Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2025, 12515 | algemeenverbindendverklaring van cao-bepalingen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2025, 12515 | algemeenverbindendverklaring van cao-bepalingen |
Betonproductenindustrie 2025/2026
Verbindendverklaring cao-bepalingen
MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelezen het verzoek van AWVN namens partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;
Partij ter ener zijde: Bond van Fabrikanten van Betonproducten in Nederland (BFBN);
Partijen ter andere zijde: FNV en CNV.
Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;
Besluit:
Verklaart algemeen verbindend de navolgende bepalingen van bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, zulks met inachtneming van hetgeen in de dicta II, III, IV, V en VI is bepaald:
A. Toepassing
1. De bepalingen van deze overeenkomst zijn van toepassing op ondernemingen die op industriële wijze, in Nederland, betonproducten vervaardigen.
2. Met betrekking tot ondernemingen, als bedoeld in sub 1, die tevens bouwwerken in opdracht van derden uitvoeren dan wel bouwwerken voor eigen rekening uitvoeren met het doel deze aan derden te verkopen of te verhuren, is deze cao van toepassing op de gehele onderneming, met dien verstande dat dit niet geldt ten aanzien van:
a. ondernemingen, die in het kader van de gehele onderneming in hoofdzaak regelmatig bouwwerken uitvoeren;
b. gedeelten van ondernemingen, die zelfstandige en administratieve eenheden vormen, hetgeen dient te blijken uit het feit, dat de werknemers niet worden uitgewisseld en die bouwwerken uitvoeren.
3. De cao is voorts van toepassing op de werknemers, die door de ondernemingen als bedoeld sub 1, worden belast met het stellen van betonelementen op de bouwplaats en die, bij onderbreking van de werkzaamheden op de bouwplaats, terugkeren naar de onderneming, welke hen heeft uitgezonden.
4. De werkgever is verplicht zich er van te verzekeren dat bij de inzet van uitzendkrachten de door hem ingeschakelde uitzendonderneming de bepalingen in deze cao toepast aangaande
a. het geldende schaalsalaris (artikel 1 sub B lid 7 en artikel 1 van bijlage II);
b. de van toepassing zijnde arbeidsduurverkorting (artikel 6);
c. toeslagen voor overwerk (artikel 9 lid 4), voor werken in onregelmatigheid (waaronder feestdagen) (artikel 9 lid 3 en 5, artikel 11), en ploegendienst (artikel 9 lid 2);
d. initiële loonsverhoging (hoogte en tijdstip als bij de opdrachtgever bepaald) (artikel 1 van bijlage II);
e. kostenvergoeding (voor zover de uitzendonderneming deze vrij van loonheffing en premies kan uitbetalen) (artikel 2 sub a en b van bijlage II);
f. periodieken (hoogte en tijdstip als bij de opdrachtgever bepaald) (artikel 8);
g. eenmalige uitkeringen (artikel 14).
Als met deze bepaling ten nadele van uitzendkrachten wordt afgeweken van de essentiële arbeidsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8 lid 1 van de Waadi, dan moet dit nadeel volledig worden gecompenseerd met andere essentiële arbeidsvoorwaarden als bedoeld in dat artikellid.
B. Definities
In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
Al dan niet bewerkte producten, vervaardigd uit een bindmiddel (hydraulische kalk of kalk en tras of cement) met zand en/of steenstukken, grind of andere stoffen van anorganische aard of organische aard een mortel gevend, welke door toevoeging van water versteent;
Iedere natuurlijke of rechtspersoon die in zijn onderneming op industriële wijze betonproducten, als bedoeld in artikel 1 sub B lid 1 doet vervaardigen en die één of meer werknemers in dienst heeft;
De werknemer in dienst van de werkgever, waarvan de functie is opgenomen in een functieomschrijving of gezien de aard van de werkzaamheden behoort te worden opgenomen dan wel opgenomen is in Bijlage I van deze collectieve arbeidsovereenkomst.
Voor de werknemer die deeltijdarbeid verricht zijn de bepalingen van deze cao naar rato van het aantal gewerkte uren van toepassing.
Voor de werknemer die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt gelden de wettelijke bepalingen voor werken na de AOW-gerechtigde leeftijd;
Een kalendermaand / 4-weken periode;
Een salaris geldend voor één maand (maandsalaris)/ 4-weken periode (4-weken-salaris als in de onderneming de salarissen per 4-weken worden uitbetaald) en geregeld als bedoeld in artikel 1 van Bijlage II, dan wel de in de onderneming al dan niet in overleg met de vakverenigingen vastgestelde bedrijfssalarisschalen;
Het schaalsalaris (maandsalaris of 4-wekensalaris), vermeerderd met eventuele bijzondere beloningen als bedoeld in artikel 9 lid 2 en met een eventuele persoonlijke toeslag als bedoeld in artikel 7 lid 4 onder b;
Voor de berekening van het uurloon bij een maandbetaling wordt het schaalsalaris op basis van een fulltime dienstverband gedeeld door 173,33. Voor de berekening van het uurloon bij een 4-wekenbetaling wordt het schaalsalaris op basis van een fulltime dienstverband gedeeld door 160. Dit uurloon wordt alleen gebruikt voor de berekening van inconveniënten/toeslagen;
Het orgaan van overleg, vakvereniging/ or / pvt genoemd, tussen de werkgever en de werknemers;
1. De werkgever is gehouden tijdens de duur van deze overeenkomst geen uitsluiting toe te passen of te bevorderen en deze overeenkomst te goeder trouw na te komen.
2. Het is de werkgever niet toegestaan de werknemer in dienst te nemen of te houden op voorwaarden, welke van het in deze overeenkomst bepaalde afwijken, behoudens afwijkingen als bedoelt in artikel 7 lid 1.
3. Het is de werkgever toegestaan in overleg met betrokkene en personeelsvertegenwoordiging een werknemer te verplichten werk te verrichten voor anderen dan voor de werkgever zelf of een aan hem – binnen een redelijke afstand – gelieerde onderneming.
4. Onverminderd de verplichting die voortvloeit uit de S.E.R.-fusiegedragsregels is de werkgever gehouden om, wanneer hij van oordeel is, dat hij op grond van bedrijfseconomische omstandigheden ‑ daaronder mede begrepen herstructurering, afstoting van activiteiten, fusie met één of meer ondernemingen of bedrijfssluiting ‑ tot inkrimping en/of overplaatsing van aantallen werknemers moet overgaan, dermate tijdig met de vakverenigingen in overleg te treden, dat er nog ruimschoots tijd overblijft om de uit bovenvermelde oorzaken voor de betreffende werknemers voortvloeiende gevolgen te regelen in een sociaal plan.
5. De werkgever zal, alvorens een definitieve opdracht te verlenen aan een organisatiebureau om een onderzoek in te stellen met betrekking tot de organisatie van de onderneming, indien daaraan voor de werknemers sociale consequenties kunnen zijn verbonden, de vakorganisaties inlichten. De procedure met betrekking tot de uitvoering van en de wijze van informatie aan het personeel over het onderzoek vormen een punt van overleg in de personeelsvertegenwoordiging.
6. Indien en voor zover de werkgever investeringen pleegt welke een aanmerkelijke invloed zullen hebben op de werkgelegenheid zal hij de vakverenigingen hierover informeren, een en ander onverminderd de rechten van de personeelsvertegenwoordiging op dit punt.
8. De werkgever stelt de werknemer in de gelegenheid deel te nemen aan (bedrijfs-) spaarregelingen.
Werkgelegenheid
9.
a. De werkgever streeft naar continuïteit van de arbeidsverhouding met zijn werknemers en zal aandacht besteden aan de kwalitatieve en kwantitieve aspecten van de werkgelegenheid.
b. Werkgever zal tijdens de duur van deze collectieve arbeidsovereenkomst niet overgaan tot collectief ontslag van werknemers die op het moment van afsluiting ervan in dienst zijn resp. tijdens de duur ervan worden aangenomen, tenzij bijzondere omstandigheden hiertoe noodzaken. In dit geval zal hij hiertoe niet besluiten dan na diepgaand en indringend overleg met de personeelsvertegenwoordiging. In dit overleg zal met name aandacht worden besteed aan eerder genoemde omstandigheden.
d. Indien zich ontwikkelingen voordoen die zullen leiden tot aanmerkelijke inkrimping van het aantal arbeidsplaatsen en mogelijk collectief ontslag, dan zal de werkgever de vakverenigingen tijdig uitnodigen tot overleg.
e. Een verzoek om te werken in deeltijd zal overeenkomstig de regels in de Wet flexibel werken worden ingediend en behandeld. Voor werknemers die minder uren dan de standaard arbeidsduur in de onderneming werken, zijn de bepalingen in deze cao naar evenredigheid van toepassing, voor zover niet anders vermeld.
Vacatures
10. Rekening houdend met de taak en positie van de personeelsvertegenwoordiging en met de uitgangspunten van een normale bedrijfsvoering zal de werkgever:
a. bij het vervullen van vacatures binnen de onderneming de werknemers in die onderneming bij voorrang in de gelegenheid stellen hiernaar te solliciteren;
b. alle daarvoor relevante, volledige en deeltijdvacatures melden aan casu quo afmelden bij het UWV teneinde de inzichtelijkheid van de arbeidsmarkt te bevorderen;
c. als onderdeel van het totale sociale beleid in de onderneming speciale aandacht schenken aan de tewerkstelling van werknemers uit de z.g. zwakke groeperingen op de arbeidsmarkt alsook aan hun arbeidsomstandigheden;
d. het gebruik maken van door uitzendbureaus bemiddelde uitzendkrachten tot het uiterste beperken. In situaties waarin dit onvermijdelijk is zal de personeelsvertegenwoordiging hierover worden geïnformeerd en geraadpleegd.
Sociaal beleid
11.
a. De werkgever zal de personeelsvertegenwoordiging periodiek inlichten en raadplegen omtrent de gehele gang van zaken in de onderneming in het algemeen en meer in het bijzonder omtrent het gevoerde personeelsbeleid, een en ander binnen de grenzen van noodzakelijke geheimhouding in verband met bedrijfsbelangen. Bij de gegevens kunnen o.a. mede worden betrokken:
– de personeelsbezetting en de mutaties daarin
– programma's met betrekking tot opleiding, werkoverleg en promotie
– aanstelling, ontslag en de mate van verzuim
– beoordelingssystemen
– overwerk.
c. De werkgever zal de werknemer die in aanmerking wenst te komen voor het volgen van een op de functie afgestemde opleiding of cursus daartoe in de gelegenheid stellen.
d. Tijdens aanvullend geboorteverlof, ouderschaps- c.q. adoptieverlof en langdurig zorgverlof zal de oorspronkelijke pensioenopbouw worden voortgezet.
e. Krijgt de werknemer te maken met mantelzorgtaken? Dan gaat hij hierover in gesprek met zijn werkgever. Het doel van dit gesprek is om samen afspraken op maat te maken hoe hier invulling aan gegeven kan worden.
f. Stagiaires hebben recht op een stagevergoeding van minimaal € 400 per maand op basis van een voltijd stage.
Faciliteiten t.b.v. de vakvereniging
12.
b. De vakverenigingen zullen de werkgever schriftelijk mededelen wie van hun leden uit het personeel een bestuursfunctie vervullen in het raam van het vakbondswerk in het bedrijf (z.g. bedrijvenwerk).
c. De werkgever kan de dienstbetrekking van een bestuurslid van de bedrijfsledengroep, die als zodanig aan hem bekend is, niet doen eindigen dan indien de beëindiging ook zou zijn geschied wanneer hij deze functie niet zou hebben bekleed.
f. De in lid b bedoelde werknemers zullen over voorgenomen afwezigheid of werkonderbreking, teneinde de daarvoor vereiste toestemming te verkrijgen, ten minste 2 dagen van tevoren met de daartoe aangewezen bedrijfsfunctionaris overleggen. In dringende gevallen kan van deze regeling worden afgeweken.
i. Indien een werknemer, kaderlid van een der vakverenigingen, zal gaan deelnemen aan een door de desbetreffende vakvereniging gegeven cursus krijgt hij hiervoor, na schriftelijk verzoek door de desbetreffende vakvereniging vrijaf met behoud van inkomen, mits de bedrijfsomstandigheden dit toelaten.
j. De werkgever zal medewerking verlenen aan het verzoek van de werknemer de vakbondscontributie fiscaalvriendelijk te verrekenen met het loon, zolang dit wordt toegestaan door de belastingdienst. De werknemer overlegt een kopie van het bewijs van het lidmaatschap en de betaling.
Veiligheid, gezondheid, welzijn en milieu in de onderneming
13.
a. De personeelsvertegenwoordiging zal alle aangelegenheden betreffende de Arbeidsomstandighedenwet (veiligheid, gezondheid en milieu) in de onderneming in zijn vergadering aan de orde kunnen stellen waarbij met name de handleiding arbozorgsysteem zal worden betrokken.
b. De werkgever treft in de onderneming alle passende maatregelen, welke nodig zijn ter uitvoering van de wettelijke voorschriften, ter bescherming van de daarin werkzame personen en in het algemeen zodanige maatregelen dat de daarin werkzame personen zover beschermd zijn als redelijkerwijze gevorderd kan worden.
c. Inzake de in lid b bedoelde maatregelen kunnen door de personeelsvertegenwoordiging aanbevelingen worden gedaan.
d. De werkgever behoeft de instemming van de personeelsvertegenwoordiging voor een door hem te nemen besluit met betrekking tot vaststelling of wijziging van een maatregel op het gebied van de veiligheid, de gezondheid of het milieu in de onderneming.
e. De werkgever zal de betrokken werknemers informeren over de eigenschappen, gevaren en beveiligingsmiddelen t.a.v. de chemische stoffen die in de onderneming als grond- en hulpstoffen worden gebruikt en/of worden geproduceerd een en ander voor zover de werkgever geacht kan worden over deze informaties te beschikken.
f. De werknemer is verplicht om ingeval van onmiddellijk dreigend gevaar zulks te melden aan zijn directe chef c.q. aan de aanwezige veiligheidsfunctionaris, teneinde deze situatie te kunnen opheffen.
g. De werknemer kan bij de werkgever een afschrift opvragen van het risicoprofiel van zijn functie.
14. Indien de werkgever bij de overheid subsidie aanvraagt voor arbeidsplaatsenverbetering zal zulks in overleg met de personeelsvertegenwoordiging geschieden.
15. De werkgever zal bij de aanstelling en tewerkstelling zoveel als redelijkerwijs mogelijk is gelijke kansen bieden aan gehandicapten en niet-gehandicapten. Werkgever zal er naar streven gehandicapte werknemers op passende wijze te werk te stellen.
1. De werknemer is gehouden alle voor hem uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen te goeder trouw na te komen.
2. De werknemer is gehouden de belangen van het bedrijf van de werkgever als een goed werknemer te behartigen, ook indien geen uitdrukkelijke opdracht daartoe is gegeven.
3. De werknemer is gehouden, om alle hem door of namens de werkgever opgedragen werkzaamheden, voor zover deze redelijkerwijze van hem kunnen worden verlangd, zo goed mogelijk uit te voeren en daarbij alle verstrekte aanwijzingen en voorschriften in acht te nemen.
4. De werknemer is medeverantwoordelijk voor de orde, veiligheid en de zedelijkheid in het bedrijf van de werkgever en gehouden tot naleving van de desbetreffende aanwijzingen en voorschriften door of namens de werkgever gegeven.
5. De werknemer is gehouden zich te gedragen naar de bepalingen van het in het bedrijf van de werkgever geldende bedrijfsreglement.
6. De werknemer is gehouden zich, voor wat zijn dienst- en rusttijd betreft, te houden aan het door de werkgever, in overleg met de personeelsvertegenwoordiging en/of vakvereniging, vastgestelde dienstrooster.
7. De werknemer is gehouden op de door de werkgever aangegeven uren arbeid te verrichten, voor zover de werkgever het in deze overeenkomst en het in of krachtens de Arbeidstijdenwet bepaalde in acht neemt.
8. Het is de werknemer niet toegestaan een al dan niet betaalde (neven)functie of (neven)werkzaamheden te verrichten welke redelijkerwijs geacht kunnen worden onverenigbaar te zijn met de functie dan wel met de belangen of het aanzien van de werkgever. De werkgever kan hierop schriftelijk ontheffing verlenen. In geval van overtreding kan de werkgever hieraan sancties verbinden. De sancties zullen in overleg met de personeelsvertegenwoordiging of vakvereniging worden vastgesteld.
