Vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Duinen Ameland

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);

Gelet op artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet;

Besluit:

Artikel 1

De nieuwe tekst van het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 30 januari 2009, nr. DRZO 2008-005 (Stcrt. 2009, 38), houdende de aanwijzing van het Habitatrichtlijngebied Duinen Ameland, het Vogelrichtlijngebied Duinen Ameland en het Natura 2000-gebied Duinen Ameland, wordt vastgesteld zoals weergegeven in de bijlage “Aanwijzingsbesluit Duinen Ameland” bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze,

w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum: 03 april 2025

Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, t.a.v. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. de afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE, Zwolle.

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:

  • a)

    de naam en het adres van de indiener;

  • b)

    de dagtekening;

  • c)

    een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en

  • d)

    de gronden van bezwaar.

Meer informatie over Natura 2000 en gerelateerde onderwerpen vindt u op de website https://www.rijksoverheid.nl/natura2000. Voor vragen over Natura 2000 kunt u op werkdagen van 8.30 uur tot 16.30 uur contact opnemen met het klantcontactcentrum van RVO, telefoon 088 - 042 42 42 (lokaal tarief).

Bijlage bij artikel 1

Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Duinen Ameland

Artikel 1 Aanwijzing Duinen Ameland - Habitatrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Duinen Ameland.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire habitattypen aangeduid met een sterretje (*)):

    H1330

    Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae)

    H2120

    Wandelende duinen op de standwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”)

    H2130

    *Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”)

    H2140

    *Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum

    H2150

    *Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetea)

    H2160

    Duinen met Hippophaë rhamnoides

    H2170

    Duinen met Salix repens ssp. argentea (Salicion arenariae)

    H2180

    Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied

    H2190

    Vochtige duinvalleien

    H6230

    *Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa)

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire soorten aangeduid met een sterretje (*)):

    H1364

    Grijze zeehond (Halichoerus grypus)

    H1903

    Groenknolorchis (Liparis loeselii)

Artikel 2 Aanwijzing Duinen Ameland - Vogelrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU L 20)1 wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Duinen Ameland.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A021

    Roerdomp (Botaurus stellaris)

    A081

    Bruine kiekendief (Circus aeruginosus)

    A082

    Blauwe kiekendief (Circus cyaneus)

    A119

    Porseleinhoen (Porzana porzana)

    A222

    Velduil (Asio flammeus)

    A338

    Grauwe klauwier (Lanius collurio)

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A063

    Eider (Somateria mollissima)

    A277

    Tapuit (Oenanthe oenanthe)

    A295

    Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus)

Artikel 3 Aanwijzing Natura 2000-gebied Duinen Ameland

  • 1.

    Deze aanwijzing gaat vergezeld van een nota van toelichting met bijlagen, die integraal deel uitmaakt van deze aanwijzing.

  • 2.

    De in de artikelen 1 en 2 genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Duinen Ameland.

Artikel 4 Exclaveringsformule

  • 1.

    Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting wordt afgeweken. Hiervoor gelden de peildata, genoemd in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:

    • a.

      bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • b.

      bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond;

    • c.

      gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

    • d.

      erven: onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terreinen;

    • e.

      tuinen: in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terreinen, beplant met siergewassen en gazons, of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving en veelal, omheind zijn door middel van een afrastering, schutting, muur of haag of geheel of gedeeltelijk zijn omgeven door een sloot;

    • f.

      verhardingen: kunstmatige verhardingen zoals verharde wegen, pleinen, parkeervoorzieningen, erfverhardingen en steenglooiingen met inbegrip van in wegen liggende bruggen en duikers en de tot wegen behorende paden en bermen of zijkanten;

    • g.

      hoofdspoorweg: op grond van artikel 2 van de spoorwegwet als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg. Voor de begrenzing langs hoofdspoorwegen geldt artikel 3.5 van het omgevingsbesluit (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur).

Artikel 5 Instandhoudingsdoelstellingen Habitatrichtlijn: habitattypen en soorten

Artikel 6 Instandhoudingsdoelstellingen Vogelrichtlijn: broedvogels

  • 1.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.

Bijlage Nota van toelichting

1. INLEIDING

Het gebied Duinen Ameland is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna Habitatrichtlijn) en als speciale beschermingszone in het kader van Richtlijn 2009/147/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna Vogelrichtlijn). Tezamen vormen deze speciale beschermingszones het Natura 2000-gebied Duinen Ameland. Het besluit bevat de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.

Artikel 1 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Habitatrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 2 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Vogelrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 3 van het besluit introduceert de nota van toelichting en benadrukt dat het besluit niet te lezen is zonder de nota van toelichting. Daarnaast wordt in dit deel van het besluit het Natura 2000-gebied Duinen Ameland gevormd uit het Habitatrichtlijngebied en het Vogelrichtlijngebied.

Artikel 4 van het besluit regelt de uitgezonderde delen van de in artikel 1 en artikel 2 aangewezen gebieden.

Artikel 5 en artikel 6 van het besluit bepalen dat er voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen verwezenlijkt dienen te worden. De doelstelling van artikel 5 heeft betrekking op de in artikel 1 opgesomde soorten en habitattypen. De soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden in 2003. De doelstelling van artikel 6 heeft betrekking op de in artikel 2 opgesomde vogelsoorten. De vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden in 2000.

In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting worden de aanwijzingen onder de Habitat- en Vogelrichtlijn kort toegelicht.

Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een gebiedsbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op eventuele grenswijzigingen die zijn doorgevoerd nadat het gebied bij de Europese Commissie is aangemeld of die zijn doorgevoerd nadat het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 de bij dit besluit behorende begrenzing toegelicht.

In hoofdstuk 4 wordt een opsomming gegeven van habitattypen en soorten waaraan het gebied zijn betekenis ontleent.

In hoofdstuk 5 worden de algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en worden de specifieke instandhoudingsdoelstellingen, genoemd in artikel 5 en 6, nader toegelicht. Er wordt aangegeven in welke richting de instandhoudingsdoelstelling zich zal moeten ontwikkelen. Daarvoor worden de termen “behoud”, “uitbreiding” of “verbetering” gebruikt. Voor een habitattype wordt de verdeling gemaakt in oppervlakte en kwaliteit, zodat de aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een habitattype altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van oppervlakte en van “behoud” of “verbetering” van kwaliteit wordt gegeven. Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit leefgebied. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van omvang leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van kwaliteit van leefgebied ten behoeve van “behoud” of “uitbreiding” van de populatie.

Bij de nota van toelichting is een bijlage A gevoegd met illustraties van grenswijzigingen indien van toepassing; die illustraties laten zien welke terreindelen na de eerste aanwijzing zijn vervallen of zijn toegevoegd als onderdeel van de speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Anders dan de andere bijlage bij de toelichting maakt bijlage A geen integraal onderdeel uit van dit besluit, aangezien er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet enkel nog rechten worden verleend aan de geometrische begrenzing.

Bijlage B omvat een nadere onderbouwing van de wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.

Er is een appendix toegevoegd aan dit besluit waarin een toelichting wordt gegeven op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Duinen Ameland gebruikt zijn. Deze paragrafen komen uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.

2. AANWIJZINGEN HABITAT- EN VOGELRICHTLIJN

Artikel 1 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Duinen Ameland als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn (verder aangeduid als “Habitatrichtlijngebied”). Het gebied is in mei 2003 aangemeld volgens de procedure zoals opgenomen in artikel 4 van deze richtlijn, waarna het gebied in december 2004 door de Europese Commissie onder de naam “Duinen Ameland” en onder nummer NL2003057 is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. Het gebied is aangewezen voor vier prioritaire habitattypen in de zin van artikel 1 van de Habitatrichtlijn.

Artikel 2 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Duinen Ameland als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (verder aangeduid als “Vogelrichtlijngebied”). Het gebied is op 7 april 2005 (DRR&R/2005/1065 II) aangewezen. Bij de Europese Commissie is dit gebied bekend onder nummer NL3009005. Duinen Ameland was al eerder bij besluit van 24 maart 2000 (N/2000/320) aangewezen als onderdeel van het Vogelrichtlijngebied “Waddeneilanden, Noordzeekustzone, Breebaart”, maar in beslissing op bezwaar van 7 april 2005 (DRR&R/2005/1065 II; Stcrt. 2005, nr. 69) is het in 2000 aangewezen gebied gesplitst in zes afzonderlijke Vogelrichtlijngebieden: Duinen Texel, Duinen Vlieland, Duinen Terschelling, Duinen Ameland, Duinen Schiermonnikoog en Noordzeekustzone.

Met betrekking tot het Vogelrichtlijngebied kan er in dit besluit naast mogelijke grenswijzigingen ook een wijziging plaatsvinden bij de vogelsoorten, waarvoor dit gebied destijds is aangewezen. Deze eventuele wijzigingen worden toegelicht in hoofdstuk 4 en bijlage B. In dit besluit worden alle vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 3 van dit besluit voorziet in de samenvoeging van de speciale beschermingszones tot één Natura 2000-gebied: Duinen Ameland (landelijk gebiedsnummer 005).

Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en onder de Vogelrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen en leefgebieden van Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten in een gunstige staat van instandhouding behouden of, in voorkomend geval, herstellen. De instandhoudingsdoelstellingen (artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5) en de begrenzing zijn in algemene zin nader toegelicht in het Natura 2000 doelendocument (2006)2. Dit document geeft het beleidskader van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen weer en de daarbij gehanteerde systematiek.

Beschrijvingen van habitattypen en (vogel)soorten waarvoor doelen zijn vastgesteld, zijn opgenomen in het Natura 2000 profielendocument (2008)3.

Het Natura 2000-gebied Duinen Ameland ligt in de provincie Fryslân en behoort tot het grondgebied van de gemeente Ameland.

3. GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEGRENZING

3.1 Gebiedsbeschrijving

Duinen Ameland wordt landschappelijk gekenmerkt door een uitgestrekt duingebied dat zich over de gehele lengte van het eiland uitstrekt. In het oosten en in de noordwesthoek groeit het eiland aan, ter hoogte van Nes en Buren vindt kustafslag plaats. Het gebied heeft een grote diversiteit aan milieutypen als gevolg van de grote variatie in nat versus droog, zoet versus zout en kalkhoudend versus kalkarm. In het oosten zijn de duinen relatief kalkrijk en is de verstuivingsdynamiek hoog, waardoor de hier gelegen Kooiduinen en Oerderduinen soortenrijk zijn. In het westen liggen heideterreinen, in de Lange Duinen laagveenmoeras en bij Hollum korstmosrijke, oude duinkoppen. In de binnenduinrand is een relatief groot areaal aan natte duinheiden aanwezig met kraaihei en dophei. Het gebied omvat ook een paar kleine boscomplexen die bestaan uit aangeplant naald- en loofbos en spontaan ontstaan jong bos.

3.2 Landschappelijke context en kenmerken begrenzing

Duinen Ameland behoort tot het Natura 2000-landschap “Duinen”.

De ligging van de habitattypen en van de leefgebieden van de soorten (paragraaf 4.4) waarvoor het gebied is aangewezen, vormt het uitgangspunt voor de begrenzing van de Habitatrichtlijngebieden. Dit is inclusief terreindelen die in kwaliteit zijn achteruitgegaan of gedegenereerd. Daarnaast omvat het begrensde gebied ook natuurwaarden die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren, alsmede terreindelen (incl. nieuwe natuur) die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen4.

Bij de keuze en de afbakening van de gebieden is geen rekening gehouden met andere vereisten dan die verband houden met de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna5.

De grenzen van een Vogelrichtlijngebied worden bepaald door het gebruik dat de aanwezige bijlage I-soorten, en/of trekkende watervogels, en/of overige trekkende vogels ervan maken, waarbij wordt uitgegaan van landschapsecologische eenheden en de biotoopeisen van de betrokken vogelsoorten. Het gebied Duinen Ameland is aangewezen als Vogelrichtlijngebied vanwege de aanwezigheid van kustduinen die het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten.

Het is een gebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en dat tevens fungeert als broedgebied van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is zo gekozen dat een in landschapsecologisch opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat - in samenhang met Vogelrichtlijngebied Waddenzee uit 1991 - voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten6.

3.3 Geometrische begrenzing en oppervlakte

De geometrische begrenzing van het Natura 2000-gebied Duinen Ameland is weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage Gebiedsbegrenzingen. Voor zover van toepassing is daarbij onderscheid gemaakt tussen de begrenzingen van Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. De noordelijke begrenzing loopt aan de zeekant over de duinvoet en sluit aan op het Noordzee. De zuidelijke begrenzing op het eiland van het gebied valt grotendeels samen met de eigendomsgrenzen van Staatsbosbeheer. Ten oosten daarvan loopt de grens over de duinvoet van de Kooiduinen, de Kooioerdstuifdijk en de duinvoet van het Oerd, de Oerderduinen en De Hon. Daarbij sluit de begrenzing aan op de begrenzing van de Waddenzee (die gelijk is aan die van de PKB-Waddenzee) en op de begrenzing van de Noordzeekustzone.

Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van ongeveer 2.055 ha. Het Habitatrichtlijngebied en het Vogelrichtlijngebied vallen geheel samen met de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Dit cijfer betreft de bruto-oppervlakte omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met in de geometrische begrenzing, tekstueel uitgesloten delen (zie artikel 4 en hierna).

Voor de begrenzing van Natura 2000-gebieden geldt de volgende exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, tuinen, erven, verharding en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken. Voor de gebruikte begrippen gelden de definities (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied) zoals die omschreven zijn in artikel 4. Daar waar de geometrische begrenzing en de exclaveringsformule niet overeenstemmen, is de exclaveringsformule doorslaggevend.

Voor de toepassing van de begrenzing en de exclaveringsformule van artikel 4 gelden er peildata:

  • 24 maart 2000 en 7 april 2005 voor de gebiedsdelen die zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied;

  • 30 januari 2009 voor de gebiedsdelen die met het Natura-2000 aanwijzingsbesluit zijn toegevoegd aan het eerder aangewezen Vogelrichtlijngebied en aangemelde Habitatrichtlijngebied.

Met betrekking tot het grensverloop langs de duinvoet geldt het volgende voor zover van toepassing in het onderhavige gebied: De zeewaartse grens van duingebieden loopt langs de duinvoet van het buitenduin. Bij duinaangroei verplaatst de grens zich zeewaarts, bij duinafslag landinwaarts met de duinvoet mee.

De begrenzingen van het Vogelrichtlijngebied en van het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) zijn op enkele technische punten verbeterd (2009):

  • Bestaande bebouwing (incl. erven en tuinen; reeds tekstueel geëxclaveerd) waar geen Natura 2000-waarden voorkomen, is waar mogelijk op grond van kadastrale of topografische lijnen buiten de begrenzing gebracht.

  • De begrenzing is waar mogelijk gelegd langs topografisch herkenbare lijnen, zoals wegen, perceelscheidingen en de overgang van kwelder naar duin.

  • Overlap van 5 meter of minder met kadastrale percelen die grotendeels buiten het gebied zijn gelegen, is gelet op de kadastrale inschrijving7, waar mogelijk beperkt. Dit betekent dat aldaar de kadastrale lijn is aangehouden. Deze werkwijze is alleen gevolgd op plekken waar geen Natura 2000-waarden aanwezig zijn.

  • Onlogische verschillen (< 25 ha) tussen Vogel- en Habitatrichtlijngebied zijn opgeheven door de meest ruime grens aan te houden.

