaren zeventig ontgonnen, waarbij grote delen zijn begreppeld, gedraineerd, bekaad en in het zuiden in landbouwkundig gebruik zijn genomen. Binnen het Natura 2000-gebied bestaan kwelders en platen nu uit moerassen, ruige graslanden en rietruigten die zich plaatselijk ontwikkelen richting struweel en bos. Er zijn op natte duinvallei en duingrasland lijkende vegetaties aanwezig. De huidige natuurwaarden zijn ontstaan door spontane ontwikkeling onder invloed van processen als overstroming, ontzilting en vegetatiesuccessie. Het gebied vormt een belangrijk onderdeel van de Fries/Groninger boezem en speelt een cruciale rol in de regionale waterhuishouding. Doordat het water, als gevolg van hoge waterstanden op de Waddenzee, niet altijd geloosd kan worden, treden regelmatig sterke schommelingen van de waterstand op.

3.2 Landschappelijke context en kenmerken begrenzing

Lauwersmeer behoort tot het Natura 2000-landschap “Meren en Moerassen”.

De grenzen van een Vogelrichtlijngebied worden bepaald door het gebruik dat de aanwezige bijlage I- soorten, en/of trekkende watervogels, en/of overige trekkende vogels ervan maken, waarbij wordt uitgegaan van landschapsecologische eenheden en de biotoopeisen van de betrokken vogelsoorten.

Het Lauwersmeer is aangewezen als Vogelrichtlijngebied onder de Vogelrichtlijn vanwege de aanwezigheid van open water, moerassen en graslanden die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als broedgebied, ruigebied, overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is zo gekozen dat een in landschapsecologisch opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat, in samenhang met het Vogelrichtlijngebied Waddenzee, voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten4.

3.3 Geometrische begrenzing en oppervlakte

De geometrische begrenzing van het Natura 2000-gebied Lauwersmeer is weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage Gebiedsbegrenzingen. Het betreft het natuurgebied in de ingepolderde Lauwerszee ten westen en zuiden van de Marneweg (N361) en ten noorden van de Kwelderweg. Ook de Bantpolder (ten westen van de N361) en de polder Ezumakeeg maken onderdeel uit van het aangewezen gebied.

Het Natura 2000-gebied Lauwersmeer beslaat een oppervlakte van ongeveer 5.750 ha. Dit cijfer betreft de bruto-oppervlakte omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met in de geometrische begrenzing, tekstueel uitgesloten delen (zie artikel 3 en hierna).

Voor de begrenzing van Natura 2000-gebieden geldt de volgende exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, tuinen, erven, verharding en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken. Voor de gebruikte begrippen gelden de definities (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied) zoals die omschreven zijn in artikel 3. Daar waar de geometrische begrenzing en de exclaveringsformule niet overeenstemmen, is de exclaveringsformule doorslaggevend.

Voor de toepassing van de begrenzing en de exclaveringsformule van artikel 3 gelden er peildata:

  • 24 maart 2000 voor de gebiedsdelen die zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied.

De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is op enkele technische punten verbeterd (2010):

  • Bestaande bebouwing (inclusief erven en tuinen; reeds tekstueel geëxclaveerd) waar geen Natura 2000-waarden voorkomen, is waar mogelijk op grond van kadastrale of topografische lijnen buiten de begrenzing gebracht.

  • Verharde wegen, die ook reeds tekstueel zijn geëxclaveerd, zijn aan de rand van het gebied zoveel mogelijk buiten de begrenzing gebracht.

  • De begrenzing is waar mogelijk gelegd langs topografisch herkenbare lijnen, zoals wegen, wateren, perceelscheidingen en bosranden.

  • Overlap van 5 meter of minder met kadastrale percelen die grotendeels buiten het gebied zijn gelegen is, gelet op de kadastrale inschrijving5, waar mogelijk beperkt. Dit betekent dat aldaar de kadastrale lijn is aangehouden. Deze werkwijze is alleen gevolgd op plekken waar geen Natura 2000-waarden aanwezig zijn.

4. NATURA 2000-WAARDEN

4.1 Inleiding

In artikel 1 is een opsomming gegeven van de waarden waaraan het gebied zijn betekenis als Vogelrichtlijngebied ontleent. Paragraaf 4.2.1 vermeldt de vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen. Op alle vermelde Natura 2000-waarden is een instandhoudingsdoelstelling van toepassing (zie artikel 4 en hoofdstuk 5).

4.2 Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen
4.2.1 Vogelrichtlijn: vogelsoorten (bijlage I en artikel 4.2)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn:

A021

Roerdomp (Botaurus stellaris)

A034

Lepelaar (Platalea leucorodia)

A037

Kleine zwaan (Cygnus bewickii (Cygnus columbianus bewickii))

A038

Wilde zwaan (Cygnus cygnus)

A042

Dwerggans (Anser erythropus)

A045

Brandgans (Branta leucopsis)

A068

Nonnetje (Mergus albellus)

A075

Zeearend (Haliaeetus albicilla)

A081

Bruine kiekendief (Circus aeruginosus)

A084

Grauwe kiekendief (Circus pygargus)

A119

Porseleinhoen (Porzana porzana)

A132

Kluut (Recurvirostra avosetta)

A140

Goudplevier (Pluvialis apricaria)

A151

Kemphaan (Philomachus pugnax)

A190

Reuzenstern (Sterna caspia)

A194

Noordse stern (Sterna paradisaea)

A222

Velduil (Asio flammeus)

A272

Blauwborst (Luscinia svecica)

Verder is het gebied aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen in hun trekzones (artikel 4.2):

A005

Fuut (Podiceps cristatus)

A017

Aalscholver (Phalacrocorax carbo)

A041

Kolgans (Anser albifrons)

A043

Grauwe gans (Anser anser)

A048

Bergeend (Tadorna tadorna)

A050

Smient (Anas penelope)

A051

Krakeend (Anas strepera)

A052

Wintertaling (Anas crecca)

A053

Wilde eend (Anas platyrhynchos)

A054

Pijlstaart (Anas acuta)

A056

Slobeend (Anas clypeata)

A059

Tafeleend (Aythya ferina)

A061

Kuifeend (Aythya fuligula)

A067

Brilduiker (Bucephala clangula)

A125

Meerkoet (Fulica atra)

A137

Bontbekplevier (Charadrius hiaticula)

A156

Grutto (Limosa limosa)

A160

Wulp (Numenius arquata)

A161

Zwarte ruiter (Tringa erythropus)

A275

Paapje (Saxicola rubetra)

A292

Snor (Locustella luscinioides)

A295

Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus)

Wijzigingen ten opzichte van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000) en/of het ontwerpbesluit (2009) zijn verklaard in bijlage B.2 van deze nota van toelichting.

5. INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN

5.1 Inleiding

Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel aan maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Ingevolge artikel 4, vierde lid, Habitatrichtlijn worden bij aanwijzing als Habitatrichtlijngebied “tevens de prioriteiten vast[gesteld] gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat […] of van een soort […] alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging”.

Deze bepaling is in 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nader uitgewerkt. Op grond van dit artikel bestaat de verplichting om in een aanwijzing doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van leefgebieden van vogelsoorten dan wel doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten op te nemen. Om die reden zijn voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Voor zover van toepassing is daarbij aangegeven welke habitattypen en/of (vogel)soorten ten koste mogen gaan van andere habitattypen en (vogel)soorten. Bij broedvogelsoorten met een regionale doelstelling is in de toelichting aangegeven wat in een bepaalde periode de minimale en maximale bijdrage van het betreffende gebied aan het regionale doelniveau is geweest.

In bijlage B.2 van deze nota van toelichting is een overzicht opgenomen van alle gebiedsdoelstellingen per Natura 2000-waarde.

Voor de Natura 2000-gebieden zullen in beheerplannen instandhoudingsmaatregelen worden uitgewerkt die beantwoorden aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten van de betrokken natuurlijke habitats en (vogel)soorten.

Als verdere invulling van het stellen van prioriteiten zijn voor de acht onderscheiden Natura 2000- landschappen kernopgaven geformuleerd op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, de landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (“richting geven”) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en (vogel)soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (2006).

5.2 Algemene doelen

Behoud en indien van toepassing herstel van:

  • 1.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie.

  • 2.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

  • 3.

    de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

  • 4.

    de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

5.3 Vogelrichtlijn: broedvogels

A021

Roerdomp

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 10 paren (territoria).

Toelichting

De roerdomp is pas vanaf midden jaren negentig een regelmatige broedvogel van de rietmoerassen. Het gemiddelde van de periode 1999-2003 is 10 broedparen (territoria). Het aantal is echter flink gegroeid tot een (voorlopig) maximum van 13 territoria in 2002. Het is daarmee de belangrijkste populatie in het noorden van het land en één van de belangrijkste van Nederland. Ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is uitbreiding van de populatie niet ten doel gesteld omdat in het gebied weinig ruimte is voor uitbreiding van het leefgebied (uitgestrekte rietvelden). Het Lauwersmeer vormt voor de soort wel een belangrijke stapsteen tussen het laagveengebied en de Waddeneilanden.

A081

Bruine kiekendief

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren.

Toelichting

In 1969, direct na de afsluiting van de Lauwerszee, vestigden de eerste bruine kiekendieven zich in het gebied. Het aantal broedparen in de rietmoerassen en rietruigten nam vervolgens sterk toe tot een maximum van 90 paren in 1983. Door de ontginning en vegetatiesuccessie is sindsdien het aantal weer gestaag afgenomen. Vanaf halverwege jaren negentig schommelt het aantal broedparen rond de 20. Het gemiddelde van de periode 1999-2003 is 20 broedparen. Daarmee levert het gebied voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende.

A084

Grauwe kiekendief

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 4 paren.