Onverminderd het bepaalde in Boek 7:678 BW kan de werkgever ingeval van overtreding van dit voorschrift de werknemer ontslaan.
9. De werknemer is, indien de werkgever dit wenst, gehouden een individuele arbeidsovereenkomst te tekenen.
10. De werknemer, die voornemens is een verbintenis als genoemd in Boek 7:670 lid 3 BW jegens de Overheid aan te gaan, is verplicht daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de werkgever.
1. Bij het aangaan van een dienstbetrekking langer dan 6 maanden zal een proeftijd van 2 maanden gelden, tenzij een kortere proefperiode is overeengekomen.
Iedere proefperiode dient schriftelijk te zijn aangegaan. Indien dit niet het geval is, is er geen sprake van een proefperiode.
2. Onverminderd het hiervoor bepaalde, wordt de dienstbetrekking met een werknemer aangegaan:
a. hetzij voor onbepaalde tijd;
b. hetzij voor een bepaalde tijdsduur;
c. hetzij voor het verrichten van een bepaald karwei;
d. hetzij voor het verrichten van werkzaamheden van tijdelijke aard.
De onder b, c en d genoemde dienstbetrekkingen moeten schriftelijk zijn overeengekomen. Indien deze schriftelijke overeenkomst ontbreekt, wordt de dienstbetrekking geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan.
3. Indien een werknemer als bedoeld in lid 2 sub c en d langer dan een half jaar in dienst is geweest, wordt hij geacht voor onbepaalde tijd in dienst te zijn. Bij omzetting van een dienstbetrekking voor bepaalde tijd in een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd kan geen proeftijd overeengekomen worden en wordt de duur van het dienstverband geacht te zijn aangevangen bij aanvang van het dienstverband voor bepaalde tijd.
4. Behoudens ingeval van ontslag op staande voet wegens een dringende reden, in de zin van de artikelen Boek 7:678 en Boek 7:679 BW en behoudens, tijdens of bij het einde van de proeftijd als bedoeld in lid 1, in welke gevallen de dienstbetrekking wederzijds onmiddellijk kan worden beëindigd, neemt de dienstbetrekking een einde:
a. voor werknemers voor onbepaalde tijd in dienst:
1. door opzegging door de werkgever met een termijn van tenminste zoveel weken als de dienstbetrekking van de werknemer gehele jaren heeft geduurd, welke termijn ten hoogste 13 weken zal bedragen. Bij opzegging door de werkgever van een werknemer ouder dan 45 doch jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd zal deze termijn voor elk vol jaar waarin de werknemer na het bereiken van de 45-jarige leeftijd bij de werkgever in dienst is geweest, met een week worden verlengd; deze verlenging zal eveneens maximaal 13 weken bedragen.
2. door opzegging door de werknemer met een termijn van tenminste zoveel weken als de dienstbetrekking van de werknemer in tijdvakken van twee gehele jaren heeft geduurd, welke termijn ten hoogste 6 weken zal bedragen.
3. de termijn van opzegging zal voor beide partijen ten minste 1 maand/ periode bedragen en de opzegging kan slechts zodanig geschieden dat het einde van de dienstbetrekking samenvalt met het einde van een kalendermaand/periode.
b. voor werknemers voor een bepaalde tijdsduur in dienst:
Op de laatste dag van het tijdvak, genoemd in de individuele arbeidsovereenkomst dan wel op het tijdstip, bepaald op grond van het vierde lid van Boek 7:668 BW. Indien een voor bepaalde tijd aangegane dienstbetrekking is voortgezet eindigt zij van rechtswege zonder dat enige opzegging is vereist. Indien een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 6 maanden of langer wordt aangegaan zal aan de werknemer uiterlijk 1 maand voor het verstrijken van het dienstverband schriftelijk duidelijkheid worden gegeven over voortzetting of beëindiging van het dienstverband. Bij voortzetting van het dienstverband wordt duidelijkheid gegeven omtrent de arbeidsvoorwaarden van de nieuwe arbeidsovereenkomst. Is een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd korter dan 6 maanden overeengekomen dat zal de werkgever aan de werknemer uiterlijk één week voor het tijdstip, waarop de beëindiging van rechtswege plaatsvindt, hiervan schriftelijk mededeling doen.
c. voor werknemers in dienst voor het verrichten van een bepaald karwei:
bij het beëindigen van het karwei, waarvoor de werknemer is aangenomen, tenzij het bepaalde in lid 3 van dit artikel van toepassing is.
d. voor werknemers in dienst voor het verrichten van werkzaamheden van tijdelijke aard:
door opzegging door de werkgever of de werknemer met een termijn van een dag tegen elke dag der week, voor zolang het dienstverband niet langer dan 2 maanden/perioden heeft geduurd en van een week, eveneens tegen elke dag der week, indien het dienstverband langer dan twee maanden/perioden heeft geduurd, tenzij het bepaalde in lid 3 van dit artikel van toepassing is.
5. De werkgever heeft het recht de dienstbetrekking tijdens of bij het einde van de proeftijd als bedoeld in lid 1 onmiddellijk te beëindigen, ongeacht de arbeidsongeschiktheid door ziekte van de werknemer op het moment van deze beëindiging.
6. De dienstbetrekking tussen de werkgever en de werknemer eindigt van rechtswege op de dag waarop de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt, zonder dat hiertoe enige opzegging is vereist.
7. Indien de arbeidsovereenkomst onrechtmatig zonder inachtneming van de opzeggingstermijn door één der partijen wordt verbroken, is deze aan de wederpartij een schadeloosstelling verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgesteld salaris over de tijd, dat de dienstbetrekking nog had behoren voort te duren, tenzij de wederpartij er de voorkeur aan geeft volledige schadevergoeding dan wel herstel van de dienstbetrekking als bedoeld in Boek 7:682 BW te vorderen.
Hetzelfde geldt wanneer één der partijen door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de dienstbetrekking zonder opzegging of zonder inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen te doen eindigen en de wederpartij van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
8. Met betrekking tot ouderschapsverlof zal het gestelde in de Wet arbeid en zorg worden gevolgd.
1.
a. De arbeidsduur volgens dienstrooster bedraagt voor werknemers in dagdienst en in een tweeploegendienst gemiddeld 38 uur per week op jaarbasis.
Ten opzichte van de 40-urige werkweek is de arbeidsduur verkort met 96 uur op jaarbasis, oftewel 12 roostervrije dagen op jaarbasis.
b. Dienstroosters worden vastgesteld met instemming van de personeelsvertegenwoordiging, of bij gebreke daarvan met instemming van het personeel.
c. De arbeidsduur volgens dienstrooster voor de werknemers, werkzaam in een drieploegendienst (semi-continudienst) wordt met inachtneming van de wettelijke bepalingen door de werkgever in overleg met de vakvereniging(en) vastgesteld.
d. In afwijking van het in dit lid bepaalde kan de arbeidsduur volgens dienst-rooster, geldend voor werknemers die belast zijn met voorbereidings- en schoonmaakwerkzaamheden, ten behoeve van deze werkzaamheden worden overschreden met maximaal 1 uur per dag en maximaal 5 uur per week.
e.
a. In afwijking van het in dit lid bepaalde bedraagt in het kader van flexibele roosters de normale arbeidsduur maximaal 45 uur en minimaal 36 uur per week
b. In afwijking van sub a van artikel 6 lid 1 sub e kan in het kader van flexibele roosters ook gekozen worden voor een minimum arbeidsduur van 32 uur per week, waarbij een maximum geldt van 5 weken op jaarbasis.
c. De flexibele roosters worden vastgesteld met instemming van de personeelsvertegenwoordiging of bij gebreke daarvan met instemming van het personeel. Op ondernemingsniveau kunnen verder afwijkende afspraken worden gemaakt over arbeidsduur en werktijden met de vakorganisaties.
f. De arbeidsduurverkorting zoals bedoeld onder a. wordt geëffectueerd in blokken van minimaal 1 uur, doch bij voorkeur in blokken van minimaal 4 uur.
g. Wanneer ter uitvoering van het bepaalde onder a. van dit lid de arbeidsduurverkorting wordt gerealiseerd door middel van het toekennen van roostervrije dagen geldt de volgende regeling:
Een eenmaal vastgestelde roostervrije dag vervalt wanneer de werknemer deze dag wegens arbeidsongeschiktheid niet heeft kunnen genieten. Indien roostervrije dagen in een aaneengesloten blok van 3 of meer werkdagen zijn vastgesteld worden, bij arbeidsongeschiktheid gedurende die periode, de niet genoten roostervrije dagen gecompenseerd minus één dag.
h. Vastgestelde dienstroosters dienen tenminste 1 maand voor ingang bekend te zijn bij het personeel. In onvoorziene gevallen kan met instemming van de personeelsvertegenwoordiging of, bij gebreke daarvan, met instemming van het personeel, van een eenmaal vastgesteld rooster worden afgeweken, zonder dat de hierboven genoemde termijn van 1 maand geldt.
2.
a. De werktijden volgens dienstrooster liggen voor wat het onderhoudspersoneel in dagdienst betreft tussen 6 en 18 uur op de eerste vijf werkdagen van de week en tussen 6 en 12 uur op zaterdag; voor het overige personeel in dagdienst liggen de werktijden volgens dienstrooster tussen 6 en 18 uur op de eerste vijf werkdagen van de week.
b. De werktijden volgens dienstrooster liggen voor de werknemers in een tweeploegendienst, bestaande uit een ochtend- en middagdienst, tussen 5 en 24 uur op de eerste vijf werkdagen van de week en tussen 5 en 12 uur op een zaterdag. Ingeval met een dag-, respectievelijk ochtend- en nachtdienst wordt gewerkt, eindigt de werktijd volgens dienstrooster op zaterdag uiterlijk om 8 uur.
3.
a. Onder dienstrooster wordt verstaan iedere door de werkgever voor één of meer werknemers vastgestelde werktijdregeling van tenminste 5 dagen of diensten, als regel samenvallende met de kalenderweek.
b. Een dienstrooster mag niet in strijd zijn met de bestaande wetgeving en het in dit artikel bepaalde.
c. De werkgever zal, indien daarbij een belangrijk aantal werknemers is betrokken, niet tot invoering van een andere werktijdregeling overgaan dan met instemming van de personeelsvertegenwoordiging, onverminderd de bevoegdheid van de vakverenigingen hierover overleg met de werkgever te plegen. Indien de nieuwe werktijdregeling echter tot gevolg heeft dat arbeid op een zondag moet worden verricht zal de werkgever overleg met de vakverenigingen plegen.
4. Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing op machinisten, chauffeurs, stokers, scheepspersoneel, portiers en wakers. De arbeidsduur en werktijden voor deze werknemers zullen met inachtneming van de wettelijke bepalingen door de werkgever in overleg met de vakverenigingen worden vastgesteld, waarbij ingeval geen overeenstemming wordt verkregen de Vaste Commissie kan worden verzocht te bemiddelen. Indien de werkgever en de vakverenigingen een dergelijke regeling van de arbeidsduur en werktijden niet hebben getroffen, geldt het in dit artikel bepaalde.
5. De werktijden van deeltijdwerknemers dienen te liggen binnen het in de betrokken onderneming geldende dienstrooster.
1.
a. Indien de functies van de werknemers zijn gewaardeerd op basis van functie-omschrijving (volgens de Orba-methode) zullen de indeling in functiegroepen en de daarbij behorende salarisschalen in overleg met de vakverenigingen worden vastgesteld.
b. Indien de functies van de werknemers niet op basis van functieomschrijving zijn gewaardeerd geldt de indeling in functiegroepen als vermeld in Bijlage I van deze overeenkomst. De bijbehorende salarisschalen, die een minimumkarakter dragen, zijn opgenomen in artikel 1 van Bijlage II van deze overeenkomst.
2. Bij tijdelijke overplaatsing in een hogere salarisgroep ingedeelde functie blijft de werknemer ingedeeld in de groep, die met de tot die overplaatsing toe door hem verrichte functie overeenkomt. Wanneer deze tijdelijke overplaatsing ten minste een week heeft geduurd ontvangt de werknemer voor elke week of gedeelte van een week dat deze overplaatsing heeft geduurd een toeslag op zijn schaalsalaris van ¼ van het verschilbedrag bij 0 periodieken tussen de betrokken salarisgroepen. De werknemer kan aan een tijdelijke overplaatsing in een hogere salarisgroep ingedeelde functie geen aanspraak ontlenen voor een definitieve overplaatsing in die hogere functie of een definitieve overeenkomstige beloning.
3. Bij definitieve overplaatsing in een functie ingedeeld in een hogere salarisgroep wordt de werknemer met ingang van de maand/periode waarin de overplaatsing plaatsvindt ingedeeld in de bij deze functie behorende groep waarbij hem zoveel periodieken worden toegekend als nodig is om te bereiken dat zijn schaalsalaris ten minste wordt verhoogd met de helft van het verschil tussen de schaalsalarissen bij 0 periodieken van de 2 betrokken groepen.
4. Indien de werknemer wordt overgeplaatst, in een functie die in een lagere salarisgroep is ingedeeld, geldt de volgende regeling:
a. Indien de overplaatsing geschiedt wegens ongeschiktheid of op eigen verzoek, ontvangt de werknemer het bij die lagere salarisgroep behorende schaalsalaris overeenkomstig zijn leeftijd of wordt hem in die lagere salarisschaal een zodanig aantal periodieken toegekend, dat zijn oude schaalsalaris wordt verminderd met tenminste de helft van het verschil tussen de schaalsalarissen bij de 0 periodieken van de twee betrokken salarisgroepen, doch niet meer dan nodig is om het naast lagere bedrag in de lagere salarisgroep te bereiken;
b. Indien de overplaatsing geschiedt wegens bedrijfsomstandigheden wordt de werknemer in de lagere salarisgroep zoveel periodieken toegekend als nodig zou zijn om hem zijn, tot dan geldende schaalsalaris, te laten behouden. Is het beschikbare aantal periodieken in die lagere salarisgroep daarvoor niet toereikend, dan zal hem een persoonlijke toeslag worden toegekend gelijk aan het verschil.
Deze persoonlijke toeslag wordt bij komende salarisverhogingen afgebouwd met de helft van de salarisverhoging, echter met een maximum van 1% van het schaalsalaris, met dien verstande dat voor werknemers van 55 jaar en ouder geen verdere vermindering zal plaatsvinden.
De persoonlijke toeslagen maken geen deel uit van het schaalsalaris. Het lagere schaalsalaris gaat in met ingang van de maand/periode volgend op die waarin de overplaatsing plaatsvond.
5. De werkgever verplicht zich ingeval van indeling in een lagere functiegroep als gevolg van bedrijfsomstandigheden, het opheffen van de functie of op grond van een medisch attest al het mogelijke te doen om door wijziging of aanvulling van een taakinhoud het functieniveau van de betrokken werknemer op peil te houden.
1.
a. Jeugdige werknemers ontvangen het schaalsalaris dat met hun leeftijd overeenkomt met ingang van de dag waarop zij jarig zijn (leeftijdschaal);
b. Een verhoging van het schaalsalaris op grond van periodieken vindt plaats per 1 maart van elk kalenderjaar, tenzij de betrokken werknemer op 1 september daaraan voorafgaande nog niet in dienst was of nog niet de vakvolwassen leeftijd had bereikt.
2. De vastgestelde salarissen worden betaalbaar gesteld uiterlijk op de laatste dag van de week volgend op de maand/periode waarop ze betrekking hebben.
1. Algemeen
De schaalsalarissen, bepaald op grond van de artikelen 7 en 8, worden geacht een normale beloning te zijn voor een normale functievervulling in dagdienst gedurende een kalendermaand/periode.
