Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2025, 11207 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2025, 11207 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);
Gelet op artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet;
Besluit:
De nieuwe tekst van het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 27 december 2010, nr. PDN 2010-012 (Stcrt. 2011, 4458), houdende de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Sneekermeergebied en het Natura 2000-gebied Sneekermeergebied, wordt vastgesteld zoals weergegeven in de bijlage “Aanwijzingsbesluit Sneekermeergebied” bij dit besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Namens deze,
w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk
Plaats: ’s-Gravenhage
Datum: 24 maart 2025
Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, t.a.v. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. de afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE, Zwolle.
Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en
de gronden van bezwaar.
Meer informatie over Natura 2000 en gerelateerde onderwerpen vindt u op de website https://www.rijksoverheid.nl/natura2000. Voor vragen over Natura 2000 kunt u op werkdagen van 8.30 uur tot 16.30 uur contact opnemen met het klantcontactcentrum van RVO, telefoon 088 - 042 42 42 (lokaal tarief).
Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU L 20)1 wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Sneekermeergebied.
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2009/147/EG:
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG:
A040 | Kleine rietgans (Anser brachyrhynchus) |
A041 | Kolgans (Anser albifrons) |
A050 | Smient (Anas penelope) |
A051 | Krakeend (Anas strepera) |
A052 | Wintertaling (Anas crecca) |
A053 | Wilde eend (Anas platyrhynchos) |
A056 | Slobeend (Anas clypeata) |
A125 | Meerkoet (Fulica atra) |
A142 | Kievit (Vanellus vanellus) |
A156 | Grutto (Limosa limosa) |
A160 | Wulp (Numenius arquata) |
A295 | Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus) |
Deze aanwijzing gaat vergezeld van een nota van toelichting met bijlagen, die integraal deel uitmaakt van deze aanwijzing.
De in artikel 1 genoemde speciale beschermingszone vormt het Natura 2000-gebied Sneekermeergebied.
Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting wordt afgeweken. Hiervoor gelden de peildata, genoemd in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:
bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond;
gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
erven: onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terreinen;
tuinen: in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terreinen, beplant met siergewassen en gazons, of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving en veelal, omheind zijn door middel van een afrastering, schutting, muur of haag of geheel of gedeeltelijk zijn omgeven door een sloot;
verhardingen: kunstmatige verhardingen zoals verharde wegen, pleinen, parkeervoorzieningen, erfverhardingen en steenglooiingen met inbegrip van in wegen liggende bruggen en duikers en de tot wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
hoofdspoorweg: op grond van artikel 2 van de spoorwegwet als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg. Voor de begrenzing langs hoofdspoorwegen geldt artikel 3.5 van het omgevingsbesluit (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur).
De instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.3 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor niet-broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.4 van de nota van toelichting.
Het gebied Sneekermeergebied is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna Vogelrichtlijn). Deze speciale beschermingszone vormt het Natura 2000-gebied Sneekermeergebied. Het besluit bevat de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.
Artikel 1 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Vogelrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.
Artikel 2 van het besluit introduceert de nota van toelichting en benadrukt dat het besluit niet te lezen is zonder de nota van toelichting. Daarnaast wordt in dit deel van het besluit het Natura 2000-gebied Sneekermeergebied gevormd uit het Vogelrichtlijngebied.
Artikel 3 van het besluit regelt de uitgezonderde delen van het in artikel 1 aangewezen gebied.
Artikel 4 van het besluit bepaalt dat er voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen verwezenlijkt dienen te worden. De doelstelling van artikel 4 heeft betrekking op de in artikel 1 opgesomde vogelsoorten. De vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden in 2000.
In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting wordt de aanwijzing onder de Vogelrichtlijn kort toegelicht.
Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een gebiedsbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op eventuele grenswijzigingen die zijn doorgevoerd nadat het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 de bij dit besluit behorende begrenzing toegelicht.
In hoofdstuk 4 wordt een opsomming gegeven van soorten waaraan het gebied zijn betekenis ontleent.
In hoofdstuk 5 worden de algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en worden de specifieke instandhoudingsdoelstellingen, genoemd in artikel 4, nader toegelicht. Er wordt aangegeven in welke richting de instandhoudingsdoelstelling zich zal moeten ontwikkelen. Daarvoor worden de termen “behoud”, “uitbreiding” en “verbetering” gebruikt. Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit van het leefgebied. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang van het leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van “behoud” of “uitbreiding” van de populatie.
Bij de nota van toelichting is een bijlage A gevoegd met illustraties van grenswijzigingen indien van toepassing; die illustraties laten zien welke terreindelen na de eerste aanwijzing zijn vervallen of zijn toegevoegd als onderdeel van de speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn. Anders dan de andere bijlage bij de toelichting maakt bijlage A geen integraal onderdeel uit van dit besluit, aangezien er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet enkel nog rechten worden verleend aan de geometrische begrenzing. Bijlage B omvat een nadere onderbouwing van de wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.
Er is een appendix toegevoegd aan dit besluit waarin een toelichting wordt gegeven op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Sneekermeergebied gebruikt zijn. Deze paragrafen komen uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.
Artikel 1 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Sneekermeergebied als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (verder aangeduid als “Vogelrichtlijngebied”). Het gebied is op 24 maart 2000 (N/2000/313) aangewezen. Bij de Europese Commissie is dit gebied bekend onder nummer NL9802047.
Naast mogelijke grenswijzigingen kan er ook een wijziging plaatsvinden bij de vogelsoorten, waarvoor dit gebied destijds is aangewezen. Deze eventuele wijzigingen worden toegelicht in bijlage B. In dit besluit worden alle vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied wordt geacht te zijn aangewezen.
Dit Vogelrichtlijngebied wordt voortaan aangeduid als Natura 2000-gebied Sneekermeergebied (landelijk gebiedsnummer 012).
Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en onder de Vogelrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen en leefgebieden van Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten in een gunstige staat van instandhouding behouden of, in voorkomend geval, herstellen. De instandhoudingsdoelstellingen (artikel 4 en hoofdstuk 5) en de begrenzing zijn in algemene zin nader toegelicht in het Natura 2000 doelendocument (2006)2. Dit document geeft het beleidskader van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen weer en de daarbij gehanteerde systematiek. Beschrijvingen van habitattypen en (vogel)soorten waarvoor doelen zijn vastgesteld, zijn opgenomen in het Natura 2000 profielendocument (2008)3 .