Toelichting

Sedert begin jaren zeventig is de grauwe kiekendief een regelmatige broedvogel van open rietruigten en akkerbouwpercelen. Het laatste decennium schommelt de stand tussen de 3 en 7 paren. Het gemiddelde van de periode 1999-2003 is 4 broedparen. Maximaal werden 7 paren vastgesteld (1992, 1995, 1997, 2000). Het Lauwersmeer is het enige Natura 2000-gebied waar de soort als broedvogel voorkomt. Gezien het feit dat er geen ruimte is voor verbetering of uitbreiding van het leefgebied wordt volstaan met een behoudopgave. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in Noord-Groningen ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.

A119

Porseleinhoen

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 15 paren.

Toelichting

Sinds de afsluiting is het porseleinhoen 15 jaar lang een regelmatige, doch schaarse, broedvogel met doorgaans slechts enkele paartjes in rietmoerassen en in het voorjaar in geïnundeerde graslanden (mei-juni) (maximaal 10 paren in 1980). Van 1985 tot en met 1992 ontbrak de soort, om vervolgens na de hervestiging in 1993, een snelle opmars te maken tot een (voorlopig) maximum van 19 paren in 2000. Het is daarmee de belangrijkste broedplaats in Noord-Nederland geworden. Het gemiddelde van de periode 1999-2003 is 15 broedparen. Het aantal heeft betrekking op gunstige jaren. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in het Friese Merengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.

A132

Kluut

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 110 paren.

Toelichting

De kluut is van oudsher een talrijke broedvogel op de kwelders van het Lauwersmeer. Na de afsluiting bleef het aantal paren aanvankelijk op een hoog niveau met een maximum van 790 paren in 1972. Vervolgens schommelde het aantal paren tussen de 350 en 550, om vervolgens na 1985 af te nemen. Het gemiddelde van de periode 1999-2003 is 110 broedparen. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 63 en maximaal 147 paren in het onderhavige gebied.6 Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.

A137

Bontbekplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 4 paren.

Toelichting

In de periode 1999-2008 telde de populatie bontbekplevieren jaarlijks tussen de 0 en 9 paren.7 Het gemiddelde van de jaren 1999-2003 is 4 broedparen. Na de afsluiting in 1969 heeft zich tijdelijk een sterke toename van de broedgelegenheid voorgedaan. De huidige situatie is echter gelijk aan de situatie voor de afsluiting. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in het oostelijk Waddengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.

A151

Kemphaan

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren.

Toelichting

De populatieontwikkeling is na de afsluiting sterk toegenomen tot een maximaal niveau van 400 paren in 1983. Op dat moment broedde één derde van de Nederlandse populatie in het Lauwersmeer. Daarna nam de populatie weer snel af. In de periode van 1999-2003 waren er gemiddeld 6 paren aanwezig. Het Lauwersmeer is nog steeds één van de meest kansrijke gebieden voor deze soort. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is als doel uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied geformuleerd. Het gebied kan onvoldoende draagdracht leveren voor een sleutelpopulatie.

A194

Noordse stern

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 5 paren.

Toelichting

De noordse stern is van oudsher een regelmatige broedvogel op de kwelders van het Lauwersmeer. Na de afsluiting bleef het aantal paren, dat broedde op geschikte broedplaatsen in de vorm van schaars begroeide platen of oeverranden, aanvankelijk op het hoge niveau van circa 100 paren (maximaal 150-175 in 1978). Vanaf 1993 trad een snelle afname op tot een fluctuerend niveau tussen minimaal 1 broedpaar en maximaal 17 broedparen gedurende de periode 1998-2008.9 In 2008 zijn er 6 broedparen geteld. Het gemiddelde populatieaantal in de periode 1999-2003 was 5 broedparen. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht van de Fries-Groningse kwelders ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.

A222

Velduil

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 1 broedpaar.

Toelichting

Het Lauwersmeer is één van de weinige gebieden op het vaste land met voldoende draagkracht voor broedende velduilen. Al zeer snel na de afsluiting vestigden zich velduilen. Zo werden in 1970 al 13 paren geteld. Het gemiddelde populatieaantal tijdens de periode 1999-2003 was 1 broedpaar. De aantallen fluctueren tussen 0 en 1 broedpaar tijdens de periode 1998-2008.8 Het maximum van 1 broedpaar is van de jaren 2002 en 2003. Ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is uitbreiding van de populatie niet ten doel gesteld, gezien de onregelmatige aanwezigheid in het gebied. Het gebied kan onvoldoende draagkracht leveren voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in het Waddengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.

A272

Blauwborst

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 120 paren.

Toelichting

De blauwborst vestigde zich pas in 1983 in het Lauwersmeer. Daarna nam de populatie in de rietmoerassen en rietruigtes sterk toe en het aantal paren ligt sedert 1997 ruim boven de 100 (het gewenste niveau voor een sleutelpopulatie). In 2008 bedroeg het aantal 180 broedparen.9 Het gemiddelde populatieaantal gedurende de periode 1999-2003 was 120 broedparen. Gezien de toenemende lokale trend is behoud voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.

A275

Paapje

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 11 paren.

Toelichting

Sinds de afsluiting is het paapje aanvankelijk een zeer schaarse, onregelmatige broedvogel. Vanaf halverwege jaren tachtig werd het een regelmatige broedvogel van vochtige ruige graslanden. Het gemiddelde populatieaantal gedurende de periode 1999-2003 was 11 broedparen. Het aantal paren fluctueerde van 1999 tot 2008 tussen de 4 en 17 paren.10 Er is voor behoud gekozen omdat de historische potentie sinds 1978 de meeste jaren niet hoger is geweest dan het gemiddelde van de periode 1999-2003. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt bij aan de landelijke instandhouding.

A292

Snor

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 25 paren.

Toelichting

Volgend op het ontstaan van uitgestrekte rietmoerassen na de afsluiting heeft de snor zich gevestigd. Het gemiddelde aantal tijdens de periode 1999-2003 was 23 broedparen. In de periode 1998-2008 werden minimaal 17 broedparen geteld (2004) en maximaal 28 broedparen (2008).11 Ondanks de landelijk matig ongunstige gunstige staat van instandhouding met betrekking tot de populatieomvang, is als doel behoud gekozen omdat de populatie over een langere periode met fluctuaties stabiel is geweest. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt bij aan de instandhouding op landelijk niveau.

A295

Rietzanger

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 1.900 paren.

Toelichting

Volgend op het ontstaan van uitgestrekte rietmoerassen en rietruigtes is de rietzanger geleidelijk een zeer talrijke broedvogel geworden in dit gebied. In 1997 werd het aantal paren geschat op 2.500, meer dan 10% van de Nederlandse populatie. Voor de periode 1999-2003 wordt het gemiddeld aantal paren geschat op 1.900. Het is daarmee één van de belangrijkste broedgebieden in Nederland. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding met betrekking tot de populatieomvang, is behoud voldoende. Het gebied levert voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.

5.4 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

A005

Fuut

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 60 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de fuut met name een functie als foerageergebied. Aantallen zijn in de eerste helft van de jaren negentig sterk toegenomen, daarna weer afgenomen, maar nog steeds hoger dan in de jaren tachtig en redelijk stabiel. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is vooral gebaseerd op verslechterde voedselsituatie voor viseters in het IJsselmeer.

A017

Aalscholver

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 70 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de aalscholver met name een functie als foerageergebied. Aantallen fluctueren, maar blijven min of meer stabiel. Handhaving van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A034

Lepelaar

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 80 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen lepelaars zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het Lauwersmeer levert als foerageergebied één van de grootste bijdragen in Nederland. Het aantalsverloop vertoont een positieve trend. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig.

A037

Kleine zwaan

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied, met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 140 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen kleine zwanen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op de foerageerfunctie. De slaapplaatsfunctie is mogelijk belangrijker, maar er zijn niet voldoende telgegevens voor een kwantificering in het doel. Het Lauwersmeer is één van de eerste gebieden waar de kleine zwanen in het najaar verschijnen en levert één van de grootste bijdragen binnen het Natura 2000-netwerk. Het aantalsverloop vertoont een negatieve trend, deze is significant ondanks fluctuaties. Vanwege de vermoedelijk natuurlijke oorzaken van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is geen herstelopgave van toepassing.

A038

Wilde zwaan

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 10 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen wilde zwanen zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Het Lauwersmeer levert als foerageergebied na Uiterwaarden IJssel en de Oostvaardersplassen de grootste bijdrage binnen het Natura 2000- netwerk. Handhaving van de huidige aantallen is voldoende, want de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is gebaseerd op een minder gunstig toekomstbeeld, op grond van klimaatveranderingen en extensivering van landbouw: factoren die buiten het Lauwersmeergebied spelen.

A041

Kolgans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied, met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 190 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de kolgans met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op de foerageerfunctie. De slaapplaatsfunctie is mogelijk belangrijker, maar er zijn niet voldoende telgegevens voor een kwantificering in het doel. Het aantalsverloop vertoont een positieve tendens met fluctuaties. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig.

A042

Dwerggans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 40 vogels (seizoensmaximum).

Toelichting

Aantallen dwergganzen zijn van grote nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als slaap- en rustplaats (in Ezumakeeg). In de Bantpolder en op de kwelder bij Paesens (Waddenzee) wordt soms gefoerageerd. Handhaving van de huidige situatie is voldoende omdat de omstandigheden in Nederland niet als knelpunt worden aangemerkt.

A043

Grauwe gans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.100 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen grauwe ganzen zijn van internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Anders dan in de meeste andere gebieden zijn aantallen sinds midden jaren tachtig afgenomen. Handhaving van de huidige situatie is voldoende gezien de gunstige landelijke staat van instandhouding. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.

A045

Brandgans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied, met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.700 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen brandganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op de foerageerfunctie. De slaapplaatsfunctie is mogelijk belangrijker, maar er zijn niet voldoende telgegevens voor een kwantificering in het doel. Het aantalsverloop vertoont een positieve tendens met sterke fluctuaties. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.