Overige wijzigingen van meer dan 1 ha worden in de volgende alinea’s toegelicht.

Verder zijn de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied en het Habitatrichtlijngebied op de volgende punten gewijzigd (2009). De weergaves waarnaar wordt verwezen, zijn opgenomen in bijlage A:

  • Kwelders en laaggelegen gronden aan de westzijde van het Nieuwlandsreid (Zoute Weide) zijn overgeheveld van Duinen Ameland naar Waddenzee (zie weergave I) omdat het landschappelijk gezien en voor de vogels waarvoor het gebied is aangewezen, één geheel vormt met het kweldergebied Nieuwlandsreid (Zoute Weide). Dit betreft in het geval van het Vogelrichtlijngebied ruim 40 ha (zie weergave A) en voor het Habitatrichtlijngebied 5 ha.

  • Uitbreiding met Noordkeeg ten westen van het Westerpad (Nes) aan de zuidoostzijde van de Zwanewaterduinen (22 ha, eigendom SBB, zie weergave B). Dit betreft een onlangs ingericht natuurontwikkelingsgebied ten behoeve van de ontwikkeling van habitattype vochtige duinvalleien (H2190B) en op de langere termijn *grijze duinen (H2130B). In 2008 zijn de voor H2190B kenmerkende vleeskleurige orchis en dwergvlas er reeds aangetroffen. Beide habitattypen staan in het Natura 2000-gebied op uitbreiding. Door de uitgevoerde inrichtingsmaatregelen is vernatting opgetreden en is de drainerende werking van deze voormalige landbouwgronden op waterafhankelijke habitattypen in het aangrenzende duingebied beëindigd. Het terrein wordt aan drie zijden omgeven door begrensd gebied met aangrenzend de habitattypen grijze duinen (H2130B), kruipwilgstruwelen (H2170) en duinbossen (H2180A).

4. NATURA 2000-WAARDEN

4.1 Inleiding

In artikel 1 en 2 is een opsomming gegeven van de waarden waaraan het gebied zijn betekenis als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied ontleent. Wat betreft de aanwijzing als Habitatrichtlijngebied wordt in paragrafen 4.2.1 en 4.2.2 een lijst gegeven van de habitattypen (met vermelding van de aanwezige subtypen) en soorten waarvoor het gebied is aangewezen8. Paragraaf 4.2.3 vermeldt de vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen. Op alle vermelde habitattypen en soorten is een instandhoudingsdoelstelling van toepassing (zie artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5).

Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 vermeld welke selectiecriteria op het Habitatrichtlijngebied van toepassing zijn en wordt onderbouwd waarom het gebied als Habitatrichtlijngebied is geselecteerd. Van elk habitattype en van elke soort waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet, wordt in bijlage B.3 in tekst en/of tabelvorm de betekenis (relatieve bijdrage) van het gebied afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden die aan de selectiecriteria voldoen. Tenslotte beschrijft paragraaf 4.4 de verspreiding van habitattypen en soorten binnen het gebied, ter onderbouwing van de gevolgde gebiedsbegrenzing.

4.2 Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen
4.2.1 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I9)

Het gebied is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitats opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een bijdrage levert aan de instandhouding op landelijk niveau. Ten behoeve van de nationale uitwerking van de Habitatrichtlijn is een deel van de habitattypen verdeeld in subtypen, vanwege de zeer ruime variatie in fysieke omstandigheden en soortensamenstelling. De namen van de habitattypen en daarvan afgeleide subtypen zullen verder met hun verkorte namen worden aangeduid. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H1330

Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae)

Verkorte naam Schorren en zilte graslanden

betreft het subtype:

 

H1330A

Schorren en zilte graslanden (buitendijks)

H2120

Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”)

Verkorte naam Witte duinen

H2130

*Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”)

Verkorte naam Grijze duinen

betreft de subtypen:

 

H2130A

*Grijze duinen (kalkrijk)

H2130B

*Grijze duinen (kalkarm)

H2130C

*Grijze duinen (heischraal)

H2140

*Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum

Verkorte naam Duinheiden met kraaihei

betreft de subtypen:

 

H2140A

*Duinheiden met kraaihei (vochtig)

H2140B

*Duinheiden met kraaihei (droog)

H2150

*Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetea)

Verkorte naam Duinheiden met struikhei

H2160

Duinen met Hippophaë rhamnoides

Verkorte naam Duindoornstruwelen

H2170

Duinen met Salix repens ssp. argentea (Salicion arenariae)

Verkorte naam Kruipwilgstruwelen

H2180

Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied

Verkorte naam Duinbossen

betreft de subtypen:

 

H2180A

Duinbossen (droog)

H2180B

Duinbossen (vochtig)

H2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

H2190

Vochtige duinvalleien

Verkorte naam Vochtige duinvalleien

betreft de subtypen:

 

H2190A

Vochtige duinvalleien (open water)

H2190B

Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

H2190C

Vochtige duinvalleien (kalkarm)

H2190D

Vochtige duinvalleien (hogere moerasplanten)

H6230

*Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa)

Verkorte naam Heischrale graslanden

4.2.2 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage II10)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een wezenlijke functie in de levenscyclus vervult. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding op landelijk niveau.

Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H1364

Grijze zeehond (Halichoerus grypus)

H1903

Groenknolorchis (Liparis loeselii)

4.2.3 Vogelrichtlijn: vogelsoorten (bijlage I en artikel 4.2)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn:

A021

Roerdomp (Botaurus stellaris)

A081

Bruine Kiekendief (Circus aeruginosus)

A082

Blauwe Kiekendief (Circus cyaneus)

A119

Porseleinhoen (Porzana porzana)

A222

Velduil (Asio flammeus)

A338

Grauwe Klauwier (Lanius collurio)

Verder is het gebied aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen in hun trekzones (artikel 4.2):

A063

Eider (Somateria mollissima)

A277

Tapuit (Oenanthe oenanthe)

A295

Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus)

Wijzigingen ten opzichte van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2005) zijn verklaard in bijlage B.2 van deze nota van toelichting.

4.3 Habitatrichtlijn: waarden waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet
4.3.1 Habitattypen (bijlage I)

Voor niet-prioritaire habitattypen zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor habitattypen welke verdeeld zijn in subtypen, geldt een aantal van “drie belangrijkste gebieden” per subtype. Voor prioritaire habitattypen11 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden” en voor subtypen van prioritaire habitattypen een aantal van “vijf belangrijkste gebieden” per subtype. Verdeling in subtypen ten behoeve van de selectie is alleen toegepast indien de subtypen een verschillende verspreiding hebben en de beschikbare gegevens verdeling in subtypen toelaten. Voor enkele verspreid over het land voorkomende habitattypen, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd12. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de aanwezige oppervlakte en zo nodig ook de representativiteit van het habitattype. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding13. In de onderstaande tabel zijn de habitattypen vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitattypen waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3).

Habitat- type

Xa

Yb

Landelijke oppervlaktec

Oppervlakte in Amelandd

Oppervlakte in Yde gebiede

Selectie bij aanmelding

H2120

5

5

ca. 2.400

B2 (6-15%)

B2 (6-15%)

ja

*H2140

10

9

ca. 1.700

C (<2%)

C (<2%

ja

*H2150

10

9

ca. 140

B2 (6-15%)

C (<2%)

nee

H2170

5

5

ca. 1.000

B2 (6-15%)

B1 (2-6%)

ja

H2190A

3

3

ca. 400

B1 (2-6%)

B2 (6-15%)

ja

H2190C

3

3

ca. 150

A1 (15-30%)

A1 (15-30%)

nee

H2190D

3

3

ca. 250

B2 (6-15%)

B2 (6-15%)

nee

  • a)

    Aantal gebieden dat maximaal voor dit habitattype kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot één van de X belangrijkste gebieden” voor het betreffende habitattype.

  • b)

    Aantal gebieden dat op grond van dit selectiecriterium voor het habitattype is geselecteerd (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin het habitattype is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).

  • c)

    Geschatte landelijke oppervlakte van het (subtype van het) habitattype in hectaren.

  • d)

    Oppervlakte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte.

  • e)

    Oppervlakte van het habitattype in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied (niet ingevuld indien niet van belang voor de bepaling van de relatieve betekenis van het gebied, wanneer representativiteit in plaats van oppervlakte doorslaggevend was).

4.3.2 Soorten (bijlage II)

Voor niet-prioritaire soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor prioritaire soorten14 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden”. Voor enkele verspreid over het land voorkomende soorten, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd die voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd15. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de omvang van de aanwezige populatie. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding (zie ook bijlage B.3).

Er zijn geen soorten waarvoor Duinen Ameland aan de selectiecriteria voldoet.

4.4 Voorkomen habitattypen en soorten in Duinen Ameland

De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Duinen Ameland16 is bepaald aan de hand van de ligging van habitattypen en leefgebieden van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De verspreiding van de betreffende habitattypen en soorten binnen het gebied wordt in deze paragraaf globaal beschreven ter onderbouwing van de gevolgde begrenzing. Het is niet bedoeld als een uitputtende beschrijving. Gezien de in het gebied voorkomende erosie- en sedimentatieprocessen door water en wind wisselt voorkomen van de habitattypen in omvang, ruimte en tijd. De daarmee samenhangende vernieuwing, verjonging en veroudering van de habitattypen (zoals H2120) is een van de meest essentiële natuurlijke kenmerken van het gebied. Dit betekent ook dat de begroeiingen van het ene subtype in het andere of van het ene habitattype in het andere kunnen overgaan.

Witte duinen (H2120) komen voor in de buitenduinen verspreid over het eiland. Een mooi voorbeeld van dit habitattype komt voor in de buitenduinen van de Lange Duinen aan de noordkant van het eiland. De kalkrijke (H2130A) en kalkarme (H2130B) variant van duingraslanden komen in mozaïek met elkaar voor achter de zeereep in het westen en midden van het eiland, met de grootste oppervlakten in de Ballumerduinen en de Zwanewaterduinen. De heischrale variant van de duingraslanden (H2130C) komt in geringe omvang voor ten oosten van Hollum, in de Roosduinen en Briksduinen.

Duinheiden met kraaihei, vochtig (H2140A) komen verspreid voor in de Lange Duinen en de Roosduinen. Duinheiden met kraaihei, droog (H2140B) komt voor in de Lange Duinen en Ballumerduinen, en verspreid op de Jan Roepeheide en in de Roosduinen. Duinheiden met struikhei (H2150) bevinden zich vooral verspreid in de binnenduinrand tussen Hollum en Ballum (Lange Duinen, Roosduinen). Het habitattype duindoornstruwelen (H2160) is in kleine oppervlakten verspreid over het eiland aanwezig met name in de buitenduinen. Kruipwilgstruwelen (H2170) bevinden zich met relatief grote oppervlakte verspreid over het midden van het eiland met name in de Zwanewaterduinen. De droge variant van duinbossen (H2180A) is vooral aanwezig in het Hollumerbos, Briksduinen en Nesserbosch. De subtypen duinbossen, vochtig (H2180B) en binnenduinrand (H2180C) bevinden zich met kleine oppervlakten in de Roosduinen. Vochtige duinvalleien (H2190) zijn vooral in het westen en midden van het eiland aanwezig. In de duinvalleien ten zuiden van Paal 11 komt het subtype vochtige duinvalleien, open water (H2190A) over een behoorlijke oppervlakte voor, verweven met kleine oppervlakten van de subtypen kalkarm (H2190C) en hogere moerasplanten (H2190D). Tevens komen de subtypen kalkarm (H2190C) en hogere moerasplanten (H2190D) verspreid voor in de Lange Duinen. In de Ballumerduinen en de Noordkeeg bevinden zich verder nog de subtypen open water (H2190A) en kalkrijk (H2190B). Het habitattype heischraal grasland (H6230) komt over kleine oppervlakten voor in de binnenduinrand, met name ten oosten van Ballum in de Roosduinen.

De groenknolorchis (H1903) komt sporadisch voor op het eiland in de Hollumerduinen, Langeduinen en op het Oerd.

5. INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN

5.1 Inleiding

Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel aan maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Ingevolge artikel 4, vierde lid, Habitatrichtlijn worden bij aanwijzing als Habitatrichtlijngebied “tevens de prioriteiten vast[gesteld] gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat […] of van een soort […] alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging”.

Deze bepaling is in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nader uitgewerkt. Op grond van dit artikel bestaat de verplichting om in een aanwijzing doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van leefgebieden van vogelsoorten dan wel doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten op te nemen. Om die reden zijn voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Tevens is daarbij aangegeven welke habitattypen en/of soorten ten koste mogen gaan van andere habitattypen en soorten

Voor de Natura 2000-gebieden zullen in beheerplannen instandhoudingsmaatregelen worden uitgewerkt die beantwoorden aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten van de betrokken natuurlijke habitats en soorten.

Als verdere invulling van het stellen van prioriteiten zijn voor de acht onderscheiden Natura 2000-landschappen17 op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, hun landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden, kernopgaven geformuleerd. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (“richting geven”) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (2006). In bijlage B.4 van deze nota van toelichting is een overzicht opgenomen van alle gebiedsdoelstellingen per habitattype en per (vogel)soort.

5.2 Algemene doelen

Behoud en indien van toepassing herstel van:

  • 1.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie;

  • 2.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijke niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;

  • 3.

    de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;

  • 4.

    de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

5.3 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I)

H1330

Schorren en zilte graslanden

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A).

Toelichting

Het habitattype schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A) komt verspreid voor op de overgang van de duinen naar het Natura 2000-gebied Waddenzee. Er is vrij veel variatie in plantengemeenschappen, zodat behoud van kwaliteit voldoende is.

H2120

Witte duinen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Het Waddengebied is het belangrijkste gebied in ons land voor dit habitattype. Het habitattype witte duinen is momenteel over voldoende oppervlakte aanwezig. Behoud van de kwaliteit (verstuiving) in de zeereep is tevens van belang voor herstel van de kwaliteit van achtergelegen duingraslanden, kwelders en/of duinvalleien. Het areaal op de Waddeneilanden is relatief groot.

H2130

*Grijze duinen

Doel

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit grijze duinen, kalkarm (subtype B) en grijze duinen, heischraal (subtype C). Behoud oppervlakte en kwaliteit grijze duinen, kalkrijk (subtype A).

Toelichting

Het habitattype grijze duinen is momenteel over verreweg het grootste deel van de oorspronkelijke oppervlakte sterk vergrast, vooral op het westelijke deel van het eiland. Landelijk verkeert het habitattype in een zeer ongunstige staat van instandhouding en geldt als doel uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Voor grijze duinen, kalkrijk (subtype A) levert het gebied slechts een geringe bijdrage. In de toekomst kan het gebied een zeer grote bijdrage gaan leveren voor het subtype grijze duinen, kalkarm (subtype B). Voor het subtype grijze duinen, heischraal (subtype C) liggen de mogelijkheden vooral in kwaliteitsverbetering in de binnenduinrand.

H2140

*Duinheiden met kraaihei

Doel

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit duinheiden met kraaihei, vochtig (subtype A) en behoud oppervlakte en kwaliteit duinheiden met kraaihei, droog (subtype B).

Toelichting

De habitattypen duinheiden met kraaihei, vochtig (subtype A) en duinheiden met kraaihei, droog (subtype B) zijn momenteel over een geringe oppervlakte aanwezig. Omdat de landelijke staat van instandhouding op het aspect kwaliteit matig ongunstig is (er zijn weinig jonge stadia), wordt in dit gebied verbetering van de kwaliteit nagestreefd voor het vochtige subtype (H2140A).

