Vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);

Gelet op artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet;

Besluit:

Artikel 1

De nieuwe tekst van het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 25 november 2013, nr. PDN 2013-103 (Stcrt. 2014, 122), houdende de aanwijzing van het Habitatrichtlijngebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, het Vogelrichtlijngebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, wordt vastgesteld zoals weergegeven in de bijlage “Aanwijzingsbesluit Nieuwkoopse Plassen & De Haeck” bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze,

w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum: 24 maart 2025

Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, t.a.v. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. de afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE, Zwolle.

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:

  • a)

    de naam en het adres van de indiener;

  • b)

    de dagtekening;

  • c)

    een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en

  • d)

    de gronden van bezwaar.

Meer informatie over Natura 2000 en gerelateerde onderwerpen vindt u op de website https://www.rijksoverheid.nl/natura2000. Voor vragen over Natura 2000 kunt u op werkdagen van 8.30 uur tot 16.30 uur contact opnemen met het klantcontactcentrum van RVO, telefoon 088 - 042 42 42 (lokaal tarief).

Bijlage bij artikel 1

Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

Artikel 1 Aanwijzing Nieuwkoopse Plassen & De Haeck - Habitatrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire habitattypen aangeduid met een sterretje (*)):

    H3140

    Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties

    H3150

    Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition

    H4010

    Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix

    H6410

    Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige, of lemige kleibodem (Molinion caeruleae)

    H6430

    Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones

    H7140

    Overgangs- en trilveen

    H7210

    *Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae

    H91D0

    *Veenbossen

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire soorten aangeduid met een sterretje (*)):

    H1016

    Zeggekorfslak (Vertigo moulinsiana)

    H1082

    Gestreepte waterroofkever (Graphoderus bilineatus)

    H1134

    Bittervoorn (Rhodeus amarus)

    H1149

    Kleine modderkruiper (Cobitis taenia)

    H1163

    Rivierdonderpad (Cottus gobio)

    H1318

    Meervleermuis (Myotis dasycneme)

    H1340

    *Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola)

    H1903

    Groenknolorchis (Liparis loeselii)

    H4056

    Platte schijfhoren (Anisus vorticulus)

Artikel 2 Aanwijzing Nieuwkoopse Plassen & De Haeck - Vogelrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU L 20)1 wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A021

    Roerdomp (Botaurus stellaris)

    A027

    Grote zilverreiger (Egretta alba)

    A029

    Purperreiger (Ardea purpurea)

    A176

    Zwartkopmeeuw (Larus melanocephalus)

    A197

    Zwarte stern (Chlidonias niger)

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A041

    Kolgans (Anser albifrons)

    A050

    Smient (Anas penelope)

    A051

    Krakeend (Anas strepera)

    A292

    Snor (Locustella luscinioides)

    A295

    Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus)

Artikel 3 Aanwijzing Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

Artikel 4 Exclaveringsformule

  • 1.

    Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen als zodanig bestemde of vergunde woonschepen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting wordt afgeweken. Hiervoor gelden de peildata, genoemd in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:

    • a.

      bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • b.

      bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond;

    • c.

      gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

    • d.

      erven: onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terreinen;

    • e.

      tuinen: in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terreinen, beplant met siergewassen en gazons, of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving en veelal, omheind zijn door middel van een afrastering, schutting, muur of haag of geheel of gedeeltelijk zijn omgeven door een sloot;

    • f.

      verhardingen: kunstmatige verhardingen zoals verharde wegen, pleinen, parkeervoorzieningen, erfverhardingen en steenglooiingen met inbegrip van in wegen liggende bruggen en duikers en de tot wegen behorende paden en bermen of zijkanten;

Artikel 5 Instandhoudingsdoelstellingen Habitatrichtlijn: habitattypen en soorten

Artikel 6 Instandhoudingsdoelstellingen Vogelrichtlijn; broedvogels en niet-broedvogels

  • 1.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.

  • 2.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor niet-broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.6 van de nota van toelichting.