Het Natura 2000-gebied Sneekermeergebied ligt in de provincie Fryslân en behoort tot het grondgebied van de gemeenten Boarnsterhim, Skarsterlân, Sneek en Wymbritseradiel.
Sneekermeer, Goëngarijpsterpoelen, Terkaplesterpoelen en De Blaugerzen zijn historisch en geomorfologisch te beschouwen als één gebied. Het Natura 2000-gebied kan worden gekenschetst als een vrijwel open landschap. Kenmerkend voor het centrale merengebied in Friesland is de afwisseling tussen grotere en kleinere wateroppervlakken, omgeven door kades en rietkragen en zoetwatermoerassen en uitgestrekte graslandpolders. De waterdiepte varieert overwegend tussen de 1 en 2 meter. In het gebied komen diverse eilandpolders voor.
Aan het begin van de jaartelling moet het Lage Midden van Friesland, waar dit gebied deel van uit maakt, hebben bestaan uit uitgestrekte zeggenmoerassen en moerasbossen. Vanaf ongeveer de tiende eeuw werd het gebied op kleine schaal in gebruik genomen. Hoewel in de loop van deze eeuw vele duizenden hectares door bemaling en bekading tot winterpolder zijn omgevormd, komen in het gebied nog relatief veel boezemlanden en zomerpolders voor. Veel boezemlanden liggen hier nog hoog genoeg om 's zomers via slootjes en greppels vrij op de boezem te kunnen afwateren.
Sneekermeergebied behoort tot het Natura 2000-landschap “Meren en Moerassen”.
De grenzen van een Vogelrichtlijngebied worden bepaald door het gebruik dat de aanwezige bijlage I-soorten, en/of trekkende watervogels, en/of overige trekkende vogels ervan maken, waarbij wordt uitgegaan van landschapsecologische eenheden en de biotoopeisen van de betrokken vogelsoorten.
Het gebied Sneekermeer c.a. is aangewezen als Vogelrichtlijngebied vanwege de aanwezigheid van open water, graslanden en moeraszones die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1), en fungeert tevens als broedgebied, overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten4.
De geometrische begrenzing van het Natura 2000-gebied Sneekermeergebied is weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage Gebiedsbegrenzingen. Globaal gaat het om het watergebied met aansluitende oeverlanden en graslanden ten oosten van Sneek in de omgeving van Terherne. In het noordwesten wordt het gebied globaal begrensd door de Griene Dyk, in het noordoosten door de kade van het Sneekermeer (onder andere Mardyk), oever Terklapsterpoelen, Terhernsterdyk en Deel en in het zuidoosten achtereenvolgens door Akkrumerrak, Wijde Geeuw, Oude Geeuw, een stukje van de Zwarte Sloot en de zuidgrens van de Petgaten (tot aan de weg Graverij). Ter hoogte van de Zwarte Sloot loopt de grens in noordoostelijke richting terug naar De Dolte en vandaar in noordwestelijke richting naar de Lange Sloot, vanwaar de grens merendeels samenvalt met de kade van Terkaplesterpoelen, Sneekermeer en Goëngarijpsterpoelen tot de Noorder Oudeweg. In het zuidwesten omvat het gebied de volgende delen: Kop Bloksloot, Jentjemeer, Langstaartenpoel; vervolgens loopt de westgrens langs de Hollegracht, Modderige Geeuw en de Houkesloot.
Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van 2.280 ha. Dit cijfer betreft de bruto-oppervlakte, omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met in de geometrische begrenzing, tekstueel uitgesloten delen (zie artikel 3 en hierna).
Voor de begrenzing van Natura 2000-gebieden geldt de volgende exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, tuinen, erven, verharding en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken. Voor de gebruikte begrippen gelden de definities (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied) zoals die omschreven zijn in artikel 3. Daar waar de geometrische begrenzing en de exclaveringsformule niet overeenstemmen, is de exclaveringsformule doorslaggevend.
Voor de toepassing van de begrenzing en de exclaveringsformule van artikel 3 gelden er peildata:
De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is op enkele technische punten verbeterd (2010):
Bestaande bebouwing (inclusief erven en tuinen; reeds tekstueel geëxclaveerd) waar geen Natura 2000-waarden voorkomen, is waar mogelijk op grond van kadastrale of topografische lijnen buiten de begrenzing gebracht.
Verharde wegen en bebouwing, die reeds tekstueel waren geëxclaveerd, zijn aan de rand van het gebied zoveel mogelijk buiten de begrenzing gebracht.
De begrenzing is waar mogelijk gelegd langs topografisch herkenbare lijnen, zoals wegen, wateren, perceelscheidingen en bosranden.
Overlap van 5 meter of minder met kadastrale percelen die grotendeels buiten het gebied zijn gelegen is, gelet op de kadastrale inschrijving5, waar mogelijk beperkt. Dit betekent dat aldaar de kadastrale lijn is aangehouden. Deze werkwijze is alleen gevolgd op plekken waar geen Natura 2000-waarden aanwezig zijn.
Overige wijzigingen van meer dan 1 ha worden in de volgende alinea toegelicht.
De tekstuele exclavering van drie eilanden vermeld in paragraaf 3.3 van besluit N/2000/313 is in de geometrische begrenzing uitgevoerd (2010).
In artikel 1 is een opsomming gegeven van de waarden waaraan het gebied zijn betekenis als Vogelrichtlijngebied ontleent. Paragraaf 4.2.1 vermeldt de vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen. Op alle vermelde Natura 2000-waarden is een instandhoudingsdoelstelling van toepassing (zie artikel 4 en hoofdstuk 5).
Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn:
A045 | Brandgans (Branta leucopsis) |
A119 | Porseleinhoen (Porzana porzana) |
A122 | Kwartelkoning (Crex crex) |
A140 | Goudplevier (Pluvialis apricaria) |
A151 | Kemphaan (Philomachus pugnax) |
Verder is het gebied aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen in hun trekzones (artikel 4.2):
A040 | Kleine rietgans (Anser brachyrhynchus) |
A041 | Kolgans (Anser albifrons) |
A050 | Smient (Anas penelope) |
A051 | Krakeend (Anas strepera) |
A052 | Wintertaling (Anas crecca) |
A053 | Wilde eend (Anas platyrhynchos) |
A056 | Slobeend (Anas clypeata) |
A125 | Meerkoet (Fulica atra) |
A142 | Kievit (Vanellus vanellus) |
A156 | Grutto (Limosa limosa) |
A160 | Wulp (Numenius arquata) |
A295 | Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus) |
Wijzigingen ten opzichte van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.
Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel aan maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Ingevolge artikel 4, vierde lid, Habitatrichtlijn worden bij aanwijzing als Habitatrichtlijngebied “tevens de prioriteiten vast[gesteld] gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat […] of van een soort […] alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging”.
Deze bepaling is in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nader uitgewerkt. Op grond van dit artikel bestaat de verplichting om in een aanwijzing doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van leefgebieden van vogelsoorten dan wel doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten op te nemen. Om die reden zijn voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Voor zover van toepassing is daarbij aangegeven welke habitattypen en/of (vogel)soorten ten koste mogen gaan van andere habitattypen en (vogel)soorten. Bij broedvogelsoorten met een regionale doelstelling is in de toelichting aangegeven wat in een bepaalde periode de minimale en maximale bijdrage van het betreffende gebied aan het regionale doelniveau is geweest.
In bijlage B.2 van deze nota van toelichting is een overzicht opgenomen van alle gebiedsdoelstellingen per Natura 2000-waarde.
Voor de Natura 2000-gebieden zullen in beheerplannen instandhoudingsmaatregelen worden uitgewerkt die beantwoorden aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten van de betrokken natuurlijke habitats en (vogel)soorten.
Als verdere invulling van het stellen van prioriteiten zijn voor de acht onderscheiden Natura 2000-landschappen kernopgaven geformuleerd op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, de landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (“richting geven”) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en (vogel)soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (2006).
Behoud en indien van toepassing herstel van:
de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie;
de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;
de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;
de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
A119 | Porseleinhoen |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 2 paren. |
Toelichting | Het porseleinhoen is een zeer schaarse broedvogel, aanwezig op graslanden die tot ver in het broedseizoen nat blijven, met maximaal 2 paren. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Friese merengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. |
A122 | Kwartelkoning |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 2 paren. |
Toelichting | De kwartelkoning is een zeer schaarse, niet jaarlijks voorkomende broedvogel, aanwezig op ruige, veelal vochtige, graslanden met maximaal 3 paren. Van oorsprong is de soort een reguliere broedvogel van het Friese weidegebied. Gezien de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is behoud van de populatie op een relatief hoog niveau gewenst. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Friese merengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. |
A151 | Kemphaan |
Doel | Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren. |
Toelichting | De kemphaan is van oorsprong een talrijke broedvogel van vochtige tot natte graslanden, met in 1987 nog een populatie van 35 paren. De populatie is, in lijn met de algehele tendens in Nederland, sterk afgenomen. In 2002 zijn nog 4 paren waargenomen op een landelijke populatie van 105. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is uitbreiding van de populatie gewenst. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Friese merengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. |
A295 | Rietzanger |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 370 paren. |
Toelichting | De rietlanden van het Sneekermeer herbergen één van de sleutelpopulaties van de rietzanger in het Friese merengebied. In 1994 werden ten minste 125 paren vastgesteld. Voor de periode 1999-2003 wordt het gemiddeld aantal paren geschat op 370. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding met betrekking tot de populatieomvang, is behoud voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. |
A040 | Kleine rietgans |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 580 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Aantallen kleine rietganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als slaapplaats. Het Sneekermeergebied levert één van de grootste bijdragen in Nederland. Rond 1990 was er sprake van verhoogde aantallen, net als bij andere graseters, maar de totale data zijn nog niet geschikt voor een trendanalyse. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A041 | Kolgans |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.400 vogels (seizoensgemiddelde) voor het foerageergebied en gemiddeld 91.800 vogels (seizoensmaximum) voor het gebied als slaapplaats. |
Toelichting | Aantallen kolganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Het betreft de grootste slaapplaats voor de kolgans binnen het Natura 2000-netwerk. Het aantalsverloop vertoonde voor foeragerende vogels een piek eind jaren tachtig, net als bij andere graseters, afgezien daarvan zijn aantallen min of meer stabiel. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A045 | Brandgans |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 740 vogels (seizoensgemiddelde) voor het foerageergebied en gemiddeld 60.300 vogels (seizoensmaximum) voor het gebied als slaapplaats. |
Toelichting | Aantallen brandganzen zijn van grote nationale en grote internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Het betreft de grootste slaapplaats voor de brandgans binnen het Natura 2000-netwerk. Het aantalsverloop vertoont voor foeragerende vogels een positieve tendens, maar deze is niet significant door grote fluctuaties (verhoogde aantallen rond 1990, net als bij andere graseters). Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort. |
A050 | Smient |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 5.900 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen smienten zijn van internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied. Er was sprake van hoge aantallen rond 1990, net als bij andere graseters, daarna heeft een afname plaatsgevonden. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A051 | Krakeend |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 220 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen krakeenden zijn van internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. De data zijn nog niet geschikt voor een trendanalyse. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A052 | Wintertaling |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 890 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de wintertaling met name een functie als foerageergebied. De data zijn nog niet geschikt voor een trendbeoordeling. Er is geen landelijke herstelopgave van toepassing dus handhaving van de huidige situatie is voldoende. |
A053 | Wilde eend |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.500 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de wilde eend met name een functie als foerageergebied. De data zijn nog niet geschikt voor een trendbeoordeling. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A056 | Slobeend |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 150 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen slobeenden zijn van internationale betekenis. Het gebied heeft voor de slobeend met name een functie als foerageergebied. De data zijn nog niet geschikt voor een trendbeoordeling. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A125 | Meerkoet |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.700 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de meerkoet met name een functie als foerageergebied. De data zijn nog niet geschikt voor een trendbeoordeling. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. |
A140 | Goudplevier |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 520 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de goudplevier met name een functie als foerageergebied. De data zijn nog niet geschikt voor een trendbeoordeling. De landelijke herstelopgave is met name gebaseerd op de situatie buiten het Natura 2000-netwerk. Handhaving van de huidige situatie in het Sneekermeergebied is daarom voldoende. |
A142 | Kievit |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 3.500 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de kievit onder andere een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Het gebied levert één van de grootste bijdragen binnen het Natura 2000-netwerk. De data zijn nog niet geschikt voor een trendbeoordeling. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. |
A151 | Kemphaan |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 960 vogels (seizoensmaximum) voor het foerageergebied en gemiddeld 5.200 vogels (seizoensmaximum) voor het gebied als slaapplaats. |
Toelichting | Aantallen kemphanen zijn van grote nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats, het gebied levert als slaapplaats na de Friese IJsselmeerkust en de Witte en Zwarte Brekken de grootste relatieve bijdrage in Nederland. De data zijn nog niet geschikt voor een trendanalyse. Er is geen landelijke herstelopgave van toepassing dus handhaving van de huidige situatie is voldoende. |
A156 | Grutto |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 110 vogels (seizoensgemiddelde) voor het foerageergebied en gemiddeld 970 vogels (seizoensmaximum) voor het gebied als slaapplaats. |
Toelichting | Aantallen grutto’s zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Het gebied levert als slaapplaats één van de grootste relatieve bijdragen binnen het Natura 2000-netwerk. De data zijn nog niet geschikt voor een trendanalyse. Handhaving van de huidige situatie is voldoende omdat de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding vooral betrekking heeft op gebieden buiten het Natura 2000-netwerk. |
A160 | Wulp |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.000 vogels (seizoensmaximum). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de wulp met name een functie als slaapplaats. Trendgegevens zijn niet beschikbaar. Handhaving van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
Nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.