H2150

*Duinheiden met struikhei

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype is momenteel in goede kwaliteit aanwezig over een relatief grote oppervlakte. Het gebied is relatief belangrijk gebieden voor dit habitattype in ons land. Omdat de landelijke staat van instandhouding gunstig is wordt behoud van oppervlakte en kwaliteit nagestreefd.

H2160

Duindoornstruwelen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype duindoornstruwelen is momenteel in goede kwaliteit over een kleine oppervlakte aanwezig. Omdat de landelijke staat van instandhouding gunstig is en uitbreiding van het type ten koste kan gaan van onder meer grijze duinen, wordt behoud van oppervlakte en kwaliteit nagestreefd.

H2170

Kruipwilgstruwelen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit. Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van habitattype H2190 vochtige duinvalleien is toegestaan.

Toelichting

Het habitattype kruipwilgstruwelen is momenteel in goede kwaliteit en over voldoende oppervlakte aanwezig, veelal in mozaïek met andere duinvalleibegroeiingen van habitattype H2190 vochtige duinvalleien. Omdat de landelijke staat van instandhouding gunstig is wordt behoud van oppervlakte en kwaliteit nagestreefd.

H2180

Duinbossen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Voor alle Waddeneilanden geldt dat de duinbossen vrij jong en nog volop in ontwikkeling zijn. Omdat de landelijke staat van instandhouding gunstig is wordt behoud van oppervlakte en kwaliteit nagestreefd.

H2190

Vochtige duinvalleien

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit vochtige duinvalleien, open water (subtype A) en vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten (subtype D), behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige duinvalleien, ontkalkt (subtype C) en uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B).

Toelichting

Het habitattype vochtige duinvalleien is momenteel in goede kwaliteit en over voldoende oppervlakte aanwezig wat betreft de duinvalleien, maar binnen de diversiteit is het subtype vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B) ondervertegenwoordigd. Ontwikkeling van jonge, kalkrijke successiestadia is mogelijk op recent ontstane groene stranden. Het gebied levert een grote bijdrage aan het landelijke doel voor de subtypen vochtige duinvalleien, kalkarm (subtype C) en vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten (subtype D).

H6230

*Heischrale graslanden

Doel

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

Toelichting

In de binnenduinrand komen momenteel plaatselijk kleine oppervlakten van het habitattype voor in matige kwaliteit. Er zijn lokaal mogelijkheden voor uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van dit habitattype dat landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert.

5.4 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage II)

H1364

Grijze zeehond

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De betrekkelijk klein aantallen grijze zeehonden, die langs de noordrand van dit gebied worden waargenomen, zijn onderdeel van de grote Noordzeepopulatie. De prioriteit van de bescherming in de duinen van Ameland ligt bij het gebruik als hoogwatervluchtplaats in de late winter en het vroege voorjaar door moeders met jongen.

H1903

Groenknolorchis

Doel

Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit biotoop voor uitbreiding populatie.

Toelichting

De groenknolorchis is momenteel nog slechts sporadisch aanwezig op het eiland omdat het biotoop zeldzaam is geworden. Uitbreiding van de omvang van het leefgebied hangt samen met de uitbreidingsopgave van duinvalleien, waaronder vochtige duinvalleien, kalkrijk (H2190B).

5.5 Vogelrichtlijn: broedvogels

A021

Roerdomp

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 2 paren.

Toelichting

In de jaren tachtig broedden maximaal 6 paren (1987). Daarna fluctueerde het aantal tussen 0 en 3. In de periode 2001-2003 broedden jaarlijks 2-3 paren op Ameland. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Waddeneilanden ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.

A063

Eider

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 100 paren.

Toelichting

Na de vestiging van de eider in het open duin in de jaren dertig was de soort aanvankelijk zeer schaars. Vanaf de jaren vijftig zijn de aantallen toegenomen tot ruim 200 paren in het begin van de jaren tachtig (maximaal 275 in 1984). Daarna fluctueerde het aantal tussen de 100 en 235. Vervolgens trad een afname op met in 2003 nog slechts 25 paren. Het Waddengebied waaronder Ameland levert veruit de belangrijkste bijdrage aan het landelijke doel. Gezien de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is als doel uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied geformuleerd. Het gebied kan voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie gaan leveren.

A081

Bruine kiekendief

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 40 paren.

Toelichting

Na de hervestiging van de bruine kiekendief als regelmatige broedvogel in de natte duinvalleien aan het eind van de jaren zeventig is de populatie steeds verder toegenomen tot een maximum van 45 paren in 2001. In de periode 1999-20003 kwamen gemiddeld 40 paren tot broeden. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.

A082

Blauwe kiekendief

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren.

Toelichting

Vanaf de vestiging in het open duin in 1940, is de blauwe kiekendief toegenomen tot maximaal 26 paren in 1990. Vanaf halverwege de jaren negentig heeft een sterke terugval opgetreden. In de periode 2000-2003 zijn jaarlijks 3 tot 5 paren waargenomen. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is als doel uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied geformuleerd. Het gebied kan voldoende draagkracht gaan leveren voor een sleutelpopulatie.

A119

Porseleinhoen

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van 2 paren.

Toelichting

De porseleinhoen is altijd een zeer schaarse broedvogel geweest van vochtige duinvalleien met hooguit enkele paren. Gezien de geringe oppervlakte potentieel biotoop is een behoudsdoelstelling geformuleerd. Het gebied kan onvoldoende draagkracht leveren voor een sleutelpopulatie.

A222

Velduil

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren.

Toelichting

Tot begin jaren negentig was de velduil een broedvogel van het open duin in fluctuerende aantallen, doch zonder een eenduidige trend. De broedvogelaantallen wisselden met de stand van de veldmuis (Ameland is het enige Waddeneiland waar veldmuizen voorkomen). Een absoluut topjaar was 1989 met 42 paren. In daljaren zakte het aantal onder de 20 paren. Vanaf halverwege de jaren negentig is een sterke terugval opgetreden met een voorlopig minimum van 2 paren in 2002. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is als doel uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied geformuleerd. Het gebied kan voldoende draagkracht gaan leveren voor een sleutelpopulatie.

A277

Tapuit

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 100 paren.

Toelichting

Vermoedelijk was het aantal broedparen van de tapuit in het open duin stabiel tot eind jaren tachtig (120-140 paren). Daarna volgde echter een sterke afname. Toch is het momenteel het belangrijkste broedgebied in Nederland (met 56 paren in 2001, 39 in 2002 en 35 in 2003). Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding wordt landelijk herstel nagestreefd. Gezien de historische potentie van het leefgebied kan het gebied bijdragen aan de landelijke instandhoudingdoelstelling; eind jaren tachtig werden meer dan 100 broedparen waargenomen. Het gebied kan voldoende draagkracht gaan leveren voor een sleutelpopulatie.

A295

Rietzanger

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 230 paren.

Toelichting

De rietzanger is vermoedelijk pas een broedvogel van de natte duinvalleien sinds halverwege de vorige eeuw. In de jaren tachtig werd het gewenste niveau voor een sleutelpopulatie overschreden, bijvoorbeeld in 1987 waarin in de Lange Duinen 264 paren werden geteld. Voor de periode 1999-2003 wordt het gemiddeld aantal paren geschat op 230. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding met betrekking tot populatieomvang is behoud voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.

A338

Grauwe klauwier

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 5 paar.

Toelichting

De grauwe klauwier is van oudsher een broedvogel van het gevarieerde duinlandschap in aantallen die altijd onder het niveau van een sleutelpopulatie bleven (maximaal 30 paren begin jaren zeventig). Daarna was de populatie stabiel tot eind jaren tachtig waarna een geleidelijke afname inzette. In 1998 werd het laatste broedgeval vastgesteld. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is als landelijk doel uitbreiding van de populatie geformuleerd. Gezien de historische potentie kan het gebied bijdragen aan de landelijke instandhoudingdoelstelling. Het gebied telde eind jaren tachtig nog 20-25 broedparen. In de periode 1993- 1997 broedden gemiddeld 5 paren in het gebied.

Bijlage A

Grenswijziging Vogelrichtlijn

5. Duinen Ameland

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Topografische ondergrond: © De auteursrechten en databankrechten zijn voorbehouden aan de Topografische Dienst Kadaster, Emmen, 2008

Bijlage B

Nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.

B.1 Wijzigingen in habitattypen en soorten ten opzichte van aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) (paragraaf 4.2.1 en 4.2.2)
  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype schorren en zilte graslanden (H1330), buitendijks (subtype A), omdat uit onderzoek blijkt dat dit type in het gebied voorkomt.

  • In afwijking van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en van het ontwerpbesluit (2007) is het gebied niet aangewezen voor het habitattype embryonale duinen (H2110). Op basis van recente informatie blijkt dat dit habitattype niet voorkomt binnen de begrenzing van het gebied maar in de aan de Waddenzee of Noordzeekustzone toegekende gebiedsdelen van het eiland.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) maar conform het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype duinheiden met struikhei (H2150), omdat dit habitattype blijkens recente vegetatiekaarten voorkomt (zie ook paragraaf 4.4).

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en op het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype duinbossen (H2180), omdat alle drie de subtypen van dit habitattype volgens recente vegetatiekaarten blijken voor te komen (zie ook paragraaf 4.4).

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) maar conform het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype heischrale graslanden (H6230). Bij het beschikbaar komen van meer kwantitatieve gegevens is gebleken dat het habitattype voorkomt in het gebied.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort grijze zeehond (H1364), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.

B.2 Wijzigingen in vogelsoorten ten opzichte van aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2005) en/of het ontwerpbesluit (2007) (paragraaf 4.2.3)

De vogelsoorten waarvoor het gebied in 2005 is aangewezen, zijn indertijd ontleend aan SOVON (2000)18. De numerieke criteria die daarin zijn opgenomen zijn ontleend aan de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000)19. Een gebied wordt slechts aangewezen voor de soorten waarvoor het gebied van landelijke betekenis is. Hiervan is in beginsel sprake indien het gebied minstens 1% van de landelijke broedpopulatie herbergt, indien minstens 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied verblijft of indien het gebied in combinatie met andere gebieden voldoende bijdrage kan leveren aan een sleutelpopulatie. Om ecologische redenen, die in voorkomende gevallen hieronder zijn vermeld, is soms van deze algemene criteria afgeweken. Voor eventuele toevoeging of verwijdering van vogelsoorten is gebruik gemaakt van SOVON & CBS (2006) 20 waarin de ontwikkeling van vogelaantallen in de laatste decennia is beschreven. Dit rapport heeft ten grondslag gelegen aan de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Vogelrichtlijnsoorten. In bijlage 1 van dit rapport zijn de verschillen aangegeven tussen de soortenlijsten per gebied die in beide aangehaalde rapporten zijn opgenomen. Deze werkwijze heeft voor de vogellijst van dit gebied de volgende consequentie:

  • In aanvulling op de oorspronkelijke aanwijzing (2005) als Vogelrichtlijngebied maar conform het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor één vogelsoort van bijlage I: roerdomp (A021). Het gebied is belangrijk vanwege de bijdrage aan de draagkracht in de regio Waddeneilanden ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie voor deze soort.

B.3 Toepassing selectiecriteria Habitatrichtlijngebieden (paragraaf 4.3)

In dit onderdeel wordt voor elk habitattype en soort waarvoor het onderhavige gebied aan de selectiecriteria voldoet (zie paragraaf 4.3), een overzicht gegeven van alle daarvoor kwalificerende gebieden. Dit gebeurt zoveel mogelijk in de vorm van een tabel met de gebieden die aan de selectiecriteria voldoen, onder vermelding van de relatieve bijdrage. Dit is de bijdrage van het gebied aan de landelijke instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype of de soort. In het geval van habitattypen betreft dit het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. In geval van soorten is dit het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen (vogels, grote zoogdieren, sommige planten) of aantal bezette plekken of kilometerhokken. Er is gebruik gemaakt van de volgende klasse-indeling:

A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = > 75%;

B1 = 2-6% en B2 = 6-15%;

C < 2%

In de kolom Bronvermelding zijn de terreinbeherende organisaties, andere instanties en bronnen vermeld, waaraan de oppervlaktecijfers en aantallen zijn ontleend onder vermelding van de jaren waarin deze zijn verzameld of gepubliceerd. Verklaring gebruikte afkortingen: AWD = Waternet, beheerder Amsterdamse Waterleidingduinen, DEF = Ministerie van Defensie, DHB = Dienst Stadsbeheer (Den Haag), DZH = Duinwaterbedrijf Zuid-Holland (beheerplan), LNH = Landschap Noord-Holland, NM = Natuurmonumenten, NPZK = Nationaal Park Zuid- Kennemerland, PWN = Provinciaal Waterleidingbedrijf Noord-Holland, RWS = Rijkswaterstaat (kwelderkartering), SBB = Staatsbosbeheer, V&W = Ministerie Verkeer & Waterstaat, ZLD = provincie Zeeland, TOP10 = Topografische kaart 1: 10.000 (* = aangevuld met andere bronnen).

  • Het gebied behoort tot één van de belangrijkste gebieden voor de habitattypen:

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor het habitattype witte duinen (H2120) de volgende vijf gebieden geselecteerd: Waddenzee (001), Duinen Terschelling (004), Duinen Ameland (005), Duinen Schiermonnikoog (006) en Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)21. Op grond van de huidige kennis voldoen de volgende gebieden aan het criterium van “belangrijkste gebieden”: Waddenzee (001), Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Terschelling (004), Duinen Ameland (005) en Noordhollands Duinreservaat (087). Deze gebieden herbergen meer dan 150 ha van dit habitattype. Zwin & Kievittepolder (123) kan hieraan als grensoverschrijdend gebied worden toegevoegd. Het gebied grenst aan het door Vlaanderen aangemelde “SBZ Duinen inclusief IJzermonding en Zwin” (420 ha) met onder meer dit habitattype.

H2140 – *Duinheiden met kraaihei

Landelijke oppervlakte ca. 1.700 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

004

Duinen Terschelling

A2 (30-50%)

SBB 1999

002

Duinen en Lage Land Texel

A1 (15-30)%

SBB 2005-06, DEF 2004

086

Schoorlse Duinen

B2 (6-15%)

SBB 1993, 2000, 2002*

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

B2 (6-15%)

NM, SBB*

003

Duinen Vlieland

B1 (2-6%)

SBB 2005

087

Noordhollands Duinreservaat

B1 (2-6%)

PWN 1992 en 2001*

005

Duinen Ameland

C (<2%)

SBB 1998, RWS 1997 en 2003

006

Duinen Schiermonnikoog

C (<2%)

NM, RWS 1997 en 2004*

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

C (<2%)

LNH 2004-2005

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor dit habitattype de volgende zeven gebieden geselecteerd: Duinen en Lage Land Texel (002)22, Duinen Vlieland (003), Duinen Terschelling (004), Duinen Ameland (005), Zwanenwater & Pettemerduinen (085)23, Schoorlse Duinen (086)24 en Noordhollands Duinreservaat (087). Ten tijde van deze aanmelding was het habitattype niet in subtypen verdeeld. In het Natura 2000 doelendocument (2006) worden voor dit habitattype twee subtypen onderscheiden, namelijk duinheiden met kraaihei, vochtig (H2140A) en duinheiden met kraaihei, droog (H2140B). Op grond van de beschikbare oppervlaktegegevens is differentiatie naar de twee subtypen (nog) niet mogelijk, waardoor thans de belangrijkste gebieden voor het habitattype als geheel in bovenstaande tabel zijn vermeld. Naast de zeven gebieden in de oorspronkelijke selectie blijkt het habitattype in nog twee gebieden aanwezig: Duinen Schiermonnikoog (006) en Duinen Den Helder – Callantsoog (084). Het totaal komt hiermee op negen gebieden. Hiervan bevat Duinen Terschelling veruit het grootste voorkomen van dit habitattype in ons land, met bijna 50% van de landelijke oppervlakte.