2. Ploegentoeslag en zaterdagtoeslag
a. Voor werknemers die arbeid in een tweeploegendienst (ochtend- en middagdienst) verrichten, wordt het uurloon verhoogd met:
7,6% voor de ochtenddienst en
15,1% voor de middagdienst
per in ploegendienst gewerkt uur.
b. Indien in een tweeploegendienst afwisselend in dag- resp. ochtenddienst en nachtdienst wordt gewerkt, zal in afwijking van het onder a bepaalde over de uren van de dag- resp. ochtenddienst geen extra beloning worden toegekend, terwijl over de uren van de nachtdienst 25,1% van het uurloon zal worden betaald per in nachtdienst gewerkt uur. Voor de toepassing van dit lid wordt als nachtdienst beschouwd de dienst waarvan volgens dienstrooster uren tussen 0 en 4 uur vallen.
c. De beloning voor arbeid in een drie- of meerploegendienst (semi-continudienst) wordt door de werkgever in overleg met de vakverenigingen vastgesteld.
d. Over de op zaterdag volgens dienstrooster tussen 0 en 12 uur gewerkte uren wordt per uur een extra toeslag van 50% van het uurloon betaald.
e. Over de uren, waaronder de in sub d van dit lid genoemde toeslag wordt betaald, wordt geen ploegentoeslag betaald.
f. Werknemers die 10 jaar of minder van de voor betrokkene AOW gerechtigde leeftijd zitten en gedurende vijf jaar daaraan voorafgaand niet in ploegendienst hebben gewerkt, zullen niet worden verplicht tot het werken in een drie- of meer ploegendienst met daarin nachtdiensten.
Werknemers die 5 jaar of minder van de voor betrokkene AOW gerechtigde leeftijd zitten en gedurende vijf jaar daaraan voorafgaand niet in ploegendienst hebben gewerkt, zullen niet worden verplicht tot het werken in een tweeploegendienst.
Werknemers die 5 jaar of minder van de voor betrokkene AOW gerechtigde leeftijd zitten en gedurende vijf jaar daaraan voorafgaand in tweeploegendienst (ochtend- en middagdienst) hebben gewerkt, zullen niet worden verplicht tot het werken in een drie- of meer ploegendienst met daarin nachtdiensten.
g. Voor werknemers die 7 jaar of minder van de voor betrokkene geldende AOW gerechtigde leeftijd zitten, die ten minste 5 jaar onafgebroken in ploegendienst werkzaam zijn geweest en die door bedrijfsomstandigheden of door medische indicatie definitief worden overgeplaatst van een ploegendienst met bijbehorende toeslag naar een dagdienst of van een ploegendienst met een hogere toeslag naar een ploegendienst met een lagere toeslag, zal, indien de ploegentoeslag van de oorspronkelijke dienst hoger is dan die van de nieuwe dienst deze hogere ploegentoeslag gehandhaafd blijven.
h. Afbouwregeling ploegentoeslag
Indien een werknemer door bedrijfsomstandigheden of lichamelijke gebreken op voorschrift van de bedrijfsarts of daarmee gelijk te stellen arts na minimaal 1 jaar ploegendienst wordt overgeplaatst naar de dagdienst of een lager betaalde ploegendienst, ontvangt hij het volgende inkomen:
a. een werknemer die langer dan 3 jaar in de verlaten ploegendienst heeft gewerkt, behoudt gedurende de lopende en de daarop volgende periode dezelfde ploegentoeslag als voor de overplaatsing. Daarna ontvangt hij het inkomen dat behoort bij zijn nieuwe dienst en gedurende:
2 perioden 80%
1 periode 60%
1 periode 40%
1 periode 20% van het verschil aan toeslag tussen het oude en nieuwe dienstrooster;
b. een werknemer die langer dan 5 jaar in de verlaten ploegendienst heeft gewerkt, behoudt gedurende de lopende en de daarop volgende periode dezelfde ploegentoeslag als voor de overplaatsing. Daarna ontvangt hij het inkomen dat behoort bij zijn nieuwe dienst en gedurende:
3 perioden 80%
2 perioden 60%
2 perioden 40%
2 perioden 20% van het verschil aan toeslag tussen het oude en nieuwe dienstrooster.
Bij toepassing van dit lid wordt rekening gehouden met eventuele uitkeringen krachtens de sociale verzekeringswetten. Het geregelde geldt alleen indien de werknemer na zijn overplaatsing als gevolg van bedrijfsomstandigheden na een redelijke inwerkperiode normale prestaties levert.
3. Toeslag voor niet in ploegendienst gewerkte uren (geen overuren) vallende binnen de normale werktijd
a. Indien volgens dienstrooster gedurende ten minste een week arbeid moet worden verricht tussen 's morgens 5 en 6 uur of tussen 's avonds 6 en 11 uur en het niet in ploegendienst gewerkte uren of overuren betreft, ontvangen de betrokken werknemers over deze uren een extra toeslag van 20,1% van het uurloon.
b. Het in het voorafgaande lid bepaalde is niet van toepassing op de door het molenpersoneel verrichte arbeid voor of na de werktijd van de overige werknemers voor zover deze werkzaamheden verband houden met hun normale functie.
4. Overwerk
a. Als overwerk wordt beschouwd door of namens de werkgever opgedragen arbeid verricht op uren buiten een in de onderneming geldend dienstrooster. Voor deeltijdwerknemers geldt een toeslag van 25% voor de uren boven het deeltijdcontract en vallend binnen het in de onderneming geldend dienstrooster.
b. Overwerk wordt zoveel mogelijk voorkomen, doch is indien het bedrijf dit met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidstijdenwet vereist, verplicht. Deze verplichting geldt niet voor werknemers vanaf 10 jaar voorafgaand aan de voor betrokkene geldende AOW gerechtigde leeftijd.
Indien langer dan één maand achtereen overwerk moet worden verricht, zal de werkgever hiervan vooraf mededeling doen aan de personeelsvertegenwoordiging en de vakverenigingen, onverminderd de bevoegdheid van de personeelsvertegenwoordiging en de vakverenigingen hierover met de werkgever van gedachten te wisselen.
In overleg tussen werkgever en werknemer vervalt de verplichting tot overwerk bij aantoonbare zorgtaken.
Overuren zullen worden gecompenseerd door vrije tijd, in welk geval alleen de toeslag betaald wordt. Indien bedrijfsbelangen zich daartegen verzetten kan tot betaling worden overgegaan conform het onder c van dit lid bepaalde.
c. De beloning voor overuren bedraagt de volgende percentages van het uurloon:
1. 200% voor op uren zaterdag tussen 12.00 uur en 24.00 uur en voor uren op zondag of een niet op een zondag vallende feestdag;
2. 150% voor alle overige uren.
d. De werknemer, die onverwacht van huis wordt ontboden voor het verrichten van overwerk, ontvangt per oproep een extra vergoeding van 0,725% van het schaalsalaris zijnde een maandsalaris. Indien sprake is van een 4-wekenbetaling ontvangt de werknemer per oproep een extra vergoeding van 0,7875% van zijn/haar schaalsalaris.
Voorts ontvangt deze werknemer voor het verrichten van dit overwerk, indien hij daarmede moet aanvangen tussen 20.00 en 6.00 uur en het korter dan een uur duurt, de voor 1 uur overwerk verschuldigde beloning.
e. Geen betaling van overwerk heeft plaats voor:
1. arbeid, welke arbeid verricht wordt voor het inhalen van de verzuimde dagen of uren anders dan bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12;
2. arbeid verricht in de buiten het dienstrooster vallende tijd, mits deze arbeid valt binnen het raam van 's morgens 7 uur en 's avonds 6 uur, de dagelijkse rusttijd niet wordt verlengd, het aantal gewerkte uren op die dag niet groter is dan het volgens het dienstrooster zou zijn geweest en de verschuiving uiterlijk daags tevoren aan de werknemer wordt bekendgemaakt.
f. Het in sub a, b en c van dit lid bepaalde is niet van toepassing op machinisten, chauffeurs, stokers, scheepspersoneel, portiers en wakers. Voor deze werknemers zal met inachtneming van de wettelijke bepalingen door de werkgever in overleg met de vakverenigingen worden vastgesteld.
1. wat als overwerk moet worden aangemerkt;
2. hoe dit overwerk moet worden beloond.
Ingeval geen overeenstemming wordt verkregen, kan de Vaste Commissie worden verzocht te bemiddelen. Indien de werkgever en de vakverenigingen een dergelijke regeling niet hebben getroffen geldt het in dit artikel bepaalde.
5. Consignatieregeling
1. De werknemer die geconsigneerd is, ontvangt hiervoor een vergoeding. Deze vergoeding bedraagt per dag de volgende percentages van het schaalsalaris:
– 1% op maandag tot en met vrijdag;
– 2% op zaterdag en zondag;
– 2,5% op feestdagen.
2. Een werknemer in dagdienst, die na een volbrachte dienst in verband met consignatie overwerk verricht op uren die vallen tussen 22.00 uur en de aanvang van de normale dienst ontvangt, aansluitend op de overwerkuren, een even zoveel aantal uren als verzuimuren (z.g. slaapuren) met een maximum van 8.
1. Gedurende de tijd welke de werknemer de bedongen arbeid niet verricht behoudt de werknemer zijn recht op loon, tenzij de reden van het niet verrichten van deze arbeid redelijkerwijze voor zijn rekening en risico behoort te komen.
Ten aanzien van het recht op loon tijdens het opnemen van verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg (WAZO), geldt hetgeen in die wet bepaald is. Cumulatie van de rechten op grond van de WAZO en de rechten van dit artikel vindt niet plaats.
2. Onder salaris wordt in dit artikel verstaan het maandinkomen/periode-inkomen.
3. In de volgende gevallen, waarin de werknemer de bedongen arbeid noodzakelijkerwijs niet heeft kunnen verrichten, wordt hem de hieronder voor de respectievelijk bij elk dezer gevallen bepaalde termijnen van verlof het salaris doorbetaald, mits hij zo mogelijk ten minste 3 dagen tevoren met opgaaf van redenen aan de werkgever of diens gemachtigde van het verzuim kennis geeft en de gebeurtenis in het desbetreffende geval bijwoont.
1. Overlijden en begrafenis
a. vanaf de dag van overlijden tot en met de dag van de begrafenis respectievelijk crematie van de echtgenoot/echtgenote/geregistreerd partner of inwonende ongehuwde eigen en pleegkinderen van de werknemer;
b. gedurende 1 dag bij overlijden en 1 dag voor de begrafenis respectievelijk crematie van een niet onder a genoemd kind of pleegkind, aangehuwde kinderen, ouders, schoonouders, alsmede inwonende broers, zusters, zwagers en schoonzusters van de werknemer;
c. gedurende 1 dag voor de begrafenis respectievelijk crematie van niet onder b genoemde broers, zusters, zwagers en schoonzusters, van grootouders en kleinkinderen van de werknemer.
2. Huwelijksplechtigheid en Partnerregistratie
a. gedurende ½ dag bij ondertrouw van de werknemer;
b. gedurende een ½ dag bij partnerregistratie van de werknemer;
c. gedurende 2 dagen bij huwelijk van de werknemer;
d. gedurende 1 dag bij huwelijk van kinderen, pleegkinderen, ouders, schoonouders, broers, zusters, zwagers en schoonzusters van de werknemer.
3. Huwelijksfeest
a. gedurende 1 dag bij 25- en 40-jarig huwelijk van de werknemer;
b. gedurende 1 dag bij 25, 40-, 50-, 55- en 60- jarig huwelijksfeest van ouders en schoonouders en/of grootouders van de werknemer.
5. Bevalling en geboorteverlof
a. Conform de wettelijke regeling bedraagt het zwangerschaps- en bevallingsverlof een periode van 16 weken. De vrouwelijke werknemer kan het zwangerschapsverlof verschuiven naar de periode na de bevalling, met dien verstande dat het zwangerschapsverlof niet later kan ingaan dan vier weken vóór de vermoedelijke bevallingsdatum.
b. De werknemer heeft de dag(en) van de bevalling van de echtgenote of (geregistreerd) partner met wie hij samenwoont – dan wel degene van wie hij het kind erkent – recht op bevallingsverlof, in de vorm van doorbetaald calamiteitenverlof conform artikel 4.1 WAZO.
c. Naast het onder a. en b. genoemde heeft de werknemer het recht op doorbetaald verlof van eenmaal de wekelijkse arbeidsduur, naar wens van de werknemer op te nemen binnen vier weken na bevalling van de echtgenote of (geregistreerd) partner met wie hij samenwoont of degene van wie hij het kind erkent.
d. Naast het onder a., b. en c. genoemde heeft de werknemer recht op aanvullend geboorteverlof zonder behoud van loon, mits hij voorafgaand aan dit verlof gebruik heeft gemaakt van het doorbetaald geboorteverlof onder c. Het aanvullend geboorteverlof bedraagt maximaal vijf weken gebaseerd op de arbeidsduur per week. Tijdens het verlof krijgt de werknemer een uitkering van het UWV. Deze uitkering is maximaal 70% van het dagloon (en maximaal 70% van het maximumdagloon). De werkgever vult deze uitkering aan tot 100% van het dagloon (en maximaal 100% van het maximum dagloon).
De pensioenopbouw van de werknemer wordt tijdens het aanvullend geboorteverlof ongewijzigd voortgezet.
6. Dienstjubilea
Gedurende 1 dag bij 25- of 40-jarig dienstjubileum van de werknemer.
7. Nakoming wettelijke verplichtingen
Gedurende een korte door de werkgever naar billijkheid te bepalen tijdsduur, indien de werknemer tengevolge van de vervulling ener buiten zijn schuld door de Wet of Overheid zonder geldelijke vergoeding opgelegde verplichting verhinderd is zijn arbeid te verrichten, mits deze vervulling niet in zijn vrije tijd kan geschieden en de verplichting door de werknemer persoonlijk moet worden nagekomen.
8.
a. Bezoek aan specialist
gedurende de daarvoor noodzakelijke tijd tot ten hoogste een halve dag voor bezoek aan een specialist, onder voorwaarde dat tijdig voor dit bezoek door de werknemer daarvan kennis wordt gegeven aan de werkgever, dit bezoek niet in zijn vrije tijd kan geschieden en hiervoor geen vergoeding uit andere hoofde wordt ontvangen.
b. Bezoek aan een huisarts resp. tandarts
per individuele onderneming zal geregeld worden de daarvoor noodzakelijke tijd voor bezoek aan een huisarts resp. tandarts, onder voorwaarde dat tijdig voor dit bezoek door de werknemer daarvan kennis wordt gegeven aan de werkgever, dit bezoek niet in zijn vrije tijd kan geschieden en hiervoor geen vergoeding uit andere hoofde wordt ontvangen.
9. Bezoek statutaire vakverenigingvergaderingen
Indien een werknemer, lid van één der vakverenigingen, als bestuurslid of afgevaardigde moet deelnemen aan statutair voorgeschreven vergaderingen van zijn vakvereniging zal hem, mits daartoe het verzoek door de desbetreffende vakvereniging wordt gedaan en voor zover de bedrijfsomstandigheden dit – zulks ter beoordeling van de werkgever – toelaten, de daartoe benodigde tijd vrijaf met behoud van inkomen worden gegeven.
10. Scholing en vorming jeugdige werknemers
Jeugdige werknemers t/m 18 jaar hebben gedurende de daarvoor benodigde tijd tot een maximum van 1 dag per week vrijaf met behoud van inkomen, voor het deelnemen aan door erkende instituten te geven vormings‑ en scholingsonderwijs.