De vogelsoorten waarvoor het gebied in 2000 is aangewezen, zijn indertijd ontleend aan SOVON (2000)6. De numerieke criteria die daarin zijn opgenomen zijn ontleend aan de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000)7. Een gebied wordt slechts aangewezen voor soorten waarvoor het gebied van landelijke betekenis is. Hiervan is in beginsel sprake indien het gebied minstens 1% van de landelijke broedpopulatie herbergt, indien 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied verblijft of indien het gebied in combinatie met andere gebieden voldoende bijdrage kan leveren aan een sleutelpopulatie.
Voor eventuele toevoeging of verwijdering van vogelsoorten is gebruik gemaakt van SOVON & CBS (2005)8 waarin de ontwikkeling van vogelaantallen in de laatste decennia is beschreven. Dit rapport heeft ten grondslag gelegen aan de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Vogelrichtlijnsoorten. In bijlage 1 van dit rapport zijn de verschillen aangegeven tussen de soortenlijsten per gebied die in beide aangehaalde rapporten zijn opgenomen. Om ecologische redenen die in voorkomende gevallen hieronder zijn vermeld, is soms van deze algemene criteria afgeweken. Deze werkwijze heeft voor de lijst van vogelsoorten waarvoor dit gebied is aangewezen, de volgende consequenties:
In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied niet aangewezen voor de volgende soort trekvogel zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn: aalscholver (A017) als niet-broedvogel. De aalscholver was in de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied opgenomen op basis van een eenmalig hoog aantal. Het gebied herbergde minder dan 0,1% van de biogeografische populatie van de betreffende soort in de periode 1993-1997. Daarnaast is het gebied op basis van het huidige voorkomen voor de soort van relatief geringe betekenis (SOVON & CBS 2005).
Voor zover de hier vermelde gebiedsdoelen en relatieve bijdragen betrekking hebben op de Natura 2000-gebieden die buiten dit aanwijzingsbesluit vallen en waarvan de definitieve besluiten op het moment van vaststelling van het onderhavige besluit nog niet zijn vastgesteld, moeten deze worden beschouwd als “indicatieve” opgaven en kunnen ze nog aan verandering onderhevig zijn.
In dit onderdeel wordt voor iedere Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied is aangewezen, inzichtelijk gemaakt hoe de landelijke doelstelling9 is uitgewerkt in de Natura 2000-gebieden. De landelijke doelstellingen vormen een kader voor de formulering van instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau. De gebiedsdoelen bij elkaar “opgeteld”, eventueel tezamen met een opgave buiten het Natura 2000-netwerk, hebben als som het landelijke doel. Onder iedere tabel wordt de landelijke staat van instandhouding van de betreffende Natura 2000-waarde vermeld. Indien de landelijke doelstelling van de betreffende waarde afwijkt van wat kan worden verwacht uit de landelijke staat van instandhouding, is dit hier gemotiveerd. Gebiedsdoelstellingen die afwijken van de landelijke doelstelling, worden ook zoveel mogelijk gemotiveerd. In gevallen waarin motivering ontbreekt, is aanpassing nog in overweging (met name naar aanleiding van zienswijzen) in het kader van het besluit voor het betreffende gebied. Doelstellingen die volgens de tabellen zijn aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit (zie kolom “Besluit”) staan eveneens onder de betreffende tabellen gemotiveerd. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-waarden die zijn toegevoegd ten opzichte van het ontwerpbesluit, zijn in principe op behoud gesteld, omdat de landelijke doelstelling al haalbaar werd geacht zonder deze toevoegingen. De instandhoudingsdoelstellingen die om deze reden op behoud zijn gesteld en daarmee afwijken van de landelijke doelstelling voor de betreffende Natura 2000-waarde, zijn in de tabellen gemarkeerd met een x. De niet-broedvogelsoorten waarvoor zowel landelijk als in alle gebieden een behoudopgave is gesteld zijn samengevat in één tabel. Bij broedvogels en niet-broedvogels wordt in de kolom “Populatie” tevens aangegeven of er sprake is van herstel dan wel uitbreiding (↑). In een aparte kolom is van elk gebied de relatieve bijdrage vermeld. In het geval van soorten is dit het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen, aantal bezette plekken of kilometerhokken.