H2150 – *Duinheiden met struikhei

Landelijke oppervlakte ca. 140 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

004

Duinen Terschelling

A2 (30-50%)

SBB 1999

002

Duinen en Lage Land Texel

A1 (15-30%)

SBB 2005-06, DEF 2004

087

Noordhollands Duinreservaat

A1 (15-30%)

PWN 1992 en 2001*

005

Duinen Ameland

B2 (6-15%)

SBB 1998, RWS 1997 en 2003

116

Kop van Schouwen

B2 (6-15%)

ZLD 2007, SBB 2008

003

Duinen Vlieland

B1 (2-6%)

SBB 2005

088

Kennemerland-Zuid

C (<2%)

NPZK, PWN, AWD, SBB*

099

Solleveld & Kapittelduinen

C (<2%)

Arcadis/Alterra 2008

098

Westduinpark & Wapendal

C (<2%)

DSB 2003

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor dit habitattype de volgende vier gebieden geselecteerd: Kennemerland-Zuid (088), Westduinpark & Wapendal (098), Solleveld25 en Kop van Schouwen (116). Ten gevolge van het beschikbaar komen van meer kwantitatieve gegevens is gebleken dat dit prioritaire habitattype in totaal in negen gebieden voorkomt. Met name Duinen Terschelling (004) bevat een aanzienlijke oppervlakte duinheiden met struikhei. Dit gebied blijkt hiermee het belangrijkste gebied voor dit habitattype te zijn.

Ook Duinen en Lage Land Texel (002) en Noordhollands Duinreservaat (087) blijken door het beschikbaar komen van nieuwe informatie meer dan 15% van de landelijke oppervlakte te bevatten. Verder is dit habitattype toegevoegd aan Duinen Ameland en Duinen Vlieland die respectievelijk 6 tot 15% en 2 tot 6% van de landelijke oppervlakte bevatten.

H2170 – Kruipwilgstruwelen

Landelijke oppervlakte ca. 900 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

004

Duinen Terschelling

A1 (15-30%)

SBB 1999

115

Grevelingen

A1 (15-30%)

SBB 2003

002

Duinen en Lage Land Texel

B2 (6-15%)

SBB 2005-06, DEF 2004

005

Duinen Ameland

B2 (6-15%)

SBB 1998, RWS 1997 en 2003

006

Duinen Schiermonnikoog

B1 (2-6%)

RWS 1997

Ten tijde van de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) werden voor dit habitattype twee subtypen onderscheiden waarbij voor elk subtype drie gebieden zijn geselecteerd. Voor het verbond der wilgenbroekstruwelen: Duinen Ameland (005), Duinen Terschelling (004) en Zwanenwater & Pettemerduinen (085)26, en voor het kraaihei-verbond: Duinen Schiermonnikoog (006), Duinen Terschelling (004) en Duinen en Lage Land Texel (002)27. In de huidige interpretatie van het habitattype kruipwilgstruwelen worden geen subtypen meer onderscheiden. Op basis van nieuwe informatie kunnen de vijf in de tabel genoemde gebieden thans als belangrijkste worden aangemerkt. Dit zijn de gebieden met veruit de grootste oppervlakten en/of de beste kwaliteit van dit habitattype. Vergelijkbare oppervlakten als op Duinen Schiermonnikoog zijn aanwezig in Noordhollands Duinreservaat (087) en Kop van Schouwen (116) maar dit betreft minder soortenrijke vegetaties als op Schiermonnikoog. Samen herbergen deze vijf gebieden zo’n 70% van de landelijke oppervlakte.

H2190A – Vochtige duinvalleien, open water

Landelijke oppervlakte ca. 400 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

088

Kennemerland-Zuid

A1 (15-30%)a

NPZK, PWN, AWD, SBB*

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

B2 (6-15%)

NM, SBB*

002

Duinen en Lage Land Texel

B2 (6-15%)

SBB 2005-06, DEF 2004

100

Voornes Duin

R (B2, 6-15%)b

Aanwijzingsbesluit 2008

Exclusief infiltratiekanalen zonder voor dit subtype karakteristieke vegetatie.

De letter “R” in deze kolom geeft aan dat het gebied is geselecteerd teneinde een voldoende regionale spreiding te verkrijgen binnen het landelijke verspreidingsgebied van het subtype.

Ten tijde van de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) werd het open water in de duinen onderverdeeld in drie plantensociologische verbonden, waarbij toentertijd voor elk drie gebieden zijn geselecteerd. Dit betreft de volgende gebieden: Duinen en Lage Land Texel (002)28, Duinen Terschelling (004), Duinen Ameland (005), Kennemerland-Zuid (088), Voornes Duin (100) en Kop van Schouwen (116). In het Natura 2000 doelendocument (2006) vallen deze drie verbonden onder het subtype vochtige duinvalleien open water (H2190A). Op grond van de huidige kennis kunnen de volgende gebieden als de drie belangrijkste voor dit subtype worden beschouwd: Duinen en Lage Land Texel, Zwanenwater & Pettemerduinen29 (085) en Kennemerland-Zuid afgemeten aan de in de gebieden aanwezige oppervlakten. Uit het oogpunt van geografische spreiding kan daaraan nog Voornes Duin worden toegevoegd.

H2190C – Vochtige duinvalleien, kalkarm

Landelijke oppervlakte ca.120 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

004

Duinen Terschelling

A1 (15-30%)

SBB 1999

003

Duinen Vlieland

A1 (15-30%)

SBB 2005

005

Duinen Ameland

A1 (15-30%)

SBB 1998, RWS 1997 en 2003

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn de drie volgende gebieden voor dit subtype, indertijd het Verbond van Zwarte Zegge (Caricion nigrae), geselecteerd: Duinen Terschelling (004), Zwanenwater & Pettemerduinen (085)30 en Duinen en Lage Land Texel (002)31. Ten gevolge van het beschikbaar komen van meer kwantitatieve gegevens voldoen de volgende gebieden thans aan het criterium van “belangrijkste gebieden”: Duinen Terschelling (004), Duinen Vlieland (003) en Duinen Ameland (005). Thans hebben deze gebieden gemeten aan de kwaliteit en de aanwezige oppervlakte de grootste relatieve bijdrage aan het habitattype. De volledige variatie van het subtype komt op de Waddeneilanden voor inclusief de gradiënten naar vochtige kraaiheide (H2140A).

H2190D – Vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten

Landelijke oppervlakte ca. 300 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

085

Duinen Zwanewater en Pettemerduinen

A1 (15-30%)

NM, SBB*

005

Duinen Ameland

B2 (6-15%)

SBB 1998, RWS 1997 en 2003

002

Duinen en Lage Land Texel

B2 (6-15%)

SBB 2005-06, DEF 2004

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

R (B1, 2-6%)a

NM 2007, RWS 2000

  • (a)

    De letter “R” in deze kolom geeft aan dat het gebied is geselecteerd teneinde een voldoende regionale spreiding te verkrijgen binnen het landelijke verspreidingsgebied van het subtype.

Bij de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) is het Verbond der grote Zeggen niet als apart subtype opgenomen. Uit de Europese interpretatie van het habitattype blijkt echter dat riet- en andere oevervegetaties in duinvalleien ook tot het habitattype worden gerekend32. Voor het habitattype vochtige duinvalleien, hogere moerasplanten (H2190D), zijn de drie belangrijkste gebieden, afgemeten aan kwaliteit en de in de gebieden aanwezige oppervlakten: Duinen en Lage Land Texel (002)33, Duinen Ameland (005) en Zwanenwater & Pettemerduinen (085)34. Duinen Vlieland (003) heeft ook een relatief grote oppervlakte maar dit omvat veel rietvegetaties in de Kroon’s Polders, die in kwalitatieve zin onderdoen voor de gevarieerde moerasplantenvegetaties in Duinen Texel en Duinen Ameland.

Uit het oogpunt van geografische spreiding kan daaraan nog Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)35 worden toegevoegd. Binnen deze regio komt dit subtype verder nog voor in de gebieden Voornes Duin (100) en Manteling van Walcheren (117), maar verreweg de grootste oppervlakte ervan wordt aangetroffen in Duinen Goeree & Kwade Hoek.

B.4 Toewijzing instandhoudingsdoelstellingen aan Natura 2000-gebieden (artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5)

De hier vermelde gebiedsdoelen en vermeldingen van de relatieve bijdrage van de Natura 2000-gebieden die buiten dit aanwijzingsbesluit vallen en waarvan de definitieve besluiten op het moment van vaststelling van het onderhavige besluit nog niet zijn vastgesteld, moeten worden beschouwd als “indicatieve” opgaven en kunnen nog aan verandering onderhevig zijn.

In dit onderdeel wordt voor iedere Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied is aangewezen, inzichtelijk gemaakt hoe de landelijke doelstelling is uitgewerkt in de Natura 2000-gebieden. Onder iedere tabel wordt de landelijke staat van instandhouding (SvI) van betreffende habitattype of (vogel)soort vermeld. Indien de landelijke doelstelling van de betreffende waarde afwijkt van wat kan worden verwacht uit de SvI, is dit hier gemotiveerd. Gebiedsdoelstellingen die afwijken van de landelijke doelstelling, worden ook zoveel mogelijk gemotiveerd. In gevallen waarin motivering ontbreekt, is aanpassing nog in overweging (met name naar aanleiding van zienswijzen) in het kader van het besluit voor het betreffende gebied. Doelstellingen die volgens de tabellen zijn aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit (zie kolom “besluit”) staan eveneens onder de betreffende tabellen gemotiveerd. De instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en soorten die zijn toegevoegd naar aanleiding van zienswijzen, zijn in principe op behoud gesteld, omdat de landelijke doelstelling al haalbaar werd geacht zonder deze toevoegingen.

De niet-broedvogelsoorten waarvoor zowel landelijk als in alle gebieden een behoudsopgave is gesteld zijn samengevat in één tabel. Waar in de vogeltabellen wordt geschreven “A…b” betreft het een broedvogel en waar wordt geschreven “A…n" betreft het een niet-broedvogel. In een aparte kolom is van elk gebied de relatieve bijdrage vermeld. Voor een nadere toelichting en de klasse-indeling wordt verwezen naar de inleiding van onderdeel 3 van deze bijlage. In de kolom “Populatie” wordt tevens aangegeven of er sprake is van herstel dan wel uitbreiding (↑).

B.4.1 Habitatrichtlijn: habitattypen

H1330A – Schorren en zilte graslanden, buitendijks

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

verbetering

A3

Aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

B1

Aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

C

Aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

C

Aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit x

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

C

Aanwijzingsbesluit

088

Kennemerland-Zuid

behoud

behoud

C

Aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

C

Aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

C

Aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

behoud

behoud

C

Wijzigingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

B1

Aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

uitbreiding

verbetering

A1

Aanwijzingsbesluit

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

verbetering

C

Aanwijzingsbesluit

Vrijwel alle kweldergebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Waddenzee (001) en Westerschelde & Saeftinghe (122) herbergen tezamen meer dan 80% van de landelijke oppervlakte en kunnen daarmee ook de grootste bijdrage leveren aan de herstelopgave. In de andere gebieden is het habitattype reeds in goede kwaliteit aanwezig (dus behoud is voldoende) of is herstel waarschijnlijk niet mogelijk gegeven de getijdendemping ten gevolge van de aanleg van de stormvloedkering (Oosterschelde (118)). In Zwin & Kievittepolder (123) daarentegen wordt verbetering kwaliteit, door toename aan dynamiek als gevolg van de uitbreiding van het gebied, wel mogelijk geacht. In het westelijke deel van de Westerschelde wijkt de oppervlakte kwelders sterk af van de natuurlijke situatie. Hier vindt nog steeds afbraak van schorren plaats. Daarom wordt hier uitbreiding van de oppervlakte nagestreefd. Met deze gebiedsdoelstellingen wordt de landelijke doelstelling voldoende afgedekt.

H2120 – Witte duinen

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit a

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

oppervlakte

Doel

kwaliteit

Relatieve

bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

B2

conform ontwerp

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

B2

conform ontwerp

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

B2

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

B2

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

007

Noordzeekustzone

 
 
 

doel vervallen

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

behoud

verbetering

B1

ontwerpbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

086

Schoorlse Duinen

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

096

Coepelduynen

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

097

Meijendel & Berkheide

behoud

verbetering

B1

ontwerpbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

behoud

verbetering

B1

ontwerpbesluit

117

Manteling van Walcheren

behoud

behoud

B1

doel toegevoegd

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    Verbetering kwaliteit wordt vooral nagestreefd in de duinen van de vastelandskust en het Deltagebied.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte).

De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype witte duinen is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De doelstelling van verbetering kwaliteit wordt nagestreefd door het optimaliseren van verstuiving. In de gebieden waar deze ontwikkeling conflicteert met de veiligheid van het achterliggende land is geen verbeterdoelstelling neergelegd (zoals in Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)). In het Waddengebied komt het habitattype reeds over een groot oppervlakte en in goede kwaliteit voor. Ook voor deze gebieden is een behoudsopgave geformuleerd.

Voor de gebieden langs de (Noord-)Hollandse kust (Schoorlse Duinen (086), Noordhollands Duinreservaat (087) en Kennemerland-Zuid (088)) is, in tegenstelling tot het landelijk doel, gekozen voor de doelstelling uitbreiding oppervlakte. Vanwege de grote breedte van het duingebied is uitbreiding van witte duinen in deze gebieden goed mogelijk. Dit is vooral van belang voor de uitbreidingsopgave van het prioritaire type grijze duinen (*H2130).

H2130A – *Grijze duinen, kalkrijk

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

oppervlakte

Doel

kwaliteit

Relatieve

bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

C

doel toegevoegd

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

B1

doel aangepast a

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

C

doel toegevoegd

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

B1

doel toegevoegd

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

C

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

C

conform ontwerp

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

verbetering

A1

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

uitbreiding

verbetering

A2

ontwerpbesluit

096

Coepelduynen

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

097

Meijendel & Berkheide

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

098

Westduinpark & Wapendal

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

uitbreiding

verbetering

C

doel aangepast b

100

Voornes Duin

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

117

Manteling van Walcheren

behoud

behoud

C

doel toegevoegd

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    De doelstelling voor Duinen en Lage Land Texel is aangepast, omdat op dit Waddeneiland relatief veel kalkrijke bodem aanwezig is, waar goede mogelijkheden zijn voor uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van dit habitattype.

  • (b)

    De doelstelling voor Solleveld & Kapittelduinen is aangepast, omdat uitbreiding van de oppervlakte mogelijk is vanuit vergraste en verstruweelde duingraslanden.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype grijze duinen, kalkrijk (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig” en “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In afwijking van de landelijke doelstelling is voor gebieden met een relatief geringe bijdrage (onder andere Duinen Ameland (005), Duinen Schiermonnikoog (006), Zwin & Kievittepolder (123)) aan deze landelijke doelstelling gekozen voor een behoudsdoelstelling.