4. Het bepaalde in Boek 7:628 BW is met betrekking tot doorbetaling van salaris in de daar bedoelde gevallen van kracht, in zoverre dat de werkgever niet gehouden is het salaris door te betalen in de navolgende gevallen:
a. de invoering van een verkorte werkweek (een z.g. nul-urenweek daaronder begrepen) mits de werkgever voor die invoering de volgens artikel 8 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen vereiste vergunning heeft gekregen en hij niet tot het aanvragen van een vergunning overgaat dan nadat met de vakverenigingen overleg is gepleegd. Partijen achten een termijn van een week voor dit voorafgaand overleg voldoende;
b. de verlenging van een verkorte werkweek (een z.g. nul-urenweek daaronder begrepen) mits, wanneer het betreft een verlenging, die ten aanzien van de aantallen erbij betrokken werknemers en/of het aantal uren, dat verkort zal worden gewerkt, afwijkt van de oorspronkelijke vergunning, de werkgever de hierboven sub a omschreven procedure zal hebben gevolgd en wanneer het betreft een verlenging, waarbij de oorspronkelijke vergunning ongewijzigd wordt overgenomen, hij de vakverenigingen tijdig – d.w.z. tenminste één week – voor het ingaan van de verlenging daarvan mededeling doet.
c. In afwijking van het onder lid 4 sub a bepaalde zal bij verlenging van een eerste vergunning de wettelijke uitkering zodanig worden aangevuld dat deze uitkering en de aanvulling tezamen gelijk zullen zijn aan 100% van het netto salaris.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt mede als echtgenoot/echtgenote /geregistreerd partner aangemerkt de niet met de werknemer gehuwde persoon van verschillend of gelijk geslacht met wie duurzaam een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd, tenzij het betreft een persoon met wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat. Van een gezamenlijke huishouding kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
1. Onder feestdagen worden in dit artikel en in de overige artikelen van deze overeenkomst verstaan:
a. de algemeen erkende Christelijke feestdagen, te weten: Nieuwjaarsdag, 1e en 2e Paasdag, Hemelvaartsdag,1e en 2e Pinksterdag en 1e en 2e Kerstdag;
b. de dag, voor de viering van Koningsdag en in de lustrumjaren de dag, voor de viering van de Nationale Bevrijdingsdag (1 maal per 5 jaar).
2. Op feestdagen wordt als regel niet gewerkt.
3. Indien op een feestdag, die niet op een volgens dienstrooster vrije dag valt, niet wordt gewerkt wordt het salaris doorbetaald.
4. Indien op een feestdag, als bedoeld onder lid 3 van dit artikel, wel wordt gewerkt, worden de gewerkte uren als overuren beschouwd en overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 lid 4 beloond.
Voor zover het betreft een feestdag als bedoeld onder lid 1 a van dit artikel, zullen aan de werknemer bovendien op een ander tijdstip evenveel vrije uren met behoud van salaris worden gegeven als hij uren volgens het dienstrooster, die zou gelden indien het geen feestdag betrof, heeft gewerkt.
1. Vakantiejaar
Het vakantiejaar loopt van 1 juli van enig kalenderjaar tot en met 30 juni van het daaropvolgend kalenderjaar.
2. Duur van de vakantie
a. Iedere werknemer heeft per vakantiejaar recht op 25 dagen c.q. het equivalent in uren met een maximum van 190 uur vakantie met behoud van salaris, waarvan ten minste twee kalenderweken aaneengesloten en de overige dagen in de vorm van hele snipperdagen zullen worden genoten.
Indien de aaneengesloten vakantie meer dan 15 werkdagen/114 uur bedraagt, wordt het meerdere geacht te zijn verrekend met de mogelijkheid, genoemd in artikel 12 lid 6 punt c.
b. Jeugdige werknemers die op de laatste dag van het vakantiejaar 16 jaar zijn krijgen 3 dagen/22,8 uur extra vakantie met behoud van salaris, jeugdige werknemers die op de laatste dag van het vakantiejaar 17 jaar zijn krijgen 2 dagen/15,2 uur extra vakantie met behoud van salaris en jeugdige werknemers die op de laatste dag van het vakantiejaar 18 jaar zijn krijgen 1 dag/7,6 uur extra vakantie met behoud van salaris in dat vakantiejaar.
3. Bij vorige werkgever(s) verworven vakantierechten
De werknemer dient bij de aanvang van de dienstbetrekking de werkgever zo mogelijk een schriftelijk verklaring te overleggen hoeveel rechten op vakantie hij bij zijn vorige werkgever(s) verworven doch niet in natura genoten heeft, opdat de werkgever weet op hoeveel verlofdagen/-uren zonder behoud van salaris de werknemer aanspraak kan maken.
4. Aantal vakantiedagen in geval van aanvang en/of einde van het dienstverband tijdens het vakantiejaar
a. De werknemer, die na 1 juli van het lopende vakantiejaar in dienst is getreden van de werkgever of die voor 30 juni van het lopende vakantiejaar uit de dienst is getreden van de werkgever, heeft in afwijking van het in lid 2 bepaalde voor elke maand dienstverband in het lopende vakantiejaar recht op 1/12 deel van de in lid 2 genoemde vakantiedagen/-uren.
b. Voor de berekening van het aantal vakantiedagen/-uren wordt een werknemer die voor of op de 15e van enige maand in dienst treedt c.q de dienst verlaat, geacht op de eerste van de maand in dienst te zijn getreden c.q. de dienst te hebben verlaten en wordt een werknemer die na de 15e van enige maand in dienst treedt c.q. de dienst verlaat, geacht op de eerste van de navolgende maand in dienst te zijn getreden c.q. de dienst te hebben verlaten. In afwijking hiervan zal indien het dienstverband korter dan één maand heeft geduurd, de werknemer een zuiver proportioneel recht op vakantie krijgen.
5. Aaneengesloten vakantie
a. De aaneengesloten vakantiedagen/-uren worden gegeven in de maanden juni tot en met september volgende op het vakantiejaar, waarin zij zijn verworven op het door de werkgever na en in overleg met de personeelsvertegenwoordiging vast te stellen tijdstip.
In gevallen waarin het bedrijfsbelang zulks vereist, zal de aaneengesloten vakantie dienen samen te vallen met het tijdstip, waarop de aaneengesloten vakantie in het bouwbedrijfstak wordt genoten.
b. Indien de werkgever het bedrijf of een gedeelte van het bedrijf stopzet, teneinde gedurende die stopzetting aan de werknemers de aaneengesloten vakantie te geven, zullen de werknemers gedurende het daarvoor door de werkgever, na overleg met de personeelsvertegenwoordiging, aangewezen tijdvak van stopzetting vakantie opnemen.
c. Ingeval een werknemer indien het onder b bepaalde van toepassing is, nog geen recht heeft op alle aaneengesloten vakantiedagen/-uren, kan de werkgever bepalen dat de betrokken werknemer:
1. in een andere afdeling van de onderneming dan waartoe hij behoort, werkzaamheden moet verrichten en/of
2. zoveel snipperdagen reserveert als nodig zijn om zijn vakantiedagen/-uren tot alle aaneengesloten vakantiedagen aan te vullen en/of
3. teveel genoten vakantiedagen/-uren inhaalt en wel tot uiterlijk 31 december van het betreffende kalenderjaar, in welk geval de inhaaluren niet worden beloond;
4. bij vorige werkgever(s) verworven doch niet in natura genoten rechten op vakantie reserveert.
d. Indien de werknemer de hem toekomende vakantiedagen/-uren niet heeft opgenomen voor 31 december direct volgend op het vakantiejaar, waarin zij zijn verworven, is de werkgever gerechtigd, na overleg met de werknemer, de data vast te stellen waarop de werknemer deze dagen/uren zal genieten.
e. Indien de aaneengesloten vakantie samenvalt met een vaste snipperdag als bedoeld in lid 6 van dit artikel of met een feestdag als bedoeld in artikel 11, zal de werkgever na overleg met de werknemer vaststellen wanneer deze dag alsnog zal worden genoten.
6. Snipperdagen
a. De snipperdagen worden bij voorkeur opgenomen in het vakantiejaar waarin zij zijn verworven.
b. Onder de snipperdagen zijn begrepen alle bijzondere vrije dagen met uitzondering van de feestdagen, als bedoeld in artikel 11, en de dagen van geoorloofd verzuim, als bedoeld in artikel 10.
c. De werkgever is gerechtigd om bij de aanvang van het vakantiejaar, met instemming van de personeelsvertegenwoordiging, maximaal 5 collectieve snipperdagen vast te stellen, waaronder bij voorkeur zullen vallen plaatselijke feestdagen.
d. De data der eventueel overblijvende snipperdagen (zogenaamde vrije snipperdagen) worden door de werkgever op verzoek van en in overleg met de betrokken werknemer voor elk geval afzonderlijk vastgesteld, met dien verstande, dat snipperdagen eerst kunnen worden opgenomen nadat de werknemer ten minste twee maanden in dienst van zijn huidige werkgever is, tenzij het bepaalde in lid 9 van dit artikel van toepassing is. Aan werknemers zal, indien zij zulks wensen en voor zover zij recht hebben op snipperdagen, op voor hun religieuze feestdagen een snipperdag worden gegeven.
e. Indien de werknemer de hem toekomende snipperdagen niet heeft opgenomen voor 31 december direct volgend op het vakantiejaar waarin zij zijn verworven, is de werkgever gerechtigd data vast te stellen waarop de werknemer deze dagen zal genieten.
7. Vakantie bij onderbreking van de werkzaamheden
a. Het in lid 2 bedoelde aantal vakantiedagen/-uren wordt verminderd met 1/12 deel voor elke maand gedurende welke de werknemer zijn werkzaamheden niet heeft verricht.
1. Het onder a bepaalde is niet van toepassing indien de werknemer zijn werkzaamheden niet heeft verricht wegens de oorzaken die genoemd zijn in artikel 7:635 lid 1 BW.
De werknemer, die de bedongen arbeid niet verricht wegens ziekte, verwerft, ongeacht of hij aanspraak heeft op loon, aanspraak op zijn wettelijke vakantiedagen (dit is vier (4) keer de overeengekomen arbeidsduur per week). Voor wat betreft de bovenwettelijke vakantiedagen verwerft de werknemer die de bedongen arbeid niet verricht wegens ziekte, ongeacht hij aanspraak heeft op loon, aanspraak op deze vakantiedagen over het tijdvak van de laatste zes (6) maanden waarin de arbeid niet werd verricht. De werknemer die de bedongen arbeid slechts voor een gedeelte van de overeengekomen arbeidsduur niet verricht wegens ziekte, verwerft slechts aanspraak op de bovenwettelijke vakantiedagen die een evenredig gedeelte bedraagt van datgene waarop hij recht zou hebben gehad als hij gedurende de volledige arbeidsduur arbeid zou hebben verricht.
2. Indien een onderbreking der werkzaamheden als bedoeld onder 1 van dit sublid in meer dan één vakantiejaar valt, wordt het in een vorig jaar vallend deel der onderbreking bij de berekening van de periode van afwezigheid mee in aanmerking genomen.
3. Ten aanzien van het tijdstip van de aanvang en het einde van de hier bedoelde onderbreking is het in lid 4 bepaalde van overeenkomstige toepassing.
b. De werknemer die op 1 mei van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, verwerft vakantierechten over de tijd welke hij besteedt aan het volgen van onderricht waartoe de werkgever hem krachtens de wet in de gelegenheid moet stellen.
8. Samenvallen van vakantiedagen met bepaalde andere dagen waarop geen arbeid wordt verricht
a. Dagen waarop de werknemer geen arbeid heeft verricht om één der redenen genoemd in lid 7 sub b onder 1 en sub c alsmede in artikel 10 lid 3 sub 1 en 5 gelden niet als vakantiedagen.
b. Indien één der in lid 7 sub b onder 1 en sub c, alsmede in artikel 10 lid 3 sub 1 en 5 genoemde verhinderingen echter eerst intreedt tijdens een vastgestelde vakantie- of snipperdag zullen de dagen, waarop die verhindering zich voordoet, wel als vakantiedagen worden geteld indien de werknemer niet voor de aanvang van die vastgestelde vakantie of snipperdag aan de werkgever heeft medegedeeld dat die verhindering zich zou voordoen. Dit vereist van voorafgaande mededeling lijdt slechts uitzondering indien de verhindering te wijten is aan ziekte van de werknemer en de werknemer aannemelijk kan maken dat hij zodanig in zijn bewegingsvrijheid was beperkt dat de bedoeling van de vakantie in genen dele tot haar recht kon komen.
c. Indien de ingevolge het sub b bepaalde aanvankelijk vastgestelde vakantiedagen/-uren niet als zodanig worden gerekend zal de werkgever na overleg met de werknemer nieuwe data vaststellen waarop die dagen alsnog kunnen worden genoten.
9. Vakantie bij ontslag
a. Bij het eindigen van de dienstbetrekking zal de werknemer desgewenst zoveel mogelijk in de gelegenheid worden gesteld de hem nog toekomende vakantiedagen/-uren op te nemen, met dien verstand dat deze vakantiedagen/-uren niet in de opzeggingstermijn mogen zijn begrepen, tenzij met wederzijdse instemming.
b. Indien de werknemer de hem toekomende vakantiedagen/-uren niet heeft genoten zal hem voor elke vakantiedag/-uur een dag/uur salaris worden uitbetaald.
c. De werkgever reikt de werknemer bij het einde van de dienstbetrekking een verklaring uit, waaruit blijkt de duur van de vakantie zonder behoud van salaris welke de werknemer op dat tijdstip nog toekomt.
10. Uitvoeringsbepaling
a. De werkgever kan bepalen dat de werknemer de aanvraag voor een vakantiedag(en)/-uur (uren) binnen een bepaalde termijn voor begeerde datum moet indienen.
b. De aaneengesloten vakantie kan tussen de werkgever en de werknemer worden overeengekomen in afwijking van de cao, mits het bedrijfsreglement hierin voorziet.
11. Onder salaris in dit artikel wordt verstaan het salaris als bedoeld in artikel 7:610 BW juncto artikel 7:639 lid 1 BW.
12.
a. Van de in dit artikel genoemde dagen / uren mogen jaarlijks maximaal 5 dagen (38 uur) worden gespaard.
b. De opgespaarde dagen hebben de inkomenswaarde van de dagen op het moment van opname van het spaartegoed.
c. Het totale spaartegoed mag niet meer bedragen dan 25 dagen (190 uren).
d. De werknemer heeft de keuze om het spaartegoed in tijd dan wel geld op te nemen. Bij de keuze voor opname in tijd geschiedt dit in overleg met de werkgever, teneinde de organisatorische gevolgen te kunnen opvangen.
e. Bij beëindiging van de dienstbetrekking door overlijden of het aanvaarden van een functie elders zal het dagen tegoed worden uitgekeerd.
f. Voor deze dagen zal de werkgever geen beroep doen op de wettelijke verjaringstermijn.
g. Een en ander is nader uitgewerkt in Bijlage V Uitvoeringsbesluit Verlofsparen.
1. De werkgever zal aan de werknemers die ten tijde van de aaneengesloten vakantie in zijn dienst zijn, ter gelegenheid van deze vakantie een vakantietoeslag toekennen. Deze vakantietoeslag zal worden uitbetaald op uiterlijk 1 juni.
De vakantietoeslag bedraagt 8% van 12 maal het op het moment van uitbetaling geldende maandinkomen bij maandbetaling of 8% van 13 maal het op het moment van uitbetaling geldende periode-inkomen bij 4-wekenbetaling. Het totaal van het in de 12 voorafgaande maanden of 13 voorafgaande perioden betaalde loon en de vakantietoeslag moet op grond van artikel 16 lid 2 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag minimaal 108% van het voor de medewerker geldende wettelijk minimumloon zijn over alle uren die de medewerker in die periode heeft gewerkt. Onder loon wordt in de voorgaande zin verstaan het loon als bedoeld in artikel 6 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Ingeval de werknemer een WAO/WIA-uitkering geniet, zal het bedrag aan vakantietoeslag dat in deze uitkering is begrepen in mindering worden gebracht op de vakantietoeslag die de werkgever is verschuldigd. De werknemer die slechts een gedeelte van het vakantiejaar in dienst van zijn huidige werkgever is geweest ontvangt vakantietoeslag naar rato van de duur van het dienstverband gedurende het vakantiejaar. De bruto vakantietoeslag bij deeltijdwerknemers zal naar rato van de overeengekomen arbeidsduur bedragen.
2. Bij beëindiging van het dienstverband, heeft de werknemer aanspraak op een evenredig deel van de vakantietoeslag als omschreven in lid 1, over de maanden/perioden waarover nog geen vakantietoeslag was uitgekeerd.
1. De werkgever zal aan het einde van enig jaar de werknemer die op het tijdstip van uitbetaling van de uitkering in zijn dienst is en wiens dienstverband ten minste 8 weken heeft geduurd, een extra uitkering toekennen van 3,5% van het in dat jaar verdiende inkomen (exclusief overwerkverdiensten, de vakantietoeslag en de uitkering zelve) en de ontvangen wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen ingeval van arbeidsongeschiktheid. Ingeval de werknemer een WAO/WIA-uitkering geniet, zal het bedrag aan extra uitkering dat in de WAO/WIA-uitkering is begrepen in mindering worden gebracht op de extra uitkering die de werkgever is verschuldigd. Voor werknemers die de dienstbetrekking verbreken voor het tijdstip van uitbetaling geldt eveneens deze extra uitkering van 3,5% aan het einde van enig jaar, met dien verstande, dat het voorafgaande dienstverband minimaal één jaar moet hebben geduurd.