Er is gebruik gemaakt van de volgende klasse-indeling:
A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75%
B1 = 2-6% en B2 = 6-15%
C = <2%
A119 – Porseleinhoen Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | 4 | C | aanwijzingsbesluit |
005 | Duinen Ameland | behoud | behoud | 2 | C | aanwijzingsbesluit |
008 | Lauwersmeer | behoud | behoud | 15 | B2 | ontwerpbesluit |
009 | Groote Wielen | behoud | behoud | 4 (↑) | C | ontwerpbesluit |
010 | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | uitbreiding | verbetering | 1 (↑) | C | ontwerpbesluit |
012 | Sneekermeergebied | behoud | behoud | 2 (↑) | C | conform ontwerp |
013 | Alde Feanen | behoud | behoud | 20 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
019 | Leekstermeergebied | behoud | behoud | 2 (↑) | C | ontwerpbesluit |
020 | Zuidlaardermeergebied | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | B2 | ontwerpbesluit |
023 | Fochteloërveen | behoud | behoud | 20 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
033 | Bargerveen | behoud | behoud | 15 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
034 | Weerribben | uitbreiding | verbetering | 30 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
035 | De Wieden | behoud | behoud | 20 | B2 | ontwerpbesluit |
036 | Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht | behoud | behoud | 10 (↑) | C | ontwerpbesluit |
038 | Uiterwaarden IJssel | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
066 | Uiterwaarden Neder-Rijn | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
067 | Gelderse Poort | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | C | ontwerpbesluit |
068 | Uiterwaarden Waal | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | C | ontwerpbesluit |
072 | IJsselmeer | uitbreiding | verbetering | 18 (↑) | B1 | aanwijzingsbesluit |
074 | Zwarte Meer | uitbreiding | verbetering | 7 (↑) | B1 | aanwijzingsbesluit |
075 | Ketelmeer & Vossemeer | uitbreiding | verbetering | 4 (↑) | C | Aanwijzingsbesluit |
078 | Oostvaardersplassen | uitbreiding | verbetering | 40 (↑) | B2 | aanwijzingsbesluit |
095 | Oostelijke Vechtplassen | behoud | behoud | 8 | B1 | ontwerpbesluit |
105 | Zouweboezem | behoud | behoud | 9 (↑) | C | ontwerpbesluit |
106 | Boezems Kinderdijk | behoud | behoud | 1 | C | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | 5 (↑) | C | ontwerpbesluit |
140 | Groote Peel | uitbreiding | verbetering | 5 (↑) | C | aanwijzingsbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van het porseleinhoen is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel van een populatie van ten minste 400 paren”. De aantallen van het porseleinhoen vertonen jaarlijks grote schommelingen als gevolg van weersomstandigheden zodat een doelstelling op basis van het gemiddelde niet doelmatig is. Er is daarom gekozen voor een populatieniveau in gunstige jaren, de jaren waarin in het late voorjaar sprake is van hoge waterstanden in het leefgebied dat de belangrijkste voorwaarde is om tot broeden over te gaan. De herstelopgave volgt het Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004 (2000)10. Er zijn voor het porseleinhoen extra inspanningen nodig om de gewenste landelijke minimumpopulatie te bereiken11. Er is een beleidskeuze gemaakt om strategisch te lokaliseren door de opgave voor herstel van plas-dras situaties voor onder andere het porseleinhoen te leggen in het landschap Meren en Moerassen, waaronder het gebied IJsselmeer (072). Daarnaast liggen er potenties in het rivierengebied, waar de soort momenteel matig vertegenwoordigd is (met uitzondering van het noordelijke deel van de IJssel). Behoud wordt nagestreefd in die gebieden waar de historische potentie niet meer haalbaar is, waar de lokale populatietrend stabiel of toenemend is zodat behoud van het leefgebied voldoende is, of waar onvoldoende trendgegevens beschikbaar zijn om de potenties voor herstel in te schatten. De gebieden Duinen Vlieland (003), Duinen Ameland (005) bieden onvoldoende potentie voor verdere verbetering van het leefgebied en de daarmee samenhangende populatieontwikkeling. In de gebieden Bargerveen (033) en Boezems Kinderdijk (106) is de lokale populatietrend stabiel; in de gebieden Lauwersmeer (008), Fochteloërveen (023), De Wieden (035) en Oostelijke Vechtplassen (095) is de lokale populatietrend toenemend. Van de gebieden Groote Wielen (009), Sneekermeergebied (012) en Leekstermeergebied (019) zijn onvoldoende trendgegevens beschikbaar. Voor Groote Wielen, Sneekermeergebied, Leekstermeergebied, Fochteloërveen, Bargerveen, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (036), Zouweboezem (105) en Biesbosch (112) is ingeschat dat het behoud van het leefgebied voldoende is voor een (kleine) toename van de populatie.
A122 – Kwartelkoning Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
012 | Sneekermeergebied | behoud | behoud | 2 (↑) | C | conform ontwerp |
019 | Leekstermeergebied | behoud | behoud | 5 (↑) | C | ontwerpbesluit |
035 | De Wieden | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
036 | Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht | behoud | behoud | 5 | C | ontwerpbesluit |
038 | Uiterwaarden IJssel | uitbreiding | verbetering | 60 (↑) | B2 | ontwerpbesluit |
066 | Uiterwaarden Neder-Rijn | uitbreiding | verbetering | 40 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
067 | Gelderse Poort | uitbreiding | verbetering | 40 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
068 | Uiterwaarden Waal | uitbreiding | verbetering | 30 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de kwartelkoning is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hier gedeeltelijk op aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud van ten minste 400 paren”. De matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect leefgebied wordt vooral veroorzaakt door de ongunstige situatie in landbouwgebieden, waar de soort sterk van het maaibeheer afhankelijk is12.
Ondanks dat de landelijke doelstelling op behoud van de kwaliteit en de omvang van het leefgebied en de populatie is gericht, zijn voor meerdere gebieden herstelopgaven voor het leefgebied en/of de populatie gesteld. Eén van de belangrijkste aanleidingen daarvoor is het verlies van broedgebied in de akkerbouwgebieden van het Oldambt (provincie Groningen). Dit gebied is momenteel één van de belangrijkste broedgebieden van Nederland, maar gelet op het agrarische karakter van het Oldambt zijn de mogelijkheden voor duurzame bescherming van de kwartelkoning hier beperkt13 Om te compenseren voor eventueel verlies van broedgebied wordt in enkele Natura 2000-gebieden ingezet op uitbreiding en/of verbetering van het leefgebied en/of herstel van de populatie. Met name in de rivierengebieden, maar ook in De Wieden (35), zijn hiervoor voldoende mogelijkheden aanwezig, mede op basis van de historische potenties. De soort vertoont in de gebieden Uiterwaarden IJssel (038), Uiterwaarden Neder-Rijn (066), Gelderse Poort (067) en Uiterwaarden Waal (068) een sterke toename, die echter van jaar tot jaar sterk fluctueert. Er wordt gestreefd naar voortzetting en bestendiging (minder fluctuaties) van deze trend. De huidige fluctuaties zijn nu dermate hoog dat er onzekerheid bestaat of elk van deze gebieden in hun huidige vorm jaarlijks voldoende draagkracht kan bieden voor één of meerdere sleutelpopulaties (20 broedparen). In de gebieden Sneekermeergebied (012) en Leekstermeergebied (019) wordt met behoud van het leefgebied een klein herstel van de populatie nagestreefd.