Bijlage Nota van toelichting

1. INLEIDING

Het gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna Habitatrichtlijn) en als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 2009/147/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna Vogelrichtlijn). Tezamen vormen deze speciale beschermingszones het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Het besluit bevat de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.

Artikel 1 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Habitatrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 2 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Vogelrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 3 van het besluit introduceert de nota van toelichting en benadrukt dat het besluit niet te lezen is zonder de nota van toelichting. Daarnaast wordt in dit deel van het besluit het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck gevormd uit het Habitatrichtlijngebied en het Vogelrichtlijngebied.

Artikel 4 van het besluit regelt de uitgezonderde delen van de in artikel 1 en artikel 2 aangewezen gebieden.

Artikel 5 en artikel 6 van het besluit bepalen dat er voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen verwezenlijkt dienen te worden. De doelstelling van artikel 5 heeft betrekking op de in artikel 1 opgesomde soorten en habitattypen. De soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanmelding van de habitatrichtlijngebieden in 2003. De doelstelling van artikel 6 heeft betrekking op de in artikel 2 opgesomde vogelsoorten. De vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden in 2000.

In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting worden de aanwijzingen onder de Habitat- en Vogelrichtlijn kort toegelicht.

Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een gebiedsbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op eventuele grenswijzigingen die zijn doorgevoerd nadat het gebied bij de Europese Commissie is aangemeld of die zijn doorgevoerd nadat het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 de bij dit besluit behorende begrenzing toegelicht.

In hoofdstuk 4 wordt een opsomming gegeven van habitattypen en soorten waaraan het gebied zijn betekenis ontleent.

In hoofdstuk 5 worden de algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en worden de specifieke instandhoudingsdoelstellingen, genoemd in artikel 5 en 6, nader toegelicht. Er wordt aangegeven in welke richting de instandhoudingsdoelstelling zich zal moeten ontwikkelen. Daarvoor worden de termen “behoud”, “uitbreiding” en “verbetering” gebruikt. Voor een habitattype wordt de verdeling gemaakt in oppervlakte en kwaliteit, zodat de aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een habitattype altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de oppervlakte en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit wordt gegeven. Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit van het leefgebied. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang van het leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van “behoud” of “uitbreiding” van de populatie.

Bij de nota van toelichting is een bijlage A gevoegd met illustraties van grenswijzigingen indien van toepassing; die illustraties laten zien welke terreindelen zijn vervallen of zijn toegevoegd als onderdeel van de speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Anders dan de andere bijlagen bij de toelichting maakt bijlage A geen integraal onderdeel uit van dit besluit, aangezien er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet enkel nog rechten worden verleend aan de geometrische begrenzing. Bijlage B omvat een nadere onderbouwing van de wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.

2. AANWIJZINGEN HABITAT- EN VOGELRICHTLIJN

Artikel 1 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn (verder aangeduid als “Habitatrichtlijngebied”). Het gebied is in mei 2003 aangemeld volgens de procedure zoals opgenomen in artikel 4 van deze richtlijn, waarna het gebied in december 2004 door de Europese Commissie onder de naam “Nieuwkoopse Plassen en de Haeck” en onder nummer NL3000036 is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio2. Het gebied is aangewezen voor twee prioritaire habitattypen en één prioritaire habitatsoort in de zin van artikel 1 van de Habitatrichtlijn.

Artikel 2 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (verder aangeduid als “Vogelrichtlijngebied”). Het gebied is op 14 februari 1997 (DN. 97463) aangewezen. Bij de Europese Commissie is dit gebied bekend onder nummer NL9801063.

Met betrekking tot het Vogelrichtlijngebied kan er in dit besluit naast mogelijke grenswijzigingen ook een wijziging plaatsvinden bij de vogelsoorten, waarvoor dit gebied destijds is aangewezen. Deze eventuele wijzigingen worden toegelicht in bijlage B. In dit besluit worden alle vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 3 van dit besluit voorziet in de samenvoeging van de speciale beschermingszones tot één Natura 2000-gebied: Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (landelijk gebiedsnummer 103).

Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en onder de Vogelrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen en leefgebieden van Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten in een gunstige staat van instandhouding behouden of, in voorkomend geval, herstellen. De instandhoudingsdoelstellingen (artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5) en de begrenzing zijn in algemene zin nader toegelicht in het Natura 2000-doelendocument (2006)3. Dit document geeft het beleidskader van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen weer en van de daarbij gehanteerde systematiek. Beschrijvingen van habitattypen en (vogel)soorten waarvoor doelen zijn vastgesteld, zijn opgenomen in het Natura 2000 profielendocument (2008)4.

Het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck ligt in de provincies Utrecht en Zuid-Holland en behoort tot het grondgebied van de gemeenten Woerden, Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk en Nieuwkoop.

3. GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEGRENZING

3.1 Gebiedsbeschrijving

De Nieuwkoopse Plassen maken deel uit van het Hollands-Utrechts laagveengebied. Het grootste deel van het gebied wordt gevormd door een plassengebied, ontstaan na afgraving van het veen. Daarnaast bestaat het gebied uit een moerasgebied met rietkraggen, (schraal)graslanden, overgangsveen, moerasheide, legakkers, petgaten en broekbos. Deelgebied De Haeck bestaat uit veenplassen, afgewisseld door broekbos, rietland en schrale hooilanden. Er is een opeenvolging van verschillende stadia van verlanding aanwezig. Deelgebied Schraalgraslanden langs de Meije bestaat uit blauwgrasland met op enkele plekken wat elzen- en wilgenstruweel. De Meijegraslanden, gelegen ten zuiden van het plassen- en moerasgebied, bestaan voornamelijk uit agrarisch grasland doorsneden door sloten.

3.2 Landschappelijke context en kenmerken begrenzing

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck behoort tot het Natura 2000-landschap “Meren en Moerassen”.

De ligging van de habitattypen en van de leefgebieden van de soorten (paragraaf 4.4) waarvoor het gebied is aangewezen, vormt het uitgangspunt voor de begrenzing van de Habitatrichtlijngebieden. Dit is inclusief terreindelen die van mindere kwaliteit zijn. Daarnaast omvat het begrensde gebied ook natuurwaarden die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren, alsmede terreindelen die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen5.

Bij de keuze en de afbakening van de gebieden is geen rekening gehouden met andere vereisten dan die verband houden met de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna6.

De grenzen van Vogelrichtlijngebieden worden bepaald door het gebruik dat de aanwezige bijlage I-soorten, en/of trekkende watervogels, en/of overige trekkende vogels ervan maken, waarbij wordt uitgegaan van landschapsecologische eenheden en de biotoopeisen van de betrokken vogelsoorten.

Het gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is aangewezen als Vogelrichtlijngebied vanwege de aanwezigheid van open water, moerassen met verlandingsstadia, broekbossen en vochtige graslanden, die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en fungeert tevens als broedgebied, ruigebied, overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat, voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten7.

3.3 Geometrische begrenzing en oppervlakte

De geometrische begrenzing van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage Gebiedsbegrenzingen. Voor zover van toepassing is daarbij onderscheid gemaakt tussen de begrenzingen van Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied.

Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van ongeveer 2.000 ha. Hiervan is een klein gedeelte (23 ha) uitsluitend aangewezen onder de Habitatrichtlijn. Deze cijfers betreffen de bruto-oppervlakten omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met in de geometrische begrenzing, tekstueel uitgesloten delen (zie artikel 4 en hierna).

Voor de begrenzing van Natura 2000-gebieden geldt de volgende exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, tuinen, erven, verharding en als zodanig bestemde of vergunde woonschepen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken. Voor de gebruikte begrippen gelden de definities (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied) zoals die omschreven zijn in artikel 4. Daar waar de geometrische begrenzing en de exclaveringsformule niet overeenstemmen, is de exclaveringsformule doorslaggevend.

Voor de toepassing van de begrenzing en de exclaveringsformule van artikel 4 gelden er peildata:

  • 14 februari 1997 voor de gebiedsdelen die zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied.