A048

Bergeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 480 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de bergeend met name een functie als foerageergebied. Er was sprake van verhoogde aantallen in de tweede helft van de jaren tachtig, daarna stabiel op een lager niveau en recent een lichte toename. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig.

A050

Smient

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.600 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de smient met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied. Het aantalsverloop vertoont een doorgaande afname met enige fluctuatie. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig.

A051

Krakeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 900 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen krakeenden zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het Lauwersmeer levert na de Biesbosch de grootste bijdrage binnen Nederland voor de krakeend. Sinds begin jaren negentig zijn aantallen sterk toegenomen. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig.

A052

Wintertaling

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.900 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen wintertalingen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het Lauwersmeer levert na de Waddenzee de grootste bijdrage binnen Nederland voor de wintertaling. Vroeger foerageerden grote groepen wintertalingen op de zaden van de pioniervegetatie. De aantallen zijn in de jaren tachtig afgenomen en sinds begin jaren negentig enigszins fluctuerend. Er is geen landelijke herstelopgave van toepassing dus handhaving van de huidige situatie is voldoende.

A053

Wilde eend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.700 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de wilde eend met name een functie als foerageergebied. Aantallen waren voorheen veel hoger, deze zijn vooral begin jaren negentig afgenomen. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig.

A054

Pijlstaart

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 510 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen pijlstaarten zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het Lauwersmeer levert één van de grootste bijdragen voor de pijlstaart binnen Nederland. Het aantalsverloop vertoonde een optimum in de tweede helft van de jaren tachtig en daarna een afname. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is gebaseerd op een toekomstverwachting, op grond van afname van de internationale populatie.

A056

Slobeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 290 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen slobeenden zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het Lauwersmeer levert één van de grootste bijdragen voor de slobeend binnen Nederland. Aantallen waren aanzienlijk hoger in de eerste helft van de jaren tachtig en daarna min of meer stabiel op een lager niveau. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig.

A059

Tafeleend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 130 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de tafeleend met name een functie als foerageergebied. De aantallen hadden verhoogde waarden rond het midden van de jaren negentig. Handhaving van de huidige situatie is voldoende vanwege de marginale bijdrage aan de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding.

A061

Kuifeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 540 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de kuifeend met name een functie als foerageergebied. De aantallen zijn toegenomen sinds de jaren tachtig en begonnen daarna te fluctueren. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is vooral een gevolg van negatieve toekomstverwachtingen voor deze soort, op grond van oligotrofiëring en terugkeer van zoet-zout overgangen in andere Natura 2000-gebieden.

A067

Brilduiker

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 40 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de brilduiker met name een functie als foerageergebied. Aantallen zijn licht afgenomen. Handhaving van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A068

Nonnetje

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 9 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor het nonnetje met name een functie als foerageergebied. Aantallen zijn sinds begin jaren negentig hoger dan daarvoor, maar fluctuerend. De landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is vooral gebaseerd op de verslechterde voedselsituatie voor viseters in het IJsselmeer, zodat behoud voor het Lauwersmeer voldoende is.

A075

Zeearend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1 vogel (seizoensmaximum).

Toelichting

Aantallen zeearenden zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het Lauwersmeer levert één van de grootste bijdragen voor de zeearend binnen Nederland. De data zijn nog niet geschikt voor een trendanalyse. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijke staat van instandhouding is gunstig.

A125

Meerkoet

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 970 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de meerkoet met name een functie als foerageergebied. Er was sprake van verlaagde aantallen in de tweede helft van de jaren tachtig, afgezien daarvan zijn deze min of meer stabiel. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A132

Kluut

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 90 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de kluut met name een functie als foerageergebied. Het aantalsverloop laat een fluctuerend patroon zien. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

A137

Bontbekplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 60 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen bontbekplevieren zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig.

A140

Goudplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 150 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de goudplevier met name een functie als foerageergebied. Het aantalsverloop laat een fluctuerend patroon zien. De landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding heeft vooral te maken met een afname in de landelijke gebieden buiten het Natura 2000-netwerk. De aantallen in het Natura 2000-landschap Meren en Moerassen zijn min of meer stabiel, daarom is geen herstelopgave van toepassing.

A156

Grutto

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 260 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen grutto’s zijn van internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Het aantalsverloop laat een fluctuerend patroon zien. De landelijke staat van instandhouding is zeer ongunstig, op grond van de relatie tussen de trekvogelaantallen en de afnemende broedvogelpopulatie. De aantallen trekvogels in de telgebieden zijn echter min of meer stabiel en de herstelopgave dient dus in de broedgebieden gelegd te worden.

A160

Wulp

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 50 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de wulp met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Het aantalsverloop laat een fluctuerend patroon zien. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig.

A161

Zwarte ruiter

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 100 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de zwarte ruiter met name een functie als foerageergebied. Het Lauwersmeer is één van de belangrijkste gebieden voor de soort in Nederland. De aantallen fluctueren, maar lijken sinds 1995 te zijn toegenomen. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig.

A190

Reuzenstern

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 10 vogels (seizoensmaximum).

Toelichting

Aantallen reuzensterns zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied. Het Lauwersmeer levert buiten het IJsselmeergebied (IJsselmeer en Ketelmeer & Vossemeer) de grootste bijdrage binnen Nederland (alleen voor deze drie gebieden is voor deze soort een instandhoudingsdoelstelling geformuleerd). Aantallen fluctueren, maar hebben een positieve tendens. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig.

Bijlage A

Bijlage A is niet van toepassing op dit besluit.

Bijlage B

Nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.

B.1 Wijzigingen in vogelsoorten ten opzichte van aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000) en/of het ontwerpbesluit (2009) (paragraaf 4.2.1)

De vogelsoorten waarvoor het gebied in 2000 is aangewezen, zijn indertijd ontleend aan SOVON (2000)12. De numerieke criteria die daarin zijn opgenomen zijn ontleend aan de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000)13. Een gebied wordt slechts aangewezen voor soorten waarvoor het gebied van landelijke betekenis is. Hiervan is in beginsel sprake indien het gebied minstens 1% van de landelijke broedpopulatie herbergt, indien 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied verblijft of indien het gebied in combinatie met andere gebieden voldoende bijdrage kan leveren aan een sleutelpopulatie.

Voor eventuele toevoeging of verwijdering van vogelsoorten is gebruik gemaakt van SOVON & CBS (2005)14 waarin de ontwikkeling van vogelaantallen in de laatste decennia is beschreven. Dit rapport heeft ten grondslag gelegen aan de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Vogelrichtlijnsoorten. In bijlage 1 van dit rapport zijn de verschillen aangegeven tussen de soortenlijsten per gebied die in beide aangehaalde rapporten zijn opgenomen. Om ecologische redenen die in voorkomende gevallen hieronder zijn vermeld, is soms van deze algemene criteria afgeweken. Deze werkwijze heeft voor de lijst van vogelsoorten waarvoor dit gebied is aangewezen, de volgende consequenties:

  • In aanvulling op de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000), maar conform het ontwerpbesluit (2009), is het gebied ook aangewezen voor de volgende vogelsoorten van bijlage I van de Vogelrichtlijn: roerdomp (A021) en velduil (A222) als broedvogels en dwerggans (A042) als niet- broedvogel. Het gebied herbergde minstens 1% van de landelijke broedpopulatie van de roerdomp en velduil in de periode 1999-2003. De dwerggans is als doelsoort toegevoegd naar aanleiding van uitspraken van de Raad van State dat er op grond van artikel 4, eerste lid van de Vogelrichtlijn een verplichting bestaat tot speciale bescherming van deze soort15. Een aanzienlijk deel van de winterpopulatie pleistert geregeld in het Lauwersmeer.

  • In aanvulling op de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000), maar conform het ontwerpbesluit (2009), is het gebied ook aangewezen voor de volgende soorten trekvogels zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn: bontbekplevier (A137) en snor (A292) als broedvogels, en zwarte ruiter (A161) als niet-broedvogel. Het gebied herbergde minstens 1% van de landelijke broedpopulatie van de bontbekplevier en snor in de periode 1999-2003 en minstens 0,1% van de biogeografische populatie van de zwarte ruiter in de periode 1999/2000-2003/2004.

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000), maar conform het ontwerpbesluit (2009), is het gebied niet aangewezen voor de volgende vogelsoorten van bijlage I van de Vogelrichtlijn: kleine zilverreiger (A026), grote zilverreiger (A027), visarend (A094) en slechtvalk (A103). Op grond van toegenomen kennis over aantallen, verspreiding en populatieomvang zijn voor deze soorten alleen de vijf gebieden met de grootste bijdrage en de gebieden die eerder waren geselecteerd gehandhaafd. Dit gebied behoort niet tot deze selectie en is daarmee van geringe betekenis voor de landelijke staat van instandhouding van deze soorten als niet-broedvogels.

  • Hetzelfde geldt voor de dwergmeeuw (A177). Het gebied is van marginale betekenis voor de landelijke staat van instandhouding van deze soort als niet-broedvogel door afname van de relatieve bijdrage, en er is geen landelijke verbeteropgave.

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000), maar conform het ontwerpbesluit (2009), is het gebied niet aangewezen voor de volgende soorten trekvogels zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn: rotgans (A046), zilverplevier (A141), steenloper (A169), dwergmeeuw (A177) als niet-broedvogel en oeverzwaluw (A249) als broedvogel. Het gebied herbergde minder dan 0,1% van de biogeografische populatie van de betreffende soorten niet-broedvogels in de periode 1999/2000-2003/2004. De broedkolonie van de oeverzwaluw valt buiten de begrenzing van het gebied.