2. In geval in een onderneming voorzieningen zijn getroffen inzake winstdelingsgratificatie of andere periodieke uitkeringen wordt de uitkering bedoeld in lid 1 met eerstgenoemde uitkeringen verrekend c.q. geacht daarin te zijn begrepen.
1. Indien een werknemer ten gevolge van arbeidsongeschiktheid, zwangerschap of bevalling niet in staat is de bedongen arbeid te verrichten, gelden voor hem de bepalingen van Boek 7:629 BW, de Ziektewet en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA), voor zover hierna niet anders is bepaald.
2. Aan een werknemer, die tengevolge van arbeidsongeschiktheid niet in staat is arbeid te verrichten zal de volgende loondoorbetaling en een aanvulling worden verstrekt:
a. Over de eerste voor hem geldende arbeidsongeschiktheidsdag maximaal 3 keer per halfjaar geldt het bepaalde in sublid b. Vanaf de 4e arbeidsongeschiktheidsmelding binnen een halfjaar geldt een wachtdag. Hierbij wordt gekeken naar de periode van zes maanden voorafgaand aan een arbeidsongeschiktheidsmelding.
b. Over de eerste 104 weken van arbeidsongeschiktheid, behoudens over de wachtdagen, 70% van het in lid 3 van dit artikel genoemde inkomen (tot maximaal het voor de werknemer geldende dagloon inzake de Wet financiering sociale verzekeringen en minimaal het minimumloon gedurende de eerste 52 weken), tenzij werknemer niet voldoet aan de vereisten zoals beschreven onder e. van dit lid.
c. Over de eerste 52 weken ontvangt werknemer daarenboven een aanvulling tot 100% van het in lid 3 van dit artikel genoemde inkomen, tenzij werknemer niet voldoet aan de vereisten zoals bedoeld onder e. van dit lid.
d. Over de tweede 52 weken ontvangt werknemer daarenboven een aanvulling tot 100% van het in lid 3 van dit artikel genoemde inkomen, wanneer werknemer in het kader van de WIA als volledig arbeidsongeschikt wordt aangemerkt zonder reële kans op herstel en in de tweede 52 weken in aanmerking komt voor een vervroegde IVA-uitkering, dan wel wanneer de re-integratie-inspanningen door werkgever in de tweede 52 weken van arbeidsongeschiktheid naar het medisch oordeel van de bedrijfsarts te kort schieten.
e. Werknemer heeft, in overeenstemming met artikel 7:629 en 7:658a BW, geen recht op de loondoorbetaling en de aanvulling als bedoeld in lid 2b en 2c van dit artikel:
• indien de arbeidsongeschiktheid door zijn opzet is veroorzaakt of het gevolg is van een gebrek waarover hij bij een aanstellingskeuring valse informatie heeft verstrekt;
• voor de tijd dat hij zijn genezing belemmert of vertraagt;
• voor de tijd gedurende welke hij, hoewel daartoe wel in staat, zonder deugdelijke gronden passende arbeid voor de werkgever of een derde niet verricht;
• voor de tijd gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door werkgever of een door werkgever aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen om passend werk mogelijk te maken;
• voor de tijd gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak voor zijn re-integratie.
3.
a. Onder inkomen, bedoeld in lid 2 van dit artikel, wordt verstaan het gemiddeld werkelijk verdiende netto maand/periode-inkomen in de laatste 13 weken voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid, te verhogen met tussentijdse algemene cao-verhogingen, tenzij de werkgever om administratieve redenen een andere periode aanhoudt.
b. Overwerkbeloning als gevolg van roosters zoals omschreven in artikel 6 lid 1 sub d, wordt volledig betrokken bij het netto maand/periode-inkomen zoals onder het sub a omschreven.
4. De in lid 2 bedoelde loondoorbetaling en de aanvullingen worden beëindigd wanneer de dienstbetrekking met de werknemer eindigt. De in lid 2 bedoelde aanvullingen worden niet toegekend aan werknemers die de AOW-gerechtigde leeftijd reeds bereikt hebben.
5. De door de werknemer gemaakte kosten van één "second opinion" en de reiskosten bij bezoek aan een Arbodienst komen voor rekening van de werkgever. Wanneer de werknemer op verzoek van de werkgever de Arbodienst bezoekt ontvangt de werknemer een tegemoetkoming in de kosten op basis van de vergoedingsregeling voor eigen vervoer, zoals opgenomen in bijlage II, artikel 2. Deze vergoedingsregeling is ook van toepassing wanneer de werknemer in het kader van een second opinion, aangevraagd door de werkgever, wordt opgeroepen bij het UWV.
1. Als een werknemer in zijn tweede ziektejaar re-integreert in zijn oude of nieuwe functie binnen of buiten het bedrijf, is sprake van duurzame re-integratie als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. De werknemer heeft het werk in de tweede 52 weken structureel hervat, voor tenminste 3 maanden.
b. Er is sprake van structurele werkhervatting (zijnde geen arbeidstherapie) in de eigen functie of een re-integratiefunctie zonder terugval, gedurende minimaal drie maanden. Als de periode van drie maanden wordt onderbroken door een vakantie, dan wordt de periode met de duur van die vakantie verlengd.
c. De werknemer beschikt over voldoende restverdiencapaciteit.
Hij verdient per betalingsperiode minimaal 50% van het inkomen dat hij per betalingsperiode verdiende voordat hij ziek werd.
2. Als er sprake is van duurzame re-integratie als bedoeld in lid 1 heeft de werknemer recht op een eenmalige uitkering over de tweede 52 weken van arbeidsongeschiktheid. De eenmalige uitkering is gelijk aan het verschil tussen 100% van het in artikel 15 lid 3 bedoelde inkomen en het totaalbedrag van de loondoorbetaling als bedoeld in artikel 15 lid 2b over de tweede 52 weken van arbeidsongeschiktheid. Als de werknemer in het kader van zijn re-integratie meer verdient dan 70% van het in artikel 15 lid 3 bedoelde inkomen is de eenmalige uitkering gelijk aan het verschil tussen 100% van het in artikel 15 lid 3 bedoelde inkomen en het inkomen dat de werknemer in het kader van zijn re-integratie verdient.
a. Indien een werknemer overlijdt, zal aan zijn nagelaten betrekkingen een overlijdensuitkering worden verstrekt, gelijk aan het bedrag van het de werknemer laatstelijk rechtens toekomend salaris over het resterende deel van de kalendermaand van overlijden plus de twee daaropvolgende kalendermaanden. Op dit bedrag wordt door de werkgever in mindering gebracht, hetgeen de nagelaten betrekkingen ter zake van het overlijden van de werknemer toekomt ingevolge de Ziektewet en de WAO/WIA.
b. Onder nagelaten betrekkingen wordt verstaan:
a. de langstlevende der echtgenoten dan wel geregistreerde partners van wie de werknemer niet duurzaam gescheiden leefde dan wel degene met wie de werknemer ongehuwd samenleefde,
b. bij ontstentenis van deze de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond,
c. bij ontstentenis van dezen degene met wie de werknemer in gezinsverband leefde en in wiens kosten van bestaan hij grotendeels voorzag.
Van ongehuwd samenleven is sprake indien twee ongehuwde personen een gezamenlijke huishouding voeren, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste graad. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
c. Onder laatstelijk rechtens toekomend salaris wordt in dit artikel verstaan het laatstelijk genoten salaris vermeerderd met oververdiensten, zoals ploegentoeslag, beloningen voor overwerk voor zover deze extra beloningen niet een incidenteel karakter dragen, vakantietoeslag en vast overeengekomen jaarlijkse uitkeringen. Geen uitkering is verschuldigd, indien ten gevolge van het toedoen van de werknemer geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de Ziektewet of WAO/WIA.
1.
a. De werkgever beoordeelt of en zo ja, hoe lang het onwerkbaar weer is. Hij doet dit in redelijk overleg met de betrokken werknemers. In dit overleg wordt rekening gehouden met zowel het bedrijfsbelang als de veiligheid en gezondheid van de werknemers.
b. De werkgever is bij weersomstandigheden, waaronder of ten gevolge waarvan niet kan worden gewerkt, gehouden aan de werknemer het vast overeengekomen loon of salaris door te betalen.
Deze weersomstandigheden kunnen geen reden zijn voor het geven van ontslag.
c. Wanneer de werkgever op grond van dit artikel lid 2 sub f niet verplicht is het loon door te betalen, kan de werkgever namens de werknemer bij UWV een aanvraag indienen voor een WW-uitkering volgens de wettelijke voorziening.
d. De werkgever zal in een dergelijk geval aan de betrokken werknemer een aanvulling betalen op de WW-uitkering tot 100% van het vast overeengekomen loon of salaris.
e. Bepalend voor de vaststelling van een onwerkbaar weer dag is de meting van het KNMI-weerstation in het postcodegebied waarin de werklocatie, waar de werknemer werkzaam is of zou zijn, zich bevindt.
Bij vorst, ijzel of sneeuw
2.
a. De hiernavolgende bepalingen gelden voor het tijdvak lopende van 1 november van enig jaar tot en met 31 maart van het daarop volgend jaar (hierna te noemen: winterseizoen) én voor zover er niet kan worden gewerkt:
– vanwege of ten gevolge van vorst;
– vanwege of ten gevolge de aanwezigheid van ijzel of sneeuw op de werklocatie.
b. Als onwerkbaar weer dag wordt beschouwd een werkdag in een winterseizoen waarop vanwege of ten gevolge van vorst of de aanwezigheid van ijzel of sneeuw niet wordt gewerkt.
c. Er is sprake van vorst indien één of meer van de volgende vorstnormen is gehaald:
– de gemeten temperatuur is tussen 00.00 uur en 07.00 uur lager geweest dan -3° Celsius;
– de gemeten temperatuur is om 07.00 uur -1,5° Celsius of lager;
– de gemeten temperatuur is om 09.00 uur -0,5° Celsius of lager.
d. Er is sprake van ijzel of sneeuw op de werkplek, als er volgens de meting van het KNMI-weerstation in het postcodegebied waarin de werklocatie, waar de werknemer werkzaam is of zou zijn, zich bevindt, sprake is van ijzel of sneeuw.
e. Het risico van onwerkbaar weer komt gedurende de eerste 2 onwerkbaar weer dagen per werknemer in een winterseizoen voor rekening van de werkgever.
f. Voor de onwerkbaar weer dagen in een winterseizoen boven het aantal van 2 geldt dat de werkgever – in afwijking van artikel 7:628 BW lid 1 en lid 3 – niet gehouden is om het voor deze dagen evenredige deel van het overeengekomen loon of salaris door te betalen.
g. Voor de onwerkbaar weer dagen in een winterseizoen die boven het aantal van 2 per werknemer uitgaan kan de werkgever namens de werknemer bij het UWV een WW-uitkering volgens de wettelijke voorziening aanvragen.
Melding onwerkbaar weer
3.
a. Van iedere dag waarop een werknemer de arbeid niet kan verrichten als gevolg van onwerkbaar weer doet de werkgever conform de uitvoeringsvoorschriften melding bij UWV middels het daarvoor door UWV beschikbaar gestelde formulier.
b. Deze melding dient vóór 10:00 uur in de ochtend binnen te zijn bij UWV en geldt voor de gehele dag.
c. Op dagen waarop de werknemer op verzoek van de werkgever vervangende werkzaamheden verricht, blijft een onwerkbaar weer melding bij UWV achterwege.
d. Bij constatering van oneigenlijk gebruik en/of misbruik door UWV geldt de vrijstelling niet of kan de vrijstelling van de loondoorbetalingsplicht met terugwerkende kracht komen te vervallen tot de aanvang van de betreffende omstandigheid.
1. Persoonlijk Budget
Ter bevordering van de duurzame inzetbaarheid kan in een onderneming voor een of meerdere werknemers een persoonlijk budget worden ingevoerd. Voor invoering van het persoonlijk budget gelden de volgende regels:
a. Op ondernemingsniveau kan werkgever voor (een deel van) het personeel een persoonlijk budget invoeren.
b. Invoering van een persoonlijk budget geschiedt in overleg met de Ondernemingsraad danwel Personeelsvertegenwoordiging. Bij het ontbreken van een medezeggenschapsorgaan treden de vakorganisaties betrokken bij de cao op namens werknemers.
c. Indien op ondernemingsniveau gebruik van een persoonlijk budget mogelijk wordt gemaakt, wordt het recht op een gemiddelde arbeidsduur van 38 uur per week op jaarbasis en 12 roostervrije dagen op jaarbasis (zoals opgenomen in artikel 6 lid 1 sub a), evenredig verlaagd naargelang het aantal roostervrije dagen (tot een maximum van 5) wordt ingezet voor het persoonlijk budget.
d. Het persoonlijk budget kan door de werknemer gevuld worden door inbreng van:
– duurzame Inzetbaarheid dagen (zie lid 2)
– maximaal 5 bovenwettelijke vakantiedagen
– maximaal 5 roostervrije dagen
(Voor deeltijdwerknemers naar rato van hun betrekkingsomvang). De werkgever zal het budget aanvullen met een bijdrage van 50% van de waarde van de ingebrachte dagen tot een maximum van € 500,–, indien het budget wordt aangewend voor Duurzame Inzetbaarheid.
e. De roostervrije dagen worden omgerekend naar een waarde via de volgende formule:
Uurloon x 8 x aantal roostervrije dagen
Voor de berekening van het uurloon bij een maandbetaling wordt het vast overeengekomen maandinkomen op basis van een fulltime dienstverband gedeeld door 173,33. Voor de berekening van het uurloon bij een 4-wekenbetaling wordt het vast overeengekomen periode inkomen op basis van een fulltime dienstverband gedeeld door 160.
f. Het persoonlijk budget dient te worden aangewend voor duurzame inzetbaarheid binnen onderstaande drie pijlers van het duurzaam inzetbaarheidsbeleid:
|
Motivatie Duurzame arbeidsverhoudingen |
Motivatie staat voor productief en gemotiveerd blijven. De mogelijkheid voor oudere werknemers om 3 of 4 dagen per week te gaan werken valt onder deze pijler (zie lid 3) |
|
Vitaliteit Duurzaam werkvermogen |
Vitaliteit staat voor de energie om te leven èn werkprestaties te leveren en vraagt om (bedrijfs)acties gericht op gezondheidsbewustzijn, of op verandering van leefstijl en gedrag, met een focus op preventie. Dit draagt bij aan behoud van werkvermogen en arbeidsproductiviteit. |
|
Mobiliteit Duurzame competenties |
Mobiliteit staat voor blijvende inzetbaarheid, binnen het bedrijf of op de arbeidsmarkt (opleiden, loopbaanbegeleiding e.d.), waarbij ook jongere medewerkers zich moeten kunnen blijven ontwikkelen. |
2. Duurzame Inzetbaarheidsdagen
De werknemer heeft op basis van onderstaand schema aanspraak op duurzame inzetbaarheidsdagen. De werknemer bepaalt uiteindelijk zelf aan welke doelen de DI-dagen worden besteed. Tijd om te herstellen van fysiek en mentaal zwaar werk (hersteltijd) kan hier deel van uitmaken.
|
Jaar voor AOW max |
Aantal dagen |
|---|---|
|
36 |
0 |
|
35 |
0 |
|
34 |
0 |
|
33 |
0 |
|
32 |
1 |
|
31 |
1 |
|
30 |
1 |
|
29 |
1 |
|
28 |
1 |
|
27 |
2 |
|
26 |
2 |
|
25 |
2 |
|
24 |
2 |
|
23 |
2 |
|
22 |
3 |
|
21 |
3 |
|
20 |
3 |
|
19 |
3 |
|
18 |
3 |
|
17 |
3 |
|
16 |
4 |
|
15 |
4 |
|
14 |
4 |
|
13 |
4 |
|
12 |
4 |
|
11 |
5 |
|
10 |
5 |
|
9 |
6 |
|
8 |
6 |
|
7 |
6 |
|
6 |
6 |
|
5 |
7 |
|
4 |
7 |
|
3 |
7 |
|
2 |
8 |
|
1 |
8 |
Toekenning van DI-dagen geschiedt per kalenderjaar, op basis van het aantal jaren voorafgaand aan AOW max, met als peildatum 31 december van het voorafgaande kalenderjaar.