  • 7 december 2004 voor de gebiedsdelen die geplaatst zijn op de eerste lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio8.

  • 25 november 2013 voor de gebiedsdelen die met het Natura 2000-aanwijzingsbesluit zijn toegevoegd aan het eerder aangewezen Vogelrichtlijngebied en aangemelde Habitatrichtlijngebied.

De begrenzingen van het Vogelrichtlijngebied en het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) zijn op enkele technische punten verbeterd (2013):

  • Bestaande bebouwing (inclusief erven en tuinen; reeds tekstueel geëxclaveerd) waar geen Natura 2000- waarden voorkomen, is waar mogelijk op grond van kadastrale of topografische lijnen buiten de begrenzing gebracht (zie ook volgende alinea).

  • Percelen met woonboten zijn beschouwd als bebouwd. Dit betreft met name het woonarkencomplex Zuideinde, percelen met huisnummers De Meije 140-162 en de daaraan grenzende voormalige jachthaven De Meije.

  • Het kadastrale perceel van kampeerterrein Nieuw-Zeeland (in De Haeck) is verwijderd gelet op grondgebruik en de aanwezige bebouwing.

  • De begrenzing is waar mogelijk gelegd langs topografisch herkenbare lijnen, zoals wegen, wateren, perceelscheidingen en bosranden.

  • De begrenzingen van het Vogelrichtlijngebied en van het Habitatrichtlijngebied zijn zoveel mogelijk gelijkgetrokken waarbij in principe de meest ruime begrenzing is aangehouden (uitzondering De Meije, zie onder).

  • Aan de zuidkant van het voormalig beschermd natuurmonument De Haeck is de grens van het Natura 2000-gebied gelijkgetrokken met de grens van het voormalig natuurmonument.

  • Overlap van 5 meter of minder met kadastrale percelen die grotendeels buiten het gebied liggen, is, gelet op de kadastrale inschrijving9, waar mogelijk beperkt. Aldaar is de kadastrale lijn aangehouden. Deze werkwijze is alleen gevolgd op plekken waar geen Natura 2000-waarden aanwezig zijn.

Overige wijzigingen van meer dan 1 ha worden in de volgende alinea’s toegelicht.

De aanpassing van de begrenzing van dit gebied (in 1997 aangewezen als Vogelrichtlijngebied) betreft vooral de verwijdering van bebouwing, erven en tuinen (2013). Mede aan de hand van vrijwel gebiedsdekkende bestemmingsplannen (die meestal nauwkeurig de ligging van woningen en tuinen weergeven) is de begrenzing aangepast. Complicerende factor daarbij is dat in Nieuwkoop en Noorden de oorspronkelijke grens van het Vogelrichtlijngebied een vloeiende lijn volgt die plaatselijk door achtertuinen loopt en deels over het water van het aangrenzende plassengebied. De ecologische waarde van de (vaak beschoeide) oeverzone en het direct daaraan grenzende water is nihil. Daarom is de grens waar geen riet of natuurlijke oevervegetatie aanwezig is, weer teruggelegd op de oorspronkelijke Vogelrichtlijngrens waar deze door het water loopt (deze strook water heeft een breedte van doorgaans 10-30 m). Waar de oorspronkelijke Vogelrichtlijngrens over bebouwde percelen loopt (zoals vaak langs het Zuideinde), is de grens teruggelegd tot de rand van het bebouwde perceel.

De begrenzing van Vogelrichtlijngebied is aangepast (2013) (bijlage A):

  • De woonbotenhaven Leliveld (3,8 ha) bij Zuideinde en de woonschepenhaven met het aangrenzende recreatieterrein De Meije (3 ha) is aan het gebied onttrokken omdat deze geen betekenis hebben voor de vogelwaarden waarvoor het gebied is aangewezen.

  • Een terrein voor verblijfsrecreatie (o.a. caravanpark, 13 ha) aan de Uitweg (Woerdense Verlaat) is aan het gebied onttrokken omdat het geen betekenis heeft voor de vogelwaarden waarvoor het gebied is aangewezen. De grens wordt hier gelegd op die van het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld).