B.2 Toewijzing instandhoudingsdoelstellingen aan Natura 2000-gebieden (artikel 4 en hoofdstuk 5)

Voor zover de hier vermelde gebiedsdoelen en relatieve bijdragen betrekking hebben op de Natura 2000- gebieden die buiten dit aanwijzingsbesluit vallen en waarvan de definitieve besluiten op het moment van vaststelling van het onderhavige besluit nog niet zijn vastgesteld, moeten deze worden beschouwd als “indicatieve” opgaven en kunnen ze nog aan verandering onderhevig zijn.

In dit onderdeel wordt voor iedere Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied is aangewezen, inzichtelijk gemaakt hoe de landelijke doelstelling16 is uitgewerkt in de Natura 2000-gebieden. De landelijke doelstellingen vormen een kader voor de formulering van instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau. De gebiedsdoelen bij elkaar “opgeteld”, eventueel tezamen met een opgave buiten het Natura 2000-netwerk, hebben als som het landelijke doel. Onder iedere tabel wordt de landelijke staat van instandhouding van de betreffende Natura 2000-waarde vermeld. Indien de landelijke doelstelling van de betreffende waarde afwijkt van wat kan worden verwacht uit de landelijke staat van instandhouding, is dit hier gemotiveerd.

Gebiedsdoelstellingen die afwijken van de landelijke doelstelling, worden ook zoveel mogelijk gemotiveerd. In gevallen waarin motivering ontbreekt, is aanpassing nog in overweging (met name naar aanleiding van zienswijzen) in het kader van het besluit voor het betreffende gebied. Doelstellingen die volgens de tabellen zijn aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit (zie kolom “Besluit”) staan eveneens onder de betreffende tabellen gemotiveerd. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-waarden die zijn toegevoegd ten opzichte van het ontwerpbesluit, zijn in principe op behoud gesteld, omdat de landelijke doelstelling al haalbaar werd geacht zonder deze toevoegingen. De instandhoudingsdoelstellingen die om deze reden op behoud zijn gesteld en daarmee afwijken van de landelijke doelstelling voor de betreffende Natura 2000-waarde, zijn in de tabellen gemarkeerd met een x. De niet-broedvogelsoorten waarvoor zowel landelijk als in alle gebieden een behoudopgave is gesteld zijn samengevat in één tabel. Bij broedvogels en niet- broedvogels wordt in de kolom “Populatie” tevens aangegeven of er sprake is van herstel dan wel uitbreiding (↑). In een aparte kolom is van elk gebied de relatieve bijdrage vermeld. In het geval van soorten is dit het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen, aantal bezette plekken of kilometerhokken.

Er is gebruik gemaakt van de volgende klasse-indeling:

A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75%

B1 = 2-6% en B2 = 6-15%

C = <2%

B.2.1 Vogelrichtlijn: broedvogels

A021 – Roerdomp

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

5

C

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

2

C

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

3 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

10

B1

conform ontwerp

013

Alde Feanen

behoud

behoud

4

C

ontwerpbesluit

014

Deelen

behoud

behoud

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

020

Zuidlaardermeergebied

behoud

behoud

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

30 (↑)

B2

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en …

uitbreiding

verbetering

1 (↑)

C

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

uitbreiding

verbetering

7(↑)

B1

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

6 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

075

Ketelmeer & Vossemeer

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

40

B2

aanwijzingsbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

2 (↑)

C

ontwerpbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & …

behoud

behoud

10

B1

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, …

behoud

behoud

15

B2

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

6 (↑)

C

ontwerpbesluit

105

Zouweboezem

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

137

Strabrechtse Heide & Beuven

behoud

behoud

5

C

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de roerdomp is voor wat betreft de aspecten leefgebied en populatie als “zeer ongunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit hierop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding tot een populatie van ten minste 400 paren (territoria)”. De doelstelling is conform het Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004 (2000)17.

Bij de roerdomp is het streven tenminste de gewenste minimumpopulatie voor Nederland te herstellen18. Dit betekent dat het beoogde herstel deels zal moeten worden bereikt in gebieden buiten het Natura 2000- netwerk. Voor de gebieden Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Ameland (005), Duinen Schiermonnikoog (006), Lauwersmeer (008), Alde Feanen (013), Deelen (014), Zuidlaardermeergebied (020), De Wieden (035), Oostvaardersplassen (078), Zwanenwater & Pettemerduinen (085), Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (090), Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092) en Strabrechtse Heide & Beuven (137) is voor behoud van het leefgebied en/of de populatie gekozen. In de gebieden Duinen Schiermonnikoog, Deelen, Zuidlaardermeergebied, Zwanenwater & Pettemerduinen wordt met behoud van het leefgebied herstel (Duinen Schiermonnikoog) of een kleine uitbreiding van de populatie nagestreefd. De gebieden Duinen en Lage Land Texel en Duinen Ameland en Zwanenwater & Pettemerduinen bieden geen verdere ruimte voor uitbreiding gelet op de beperkte beschikbaarheid van rietmoerassen in de duingebieden. Het gebied Lauwersmeer wijkt af omdat uit tellingen blijkt dat het gemiddeld voorkomen van de soort in dit gebied in het (recente) verleden niet groter is geweest dan het gemiddelde voorkomen waarop de doelstelling is gebaseerd. Het is dus onzeker of het gebied meer broedvogels kan herbergen dan nu het geval is. Voor de gebieden Oostvaardersplassen, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder en Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is voor behoud van de populaties en de leefgebieden gekozen, omdat de populaties de laatste jaren reeds sterk toegenomen zijn. Voor het gebied Strabrechtse Heide & Beuven is gekozen voor behoud van de omvang van het leefgebied omdat er geen ruimte is voor uitbreiding vanwege de aanwezigheid van het habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110). Daarnaast is de populatietrend stabiel.

A081 – Bruine kiekendief

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

30

B1

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

30

B1

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

20

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

45

B1

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

40

B1

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

25

B1

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

20

C

conform ontwerp

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

ontwerpbesluit

014

Deelen

uitbreiding

verbetering

5

C

aanwijzingsbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

25

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

40

B1

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, …

behoud

behoud

15

C

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

30

B1

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

13

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

19

C

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

20

C

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de bruine kiekendief is voor de aspecten leefgebied en populatie als “gunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit daarop aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud van ten minste 1.300 paren”. Gezien de belangrijke functie van Nederland als noordwestelijk bolwerk in het broedgebied in Europa is een veilige marge ingebouwd in het voor Nederland na te streven populatieniveau. Het gestelde doel betreft behoud van het huidige niveau. Voor de realisatie van de landelijke doelstelling zal aansluiting nodig zijn van nationaal beleid zoals de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur.

De gebiedsdoelstellingen sluiten bij de landelijke doelstelling aan, met uitzondering van de gebieden Alde Feanen (013) en Deelen (014). Voor Alde Feanen is vanwege de in deze regio unieke potentie voor een sleutelpopulatie, ondanks de landelijk gunstige staat van instandhouding een (beperkte) uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Vanwege de recente afname van de populatie in gebied Deelen is hier een beperkte herstelopgave geformuleerd, zodat de soort in het gebied behouden kan blijven.

A084 – Grauwe kiekendief

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

4

B2

doel aangepast a

  • (a)

    Het doelniveau van Lauwersmeer is aangepast van 7 naar 4 paren. Uitbreiding van de populatie naar ten minste 7 broedparen wordt niet realistisch geacht. Het doelniveau is om deze reden teruggebracht naar ten minste 4 broedparen, het seizoensgemiddelde over de periode 1999-2003.

De landelijke staat van instandhouding van de grauwe kiekendief is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel van een populatieomvang van ten minste 60 paren”.

Lauwersmeer is het enige Natura 2000-gebied dat voor deze soort is aangewezen; de grootste bijdrage moet van gebieden buiten het Natura 2000-netwerk komen. De doelstelling in dit gebied wijkt af van de landelijke doelstelling omdat er weinig mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit en/of uitbreiding van de oppervlakte van het leefgebied binnen de grenzen van het Lauwersmeer zijn.

A119 – Porseleinhoen

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

4

C

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

2

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

15

B2

conform ontwerp

009

Groote Wielen

behoud

behoud

4 (↑)

C

ontwerpbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen …

uitbreiding

verbetering

1 (↑)

C

ontwerpbesluit

012

Sneekermeergebied

behoud

behoud

2 (↑)

C

ontwerpbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

019

Leekstermeergebied

behoud

behoud

2 (↑)

C

ontwerpbesluit

020

Zuidlaardermeergebied

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B2

ontwerpbesluit

023

Fochteloërveen

behoud

behoud

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

033

Bargerveen

behoud

behoud

15 (↑)

B1

ontwerpbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

30 (↑)

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

20

B2

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en …

behoud

behoud

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

066

Uiterwaarden Neder-Rijn

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

B1

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

uitbreiding

verbetering

18 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

7 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

075

Ketelmeer & Vossemeer

uitbreiding

verbetering

4 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

8

B1

ontwerpbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

9 (↑)

C

ontwerpbesluit

106

Boezems Kinderdijk

behoud

behoud

1

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

140

Groote Peel

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van het porseleinhoen is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel van een populatie van ten minste 400 paren”. De aantallen van het porseleinhoen vertonen jaarlijks grote schommelingen als gevolg van weersomstandigheden zodat een doelstelling op basis van het gemiddelde niet doelmatig is. Er is daarom gekozen voor een populatieniveau in gunstige jaren, de jaren waarin in het late voorjaar sprake is van hoge waterstanden in het leefgebied dat de belangrijkste voorwaarde is om tot broeden over te gaan. De herstelopgave volgt het Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004 (2000)19. Er zijn voor het porseleinhoen extra inspanningen nodig om de gewenste landelijke minimumpopulatie te bereiken20. Er is een beleidskeuze gemaakt om strategisch te lokaliseren door de opgave voor herstel van plas-dras situaties voor onder andere het porseleinhoen te leggen in het landschap Meren en Moerassen, waaronder het gebied IJsselmeer (072). Daarnaast liggen er potenties in het rivierengebied, waar de soort momenteel matig vertegenwoordigd is (met uitzondering van het noordelijke deel van de IJssel). Behoud wordt nagestreefd in die gebieden waar de historische potentie niet meer haalbaar is, waar de lokale populatietrend stabiel of toenemend is zodat behoud van het leefgebied voldoende is, of waar onvoldoende trendgegevens beschikbaar zijn om de potenties voor herstel in te schatten. De gebieden Duinen Vlieland (003), Duinen Ameland (005) bieden onvoldoende potentie voor verdere verbetering van het leefgebied en de daarmee samenhangende populatieontwikkeling. In de gebieden Bargerveen (033) en Boezems Kinderdijk (106) is de lokale populatietrend stabiel; in de gebieden Lauwersmeer (008), Fochteloërveen (023), De Wieden (035) en Oostelijke Vechtplassen (095) is de lokale populatietrend toenemend. Van de gebieden Groote Wielen (009), Sneekermeergebied (012) en Leekstermeergebied (019) zijn onvoldoende trendgegevens beschikbaar. Voor Groote Wielen, Sneekermeergebied, Leekstermeergebied, Fochteloërveen, Bargerveen, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (036), Zouweboezem (105) en Biesbosch (112) is ingeschat dat het behoud van het leefgebied voldoende is voor een (kleine) toename van de populatie.