Ook voor het gebied Coepelduynen (096) geldt een behoudsopgave, omdat het habitattype daar nog in goed ontwikkelde vorm voorkomt en er geen mogelijkheden zijn voor uitbreiding van de oppervlakte.

H2130B – *Grijze duinen, kalkarm

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

verbetering

B1

conform ontwerp

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

B2

conform ontwerp

003

Duinen Vlieland

uitbreiding

verbetering

B2

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

B2

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

B1

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

uitbreiding

verbetering

B1

conform ontwerp

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

086

Schoorlse Duinen

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

behoud

verbetering

B2

ontwerpbesluit

097

Meijendel & Berkheide

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

uitbreiding

verbetering

C

doel aangepast a

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

116

Kop van Schouwen

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

117

Manteling van Walcheren

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

De doelstelling voor Solleveld & Kapittelduinen is aangepast, omdat uitbreiding van de oppervlakte mogelijk is vanuit vergraste en verstruweelde duingraslanden.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype grijze duinen, kalkarm (subtype B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig” en “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De doelstellingen voor de gebieden Duinen Goeree & Kwade Hoek (101) en Duinen Den Helder – Callantsoog (084) wijken af van de landelijke doelstelling, omdat het habitattype in deze gebieden reeds in goed ontwikkelde vorm aanwezig is en er geen mogelijkheden zijn voor uitbreiding van de oppervlakte. Ook de doelstelling van het gebied Grevelingen (115) wijkt af van de landelijke doelstelling, omdat het gebied te weinig kustdynamiek heeft om uitbreiding of verbetering te kunnen realiseren. Vanwege de dynamische omstandigheden in de Waddenzee (001) is uitbreiding van de oppervlakte in dit gebied niet mogelijk. Hier wordt dan ook alleen ingezet op verbetering van de kwaliteit. Ook in het gebied Kennemerland-Zuid (088) wordt alleen ingezet op verbetering van de kwaliteit, aangezien de overwegend kalkrijke bodem hier geen mogelijkheden biedt voor uitbreiding van de oppervlakte.

H2130C – *Grijze duinen, heischraal

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

B2

conform ontwerp

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

B1

doel toegevoegd

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

B2

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

B1

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

uitbreiding

verbetering

B2

conform ontwerp

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

085

Zwanenw ater & Pettemerduinen

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

verbetering

A1

aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

uitbreiding

verbetering

A1

ontwerpbesluit

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype grijze duinen, heischraal (subtype C) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De doelstelling voor het gebied Duinen Den Helder – Callantsoog (084) wijkt af van de landelijke doelstelling, omdat het habitattype in dit gebied reeds in goed ontwikkelde vorm aanwezig is en er geen mogelijkheden zijn voor uitbreiding van het oppervlakte. In het gebied Duinen Goeree & Kwade hoek (101) is het habitattype reeds over voldoende oppervlakte aanwezig en zijn er geen potenties voor verdere uitbreiding. Er is wel een verbeteropgave voor de kwaliteit van het habitattype in dit gebied. De overige gebiedsdoelen sluiten aan bij de landelijke opgave.

H2140A – *Duinheiden met kraaihei, vochtig

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve

bijdrage b

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud a

behoud

A1

conform ontwerp

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

behoud

verbetering

A2

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

behoud

verbetering

C

conform ontwerp

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

behoud a

behoud

C

ontwerpbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

086

Schoorlse Duinen

behoud a

verbetering

B2

ontwerpbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

behoud

verbetering

B1

ontwerpbesluit

  • (a)

    Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van habitattypen H2170 kruipwilgstruwelen of H2190 vochtige duinvalleien is toegestaan36.

  • (b)

    Dit betreft de relatieve bijdrage van het habitattype als geheel. Het was niet mogelijk om de actuele voorkomens van de afzonderlijke subtypen in kwantitatieve zin te duiden.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000- netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype duinheiden met kraaihei, vochtig (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In de gebieden Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Vlieland (003), Duinen Den Helder – Callantsoog (084) en Zwanenwater & Pettemerduinen (085) wordt, in afwijking van het landelijk doel, behoud van de kwaliteit nagestreefd, omdat het habitattype hier momenteel reeds in goede kwaliteit aanwezig is.

H2140B – *Duinheiden met kraaihei, droog

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve

bijdrage a

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

A1

conform ontwerp

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

behoud

verbetering

A2

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

C

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

C

conform ontwerp

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

086

Schoorlse Duinen

behoud

verbetering

B2

ontwerpbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

  • (a)

    Dit betreft de relatieve bijdrage van het habitattype als geheel. Het was niet mogelijk om de actuele voorkomens van de afzonderlijke subtypen in kwantitatieve zin te duiden.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype duinheiden met kraaihei, droog (subtype B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Wat betreft de landelijke doelstelling voor verbetering van de kwaliteit is deze neergelegd in de twee kerngebieden voor dit subtype: Duinen Terschelling (004) en Schoorlse Duinen (086). Deze gebieden bevatten een grote oppervlakte van dit habitattype en hier zijn goede mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit. In de overige gebieden wordt behoud van de kwaliteit nagestreefd, in afwijking van het landelijk doel.

H2150 – *Duinheiden met struikhei

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

A1

doel toegevoegd

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

B1

doel toegevoegd

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

A2

doel toegevoegd

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

B2

conform ontwerp

087

Noordhollands Duinreservaat

behoud

behoud

A1

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

098

Westduinpark & Wapendal

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

116

Kop van Schouwen

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

117

Manteling van Walcheren

 
 
 

doel vervallen

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype duinheiden met struikhei is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In afwijking van de landelijke doelstelling is voor het gebied Solleveld & Kapittelduinen (099) gekozen voor verbetering van de kwaliteit, omdat de kwaliteit in dit gebied de laatste jaren enigszins achteruit is gegaan en er kansen voor verbetering zijn. De overige gebiedsdoelen sluiten aan bij de landelijke opgave.

H2160 – Duindoornstruwelen

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteita

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

C

conform ontwerp

002

Duinen en Lage Land Texel

behouda

behoud

B1

conform ontwerp

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

C

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

C

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

C

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

086

Schoorlse Duinen

behouda

behoud

C

ontwerpbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

behouda

behoud

B2

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

behouda

behoud

A2

ontwerpbesluit

096

Coepelduynen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

097

Meijendel & Berkheide

behouda

behoud

B2

ontwerpbesluit

098

Westduinpark & Wapendal

behouda

behoud

C

ontwerpbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

behouda

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behouda

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

116

Kop van Schouwen

behouda

behoud

B2

ontwerpbesluit

117

Manteling van Walcheren

behouda

behoud

C

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    … van goed ontwikkelde vormen in de gebieden waar het type een belangrijke positie in het duinlandschap inneemt. Enige achteruitgang in oppervlakte is toegestaan ten gunste van uitbreiding oppervlakte van habitattypen *grijze duinen (H2130), duinbossen (H2180) of vochtige duinvalleien (H2190), mits de totale oppervlakte van goed ontwikkelde vormen niet afneemt37.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype duindoornstruwelen is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling. Aan een groot deel van de gebieden is een ten gunste formulering toegevoegd. Afhankelijk van het voorkomen in deze gebieden zullen één of meerdere van de begunstigde habitattypen (*H2130, H2180 of H2190) in de “ten gunste formulering” van de betreffende gebieden zijn opgenomen.

H2170 – Kruipwilgstruwelen

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteita

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

oppervlakte

Doel

kwaliteit

Relatieve

bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

B2

conform ontwerp

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

C

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

behoudb

behoud

A1

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

behoudb

behoud

B2

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

behoudb

behoud

B1

conform ontwerp

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

086

Schoorlse Duinen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

behoudb

behoud

B1

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

behoudb

behoud

B1

ontwerpbesluit

096

Coepelduynen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

behoudb

behoud

C

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

A1

ontwerpbesluit

116

Kop van Schouwen

behoudb

behoud

B1

ontwerpbesluit

  • (a)

    Lokaal uitbreiding oppervlakte van goed ontwikkelde vormen en lokaal verbetering kwaliteit.

  • (b)

    De oppervlakte mag afnemen ten gunste van uitbreiding van habitattype vochtige duinvalleien (H2190)38.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype kruipwilgstruwelen is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling. De lokale uitbreiding- en verbeteringsdoelstelling ligt in het gebied Duinen Den Helder – Callantsoog (084). Het habitattype komt hier in geringe mate voor in matige tot goede kwaliteit en het gebied heeft goede potentie voor herstel.

H2180A – Duinbossen, droog

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteita

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve

bijdrage d

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

verbetering

B2

doel toegevoegd

003

Duinen Vlieland

uitbreiding

verbetering

C

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

B1

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

C

doel toegevoegd

006

Duinen Schiermonnikoog

uitbreiding

behoud

B1

conform ontwerp

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

behoud

behoud

C

doel toegevoegd

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

086

Schoorlse Duinen

uitbreiding

behoud

B2

ontwerpbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

behoud

A1

doel aangepastc

088

Kennemerland-Zuid

behoud

behoud

A1

ontwerpbesluit

097

Meijendel & Berkheide

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

098

Westduinpark & Wapendal

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

behoud

verbetering

B1

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

behoudb

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

behoudb

behoud

B2

ontwerpbesluit

117

Manteling van Walcheren

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

  • (a)

    Lokaal uitbreiding oppervlakte van goed ontwikkelde vormen en lokaal verbetering kwaliteit.

  • (b)

    De oppervlakte mag afnemen ten gunste van uitbreiding van habitattypen grijze duinen (*H2130) of vochtige duinvalleien (H2190)39.

  • (c)

    De doelstelling voor Noordhollands Duinreservaat is aangepast, omdat hier goede mogelijkheden zijn voor uitbreiding van de oppervlakte.

  • (d)

    Dit betreft de relatieve bijdrage van het habitattype als geheel. Het is het (nog) niet mogelijk om de actuele voorkomens van de afzonderlijke subtypen in kwantitatieve zin te duiden.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte).

De landelijke staat van instandhouding van het habitattype duinbossen, droog (subtype A) is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De lokale opgave voor uitbreiding oppervlakte is op de Waddeneilanden neergelegd, omdat de oppervlakte van dit subtype daar klein is. Ook in de Natura 2000-gebieden Schoorlse Duinen (086) en Noordhollands Duinreservaat (087) wordt uitbreiding van de oppervlakte van dit subtype nagestreefd en realistisch geacht. In het gebied Duinen en Lage Land Texel (002) is het beheer, net als in Solleveld & Kapittelduinen (099), reeds gericht op verbetering van de kwaliteit. Ook in de gebieden Duinen Vlieland (003), Duinen Terschelling (004), Westduinpark & Wapendal (098) en Voornes Duin (100) bestaan goede mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit. Met name Voornes Duin (100) kan hiermee een zeer grote bijdrage gaan leveren aan het landelijke doel voor dit subtype.

H2180B – Duinbossen, vochtig

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteita

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

oppervlakte

Doel

kwaliteit

Relatieve

bijdragec

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

verbetering

B2

doel toegevoegd

003

Duinen Vlieland

uitbreiding

verbetering

C

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

B1

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

C

doel toegevoegd

006

Duinen Schiermonnikoog

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

086

Schoorlse Duinen

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

behoud

verbetering

A1

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

behoud

verbetering

A1

ontwerpbesluit

097

Meijendel & Berkheide

behoud

verbetering

B2

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

behoudb

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

behoudb

verbetering

B2

ontwerpbesluit

  • (a)

    ….maar lokaal uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

  • (b)

    De oppervlakte mag afnemen ten gunste van uitbreiding van habitattypen grijze duinen (*H2130) of vochtige duinvalleien (H2190) )40.

  • (c)

    Dit betreft de relatieve bijdrage van het habitattype als geheel. Het is het (nog) niet mogelijk om de actuele voorkomens van de afzonderlijke subtypen in kwantitatieve zin te duiden.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte).

De landelijke staat van instandhouding van het habitattype duinbossen, vochtig (subtype B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De opgave voor uitbreiding oppervlakte is voornamelijk op de Waddeneilanden neergelegd, omdat de oppervlakte van dit subtype daar klein is. Het beheer is in het gebied Duinen en Lage Land Texel (002) reeds gericht op verbetering van de kwaliteit. De kwaliteitsdoelstellingen van de gebieden Duinen Den Helder – Callantsoog (084) en Schoorlse Duinen (086) wijken af van het landelijk doel omdat hier weinig potentie voor kwaliteitsverbetering is. Ook in de gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen (085) en Voornes Duin (100) wordt behoud van de kwaliteit nagestreefd in tegenstelling tot het landelijk doel, omdat hier reeds een goed ontwikkelde oppervlakte van het habitattype duinbossen, vochtig (subtype B) aanwezig is.

H2180C – Duinbossen, binnenduinrand

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit a

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

oppervlakte

Doel

kwaliteit

Relatieve

bijdrage c

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

verbetering

B2

doel toegevoegd

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

B1

doel toegevoegd

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

C

doel toegevoegd

006

Duinen Schiermonnikoog

uitbreiding

verbetering

B1

conform ontwerp

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

behoud

behoud

C

doel toegevoegd

086

Schoorlse Duinen

behoud

behoud

B2

doel toegevoegd

087

Noordhollands Duinreservaat

behoud

behoud

A1

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

behoud

behoud

A1

ontwerpbesluit

097

Meijendel & Berkheide

behoud

verbetering

B2

ontwerpbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

behoud b

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

behoud b

behoud

B2

ontwerpbesluit

117

Manteling van Walcheren

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

  • (a)

    Lokaal verbetering kwaliteit.

  • (b)

    De oppervlakte mag afnemen ten gunste van uitbreiding van habitattypen grijze duinen (*H2130) of vochtige duinvalleien (H2190)41.

  • (c)

    Dit betreft de relatieve bijdrage van het habitattype als geheel. Het is het (nog) niet mogelijk om de actuele voorkomens van de afzonderlijke subtypen in kwantitatieve zin te duiden.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte).

De landelijke staat van instandhouding van het habitattype duinbossen, binnenduinrand (subtype C) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hier op aan. In het gebied Duinen en Lage Land Texel (002) is het beheer reeds gericht op verbetering van de kwaliteit. De lokale opgave voor verbetering van de kwaliteit is verder neergelegd in de gebieden Duinen Schiermonnikoog (006) en Meijendel & Berkheide (097) omdat hier de beste potenties voor herstel liggen. Vanwege de relatief kleine oppervlakte van dit habitattype op de Waddeneilanden is in het gebied Duinen Schiermonnikoog (006) een doel gesteld voor uitbreiding van de oppervlakte.

H2190A – Vochtige duinvalleien, open water

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

oppervlakte

Doel

kwaliteit

Relatieve

bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

B2

doel aangepast a

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

C

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

B1

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

verbetering

B1

conform ontwerp

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

behoud

B2

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

uitbreiding

verbetering

A1

ontwerpbesluit

096

Coepelduynen

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

097

Meijendel & Berkheide

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

117

Manteling van Walcheren

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    Voor het gebied Duinen en Lage Land Texel (002) is het doel voor de oppervlakte aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit omdat het beheer reeds blijkt te zijn gericht op uitbreiding.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype vochtige duinvalleien, open water (H2190A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan voor het aspect kwaliteit. Echter op het aspect oppervlakte wijkt het landelijk doel af, omdat Nederland een zeer groot relatief belang heeft voor het habitattype. Er geldt een behoudsdoelstelling als er in het gebied geen herstelmogelijkheden zijn, zoals in Duinen Vlieland (003). Alle verbeterdoelstellingen sluiten aan op reeds ingezet hydrologisch herstel (Waddeneilanden en Hollandse kust) en regeneratie van duinvalleien in duingebieden die door waterwinning zijn aangetast. Voor duurzaam voortbestaan van jonge stadia en de rijke variatie aan vochtige duinvalleien, is vergroting van dynamiek door wind en zee noodzakelijk in een deel van de gebieden. Een dergelijke ontwikkeling wordt nagestreefd op plaatsen waar dit niet in conflict is met de veiligheid van het achterliggende land.