Onder AOW max wordt verstaan: de maximale AOW leeftijd zoals die in enig kalenderjaar over 5 jaar geldt en door het kabinet (wetmatig) is vastgesteld. Onder de maximaal vastgestelde AOW leeftijd wordt niet verstaan: de individuele AOW gerechtigde leeftijd, tenzij deze op enig moment lager is dan de maximaal vastgestelde AOW leeftijd.
DI-dagen die niet zijn aangewend in de periode van de aanspraak vervallen. Wanneer de dagen worden ingezet voor opleidingen mag werknemer de dagen gedurende maximaal 24 maanden opsparen en in de laatste 12 maanden aanwenden als (gedeeltelijke) financiering van de opleiding. Daarbij is de waarde van de dag 8 maal het uurloon conform artikel 1 sub B lid 9 op het moment van toekenning/aanwending.
3. 4 daagse werkweek
Werknemer verkrijgt het recht om, in het kader van Duurzame Inzetbaarheid, gedurende maximaal 72 maanden voor zijn individuele AOW-gerechtigde leeftijd vier dagen per week te gaan werken. Om dit te realiseren is er een koopdagensystematiek waarbij als uitgangspunt geldt: 100% dienstverband en 100% pensioenpremieheffing en pensioenopbouw.
De 4 daagse werkweek kan gerealiseerd worden door middel van spreiding van verlofdagen, feestdagen en roostervrije dagen, aanwending van duurzame inzetbaarheidsdagen, het persoonlijk budget en dagen tegen evenredige inlevering van loon waarbij de prijs van een dag 8 maal het vast overeengekomen uurloon is vermeerderd met 8% vakantietoeslag en 3,5% uitkering. Voor de berekening van het vast overeengekomen uurloon bij een maandbetaling wordt het maandinkomen op basis van een fulltime dienstverband gedeeld door 173,33. Voor de berekening van het vast overeengekomen uurloon bij een 4-wekenbetaling wordt het periode inkomen op basis van een fulltime dienstverband gedeeld door 160.
Voor de werknemer in voltijd arbeid betekent gebruikmaking van deze koopdagenregeling dat de werknemer voor alle arbeidsvoorwaarden in deze CAO als voltijd werknemer wordt beschouwd.
Voor de werknemer in deeltijd arbeid geldt dat hij naar rato van zijn contractueel overeengekomen deeltijdpercentage aanspraak behoudt op alle arbeidsvoorwaarden uit deze CAO.
Werknemer kan het persoonlijk budget als financieringsbron gebruiken om te komen tot een 4-daagse werkweek. Wanneer werknemer het persoonlijk budget (1.c van dit artikel) als financieringsbron inzet om te komen tot een 4 daagse werkweek is de bijdrage van werkgever bij een maximaal persoonlijk budget 5 roostervrije dagen, in plaats van de maximale bijdrage van € 500 als bedoeld in lid 1 onder d.
Wanneer een werknemer 10 dagen (duurzame inzetbaarheidsdagen, maximaal 5 bovenwettelijke vakantiedagen of maximaal 5 roostervrije dagen) inlegt om te komen tot een 4 daagse werkweek – via het persoonlijk budget dan wel rechtstreeks in het jaarrooster – dan bedraagt de bijdrage van de werkgever bij deze maximale inleg door de werknemer 5 roostervrije dagen.
Indien werknemer gebruik maakt van de mogelijkheid van de 4 daagse werkweek, wordt voor 1 januari van het betreffende jaar het rooster door werkgever in overleg met werknemer vastgesteld. De dagen die uitgeroosterd worden zijn roostervrije dagen (bij arbeidsongeschiktheid is er geen recht om de roostervrije dag op een ander moment in te zetten).
Bij langdurige arbeidsongeschiktheid kan de werknemer zijn deelname aan de koopdagenregeling stopzetten in het tweede jaar van arbeidsongeschiktheid.
4. 3-daagse werkweek
Werknemer verkrijgt het recht om, in het kader van Duurzame Inzetbaarheid, gedurende maximaal 24 of 36 maanden voor zijn individuele AOW-gerechtigde leeftijd drie dagen per week te gaan werken. Om dit te realiseren is er een koopdagensystematiek waarbij als uitgangspunt geldt: 100% dienstverband en 100% pensioenpremieheffing en pensioenopbouw.
De werknemer heeft de keuze om 36 maanden of 24 maanden voor zijn individuele AOW-gerechtigde leeftijd drie dagen per week te gaan werken.
Als voorwaarde voor deelname aan deze regeling geldt dat hij/zij:
• tenminste 10 jaar werkzaam is binnen de betonproductenindustrie;
• een fysiek zware functie vervult, die valt onder bijlage 1A van de cao (productiepersoneel);
• geboren is voor 1 januari 1963;
• minimaal 3 maanden voorafgaand aan de start van de 3-daagse werkweek aangeeft dat hij/zij gebruik wenst te maken van de regeling.
Als aanvullende eis voor deelname geldt dat werknemer naast de 3-daagse werkweek geen werkzaamheden gaat verrichten bij een andere werkgever, ook niet als zelfstandig ondernemer, tenzij er sprake is van vrijwilligerswerk.
Om de 3-daagse werkweek te realiseren dient de werknemer 52 dagen per jaar te kopen tegen ongeveer 20% van zijn inkomen. Hij/zij koopt de dagen tegen evenredige inlevering van loon waarbij de prijs van een dag 8 maal het vast overeengekomen uurloon is vermeerderd met 8% vakantietoeslag en 3,5% uitkering. Voor de berekening van het vast overeengekomen uurloon bij een maandbetaling wordt het maandinkomen op basis van een fulltime dienstverband gedeeld door 173,33. Voor de berekening van het vast overeengekomen uurloon bij een 4-wekenbetaling wordt het periode inkomen op basis van een fulltime dienstverband gedeeld door 160.
Het aantal koopdagen dat de werknemer dan nog te kort komt om het jaar rond te roosteren – gemiddeld 18 koopdagen op jaarbasis – wordt bij de keuze voor de 3-daagse werkweek als volgt gefinancierd:
• als hij vanaf 36 maanden voor AOW gebruik gaat maken van de regeling: 1/2 werkgever – 1/2 werknemer
• als hij vanaf 24 maanden voor AOW gebruik gaat maken van de regeling: 2/3 werkgever – 1/3 werknemer
Werknemers die geboren zijn voor 1 januari 1963 en het voornemen kenbaar maken gebruik te willen maken van de 3-daagse werkweek mogen, onder verwijzing naar bijlage V artikel 3 lid 7 jaarlijks maximaal 10 dagen (76 uur) sparen tot een maximum van 50 dagen (380 uren).
1. Ter bevordering van een juiste en eenvormige toepassing van het gestelde in deze overeenkomst en ter voorkoming van geschillen omtrent uitlegging en toepassing daarvan, wordt ingesteld een Vaste Commissie, bestaande uit 6 leden. De leden, en voor elk hunner één plaatsvervanger, worden aangewezen voor de duur dezer overeenkomst en wel drie leden door de Bond van Fabrikanten van Betonproducten in Nederland (BFBN) en drie leden door de vakverenigingen.
2. Alle geschillen, welke tussen werkgevers en werknemers in de betonproductenindustrie ontstaan, naar aanleiding van het bepaalde in deze overeenkomst, worden ter beslechting aan de Vaste Commissie voorgelegd. De Vaste Commissie brengt ter zake van het geschil een voor partijen advies uit. Het advies is bindend als beide partijen in het geschil hierom hebben verzocht. De Vaste Commissie bepaalt bij haar uitspraak de kosten van haarzelve en die van de partijen bij het geschil, alsmede door welke partij of in welke verhouding door partijen die kosten zullen worden gedragen.
3. De Vaste Commissie regelt haar eigen werkwijze. Tevens is een en ander nader uitgewerkt in Bijlage VI Reglement van de Vaste Commissie.
Rechten voortvloeiend uit bepalingen van eerdere collectieve arbeidsovereenkomsten komen met de inwerkingtreding van deze collectieve arbeidsovereenkomst te vervallen. In plaats daarvan gelden de rechten voortvloeiend uit de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst. De huidige collectieve arbeidsovereenkomst heeft, voor zover deze mindere aanspraken geeft, voorrang op de voorgaande collectieve arbeidsovereenkomst(en).
Voor de werknemer reeds bestaande gunstiger bepalingen, die niet uit een eerdere collectieve arbeidsovereenkomst voortvloeien, worden door deze overeenkomst niet aangetast.
Als bedoeld in artikel 7 lid 1 b van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de betonproductenindustrie
Groepsindelingen
Groep I
Het verrichten van zeer eenvoudige, steeds wederkerende werkzaamheden van hetzelfde karakter, waarvoor geen praktijkervaring noodzakelijk is. Het werk wordt onder directe leiding uitgevoerd.
Voorbeelden
Eenvoudig schoonmaakwerk
Eenvoudig kantinewerk
(Van deze voorbeelden zijn geen omschrijvingen opgenomen)
Groep II
Het uitvoeren van eenvoudige, regelmatige wederkerende werkzaamheden waarvoor een geringe praktijkervaring verlangd wordt. Het werk wordt onder leiding uitgevoerd.
Voorbeelden
Terreincorveeër
Fabriekscorveeër
Vlechter (eenvoudig werk)
Afwerker (eenvoudig werk)
Weger grondstoffen
Groep III
Het verrichten van werkzaamheden waarvoor enige theoretische kennis en enige praktijkervaring nodig zijn. De werkzaamheden worden soms met enige zelfstandigheid uitgevoerd.
Voorbeelden
Weger grondstoffen/hulpstoffen
Molenbaas
Specietransporteur
Heftruckchauffeur
Magazijnbediende (technisch magazijn)
Vlechter algemeen
Betonwerker B
Afwerker
Reparateur
Tractorchauffeur
Groep IV
Het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor enige algemene ontwikkeling, enige theoretische kennis en praktijkervaring noodzakelijk zijn. Een redelijke mate van zelfstandigheid bij de uitvoering wordt verlangd.
Voorbeelden
Betonwerker A
Allround vlechter
Allround reparateur/afwerker
Molenbaas A
Bediener mobiele kraan
Laadschopchauffeur
Smeerder/hulpmonteur
Hulp elektricien
Groep V
Het verrichten van werkzaamheden waarvoor naast een redelijke algemene ontwikkeling, theoretische kennis en enige jaren praktijkervaring gewenst zijn. De werkzaamheden worden met een ruime mate van zelfstandigheid uitgevoerd.
Voorbeelden
Bediener mortelcentrale
Chauffeur vrachtwagen
Meewerkend voorman verlading/expeditie
Electromonteur II
Onderhoudsbankwerker II
Onderhoudsmonteur II
Timmerman
Schilder
Metselaar
Modelmaker
Groep VI
Het uitvoeren van werkzaamheden welke naast theoretische kennis, een ruime algemene ontwikkeling en enige jaren praktijkervaring vragen. Het werk wordt met een vrij grote mate van zelfstandigheid uitgevoerd. In bepaalde gevallen wordt leiding gegeven aan een of meer ondergeschikten.
Voorbeelden
Onderhoudsmonteur
Elektromonteur
Onderhoudsbankwerker
Draaier
Lasser/bankwerker
Meewerkend voorman productie
Meewerkend voorman vlechterij
1e Modelmaker
Groep VII
Het verrichten van werkzaamheden waarvoor een uitgebreide theoretische kennis, ruime algemene ontwikkeling en grote praktijkervaring respectievelijk speciale kennis noodzakelijk zijn. Het werk vraagt een grote mate van zelfstandigheid benevens het ontplooien van initiatief op het eigen werkterrein. In veel gevallen wordt leiding gegeven aan een of meer hiërarchische ondergeschikten.
Voorbeelden
1e Onderhoudsmonteur
1e Elektromonteur
Allround bankwerker
Productiebaas/voorman
Groep I
Het verrichten van zeer eenvoudige, steeds wederkerende werkzaamheden van hetzelfde karakter, waarvoor geen praktijkervaring noodzakelijk is. Het werk wordt onder directe leiding uitgevoerd.
Voorbeelden
Eenvoudig telwerk
Eenvoudig registreerwerk
(Van deze voorbeelden zijn geen omschrijvingen opgenomen)
Groep II
Het uitvoeren van eenvoudige, regelmatige wederkerende werkzaamheden waarvoor een geringe praktijkervaring verlangd wordt. Het werk wordt onder leiding uitgevoerd.
Voorbeelden
Administratief medewerk(st)er F
Groep III
Het verrichten van werkzaamheden waarvoor enige theoretische kennis en enige praktijkervaring nodig zijn. De werkzaamheden worden soms met enige zelfstandigheid uitgevoerd.
Voorbeelden
Administratief medewerk(st)er E
Kwaliteitscontroleur B
Typist(e) (ned.)
Telefonist(e)
Groep IV
Het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor enige algemene ontwikkeling, enige theoretische kennis en praktijkervaring noodzakelijk zijn. Een redelijke mate van zelfstandigheid bij de uitvoering wordt verlangd.
Voorbeelden
Administratief medewerk(st)er D
Kwaliteitscontroleur A
Laborant(e) B
Typist(e) (ned.)
Typist(e)/administratief assistent(e)
Typist(e) (moderne talen)
Telefonist(e)/receptionist(e)
Groep V
Het verrichten van werkzaamheden waarvoor naast een redelijke algemene ontwikkeling, theoretische kennis en enige jaren praktijkervaring gewenst zijn. De werkzaamheden worden met een ruime mate van zelfstandigheid uitgevoerd.
Voorbeelden
Administratief medewerk(st)er C
zoals assistent(e) personeelszaken
assistent(e) salarisadministratie
Laborant(e) A
Administratief medewerk(st)er + 1 moderne taal
Telefonist(e)/receptionist(e)
Voorraadadministrateur (grondstoffen en/of gereed product)
Secretaris / secretaresse B
Groep VI
Het uitvoeren van werkzaamheden welke naast theoretische kennis, een ruime algemene ontwikkeling en enige jaren praktijkervaring vragen. Het werk wordt met een vrij grote mate van zelfstandigheid uitgevoerd. In bepaalde gevallen wordt leiding gegeven aan een of meer ondergeschikten.
Voorbeelden
Assistent(e) export
Assistent(e) voorcalculatie
Administratief medewerk(st)er B
Administrateur B
Facturencontroleur(leuse)
Kassier
Administratief medewerk(st)er (moderne talen)
Tekenaar (werktuigbouw)
Secretaresse A
Groep VII
Het verrichten van werkzaamheden waarvoor een uitgebreide theoretische kennis, ruime algemene ontwikkeling en grote praktijkervaring respectievelijk speciale kennis noodzakelijk zijn. Het werk vraagt een grote mate van zelfstandigheid benevens het ontplooien van initiatief op het eigen werkterrein. In veel gevallen wordt leiding gegeven aan een of meer hiërarchische ondergeschikten.
Voorbeelden
Administratief medewerker(ster) A
Administrateur A
Assistent(e) boekhouding
Medewerk(st)er bedrijfsadministratie
Medewerk(st)er verkoopadministratie
Als bedoeld in artikel 7 lid 1 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Betonproductenindustrie
Schaalindelingen
a. Leeftijdschaal
|
Leeftijd |
% |
|---|---|
|
16 jaar |
60 |
|
17 jaar |
70 |
|
18 jaar |
80 |
|
19 jaar |
90 |
|
20 jaar |
100 |
Aan jeugdige werknemers van 19 jaar en ouder kan, indien zij tijdelijk te werk zijn gesteld ter vervanging van een volwassen werknemer, het schaalsalaris van de betreffende volwassen werknemer worden gegeven, voor zolang deze werkzaamheden worden verricht.
b. Schaalsalaris
De hieronder vermelde bedragen gelden in Euro (€).
