Projectbesluit KRW Maas, maatregelen Genderensche uiterwaard en Capelsche uiterwaard

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Besluit:

Artikel I

Op grond van artikel 5.44, eerste lid van de Omgevingswet wordt het Projectbesluit KRW Maas, maatregelen Genderensche uiterwaard en Capelsche uiterwaard vastgesteld, zoals deze in Bijlage A is opgenomen inclusief de daarbij behorende bijlagen I tot en met IV.

Artikel II

Het projectbesluit treedt vier weken na bekendmaking in werking.

Aldus besloten op

11 maart 2025

Minister van Infrastructuur en Waterstaat

Namens deze de hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Zuid-Nederland, de heer W. Fabries

Bijlage A artikel I

Projectbesluit KRW Maas, maatregelen Genderensche uiterwaard en Capelsche uiterwaard

1. Projectbesluit en projectgebied

Dit projectbesluit ziet toe op de uitvoering van twee KRW-maatregelen langs de Bergsche Maas. Bijlage I bevat de geometrische informatie van het projectgebied waarop dit projectbesluit betrekking heeft.

1.1 Beschrijving KRW-maatregelen

1.1.1 Vergraven Genderensche uiterwaard [GTM_233_R)

De bestaande oever met steenbestorting en het zuidelijk deel vanaf de kruin van de zomerkade wordt heringericht tot een meestromende oevergeul. Hierbij worden de bestaande steenbestorting en de (populieren) bakenbomen verwijderd en wordt de oever ten zuiden van zomerkade afgegraven.

De maatregel Genderensche uiterwaard omvat de uitvoering van de volgende werkzaamheden:

  • Verwijderen huidige stortsteen;

  • Aanbrengen vooroever constructie;

  • Aanleg meestromende oevergeulen door ontgraving;

  • Aanleg van de rietzone met aanleg afrastering;

  • Aanbrengen van rivierhout in de meestromende oevergeul;

  • Aanbrengen bodembescherming bij de openingen;

  • Verwijderen bomen;

  • Verplaatsen kilometerraaiborden;

  • Toevoegen kribbakens op vooroever.

De werkzaamheden worden uitgevoerd volgens de in bijlage III weergegeven ontwerptekening.

1.1.2 Vergraven Capelsche uiterwaard [GTM_234_L]

De maatregel Capelsche uiterwaard bestaat uit het realiseren van een getijdegeul in het westelijk deel van de uiterwaard, waarbij bestaande slagen (dwarssloten in de huidige uiterwaard) worden aangetakt en er moerassige laagtes worden ontwikkeld ten noorden van de getijdegeul. Daarnaast wordt de maasoever, die nu is afgewerkt met zetsteen en breuksteen, zowel langs het oostelijk als het westelijk deel van de uiterwaard ingericht als meestromende oevergeul.

De maatregel Capelsche uiterwaard omvat de uitvoering van de volgende werkzaamheden:

  • Aanleg getijdengeul en opheffen zomerpolder;

  • Aanleg breukstenen drempel in geul;

  • Graven greppels;

  • Aanbrengen van vlakdekkende maaiveldophogingen ten zuiden van de getijdegeul;

  • Aanleg zomerkade langs gemeentelijke weg;

  • Aanleg van een moeraszone;

  • Aanleg meestromende oevergeul door ontgraving Riet planten en afrasteren voor de ontwikkeling;

  • Nieuwe rasters en deels verwijderen bestaande rasters;

  • Verwijderen (baken)bomen;

  • Aanbrengen rivierhout;

  • Aanplanten bomen;

  • Aanleg duiker;

  • Aanleg gemaal.

De werkzaamheden worden uitgevoerd volgens de ontwerptekening weergegeven in bijlage IV.

1.2 Maatvoering

In de bijlagen III en IV zijn de ontwerptekeningen opgenomen op basis waarvan het project wordt uitgevoerd, inclusief de afmetingen. Desondanks is niet uit te sluiten dat in de uitvoering kleine afwijkingen ontstaan van de maatvoering zoals opgenomen in de bijlagen. Dit is inherent aan de aard van de werkzaamheden voorkomend uit de praktisch en noodzakelijke grofmazigheid van de uitvoeringswerkzaamheden en machines. Dit onder voorwaarde dat de op de ontwerptekening weergegeven grens van het projectgebied niet wordt overschreden.

2. Maatregelen ter voorkoming, beperking of compensatie van nadelige gevolgen fysieke leefomgeving

Om de effecten van de KRW-maatregelen op de fysieke leefomgeving te beperken worden (tijdelijke) maatregelen getroffen om deze effecten te voorkomen, beperken of te mitigeren. De maatregelen zijn:

• Tijdens het hoogwaterseizoen mag er geen materieel rijden binnen de (beschermings)zone van de aanwezige waterkering in beheer van waterschap Limburg om effecten op de waterveiligheid te voorkomen;

• Er wordt gewerkt volgens het door het bevoegd gezag goedgekeurde Programma van Eisen voor Archeologie;

• Voor broedvogels: de werkzaamheden starten buiten het broedseizoen of er wordt volledig buiten het broedseizoen gewerkt;

• Voor amfibieën en grondgebonden zoogdieren: bij de start van de werkzaamheden wordt in één richting gewerkt, en indien nodig wordt er weggewerkt van open wateren;

• Voor vleermuizen: werkzaamheden worden uitsluitend uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang;

• Voor vissen: oeververontstening-werkzaamheden worden rustig en in één richting uitgevoerd.

3. Geïntegreerde omgevingsvergunning

Voor zover de uitvoering van de hiervoor beschreven maatregelen op grond van artikel 6.17 Besluit activiteiten leefomgeving zijn aan te merken als vergunningplichtige activiteiten, geldt dit besluit als een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedsactiviteit met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.

4. Tijdelijke maatregel

Tijdens de aanleg van de twee KRW-maatregelen Capelsche uiterwaard en Genderensche uiterwaard worden tijdelijke antivraatrasters geplaatst rondom locaties waar rietontwikkeling is voorzien. Deze locaties zijn opgenomen op de ontwerptekeningen in de bijlage III & IV. De rasters voorkomen dat onder andere ganzen het riet opeten en riet zich kan ontwikkelen. Deze rasters worden geplaatst tijdens de uitvoering en blijven daar voor een periode van ten minste 2 jaar na de uitvoering staan. Daarna worden bij goede ontwikkeling van het riet de rasters verwijderd.

5. Termijn niet vaststellen omgevingsplan of provinciaal projectbesluit

Vanaf het moment waarop het projectbesluit is vastgesteld tot 3 jaar na vaststelling van het projectbesluit dan wel eerder, als het project waarvoor het projectbesluit is vastgesteld eerder is gerealiseerd, worden in een omgevingsplan van de gemeenten Altena en Waalwijk in een projectbesluit van de provincie Noord-Brabant geen regels gesteld die het uitvoeren van het project belemmeren.

Als het project eerder dan 3 jaar na vaststelling van het projectbesluit is gerealiseerd wordt dit namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat door Rijkswaterstaat tegelijkertijd aan de hiervoor genoemde gemeenten en provincie schriftelijk meegedeeld.

Bijlagen

Bijlage

Inhoud

Datum

Bijlage I

Overzicht informatieobjecten

d.d. 7 oktober 2024

Bijlage II

Begrippen

 

Bijlage III

Ontwerptekeningen Vergraven Genderensche uiterwaard

d.d. 24 november 2023

Bijlage IV

Ontwerptekeningen Vergraven Capelsche uiterwaard

d.d. 10 februari 2025

Bijlage II Begrippen

Agrarisch

Ander woord voor landbouw.

Archeologie

Wetenschap van oude historie op grond van bodemvondsten en opgravingen.

Aspect

Aspecten zijn de onderwerpen die binnen een milieuthema worden onderzocht. Elk aspect is vertaald naar één of meerdere criteria op basis waarvan de effectbeoordeling plaatsvindt.

Baggeren

Werkzaamheden waarbij baggerspecie wordt verwijderd

Baggerspecie

Materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of ruimte die voor oppervlaktewater is bestemd.

Beekmonding

Het deel van een beek vanaf het punt waar deze het winterbed van de Maas inkomt tot het punt waar deze uitstroomt in de Maas.

Bereikbaarheid

De mate waarin een locatie binnen acceptabele tijd te bereiken is.

Bestemmingsplan

Gemeentelijk plan waarin het gebruik en de bebouwingsmogelijkheden van gronden en de aanleg van allerlei andere werken en werkzaamheden wordt geregeld. Onder de Omgevingswet zijn bestemmingsplannen automatisch (van rechtswege) omgezet in het omgevingsplan van elke gemeente

Binnendijks

Gebied landwaarts van de waterkering waarvoor een wettelijke veiligheidsnorm is gedefinieerd. De landwaartse grens van de waterkering is de grens met het achterliggende maaiveld.

Bodemverontreiniging

Aanwezigheid van stoffen, micro-organismen of straling op of in de bodem door, of als gevolg van menselijke activiteit, op zodanige wijze dat deze zich met de bodem kunnen vermengen, met de bodem kunnen reageren, zich in de bodem kunnen verplaatsen en/of ongecontroleerd kunnen verplaatsen, waarbij afbreuk wordt gedaan aan één of meer van de functionele eigenschappen van de bodem.

Cultuurhistorie

Geschiedenis van de ontwikkeling van onze beschaving

Duiker

Kokervormige constructie bedoeld om watergangen te verbinden.

Eenzijdig aangetakte geul

Een geul die aan één kant in directe verbinding staat met de rivier.

EKR

Ecologische kwaliteitsratio. Een methode om de KRW-waterkwaliteit te bepalen.

Erosie

Erosie is het proces van slijtage van een vast oppervlak waarbij materiaal wordt verplaatst of geheel verdwijnt, vooral door de werking van wind, stromend water en/of ijs.

Fauna

De dierenwereld.

Geomorfologie

Een tak van de geografie die de vormen van het landschap en de processen die bij het ontstaan daarvan een rol spelen of hebben gespeeld, bestudeert.

Geïsoleerde geul

Een geul in de uiterwaard die niet in directe verbinding staat met de rivier.

Getijdengeul

Een geul in directe verbinding met een rivier waar sprake is van getijdewerking.

GNN

Gelders Natuur Netwerk. Het Gelders deel van het NatuurNetwerk Nederland.

GO

Groene ontwikkelzone

Gronddam

Een grondlichaam dat twee wateren van elkaar scheidt.

Habitatrichtlijn

Europese richtlijn die de bescherming regelt van bedreigde natuurtypen (habitats) en in het wild levende soorten planten en dieren, die op Europees niveau van belang zijn.

Indicatorsoort

Dier- of plantensoorten die een algemeen beeld geven van de gezondheid van het gehele ecosysteem.

Infrastructuur

Het geheel aan wegen, vaarwegen, spoorlijnen, leidingen, etc. waarlangs iets of iemand wordt verplaatst.

Kaderrichtlijn Water

Een Europese richtlijn die voorschrijft dat de kwaliteit van Europees grond- en oppervlaktewater aan bepaalde eisen moet voldoen.

Programma KRW-ZN

Het programma met alle KRW-maatregelen die worden getroffen langs de Maas.

KRW-gebied

Het gebied binnen het projectgebied waarbinnen geen fysieke werkzaamheden plaatsvinden.

KRW-maatregel

Een voorgeschreven ingreep in het winterbed van de rivier met als doel de KRW-waarden te verbeteren.

KRW-waterlichaam

Waterlichaam waarvoor vanuit de KRW-doelen zijn gesteld voor de waterkwaliteit.

Landschap

De waarneembare ruimtelijke verschijningsvorm van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en wederzijdse beïnvloeding van de factoren reliëf, bodem, water, klimaat, flora en fauna alsmede door de wisselwerking met de mens.

Macrofyten

Waterplanten die met het blote oog zichtbaar zijn, zoals riet, eendenkroos en waterzuring.

Marcofauna

Ongewervelde waterdieren die met het blote oog zichtbaar zijn, zoals watertorren, vlokreeftjes en poelslakken.

Mer-beoordeling

Hierin wordt beoordeeld of aanzienlijke nadelige gevolgen zijn uit te sluiten. Als dit niet het geval is dient een volwaardige mer-procedure te worden doorlopen.

Maaiveld

Hoogte van het terreinoppervlak

Milieueffectrapportage

De wettelijk geregelde procedure van milieueffectrapportage. (afgekort: mer)

Milieueffectrapport

Milieueffectrapport (Afgekort: MER). Openbaar document waarin de voorgenomen activiteit en de redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven en de te verwachten gevolgen op het milieu in hun onderlinge samenhang worden beschreven en beoordeeld. Het MER wordt opgesteld ten behoeve van een of meer besluiten die over de betreffende activiteit genomen moeten worden.

MIRT

Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport

Mitigerende maatregelen

Maatregelen die worden genomen om de nadelige effecten van activiteiten of fysieke ingrepen te verminderen dan wel te voorkomen.

Moeraszone

Een nat gebied waarin kruidachtige plantensoorten domineren.

Natura 2000

Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie, gebaseerd op de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn.

Natuurgraslanden

Grasland dat bijdraagt aan de natuurwaarden. Het grasland is niet agrarisch in gebruik.

NatuurNetwerk Nederland

Het NatuurNetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Dit netwerk vormt de ecologische hoofdstructuur (EHS) van Nederland. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Natuurvriendelijke oever

Een oever met een geleidelijke overgang van water naar land zodat er meer uitwisseling plaats vindt tussen bovenwater en onderwater ecosystemen.