H2190B – Vochtige duinvalleien, kalkrijk

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

oppervlakte

Doel

kwaliteit

Relatieve

bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

C

conform ontwerp

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

B2

doel aangepasta

003

Duinen Vlieland

uitbreiding

behoud

C

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

behoud

B2

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

C

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

uitbreiding

verbetering

C

conform ontwerp

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

behoud

B1

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

097

Meijendel & Berkheide

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

114

Krammer-Volkerak

uitbreiding

behoud

C

concept- ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

A2

ontwerpbesluit

116

Kop van Schouwen

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

117

Manteling van Walcheren

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    Voor het gebied Duinen en Lage Land Texel (002) is het doel voor de oppervlakte aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit omdat het beheer reeds blijkt te zijn gericht op uitbreiding.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype vochtige duinvalleien, kalkrijk (2190B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Wanneer er geen potentiële herstelmogelijkheden aanwezig zijn binnen de begrenzing van het gebied door bijvoorbeeld de mate van dynamiek, zoals in Waddenzee (001) en Noordzeekustzone (007), is er behoudsdoelstelling neergelegd. Alle verbeterdoelstellingen sluiten aan op reeds ingezet hydrologisch herstel (Waddeneilanden en Hollandse kust) en regeneratie van duinvalleien in duingebieden die door waterwinning zijn aangetast. Voor duurzaam voortbestaan van jonge stadia en de rijke variatie aan vochtige duinvalleien, is vergroting van dynamiek door wind en zee noodzakelijk in een deel van de gebieden. Een dergelijke ontwikkeling wordt nagestreefd op plaatsen waar dit niet in conflict is met de veiligheid van het achterliggend land.

H2190C – Vochtige duinvalleien, kalkarm

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

oppervlakte

Doel

kwaliteit

Relatieve

bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

B1

doel aangepast a

003

Duinen Vlieland

uitbreiding

verbetering

A1

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

A1

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

behoud

verbetering

A1

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

086

Schoorlse Duinen

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

behoud

B1

ontwerpbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

  • (a)

    Voor het gebied Duinen en Lage Land Texel (002) is het doel voor de oppervlakte aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit omdat het beheer reeds blijkt te zijn gericht op uitbreiding.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte).

De landelijke staat van instandhouding van het habitattype Vochtige duinvalleien, kalkarm (2190C) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijk doelstelling sluit hierbij aan. Er geldt een behoudsdoelstelling als in het gebied geen herstelmogelijkheden zijn, zoals in Duinen Schiermonnikoog (006).

Alle verbeterdoelstellingen sluiten aan op reeds ingezet hydrologisch herstel (Waddeneilanden en Hollandse kust) en regeneratie van duinvalleien in duingebieden die door waterwinning zijn aangetast. Voor duurzaam voortbestaan van jonge stadia en de rijke variatie aan vochtige duinvalleien, is vergroting van dynamiek door wind en zee noodzakelijk in een deel van de gebieden. Een dergelijke ontwikkeling wordt nagestreefd op plaatsen waar dit niet in conflict is met de veiligheid van het achterliggend land.

H2190D – Vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

B2

doel aangepast a

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

B2

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

C

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

B2

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

B2

conform ontwerp

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

A1

ontwerpbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

behoud

B2

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

097

Meijendel & Berkheide

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

117

Manteling van Walcheren

behoud

behoud

C

doel toegevoegd

  • (a)

    Voor het gebied Duinen en Lage Land Texel (002) is het doel voor de oppervlakte aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit omdat het beheer reeds blijkt te zijn gericht op uitbreiding.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (> 95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten (2190D) is voor de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig” en “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit aan bij het aspect oppervlakte voor het aspect kwaliteit wijkt het echter af.

Hiervoor is gekozen vanwege het zeer grote relatief dat Nederland heeft voor het habitattype. Bovendien is hiervoor gekozen om het hydrologische herstel dat reeds is ingezet voor het habitattype optimaal te benutten.

Wanneer er geen potentiële herstelmogelijkheden aanwezig zijn binnen de begrenzing van het gebied, zoals in Duinen Terschelling (004), is er een behoudsdoelstelling neergelegd. Alle verbeterdoelstellingen sluiten aan op reeds ingezet hydrologisch herstel (Waddeneilanden en Hollandse kust) en regeneratie van duinvalleien in duingebieden die door waterwinning zijn aangetast. Voor duurzaam voortbestaan van jonge stadia en de rijke variatie aan vochtige duinvalleien, is vergroting van dynamiek door wind en zee noodzakelijk in een deel van de gebieden. Een dergelijke ontwikkeling wordt nagestreefd op plaatsen waar dit niet in conflict is met de veiligheid van het achterliggend land.

H6230 – Heischrale graslanden

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

oppervlakte

Doel

kwaliteit

Relatieve

bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

 
 
 

doel vervallen

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

B2

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

C

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

 
 
 

doel vervallen

015

Van Oordt’s Mersken

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

016

Wijnjeterper Schar

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

025

Drentsche Aa- gebied

uitbreiding

verbetering

B1

concept- ontwerp

027

Drents-Friese Wold & Leggelderveld

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

028

Elperstroomgebied

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

029

Havelte-Oost

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

030

Dwingelderveld

uitbreiding

behoud

C

ontwerpbesluit

032

Mantingerzand

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

033

Bargerveen

behoud

behoud

B1

concept- ontwerp

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

041

Boetelerveld

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

042

Sallandse Heuvelrug

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

044

Borkeld

uitbreiding

behoud

B1

ontwerpbesluit

045

Springendal & Dal van de Mosbeek

uitbreiding

behoud

C

ontwerpbesluit

046

Bergvennen & Brecklenkampse Veld

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

049

Dinkelland

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

051

Lonnekermeer

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

055

Aamsveen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

057

Veluwe

uitbreiding

verbetering

B1-B2

ontwerpbesluit

058

Landgoederen Brummen

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

060

Stelkampsveld

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

062

Willinks Weust

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

069

Bruuk

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

uitbreiding

behoud

C

ontwerpbesluit

133

Kampina & Oisterwijkse Vennen

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

153

Bunder- en Elsloërbos

uitbreiding

verbetering

C

concept- ontwerp

155

Brunssummerheide

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

156

Bemelerberg & Schiepersberg

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

157

Geuldal

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

159

Sint Pietersberg & Jekerdal

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

160

Savelsbos

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van het habitattype blauwgraslanden (H6410) is toegestaan.

Het habitattype heischrale graslanden heeft een sterk versnipperd voorkomen dat doorgaans over kleine oppervlakten voorkomt. Van de circa 100 ha heischrale graslanden in Nederland is ongeveer de helft opgenomen in het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van dit habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In enkele gebieden wijkt de doelstelling betreffende de oppervlakte af van het landelijk doel en wordt behoud nagestreefd. De belangrijkste reden hiervoor is dat er buiten het huidig voorkomen in het betreffende gebied niet of nauwelijks uitbreidingsmogelijkheden aanwezig zijn, onder andere in Dinkelland (049) en Willinks Weust (062). Het landelijke doel ter verbetering van de kwaliteit van dit habitattype kan ook niet in alle gebieden gerealiseerd worden. De meest kansrijke gebieden zijn aangewezen voor kwaliteitsverbetering van het habitattype. Dit is het geval in de gebieden Bruuk (069), Landgoederen Brummen (058), Duinen Terschelling (004) en Duinen Ameland (005). In twaalf andere gebieden wordt behoud van de kwaliteit nagestreefd. Mogelijke redenen hiervoor zijn de aanwezigheid van reeds goede kwaliteit (Bargerveen (033)) en geringe mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering.

B.4.2 Habitatrichtlijn: soorten

H1364 – Grijze zeehond

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

behoud

A3

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

behoud

B1-B2

wijzigingsbesluita

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

163

Vlakte van de Raan

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

164

Doggersbank

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

165

Klaverbank

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Wijzigingsbesluit Noordzeekustzone, Staatscourant 18 oktober 2012, nr.21274.

De landelijke staat van instandhouding van de grijze zeehond is op het aspect populatie beoordeeld als “gunstig”. Op het aspect leefgebied is de staat van instandhouding beoordeeld als “matig ongunstig”.

De landelijke doelstelling sluit wat betreft het aspect populatie op de staat van instandhouding aan.

Grijze zeehonden moeten voor het werpen en zogen van jongen, zandbanken opzoeken die bij extreme weersomstandigheden (zoals zware winterstormen) overspoeld worden. Hierdoor treedt frequent sterfte van jongen op. Het is onduidelijk of het huidige leefgebied geschikt genoeg is voor een duurzame populatie zonder immigratie. Recent neemt het aantal in de Nederlandse kustwateren geboren pups toe en neemt de immigratie vanuit het Verenigd Koninkrijk af. Dat wordt gezien als een indicatie dat het probleem van voldoende permanent droge en onverstoorde ligplaatsen voor het werpen en zogen van jongen minder groot lijkt te zijn dan eerder werd verondersteld. Ter voorkoming van achteruitgang is daarom voor het aspect kwaliteit van het leefgebied een behoudopgave gekozen tot doel gesteld. De gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke doelstelling. In die Natura 2000-gebieden waar droogvallende zandplaten en of embryonale duinen (rust- en voortplantingsgebied) aanwezig zijn, kunnen gebiedsspecifieke maatregelen gericht op de verstoring een bijdrage leveren aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling. Voor mariene gebieden waar deze ligplaatsen niet zijn, zijn generieke maatregelen met betrekking tot verstorende activiteiten meer geëigend (zie de toelichting in de tweede alinea).

De Waddenzee (001) en de Noordzeekustzone (007) zijn de belangrijkste gebieden voor de grijze zeehond in Nederland. Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State is met een wijzigingsbesluit (18 oktober 2012) meer inzichtelijk gemaakt hoe de gunstige staat van instandhouding voor de grijze zeehond kan worden bereikt en op welke gronden in het gebied Noordzeekustzone voor de grijze zeehond kan worden volstaan met een behouddoelstelling. De Noordzeekustzone heeft, met name in de winter, een belangrijke foerageerfunctie. Gelet op de recente toename van de soort, wordt een behoudsdoelstelling voorlopig voldoende geacht.

Voor de gebieden in de Nederlandse exclusieve economische zone, Doggersbank (164) en Klaverbank (165), moet het volgende opgemerkt worden: op basis van beschikbare informatie over de ecologische functie van deze gebieden voor de grijze zeehond kan geen onderscheid gemaakt worden ten aanzien van het belang van de afzonderlijke gebieden enerzijds en de rest van de Nederlandse exclusieve economische zone anderzijds. Hetzelfde geldt voor de Vlakte van de Raan (163), dat mogelijk als foerageergebied dient voor dieren die zich in de nabije omgeving voortplanten of door het gebied trekken.

H1903 – Groenknolorchis

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit biotoop ten behoeve van

uitbreiding populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

behoud

A1

conform ontwerp

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

behoud

C

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

behoud

A1

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

behoud

C

conform ontwerp

018

Rottige Meenthe & …

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

concept- ontwerp

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

A1

ontwerpbesluit

035

Wieden

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

072

Ijsselmeer

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

behoud

behoud

uitbreiding

C

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

uitbreiding

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De …

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

116

Kop van Schouwen

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de groenknolorchis is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”42. De kansen voor uitbreiding van populaties zijn in de meeste gebieden echter beperkt, er is daarom veelal voor een behoudsopgave gekozen.

Uitbreiding hangt veelal samen met de ontwikkelingsmogelijkheden van gebufferde vennen (waaronder overgangs- en trilvenen, trilvenen (H7140A)) of jonge successiestadia van duinvalleien (waaronder vochtige duinvalleien, kalkrijk (H2190B)).

In de gebieden Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Vlieland (003), Duinen Terschelling (004) en Duinen Schiermonnikoog (006) zijn de doelstellingen aangepast, omdat de biotoop voor deze soorten hier in voldoende mate en kwaliteit voorkomt. Hetzelfde geldt voor de Wieden (035) en de Weerribben (034), de soort is hier goed vertegenwoordigd. In de Deltagebieden hangt de ontwikkeling samen met de fluctuerende waterstanden en natuurlijke successie. In het IJsselmeer (072) worden de mogelijkheden voor herstel of uitbreiding zeer laag ingeschat. In de laagveengebieden gaat het om kleine populaties, waarvoor geen tot weinig uitbreidingsmogelijkheden worden gezien, mede gezien de natuurlijke ontwikkelingen aldaar. Voor Kennemerland-Zuid (088) is de verwachting dat onder behoud van de huidige omstandigheden de populatie zich hier uitbreidt. In Voornes Duin is de doelstelling vastgesteld in samenhang met die voor vochtige duinvalleien (H2190).

B.4.3 Vogelrichtlijn: broedvogels

A021 – Roerdomp

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

omvang

Doel

kwaliteit

Populatie

Relatieve

bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

5

C

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

2

C

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

3 (↑)

C

conform ontwerp

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

10

B1

concept- ontwerp

013

Alde Feanen

behoud

behoud

4

C

ontwerpbesluit

014

Deelen

behoud

behoud

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

020

Zuidlaardermeergebied

behoud

behoud

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

B1

ontwerpbesluit

035

Wieden

behoud

behoud

30 (↑)

B2

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water …

uitbreiding

verbetering

1

C

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

072

Ijsselmeer

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

B1

ontwerpbesluit

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

6 (↑)

C

ontwerpbesluit

075

Ketelmeer & Vossemeer

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

076

Veluwerandmeren

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

40

B2

ontwerpbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

2 (↑)

C

ontwerpbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & …

behoud

behoud

10

B1

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, …

behoud

behoud

15

B2

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De …

uitbreiding

verbetering

6 (↑)

C

ontwerpbesluit

105

Zouweboezem

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

concept-ontwerp

De landelijke staat van instandhouding van de roerdomp is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied als “zeer ongunstig” beoordeeld. De zeer ongunstige staat van instandhouding wordt met name veroorzaakt door de afgenomen omvang en kwaliteit van het leefgebied. De landelijke doelstelling omvat een herstelopgave voor zowel leefgebied als populatie: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding tot een populatie van ten minste 400 paren”.

