Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken | Staatscourant 2025, 11682 | overige overheidsinformatie |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken | Staatscourant 2025, 11682 | overige overheidsinformatie |
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
Gelet op artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies en artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit houdende benoeming- en vergoeding van van leden van de Adviescommissie MOOI;
Besluit:
1. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor de voorzitter van de adviescommissie MOOI 2022 vastgesteld op 0,0456.
2. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer dr. S. Barth, te Oldenburg (Duitsland), van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0092.
3. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ir. B.H. van Hemert, te Amersfoort, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0412.
4. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ir. F.J.L. van Hulle, te Herent (België), van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0092.
5. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ing. B. Hoefakker, te Kesteren, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0092.
6. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer drs. H.P.G.M. den Rooijen, te Broadstairs (Verenigd Koninkrijk), van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0092.
7. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer em. prof. ir. D.F. Sijmons, te Amsterdam, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0092.
8. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer drs. J.P. Baarsma, te Zwolle, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0483.
9. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ir. G.F. Bakema, te Diepenveen, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0548.
10. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw ir. J. Cace, te Ouderkerk aan de Amstel, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0190.
11. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw ir. I.A. Elema, te Lisse, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0190.
12. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer prof. dr. H. Olff, te Eelde, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0190.
13. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw L.C. Ouillet MSc, te Utrecht, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0499.
14. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer prof. dr. R. Schlatmann, te Berlijn (Duitsland), van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0190.
15. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ir. J. van Bael, te Westerlo (België), van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0521.
16. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer dr. ir. A.C. Boerstra, te Rotterdam, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0521.
17. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ing. E.R.S. Groot MBA, te Alkmaar, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0819.
18. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer J.F.P.G. Kerdel, te Genderen, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0521.
19. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw ir. L.J.W.M. Krosse, te Wageningen, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0184.
20. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer prof. dr. ir. J.J.N. Lichtenberg, te Sterksel, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0521.
21. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw M. Rutten, te Leerdam, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0521.
22. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer dr. ir. G.J. Schaeffer, te Tilburg, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0532.
23. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer P.R. van Alphen, te Den Haag, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0407.
24. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw prof. dr. H.C. de Coninck, te Ooij, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0342.
25. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ir. F.C.A.A. van Eijk, te Naarden, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0407.
26. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw I.P.J. von Harras, te Goes, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0401.
27. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer dr. ir. F.P.J.M. Kerkhof, te Heemstede, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0407.
28. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ir. J. Koning, te Keerbergen (België), van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0000.
29. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw prof. dr. mr. S.A.C.M. Lavrijssen, te Oisterwijk, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0396.
30. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer dr. J. Maat, te Monster, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0407.
31. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer drs. J.P. van der Meer, te Hilvarenbeek, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0700.
32. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ir. H.C.E. Schreurs, te Limbricht, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0407.
33. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ir. J.L. Weishut MBA, te Hilversum, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0000.
34. Voor de periode 2020–2021 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw B.E.M. Zuiderwijk MSc, te Utrecht, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0000.
1. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor de voorzitter van de adviescommissie MOOI 2022 vastgesteld op 0,0319.
2. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ir. B.H. van Hemert, te Amersfoort, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0371.
3. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer em. prof. ir. D.F. Sijmons, te Amsterdam, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0120.
4. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer drs. J.P. Baarsma, te Zwolle, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0371.
5. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ir. G.F. Bakema, te Diepenveen, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0371.
6. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw ir. J. Cace, te Ouderkerk aan de Amstel, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0365.
7. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw L.C. Ouillet MSc, te Utrecht, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0371.
8. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ir. J. van Bael, te Westerlo (België), van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0493.
9. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer dr. ir. A.C. Boerstra, te Rotterdam, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0000.
10. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ing. E.R.S. Groot MBA, te Alkmaar, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0371.
11. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer J.F.P.G. Kerdel, te Genderen, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0493.
12. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw ir. L.J.W.M. Krosse, te Wageningen, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0488.
13. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer prof. dr. ir. J.J.N. Lichtenberg, te Sterksel, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0499.
14. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw M. Rutten, te Leerdam, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0505.
15. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer dr. ir. G.J. Schaeffer, te Tilburg, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0482.
16. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer P.R. van Alphen, te Den Haag, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0355.
17. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw prof. dr. H.C. de Coninck, te Ooij, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0144.
18. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ir. F.C.A.A. van Eijk, te Naarden, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0331.
19. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw I.P.J. von Harras, te Goes, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0198.
20. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer dr. ir. F.P.J.M. Kerkhof, te Heemstede, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0355.
21. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ir. J. Koning, te Keerbergen (België), van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0355.
22. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid de heer ir. D. Jansen, te Alkmaar, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0355.
23. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw N. Homan, te Engelbert, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0343.
24. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw prof. ir. E.S.M. Nelissen, te Eindhoven, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0482.
25. Voor de periode 2022–2023 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor het commissielid mevrouw drs. P.C. Jansen, te Noordwijk, van de adviescommissie MOOI vastgesteld op 0,0371.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-11682.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.