Salaristabel A.1
Maandsalaris per 1 januari 2025 (inclusief de verhogingen van 0,84% en 3,5%)
|
Groep |
I |
II |
III |
IV |
V |
VI |
VII |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
0-lijn |
€ 2.494 |
€ 2.500 |
€ 2.556 |
€ 2.628 |
€ 2.696 |
€ 2.777 |
€ 2.855 |
|
Schaal 1 |
€ 2.506 |
€ 2.516 |
€ 2.592 |
€ 2.662 |
€ 2.737 |
€ 2.812 |
€ 2.894 |
|
Schaal 2 |
€ 2.517 |
€ 2.549 |
€ 2.626 |
€ 2.699 |
€ 2.775 |
€ 2.852 |
€ 2.934 |
|
Schaal 3 |
€ 2.530 |
€ 2.584 |
€ 2.660 |
€ 2.739 |
€ 2.810 |
€ 2.891 |
€ 2.971 |
|
Schaal 4 |
€ 2.619 |
€ 2.692 |
€ 2.777 |
€ 2.849 |
€ 2.930 |
€ 3.011 |
|
|
Schaal 5 |
€ 2.810 |
€ 2.888 |
€ 2.968 |
€ 3.053 |
|||
|
Schaal 6 |
€ 3.006 |
€ 3.091 |
|||||
|
maximum |
€ 2.530 |
€ 2.619 |
€ 2.692 |
€ 2.810 |
€ 2.888 |
€ 3.006 |
€ 3.091 |
|
aantal periodieken |
3 |
4 |
4 |
5 |
5 |
6 |
6 |
|
Bij extra periodiek |
Maandsalaris per 1 september 2025 (inclusief de verhoging van 1,5%)
|
Groep |
I |
II |
III |
IV |
V |
VI |
VII |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
0-lijn |
€ 2.531 |
€ 2.538 |
€ 2.594 |
€ 2.667 |
€ 2.736 |
€ 2.819 |
€ 2.898 |
|
Schaal 1 |
€ 2.544 |
€ 2.554 |
€ 2.631 |
€ 2.702 |
€ 2.778 |
€ 2.854 |
€ 2.937 |
|
Schaal 2 |
€ 2.555 |
€ 2.587 |
€ 2.665 |
€ 2.739 |
€ 2.817 |
€ 2.895 |
€ 2.978 |
|
Schaal 3 |
€ 2.568 |
€ 2.623 |
€ 2.700 |
€ 2.780 |
€ 2.852 |
€ 2.934 |
€ 3.016 |
|
Schaal 4 |
€ 2.658 |
€ 2.732 |
€ 2.819 |
€ 2.892 |
€ 2.974 |
€ 3.056 |
|
|
Schaal 5 |
€ 2.852 |
€ 2.931 |
€ 3.013 |
€ 3.099 |
|||
|
Schaal 6 |
€ 3.051 |
€ 3.137 |
|||||
|
maximum |
€ 2.568 |
€ 2.658 |
€ 2.732 |
€ 2.852 |
€ 2.931 |
€ 3.051 |
€ 3.137 |
|
aantal periodieken |
3 |
4 |
4 |
5 |
5 |
6 |
6 |
|
Bij extra periodiek |
€ 2.600 |
€ 2.692 |
€ 2.770 |
€ 2.892 |
€ 2.967 |
€ 3.092 |
€ 3.175 |
Maandsalaris per 1 januari 2026 (inclusief de verhoging van 2%)
|
Groep |
I |
II |
III |
IV |
V |
VI |
VII |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
0-lijn |
€ 2.582 |
€ 2.589 |
€ 2.646 |
€ 2.720 |
€ 2.791 |
€ 2.875 |
€ 2.956 |
|
Schaal 1 |
€ 2.595 |
€ 2.605 |
€ 2.684 |
€ 2.756 |
€ 2.834 |
€ 2.911 |
€ 2.996 |
|
Schaal 2 |
€ 2.606 |
€ 2.639 |
€ 2.718 |
€ 2.794 |
€ 2.873 |
€ 2.953 |
€ 3.038 |
|
Schaal 3 |
€ 2.619 |
€ 2.675 |
€ 2.754 |
€ 2.836 |
€ 2.909 |
€ 2.993 |
€ 3.076 |
|
Schaal 4 |
€ 2.711 |
€ 2.787 |
€ 2.875 |
€ 2.950 |
€ 3.033 |
€ 3.117 |
|
|
Schaal 5 |
€ 2.909 |
€ 2.990 |
€ 3.073 |
€ 3.161 |
|||
|
Schaal 6 |
€ 3.112 |
€ 3.200 |
|||||
|
maximum |
€ 2.619 |
€ 2.711 |
€ 2.787 |
€ 2.909 |
€ 2.990 |
€ 3.112 |
€ 3.200 |
|
aantal periodieken |
3 |
4 |
4 |
5 |
5 |
6 |
6 |
|
Bij extra periodiek |
€ 2.652 |
€ 2.746 |
€ 2.825 |
€ 2.950 |
€ 3.026 |
€ 3.154 |
€ 3.239 |
Salaristabel A.2
4-Wekensalaris per 1 januari 2025 (inclusief de verhogingen van 0,84% en 3,5%)
|
Groep |
I |
II |
III |
IV |
V |
VI |
VII |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
0-lijn |
€ 2.285 |
€ 2.292 |
€ 2.356 |
€ 2.423 |
€ 2.491 |
€ 2.556 |
€ 2.633 |
|
Schaal 1 |
€ 2.296 |
€ 2.323 |
€ 2.388 |
€ 2.459 |
€ 2.526 |
€ 2.597 |
€ 2.670 |
|
Schaal 2 |
€ 2.309 |
€ 2.355 |
€ 2.422 |
€ 2.493 |
€ 2.562 |
€ 2.629 |
€ 2.708 |
|
Schaal 3 |
€ 2.340 |
€ 2.386 |
€ 2.458 |
€ 2.526 |
€ 2.598 |
€ 2.668 |
€ 2.742 |
|
Schaal 4 |
€ 2.418 |
€ 2.490 |
€ 2.562 |
€ 2.632 |
€ 2.706 |
€ 2.780 |
|
|
Schaal 5 |
€ 2.597 |
€ 2.668 |
€ 2.737 |
€ 2.815 |
|||
|
Schaal 6 |
€ 2.775 |
€ 2.851 |
|||||
|
maximum |
€ 2.340 |
€ 2.418 |
€ 2.490 |
€ 2.597 |
€ 2.668 |
€ 2.775 |
€ 2.851 |
|
aantal periodieken |
3 |
4 |
4 |
5 |
5 |
6 |
6 |
|
Bij extra periodiek |
€ 2.368 |
€ 2.454 |
€ 2.522 |
€ 2.628 |
€ 2.705 |
€ 2.809 |
€ 2.888 |
4-Wekensalaris per 1 september 2025 (inclusief de verhoging van 1,5%)
|
Groep |
I |
II |
III |
IV |
V |
VI |
VII |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
0-lijn |
€ 2.319 |
€ 2.326 |
€ 2.391 |
€ 2.459 |
€ 2.528 |
€ 2.594 |
€ 2.672 |
|
Schaal 1 |
€ 2.330 |
€ 2.358 |
€ 2.424 |
€ 2.496 |
€ 2.564 |
€ 2.636 |
€ 2.710 |
|
Schaal 2 |
€ 2.344 |
€ 2.390 |
€ 2.458 |
€ 2.530 |
€ 2.600 |
€ 2.668 |
€ 2.749 |
|
Schaal 3 |
€ 2.375 |
€ 2.422 |
€ 2.495 |
€ 2.564 |
€ 2.637 |
€ 2.708 |
€ 2.783 |
|
Schaal 4 |
€ 2.454 |
€ 2.527 |
€ 2.600 |
€ 2.671 |
€ 2.747 |
€ 2.822 |
|
|
Schaal 5 |
€ 2.636 |
€ 2.708 |
€ 2.778 |
€ 2.857 |
|||
|
Schaal 6 |
€ 2.817 |
€ 2.894 |
|||||
|
maximum |
€ 2.375 |
€ 2.454 |
€ 2.527 |
€ 2.636 |
€ 2.708 |
€ 2.817 |
€ 2.894 |
|
aantal periodieken |
3 |
4 |
4 |
5 |
5 |
6 |
6 |
|
Bij extra periodiek |
€ 2.404 |
€ 2.491 |
€ 2.560 |
€ 2.667 |
€ 2.746 |
€ 2.851 |
€ 2.931 |
4-Wekensalaris per 1 januari 2026 (inclusief de verhoging van 2%)
|
Groep |
I |
II |
III |
IV |
V |
VI |
VII |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
0-lijn |
€ 2.365 |
€ 2.373 |
€ 2.439 |
€ 2.508 |
€ 2.579 |
€ 2.646 |
€ 2.725 |
|
Schaal 1 |
€ 2.377 |
€ 2.405 |
€ 2.472 |
€ 2.546 |
€ 2.615 |
€ 2.689 |
€ 2.764 |
|
Schaal 2 |
€ 2.391 |
€ 2.438 |
€ 2.507 |
€ 2.581 |
€ 2.652 |
€ 2.721 |
€ 2.804 |
|
Schaal 3 |
€ 2.423 |
€ 2.470 |
€ 2.545 |
€ 2.615 |
€ 2.690 |
€ 2.762 |
€ 2.839 |
|
Schaal 4 |
€ 2.503 |
€ 2.578 |
€ 2.652 |
€ 2.724 |
€ 2.802 |
€ 2.878 |
|
|
Schaal 5 |
€ 2.689 |
€ 2.762 |
€ 2.834 |
€ 2.914 |
|||
|
Schaal 6 |
€ 2.873 |
€ 2.952 |
|||||
|
maximum |
€ 2.423 |
€ 2.503 |
€ 2.578 |
€ 2.689 |
€ 2.762 |
€ 2.873 |
€ 2.952 |
|
aantal periodieken |
3 |
4 |
4 |
5 |
5 |
6 |
6 |
|
Bij extra periodiek |
€ 2.452 |
€ 2.541 |
€ 2.611 |
€ 2.720 |
€ 2.801 |
€ 2.908 |
€ 2.990 |
c. Aan jeugdige werknemers zullen niet te zware werkzaamheden worden opgedragen.
d. Voor de arbeidsongeschikte werknemers kan onder voorafgaande mededeling aan de vakvereniging en na advies van de arbeidskundige van het UWV door de werkgever een lager schaalsalaris worden vastgesteld dan het voor de betreffende functie geldende schaalsalaris.
e. Salarisaanpassing
Per 1 januari 2025 wordt een structurele salarisverhoging van 0,84% toegekend. Dit komt in plaats van de twee extra (bovenwettelijke) verlofdagen waar de werknemer in 2024 recht op had als tijdelijke extra arbeidsvoorwaardelijke verbetering. Deze structurele salarisverhoging van 0,84% geldt niet als de werkgever de twee extra verlofdagen al voor 1 januari 2025 op basis van de cao voor de Betonproductenindustrie 2024 had omgezet in een structurele salarisverhoging. Deze verhoging van 0,84% is in de salaristabellen van artikel 1 sub b verwerkt.
Vervolgens worden worden de schaalsalarissen en de feitelijke salarissen per 1 januari 2025 verhoogd met 3,5%.
Per 1 september 2025 worden de schaalsalarissen en de feitelijke salarissen verhoogd met 1,5%.
Per 1 januari 2026 worden de schaalsalarissen en de feitelijke salarissen verhoogd met 2%.
f. Eenmalige uitkering
De werknemer die op 1 januari 2024 in dienst was en op 1 januari 2025 nog steeds in dienst is, ontvangt in 2025 een eenmalige uitkering van 50 euro bruto. De deeltijdwerknemer ontvangt deze uitkering naar rato.
g. Extra periodiek
Werknemers die na 10 jaar dienstverband en op het maximum van de salarisschaal van hun functiegroep worden beloond, ontvangen een extra periodiek.
Voor werknemers die na 10 jaar dienstverband een salaris verdienen dat ligt tussen het maximum van de salarisschaal van hun functiegroep en het maximum verhoogd met een periodiek, wordt het feitelijke salaris verhoogd tot het bedrag dat overeenkomt met het maximum van die schaal verhoogd met één periodiek.
h. Wettelijk minimum(jeugd)loon
De werknemer heeft altijd minimaal recht op het wettelijk minimum(jeugd)uurloon.
Als het salaris van de werknemer op basis van een van de tabellen in deze bijlage uitkomt onder het wettelijk minimum(jeugd)loon, heeft de werknemer recht op betaling van het wettelijk minimum(jeugd)loon.
De cao voor de betonproductenindustrie gaat voor de berekening van het maandsalaris in de tabellen in artikel 1 sub b standaard uit van 260 werkbare dagen per jaar en 173,33 uur per maand. Of dit maandsalaris aan het wettelijk minimum(jeugd)loon voldoet, dient getoetst te worden op basis van het aantal werkbare uren in de desbetreffende maand. Het uit te betalen maandsalaris dient minimaal gelijk te zijn aan 1/12 deel van het aantal werkbare dagen per jaar (in 2025 en 2026: 261 dagen) maal 8 uur per dag maal het wettelijk minimum(jeugd)uurloon. Als de tabel in artikel 1 sub b een lager maandsalaris aangeeft, dient de uitkomst van deze berekening als maandsalaris te worden betaald.
a. Vergoeding voor eigen vervoermiddel
1. Indien de arbeid verricht moet worden op een bedrijf, zal indien bij het zich naar en van het bedrijf begeven door de werknemer gebruik moet worden gemaakt van een eigen vervoermiddel, hem door de werkgever € 0,23 per kilometer over maximaal 30 kilometer enkele reis per dag (over maximaal 60 kilometer voor de heen én terugreis). De reisafstand tussen de woning van de werknemer en het bedrijfskantoor casu quo de plaats waar hij zijn werkzaamheden verricht (indien deze niet bij het eigenlijk bedrijfsterrein ligt) wordt gemeten door de werkgever, langs de kortste weg.
2. Indien naar het oordeel van de werkgever door de werknemer gebruik moet worden gemaakt van een openbaar middel van vervoer, zal het daaruit voortvloeiende bedrag aan reiskosten (tweede klasse) voor rekening van de werkgever komen.
b. Vergoeding werkschoeisel
Voor zover de werkgever geen werkschoeisel ter beschikking stelt (bijv. laarzen of klompen), ontvangt de werknemer voor het gebruik van eigen werkschoeisel voor elke dag dat dit gebruik door de werkgever voor het werk noodzakelijk wordt geacht een vergoeding van € 0,14.
c. Diplomatoeslag BHVers
Een gediplomeerde bedrijfshulpverlener (BHVer) ontvangt een vergoeding van € 50,– bruto per jaar.
1. Aan iedere werknemer wordt schriftelijk mededeling gedaan van de functie, waarin hij is aangesteld en van de functiegroep waarin die functie is ingedeeld.
2. Indien een werknemer gegronde bezwaren heeft tegen de beschrijving van de functie waarin hij is aangesteld respectievelijk tegen zijn indeling, dient hij eerst te streven naar een oplossing van het bezwaar langs de normale weg binnen de onderneming.
3. Indien langs de in lid 2 aangegeven weg niet binnen twee maanden een bevredigende oplossing wordt verkregen, kan de werknemer zijn bezwaar voorleggen aan de vakorganisatie waarbij hij is aangesloten, dan wel aan de Vaste Commissie indien de werknemer niet bij een vakorganisatie is aangesloten.
In overleg met de betrokken werknemer kan het bezwaar worden voorgelegd aan de vakorganisatiedeskundigen. Deze nemen de klacht in behandeling en stellen een onderzoek in, waarbij deskundigen namens het bedrijf aanwezig zijn.