Niet gesprongen conventionele explosieven

In en op de bodem liggende niet gesprongen explosieven, overgebleven van de oorlogshandelingen in beide wereldoorlogen en van militaire activiteiten. Voor aanleg van de KRW-maatregelen kunnen niet gesprongen explosieven een gevaar opleveren voor de betrokkenen.

Oeverzone

De overgangszone tussen land en water.

Overstromingsrisico

De kans dat een gebied overstroomt, doordat de waterkering rondom dat gebied op één of meer plaatsen faalt.

PFAS

Per- en polyfluoralkylstoffen zijn, door de mens gemaakte, chemische stoffen. Deze stoffen komen van nature niet in het milieu voor. PFAS kunnen een negatief effect hebben op milieu en gezondheid.

Ruimtebeslag

De fysieke ruimte die nodig is voor de aanleg en inpassing van een alternatief of variant.

RWS

Rijkswaterstaat.

Sediment

Sediment of afzetting is de benaming voor door wind, water en/of ijs getransporteerd materiaal. Voorbeelden van sedimenten zijn grind, zand, silt en lutum. Wanneer sediment wordt afgezet ontstaat een sedimentair gesteente.

Stroomgebiedbeheerplan

Plan waarin per stroomgebied de inspanningen staan van lidstaten om te voldoen aan de KRW. (Afgekort SGBP)

Stroomgebied (van een rivier)

Een gebied dat het water via een rivier afvoert naar zee of naar een meer.

Struweel

Ook wel stuikgewas genoemd. Een begroeiing waarin struiken domineren.

Talud

De schuin aflopende zijden aan de binnen- en buitenkant van een dijk.

Terugslagklep

Een klep in een duiker die water maar in één richting doorlaat.

Uiterwaard

Deel van de rivierbedding tussen zomerdijk en winterdijk.

Vegetatie

De ruimtelijke verschijningsvorm van planten in samenhang met de plaatsen waar zij groeien en de rangschikking die zij uit zichzelf hebben ingenomen.

Verdroging

Verdroging treedt op wanneer de grondwaterstand te laag is voor de functie natuur en/of landbouw.

Verondieping

Het minder diep maken van een oppervlaktewater.

Vertroebeling

Het minder helder worden van water doordat sediment loskomt van de bodem en (tijdelijk) in het water blijft zweven.

Vogelrichtlijn

Europese Richtlijn die de bescherming van in het wild levende vogels in Europa en hun leefgebieden regelt.

Voorgenomen activiteit

Datgene, wat de initiatiefnemer voornemens is uit te voeren. Dit is een beschrijving van de activiteit, inclusief de wijze waarop de activiteit zal worden uitgevoerd en de alternatieven die redelijkerwijs daarvoor in beschouwing worden genomen.

Voorland

Ondiepe bodem die voor een dijk ligt.

Waterkering

Een verhoging in het landschap om het achterliggende gebied te beschermen tegen overstroming.

Waterkwaliteit

De chemische en biologische kwaliteit van water.

Wateroverlast

Verzamelterm voor schade, ongemak en ontreddering door hoge waterstanden ten gevolge van overvloedige neerslag en/of onvoldoende ontwatering.

Waterveiligheid

Beschermingsniveau tegen (grootschalige) overstromingen vanuit zee, rivieren en meren.

Waterwet

De Waterwet regelde het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbeterde de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De waterwet deed dit totdat de Omgevingswet in januari 2024 in werking is getreden.

Zomerbed

Het gebied tussen de zomerdijken, waarbij de uiterwaarden droog staan. Deze worden doorgaans door de rivier gebruikt in de zomer.

Bijlage III en IV Ontwerptekeningen

Zie www.platformparticipatie.nl/bergschemaasvoor de ontwerptekeningen van de KRW-maatregelen.

Besluit Motivering

1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel KRW

Schoon oppervlaktewater is een essentiële randvoorwaarde voor planten en dieren om te kunnen leven. Bovendien biedt het voor de mens een aantrekkelijke leefomgeving. Rijkswaterstaat werkt aan het verbeteren van de ecologische waterkwaliteit van de Nederlandse rivieren. De maatregelen die Rijkswaterstaat hiervoor neemt komen voort uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Doel van de KRW is dat al het water in Europa schoon en gezond is. De KRW is in 2000 vastgesteld en kent drie uitvoeringsperioden: 2009-2015, 2016-2021 en 2022-2027.

De KRW-richtlijn bepaalt dat de wateren een goed leefgebied moeten vormen voor de planten en dieren die er van nature thuishoren. De KRW-opgave is het verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. Dit geldt voor al het water in Nederland, waarbij Rijkswaterstaat verantwoordelijk is voor het verbeteren van de kwaliteit van het water in de grote rivieren. Uiterlijk in 2027 moeten de doelen voor schoon en gezond water zijn gehaald of moeten op zijn minst alle maatregelen zijn genomen om dit mogelijk te maken. Bij het niet halen van de KRW-doelen kan het Europese Hof van Justitie forse boetes opleggen.

De KRW-maatregelen zijn onder meer gericht op het verbeteren van de ecologische kwaliteit van de Europese rivieren. Door herinrichting van oevers, uiterwaarden en beekmondingen kunnen verdwenen leefgebieden van waterplanten en -dieren in en langs de Maas weer zoveel mogelijk worden teruggebracht. Voorbeelden van maatregelen zijn:

  • Herstel van verbindingen om vissen ruim baan te geven;

  • Verbeteren van geleidelijke overgangen tussen water en land en tussen zoet en zout water;

  • Een betere uitwisseling tussen de hoofdstroom van de rivier en geulen in de uiterwaarden;

  • Voorkomen of beperken van de afwenteling van stofstromen vanuit bovenstrooms gelegen watersystemen. In enkele gebieden is het voorkomen van algenbloei een belangrijk aandachtspunt.

De KRW schrijft voor dat er stroomgebiedbeheerplannen (sgbp’s) moeten worden opgesteld met de beschrijving van de watersystemen, doelen en maatregelen. Voor de Rijn, Maas, Schelde en Eem zijn de eerste sgbp’s opgesteld in 2009, in 2022 zijn deze geactualiseerd. De sgbp’s zijn een wettelijke bijlage bij het Nationaal Waterprogramma 2022-2027. In deze stroomgebiedbeheerplannen is op hoofdlijnen beschreven welke maatregelen de komende zes jaar worden uitgevoerd. Langs de grote rivieren zijn de afgelopen jaren al diverse maatregelen uitgevoerd voor de KRW-opgave. Om te komen tot realisatie van de KRW-maatregelen langs de Maas in de laatste uitvoeringsperiode is het Programma Kaderrichtlijn Water Zuid-Nederland Maas opgesteld.

1.2 Programma Kaderrichtlijn Water Zuid-Nederland

Het programma KRW Zuid Nederland (KRW-ZN) heeft betrekking op het stroomgebied van de Maas: van Eijsden, waar de Maas Nederland binnenstroomt, tot en met de Bergsche Maas en de Afgedamde Maas (onderdeel van de Benedenmaas). Het stroomgebied beslaat het gebied vanaf rivierkilometer 5 tot en met rivierkilometer 240. Het programma KRW-ZN bestaat uit verschillende typen maatregelen in een aantal waterlichamen. Per waterlichaam zijn in de KRW ecologische waterkwaliteitsdoelen vastgesteld. Figuur 1 geeft een overzicht van de verschillende waterlichamen in de Maas.

Voor de uitvoering van KRW-maatregelen worden vanwege de per 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet, (ontwerp-)projectbesluiten opgesteld. Elk besluit omvat één of meer KRW-maatregelen. Maatregelen in hetzelfde waterlichaam zijn zoveel mogelijk in hetzelfde besluit opgenomen.

De indeling van de te nemen besluiten is gebaseerd op de ligging in de verschillende waterlichamen en de termijn waarop de maatregel kan worden uitgevoerd. Voor het programma worden naar verwachting nog meer projectbesluiten genomen.

Een kaart met een overzicht van de ligging en loop van de Maas, waarop de verschillende secties van de Maas (Van zuid naar noord: Bovenmaas, Grensmaas, Zandmaas, Bedijkte Maas, Benedenmaas, Afgedamde Mas, Bergsche Maas).
Figuur 1 Waterlichamen van de Maas in programma KRW-ZN

1.3 Projectbesluit KRW Maas, maatregelen Genderensche uiterwaard en Capelsche uiterwaard

Onderhavig document bevat de motivering voor het Projectbesluit KRW Maas, maatregelen Genderensche uiterwaard en Capelsche uiterwaard. Dit projectbesluit heeft betrekking op twee KRW-maatregelen in de Bergsche Maas. De Bergsche Maas valt onder de categorie ‘Watertype R8: Zoet getijdenwater (uitlopers rivier) op zand/klei’.

Voor de Bergsche Maas zijn de KRW-doelen nog niet bereikt of kunnen verder worden verbeterd. Dit blijkt uit de Factsheet KRW waarin Ecologische Kwaliteitsratio-scores (EKR) zijn bepaald voor de Bergsche Maas. Voor de EKR-scores worden verschillende meetwaarden gecombineerd tot één getal en met een norm vergeleken, hiermee is het een duidelijke maatlat voor de ecologische toestand van een waterlichaam. In de Bergsche Maas scoren alle categorieën redelijk goed. Ondanks deze goede score is de toekomstige toestand onzeker – bijvoorbeeld omdat er in de Bergsche Maas geen vismonitoring plaatsvindt – en zijn de maatregelen wel benodigd voor het algeheel doelbereik van de KRW. Zie Tabel 1 voor de resultaten uit de Factsheet KRW met de huidige toestand en doelstelling van de Bergsche Maas in de categorie ‘Biologie’. In de tabel staat ook het Goed Ecologisch Potentieel (GEP), dit is het minimaal te behalen doel voor dat element.

Een overzicht van de ecologische kwaliteitsscores voor macrofauna, overige waterflora, vis en fytoplankton in de Bergsche Maas voor de jaren 2009, 2015 en 2021. De tabel laat zien dat voor de aspecten macrofauna, overige waterflora en vis de toestand in 2009 is beoordeeld als geel, matig. In 2015 en 2021 zijn alle drie deze aspecten beoordeeld met groen, goed. De beoordeling doelbereik 2027 is voor alle drie de aspecten beoordeeld als redelijk zeker. De beoordeling fytoplankton wordt voor alle jaren weergegeven als niet van toepassing.
Tabel 1 Ecologische kwaliteitsratio-scores per jaar voor de Bergsche Maas. Legenda: Rood - Slecht; Oranje - Ontoereikend; Geel - Matig; Groen – Goed.Factsheet KRW, 2022

Om de ecologische waterkwaliteit verder te verbeteren worden in de Bergsche Maas KRW-maatregelen genomen die zich specifiek richten op het realiseren van meer en een beter leefgebied voor vissen, macrofyten (hierna te noemen waterplanten) en ongewervelde dieren (macrofauna). Hier wordt in de ontwerpen specifiek rekening mee gehouden. Daarnaast dragen de maatregelen deels bij aan het realiseren van een meer natuurlijke hydromorfologische inrichting van het riviertraject.

Voor vis is de toestand in de Bergsche Maas momenteel goed. De toestand is echter geheel onzeker, omdat, zoals genoemd, er in de Bergsche Maas geen vismonitoring plaatsvindt. De twee maatregelen richten zich op uitbreiding van verschillende soorten habitat voor verschillende levensstadia en functies voor vis. De natuurvriendelijke oeverzones en rietzones met getijde richten zich specifiek op jonge vissen door het creëren van luw gebied. Specifiek soorten als bot en winde kunnen naar verwachting profiteren van de maatregelen.

De ecologische omstandigheden voor ongewervelde dieren is ook momenteel goed in de Bergsche Maas. Het doel is echter verlaagd (GEP = 0,36). De ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers en een getijdegeul is onder meer gericht op het verder verbeteren van de diversiteit en de kwaliteit van het leefgebied voor ongewervelde dieren. De EKR-score zal hierdoor robuuster worden. Er zullen meer getijdesoorten komen en soorten als schoraas kunnen hier naar verwachting van profiteren.

De toestand voor waterplanten is momenteel goed in de Bergsche Maas. De maatregel draagt bij aan het verder vergroten van de diversiteit aan groeiplaatsen voor waterplanten. Voor R8-wateren gaat het hierbij specifiek om het verbeteren van de groeiplaatsen voor biezenvegetaties (naast overige water- en oeverplanten). De mogelijke ontwikkeling van waterplanten draagt ook bij aan de benodigde verbetering voor vis en ongewervelde dieren als belangrijk is .

Om invulling te geven aan de doelstelling binnen de Bergsche Maas worden onder onderhavig projectbesluit de volgende twee KRW-maatregelen getroffen (zie ook Figuur 2):

  • Vergraven Capelsche uiterwaard: realiseren van een getijdegeul en aangetakte oevergeul;

  • Vergraven Genderensche uiterwaard: realiseren van een aangetakte oevergeul.