A151 – Kemphaan Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
008 | Lauwersmeer | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
009 | Groote Wielen | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | C | ontwerpbesluit |
012 | Sneekermeergebied | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | B1 | conform ontwerp |
013 | Alde Feanen | behoud | behoud | 10 (↑) | C | ontwerpbesluit |
015 | Van Oordt’s Mersken | uitbreiding | verbetering | 10 (↑) | B1 | ontwerpbesluit |
072 | IJsselmeer | uitbreiding | verbetering | 20 (↑) | C | aanwijzingsbesluit |
090 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | uitbreiding | verbetering | 25 (↑) | B2 | ontwerpbesluit |
092 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske | uitbreiding | verbetering | 5 (↑) | C | ontwerpbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de kemphaan als broedvogel is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie van ten minste 1000 hennen”. Vrijwel alle gebiedsdoelen sluiten aan op de landelijke doelstelling. Alleen in de Alde Feanen (013) wordt van de landelijke verbeteropgave voor het aspect leefgebied afgeweken; in dit gebied wordt met behoud van het huidige leefgebied een uitbreiding van de populatie beoogd.
A295 – Rietzanger Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | 120 | C | aanwijzingsbesluit |
005 | Duinen Ameland | behoud | behoud | 230 | C | aanwijzingsbesluit |
008 | Lauwersmeer | behoud | behoud | 1.900 | B2 | ontwerpbesluit |
009 | Groote Wielen | behoud | behoud | 220 | C | ontwerpbesluit |
012 | Sneekermeergebied | behoud | behoud | 370 | C | conform ontwerp |
013 | Alde Feanen | behoud | behoud | 800 | B1 | ontwerpbesluit |
014 | Deelen | behoud | behoud | 200 | C | aanwijzingsbesluit |
019 | Leekstermeergebied | behoud | behoud | 10 | C | ontwerpbesluit |
020 | Zuidlaardermeergebied | behoud | behoud | 200 | C | ontwerpbesluit |
034 | Weerribben | behoud | behoud | 900 | B1 | ontwerpbesluit |
035 | De Wieden | behoud | behoud | 3.000 | A1 | ontwerpbesluit |
072 | IJsselmeer | behoud | behoud | 990 | B1 | aanwijzingsbesluit |
074 | Zwarte Meer | behoud | behoud | 270 | C | aanwijzingsbesluit |
078 | Oostvaardersplassen | behoud | behoud | 790 | B1 | aanwijzingsbesluit |
089 | Eilandspolder | behoud | behoud | 230 | C | ontwerpbesluit |
090 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | behoud | behoud | 480 | B1 | ontwerpbesluit |
092 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | behoud | behoud | 800 | B1 | ontwerpbesluit |
095 | Oostelijke Vechtplassen | behoud | behoud | 880 | B1 | ontwerpbesluit |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | behoud | behoud | 340 | C | ontwerpbesluit |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | 420 | C | ontwerpbesluit |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | 260 | C | ontwerpbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de rietzanger is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 20.000 paren”. De gebiedsdoelen sluiten aan bij de landelijke doelstelling.
De doelniveaus van niet-broedvogels zijn meestal uitgedrukt als seizoensgemiddelde of als (gemiddeld) seizoensmaximum. Deze gemiddelden, die worden bepaald aan de hand van maandelijkse tellingen, worden als volgt berekend14:
Het seizoensgemiddelde is het gemiddelde aantal in een gebied aanwezige vogels over het gehele seizoen, berekend aan de hand van maandelijks uitgevoerde tellingen over een reeks seizoenen (1999/2000-2003/2004).
Het (gemiddeld) seizoensmaximum is het gemiddelde van het grootste getelde aantal (piekaantal) per seizoen (juli t/m juni van het volgende jaar) berekend over een reeks van achtereenvolgende seizoenen (meestal vijf seizoenen: 1999/2000-2003/2004).
Bij voorkeur is het doelniveau uitgedrukt als seizoensgemiddelde omdat dit een indicatie geeft voor het gebruik van een gebied over het gehele seizoen. Bij onvoldoende beschikbaarheid van jaarrondtellingen moet soms worden teruggevallen op het seizoensmaximum.
Niet-broedvogelsoorten Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie | |||||
Vogelsoort | Aantal gebieden | Landelijke doelstelling | Populatie Sneekermeergebied | Relatieve bijdrage* | Besluit |
A040 Kleine rietgans(f) | 4 | 8.000 | 580 (max) | s | conform ontwerp |
A041 Kolgans (f);(g) | 36 | 218.300 | 1.400/91.800 (max)(i) | sf, C | conform ontwerp |
A045 Brandgans (f);(g) | 26 | 140.900 | 740/60.300 max)(i) | sf, C | conform ontwerp |
A050 Smient (f);(g) | 46 | 258.200 | 5.900 | sf, B1 | conform ontwerp |
A051 Krakeend (f);(g) | 35 | 10.200 | 220 | f, B1 | conform ontwerp |
A052 Wintertaling (c) | 24 | 21.000 | 890 | f, B1 | conform ontwerp |
A053 Wilde eend (f) | 13 | 128.000 | 1.500 | f, C | conform ontwerp |
A056 Slobeend (f);(h) | 39 | 5.750 | 150 | f, C | conform ontwerp |
A125 Meerkoet (f);(h) | 23 | 89.700 | 1.700 | f, B1 | conform ontwerp |
A140 Goudplevier (e) | 11 | 32.300 | 520 | f, C | conform ontwerp |
A142 Kievit (b) | 11 | 75.500 | 3.500 | sf, B1 | conform ontwerp |
A151 Kemphaan (a) | 5 | 39.500 | 60 (max)/5.200 (max)(i) | sf | conform ontwerp |
A156 Grutto (d) | 23 | 6.000 | 110/970 (max)(i) | sf, C | conform ontwerp |
A160 Wulp (f) | 17 | 101.100 | 1.000 (max) | s | conform ontwerp |
* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf). Relatieve bijdrage is alleen berekend als het landelijke doel en het gebiedsdoel beide zijn gebaseerd op dezelfde waarde (óf seizoensmaximum óf seizoensgemiddelde).
Kemphaan: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd. De recente afname is verbonden aan een afname op internationaal niveau en mogelijk aan enkele andere slecht stuurbare factoren (Natura 2000 doelendocument, 2006).
Kievit: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soort geformuleerd, omdat deze staat van instandhouding alleen gebaseerd is op toekomstverwachting (Natura 2000 doelendocument, 2006).
Wintertaling: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect populatie is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soort geformuleerd. De staat van instandhouding is gebaseerd op een populatieafname die niet leidt tot een waarde van minder dan 75% van de draagkrachtindicatie (Natura 2000 doelendocument, 2006).