A132 – Kluut

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

verbetering

3.800

A2

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

120 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

110

C

conform ontwerp

109

Haringvliet

behoud

behoud

2.000R

B1

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

2.000R

C

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

2.000R

B2

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

2.000R

B1

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

2.000R

B1

aanwijzingsbesluit

120

Zoommeer

behoud

behoud

2.000R

C

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

2.000R

B1

aanwijzingsbesluit

127

Markiezaat

behoud

behoud

2.000R

C

ontwerpbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de kluut is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. Op het aspect populatie sluit de landelijke doelstelling hierop aan. De doelstelling luidt: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 8.000 paren”. Gezien de zeer grote betekenis van Nederland voor Europa als broedgebied dient de nationale populatieomvang gehandhaafd te worden op ten minste het basisniveau van de afgelopen decennia van 8.000 paren. Het aandeel van Natura 2000-gebieden daarin bedraagt circa 85%. Landelijk is op het aspect leefgebied een behoudsdoelstelling geformuleerd, omdat met name in het gebied Waddenzee (01) het leefgebied als matig ongunstig werd beoordeeld. In afwijking van de landelijke doelstelling heeft dat gebied dan ook een verbeteropgave gekregen voor het leefgebied. De overige gebieden sluiten aan bij de landelijke doelstelling.

A137 – Bontbekplevier

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

60

A1

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

20

B1

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

4

C

conform ontwerp

072

IJsselmeer

uitbreiding

verbetering

13 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

100R (↑)

C

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

105R (↑)

B1

concept-ontwerp

115

Grevelingen

uitbreiding

verbetering

100R (↑)

B1

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

100R (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

120

Zoommeer

behoud

behoud

105R (↑)

C

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

100R (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

127

Markiezaat

behoud

behoud

100R (↑)

C

ontwerpbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de bontbekplevier is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “matig ongunstig”21. De landelijke doelstelling sluit op het aspect leefgebied daarbij aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 400 paren”22. Het aandeel van Natura 2000-gebieden bedraagt circa 70%. De som van de gebiedsdoelen bedraagt ongeveer 70% van het landelijke doelniveau. De doelstellingen van de gebieden Waddenzee (001), Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Terschelling (004), Noordzeekustzone (007), Lauwersmeer (008), IJsselmeer (072), Haringvliet (109), Krammer-Volkerak (114), Grevelingen (115), Oosterschelde (118), Westerschelde & Saeftinghe (122) en Markiezaat (127) wijken af van de landelijke doelstelling. In gebieden met de beste potenties dient leefgebied te worden hersteld voor uitbreiding van de lokale populatie om verdere afname van de landelijke populatie tegen te gaan. Dit herstel is voorzien voor Duinen en Lage Land Texel, Duinen Terschelling en het IJsselmeer. De gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone worden niet gezien als gebieden met de beste potentie voor herstel van de leefgebieden van lokale populaties. In de gebieden Duinen Texel en Duinen Terschelling is herstel voorzien van leefgebied voor uitbreiding van de lokale populatie om verdere afname van de landelijke populatie tegen te gaan. De doelstelling voor Duinen en Lage Land Texel is verhoogd. Er is rekening gehouden met de broedvogels in de diverse binnendijks gelegen terreinen langs de waddijk. Voor het gebied IJsselmeer is een herstelopgave voor de populatie toegevoegd om de negatieve trend in de Waddenzee mede te compenseren.

Voor de Deltagebieden Haringvliet, Oosterschelde, Westerschelde & Saeftinghe en Markiezaat (met uitzondering van het gebied Grevelingen) wordt een licht herstel van de populatie nagestreefd, om achteruitgang van de landelijke populatie buiten de Natura 2000-gebieden (veelal tijdelijke populaties) op te vangen. Naar verwachting zal dit herstel van de populatie kunnen plaatsvinden middels behoud van het leefgebied. Het gebied Oosterschelde wijkt af van de landelijke doelstelling omdat er sprake is van een min of meer stabiele stand. Voor het gebied Markiezaat wordt behoud nagestreefd omdat de historische potentie in dit verzoete gebied niet meer haalbaar is. Buiten de Delta geldt dit ook voor het gebied Lauwersmeer. Voor Grevelingen wordt ten opzichte van de andere Deltagebieden een hogere populatie nagestreefd. Het gebied onderscheidt zich door een negatieve trend van de populatie. Gezien de potentie van het gebied kan Grevelingen, door een herstelopgave op het aspect leefgebied, bijdragen het tekort van de som van de gebiedsdoelen ten opzichte van de landelijke populatiedoelstelling te verkleinen. In zoute habitats verloopt de successie trager. Het zoutwatergebied Grevelingen wordt daarom als een strategische locatie gezien voor een herstelopgave.

A151 – Kemphaan

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

008

Lauwersmeer

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

conform ontwerp

009

Groote Wielen

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

012

Sneekermeergebied

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

015

Van Oordt’s Mersken

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

B1

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & …

uitbreiding

verbetering

25 (↑)

B2

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, …

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de kemphaan als broedvogel is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie van ten minste 1000 hennen”. Vrijwel alle gebiedsdoelen sluiten aan op de landelijke doelstelling. Alleen in de Alde Feanen (013) wordt van de landelijke verbeteropgave voor het aspect leefgebied afgeweken; in dit gebied wordt met behoud van het huidige leefgebied een uitbreiding van de populatie beoogd.

A194 – Noordse stern

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

1.500

A4

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

5

C

conform ontwerp

118

Oosterschelde

behoud

behoud

20

C

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de noordse stern is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 1.800 paren”23. De gebiedsdoelen sluiten aan op de landelijke doelstelling.

A222 – Velduil

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

5

A1

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

A2

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

A1

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

uitbreiding

verbetering

2 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

1

B1

conform ontwerp

033

Bargerveen

behoud

behoud

1

B1

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de velduil is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel van een populatie van ten minste 60 paren”24. Het merendeel van de gebiedsdoelstellingen sluit aan op de landelijke opgave. Uitzonderingen zijn: Waddenzee (001), Lauwersmeer (008) en Bargerveen (033). Behoud wordt nagestreefd in die gebieden waar de historische potentie niet meer haalbaar is, waar de lokale populatietrend stabiel of toenemend is zodat behoud van het leefgebied voldoende is, of waar onvoldoende trendgegevens beschikbaar zijn om de potenties voor herstel in te schatten. In het gebied Bargerveen is gekozen voor een behoudopgave omdat de trend van de populatie in dit gebied redelijk constant is, en vanwege de zeer geïsoleerde ligging van het gebied. In het gebied Lauwersmeer is de soort sinds 1993 geen regelmatige broedvogel meer, zodat er geen betrouwbare trendclassificatie mogelijk is. Op dit moment is nog onzeker of herstel van de historische potentie realistisch is. Daarvoor ontbreekt momenteel de kennis over welke maatregelen haalbaar zijn. In het gebied Waddenzee betreffen de broedlocaties vooral overloopgebied naar de duinen. In de overloop naar de duinen zijn vrijwel geen mogelijkheden voor uitbreiding en/of verbetering van het leefgebied.

A272 – Blauwborst

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

120

C

conform ontwerp

033

Bargerveen

behoud

behoud

150

C

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

80

C

ontwerpbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

190

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

410

B1

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

2.300

A1

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

450

B1

aanwijzingsbesluit

139

Deurnsche Peel & Mariapeel

behoud

behoud

350

B1

aanwijzingsbesluit

140

Groote Peel

behoud

behoud

200

B1

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de blauwborst is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarop aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 6.500 paren”. De huidige populatie is groter dan ooit eerder in de vorige eeuw en groter dan het gewenste basisniveau vanuit populatie-ecologische optiek. Het aantal van 6.500 paren is conform het Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004 (2000)25. De gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke doelstelling.

A275 – Paapje

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

25 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

11

B1

doel aangepast a

015

Van Oordt’s Mersken

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

023

Fochteloërveen

behoud

behoud

60

B2

ontwerpbesluit

027

Drents-Friese Wold & Leggelderveld

behoud

behoud

20

B1

ontwerpbesluit

030

Dwingelderveld

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

033

Bargerveen

uitbreiding

verbetering

30 (↑)

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    Het aantal van Lauwersmeer is aangepast van 10 naar 11 paren, conform het gemiddelde van de jaren 1999-2003. In de definitieve besluiten is een andere afrondingssystematiek gehanteerd26.

De landelijke staat van instandhouding van het paapje is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel van een populatie van ten minste 700 paren”27. De doelstellingen van de meeste gebieden sluiten aan op de landelijke doelstelling. In enkele gebieden is een behoudopgave geformuleerd.