Het doel van deze KRW-maatregelen is het verbeteren van de ecologische waterkwaliteit van de Bergsche Maas door het vergroten en verbeteren van het leefgebied voor vis, waterplanten en door te zorgen voor een toename van de ongewervelde dieren. Gezien de goede toestanden van vissen, ongewervelde dieren en waterplanten is dit geen directe opgave voor deze maatregelen; echter dragen de maatregelen wel bij aan het verder verbeteren van de ecologische toestand, en werkt dit door in de gehele Maas. Dit draagt bij aan het bereiken van de algehele KRW-doelstelling van het programma KRW-ZN.

Een kaart met een overzicht van de ligging van de twee maatregelen binnen dit projectbesluit. Links op de kaart is het projectgebied voor de maatregel Capelsche Uiterwaard weergegeven, rechts op de kaart staat het projectgebied voor de maatregel Genderensche Uiterwaard.
Figuur 2: Overzicht projectgebieden Bergsche Maas

1.4 Leeswijzer

Zoals hierboven genoemd bevat dit document de motivering voor het Projectbesluit KRW Maas, maatregelen Genderensche uiterwaard en Capelsche uiterwaard . Het document biedt een compleet overzicht van het besluitvormingsproces en het project. Hoofdstuk 2 geeft het wettelijk kader weer. Hoofdstuk 3 beschrijft het verkenning- en participatieproces. Hoofdstuk 4 behandelt het project, het projectgebied en te treffen maatregelen. Hoofdstuk 5 bespreekt de impact op de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 6 gaat in op de verschillende belangen in het gebied en hoe deze worden beïnvloed. In hoofdstuk 7 wordt de uitvoerbaarheid beoordeeld. Tot slot richt hoofdstuk 8 zich op de projectrealisatie.

2 Wettelijk kader

2.1 Vastelling projectbesluit

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) stelt op grond van artikel 5.44, eerste lid van de Omgevingswet (Ow), het Projectbesluit KRW Maas, maatregelen Genderensche uiterwaard en Capelsche uiterwaard vast.

Voor het vaststellen van een projectbesluit is gekozen omdat de Minister van IenW op grond van de Omgevingswet daarmee op doelmatige en doeltreffende wijze uitvoering kan geven aan de doelen die voortvloeien uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er geldt een Europese, en daarmee ook een nationale, verplichting om hieraan te voldoen.

In sommige gevallen moet een dergelijk projectbesluit worden vastgesteld in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dat is bij dit project niet aan de orde omdat het een project betreft gericht op het verbeteren van de waterkwaliteit. Dit is volgens artikel 10.3 van de Omgevingsregeling uitgezonderd.

Relatie met omgevingsplan

In hoofdstuk 4 wordt beschreven dat de uitvoering van de twee KRW-maatregelen omschreven in onderhavig projectbesluit niet strijdig zijn met de omgevingsplannen van de betreffende gemeenten.

Het projectbesluit moet volgens artikel 5.52 Ow de regels van het omgevingsplan wijzigen daar waar nodig. Echter, nog niet alle omgevingsplannen voldoen volledig aan de eisen gesteld onder de Omgevingswet. Gemeenten hebben tijdens de overgangsfase tot 1 januari 2032 de tijd om een omgevingsplan vast te stellen dat geheel aan de eisen voldoet. Vanwege deze overgangsfase heeft de wetgever geregeld dat gedurende deze fase het projectbesluit niet ook de regels van het omgevingsplan hoeft te wijzigen.

Gezien er bij onderhavig projectbesluit geen sprake is van strijdigheid met de omgevingsplannen van de betreffende gemeenten, voldoet het projectbesluit aan de regels van het omgevingsplan en is er geen noodzaak voor dit projectbesluit om deze te wijzigen of hiervan af te wijken. Indien er wel sprake zou zijn van strijdigheid met de omgevingsplannen, geldt dit projectbesluit op grond van artikel 22.16 Ow van rechtswege als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Onder de Omgevingswet is met deze vergunning afwijking van de regels in het omgevingsplan toegestaan.

Instructieregels

Voor de Minister van Infrastructuur en Waterstaat geldt bij het vaststellen van het projectbesluit een aantal instructieregels vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit zijn regels die gaan over de inhoud of motivering van het vast te stellen besluit, en schrijven voor dat het projectbesluit moet worden getoetst aan diverse aspecten van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld de aspecten natuur, water en bodem. Deze beoordeling is te vinden in hoofdstuk 5.

2.2 Beoordeling gevolgen voor de fysieke leefomgeving

De werkzaamheden betreffen geen activiteit die is opgenomen in het Omgevingsbesluit, bijlage V. Dit betekent dat er geen sprake is van een mer-(beoordelings)plicht. Uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding heeft wel als onderdeel van het vaststellen van het projectbesluit een beoordeling plaatsgevonden van de (mogelijke) gevolgen van het project op de fysieke leefomgeving. Dit is voor diverse relevante milieuaspecten uitgevoerd. De uitkomst is in een aparte rapportage uitgewerkt, opgenomen bij dit projectbesluit als bijlage 2. Uit deze beoordeling volgt dat bij de uitvoering van onderhavig projectbesluit geen sprake is van aanzienlijke gevolgen voor het milieu.

3 Verkenning en participatie

3.1 Verkenning

De maatregelen Genderensche en Capelsche uiterwaard bevinden zich in de Bergsche Maas. Om de ecologische kwaliteit van de Benedenmaas te verbeteren en een bijdrage te leveren aan de KRW-opgave zijn in de verkenningsfase van het project verschillende uiterwaarden onderzocht. Deze onderzochte gebieden zijn de zogenaamde zoekgebieden.

Binnen de Bergsche Maas zijn verschillende mogelijkheden onderzocht voor het verbeteren van de ecologische waterkwaliteit (oevers, geulen, en uiterwaardvergravingen).

Bij de bepaling van de zoekgebieden is onder andere rekening gehouden met:

  • De ligging van oude geulstructuren. Deze zijn bepaald op basis van geomorfologische kaarten en de hoogteligging. Op deze plekken kan een KRW-maatregel aansluiten op de vroegere functie van de rivier en wordt extra afgraven voorkomen;

  • Locaties waar nog oeverbestorting aanwezig is die niet noodzakelijk is ter bescherming van bruggen of andere belangrijke infrastructuur.

Dit heeft geleid tot de volgende zoekgebieden voor de Bergsche Maas (Figuur 3), met bijbehorende maatregelen:

  • Vergraven Capelsche uiterwaard: realiseren van een getijdegeul en aangetakte oevergeul;

  • Vergraven Genderensche uiterwaard: realiseren van een aangetakte oevergeul.

Een kaart met een overzicht van de zoekgebieden voor de maatregelen Genderensche Uiterwaard en Capelsche Uiterwaard.
Figuur 3 Zoekgebieden van maatregelen Bergsche Maas

Tijdens de analyse van de zoekgebieden zijn er delen van de maatregelen Capelsche uiterwaard en Genderensche uiterwaard afgevallen. Tijdens de voorbereidende werkzaamheden is informatie beschikbaar gekomen over locaties waar de KRW-opgave al is gehaald. Op locaties langs de Bergsche Maas is dit het geval. Lettende op efficiëntie en maatschappelijke kosten is daarom gekozen om delen af te laten vallen.

3.2 Kennisgeving voornemen en participatie

Volgens de Omgevingswet start de projectprocedure om te komen tot het vaststellen van een projectbesluit met het bekendmaken van een kennisgeving voornemen en een kennisgeving participatie. De kennisgeving voornemen volgt uit artikel 5.47, eerste lid van de Omgevingswet. De kennisgeving participatie volgt uit artikel 5.3 van het Omgevingsbesluit.

De kennisgeving ging over een voorgestelde oplossingsrichting. Met deze kennisgeving werd iedereen geïnformeerd en uitgenodigd mee te denken over de verkenning van oplossingsrichtingen.

De gecombineerde kennisgeving voornemen en participatie voor de Genderensche en Capelsche uiterwaard is gepubliceerd op 27 april 2023 via officielebekendmakingen.nl.

Een kaart met een overzicht van de projectgebieden voor de twee maatregelen zoals deze zijn gepubliceerd in de kennisgeving voornemen en participatie.
Figuur 4 Opgave kennisgeving Bergsche Maas

In totaal zijn er hierop drie reacties op binnengekomen van particulieren. Deze reacties bestonden uit vragen over het project, die aansluitend zijn beantwoord. Deze reacties zijn schriftelijk en gedeeltelijk mondeling toegelicht. De vragen hadden met name betrekking op de aangrenzende haven of behoefte aan een extra toelichting op het plan. In reacties zijn geen alternatieven voorgedragen en deze hebben dan ook niet geleid tot ontwerpaanpassingen.

Voor dit projectbesluit is geen voorkeursbeslissing genomen als bedoeld in artikel 5.49 van de Omgevingswet.

3.3 Projectgebieden

De twee maatregelen die worden uitgevoerd binnen de Bergsche Maas en de bijbehorende gebieden zijn te zien in onderstaande Figuur 5.

Een kaart met de weergave van de projectgebieden voor de twee maatregelen binnen dit projectbesluit, Genderensche Uiterwaard en Capelsche Uiterwaard.
Figuur 5 Maatregelen en bijbehorende gebieden Bergsche Maas

Hoofdstuk 4 geeft een verdere toelichting op de te treffen KRW-maatregelen. Voor alle twee hiervoor genoemde KRW-maatregelen zijn zogeheten grondslagendossiers opgesteld (MIRT2 Verkenningen rapport, Bijlage 3). In deze dossiers wordt voor elke maatregel beschreven waarom het treffen van maatregelen in het waterlichaam Bergsche Maas noodzakelijk is, waarom voor een bepaald type maatregel is gekozen, hoe de keuze is gemaakt voor de locatie waar de maatregel wordt uitgevoerd en waarom de locatie hiervoor geschikt is.

3.4 Participatieproces

In het proces om te komen tot het projectbesluit zijn belanghebbenden intensief betrokken. Via verschillende kanalen is mondeling en schriftelijk aandacht besteed aan het tijdig en doelmatig verstrekken en verkrijgen van informatie van belanghebbenden.

Er is een stakeholderanalyse opgesteld bij de start van de planuitwerking van KRW-maatregelen langs de Maas. Hierin is bepaald welke belangen spelen en hoe de verschillende belanghebbenden worden betrokken. Daarnaast is er een participatieplan opgesteld. Aan de start van en gedurende de planuitwerking zijn persoonlijke gesprekken gevoerd met de grondeigenaren, natuur beherende organisaties en gemeenten. Tijdens deze gesprekken zijn het programma Kaderrichtlijn Water Zuid-Nederland en de KRW-maatregelen toegelicht. Vragen en belangen zijn daarnaast actief opgehaald, door stakeholders te vragen om hun mening over de beoogde uitvoering van de KRW-maatregelen en om ideeën daarover in te brengen. Voor de ontwerpsessies in elke fase van het ontwerpproces zijn belanghebbenden zoals gemeenten, provincies, grondeigenaren, waterschappen en lokale belangenverenigingen uitgenodigd om mee te denken over het ontwerp. In hoofdstuk 6 wordt er verder ingegaan op de belangen die tijdens het participatieproces naar voren zijn gekomen. Voor grotere KRW-maatregelen die veel invloed hebben op belangen van de omgeving, zijn fysieke of digitale informatiebijeenkomsten georganiseerd.

Informatiekanalen

De omgeving is en wordt verder geïnformeerd via diverse media, zoals:

  • Projectinformatie op www.rijkswaterstaat.nl/maasoevers en www.samenwerkenaanriviernatuur.nl;

  • De nieuwsbrief KRW-ZN die twee keer per jaar wordt verstuurd en waar iedereen zich op kan abonneren;

  • Advertenties in lokale dagbladen en/of huis-aan-huisbladen;

  • Communicatie via sociale media als Facebook en X (voorheen Twitter);

  • De centrale publieksinformatielijn van Rijkswaterstaat 0800-8002 voor vragen, klachten en meldingen;

  • Persberichten.

4 Inhoud projectbesluit

4.1 Het projectgebied

In het projectbesluit wordt gesproken over verschillende gebieden, die hieronder worden toegelicht:

  • Het projectgebied is het gebied waar het projectbesluit betrekking op heeft. Het projectgebied bestaat uit het gebied waar voor de aanleg en het beheer en onderhoud van de KRW-maatregelen werkzaamheden plaatsvinden;

  • De erosielimietlijn is de begrenzing waarbinnen de berekende voortschrijdende erosie zal plaatsvinden. De zone is vastgesteld op een breedte van 0 meter bij geïsoleerde geulen, 3 meter bij aangetakte geulen, 6 meter bij meestromende geulen en tot 37 meter bij ontsteende oevers (de daadwerkelijke breedte van de erosielimietlijn per maatregel is weergegeven op de ontwerptekeningen);

  • Als er voor het toekomstige beheer en onderhoud een strook benodigd is zal deze beheer- en onderhoudsstrook aansluiten op de grens van het projectgebied. Deze strook heeft een breedte van 4,1 meter en is onderdeel van het projectgebied. Uitzondering op deze breedte zijn beheer- en onderhoudsstroken die eigendom zijn van Waterschappen of terrein beherende organisaties, hier worden de breedtes van de door die gehanteerde organisaties aangehouden. Meer detail over het beheer en onderhoud is opgenomen in paragraaf 8.5.

De beheer- en onderhoudsstrook maakt deel uit van het projectgebied. De grenzen van het projectgebied zijn vastgelegd in het digitale stelsel Omgevingswet (DSO).