Grutto: de grutto heeft gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding op landelijk niveau een opgave voor uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied. Aangezien deze opgave niet te realiseren is binnen het Natura 2000-netwerk is in alle gebieden een behoudopgave voor de grutto geformuleerd (Natura 2000 doelendocument, 2006).
Goudplevier: de goudplevier heeft landelijk een opgave voor uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied. De verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied is niet zichtbaar in de trend, deze laat een toename zien binnen het Natura 2000-netwerk. Dit betreft echter minder dan de helft van de Nederlandse vogels en is een gevolg van verschuivingen in de ligging van de pleisterplaatsen. Incidentele tellingen buiten het monitoringsnetwerk suggereren dat de kwaliteit van het leefgebied buiten het Natura 2000-netwerk is afgenomen. Herstelopgaven binnen het netwerk zijn in dit licht niet geformuleerd (Natura 2000 doelendocument, 2006).
Kleine rietgans, kolgans, brandgans, smient, krakeend, wilde eend, slobeend, meerkoet en wulp: de staat van instandhouding van de soort is beoordeeld als “gunstig”15.
Kolgans, brandgans, smient en krakeend: enige afname landelijk veroorzaakt door extensivering van landgebruik (onder andere door natuurontwikkeling) is aanvaardbaar.
Slobeend en meerkoet: enige afname landelijk als gevolg van herstel van zout-zoet overgangen is aanvaardbaar.
Het eerste getal betreft de foerageerfunctie, het tweede getal de slaapfunctie. Relatieve bijdrage, indien vermeld, is gebaseerd op de foerageerfunctie.
Toelichting op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Sneekermeer / Goëngarijpsterpoelen / Terkaplesterpoelen en Akmarijp gebruikt zijn (2000).
Onderstaande paragrafen zijn afkomstig uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.
Het gebied Sneekermeer c.a. is aangewezen als speciale beschermingszone vanwege de aanwezigheid van open water, graslanden en moeraszones die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1), en fungeert tevens als broedgebied, overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van de beschermingszone is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten.
Het onderhavige gebied is tevens aangewezen als watergebied van internationale betekenis onder de Wetlands-Conventie vanwege het voorkomen van belangrijke aantallen watervogels (criterium 6).
Sneekermeer, Goëngarijpster- en Terkaplesterpoelen en Akmarijp kwalificeert als speciale beschermingszone vanwege het voorkomen van drempeloverschrijdende aantallen van Kolgans, Brandgans16 en Smient die het gebied benutten als overwinteringsgebied, voedselgebied en/of rustplaats. Het gebied kan hierdoor tevens worden aangemerkt als watergebied van internationale betekenis zoals bedoeld in de Wetlands-Conventie (criterium 6). Bovendien behoort het gebied zowel tot één van de vijf belangrijkste broedgebieden als tot één van de vijf belangrijkste rustplaatsen voor de Kemphaan in Nederland.
Soort van Bijlage I waarvoor het gebied tot "een van de vijf belangrijkste" in Nederland behoort
Soort | Art. 4 | Brva | Totaal aantalb | % in 5ec | % in SBZd | Telperiode |
Kemphaan Philomachus pugnax | 1 | ja | 330 | 3% | 3% | 1993-97 |
Kemphaan Philomachus pugnax | 1 | nee | 1 000 000+ | 0,2% | 0,3% | 1994-97 |
Soort van Bijlage I en andere trekkende watervogelsoorten waarvoor het gebied aan de 1%-drempel voldoet
Soort | Art. 4 | Brva | Biogeografische populatiee | 1% Biopopf | % in SBZg | Telperiode |
Kolgans Anser albifrons | 2 | nee | NW-Siberië/NW-Europa | 6 000 | 2,8% | 1994-97 |
Brandgans Branta leucopsis | 1 | nee | Rusland-Nederland | 1 800 | 5,5% | 1994-97 |
Smient Anas penelope | 2 | nee | W-Siberië/NW-Europa | 12 500 | 1,5% | 1993-97 |
De kwalificatie betreft in het gebied broedende vogels (indien ingevuld met "ja") of niet-broedende vogels ("nee")
Omvang van de Nederlandse broedpopulatie (in paren, indien broedvogels) of biogeografische populatie (niet-broedvogels; Kemphaan betreft ondergrens aantalsklasse)
Aantal in het op vier na belangrijkste gebied (5e gebied) uitgedrukt als percentage van de landelijke broedpopulatie (broedvogels) of van de biogeografische populatie (niet-broedvogels)
Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke broedpopulatie (broedvogels) of van de biogeografische populatie (niet-broedvogels)
Biogeografische populatie waartoe de in Nederland pleisterende exemplaren van deze soort worden gerekend
Drempelwaarde zijnde 1% van de betreffende biografische populatie (biografische populaties en drempelwaarden van niet-broedende vogels ontleend aan Rose & Scott 1997, Waterfowl Population Estimates – 2nd edition. Wetlands International, Wageningen)
Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie
Andere soorten van Bijlage I waarvoor het gebied van betekenis is, zijn Porseleinhoen en Kwartelkoning (broedvogels) en Goudplevier (niet-broedvogels). Andere trekkende vogelsoorten waarvoor het gebied van betekenis is als overwinteringsgebied, voedselgebied en/of rustplaats: Aalscholver, Kleine rietgans, Krakeend, Wintertaling, Wilde eend, Slobeend, Meerkoet, Kievit, Grutto en Wulp. De rietkragen zijn van belang als broedgebied voor de Rietzanger (trekvogel opgenomen in de nationale lijst van met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende soorten). De biotopen van deze vogels hebben mede de begrenzing van dit gebied bepaald.