4. De uitspraak van de deskundigen is bindend als zowel werknemers als werkgever hierom hebben verzocht.
Behorende bij de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Betonproductenindustrie
Regeling kwalificatieplichtigen
a. Voor een werknemer, die een kwalificatieplicht heeft, geldt dat de in de cao vastgestelde normale werktijd voor hem naar evenredigheid wordt verminderd met het aantal uren, waarop hij aan de verplichtingen van de kwalificatieplicht voldoet.
b. Over de tijd, waarop een werknemer ter vervulling van zijn wettelijke kwalificatieplicht een onderwijsinstelling moet bezoeken, is geen salaris verschuldigd en geldt dat het in de cao vastgestelde salaris voor hem naar evenredigheid wordt verminderd.
c. Over de tijd, waarop een werknemer ter vervulling van zijn wettelijke kwalificatieplicht onderricht volgt waartoe hij krachtens de wet door de werkgever in de gelegenheid moet worden gesteld, verwerft betrokkene aanspraak op vakantie.
d. Op de dag waarop een werknemer een onderwijsinstelling bezoekt of zou hebben moeten bezoeken of van die instelling vakantie geniet, kan hij niet verplicht worden in de onderneming werkzaam te zijn.
e. Ingeval een werknemer toch op een van de in d bedoelde dagen vrijwillig arbeid verricht, zal hij daarvoor het normale voor een dag geldende salaris ontvangen (zonder overwerktoeslag). Pas als de voor die dag in de onderneming volgens dienstrooster geldende arbeidstijd wordt overschreden gaat de dan geldende overwerktoeslag in.
Het werken op en zgn. schooldag of een schoolvakantiedag brengt geen wijziging in het berekende aantal vakantiedagen, zoals bepaald in c.
Behorende bij de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Betonproductenindustrie
Uitvoeringsbesluit Verlofsparen
(behorende bij artikel 12 lid 12)
cao voor de betonproductenindustrie.
de werknemer als bedoeld in artikel 1 van de cao
door de werknemer vrijwillig gespaarde verlofuren bedoeld voor een, met instandhouding van de arbeidsovereenkomst, onderbreking van de arbeid met behoud van salaris.
verlofuren met behoud van salaris op basis van artikel 12 lid 2 van de cao.
het aantal verlofuren per jaar minus het minimum aantal verlofuren bedoeld in artikel 7.634 van het Burgerlijk Wetboek
1. Deze regeling heeft ten doel de werknemer de mogelijkheid te bieden om tijd te sparen voor langdurig verlof, tijdens het bestaan van de dienstbetrekking, in één of meer volgende kalenderjaren.
2. Aanspraken kunnen niet worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid worden.
3. De regeling staat open voor tenminste driekwart van de werknemers die tot de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staan of geacht worden te staan.
1. De werknemer kan op vrijwillige basis tijd sparen.
2. Opbouw van de gespaarde tijd vindt plaats op basis van uren.
3. Het aantal uren dat een werknemer kan sparen is afhankelijk van de aanspraak van de werknemer en betreft ten hoogste zijn:
Bovenwettelijke verlofuren, met een maximum van 38 per jaar, voor zover deze niet in overleg met de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging zijn aangewezen voor collectief verlof.
4. De werknemer die gebruik wil maken van de verlofregeling dient hiertoe schriftelijk en onder vermelding van het aantal uren vòòr 1 december van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarover hij uren wil sparen, bij de werkgever een verzoek in.
5. De werkgever stemt in met het verzoek van de werknemer, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Indien de werkgever geen instemming verleent deelt hij dit schriftelijk en gemotiveerd aan de werknemer mede.
6. Uiterlijk op 10 december van het jaar waarin de verlofrechten in de zin van dit uitvoeringsbesluit zijn ontstaan dient door de werknemer daaraan de bestemming zoals vermeld in artikel 2 lid 1 te worden gegeven.
7. Het maximum te sparen verlof bedraagt 190 uren. Voor werknemers die geboren zijn voor 1 januari 1963 en het voornemen kenbaar maken gebruik te willen maken van de 3-daagse werkweek als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de cao geldt een maximum van 380 uren.
8. De werknemer kan schriftelijk verzoeken de tegenwaarde in geld van het spaartegoed in tijd te registreren.
1. De gespaarde tijd verjaart niet.
2. Een gespaard uur geeft recht op:
− een uur verlof in één van de volgende kalenderjaren, onverminderd het bepaalde in artikel 7. Wijziging van de omvang van het dienstverband heeft hierop geen invloed.
− een bedrag in de tegenwaarde in geld van een uur op het moment van uitkering.
3. Bij beëindiging van het dienstverband en bij overlijden zal de tegenwaarde in geld van het spaartegoed in tijd aan de werknemer respectievelijk de nagelaten betrekkingen worden uitgekeerd. Voor de bepaling van de hoogte van het uit te keren bedrag zal in deze gevallen worden uitgegaan van de waarde van het uurloon zoals dat geldt op het tijdstip van uitkering.
1. De werkgever is verantwoordelijk voor een adequate administratie van de gespaarde uren. De administratie van gespaarde uren wordt gescheiden gehouden van de andere verlofadministraties.
2. De werkgever zal op de balans de tegenwaarde in geld van de gespaarde uren als verplichting opnemen. Voor de berekening van de hoogte van deze verplichting zal per gespaard uur worden uitgegaan van een waarde van het uurloon per ultimo van enig jaar.
3. De werknemer krijgt eenmaal per jaar een schriftelijke bevestiging van het aantal uren dat hij in het vorige kalenderjaar heeft gespaard.
4. De werkgever zal zorgdragen voor inhouding en afdrachten ingevolge de wettelijke regelingen.
1. Het verzoek tot opname van gespaard verlof dient ten minste
– een maand voor de opname tot 38 uren en
– twee maanden voor de opname van 38 tot 76 uren en
– drie maanden voor de opname boven de 76 uren
voorafgaand aan het verlof schriftelijk bij de werkgever te worden ingediend.
Hierbij geeft de werknemer exact aan in welke periode hij het verlof wil opnemen.
2. De werkgever stemt in met het verlof tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
3. De werkgever deelt de werknemer binnen een maand nadat deze het verzoek heeft ingediend schriftelijk mede dat hij instemt met het verzoek tot opname dan wel dat hij dit verzoek afwijst. In geval de werkgever het verzoek afwijst dient de afwijzing vergezeld te gaan van een motivering. Tevens treedt de werkgever met de werknemer in overleg met het oog op het bepalen van een alternatief tijdstip voor opname van het verlof.
1. De werknemer zal in beginsel zijn gespaarde uren opnemen gedurende een aaneengesloten periode.
2. Per kalenderjaar kan één maal verlof op basis van gespaarde uren worden opgenomen.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de dienstbetrekking wordt beëindigd.
1. De werkgever kan verleend verlof intrekken indien dringende redenen van dienstbelang dit noodzakelijk maken.
2. Indien de werknemer hierdoor aantoonbare schade lijdt wordt deze hem vergoed.
Bij arbeidsongeschiktheid gedurende de periode waarin het verlof wordt genoten, worden de gespaarde uren niet op het tegoed in mindering gebracht.
Indien zich een geschil voordoet over de uitleg van een bepaling uit dit uitvoeringsbesluit kunnen partijen de Vaste Commissie genoemd in artikel 22 van de cao verzoeken een uitspraak te doen. Kan één van de partijen zich met deze uitspraak niet verenigen dan kan hij alsnog het geschil ter beslechting voorleggen aan de bevoegde rechter.
Behorende bij de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Betonproductenindustrie
bij het beslechten van geschillen (art. 22 van de cao)
Het secretariaat van de Vaste Commissie is gevestigd te:
Postbus 93050, 2509 AB Den Haag of
Bezuidenhoutseweg 12, 2594 AV Den Haag (bezoekadres).
1. Een verzoek tot het geven van een advies in een gerezen geschil wordt per aangetekend schrijven, voorzien van een toelichting, bevattende de feiten en de omstandigheden, welke tot het geschil aanleiding hebben gegeven, het artikel (de artikelen) der cao, waarop een beroep wordt gedaan en van de conclusie, welke daaruit naar de mening van de eisende partij getrokken moet worden en de beslissing, welke op grond daarvan van de Commissie wordt gevraagd, bij het secretariaat ingediend. In het verzoek dient de volledige naam en het adres van de wederpartij in het geschil te worden vermeld.
2. Het secretariaat zendt terstond een exemplaar van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde stukken aan de leden en plaatsvervangende leden der Commissie, alsmede per aangetekend schrijven aan de wederpartij in het geschil.
3. De wederpartij is bevoegd binnen 14 dagen na ontvangst der in lid 2 bedoelde stukken zijn zienswijze schriftelijk ter kennis te brengen van de Commissie door toezending aan het secretariaat.
4. Het secretariaat zendt een exemplaar van het in het vorige lid bedoelde stuk aan de leden en plaatsvervangende leden der Commissie, alsmede per aangetekend schrijven aan de eisende partij.
De Commissie plaatst na de uitwisseling van de stukken, bedoeld in artikel 3, de behandeling van het geschil op de agenda en geeft daarvan, onder vermelding van tijd en plaats van de behandeling per aangetekend schrijven, kennis aan partijen net de mededeling, dat zij het recht hebben aldaar te verschijnen, desgewenst met mede brenging van getuigen of deskundigen, teneinde nadere toelichting te geven. De in de vorige zinsnede bedoelde kennisgeving geschiedt tenminste 14 dagen voor de zitting, waarop het geschil zal worden behandeld.
De Commissie kan, indien zij daartoe op grond van de in artikel 3 bedoelde stukken of van hetgeen door partijen, getuigen of deskundigen bij de mondelinge behandeling is verklaard, aanleiding vindt, partijen, getuigen of deskundigen voor het geven van nadere inlichtingen oproepen. Een dergelijke oproeping geschiedt tenminste 14 dagen voor de zitting, per aangetekend schrijven.
Partijen zijn bevoegd alle zittingen, het tussen hen aanhangige geschil betreffende, bij te wonen en van alle stukken, het tussen hen aanhangige geschil betreffende, uitgezonderd de notulen gemaakt van de in raadkamer gehouden besprekingen, kennis te nemen. Tussentijdse en eindbeslissingen worden door de Commissie in raadkamer genomen.
De leden der Commissie zijn ten aanzien van in raadkamer gehouden besprekingen tot geheimhouding verplicht.
De Commissie is slechts bevoegd beslissingen te nemen als zowel van werkgevers als werknemerszijde ten minste één lid aanwezig is. Voor het geval, dat het aantal aanwezige werkgeversleden afwijkt van het aantal aanwezige werknemersleden, brengt elk werkgeverslid evenveel stemmen uit als het aantal der aanwezige werknemersleden en elk werknemerslid evenveel stemmen als het aantal aanwezige werkgeversleden. De Commissie neemt haar beslissingen met gewone meerderheid van stemmen en slaat daarbij slechts acht op de feiten, welke te harer kennis zijn gekomen uit de in artikel 3 bedoelde stukken en de door partijen, getuigen en deskundigen bij de mondelinge behandeling gedane verklaringen of overgelegde stukken.
De leden der Commissie handelen als goede mannen naar billijkheid.
Een lid van de Commissie, dat verhinderd is een zitting bij te wonen, draagt zorg voor de aanwezigheid van zijn plaatsvervanger.
De in dit reglement genoemde termijnen zijn niet fataal, met dien verstande, dat de Commissie, indien zij van oordeel is, dat de belangen van partijen daardoor niet worden geschaad, afwijking daarvan kan goedkeuren.
Partijen kunnen zich bij de Commissie door gemachtigden doen vertegenwoordigen. Indien één der Commissieleden als partij, getuige of deskundige bij een geschil betrokken is, mag hij aan de behandeling daarvan niet deelnemen.
De Commissie neemt haar beslissing zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een maand, na de laatste voor partijen toegankelijke zitting. De beslissing wordt ondertekend door een lid van werkgevers- en een lid van werknemerszijde, onder wie de voorzitter en per aangetekend schrijven, in afschrift ter kennis gebracht van partijen bij het geschil.
De Commissie bepaalt bij haar uitspraak het bedrag van de kosten, zowel van de Commissie als van partijen, alsmede door welke partij of in welke verhouding door partijen die kosten zullen worden gedragen.
Onder kosten van partijen worden niet begrepen de kosten van eventuele rechtskundige bijstand.
Behorende bij de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Betonproductenindustrie
Tabellen
|
Omschrijving |
in % van het schaalsalaris |
In % |
|---|---|---|
|
Ploegentoeslag |
per uur |
per maand |
|
– ochtenddienst (9.2a) |
0,0435 |
7,6 |
|
– middagdienst (9.2a) |
0,087 |
15,1 |
|
– nachtdienst (9.2b) |
0,145 |
25,1 |
|
Zaterdagtoeslag – 0–12 uur (9.2d) |
per uur 0,29 |
per uur 50 |
|
Tijd + Toeslag Overwerk |
per uur |
per uur |
|
– overige uren (9.4c) |
0,87 |
150 |
|
– zaterdag/zondag/feestdag (9.4c) |
1,16 |
200 |
|
– oproep per keer (9.4d) |
per oproep 0,725 |
|
|
Consignatietoeslag (9.5a) |
per dag |
|
|
– maandag t/m vrijdag |
1,0 |
|
|
– zaterdag/zondag |
2,0 |
|
|
– feestdagen |
2,5 |
|
|
Toeslag per uur niet in ploegendienst gewerkte uren tussen 05.00 en 06.00 uur en/of tussen 18.00 en 23.00 uur (9.3a) |
per uur 0,116 |
per maand 20,1 |
|
Omschrijving |
In % van het schaalsalaris |
In % |
|---|---|---|
|
Ploegentoeslag |
per uur |
per periode |
|
– ochtendienst (9.2a) |
0,04725 |
7,6 |
|
– middagdienst (9.2a) |
0,0945 |
15,1 |
|
– nachtdienst (9.2b) |
0,1575 |
25,1 |
|
Zaterdagtoeslag – 0–12 uur (9.2d) |
per uur 0,315 |
per uur 50 |
|
Tijd + Toeslag Overwerk |
per uur |
per uur |
|
– overige uren (9.4c) |
0,945 |
150 |
|
– zaterdag/zondag/feestdag (9.4c) |
1,260 |
200 |
|
– oproep per keer (9.4d) |
per oproep 0,7875 |
|
|
Consignatietoeslag (9.5a) |
per dag |
|
|
– maandag t/m vrijdag |
1,08 |
|
|
– zaterdag/zondag |
2,16 |
|
|
– feestdagen |
2,70 |
|
|
Toeslag per uur niet in ploegendienst gewerkte uren tussen 05.00 en 06.00 uur en/of tussen 18.00 en 23.00 uur (9.3a) |
per uur 0,126 |
per periode 20,1 |
Tabel 3 ex artikel 12
|
Duur van de vakantie |
Dagen |
Uren |
|---|---|---|
|
Vakantie |
||
|
– vakantierecht |
25 |
190 |
|
Extra jeugdigen |
||
|
– 16 jaar |
3 |
22,8 |
|
– 17 jaar |
2 |
15,2 |
|
– 18 jaar |
1 |
7,6 |
De in dictum I opgenomen bepalingen zijn algemeen verbindend verklaard tot en met 30 juni 2026.
Voor zover de in dictum I opgenomen bepalingen strijdig zijn met bij of krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen.
Dit betekent in het licht van de gelijke behandelingswetgeving dat ten aanzien van bepalingen waarin onderscheid wordt gemaakt terwijl daarvoor een objectieve rechtvaardiging vereist is, partijen in de uitvoeringspraktijk moeten zorgen voor een legitiem doel waarbij de ingezette middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
Voor gewijzigde wet- en regelgeving door de inwerkingtreding van de Wet invoering minimumuurloon per 1 januari 2024 geldt ook dat bij strijdigheid genoemde gewijzigde wet- en regelgeving prevaleert zoals de regelen in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent onder andere dat indien de salarisbedragen lager zijn dan het wettelijk minimum(uur)loon, de wettelijke bedragen van toepassing zijn en dat in de loonopgave ook melding gemaakt moet worden van het voor desbetreffende werknemer van toepassing zijnde minimumuurloon.
Voor zover in de in dictum I opgenomen bepalingen wordt verwezen naar informatie die gepubliceerd is op een website, geldt dat de informatie zoals opgenomen op die website geen onderdeel uit maakt van dit besluit tot algemeenverbindendverklaring. Deze informatie wordt aangemerkt als toepassingspraktijk van cao-bepalingen, zoals bedoeld in paragraaf 3.1. van het Toetsingskader AVV. De inhoud van deze informatie valt niet onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Uitgezonderd zijn de verwijzingen die wettelijk zijn toegestaan.
Op grond van een daartoe strekkend verzoek van cao-partijen is dit besluit niet van toepassing op Eternit B.V.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-12515.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.