4.2 Beschrijving project

4.2.1 Vergraven Genderensche uiterwaard [GTM_233_R)

4.2.1.1 Huidige situatie

De Genderensche uiterwaard is een zomerpolder en ligt tussen rivierkilometer (hierna rkm) 232,9 en 234,8 op de rechteroever van de Bergsche Maas. De Genderensche uiterwaard ligt in de gemeente Altena, provincie Noord-Brabant. De uiterwaard is circa 2,0 kilometer lang en circa 280 meter breed. Het gehele gebied is in eigendom van de Staat en wordt verpacht. Het landgebruik bestaat voornamelijk uit begraasd grasland . Ten zuidwesten, aan de overkant van de Bergsche Maas, begint het zoekgebied van de Capelsche uiterwaard. Op de oever staan verschillende bakenbomen, voornamelijk populieren (geschatte ouderdom: circa 60-70 jaar) en wilgen, maar ook een aantal bakenbomen die recentelijk zijn aangeplant (circa 10-20 jaar oud). Om het gebied te ont- en afwateren zijn er in het verleden vele sloten gegraven, die afwateren via een monumentale molen op de Bergsche Maas. Aan de oostkant wordt de zomerpolder begrensd door een gemeentelijke passantenjachthaven. De zomerpolder heeft naast een agrarische functie tevens onder het omgevingsplan de waarde voor weidevogelfunctie.

4.2.1.2 Oplossing

De paragrafen hieronder beschrijven de maatregelen. In de ontwerpnota (zie bijlage 4.1) van de Genderensche uiterwaard worden de werkzaamheden van de maatregel volledig beschreven, met ontwerptekening, dwarsprofielen en grondstromen.

De bestaande oever met steenbestorting en het zuidelijk deel vanaf de kruin van de zomerkade wordt heringericht tot een aangetakte oevergeul. Hierbij blijft de huidige oeverbescherming, bestaande uit breuksteen en zetsteen, behouden. De (populieren) bomen worden verwijderd en wordt de oever ten zuiden van zomerkade afgegraven. De belangrijkste onderdelen van de maatregel worden hieronder samengevat.

De maatregel Genderensche uiterwaard omvat de uitvoering van de volgende werkzaamheden:

  • Bij in- en uitstroom verwijderen stortsteen;

  • Aanbrengen vooroever constructie;

  • Aanleg aangetakte oevergeulen door ontgraving;

  • Aanleg van de rietzone met aanleg afrastering;

  • Aanbrengen van rivierhout in de aangetakte oevergeul;

  • Aanbrengen bodembescherming bij de openingen;

  • Verwijderen bomen;

  • Verplaatsen kilometerraaiborden;

  • Toevoegen kribbakens op vooroever.

In onderstaande Figuur 6 is de ontwerpkaart inclusief de werkzaamheden weergegeven voor de maatregel Genderensche uiterwaard.

Een gedetailleerde kaart met satellietfoto en het projectgebied van de maatregel Genderensche Uiterwaard, waarop ook alle uit te voeren werkzaamheden zijn omschreven.
Figuur 6 Inrichtingsschets van de maatregel Genderensche uiterwaard

Een vooroeverconstructie van breukstenen wordt gerealiseerd om golven te breken en erosie te voorkomen. De bestaande oeverbescherming blijft behouden en de grond wordt afgegraven. De hoogte van de constructie is gebaseerd op golfhoogtes en vloedwaterstanden. De vooroever sluit aan op de bestaande oeverbescherming en heeft enkele openingen voor wateruitwisseling en vismigratie. Rond de lichtmasten blijft een grasstrook behouden.

Achter de vooroever komt een beschut waterlichaam met rietzones. Het riet wordt aangeplant om erosie te voorkomen en vogels te beschermen. Rivierhout wordt geplaatst bij openingen in de vooroever voor vis en macrofauna. De windmotor, het afwateringsgemaal en de lichtmasten blijven behouden en de kilometerraaiborden worden verplaatst. Twee kribbakens worden toegevoegd aan de vooroeverconstructie.

4.2.1.3 Doelbereik

Door het verflauwen van de oevers en het aanleggen van de aangetakte oevergeulen, ontstaat een groter oppervlak aan overgangszones met rietoevers en ondiep waterzones, beschut tegen scheepvaartgolven. Dit vergroot het areaal aan groeiplaatsen voor verschillende soorten water- en oeverplanten en geeft kansen voor specifieke oevervegetatie van het zoetwatergetijdegebied, zoals biezen (mattenbies en driekantige bies, heen), riet en slijkgroen. Maar ook ondergedoken planten zoals fonteinkruiden en gedoornd hoornblad kunnen in de ondiepe zones mogelijk tot ontwikkeling komen.

Door de maatregel ontstaat een grotere diversiteit aan natuurlijke leefgebieden en neemt het areaal aan geschikt leefgebied toe voor de verschillende soorten ongewervelde waterdieren, in verschillende levensfasen. De verwachting is dat het aantal kenmerkende indicatorsoorten toeneemt, en/of het aantal positief dominante soorten, terwijl de negatief dominante soorten (o.a. exotensoorten) relatief afnemen. De verwachte toename van water- en oevervegetatie zal ook een bijdrage leveren aan specifieke soorten ongewervelden als variabele waterjuffer, bolle stroommossel en specifieke kokerjuffers.

De huidige toestand voor vis is momenteel goed in de Bergsche maas. Er wordt echter geen vis gemonitord in dit waterlichaam, dus de werkelijke toestand is onbekend. Hiervoor wordt data gebruikt van de Benedenmaas. Daarom is de werkelijke situatie voor vis niet duidelijk. Duidelijk is wel dat er momenteel relatief weinig geschikt habitat in het waterlichaam aanwezig is. Door deze maatregel wordt de leefomgeving voor diverse vissoorten vergroot, met name voor soorten die van natuurvriendelijke oevers en getijdengeulen profiteren. Dit zijn soorten als riviergrondel, bot, stekelbaars maar mogelijk maken ook zeldzamere soorten als fint, harder en spiering in de toekomst gebruik van de aangetakte oevergeulen als tijdelijk foerageergebied tijdens de migratie.

De maatregelen leveren ook leefgebied op voor bepaalde vogelsoorten. Dit is geen KRW-doel, maar wel een projectgebonden meekoppelkans. De rietoevers die tot ontwikkeling komen, kunnen broedplekken opleveren voor specifieke vogels als de rietgors, blauwborst en baardmannetje. Voor steltlopers leveren de ondiepe delen geschikt foerageerhabitat op.

De maatregel zal lokaal effect hebben en de ecologische kwaliteit op de lange termijn verbeteren. Alle maatregelen in de Bergsche Maas samen, inclusief Vergraven Genderensche uiterwaard, zullen een positief effect hebben op de EKR-score voor het hele waterlichaam. Deze zal verbeteren ten opzichte van de huidige situatie.

4.2.2 Vergraven Capelsche uiterwaard [GTM_234_L]

4.2.2.1 Huidige situatie

De Capelsche uiterwaard is een lang uitgerekte uiterwaard lopend van rkm 234 tot en met rivierkilometer 241,3 op de linkeroever van de Bergsche Maas. De Capelsche uiterwaard is in totaal bijna 7,5 kilometer lang en circa 250 meter breed. De uiterwaard ligt geheel in de gemeente Waalwijk en zit volledig in beheergebied van waterschap Brabantse Delta. Het projectgebied bevindt zich tussen ca. rkm 236,6 en 239,5.

4.2.2.2 Oplossing

De paragrafen hieronder beschrijven de maatregelen. In de ontwerpnota (zie bijlage 4.2) van de Capelsche uiterwaard worden de werkzaamheden van de maatregel volledig beschreven, met ontwerptekening, dwarsprofielen en grondstromen.

De maatregel Capelsche uiterwaard bestaat uit het realiseren van een getijdegeul in het westelijk deel van de uiterwaard, waarbij bestaande slagen (dwarssloten in de huidige uiterwaard) worden aangetakt en er moerassige laagtes worden ontwikkeld ten noorden van de getijdegeul. Daarnaast wordt de maasoever, die nu is afgewerkt met zetsteen en breuksteen, zowel langs het oostelijk als het westelijk deel van de uiterwaard ingericht als aangetakte oevergeul. De belangrijkste onderdelen van de maatregel worden hieronder samengevat.

De maatregel Capelsche uiterwaard omvat de uitvoering van de volgende werkzaamheden:

  • Aanleg getijdengeul en opheffen zomerpolder;

  • Aanleg breukstenen drempel in geul;

  • Graven greppels;

  • Aanbrengen van vlakdekkende maaiveldophogingen ten zuiden van de getijdegeul;

  • Aanleg zomerkade langs gemeentelijke weg;

  • Aanleg van een moeraszone;

  • Aanleg aangetakte oevergeul door ontgraving;

  • Riet planten en afrasteren voor de ontwikkeling;

  • Nieuwe rasters en deels verwijderen bestaande rasters;

  • Verwijderen (baken)bomen;

  • Aanbrengen rivierhout;

  • Aanplanten bomen;

  • Aanleg duiker;

  • Aanleg gemaal.

In onderstaande Figuur 7 is de ontwerpkaart inclusief de werkzaamheden weergegeven voor de maatregel Capelsche uiterwaard.

Een gedetailleerde kaart met satellietfoto en het projectgebied van de maatregel Capelsche Uiterwaard, waarop ook alle uit te voeren werkzaamheden zijn omschreven
Figuur 7 Inrichtingsschets van de maatregel Capelsche uiterwaard

Er worden een getijdegeul en moeraszones aangelegd. De getijdegeul volgt de laagste plekken in het landschap en maakt deel uit van een oud krekenstelsel. Om het karakteristieke slagenlandschap te behouden, zijn haakse sloten geïntegreerd in het ontwerp. Door de aanleg van de getijdegeul zal een deel van het gebied regelmatig overstromen met Maaswater. Om de gemeentelijke weg te beschermen tegen overstromingen wordt een zomerkade aangelegd.

De hoogdynamische inrichting van de Capelsche uiterwaard biedt een geschikt habitat voor vissen die kenmerkend zijn voor de overgang van zout naar zoet water, zoals de fint en de harder. Daarnaast komen er in de riet- en biezengorzen verschillende soorten rietvogels voor, zoals de roerdomp en de grote karekiet.

De oever van de Capelsche uiterwaard wordt omgevormd tot een aangetakte oevergeul, waarin openingen worden gemaakt voor wateruitwisseling en vismigratie. De aangetakte oevergeul zal dienen als opgroeiplaats voor vis en als rustplaats voor trekvissen. Langs de oever worden brede rietstroken aangelegd en bomen geplant voor beschaduwing. De droogvallende delen en het rietmoeras zijn belangrijk voor rietvogels zoals de rietgors, rietzanger en kleine karekiet.

Het graslandgebied tussen de nieuwe zomerkade aan de zuid- en oostzijde en het afwateringskanaal wordt omgevormd tot een overstromingsvlakte. Deze vlakte wordt gekenmerkt door verschillende soorten gras en kruiden, zoals rietgras, geknikte vossenstaart en moerasvergeet-mij-nietje. Het gebied is belangrijk als foerageer- en broedgebied voor vogels en als leefgebied voor vissen en waterdieren.

4.2.2.3 Doelbereik

Door de aanleg van de getijdegeul, het verflauwen van de oevers en het creëren van een aangetakte oevergeul, ontstaan er meer overgangs- en ondiepe waterzones die beschut zijn tegen scheepvaartgolven. Dit vergroot het aantal groeiplaatsen voor water- en oeverplanten en geeft kansen voor specifieke oevervegetatie van het zoetwatergetijdegebied, zoals biezen, riet en slijkgroen. Ook ondergedoken planten kunnen mogelijk groeien in de ondiepe zones. Deze maatregelen zorgen ook voor meer diversiteit aan leefgebieden voor ongewervelde waterdieren en een toename van kenmerkende soorten. De overstromingsvlakte biedt habitat voor laagdynamische vissoorten en kan dienen als paai- en opgroeigebied voor rivier vissen. Libellen en waterjuffers profiteren ook van deze habitats. De huidige toestand voor vis is momenteel goed in de Bergsche maas. Er wordt echter geen vis gemonitord in dit waterlichaam, dus de werkelijke toestand is onbekend. Hiervoor wordt data gebruikt van Benedenmaas. Daarom is de werkelijke situatie voor vis niet duidelijk. Duidelijk is wel dat er momenteel relatief weinig geschikt habitat in het waterlichaam aanwezig is. Door deze maatregel wordt de leefomgeving voor diverse vissoorten vergroot, met name voor soorten die van natuurvriendelijke oevers en getijdengeulen profiteren. Dit zijn soorten als riviergrondel, bot en stekelbaars, maar mogelijk maken ook zeldzamere soorten als fint, harder en spiering in de toekomst gebruik van de aangetakte oevergeulen als tijdelijk foerageergebied tijdens de migratie. Rivierhout biedt ook voor vis schuilplaatsen en voortplantingsmogelijkheden.

De maatregelen leveren ook leefgebied op voor bepaalde vogelsoorten. Dit is geen KRW-doel maar wel een projectgebonden meekoppelkans. De rietoevers die tot ontwikkeling komen, kunnen broedplekken opleveren voor specifieke vogels als de rietgors, blauwborst en baardmannetje. Voor steltlopers leveren de ondiepe delen geschikt foerageerhabitat op.