Het gemiddelde over de periode 1999-2003 bedroeg 270 broedparen, waarvan 67% binnen Natura 2000-gebieden voorkomt. De som van de gebiedsdoelen (214) bedraagt ongeveer 55% van het doelniveau. Dit impliceert dat het beoogde herstel deels zal moeten worden bereikt door maatregelen in gebieden buiten Natura 2000. De Waddeneilanden bieden geen verdere ruimte voor uitbreiding gelet op de beperkte beschikbaarheid van rietmoerassen in de duingebieden, hier is dan ook voor een behoudsopgave gekozen. Andere gebieden met een afwijkende doelstellingen zijn Lauwersmeer (008), Alde Faenen (013), Oostvaardersplassen (078) Wormer- en Jisperveld en Kalverpolder (090), en Ilperveld, Oostzanerveld, Varkensland & Twiske (092). Uit tellingen blijkt dat de draagkracht van de soort in deze gebieden in het verleden niet groter is geweest dan het gemiddelde voorkomen waarop de draagkracht in de doelstelling is gebaseerd. In de gebieden Deelen (014), Zuidlaardermeergebied (019), Wieden (035) en Zwanenwater en Pettemerduinen (085) wordt tevens behoud ten doel gesteld, hier wordt met het huidige leefgebied een kleine uitbreiding of herstel van de populatie beoogt. In het gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (037) wordt met uitbreiding en verbetering van het leefgebied gestreefd het huidige gemiddeld aanwezige aantal broedpaar te behouden. Alle andere gebiedsdoelen sluiten aan bij de landelijke doelstelling.

A063 – Eider

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

omvang

Doel

kwaliteit

Populatie

Relatieve

bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

verbetering

5.000

A3

doel aangepasta

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

110

C

conform ontwerp

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

2.100

A1

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

100 (↑)

C

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

200

A1

doel aangepasta

  • (a)

    Een deel (2.300) van het aantal dat eerder aan dit gebied was toegekend, is overgeheveld naar Waddenzee omdat de betreffende paren in het kweldergebied van het eiland nestelen dat onderdeel is van de Waddenzee. Het doel voor het leefgebied in de Waddenzee is aangepast in verbetering kwaliteit. De landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is mede gevolg van de afname van het voedselaanbod en de daaraan verbonden sterfte met name in dit gebied.

De landelijke staat van instandhouding van de eider is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied als “zeer ongunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling omvat een behoudsopgave voor het leefgebied met een doelniveau van 8.000 broedparen. Vanwege de aard van de leefgebieden is de populatie vrijwel beperkt tot Natura 2000-gebieden. Het genoemde doelniveau is de ondergrens van aantal schattingen in de periode 1999-2003 (8.000- 10.000). De getelde aantallen komen op een lager totaal uit (afgerond 7.500 paren) omdat er bij de landelijke aantalsopgave vanuit is gegaan dat de tellingen een onderschatting zijn van de populatiegrootte. Reden voor de zeer ongunstige staat instandhouding op het aspect populatie is de recente slechte voorplanting. Dit hangt samen met de afname van voedselaanbod en de daaraan verbonden sterfte. De landelijke doelstelling is daarom aangepast in “behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud van 8.000 broedparen”. Dit valt samen met verbeteropgaven voor de habitattypen H1110A en H1140A in het Waddengebied en noodzakelijk geacht om de broedpopulatie niet verder te laten afnemen. Deze doelstelling geldt met name voor de Waddenzee. In Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Vlieland (003) en Duinen Schiermonnikoog (006) wordt behoud van het leefgebied (cq. broedterrein) voor behoud van de populatie nagestreefd. De te behouden populatieaantallen zijn gebaseerd op de gemiddelde aantallen van de gebieden over de periode 1999-2003. In Duinen Ameland (005) is de kwaliteit van het leefgebied dermate achteruitgegaan dat een inspanning vereist is om de populatie weer op gewenst niveau te brengen.

A081 – Bruine kiekendief

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

omvang

Doel

kwaliteit

Populatie

Relatieve

bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

30

B1

conform ontwerp

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

30

B1

conform ontwerp

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

20

C

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

45

B1

doel aangepasta

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

40

B1

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

25

B1

conform ontwerp

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

20

C

concept- ontwerp

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

ontwerpbesluit

014

Deelen

uitbreiding

verbetering

5

C

ontwerpbesluit

035

Wieden

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

072

Ijsselmeer

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

40

B1

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland,…

behoud

behoud

15

C

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

30

B1

concept- ontwerp

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

10

C

concept- ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    Het gemiddelde van 44 is naar boven afgerond, in plaats van naar beneden in het ontwerpbesluit.

De landelijke staat van instandhouding van de bruine kiekendief is voor alle aspecten als “gunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling staat dan ook zowel voor omvang als kwaliteit van het leefgebied op behoud met een landelijk doelniveau van 1.300 broedparen. De soort heeft een ruime landelijke verspreiding (presentie in atlasblokken ca. 40%) waardoor minder dan de helft van de landelijke broedpopulatie in Vogelrichtlijngebieden is geconcentreerd.

Hierdoor is de soort minder kwetsbaar dan soorten die in hun verspreiding beperkt zijn tot een relatief klein aantal gebieden. De som van de gebiedsdoelen als percentage van het landelijke doelniveau bedraagt ruim 30%, hetgeen voldoende wordt geacht voor het duurzaam behoud van de populatie op de lange termijn. Het aandeel in Natura 2000-gebieden is groter (48%) dan de som van de gebiedsdoelen, omdat niet overal een doel is gesteld door de toepassing van een landelijke drempelwaarde (minimaal 1% landelijke populatie). Alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan bij de landelijke doelstelling, met uitzondering van de gebieden Alde Feanen (013) en Deelen (014). Vanwege de voor de regio unieke potentie voor een sleutelpopulatie is er voor het gebied Alde Feanen gekozen voor een hersteldoelstelling. Vanwege de recente afname van de populatie in gebied Deelen is hier een beperkte herstelopgave geformuleerd, zodat de soort voor het gebied behouden kan blijven.

A082 – Blauwe kiekendief

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

omvang

Doel

kwaliteit

Populatie

Relatieve

bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

3

B1

conform ontwerp

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

20

A1

conform ontwerp

003

Duinen Vlieland

uitbreiding

verbetering

9 (↑)

B1

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

A2

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B2

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

10 (↑)

B2

conform ontwerp

033

Bargerveen

behoud

behoud

1

C

ontwerpbesluit

078

Oostvaardersplassen

uitbreiding

verbetering

4

B1

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de blauwe kiekendief is voor wat betreft elk van de aspecten populatie en leefgebied als “zeer ongunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling omvat een herstelopgave voor het leefgebied en een doelniveau dat ruim driemaal groter is dan de populatie in de peilperiode 1999-2003 (78): “behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie tot 250 paren”. Vanwege de aard van het leefgebied is de broedpopulatie tegenwoordig geheel beperkt tot Natura 2000-gebieden. Het doelniveau van 250 ligt ver boven de historische referenties: 120-130 en 110-120 (resp. 1992 en 1996)43. Het landelijk doelniveau opgenomen in het landelijk doel is daarom verlaagd tot 110 (genoemde referenties zijn geflatteerd door tijdelijk gunstige omstandigheden in Zuidelijk Flevoland). De som van de gebiedsdoelen (107) is nu nagenoeg gelijk aan genoemd doelniveau. Mede gelet op de recente sterke afname van het aantal broedparen in alle broedterreinen, wordt verhoging van de gebiedsdoelen zoals opgenomen in de ontwerpbesluiten, in geen van de gebieden haalbaar geacht. De doelstelling van de gebieden Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Schiermonnikoog (006) en Bargerveen (033) wijken af van de landelijke doelstelling, vanwege de recente toename in de gebieden en de relatief stabiele trend van de laatste jaren. De doelstelling van de Waddenzee (001) wijkt af, omdat het gebied een overloop betreft van vogels uit de duinengebieden.

A119 – Porseleinhoen

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel

populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

4

C

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

2

C

conform ontwerp

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

15

B2

concept- ontwerp

009

Groote Wielen

behoud

behoud

4 (↑)

C

ontwerpbesluit

010

Oudegaasterbrekken, …

uitbreiding

verbetering

1 (↑)

C

ontwerpbesluit

012

Sneekermeergebied

behoud

behoud

2 (↑)

C

ontwerpbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

019

Leekstermeergebied

behoud

behoud

2 (↑)

C

ontwerpbesluit

020

Zuidlaardermeergebied

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B2

ontwerpbesluit

023

Fochteloërveen

behoud

behoud

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

033

Bargerveen

behoud

behoud

15 (↑)

B1

concept- ontwerp

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

30 (↑)

B1

ontwerpbesluit

035

Wieden

behoud

behoud

20

B2

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water…

behoud

behoud

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

066

Uiterwaarden Neder-Rijn

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

B1

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

15 (↑)

B1

ontwerpbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

7 (↑)

B1

ontwerpbesluit

075

Ketelmeer & Vossemeer

behoud

behoud

2

C

ontwerpbesluit

078

Oostvaardersplassen

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

B2

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

8

B1

ontwerpbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

9 (↑)

C

ontwerpbesluit

106

Boezems Kinderdijk

behoud

behoud

1

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

5 (↑)

C

concept- ontwerp

140

Groote Peel

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de porseleinhoen is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. De aantallen van het porseleinhoen vertonen jaarlijks grote schommelingen. Oorzaak hiervan is dat de soort zeer gevoelig is voor verdroging van moerasgebieden en waterpeilbeheer. De landelijke doelstelling is dan ook gericht op uitbreiding van de omvang en vooral verbetering van de kwaliteit van het leefgebied. De gestelde herstelopgave volgt het beschermingsplan moerasvogels en gaat uit van een populatie van ten minste 400 paren. De potenties liggen hiervoor met name in het rivierengebied, waar de soort momenteel matig vertegenwoordigd is (m.u.v. het noordelijk deel van de IJssel). In gunstige jaren (afhankelijk van inundatie) zijn grotere aantallen broedende porseleinhoenders waargenomen, de doelstellingen zijn daarop gebaseerd. In de gebieden Groote Wielen (009), Sneekermeergebied (012), Alde Feanen (013), Leekstermeergebied (019), Fochteloërveen (023), Bargerveen (033), Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (037), IJsselmeer (072), Zwarte Meer (074), Zouweboezem (105) en Biesbosch (112) is ingeschat dat het behoud van het leefgebied voldoende is om de populatie te laten toenemen. Een aantal gebiedsdoelstellingen wijkt af van de landelijke doelstelling, te weten: Duinen Vlieland (003), Duinen Ameland (005), Lauwersmeer (008), de Wieden (035), Ketelmeer & Vossemeer (075), Oostelijke Vechtplassen (095) en Boezems Kinderdijk (106). De potentie in deze gebieden om het leefgebied en daarmee te populatie te doen toenemen dan wel verbeteren wordt laag ingeschat (op basis van historische potentie). In het Lauwersmeer is gekozen voor een behoudsdoelstelling vanwege de neutrale trend van de populatie (zeker in vergelijking met populatietrends in andere gebieden). Ruim 80% van de landelijke opgave wordt gerealiseerd binnen het Natura 2000-netwerk.

A222 – Velduil

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel

populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

5

A1

conform ontwerp

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

A2

conform ontwerp

003

Duinen Vlieland

 
 
 
 

doel vervallen

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

A1

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

doel aangepast a

006

Duinen Schiermonnikoog

uitbreiding

verbetering

2 (↑)

C

doel aangepast

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

1

B1

concept- ontwerp

033

Bargerveen

behoud

behoud

1

B1

concept- ontwerp

  • (a)

    De doelstelling voor Duinen Schiermonnikoog is aangepast van 1 naar 2 broedparen, het gemiddeld voorkomen in de eerste helft van de jaren negentig.

De landelijke staat van instandhouding van de velduil is voor wat betreft elk van de aspecten populatie en leefgebied als “zeer ongunstig” beoordeeld. In de loop van tweede helft van de vorige eeuw zijn steeds meer geschikte broedplaatsen in het binnenland verloren gegaan, waardoor de soort nu vrijwel alleen nog op Waddeneilanden voorkomt. De inpoldering van Lauwersmeer en Zuidelijk Flevoland, waardoor tijdelijk geschikt leefgebied ontstond, boden kortstondig soelaas. In de periode 1970-90 schommelde de landelijke broedpopulatie, afhankelijk van de muizenstand, tussen 60 en 200. Sindsdien is het met de populatie bergafwaarts gegaan. De som van de gebiedsdoelen bedraagt 59 broedparen.

De landelijke doelstelling omvat een herstelopgave voor het leefgebied en een ambitieus doelniveau: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel van ten minste 5 sleutelpopulaties van ten minste 20 paren (nationale populatie van ten minste 100 paren)”. Dit betreft het populatieniveau van begin negentiger jaren toen er buiten de Waddeneilanden nog tijdelijk geschikte broedplaatsen aanwezig waren. Het gemiddelde gedurende 1999-2003 bedroeg 27 broedparen vrijwel beperkt tot de Waddeneilanden.

Herstel naar de situatie van twintig jaar geleden wordt niet realistisch geacht, omdat in het binnenland nauwelijks nog regelmatig bezette broedplaatsen aanwezig zijn. Het landelijk doelniveau is daarom vastgesteld op 60 (gemiddelde periode 1993-1997). De landelijke doelstelling is als volgt aangepast: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie tot 60 paren”44. Het merendeel van de gebiedsdoelstellingen sluit aan op de landelijke opgave. In een drietal gebieden is voor een behoudsopgave gekozen.

In de Waddenzee (001) betreffen de broedlocaties vooral overloop gebied naar de duinen. In de overloop naar de duinen zijn vrijwel geen mogelijkheden voor uitbreiding en/of verbetering van het leefgebied. In het Lauwersmeer (008) komt de velduil zeer beperkt tot broeden. Behoud van de huidige stand is reeds een behoorlijke opgave. Gezien de zeer geïsoleerde ligging van het gebied, en het gegeven dat de trend van de populatie in dit gebied redelijk constant is, is tevens gekozen voor een behoudsopgave in het Bargerveen (033).

A277 – Tapuit

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

omvang

Doel

kwaliteit

Populatie

Relatieve

bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

100 (↑)

B1

conform ontwerp

003

Duinen Vlieland

uitbreiding

verbetering

35 (↑)

B1

conform ontwerp

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

100 (↑)

B2

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

100 (↑)

B1

conform ontwerp

006

Duinen Schiermonnikoog

uitbreiding

verbetering

30 (↑)

B1

conform ontwerp

027

Drents-Friese Wold & …

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

B2

ontwerpbesluit

030

Dwingelderveld

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

ontwerpbesluit

057

Veluwe

uitbreiding

verbetering

100 (↑)

B2

ontwerpbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de tapuit is voor wat betreft elk van de aspecten populatie en leefgebied als “zeer ongunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling omvat een herstelopgave voor het leefgebied en een zeer ambitieus doelniveau dat bijna viermaal groter is dan de populatie in de peilperiode 1999-2003 (510): “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie tot 2000 paren verdeeld over ten minste 20 sleutelpopulaties van ten minste 100 paren”45. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw is de verspreiding met twee derde gekrompen. Alleen in natuurgebieden heeft de soort nog enigszins stand weten te houden. Herstel naar de situatie van dertig jaar geleden wordt niet realistisch geacht gelet op de schaal en de oorzaken van de aantalsafname46. Dit is de reden waarom het landelijk doelniveau is verlaagd naar 1000 (de stand van ruim 15 jaar geleden en de helft van het populatieniveau van de jaren zeventig). De landelijke doelstelling is als volgt aangepast: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie tot 1000 paren”47. Deze (trekvogel)soort is in 2000 als doelsoort voor het netwerk van Vogelrichtlijngebieden opgenomen op grond van de overweging: “de beschermde gebieden leveren een wezenlijke bijdrage aan de bescherming van de soort” (van wezenlijke bijdrage is sprake indien Vogelrichtlijngebieden minstens 25% van de landelijke populatie herbergen)48. De som van de gebiedsdoelen (545) bedraagt ongeveer 55% van het doelniveau waarmee Natura 2000 een “wezenlijke bijdrage” levert aan de instandhouding van de soort op landelijke schaal. Dit impliceert dat het beoogde herstel verder grotendeels zal moeten worden bereikt door maatregelen buiten Natura 2000.