De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied is aangepast (2013):

  • De woonbotenhaven Leliveld (3,8 ha) bij Zuideinde en de woonschepenhaven met het aangrenzende recreatieterrein De Meije (3 ha) is aan het gebied onttrokken omdat deze geen betekenis hebben voor de habitatwaarden waarvoor het gebied is aangewezen.

  • Het gebied is uitgebreid met het voormalig beschermd natuurmonument De Meije (23 ha; aangewezen als deelgebied van het voormalig beschermd natuurmonument Schraallanden Utrecht-West) wegens het voorkomen van het (sterk bedreigde) habitattype blauwgraslanden (H6410).

4. NATURA 2000-WAARDEN

4.1 Inleiding

In artikel 1 en 2 is een opsomming gegeven van de waarden waaraan het gebied zijn betekenis als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied ontleent. Wat betreft de aanwijzing als Habitatrichtlijngebied wordt in paragrafen 4.2.1 en 4.2.2 een lijst gegeven van de habitattypen (met vermelding van de aanwezige subtypen) en soorten waarvoor het gebied is aangewezen10. Paragraaf 4.2.3 vermeldt de vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen. Op alle vermelde Natura 2000-waarden is een instandhoudingsdoelstelling van toepassing (zie artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5).

Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 vermeld welke selectiecriteria op het Habitatrichtlijngebied van toepassing zijn en wordt onderbouwd waarom het gebied als Habitatrichtlijngebied is geselecteerd. Van elke Natura 2000-waarde waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet, wordt in bijlage B.3 in tekst en/of tabelvorm de betekenis (relatieve bijdrage) van het gebied afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden die aan de selectiecriteria voldoen. Ten slotte beschrijft paragraaf 4.4 de verspreiding van habitattypen en soorten binnen het gebied, ter onderbouwing van de gevolgde gebiedsbegrenzing.

4.2 Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen
4.2.1 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I11)

Het gebied is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitats opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een bijdrage levert aan de instandhouding op landelijk niveau. Ten behoeve van de nationale uitwerking van de Habitatrichtlijn is een deel van de habitattypen verdeeld in subtypen, vanwege de zeer ruime variatie in fysieke omstandigheden en soortensamenstelling. De namen van de habitattypen en daarvan afgeleide subtypen zullen verder met hun verkorte namen worden aangeduid. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2008) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H3140

Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties

Verkorte naam Kranswierwateren

H3150

Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition

Verkorte naam Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

H4010

Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix

Verkorte naam Vochtige heiden

betreft het subtype:

H4010B

Vochtige heiden (laagveengebied)

H6410

Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige, of lemige kleibodem (Molinion caeruleae)

Verkorte naam Blauwgraslanden

H6430

Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones

Verkorte naam Ruigten en zomen

betreft de subtypen:

H6430A

Ruigten en zomen (moerasspirea)

H6430B

Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)

H7140

Overgangs- en trilveen

Verkorte naam Overgangs- en trilvenen

betreft de subtypen:

H7140A

Overgangs- en trilvenen (trilvenen)

H7140B

Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)

H7210

*Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae

Verkorte naam Galigaanmoerassen

H91D0

*Veenbossen

Verkorte naam Hoogveenbossen

 
 
4.2.2 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage I12)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een wezenlijke functie in de levenscyclus vervult. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding op landelijk niveau. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2008) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H1016

Zeggekorfslak (Vertigo moulinsiana)

H1082

Gestreepte waterroofkever (Graphoderus bilineatus)

H1134

Bittervoorn (Rhodeus amarus)

H1149

Kleine modderkruiper (Cobitis taenia)

H1163

Rivierdonderpad (Cottus gobio)

H1318

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

H1340

*Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola)

H1903

Groenknolorchis (Liparis loeselii)

H4056

Platte schijfhoren (Anisus vorticulus)

4.2.3 Vogelrichtlijn: vogelsoorten (bijlage I en artikel 4.2)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn:

A021

Roerdomp (Botaurus stellaris)