De maatregel zal lokaal effect hebben en de ecologische kwaliteit op de lange termijn verbeteren. Alle maatregelen in de Bergsche Maas samen, inclusief Vergraven Capelsche uiterwaard, zullen een positief effect hebben op de EKR-score voor het hele waterlichaam. Deze zal verbeteren ten opzichte van de huidige situatie.

4.3 Buiten toepassing laten regels andere overheden

Bij de vaststelling van het projectbesluit is het mogelijk om regels van andere overheden buiten toepassing te laten. Omdat er is gebleken dat er geen sprake is van regels van andere overheden die de uitvoering van het projectbesluit kunnen belemmeren, hoeven er in het projectbesluit geen regels van andere overheden buiten toepassing te worden verklaard.

4.4 Termijn niet vaststellen belemmerende regels in het omgevingsplan of provinciaal projectbesluit

Vanaf het moment waarop het projectbesluit is vastgesteld tot drie jaar na vaststelling van het projectbesluit dan wel eerder, als het project waarvoor het projectbesluit is vastgesteld eerder is gerealiseerd, worden in een omgevingsplan van de gemeenten Altena en Waalwijk en in een projectbesluit van de provincie Noord-Brabant geen regels gesteld die het uitvoeren van het project belemmeren. Dit volgt uit artikel 4.19a, derde lid en artikel 5.53a, derde lid van de Omgevingswet. Mocht het nodig zijn kan de termijn eenmalig worden verlengd.

5 Het project en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving

5.1 Algemeen wettelijk kader

Het project waarvoor het projectbesluit KRW-ZN Bergsche Maas wordt vastgesteld moet voldoen aan (inter)nationale en regionale of lokale wet- en regelgeving. Ook moet worden bezien of het project past binnen door Rijk, provincie, gemeenten of waterschappen vastgesteld beleid over (onderdelen van) de fysieke leefomgeving. In dit hoofdstuk volgt de toetsing aan relevante wet- en regelgeving.

In algemene zin geldt dat het project bijdraagt aan het beschermen en verbeteren van een aantal van de volgende (algemene) doelen van de Omgevingswet, die zijn gericht op het in onderlinge samenhang:

  • Bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarden van de natuur, en;

  • Doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen.

Daarnaast voldoet het project aan het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit besluit bevat instructieregels over de fysieke leefomgeving die bij het vaststellen van het projectbesluit van toepassing zijn en beogen bepaalde belangen te borgen en te beschermen. Zoals het beschermen van de gezondheid en het milieu. Dit wordt in dit hoofdstuk voor zover nodig nader toegelicht.

5.1.1 Internationaal

Voor de uitvoering van de vijf KRW-maatregelen zijn internationaal de Kaderrichtlijn Water (richtlijn 2000/60/EG) en de Vogel- en Habitatrichtlijn (richtlijn 92/43/EEG) relevant.

5.1.1.1 Kaderrichtlijn Water (KRW)

De Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is erop gericht de kwaliteit van watersystemen te verbeteren, zoals grondwater en oppervlaktewater. Het moet de verontreiniging van waterlichamen verminderen en voorkomen, duurzaam watergebruik bevorderen en de effecten van overstromingen en droogte beperken. De KRW stelt concrete doelen voor elk oppervlakte- en grondwaterlichaam en voor specifiek beschermde gebieden zoals Natura 2000-gebieden. Voor oppervlaktewater stelt de KRW eisen aan de chemische en ecologische kwaliteit. Uiterlijk in 2027 moeten de door de KRW aangewezen wateren voldoen aan de vastgestelde doelen. Zie hoofdstuk 3 voor een verdere toelichting op de opgave.

Met de te realiseren KRW-maatregelen ontstaat een grotere diversiteit aan leefgebieden en neemt het areaal aan geschikt habitat toe. Voor elk van de KRW-maatregelen is het doelbereik bepaald met behulp van een zogenoemde KRW-toets. De resultaten van de toetsingen worden beschreven in paragraaf 5.3.1. de volledige KRW-toetsen zijn opgenomen in bijlage 5.

5.1.1.2 EU Vogel- en Habitatrichtlijn

De Vogel- en Habitatrichtlijn richten zich op het behouden van de Europese biodiversiteit. Dit doel wordt enerzijds nagestreefd door het beschermen van soorten en anderzijds door de bescherming van gebieden die een samenhangend netwerk (Natura 2000) vormen.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke leefgebieden en habitat van soorten (Habitatrichtlijn). De Omgevingswet regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden.

De beoogde uitvoering van de twee KRW-maatregelen vindt niet plaats in Natura 2000-gebieden. Wel is onderzocht of de KRW-maatregelen effect kunnen hebben op Natura 2000-gebieden door externe werking. Zie bijlage 2 voor de volledige effectenbeoordeling.

5.1.2 Nationaal

Voor de KRW-maatregelen zijn nationaal de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 2020 en het Nationaal Water Programma (NWP) 2022–2027 relevant.

5.1.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De NOVI is de Rijksvisie op een duurzame fysieke leefomgeving. In de NOVI staan de keuzes op nationaal niveau. De NOVI richt zich op vier prioriteiten, te weten:

  • a.

    Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie;

  • b.

    De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;

  • c.

    Onze steden en regio's sterker en leefbaarder maken;

  • d.

    Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

In de NOVI zijn ook nationale belangen benoemd, die op nationaal niveau moeten worden behartigd. Het “waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van water” is één van de nationale belangen. De KRW-richtlijn draagt bij aan dit nationale belang. Dit KRW-project sluit daarom aan op de NOVI.

5.1.2.2 Nationaal Water Programma (NWP)

Zowel landelijk als regionaal waterbeleid wordt vastgelegd in waterplannen. Het Rijk doet dit voor de rijkswateren in het Nationaal Waterprogramma (voorheen Nationaal Waterplan en het Beheerplan voor de Rijkswateren). Hierin staat welke maatregelen genomen moeten worden om Nederland veilig en leefbaar te houden en om de kansen die water biedt, te benutten. Dit is nodig om voor te bereiden op klimaatverandering, om meer samenhang binnen het beleid aan te brengen, om water meer ruimte te geven en om natuurlijke processen te herstellen.

Vooruitlopend op de Omgevingswet heeft het Rijk het Nationaal Waterprogramma en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren geïntegreerd tot één waterprogramma. Als wettelijke bijlagen zijn opgenomen de stroomgebiedbeheerplannen (sgbp’s), het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee 2022-2027. In het Nationaal Waterprogramma ligt de focus op omgaan met de uitdagingen van klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk. Ook wil het Rijk water een leidend principe maken in de ruimtelijke inrichting van Nederland.

De KRW schrijft voor dat sgbp’s moeten worden opgesteld met de beschrijving van de watersystemen, doelen en KRW-maatregelen. Met het Nationaal Waterprogramma voldoet Nederland aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water, de Richtlijn Overstromingsrisico’s en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Ook vormt het Nationaal Waterprogramma het kader voor de regionale waterplannen. Met onderhavig project wordt een aantal KRW-maatregelen uit het stroomgebiedbeheerplan voor de Maas gerealiseerd.

5.1.3 Regionaal

Voor de twee uit te voeren KRW-maatregelen in onderhavig projectbesluit zijn de volgende regionale (beleids)documenten relevant:

  • Provinciale Omgevingsvisie Noord-Brabant;

  • Provinciale Omgevingsverordening Noord-Brabant;

  • Omgevingsvisie gemeente Altena;

  • Omgevingsvisie gemeente Waalwijk;

  • Omgevingsplannen gemeente Altena en gemeente Waalwijk;

  • Waterschapsverordening Rivierenland;

  • Waterschapsverordening Brabantse Delta.

5.1.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld in december 2018. De Omgevingsvisie stelt een lange termijnvisie voor de provincie in 2050, evenals doelen voor 2030 om die visie te verwezenlijken. De visie begint met een hoofdstuk over waarom de veranderingen die in de Omgevingsvisie benodigd zijn en stelt een aantal kernwaarden vast. Deze kernwaarden zijn onder andere gericht op duurzame innovaties, een duurzame economie en preventief handelen. Ook stelt de Omgevingsvisie een aantal overkoepelende opgaven voor de provincie en de weg van de huidige situatie naar de geschetste situatie in 2050.

5.1.3.2 Provinciale Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 5 december 2023 en is in werking getreden op 1 januari 2024, samen met de Omgevingswet. De Omgevingsverordening is gericht op de doelen gesteld in de Omgevingsvisie: een goede, veilige en gezonde leefomgeving, het in stand houden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit, een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving en het realiseren van maatschappelijke opgaven.

5.1.3.3 Omgevingsvisie gemeente Altena

De Omgevingsvisie van de gemeente Altena is vastgesteld op 12 december 2023. De Omgevingsvisie geeft een overzicht van de kernwaarden van de gemeente Altena en de richting waarin ze willen ontwikkelen in de verschillende gebieden behorende bij de gemeente in een aantal thema’s, waarden en ambities.

5.1.3.4 Omgevingsvisie gemeente Waalwijk

De huidige Omgevingsvisie van de gemeente Waalwijk bestaat uit een overzicht van de bestaande en actuele beleidsdocumenten met betrekking tot de fysieke leefomgeving. De ontwikkeling van een totale Omgevingsvisie is van start gegaan in 2023 en is waarschijnlijk afgerond in 2025.

5.1.3.5 Omgevingsplannen gemeente Altena en gemeente Waalwijk

De regels gesteld in de tijdelijke omgevingsplannen van de gemeenten Altena en Waalwijk zijn relevant voor de beoogde maatregelen in onderhavig projectbesluit. Sinds het in werking treden van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn de voormalige bestemmingsplannen opgegaan in het nieuwe tijdelijke deel van het omgevingsplan. Gemeenten hebben tot 1 januari 2032 om dit tijdelijke deel om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Hierdoor zijn momenteel de omgevingsplannen van gemeenten grotendeels vergelijkbaar met de voormalige bestemmingsplannen. Zie voor meer informatie en de volledige toetsing aan de omgevingsplannen bijlage 6.

5.1.3.6 Waterschapsverordening Rivierenland

De waterschapsverordening van waterschap Rivierenland is in werking getreden op 2 januari 2024. De waterschapsverordening vervangt de Keur en algemene regels en omvat de regels over de fysieke leefomgeving. Het document omvat alle regels die bepalen welke activiteiten op welke locaties of in welke gebieden mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden.

5.1.3.7 Waterschapsverordening Brabantse Delta

De waterschapsverordening van waterschap Brabantse Delta is in werking getreden op 24 januari 2024. De waterschapsverordening vervangt de voormalige Keur en algemene regels en omvat de regels over de fysieke leefomgeving. Het omvat alle regels die bepalen welke activiteiten op welke locaties of in welke gebieden mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden.

5.2 Gezondheid

Een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit (artikel 1.3 sub a Ow). Het aspect gezondheid is meegenomen in de beoordeling gevolgen fysieke leefomgeving (bijlage 2). De gevolgen van het projectbesluit op de gezondheid is onderzocht door te toetsen aan de onderdelen geluid, luchtkwaliteit en risico op ongevallen. In de mer-beoordeling is geconcludeerd dat er geen aanzienlijke nadelige gevolgen optreden voor deze drie thema’s door de uitvoering van dit projectbesluit. Wel is er tijdens de uitvoeringsfase van dit projectbesluit sprake van een tijdelijke beïnvloeding van de luchtkwaliteit die niet leidt tot significante effecten op de luchtkwaliteit op de lange termijn. Ook is er tijdens de werkzaamheden sprake van tijdelijk extra geluid. Dit zal echter geen significante hinder veroorzaken en valt binnen de normen van de Omgevingswet.

5.3 Maatregelen ter voorkoming, beperking of compensatie van nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving

5.3.1 Gevolgen

In de rapportage beoordeling gevolgen voor de fysieke leefomgeving is de impact van de maatregelen op diverse (milieu)aspecten van de fysieke leefomgeving getoetst. Onderstaande Tabel 2 is opgesteld conform RWS-format en biedt een overzicht van de hiervoor genoemden aspecten. De tabel presenteert een samenvatting van de conclusie per aspect. Zie voor de volledige toetsing en effectenbeoordeling bijlage 2.

Tabel 2 - Presentatie per milieuaspect van de uitgevoerde beoordeling van de gevolgen van het project op de fysieke leefomgeving.

Aspect

Maatregel

Conclusie

Natuur –N2000

Genderensche uiterwaard, Capelsche uiterwaard

De KRW-maatregelen liggen op geruime afstand van Natura2000 gebieden. Directe beïnvloeding van deze gebieden is daarmee uitgesloten. Door de beperkte en tijdelijke uitstoot van stikstof zijn ook negatieve effecten op N2000 als gevolg van stikstofuitstoot op voorhand uit te sluiten. Er is dan ook geen sprake van een N2000 activiteit volgens de omgevingswet en een omgevingsvergunning N2000-activititeit is daarom niet nodig.

Natuur –NNN

Genderensche uiterwaard, Capelsche uiterwaard

Herinrichting van beide uiterwaarden leidt niet tot negatieve effecten op ecologische waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Brabant. De herinrichting van de uitwerwaarden is toegestaan. Aanvullende toetsing of maatregelen zijn niet vereist.