A295 – Rietzanger

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

omvang

Doel

kwaliteit

Populatie

Relatieve

bijdrage

Besluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

120

C

conform ontwerp

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

230

C

conform ontwerp

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

1.900

B2

concept- ontwerp

009

Groote Wielen

behoud

behoud

220

C

ontwerpbesluit

012

Sneekermeergebied

behoud

behoud

370

C

ontwerpbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

800

B1

ontwerpbesluit

014

Deelen

behoud

behoud

200

C

ontwerpbesluit

019

Leekstermeergebied

behoud

behoud

10

C

ontwerpbesluit

020

Zuidlaardermeergebied

behoud

behoud

200

C

ontwerpbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

900

B1

ontwerpbesluit

035

Wieden

behoud

behoud

3000

A2

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

990

B1

ontwerpbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

270

C

ontwerpbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

800

B1

ontwerpbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

230

C

ontwerpbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & …

behoud

behoud

480

B1

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, …

behoud

behoud

800

B1

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

880

B1

ontwerpbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De …

behoud

behoud

340

C

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

420

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

260

C

concept- ontwerp

De landelijke staat van instandhouding van de rietzanger is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “gunstig”. De Nederlandse broedpopulatie vertoonde in de voorgaande periode een matige toename. Landelijk is daarom een behoudsdoelstelling geformuleerd. De gebiedsdoelen van de aangewezen leefgebieden sluiten hierbij aan. Ruim 65% van de landelijke opgave ligt binnen het Natura 2000-netwerk.

A338 – Grauwe klauwier

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

omvang

Doel

kwaliteit

Populatie

Relatieve

bijdrage

Besluit

003

Duinen Vlieland

 
 
 
 

doel vervallen

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

doel aangepast a

027

Drents-Friese Wold & …

behoud

behoud

10 (↑)

B1

ontwerpbesluit

033

Bargerveen

uitbreiding

verbetering

100 (↑)

A3

concept- ontwerp

057

Veluwe

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

A1

ontwerpbesluit

145

Maasduinen

uitbreiding

verbetering

3 (↑)

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    Het doel is aangepast naar “uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 5 paar”. Het doelniveau is naar boven bijgesteld gezien de historische potentie van het gebied.

De landelijke staat van instandhouding van de grauwe klauwier is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als zeer ongunstig”. Oorzaak hiervan is vooral de aantasting van het leefgebied door faunistische verarming; zowel kwantitatief als kwalitatief is de prooi verminderd. Dit als gevolg van verruiging, verdroging, verzuring, vermesting, herbicidengebruik en frequent en grootschalig maaien. In het cultuurlandschappen zijn daarnaast veel nestgelegenheden verdwenen door intensief landgebruik. Na een dieptepunt in de 1985 is de landelijke stand van de soort weer iets toegenomen. Deze toename is echter onvoldoende en landelijk is dan ook een herstelopgave geformuleerd. In het Drents-Friese Wold & Leggelderveld (027) wordt hiervan afgeweken. In het Drents-Friese Wold & Leggelderveld kwamen in de periode 1999-2003 gemiddeld 8 paren in het gebied tot broedden. Het doel is hier gesteld op herstel tot 10 broedparen met behoud van het huidige leefgebied. Recent zijn hier in één jaar 14 broedparen waargenomen. De overige gebiedsdoelen sluiten aan bij de landelijke instandhoudingsdoelstelling. De doelstelling van Duinen Ameland (005) is aangepast van 1 naar 5 broedparen, gezien het aantal broedparen in de periode 1993-1997 (gemiddeld 5,6 paar).

Ongeveer 65% van de landelijke opgave ligt binnen het Natura 2000-netwerk. De overige doelstelling ligt buiten Natura 2000-gebieden o.a. in die gebieden die de soort de afgelopen 10-20 jaar verlaten heeft (hervestiging).

Appendix

Toelichting op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Duinen Ameland gebruikt zijn (2005).

Onderstaande paragrafen zijn afkomstig uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.

3. Gebiedsbeschrijving, aanduiding leefgebied en begrenzing
3.2 Aanduiding leefgebied

Het gebied Duinen Ameland is aangewezen als speciale beschermingszone vanwege de aanwezigheid van kustduinen die het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een gebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1). De begrenzing van de beschermingszone is zo gekozen dat een in landschapsecologisch opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat - in samenhang met sbz Waddenzee uit 1991 - voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten.

4. Vogelkundige- en wetlandwaarden
4.1 Kwalificerende vogelsoorten

Duinen Ameland kwalificeert als speciale beschermingszone omdat het gebied behoort tot één van de vijf belangrijkste broedgebieden voor Bruine kiekendief49, Blauwe kiekendief, Velduil en Grauwe klauwier in Nederland.

Soorten van Bijlage I waarvoor het gebied tot "een van de vijf belangrijkste" in Nederland behoort

Soort

Art. 4

Brva

Aantal NLb

% in 5e c

% in sbz d

Telperiode

Bruine kiekendief Circus aeruginosus

1

ja

1250

2,3%

2,6%

1993-97

Blauwe kiekendief Circus cyaneus

1

ja

120

6%

14%

1993-97

Velduil Asio flammeus

1

ja

60

2%

24%

1993-97

Grauwe klauwier Lanius collurio

1

ja

200

2%

3%

1993-97

  • a)

    De kwalificatie betreft in het gebied broedende vogels (indien ingevuld met "ja")

  • b)

    Omvang van de Nederlandse broedpopulatie (in paren)

  • c)

    Aantal in het op vier na belangrijkste gebied (5e gebied) uitgedrukt als percentage van de landelijke broedpopulatie

  • d)

    Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke broedpopulatie

4.2 Andere relevante vogelsoorten

Een andere soort van Bijlage I waarvoor Duinen Ameland van betekenis is, is het Porseleinhoen (broedvogel). Het duingebied is verder van belang als broedgebied voor Eidereend, Tapuit en Rietzanger (trekvogels opgenomen in de nationale lijst van met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende soorten). De biotopen van deze vogels hebben mede de begrenzing van dit gebied bepaald.

De bescherming ingevolge de Vogelrichtlijn heeft mede betrekking op deze vogelsoorten.

4.3 Plaatselijke omstandigheden

Bruine kiekendief, Blauwe kiekendief en Velduil, die verspreid in het duingebied broeden, zoeken hun voedsel zowel in het open duingebied als daarbuiten. De Grauwe klauwier broedt verspreid in het duingebied, meestal in bosranden of in struweel in de directe omgeving van de bossen.

De Eidereend nestelt verspreid in het westen en oosten van het duingebied; het zwaartepunt ligt op de oostelijke helft van het gebied. Lepelaars rusten soms in de Lange Duinen. Het Porseleinhoen nestelt in de Lange Duinen. De Tapuit nestelt gelijkmatig over het gehele duingebied met uitzondering van de natte delen. De Rietzanger is binnen het gebied hoofdzakelijk beperkt tot de natte duinvalleien (met name Lange Duinen).

Bijlage Gebiedsbegrenzingen

LEGENDA:

Artikel

Noemer

Indicatief/exact

GIO-id50

1, eerste lid

Duinen Ameland – Habitatrichtlijngebied

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_DuinenAmeland_HR/nld@2025‑03‑01

2, eerste lid

Duinen Ameland – Vogelrichtlijngebied

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_DuinenAmeland_VR/nld@2025‑03‑01

3, tweede lid

Natura 2000-gebied Duinen Ameland

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_DuinenAmeland_N2000/nld@2025‑03‑01

Toelichting bij vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Duinen Ameland

1. Vaststelling nieuwe tekst

Dit besluit betreft de vaststelling van een nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit voor het Habitatrichtlijngebied Duinen Ameland, het Vogelrichtlijngebied Duinen Ameland en het Natura 2000-gebied Duinen Ameland, maar nu gepubliceerd met behulp van de nieuwe digitale standaard voor officiële publicaties: de Standaard Officiële Publicaties (STOP). Het besluit wordt inhoudelijk ongewijzigd vastgesteld. Dit aanwijzingsbesluit is de bijlage bij dit besluit. De nieuwe tekst is enkel een redactionele aanpassing, en brengt geen wijziging met enig rechtsgevolg met zich ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De reden voor de vaststelling van deze nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit is, dat in het kader van de Omgevingswet wordt overgegaan op nieuwe digitale standaarden voor de vormgeving van besluiten.

2. Procedure

Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond van artikel 16.25a van de Omgevingswet niet van toepassing, omdat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het betreft geen wijzigingen die leiden tot een andere inhoudelijke reikwijdte dan het geldende aanwijzingsbesluit voor dit gebied: er is geen sprake van wijzigingen van de geldende begrenzing of van instandhoudingsdoelstellingen. De tekst betreft enkel een redactionele aanpassing. In zoverre is dus ook geen sprake van zelfstandige rechtsgevolgen ten opzichte van het geldende besluit. Belanghebbenden die menen dat er wel sprake is van relevante wijzigingen en nieuwe rechtsgevolgen, kunnen evenwel met een bezwaarschrift eventuele bedenkingen tegen het besluit naar voren te brengen en de beslissing op het bezwaarschrift in een beroepsprocedure door de bestuursrechter laten toetsen.

3. Inwerkingtreding

Omdat met dit besluit de inhoud ongewijzigd blijft, kan het meteen de dag na publicatie inwerking treden.

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze,

w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum: 03 april 2025

  • 1

    Dit betreft een geconsolideerde versie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, inclusief wijzigingen die sindsdien op de richtlijn van toepassing zijn. Met uitzondering van de bijlagen en verwijzingen is de tekst van de richtlijn inhoudelijk niet gewijzigd. Terug naar link van noot.

  • 2

    Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 3

    Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 4

    De begrenzingsmethodiek is verder uitgewerkt in het Gebiedendocument (2004). Terug naar link van noot.

  • 5

    Hof van Justitie EG, 7 november 2000, First Corporate Shipping, zaak C-371/98, punten 15 en 25. Terug naar link van noot.

  • 6

    De wijze van begrenzing van Vogelrichtlijngebieden is toegelicht in de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.

  • 7

    Conform artikel 15 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Stb. 2004, 31) zal dit besluit voor wat betreft de kadastrale percelen die geheel of gedeeltelijk binnen het aangewezen gebied zijn gelegen, in de kadastrale registratie als beperking worden ingeschreven. Terug naar link van noot.

  • 8

    Prioritaire habitattypen en soorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje (*). Terug naar link van noot.

  • 9

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, Pb EG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PB EG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 10

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, Pb EG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PB EG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 11

    Prioritaire habitattypen en soorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje (*). Terug naar link van noot.

  • 12

    Habitattypen waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: slijkgrasvelden (H1320) en ruigten en zomen, moerasspirea (H6430A) en ruigten en zomen, droge bosranden (H6430C). Terug naar link van noot.

  • 13

    De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.

  • 14

    Prioritaire habitattypen en soorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje (*). Terug naar link van noot.

  • 15

    Soorten waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: zeeprik (H1095), elft (H1102), zalm (H1106), bittervoorn (H1134) en kleine modderkruiper (H1149). Voor de platte schijfhoren (H4056) zijn geen gebieden geselecteerd omdat de soort bij de uitbreiding van de EU in 2004 is toegevoegd aan bijlage II. Terug naar link van noot.

  • 16

    Nieuwlandsreid (Zoute Weide) wordt hier niet behandeld omdat dit ligt in het Natura 2000-gebied Waddenzee. Terug naar link van noot.

  • 17

    Het Natura 2000-landschap van het gebied waarop dit besluit betrekking heeft, staat vermeld in paragraaf 3.2 van deze nota van toelichting. Terug naar link van noot.

  • 18

    Belangrijke vogelgebieden in Nederland 1993-97. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 19

    Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.

  • 20

    Trends van vogels in het Nederlandse Natura 2000 netwerk. SOVON-informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 21

    Destijds bekend als Duinen Goeree. Terug naar link van noot.

  • 22

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 23

    Destijds bekend als Duinen Zwanenwater en Pettemerduinen. Terug naar link van noot.

  • 24

    Destijds bekend als Duinen Schoorl. Terug naar link van noot.

  • 25

    Dit gebied is uitgebreid met Kapittelduinen, de naam is veranderd in Solleveld & Kapittelduinen (099). Terug naar link van noot.

  • 26

    Destijds bekend als Duinen Zwanenwater en Pettemerduinen. Terug naar link van noot.

  • 27

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 28

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 29

    Destijds bekend als Duinen Zwanenwater en Pettemerduinen. Terug naar link van noot.

  • 30

    Destijds bekend als Duinen Zwanenwater en Pettemerduinen. Terug naar link van noot.

  • 31

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 32

    Reedbeds of dune slacks”, tall-sedge communities and canebeds […]. Interpretation Manual of European Union Habitats (EUR 25), 2003. Terug naar link van noot.

  • 33

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 34

    Destijds bekend als Duinen Zwanenwater en Pettemerduinen. Terug naar link van noot.

  • 35

    Destijds bekend als Duinen Goeree. Terug naar link van noot.

  • 36

    Nadere toelichting “ten gunste formulering" in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 37

    Nadere toelichting “ten gunste formulering" in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 38

    Nadere toelichting “ten gunste formulering" in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 39

    Nadere toelichting “ten gunste formulering" in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 40

    Nadere toelichting “ten gunste formulering" in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 41

    Nadere toelichting “ten gunste formulering" in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 42

    De “staat van instandhouding” van het aspect populatie is gewijzigd van “zeer ongunstig“ (Natura 2000 doelendocument, 2006) in “matig ongunstig“ omdat er geen trendgegevens zijn en de huidige populatie minder dan 25% afwijkt van de referentiewaarden (zie Profielendocument 2008). Terug naar link van noot.

  • 43

    Algemene en schaarse vogels van Nederland (Avifauna van Nederland 2, 2001), zie ook Bekhuis & Zijlstra (Limosa 64 (1991: 143-153) waaruit blijkt dat de landelijke populatie pas sinds 1980 boven de 100 is uitgekomen; voor de oorspronkelijke doelniveau van 250 bestaat geen historische referentie. Terug naar link van noot.

  • 44

    De verwijzing naar sleutelpopulaties is komen te vervallen omdat populaties van 20 broedparen actueel (of potentieel) nog maar in twee gebieden kunnen worden gehaald. Terug naar link van noot.

  • 45

    Dit doelniveau sluit aan bij de populatieschatting uit begin jaren tachtig (1900-2500). Terug naar link van noot.

  • 46

    De oorzaak wordt toegeschreven aan structurele processen: dichtgroeien leefgebieden (zandige terreinen) door vermesting en sterke achteruitgang van de konijnenstand. Terug naar link van noot.

  • 47

    De verwijzing naar sleutelpopulaties is komen te vervallen omdat populaties van 100 broedparen actueel (of potentieel) nog maar in vier gebieden kunnen worden gehaald. Terug naar link van noot.

  • 48

    Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.

  • 49

    Onderstreepte soorten zijn opgenomen in Bijlage I van de richtlijn. Terug naar link van noot.

  • 50

    Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_waterkwaliteit/nld@2019‑11‑01). Terug naar link van noot.

Naar boven