Hierbij gaat het om de gebieden Lauwersmeer (008), Fochteloërveen (023) en Drents-Friese Wold & Leggelderveld (027). Behoud wordt nagestreefd in die gebieden waar de historische potentie niet meer haalbaar is, waar de lokale populatietrend stabiel of toenemend is zodat behoud van het leefgebied voldoende is, of waar onvoldoende trendgegevens beschikbaar zijn om de potenties voor herstel in te schatten. In het gebied Lauwersmeer is de lokale trend stabiel, zodat behoud van het leefgebied en de populatie voldoende is. De historische potentie is gelijk aan de actuele toestand gedurende de periode 1999- 2003. In gebied Fochteloërveen is de populatietrend toenemend, zodat behoud van het leefgebied en de populatie voldoende is. In gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld is de populatie recent toegenomen en is om die reden een behoudopgave gesteld. Het beoogde herstel zal verder grotendeels moeten worden bereikt door maatregelen buiten de Natura 2000-gebieden en in Natura 2000-gebieden die minder dan 1% van de landelijke broedpopulatie herbergen waar derhalve geen instandhoudingsdoelstelling is geformuleerd.

A292 – Snor

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

25

C

conform ontwerp

013

Alde Feanen

behoud

behoud

40

B1

ontwerpbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

100 (↑)

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

verbetering

100 (↑)

B1

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

40

B1

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

50 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

680

A2

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, …

uitbreiding

verbetering

50 (↑)

C

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

30

C

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

150

B2

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

50 (↑)

C

ontwerpbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

20 (↑)

C

ontwerpbesluit

106

Boezems Kinderdijk

behoud

behoud

9

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

130

B2

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de snor is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig”28 en “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarop aan: “uitbreiding en verbetering van het leefgebied voor licht herstel van de populatie”29. Het herstel wordt vooral nagestreefd bij populaties die het afgelopen decennium zijn afgenomen. De gebieden Lauwersmeer (008), Alde Feanen (013), IJsselmeer (072), Oostvaardersplassen (078), Naardermeer (094), Oostelijke Vechtplassen (095), Zouweboezem (105), Boezems Kinderdijk (106) en Biesbosch (112) hebben in afwijking van de landelijke doelstelling een behoudopgave.

Behoud wordt nagestreefd in die gebieden waar de lokale populatietrend stabiel is of toenemend zodat behoud van het leefgebied voldoende is, of waar onvoldoende trendgegevens beschikbaar zijn om de potenties voor herstel in te schatten. Van de gebieden Lauwersmeer, Boezems Kinderdijk en Biesbosch is de populatieomvang de laatste 10 jaar of langer met fluctuaties stabiel geweest zodat behoud van het leefgebied voldoende is. In deze gebieden ligt de historische potentie dicht bij de actuele toestand. Er is onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat herstel in deze gebieden nodig of reëel is.

In het gebied Oostvaardersplassen is de populatietrend recent toenemend zodat behoud van het leefgebied voldoende is. Van het gebied IJsselmeer zijn er onvoldoende trendgegevens beschikbaar om de potentie voor herstel in te schatten. Daarnaast zijn er maar beperkt mogelijkheden om rietvegetaties uit te breiden of in kwaliteit te verbeteren.

A295 – Rietzanger

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

120

C

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

230

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

1.900

B2

conform ontwerp

009

Groote Wielen

behoud

behoud

220

C

ontwerpbesluit

012

Sneekermeergebied

behoud

behoud

370

C

ontwerpbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

800

B1

ontwerpbesluit

014

Deelen

behoud

behoud

200

C

aanwijzingsbesluit

019

Leekstermeergebied

behoud

behoud

10

C

ontwerpbesluit

020

Zuidlaardermeergebied

behoud

behoud

200

C

ontwerpbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

900

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

3.000

A1

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

990

B1

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

270

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

790

B1

aanwijzingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

230

C

ontwerpbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & …

behoud

behoud

480

B1

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, …

behoud

behoud

800

B1

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

880

B1

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

340

C

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

420

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

260

C

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de rietzanger is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 20.000 paren”. De gebiedsdoelen sluiten aan bij de landelijke doelstelling.

B.2.2 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

De doelniveaus van niet-broedvogels zijn meestal uitgedrukt als seizoensgemiddelde of als (gemiddeld) seizoensmaximum. Deze gemiddelden, die worden bepaald aan de hand van maandelijkse tellingen, worden als volgt berekend30:

Het seizoensgemiddelde is het gemiddelde aantal in een gebied aanwezige vogels over het gehele seizoen, berekend aan de hand van maandelijks uitgevoerde tellingen over een reeks seizoenen (1999/2000- 2003/2004).

Het (gemiddeld) seizoensmaximum is het gemiddelde van het grootste getelde aantal (piekaantal) per seizoen (juli t/m juni van het volgende jaar) berekend over een reeks van achtereenvolgende seizoenen (meestal vijf seizoenen: 1999/2000-2003/2004).

Bij voorkeur is het doelniveau uitgedrukt als seizoensgemiddelde omdat dit een indicatie geeft voor het gebruik van een gebied over het gehele seizoen. Bij onvoldoende beschikbaarheid van jaarrondtellingen moet soms worden teruggevallen op het seizoensmaximum.

Niet-broedvogelsoorten

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

Vogelsoort

Aantal gebieden

Landelijke doelstelling

Populatie Lauwersmeer

Relatieve bijdrage*

Besluit

A005 Fuut (a);(j)

24

10.900

60

f, C

conform ontwerp

A017 Aalscholver (h)

26

24.500

70

f, C

conform ontwerp

A034 Lepelaar (h)

22

1.225

80

f, B2

conform ontwerp

A037 Kleine zwaan (b)

29

4.820

140

f, B1

conform ontwerp

A038 Wilde zwaan (c)

6

360

10

sf, B1

conform ontwerp

A041 Kolgans (h);(i)

36

218.300

190

f, C

conform ontwerp

A042 Dwerggans (l)

5

100 (k)

40 (max)

s, A2

conform ontwerp

A043 Grauwe gans (h);(i)

31

86.300

1.100

sf, C

conform ontwerp

A045 Brandgans (h);(i)

26

140.900

1.700

f, C

conform ontwerp

A048 Bergeend (h)

14

48.900

480

f, C

conform ontwerp

A050 Smient (h);(i)

46

258.200

1.600

sf, C

conform ontwerp

A051 Krakeend (h);(i)

35

10.200

900

f, B2

conform ontwerp

A052 Wintertaling (d)

24

21.000

1.900

f, B2

conform ontwerp

A053 Wilde eend (h)

13

128.000

1.700

f, C

conform ontwerp

A054 Pijlstaart (c)

25

7.850

510

f, B1

conform ontwerp

A056 Slobeend (h);(j)

39

5.750

290

f, B1

conform ontwerp

A059 Tafeleend (e)

18

20.900

130

f, C

conform ontwerp

A061 Kuifeend (c);(j)

21

75.700

540

f, C

conform ontwerp

A067 Brilduiker (h);(j)

10

4.380

40

f, C

conform ontwerp

A068 Nonnetje (a)

18

690

9

f, C

conform ontwerp

A075 Zeearend (h)

4

7 (k)

1 (max)

f, B2

conform ontwerp

A125 Meerkoet(h);(j)

23

89.700

970

f, C

conform ontwerp

A132 Kluut (c);(j)

17

9.510

90

f, C

conform ontwerp

A137 Bontbekplevier (h)

10

2.260

60

f, B1

conform ontwerp

A140 Goudplevier (g)

11

32.300

150

f, C

conform ontwerp

A156 Grutto (f)

23

6.000

260

sf, B1

conform ontwerp

A160 Wulp (h)

17

101.100

50

sf, C

conform ontwerp

A161 Zwarte ruiter (h)

5

2.040

100

f, B1

conform ontwerp

A190 Reuzenstern (h)

3

100 (k)

10 (max)

sf, B2

doel gewijzigd (m)

* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf). Relatieve bijdrage is alleen berekend als het landelijke doel en het gebiedsdoel beide zijn gebaseerd op dezelfde waarde (óf seizoensmaximum óf seizoensgemiddelde).

  • a)

    Fuut en nonnetje: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd voor deze soort vanwege slechte stuurbaarheid van vermoedelijke oorzaken (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • b)

    Kleine zwaan: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd. De recente afname is verbonden aan een afname op internationaal niveau en mogelijk aan enkele andere slecht stuurbare factoren (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • c)

    Wilde zwaan, pijlstaart, kuifeend en kluut: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soorten geformuleerd, omdat deze staat van instandhouding alleen gebaseerd is op toekomstverwachting (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • d)

    Wintertaling: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect populatie is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soort geformuleerd. De staat van instandhouding is gebaseerd op een populatieafname die niet leidt tot een waarde van minder dan 75% van de draagkrachtindicatie (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • e)

    Tafeleend: ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soort geformuleerd, vanwege slecht stuurbare oorzaken en enige compensatie door toename in de randmeren (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • f)

    Grutto: de grutto heeft gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding op landelijk niveau een opgave voor uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied. Aangezien deze opgave niet te realiseren is binnen het Natura 2000-netwerk is in alle gebieden een behoudopgave voor de grutto geformuleerd (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • g)

    Goudplevier: de goudplevier heeft landelijk een opgave voor uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied. De verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied is niet zichtbaar in de trend, deze laat een toename zien binnen het Natura 2000-netwerk. Dit betreft echter minder dan de helft van de Nederlandse vogels en is een gevolg van verschuivingen in de ligging van de pleisterplaatsen. Incidentele tellingen buiten het monitoringsnetwerk suggereren dat de kwaliteit van het leefgebied buiten het Natura 2000-netwerk is afgenomen. Herstelopgaven binnen het netwerk zijn in dit licht niet geformuleerd (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • h)

    Aalscholver, lepelaar, kolgans, grauwe gans, brandgans, bergeend, smient, krakeend, wilde eend, slobeend, brilduiker, zeearend, meerkoet, bontbekplevier, wulp, zwarte ruiter en reuzenstern: de staat van instandhouding van de soort is beoordeeld als “gunstig”.31

  • i)

    Kolgans, grauwe gans, brandgans, smient en krakeend: enige afname landelijk veroorzaakt door extensivering van landgebruik (onder andere door natuurontwikkeling) is aanvaardbaar.