Natuur –Soorten

Genderensche uiterwaard, Capelsche uiterwaard

In de projectgebieden zijn verschillende beschermde plant- en diersoorten waargenomen. Hiervoor worden diverse mitigerende maatregelen getroffen tijdens de uitvoering om effecten te voorkomen. Mits er wordt gewerkt conform de zorgplicht en de mitigerende maatregelen, zijn effecten grotendeels uitgesloten.Voor de Genderensche uiterwaard is een omgevingsvergunning flora fauna benodigd t.b.v. de ruige dwergvleermuis.Voor de Capelsche uiterwaard is een omgevingsvergunning flora fauna benodigd t.b.v. de vleermuis en de bever.

Archeologie

Capelsche uiterwaard

Eén maatregelgebied ligt gedeeltelijk in een zone met hoge archeologische verwachtingswaarden. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden wordt rekening gehouden met de archeologische verwachtingswaarde. Ook zijn er Programma’s van Eisen opgesteld. Geen aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving voorzien.

Cultuurhistorie

Genderensche uiterwaard, Capelsche uiterwaard

Geen aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving voorzien.

Bodem

Genderensche uiterwaard, Capelsche uiterwaard

Aan de hand van vooronderzoek en indicatief waterbodemonderzoek is gebleken dat er geen aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving in het kader van bodem- en waterkwaliteit optreden.

Water –Rivierkunde

Genderensche uiterwaard, Capelsche uiterwaard

De maatregelen zorgen voor beperkte waterstands-effecten voor het aspect rivierkunde. Er worden hierdoor echter geen aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving verwacht.

Water –Waterveiligheid

Capelsche uiterwaard

De maatregel ligt voor een deel binnen de beschermingszone van de primaire waterkering. Er worden geen aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving verwacht.

Water –Oppervlakte- en grondwater

Genderensche uiterwaard, Capelsche uiterwaard

Er worden geen aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving op de omgeving verwacht. Het nemen van mitigerende maatregelen op het gebied van oppervlakte- en grondwater voorkomt aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving.

Water –(Tijdelijke) achteruitgang waterkwaliteit

Genderensche uiterwaard, Capelsche uiterwaard

Er is geen sprake van (tijdelijke) achteruitgang van de ecologische of chemische waterkwaliteit.

Ontplofbare Oorlogsresten (OO)

Genderensche uiterwaard, Capelsche uiterwaard

Alle projectgebieden zijn verdacht op de aanwezigheid van NGCE of OO. Hier wordt rekening mee gehouden tijdens de uitvoering. Beide maatregelen dienen onder OO-begeleiding te worden uitgevoerd.

Woon- en Leefomgeving – Ruimtelijke kwaliteit

Genderensche uiterwaard, Capelsche uiterwaard

De maatregelen dragen positief bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving zijn hiermee uitgesloten.

Woon- en Leefomgeving –Geluid

Genderensche uiterwaard, Capelsche uiterwaard

Werkzaamheden veroorzaken tijdelijk extra geluid. Dit zal binnen de normen van de Omgevingswet vallen. Aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen worden uitgesloten.

Woon- en Leefomgeving –Luchtkwaliteit

Genderensche uiterwaard, Capelsche uiterwaard

Werkzaamheden beïnvloeden tijdelijk de luchtkwaliteit. Geen significante effecten t.a.v. de luchtkwaliteit op de lange termijn. Aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen worden uitgesloten.

Woon- en Leefomgeving – Verkeer

Genderensche uiterwaard, Capelsche uiterwaard

Het realiseren van de maatregelen heeft geen verkeeraantrekkend effect na realisatie. Tijdens de uitvoeringsfase zijn er tijdelijk extra verkeersbewegingen. Echter leiden deze niet tot aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving.

5.3.2 Maatregelen ter beperking of voorkoming van effecten

Om de effecten van de KRW-maatregelen op de fysieke leefomgeving te beperken worden (tijdelijke) maatregelen getroffen om deze effecten te voorkomen, te beperken of te mitigeren. Deze zijn:

  • Tijdens het hoogwaterseizoen mag er geen materieel rijden binnen de (beschermings)zone van de aanwezige waterkering in beheer bij waterschap Rivierenland en waterschap Brabantse Delta om effecten op de waterveiligheid te voorkomen;

  • Voor broedvogels: de werkzaamheden starten buiten het broedseizoen of er wordt volledig buiten het broedseizoen gewerkt;

  • Voor amfibieën en grondgebonden zoogdieren: bij de start van de werkzaamheden wordt in één richting gewerkt en indien nodig wordt er vanaf open wateren in tegengestelde richting gewerkt;

  • Voor vleermuizen: werkzaamheden worden uitsluitend uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang;

  • Voor vissen: oeververontsteningswerkzaamheden worden rustig en in één richting uitgevoerd.

6 Belangenafweging

6.1 Agrariërs en agrarische bedrijven in de omgeving

Voor boeren en agrarische bedrijven in het gebied is het behoud van zoveel mogelijk agrarische grond belangrijk voor hun bedrijfsvoering. Hierna zijn de belangen van agrariërs per KRW-maatregel beschreven.

6.1.1 Capelsche uiterwaard

De gronden bij de KRW-maatregel Capelsche uiterwaard worden uitsluitend voor agrarische doeleinden gebruikt. De percelen zijn in eigendom van de Staat en worden verpacht. De gronden worden als grasland en voor de teelt van gewassen zoals mais gebruikt. Het herinrichten van de Capelsche uiterwaard leidt tot ruimtebeslag op en gebruiksbeperkingen van de agrarische gronden. Met de pachters van deze gronden worden gesprekken gevoerd en worden afspraken gemaakt over het gebruik van de benodigde grond. Het proces van grondverwerving en regelingen voor nadeelcompensatie worden toegelicht in paragraaf 7.1 en 7.2. 

In het oosten wordt een gemaaltje geplaatst zodat onder andere de agrarische bestemming van aangrenzende percelen kan voortbestaan.

6.1.2 Genderensche uiterwaard

De gronden bij de KRW-maatregel Genderensche uiterwaard worden uitsluitend voor agrarische doeleinden gebruikt. De percelen zijn in eigendom van de Staat en worden verpacht. De gronden worden met name als grasland gebruikt en als weidelocaties voor vee. Het herinrichten van de Genderensche uiterwaard leidt tot ruimtebeslag op en gebruiksbeperkingen van de agrarische gronden. Met de pachters van deze gronden worden gesprekken gevoerd en worden afspraken gemaakt over de benodigde grond. Het proces van grondverwerving en regelingen voor nadeelcompensatie worden toegelicht in paragraaf 7.1 en 7.2. 

6.2 Bereikbaarheid voor recreanten en agrariërs

De bereikbaarheid van de percelen is voor recreanten en agrariërs belangrijk. Per KRW-maatregel is daar zo goed mogelijk rekening mee gehouden.

6.2.1 Capelsche uiterwaard

Het gebied is momenteel niet toegankelijk voor recreanten. Dit zal in de toekomstige situatie ook zo zijn. De aangrenzende agrarische percelen zullen op dezelfde manier bereikbaar blijven. Om de gemeentelijke weg te beschermen tegen overstromingen wordt een zomerkade aangelegd.

6.2.2 Genderensche uiterwaard

Het gebied is in de huidige situatie bereikbaar via het beheerpad dat loopt naar de Amerikaanse windmotor. Deze weg wordt gebruikt door recreanten. De stakeholders hebben aangegeven ook in de toekomst gebruik te willen maken van deze weg, onder andere voor het onderhoud van de motor. Ook in de toekomstige situatie zal het gebied bereikbaar blijven via deze weg. De aangrenzende agrarische percelen zullen op dezelfde manier bereikbaar blijven.

6.3 Behoud of verbetering van cultuurhistorische waarden

Het behoud van structuren en objecten die een beeld geven van de historische situatie of ontwikkeling in het landschap is voor sommige stakeholders van groot belang.

6.3.1 Capelsche uiterwaard

Vanuit de provincie Noord-Brabant zijn meerdere wensen aangedragen om de cultuurhistorische waarden in het gebied te behouden en te versterken. Zo wordt het kenmerkende slagenlandschap dat is vastgelegd als Cultuurhistorisch Landschap van Provinciaal Belang behouden en versterkt.

6.3.2 Genderensche uiterwaard

Vanuit de omgeving zijn meerdere wensen aangedragen om de cultuurhistorische waarden in het gebied te behouden en te versterken. Er worden geen hoge bomen aangeplant, waardoor het open karakter van het landschap behouden blijft. Daarnaast blijft het rijksmonument (de Amerikaanse windmotor) behouden.

6.4 Andere belangen

6.4.1 Capelsche uiterwaard

Er is in afstemming met het waterschap Brabantse Delta gekeken hoe het ontwerp dusdanig in de omgeving ingepast kan worden dat de hoogwaterveiligheid niet in het geding komt. Door de dikke kleilaag ter plaatse van de getijdegeul zijn er geen maatregelen nodig ten behoeve van de waterveiligheid.

Om de huidige gemeentelijke weg parallel aan de primaire kering te beschermen tegen vaker overstromen dan in de huidige situatie, wordt een zomerkade aangelegd direct langs de gemeentelijke weg. Hiermee blijven de huidige functie en bereikbaarheid geborgd.

6.4.2 Genderensche uiterwaard

De Genderensche uiterwaard is een waardevol weidevogelgebied in de provincie Noord-Brabant. Samen met de omgeving is gekeken naar hoe zowel KRW-doelstellingen als weidevogeldoelstelling gehaald konden worden. Het ontwerp is hierop aangepast. Zo is er bijvoorbeeld geen ruimte voor bosontwikkeling in verband met predatie van weidevogels.

Er is in afstemming met waterschap Rivierenland gekeken hoe het ontwerp dusdanig in de omgeving ingepast kan worden dat de hoogwaterveiligheid niet in het geding komt. Gezien er geen werkzaamheden plaatsvinden in de beschermingszone van de primaire kering van het waterschap, zijn er geen maatregelen nodig ten behoeve van waterveiligheid.

6.5 Afweging

Er worden diverse belangen van verschillende partijen geraakt door het uitvoeren van de KRW-maatregelen. De KRW-maatregelen zoals beschreven in onderhavig projectbesluit zijn benodigd om de doelstellingen te halen van de internationale KRW. Vanwege het belang van deze maatregelen worden de gevolgen voor de overige belangen als aanvaardbaar beoordeeld.

7 Uitvoerbaarheid projectbesluit

7.1 Gronden benodigd voor de uitvoering van het projectbesluit

Het project zoals beschreven in het projectbesluit Bergsche Maas zal worden uitgevoerd binnen het gebied waar dit projectbesluit betrekking op heeft. Een groot deel van de gronden gelegen binnen het projectgebied is in eigendom van het Rijk, waaronder het gehele projectgebied voor de maatregel Vergraven Genderensche uiterwaard. Voor de uitvoering van het project zijn deels ook gronden nodig die niet in eigendom zijn van het Rijk maar van derden.

In bijlage 7 is weergegeven welke binnen het projectgebied gelegen gronden bij vaststelling van het projectbesluit in eigendom zijn van het Rijk en welke in eigendom of gebruik bij derden.

7.1.1 Gedoogplicht

Het kan zijn dat voor de uitvoering van het project onteigening van gronden van derden moet plaatsvinden. De noodzaak van onteigening ontbreekt als in plaats van onteigening een gedoogplicht kan worden opgelegd.

Zo kan bijvoorbeeld op grond van artikel 10.17 Ow bij beschikking aan een rechthebbende van gronden – dit is degene die enig recht heeft op de gronden zoals een grondeigenaar of pachter – een gedoogplicht worden opgelegd voor de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk en daarmee verband houdende activiteiten. Als schade een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van een gedoogplicht wordt deze volgens afdeling 15.2 Ow aan de rechthebbende van de gronden die de schade lijdt vergoed.

In jurisprudentie is vastgelegd wanneer met een gedoogplicht kan worden volstaan en wanneer niet tot onteigening van gronden hoeft te worden overgegaan. Daarbij is onder andere van belang dat wordt bekeken over hoeveel gronden de rechthebbende na uitvoering van het project kan blijven beschikken. Deze hoeveelheid wordt in de praktijk vaak uitgedrukt in een bepaald percentage. Ook moet worden bekeken in hoeverre de gedoogplicht de bruikbaarheid van overblijvende gronden voor de rechthebbende belemmert. Aan de hand van met name deze aspecten wordt beoordeeld of het opleggen van een gedoogplicht mogelijk is en onteigening van gronden achterwege kan blijven.

7.1.2 Onteigening

Vooruitlopend op het vaststellen van het projectbesluit is door Rijkswaterstaat contact gezocht met diverse eigenaren en gebruikers van gronden die voor de uitvoering van dit besluit nodig zijn.

Als na dat contact is gebleken dat voor het verkrijgen van gronden geen gedoogbeschikking kan worden opgelegd zullen deze – indien noodzakelijk – in eigendom moeten worden verkregen. Dit kan leiden tot onteigenen van de benodigde gronden. Artikel 11.6 Ow geeft aan dat het projectbesluit dan als grondslag voor onteigening kan dienen.

Voor het verkrijgen van gronden geldt onteigening wel als uiterste middel. Daarom zal altijd eerst worden geprobeerd via overleg met de grondeigenaar vrijwillig tot overeenstemming over de verwerving van gronden te komen. Dit wordt het minnelijk overleg genoemd. Wanneer na redelijke onderhandelingen de benodigde gronden niet tijdig en binnen een redelijke termijn minnelijk kunnen worden verworven, wordt op enig moment de formele onteigeningsprocedure opgestart. Uitgangspunt bij onteigening is dat sprake moet zijn van volledige schadeloosstelling. Hieronder vallen onder andere vermogensschade, inkomensschade en bijkomende schade waaronder verhuiskosten.