Het gebied ontleent zijn betekenis vooral aan de grote aantallen ganzen (Kolgans, Kleine rietgans, Brandgans) en Smienten die ‘s winters ondergelopen boezemlanden, zomerpolders en aangrenzende wateren in groten getale benutten als slaapplaatsen. Deze zijn met name gelegen in het zuidwestelijk deel van het Sneekermeer (o.a. Grutte Griene, Graverij) en in het oostelijk deel rond de Terklaplesterpoelen (Aldhof, Blaugerzen, Polder Meinesleat-Akkrumerrak). De voedselgebieden liggen zowel binnen het aangewezen gebied als in de wijde omgeving. De in de periode 1993-97 vastgestelde aantallen geven een onvolledig beeld van het gebruik van de slaapplaatsen omdat deze vooral tellingen betreffen van overdag binnen het gebied foeragerende vogels17. Ook diverse soorten zwemeenden (met name Wintertaling, Slobeend), Meerkoet en steltlopers (Grutto, Wulp, Kemphaan; slaapplaatsen) hebben in de trektijd en/of ‘s winters een uitgesproken voorkeur voor plas-dras situaties in ondergelopen boezemlanden en zomerpolders. Datzelfde geldt voor de Smient die echter ook op drogere graslanden foerageert; deze soort heeft ook slaapplaatsen in het gebied. Goudplevier, Kievit, Grutto, Wulp en Kemphaan gebruiken de natte en/of droge graslanden ook als voedselgebied. De Aalscholver foerageert verspreid over alle open wateren binnen het gebied. Kemphaan en Kwartelkoning zijn als broedvogel aangewezen op de extensief beheerde graslanden die in het zuidwestelijk en oostelijk deel van het gebied aanwezig zijn (o.a. Bloksleat, Grutte Griene). De Rietzanger broedt verspreid in de aanwezige rietkragen en rietveldjes (o.a. Gauwsterzijl, Bloksleat, westzijde Langstaartenpoel, Petgaten bij Akmarijp). Ook moerasvogels als Porseleinhoen en Bruine kiekendief gebruiken met riet begroeide moeraszones als nestplaats.
LEGENDA Artikel: | Noemer |
Indicatief/exact | |
GIO-id18 | |
1, eerste lid | Sneekermeergebied – Vogelrichtlijngebied |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_Sneekermeergebied_VR/nld@2025‑03‑01 | |
2, tweede lid | Natura 2000-gebied Sneekermeergebied |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_Sneekermeergebied_N2000/nld@2025‑03‑01 |
Dit besluit betreft de vaststelling van een nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit voor het Vogelrichtlijngebied Sneekermeergebied en het Natura 2000-gebied Sneekermeergebied, maar nu gepubliceerd met behulp van de nieuwe digitale standaard voor officiële publicaties: de Standaard Officiële Publicaties (STOP). Het besluit wordt inhoudelijk ongewijzigd vastgesteld. Dit aanwijzingsbesluit is de bijlage bij dit besluit. De nieuwe tekst is enkel een redactionele aanpassing, en brengt geen wijziging met enig rechtsgevolg met zich ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De reden voor de vaststelling van deze nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit is, dat in het kader van de Omgevingswet wordt overgegaan op nieuwe digitale standaarden voor de vormgeving van besluiten.
Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond van artikel 16.25a van de Omgevingswet niet van toepassing, omdat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het betreft geen wijzigingen die leiden tot een andere inhoudelijke reikwijdte dan het geldende aanwijzingsbesluit voor dit gebied: er is geen sprake van wijzigingen van de geldende begrenzing of van instandhoudingsdoelstellingen. De tekst betreft enkel een redactionele aanpassing. In zoverre is dus ook geen sprake van zelfstandige rechtsgevolgen ten opzichte van het geldende besluit. Belanghebbenden die menen dat er wel sprake is van relevante wijzigingen en nieuwe rechtsgevolgen, kunnen evenwel met een bezwaarschrift eventuele bedenkingen tegen het besluit naar voren te brengen en de beslissing op het bezwaarschrift in een beroepsprocedure door de bestuursrechter laten toetsen.
Dit betreft een geconsolideerde versie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, inclusief wijzigingen die sindsdien op de richtlijn van toepassing zijn. Met uitzondering van de bijlagen en verwijzingen is de tekst van de richtlijn inhoudelijk niet gewijzigd. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
De wijze van begrenzing van Vogelrichtlijngebieden is toegelicht in de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.
Conform artikel 15 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Stb. 2004, 31) is dit besluit, wat betreft de kadastrale percelen die geheel of gedeeltelijk binnen het aangewezen gebied zijn gelegen, in de kadastrale registratie als beperking ingeschreven. Terug naar link van noot.
SOVON (2000): Belangrijke vogelgebieden in Nederland 1993-97. SOVON-informatierapport 2000/01. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2000): Nota van Antwoord Vogelrichtlijn, bijlage 1, selectiecriteria en methode van begrenzing. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag. Terug naar link van noot.
SOVON & CBS (2005): Trends van vogelaantallen in het Nederlandse Natura 2000 netwerk. SOVON-informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.
De landelijke doelomschrijving in deze paragraaf beperkt zich in principe tot behoud/uitbreiding oppervlakte (of omvang leefgebied) en behoud/verbetering kwaliteit (leefgebied), in geval van soorten en vogels aangevuld met het doel voor behoud/uitbreiding populatie. Voor de volledige formulering van de landelijke doelen inclusief toelichting wordt verwezen naar het Natura 2000 doelendocument (2006). Terug naar link van noot.
Boer, T. den (2000): Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004. Rapport Directie Natuurbeheer nr.47. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Wageningen. Terug naar link van noot.
Natura 2000 doelendocument (2006): Tekstkader 4.5.1 Landelijke doelen broedvogels (“gemaakte keuze”). Terug naar link van noot.
Zie ook Natura 2000 profielendocument (2008): Kwartelkoning (A122). Terug naar link van noot.
Natura 2000 doelendocument (2006): Tekstkader 4.5.1 Landelijke doelen broedvogels (“gemaakte keuze”). Terug naar link van noot.
Voorbeeld voor een seizoen met de volgende telresultaten (juli-juni): 0, 0, 0, 100, 100, 200, 100, 100, 0, 0, 0, 0. Het seizoensmaximum bedraagt in dit geval 200, het seizoensgemiddelde 50 (som van alle maandcijfers gedeeld door 12). Terug naar link van noot.
De beschreven staat van instandhouding van de meerkoet wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006) (onder andere aanwijzingsbesluit IJsselmeer, Stcrt. 2010, 2212). Terug naar link van noot.
Onderstreepte soorten zijn opgenomen in Bijlage I van de richtlijn (artikel 4.1). Terug naar link van noot.
In de winter 1998/99 werden op de slaapplaatsen in het zuidwestelijke deel van het gebied max. 38.000 Kolganzen en 14.500 Brandganzen vastgesteld (resp. 6,3 en 8,0% van de betreffende biogeografische populaties). Terug naar link van noot.
Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_waterkwaliteit/nld@2019‑11‑01). Terug naar link van noot.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-11207.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.