  • j)

    Fuut, slobeend, kuifeend, brilduiker, meerkoet en kluut: enige afname landelijk als gevolg van herstel van zout-zoet overgangen is aanvaardbaar.

  • k)

    Dwerggans, zeearend en reuzenstern: de landelijke instandhoudingdoelstellingen voor deze soorten zijn gebaseerd op het gemiddelde seizoensmaximum over de periode 1999/2000-2003/2004.

  • l)

    Dwerggans: de staat van instandhouding voor het aspect “populatie” is ten opzichte van het Natura 2000 doelendocument gewijzigd van “gunstig” naar “zeer ongunstig” omdat de gunstige referentiewaarde32 niet wordt gehaald. Dit betekent dat de totaalbeoordeling van de landelijke staat van instandhouding als “zeer ongunstig” moet worden aangemerkt. De landelijke doelstelling (“behoud”) is echter niet gewijzigd omdat toename van de populatie geheel afhankelijk is van omstandigheden buiten Nederland (met name in het Zweedse broedgebied). De beschikbaarheid van leefgebied (c.q. voedselgebieden en slaapplaatsen) in het Nederlandse overwinteringsgebied is geen beperkende factor. Bovendien is van een herstelopgave geen sprake omdat het een recent ontstane (geherintroduceerde) populatie betreft. Van nature volgen de Scandinavische dwergganzen een zuidelijke tot zuidoostelijke trekroute naar de Oost-Europese overwinteringsgebieden.

  • m)

    Reuzenstern: De doelstelling van Lauwersmeer is aangepast. Het onderdeel “Enige afname in foerageergebied als gevolg van terugkeer van de zoet-zout gradiënt is aanvaardbaar” is verwijderd omdat op korte termijn geen herstel van de zoet-zout overgang wordt verwacht.

Appendix

Toelichting op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Lauwersmeer gebruikt zijn (2000).

Onderstaande paragrafen zijn afkomstig uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.

3. Gebiedsbeschrijving, aanduiding leefgebied en begrenzing
3.2 Aanduiding leefgebied

Het Lauwersmeer is aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn vanwege de aanwezigheid van open water, moerassen en graslanden die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als broedgebied, ruigebied, overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van de beschermingszone is zo gekozen dat een in landschapsecologisch opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat, in samenhang met sbz Waddenzee, voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten.

Het onderhavige gebied is tevens aangewezen als watergebied van internationale betekenis onder de Wetlands-Conventie vanwege het voorkomen van belangrijke aantallen watervogels (criterium 6).

4. Vogelkundige waarden
4.1 Kwalificerende vogelsoorten

Het Lauwersmeer kwalificeert als speciale beschermingszone vanwege het voorkomen van drempeloverschrijdende aantallen van Lepelaar, Kleine zwaan, Grauwe gans, Brandgans33, Krakeend, Wintertaling, Pijlstaart en Slobeend die het gebied benutten als broedgebied, ruigebied, overwinteringsgebied en/of rustplaats. Het gebied kan hierdoor tevens worden aangemerkt als watergebied van internationale betekenis zoals bedoeld in de Wetlands-Conventie (criterium 6). Bovendien behoort het gebied tot één van de vijf belangrijkste broedgebieden dan wel pleisterplaatsen voor Lepelaar, Kleine zwaan, Bruine kiekendief, Grauwe kiekendief, Kemphaan en Reuzenstern in Nederland.

Soorten van Bijlage I waarvoor het gebied tot "een van de vijf belangrijkste" in Nederland behoort

Soort

Art. 4

Brva

Totale populatieb

% in 5e c

% in sbzd

Telperiode

Lepelaar Platalea leucorodia

1

nee

3 000

7,3%

10,4%

1993-97

Kleine zwaan Cygnus columbianus

1

nee

17 000

7,9%

8,6%

1993-97

Bruine kiekendief Circus aeruginosus

1

ja

1250

2,3%

2,3%

1993-97

Grauwe kiekendief Circus pygargus

1

ja

30

—c

18%

1993-97

Kemphaan Philomachus pugnax

1

ja

330

2,0%

6%

1993-97

Reuzenstern Sterna caspia

1

nee

6000

0,1%

0,1%

1994-97

Trekkende watervogelsoorten waarvoor het gebied aan de 1%-drempel voldoet

Soort

Art. 4

Brva

Biogeogr. populatiee

1% Biopopf

% in sbzg

Telperiode

Lepelaar Platalea leucorodia

1

nee

Oost-Atlantisch

30

10,4%

1993-97

Kleine zwaan Cygnus columbianus

1

nee

W-Siberië/NW-Europa

170

8,6%

1993-97

Grauwe gans Anser anser

2

nee

NW/ ZW-Europa

2000

1,8%

1993-97

Brandgans Branta leucopsis

1

nee

Rusland/ Nederland

1800

8,1%

1993-97

Krakeend Anas strepera

2

nee

NW-Europa

300

4,6%

1993-97

Wintertaling Anas crecca

2

nee

NW-Europa

4000

1,4%

1993-97

Pijlstaart Anas acuta

2

nee

NW-Europa

600

5,6%

1993-97

Slobeend Anas clypeata

2

nee

NW-/ Midden-Europa

400

1,1%

1993-97

  • a)

    De kwalificatie betreft in het gebied broedende vogels (indien ingevuld met "ja") of niet-broedende vogels ("nee")

  • b)

    Omvang Nederlandse broedpopulatie (in paren, broedvogels) of biogeografische populatie (niet-broedvogel

  • c)

    Aantal in het op vier na belangrijkste gebied (5e gebied) uitgedrukt als percentage van de landelijke broedpopulatie of van de biogeografische populatie (niet-broedvogels); voor Grauwe kiekendief konden in totaal slechts twee gebieden worden geselecteerd

  • d)

    Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke broedpopulatie of biogeografische populatie (niet- broedvogels)

  • e)

    Biogeografische populatie waartoe de in Nederland pleisterende exemplaren van deze soort worden gerekend

  • f)

    Drempelwaarde zijnde 1% van de betreffende biografische populatie (biografische populatie en drempelwaarde ontleend aan Rose & Scott 1997, Waterfowl Population Estimates – 2nd edition. Wetlands International, Wageningen)

  • g)

    Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie

4.2 Andere relevante vogelsoorten

Andere soorten van Bijlage I waarvoor het gebied van betekenis is, zijn Porseleinhoen, Kluut, Noordse stern, Blauwborst (broedvogels); Kleine zilverreiger, Grote zilverreiger, Wilde zwaan, Nonnetje, Zeearend, Visarend, Slechtvalk, Kluut, Goudplevier (niet-broedvogels). Andere trekkende vogelsoorten waarvoor het gebied van betekenis is als overwinteringsgebied en/of rustplaats: Fuut, Aalscholver, Kolgans, Rotgans, Bergeend, Smient, Wilde eend, Tafeleend, Kuifeend, Brilduiker, Meerkoet, Bontbekplevier, Zilverplevier, Grutto, Wulp, Steenloper en Dwergmeeuw. Het Lauwersmeer is verder van belang als broedgebied voor Rietzanger, Paapje en Oeverzwaluw (trekvogels opgenomen in de nationale lijst van met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende soorten). De biotopen van deze vogels hebben mede de begrenzing van dit gebied bepaald.

4.3 Plaatselijke omstandigheden

De beweide voormalige platen in het Groningse deel (Zuidelijke Lob, Ballastplaat, Schildhoek) vormen de voedselgebieden voor herbivore watervogels: Brandgans (ook op De Rug), Grauwe gans en Smient.

Daarnaast vormt de Hoek van de Bant in het uiterste noordwesten van het aangewezen gebied (grenzend aan sbz Waddenzee) een belangrijk voedselgebied voor Brandgans en Rotgans. De slenken van het Lauwersmeer (o.a. Dokkumerdiep, Jaap Deensgat, Oude Robbengat, Achter de Zwarten, Nieuwe Robbengat) vervullen een belangrijke functie als nachtelijke slaapplaats (en overdag als rust- en drinkplaats) voor tienduizenden ganzen en honderden zwanen die in de wijde omgeving voedselzoeken (Brandgans, Kolgans, Grauwe gans, Kleine zwaan). Dezelfde plekken worden overdag ook als rustplaats gebruikt door grote aantallen Pijlstaart, Smient en Wilde eend. De slenken zijn verder van belang als voedselgebied voor zwemeenden als Smient, Wintertaling, Pijlstaart en Slobeend. Ook Grote en Kleine zilverreiger worden hier gezien. Kleine en Wilde zwaan, die in het najaar in het gebied pleisteren, foerageren op wortelknolletjes van (ondergedoken) fonteinkruiden die vooral in de ondiepe wateren en slenken in het oostelijk deel van het gebied worden aangetroffen (met name Jaap Deensgat, Vlinderbalg, Babbelaar, Zoutkamperril). Ook andere plantenetende watervogels foerageren op deze fonteinkruidvelden (Krakeend, Tafeleend, Meerkoet).