7.2 Nadeelcompensatie

Er kan sprake zijn van schade als gevolg van het door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat rechtmatig genomen projectbesluit. Het gaat dan om schade die uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en een burger of bedrijf onevenredig zwaar treft in vergelijking tot andere burgers of bedrijven. De schade hoeft een burger of bedrijf dan niet of niet geheel te dragen maar moet de overheid geheel of gedeeltelijk vergoeden. Bij dit soort schade valt bijvoorbeeld te denken aan schade als gevolg van langdurige wegonderbrekingen waardoor sprake is van verminderde bereikbaarheid of aan waardevermindering van onroerend goed.

Degene die schade lijdt – ook wel de benadeelde genoemd – kan schade als deze wordt veroorzaakt door het vastgestelde projectbesluit – die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico – op grond van artikel 15, eerste lid onder I Ow vergoed krijgen.

Door de Minister van IenW is hiervoor de ‘Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024’ vastgesteld. Deze beleidsregel geeft aan op welke wijze het ingediende verzoek om nadeelcompensatie wordt ingediend, beoordeeld en afgehandeld.

Afdeling 15.1 Omgevingswet geeft aan wanneer het indienen een aanvraag om vergoeding van schade (nadeelcompensatie) kan worden ingediend en voor welke schades dit mogelijk is. Afdeling 15.2 Omgevingswet bevat een specifieke regeling voor rechthebbenden die een verzoek om schadevergoeding kunnen indienen als sprake is van een gedoogplicht van rechtswege of het vanwege een in het kader van de uitvoering van het project bij beschikking opgelegde gedoogplicht. Zie voor meer informatie: Gedoogplichten onder de Omgevingswet (rijkswaterstaat.nl).

7.3 Bouw- en gewasschade

Ondanks getroffen voorzorgsmaatregelen kan tijdens de uitvoering van het project schade ontstaan aan eigendommen van derden. Bijvoorbeeld schade aan gebouwen of aan gewassen die groeien in de nabije omgeving van het projectgebied.

Bij gebouwschade valt te denken aan scheurvorming in muren als gevolg van de uitvoering van werkzaamheden. Gewasschade kan ontstaan door een mogelijk noodzakelijke (tijdelijke) grondwaterstandsverlaging, waardoor in agrarisch gebied aanwezige gewassen kunnen verdrogen.

Als van dit soort schade sprake is, kan degene die schade lijdt een verzoek tot schadevergoeding indienen. Hiervoor wordt tijdens de uitvoering van het project aan de omgeving bekendgemaakt op welke wijze dit verzoek kan worden ingediend.

Bouw- en gewasschade wordt vergoed als dit het gevolg is van onrechtmatig handelen dat kan voortvloeien uit de uitvoering van het project. Bij nadeelcompensatie, zoals beschreven in de vorige paragraaf, gaat het om schade als gevolg van rechtmatig overheidshandelen die - onder bepaalde voorwaarden - voor vergoeding in aanmerking komt.

7.4 Maatvoering

Er zijn verschillende afbeeldingen en afmetingen van waterstaatswerken opgenomen die met dit projectbesluit worden gewijzigd. De maten en de afbeeldingen zijn bepalend voor de wijze waarop het werk zal worden uitgevoegd. Desondanks is niet uit te sluiten dat in de uitvoering kleine afwijkingen ontstaan van de hierboven beschreven maatvoering. Dit is inherent aan de aard van de waterstaatswerken voorkomend uit de praktische en noodzakelijke grofmazigheid van de uitvoeringswerkzaamheden en –machines. Dit onder voorwaarde dat de op de ontwerptekening weergegeven grens van het projectgebied niet wordt overschreden.

8 Realisatie projectbesluit

8.1 Tijdelijke maatregelen en voorzieningen

Tijdens de aanleg van de twee KRW-maatregelen Capelsche uiterwaard en Genderensche uiterwaard worden tijdelijke antivraatrasters geplaatst rondom locaties waar rietontwikkeling is voorzien. Deze locaties zijn opgenomen op de ontwerptekeningen in bijlage 4. De rasters voorkomen dat onder andere ganzen het riet opeten, zodat riet zich kan ontwikkelen. Deze rasters worden geplaatst tijdens de uitvoering en blijven daar voor een periode van ten minste twee jaar na uitvoering staan. Daarna worden bij goede ontwikkeling van het riet de rasters verwijderd.

8.2 Geïntegreerde omgevingsvergunning

De Omgevingswet biedt de mogelijkheid in het projectbesluit te bepalen dat dit besluit tevens geldt als omgevingsvergunning. Als een dergelijke vergunning voor de uitvoering van het projectbesluit is vereist (artikel 5.52, tweede lid onder a Ow). Daarmee krijgt het projectbesluit juridisch het karakter van een integraal besluit. In het projectbesluit is opgenomen dat het besluit (mede) geldt als omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit.

De uitvoering van de in het projectbesluit beschreven maatregelen zijn op grond van artikel 6.17 Besluit activiteiten leefomgeving (BAL) aan te merken als vergunningplichtige activiteiten waarvoor een zogeheten omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam, in beheer van het rijk, is vereist.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat is bevoegd gezag om deze omgevingsvergunning te verlenen. Deze minister is ook bevoegd gezag voor dit projectbesluit. Het projectbesluit bevat reeds de onderbouwing die ook benodigd is voor de omgevingsvergunning beperkingengebiedsactiviteit.

Als het projectbesluit geldt als omgevingsvergunning voor een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktelichaam moet wel worden voldaan aan de in artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor deze vergunning geldende beoordelingsregels. Dit laatste is het geval. Zo zijn deze maatregelen beschreven in het projectbesluit onder andere verenigbaar met het belang, zoals aangegeven in het eerste lid onder b van dit artikel, van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

8.3 Uitvoeringsvergunningen projectbesluit

Om tot een gedragen ontwerp te komen voor het projectbesluit zijn – gedurende de planstudiefase – op verschillende plaatsen in het projectgebied onderzoeken uitgevoerd. Met handboringen, proefsleuven en peilbuizen is inzicht verkregen in de bodemopbouw en het grondwaterpeil. Voor de verkennende onderzoeken zijn verschillende meldingen gedaan en vergunningen aangevraagd.

Voorafgaand aan de uitvoering worden de vereiste vergunningen aangevraagd en meldingen gedaan. Het betreft in ieder geval de volgende vergunningen:

Tabel 3 - Overzicht benodigde vergunningen

Toestemming

Bevoegd gezag

Reden

Omgevingsvergunning –WateractiviteitCapelsche uiterwaard

Waterschap Brabantse Delta

De genoemde KRW-maatregelen bevinden zich (deels) binnen zowel de beschermzone B als A van de aanwezige primaire kering in beheer bij Waterschap Brabantse Delta.

Omgevingsvergunning – OmgevingsplanactiviteitGenderensche uiterwaard

Gemeente Altena

Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking. Het omgevingsplan van de gemeente Altena komt grotendeels overeen met het vigerende bestemmingsplan in 2023. Gelet op de inhoud van het bestemmingsplan is een omgevingsvergunning vereist voor de geplande werkzaamheden.

Omgevingsvergunning – OmgevingsplanactiviteitCapelsche uiterwaard

Gemeente Waalwijk

Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking. Het omgevingsplan van de gemeente Waalwijk komt grotendeels overeen met het vigerende bestemmingsplan in 2023. Gelet op de inhoud van het bestemmingsplan is er een omgevingsvergunning vereist voor de geplande werkzaamheden.

Omgevingsvergunning –Flora- en Fauna activiteitGenderensche uiterwaardCapelsche uiterwaard

RVO

De genoemde KRW-maatregelen raken de leefomgeving van meerdere onder de Omgevingswet vergunningsplichtige soorten (vleermuizen, bever).

Omgevingsvergunning - beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een oppervlaktelichaamAlle maatregelen

RWS

Zie toelichting in paragraaf 8.2.

Gezien het projectbesluit van rechtswege geldt als een omgevingsvergunning Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) hoeft er geen separate BOPA te worden opgesteld voor de maatregelen waarbij sprake is van strijdigheid.

8.4 Maatregelen tijdens de bouw- en aanlegfase

In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen de wijze van uitvoering van de in het projectbesluit beschreven KRW-maatregelen toegelicht:

  • Wanneer tijdens de uitvoering van de werkzaamheden grond vrijkomt, wordt deze waar mogelijk weer gebruikt voor maatregelen in de nabije omgeving of afgevoerd naar een verwerker. De kleigrond die vrijkomt vanuit Capelsche uiterwaard wordt voor zover mogelijk voor een deel toegepast in een andere KRW-maatregel uit een ander projectbesluit (Geul Bokhoven, Benedenmaas);

  • De werkzaamheden worden per KRW-maatregel in een aaneengesloten periode uitgevoerd. Zo blijft overlast in het gebied zoveel mogelijk beperkt en kan het project tijdig worden uitgevoerd;

  • Uitgangspunt voor de uitvoering is zo veel als mogelijk voorkomen van overlast;

  • De werkzaamheden voor de KRW-maatregelen zullen naar huidige verwachting in 2026 starten;

  • Tijdens de uitvoering worden vrijkomende materialen zoals puin of ander afval afgevoerd naar een erkende verwerker. De locaties van de werkzaamheden zijn over land en/of over water bereikbaar, waardoor de aan- en afvoer over het land of water kan worden uitgevoerd;

  • De vrijkomende materialen worden mogelijk binnen het projectgebied in een depot gezet. Dit is een tijdelijke situatie tijdens de uitvoering;

  • Voor, tijdens en na de uitvoering wordt rekening gehouden met de weers- en terreinomstandigheden. In natte perioden kan dit betekenen dat wordt gewerkt met rijplaten. Verder wordt rekening gehouden met het snel kunnen verwijderen van materieel en materiaal bij hoogwater;

  • Terreineigenaren en terreinbeheerders worden op de hoogte gesteld van de startdatum van de uitvoering. Ook wordt de rivierbeheerder voorafgaand aan de werkzaamheden op de hoogte gesteld van de startdatum van de uitvoering. Aanwezige afrasteringen worden in stand gehouden, of tijdelijk verplaatst in overleg met de eigenaar. Wanneer wegen tijdelijk moeten worden afgesloten, worden de omwonenden hierover tijdig geïnformeerd

8.5 Beheer en onderhoud

Het is de wettelijke taak van Rijkswaterstaat om het beheer en onderhoud uit te voeren van het waterstaatskundige werk in verband met de zorgplicht in het kader van hoogwaterveiligheid en de verbetering van de ecologische waterkwaliteit. De maatregelen uit dit projectbesluit worden na vaststelling van het projectbesluit opgenomen in de Legger rijkswaterstaatswerken. Die bestaat uit overzichtskaarten die de ligging, vorm, afmeting en constructie van de rijkswaterstaatwerken beschrijven. Dit noemen we de 'normatieve' toestand. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vereiste bodemdiepte van een geul, of het vereiste profiel van een waterkering.

Om het onderhoud te vergemakkelijken is het de intentie van RWS om alle gronden waarop een KRW-maatregel wordt gerealiseerd te verwerven. Zie hiervoor het in paragraaf 7.1 beschreven proces. Het beheer van het ‘natte deel’ wordt in principe door Rijkswaterstaat zelf uitgevoerd. Het vegetatiekundig beheer (op land) wordt in principe door RWS zelf of via een openbaar aanbesteed onderhoudscontract uitgevoerd. Hierin is maatwerk mogelijk, afgestemd op locatiespecifieke omstandigheden. Mochten de gronden in eigendom zijn van een terreinbeherende organisatie (zoals bijvoorbeeld Natuurmonumenten) dan kan een overeenkomst gesloten worden met de organisatie voor het wettelijk vegetatiebeheer conform de vegetatielegger, inclusief daarbij behorende vergoedingen. Het vegetatiebeeld zoals opgenomen in het projectbesluit wordt na vaststelling vertaald naar de Vegetatielegger, en vormt de basis voor het onderhoud in de uiterwaarden. De Vegetatielegger bestaat uit overzichtskaarten en regels. Die geven samen de norm voor de begroeiing in een gebied aan.

Instandhouding

Rijkswaterstaat inspecteert jaarlijks het rivierhout waarbij wordt gekeken of het rivierhout nog goed is verankerd. Om de KRW-maatregelen in stand te houden maakt RWS ook gebruik van de beheer- en onderhoudspaden (zie paragraaf 4.1).

Natuurlijke ontwikkeling

Na aanleg van de KRW-maatregelen is er in de Benedenmaas meer en beter leefgebied voor vissen, ongewervelde waterdieren en waterplanten gecreëerd. Door natuurlijke processen ontwikkelen deze leefgebieden zich. In een aantal gevallen, bijvoorbeeld bij erosie of verruiging of bij te veel vegetatie, is aanvullend beheer en onderhoud nodig. Van belang is dat de ecologische ontwikkelingen (o.a. geschiktere leefgebieden voor vis, waterplanten en ongewervelde waterdieren) in het water van de Maas behouden blijven en zich verder kunnen uitbreiden. Daarvoor is goed beheer en onderhoud van belang. Afhankelijk van de ontwikkelingen vindt meer en minder actief beheer en onderhoud plaats.

9 Zienswijzen en rechtsmiddelen

9.1 Ingediende zienswijzen op het ontwerp-projectbesluit

Op de vaststelling van dit projectbesluit is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit betekent dat eerst een ontwerp-projectbesluit ter inzage is gelegd waarop eenieder gedurende zes weken een zienswijze kon indienen.

Op 3 december 2024 is van de terinzagelegging van het ontwerp-projectbesluit onder andere kennis gegeven in de Staatscourant. Volgens de kennisgeving was er voor eenieder de mogelijkheid van woensdag 4 december 2024 tot en met dinsdag 14 januari op het ontwerp-projectbesluit zienswijzen in te dienen.

In de kennisgeving is ook aangegeven op welke locatie alle stukken die op het ontwerp-projectbesluit betrekking hebben ter inzage lagen en op welke wijze stukken digitaal waren te raadplegen.

Op het ontwerp-projectbesluit zijn in totaal 7 zienswijzen ingediend. De beantwoording van deze zienswijzen is opgenomen in een reactienota. Deze nota maakt als bijlage 8 onderdeel uit van deze motivering.

De reactienota bevat aan het begin het ‘Overzicht wijzigingen projectbesluit ten opzichte ontwerp-projectbesluit’. In dit overzicht wordt aangegeven welke wijzigingen in de teksten van het definitief vastgestelde projectbesluit zijn gewijzigd ten opzichte van het eerder ter inzage gelegde ontwerp-projectbesluit. Het kan bijvoorbeeld gaan om actualisering van een tekst of een bij het projectbesluit behorend achtergrondrapport.

In het definitieve projectbesluit is ook een aantal puur redactionele wijzigen doorgevoerd. Dit ter correctie van bijvoorbeeld typefouten, verkeerde interpunctie of verschrijvingen. Ook wordt in de tekst niet meer over ‘ontwerp’ gesproken. Deze puur redactionele en vaak kleine wijzingen zijn niet in de reactienota opgesomd.

9.2 Vaststelling van het projectbesluit en mogelijkheid van indienen beroep

Na de terinzagelegging van ontwerp-projectbesluit stelt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat het projectbesluit vast. Deze vaststelling wordt in ieder geval in de Staatscourant bekendgemaakt.

In de bekendmaking wordt aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn en door wie tegen het vastgestelde projectbesluit beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het instellen van beroep is gedurende een periode van zes weken na deze bekendmaking mogelijk.

Belanghebbenden kunnen direct in beroep zonder eerst een zienswijze te hebben ingediend.

Niet-belanghebbenden kunnen onder bepaalde voorwaarden tegen het projectbesluit ook in beroep als zij een zienswijze hebben ingediend tegen het ontwerp-projectbesluit of hen het niet indienen daarvan redelijkerwijs niet kan worden verweten. De bekendmaking geeft ook aan waar het projectbesluit en alle daarbij behorende stukken, gedurende de beroepstermijn, ter inzage worden gelegd en waar stukken ook digitaal zijn te raadplegen.

9.3 Inwerkingtreding projectbesluit

Het projectbesluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het vaststelde projectbesluit bekend is gemaakt.

10 Bijlagen

Onderstaande bijlagen zijn te raadplegen via www.platformparticipatie.nl/Bergschemaas

Tabel 4 - Bijlagenonverzicht

Bijlage

Inhoud

Datum

Bijlage 1

Verklarende woordenlijst

 

Bijlage 2

Beoordeling gevolgen fysieke leefomgeving Bergsche Maas

d.d. 7 oktober 2024

Bijlage 3

Grondslagdossier

 

.1

Vergraven Genderensche uiterwaard

d.d. 25 januari 2024

.2

Vergraven Capelsche uiterwaard

d.d. 10 februari 2025

Bijlage 4

Ontwerpnota

 

.1

Nota Vergraven Genderensche uiterwaard [GTM_223_R]

d.d. 26 oktober 2023

.2

Nota Vergraven Capelsche uiterwaard [GTM_224_L]

d.d. 7 oktober 2024

Bijlage 5

KRW-MIRT Formulier

 

.1

Vergraven Genderensche uiterwaard [GTM_223_R]

d.d. 10 maart 2023

.2

Vergraven Capelsche uiterwaard [GTM_224_L]

d.d. 29 maart 2023

Bijlage 6

Omgevingsplantoetsen

 

.1

Vergraven Genderensche uiterwaard [GTM_223_R]

d.d. 7 februari 2024

.2

Vergraven Capelsche uiterwaard [GTM_224_L]

d.d. 7 februari 2024

Bijlage 7

Kaarten eigendomssituatie

d.d. 7 oktober 2024

Bijlage 8

Reactienota zienswijzen

d.d. maart 2025

Bijlage A – Verklarende woordenlijst

Tabel 5 - Verklarende woordenlijst

Begrip

Verklaring

Agrarisch

Ander woord voor landbouw.

Archeologie

Wetenschap van oude historie op grond van bodemvondsten en opgravingen.

Aspect

Aspecten zijn de onderwerpen die binnen een milieuthema worden onderzocht. Elk aspect is vertaald naar één of meerdere criteria op basis waarvan de effectbeoordeling plaatsvindt.

Baggeren

Het weghalen van zand of slib van de waterbodem.

Beekmonding

Het deel van een beek vanaf het punt waar deze het winterbed van de Maas inkomt tot het punt waar deze uitstroomt in de Maas.

Bereikbaarheid

De mate waarin een locatie binnen acceptabele tijd te bereiken is.

Bestemmingsplan

Gemeentelijk plan waarin het gebruik en de bebouwingsmogelijkheden van gronden en de aanleg van allerlei andere werken en werkzaamheden wordt geregeld. Onder de Omgevingswet zijn bestemmingsplannen automatisch (van rechtswege) omgezet in het omgevingsplan van elke gemeente.

Binnendijks

Gebied landwaarts van de waterkering waarvoor een wettelijke veiligheidsnorm is gedefinieerd. De landwaartse grens van de waterkering is de grens met het achterliggende maaiveld.

Bodemverontreiniging

Aanwezigheid van stoffen, micro-organismen of straling op of in de bodem door, of als gevolg van menselijke activiteit, op zodanige wijze dat deze zich met de bodem kunnen vermengen, met de bodem kunnen reageren, zich in de bodem kunnen verplaatsen en/of ongecontroleerd kunnen verplaatsen, waarbij afbreuk wordt gedaan aan één of meer van de functionele eigenschappen van de bodem.

Cultuurhistorie

De geschiedenis van de ontwikkeling van onze beschaving.

Duiker

Kokervormige constructie om watergangen te verbinden.

Eenzijdig aangetakte geul

Een geul die aan één kant in directe verbinding staat met de rivier.

EKR

Ecologische kwaliteitsratio. Een methode om de KRW-waterkwaliteit te bepalen.

Erosie

Erosie is het proces van slijtage van een vast oppervlak waarbij materiaal wordt verplaatst of geheel verdwijnt, vooral door de werking van wind, stromend water en/of ijs.

Fauna

De dierenwereld.

Geomorfologie

Een tak van de geografie die de vormen van het landschap en de processen die bij het ontstaan daarvan een rol spelen of hebben gespeeld, bestudeert.

Geïsoleerde geul

Een geul in de uiterwaard die niet in directe verbinding staat met de rivier.

Getijdengeul

Een geul in directe verbinding met een rivier waar sprake is van getijdewerking.

GNN

Gelders Natuur Netwerk. Het Gelders deel van het NatuurNetwerk Nederland.

GO

Groene ontwikkelzone

Gronddam

Een grondlichaam dat twee wateren van elkaar scheidt.

Habitatrichtlijn

Europese richtlijn die de bescherming regelt van bedreigde natuurtypen (habitats) en in het wild levende soorten planten en dieren, die op Europees niveau van belang zijn.

Indicatorsoort

Dier- of plantensoorten die een algemeen beeld geven van de gezondheid van het gehele ecosysteem.

Infrastructuur

Het geheel aan wegen, vaarwegen, spoorlijnen, leidingen, etc. waarlangs iets of iemand wordt verplaatst.

Kaderrichtlijn Water (KRW)

Een Europese richtlijn die voorschrijft dat de kwaliteit van Europees grond- en oppervlaktewater aan bepaalde eisen moet voldoen.

Programma KRW-ZN

Het programma met alle KRW-maatregelen die worden getroffen langs de Maas.

Kruin

Het hoogste punt van het dijklichaam.

KRW-maatregel

Een voorgeschreven ingreep in het winterbed van de rivier met als doel de KRW-waarden te verbeteren.

KRW-waterlichaam

Waterlichaam waarvoor vanuit de KRW-doelen zijn gesteld voor de waterkwaliteit.

Landschap

De waarneembare ruimtelijke verschijningsvorm van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en wederzijdse beïnvloeding van de factoren reliëf, bodem, water, klimaat, flora en fauna alsmede door de wisselwerking met de mens.

Macrofyten

Waterplanten die met het blote oog zichtbaar zijn, zoals riet, eendenkroos en waterzuring.

Marcofauna

Ongewervelde waterdieren die met het blote oog zichtbaar zijn, zoals watertorren, vlokreeftjes en poelslakken.

Mer-beoordeling

Hierin wordt beoordeeld of aanzienlijke nadelige gevolgen zijn uit te sluiten. Als dit niet het geval is dient een volwaardige mer-procedure te worden doorlopen.

Maaiveld

Hoogte van het terreinoppervlak

MIRT

Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport

Mitigerende maatregelen

Maatregelen die worden genomen om de nadelige effecten van activiteiten of fysieke ingrepen te verminderen dan wel te voorkomen.

Moeraszone

Een nat gebied waarin kruidachtige plantensoorten domineren.

Natura 2000 / N2000

Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie, gebaseerd op de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn.

Natuurgraslanden

Grasland dat bijdraagt aan de natuurwaarden. Het grasland is niet agrarisch in gebruik.

NatuurNetwerk Nederland (NNN)

Het NatuurNetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Dit netwerk vormt de ecologische hoofdstructuur (EHS) van Nederland. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Natuurvriendelijke oever

Een oever met een geleidelijke overgang van water naar land zodat er meer uitwisseling plaats vindt tussen bovenwater en onderwater ecosystemen.

Niet gesprongen conventionele explosieven (NGCE)

In en op de bodem liggende niet gesprongen explosieven, overgebleven van de oorlogshandelingen in beide wereldoorlogen en van militaire activiteiten. Voor aanleg van de KRW- maatregelen kunnen niet gesprongen explosieven een gevaar opleveren voor de betrokkenen.

Oeverzone

De overgangszone tussen land en water.

Overstromingsrisico

De kans dat een gebied overstroomt, doordat de waterkering rondom dat gebied op één of meer plaatsen faalt.

PFAS

Per- en polyfluoralkylstoffen zijn, door de mens gemaakte, chemische stoffen. Deze stoffen komen van nature niet in het milieu voor. PFAS kunnen een negatief effect hebben op milieu en gezondheid.

Ruimtebeslag

De fysieke ruimte die nodig is voor de aanleg en inpassing van een alternatief of variant.

RWS

Rijkswaterstaat.

Sediment

Sediment of afzetting is de benaming voor door wind, water en/of ijs getransporteerd materiaal. Voorbeelden van sedimenten zijn grind, zand, silt en lutum. Wanneer sediment wordt afgezet ontstaat een sedimentair gesteente.

Stroomgebiedbeheerplan (SGBP)

Plan waarin per stroomgebied de inspanningen staan van lidstaten om te voldoen aan de KRW.

Stroomgebied (van een rivier)

Een gebied dat het water via een rivier afvoert naar zee of naar een meer.

Struweel

Ook wel stuikgewas genoemd. Een begroeiing waarin struiken domineren.

Talud

De schuin aflopende zijden aan de binnen- en buitenkant van een dijk.

Terugslagklep

Een klep in een duiker die water maar in één richting doorlaat.

Uiterwaard

Deel van de rivierbedding tussen zomerdijk en winterdijk.

Vegetatie

De ruimtelijke verschijningsvorm van planten in samenhang met de plaatsen waar zij groeien en de rangschikking die zij uit zichzelf hebben ingenomen.

Verdroging

Verdroging treedt op wanneer de grondwaterstand te laag is voor de functie natuur en/of landbouw.

Verondieping

Het minder diep maken van een oppervlaktewater.

Vertroebeling

Het minder helder worden van water doordat sediment loskomt van de bodem en (tijdelijk) in het water blijft zweven.

Vogelrichtlijn

Europese Richtlijn die de bescherming van in het wild levende vogels in Europa en hun leefgebieden regelt.

Voorland

Ondiepe bodem die voor een dijk ligt.

Waterkering

Een verhoging in het landschap om het achterliggende gebied te beschermen tegen overstroming.

Waterkwaliteit

De chemische en biologische kwaliteit van water.

Wateroverlast

Verzamelterm voor schade, ongemak en ontreddering door hoge waterstanden ten gevolge van overvloedige neerslag en/of onvoldoende ontwatering.

Waterveiligheid

Beschermingsniveau tegen (grootschalige) overstromingen vanuit zee, rivieren en meren.

Zomerbed

Het gebied tussen de zomerdijken, waarbij de uiterwaarden droog staan. Deze worden doorgaans door de rivier gebruikt in de zomer.

Naar boven