Meerkoet en diverse zwemeenden ruien in het gebied. Visetende watervogels (Fuut, Aalscholver, Nonnetje, Dwergmeeuw) en benthoseters (Kuifeend, Brilduiker) foerageren verspreid in de diepere wateren van het Lauwersmeer. Aalscholvers hebben rustplaatsen op Achter de Zwarten en Pampusplaat. Reuzensterns rusten op de oevers van het Jaap Deensgat (ook foeragerend), Oude Robbengat en Achter de Zwarten. Rustplaatsen (soms ook voedselgebied) van Lepelaars zijn Simonsgat, Jaap Deensgat en Achter de Zwarten; recent wordt op ondergelopen land van Ezumakeeg ook veel door deze soort gefoerageerd en gerust. Bergeend en steltlopers als Kluut, Bontbekplevier, Zilverplevier en Grutto worden vooral aangetroffen in ondiep water en slikkige gronden langs slenken zoals Achter de Zwarten, Oude Robbengat, Jaap Deensgat, Simonsgat, Blikplaatgat en Ezumakeeg. De Grutto heeft verder een slaapplaats in Ezumakeeg. Visarend en Zeearend gebruiken het gehele (water-) gebied terwijl de Slechtvalk vooral aanwezig is op de noordelijke platen (Schildhoek, Zuidelijke Ballastplaat en Achter de Zwarten); andere vaste plekken van deze soort zijn Bantpolder en Ezumakeeg. Noordse stern en Kluut nestelen op de Bantswal (beide), Hoek van de Bant (Noordse stern), Schildhoek en Ezumakeeg (Kluut). De Kemphaan broedt op de platen aan de Groningse zijde (met name Schildhoek) en recent ook Ezumakeeg. De broedende moerasvogels die gebonden zijn aan riet en struweel, zoals Bruine kiekendief, Grauwe kiekendief, Blauwborst en Rietzanger worden behalve op de Schoenerbult, voornamelijk aangetroffen in de zuidelijke helft van het gebied (o.a. Sennerplaat, Blikplaat).

De Grauwe kiekendief nestelt ook in de smalle rand langs de Zoutkamperril. Het Porseleinhoen is onder meer aangetroffen in de omgeving van het Jaap Deensgat (Kazernewei) en Kollumeroord. Het Paapje broedt in de grazige vegetaties van Kollumeroord in het uiterste zuidwesten van het gebied. De Oeverzwaluw heeft diverse broedkolonies in het gebied, waarvan de grootste is gelegen in een slootoever van het Ballastplaatbos.

Bijlage Gebiedsbegrenzingen

LEGENDA:

Artikel

Noemer

Indicatief/exact

GIO-id34

1, eerste lid

Lauwersmeer – Vogelrichtlijngebied

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_Lauwersmeer_VR/nld@2025‑03‑01

2, tweede lid

Natura 2000-gebied Lauwersmeer

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_Lauwersmeer_N2000/nld@2025‑03‑01

Toelichting bij vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Lauwersmeer

1. Vaststelling nieuwe tekst

Dit besluit betreft de vaststelling van een nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit voor het Vogelrichtlijngebied Lauwersmeer en het Natura 2000-gebied Lauwersmeer, maar nu gepubliceerd met behulp van de nieuwe digitale standaard voor officiële publicaties: de Standaard Officiële Publicaties (STOP). Het besluit wordt inhoudelijk ongewijzigd vastgesteld. Dit aanwijzingsbesluit is de bijlage bij dit besluit. De nieuwe tekst is enkel een redactionele aanpassing, en brengt geen wijziging met enig rechtsgevolg met zich ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De reden voor de vaststelling van deze nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit is, dat in het kader van de Omgevingswet wordt overgegaan op nieuwe digitale standaarden voor de vormgeving van besluiten.

2. Procedure

Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond van artikel 16.25a van de Omgevingswet niet van toepassing, omdat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het betreft geen wijzigingen die leiden tot een andere inhoudelijke reikwijdte dan het geldende aanwijzingsbesluit voor dit gebied: er is geen sprake van wijzigingen van de geldende begrenzing of van instandhoudingsdoelstellingen. De tekst betreft enkel een redactionele aanpassing. In zoverre is dus ook geen sprake van zelfstandige rechtsgevolgen ten opzichte van het geldende besluit. Belanghebbenden die menen dat er wel sprake is van relevante wijzigingen en nieuwe rechtsgevolgen, kunnen evenwel met een bezwaarschrift eventuele bedenkingen tegen het besluit naar voren te brengen en de beslissing op het bezwaarschrift in een beroepsprocedure door de bestuursrechter laten toetsen.

3. Inwerkingtreding

Omdat met dit besluit de inhoud ongewijzigd blijft, kan het meteen de dag na publicatie inwerking treden.

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze,

w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum: 03 april 2025

  • 1

    Dit betreft een geconsolideerde versie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, inclusief wijzigingen die sindsdien op de richtlijn van toepassing zijn. Met uitzondering van de bijlagen en verwijzingen is de tekst van de richtlijn inhoudelijk niet gewijzigd. Terug naar link van noot.

  • 2

    Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 3

    Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 4

    De wijze van begrenzing van Vogelrichtlijngebieden is toegelicht in de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.

  • 5

    Conform artikel 15 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Stb. 2004, 31) is dit besluit, wat betreft de kadastrale percelen die geheel of gedeeltelijk binnen het aangewezen gebied zijn gelegen, in de kadastrale registratie als beperking ingeschreven. Terug naar link van noot.

  • 6

    Netwerk Ecologische Monitoring (SOVON, CBS), www.sovon.nl. November 2010. Terug naar link van noot.

  • 7

    Netwerk Ecologische Monitoring (SOVON, CBS), www.sovon.nl. November 2010. Terug naar link van noot.

  • 8

    Netwerk Ecologische Monitoring (SOVON, CBS), www.sovon.nl. November 2010. Terug naar link van noot.

  • 9

    Netwerk Ecologische Monitoring (SOVON, CBS), www.sovon.nl. November 2010. Terug naar link van noot.

  • 10

    Netwerk Ecologische Monitoring (SOVON, CBS), www.sovon.nl. November 2010. Terug naar link van noot.

  • 11

    Netwerk Ecologische Monitoring (SOVON, CBS), www.sovon.nl. November 2010. Terug naar link van noot.

  • 12

    SOVON (2000): Belangrijke vogelgebieden in Nederland 1993-97. SOVON-informatierapport 2000/01. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek- Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 13

    Ministerie van LNV (2000): Nota van Antwoord Vogelrichtlijn, bijlage 1, selectiecriteria en methode van begrenzing. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 14

    SOVON & CBS (2005): Trends van vogelaantallen in het Nederlandse Natura 2000 netwerk. SOVON-informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 15

    Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 17 maart en 29 december 2004, zaaknummers 200305428/1 en 200408181/16. Terug naar link van noot.

  • 16

    De landelijke doelomschrijving in deze paragraaf beperkt zich in principe tot behoud/uitbreiding oppervlakte (of omvang leefgebied) en behoud/verbetering kwaliteit (leefgebied), in geval van soorten en vogels aangevuld met het doel voor behoud/uitbreiding populatie. Voor de volledige formulering van de landelijke doelen inclusief toelichting wordt verwezen naar het Natura 2000 doelendocument (2006). Terug naar link van noot.

  • 17

    Boer, T.den (2000): Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004. Rapport Directie Natuurbeheer nr.47. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Wageningen. Terug naar link van noot.

  • 18

    Natura 2000 doelendocument (2006): Tekstkader 4.5.1. Landelijke doelen broedvogels. Terug naar link van noot.

  • 19

    Boer, T.den (2000): Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004. Rapport Directie Natuurbeheer nr.47. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Wageningen. Terug naar link van noot.

  • 20

    Natura 2000 doelendocument (2006): Tekstkader 4.5.1. Landelijke doelen broedvogels. Terug naar link van noot.

  • 21

    Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden Waddenzee, Duinen en Lage Land Texel, Duinen Terschelling en Noordzeekustzone (Stcrt.2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 22

    Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden Waddenzee, Duinen en Lage Land Texel, Duinen Terschelling en Noordzeekustzone (Stcrt.2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 23

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 24

    Landelijk doel gewijzigd: Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden Waddenzee, Duinen en Lage Land Texel, Duinen Terschelling, Duinen Ameland en Duinen Schiermonnikoog (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 25

    Boer, T.den (2000): Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004. Rapport Directie Natuurbeheer nr.47. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Wageningen. Terug naar link van noot.

  • 26

    Voor het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen voor vogels is de volgende afrondingssystematiek gebruikt: 1-20 = niet afronden, 21-100 = afronden op vijftallen, 100-1.000 = afronden op tientallen, >1.000 = afronden op honderdtallen. Terug naar link van noot.

  • 27

    Landelijk doel gewijzigd: Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden Duinen Terschelling en Duinen Schiermonnikoog (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 28

    Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden IJsselmeer (072), Zwarte Meer (074) en Oostvaardersplassen (078) (Stcrt. 2010, 2212). Terug naar link van noot.

  • 29

    Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden IJsselmeer (072), Zwarte Meer (074) en Oostvaardersplassen (078) (Stcrt. 2010, 2212). Terug naar link van noot.

  • 30

    Voorbeeld voor een seizoen met de volgende telresultaten (juli-juni): 0, 0, 0, 100, 100, 200, 100, 100, 0, 0, 0, 0. Het seizoensmaximum bedraagt in dit geval 200, het seizoensgemiddelde 50 (som van alle maandcijfers gedeeld door 12). Terug naar link van noot.

  • 31

    De beschreven staat van instandhouding van de meerkoet wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006) (onder andere aanwijzingsbesluit IJsselmeer, Stcrt. 2010, 2212). Terug naar link van noot.

  • 32

    Gunstige referentiewaarden zijn voor vogels (nog) niet bepaald maar de populatiegrootte ligt ver onder het absolute minimum van 1.000 voortplantende exemplaren (de Zweedse broedpopulatie bedraagt minder dan 100 voortplantende exemplaren). Populaties van minder dan 1.000 hebben een hoge uitsterfkans (Red List Category “Vulnerable”, IUCN 2004). Terug naar link van noot.

  • 33

    Onderstreepte soorten zijn opgenomen in Bijlage I van de richtlijn (art. 4.1). Terug naar link van noot.

  • 34

    Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_waterkwaliteit/nld@2019‑11‑01). Terug naar link van noot.

Naar boven