A027

Grote zilverreiger (Egretta alba)

A029

Purperreiger (Ardea purpurea)

A176

Zwartkopmeeuw (Larus melanocephalus)

A197

Zwarte stern (Chlidonias niger)

Verder is het gebied aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen in hun trekzones (artikel 4.2):

A041

Kolgans (Anser albifrons)

A050

Smient (Anas penelope)

A051

Krakeend (Anas strepera)

A292

Snor (Locustella luscinioides)

A295

Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus)

Wijzigingen ten opzichte van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1997) en/of het ontwerpbesluit (2008) zijn verklaard in bijlage B.2 van deze nota van toelichting.

4.3 Habitatrichtlijn: waarden waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet
4.3.1 Habitattypen (bijlage I)

Voor niet-prioritaire habitattypen opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor habitattypen welke verdeeld zijn in subtypen, geldt een aantal van “drie belangrijkste gebieden” per subtype. Voor prioritaire habitattypen13 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden” en voor subtypen van prioritaire habitattypen een aantal van “vijf belangrijkste gebieden” per subtype. Verdeling in subtypen ten behoeve van de selectie is alleen toegepast indien de subtypen een verschillende verspreiding hebben en de beschikbare gegevens verdeling in subtypen toelaten. Voor één habitattype, dat in voldoende mate in gebieden is vertegenwoordigd die voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd (slijkgrasvelden (H1320)). De betekenis van het gebied is afgemeten aan de aanwezige oppervlakte en zo nodig ook de representativiteit van het habitattype. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding14. In de onderstaande tabel zijn de habitattypen vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitattypen waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3).

Habitattype

Xa

Yb

Landelijke oppervlakte c

Oppervlakte in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck d

Oppervlakte in Yde gebied e

Selectie bij aanmelding

H3150

5

4

ca. 4.000

B1 (2-6%)

B1 (2-6%)

ja

H4010B

3

3

ca. 50

A1 (15-30%)

B2 (6-15%)

ja

H6410

5

5

ca. 180

B2 (6-15%)

-

nee

H7140B

3

3

ca. 1.800

B2 (6-15%)

B2 (6-15%)

nee

*H7210

10

8

ca. 100

-

C (<2%)

ja

*H91D0

10

10

ca. 1.000

B1 (2-6%)

B1 (2-6%)

nee

  • (a)

    Aantal gebieden dat maximaal voor dit habitattype kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot de X belangrijkste gebieden” voor het betreffende habitattype.

  • (b)

    Aantal gebieden dat op grond van de huidige gegevens en omstandigheden zou voldoen aan het onder (a) genoemde selectiecriterium (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin het habitattype is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).

  • (c)

    Geschatte landelijke oppervlakte van het (subtype van het) habitattype in hectaren.

  • (d)

    Oppervlakte in het onderhavige gebied, uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte. (Niet ingevuld indien gebied niet één van de X belangrijkste gebieden is.)

  • (e)

    Oppervlakte van het habitattype in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied. (Niet ingevuld indien niet van belang voor de bepaling van de relatieve betekenis van het gebied, wanneer representativiteit in plaats van oppervlakte doorslaggevend was.)

4.3.2 Soorten (bijlage II)

Voor niet-prioritaire soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor prioritaire soorten15 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden”. Voor enkele verspreid over het land voorkomende soorten, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd16. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de omvang van de aanwezige populatie. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding17. In de onderstaande tabel zijn de habitatsoorten vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitatsoorten waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3).

Code

Soort

Xa

Yb

Landelijke populatie c

% in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck d

% in Yde gebied e

Selectie bij aanmelding

H1082

Gestreepte waterroofkever

5

5

Zie bijlage B.3

nee

*H1340

Noordse woelmuis

10

13

ca. 600

-

C (<2%)

ja

  • (a)

    Aantal gebieden dat maximaal voor deze soort kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot de X belangrijkste gebieden” voor de betreffende soort.

  • (b)

    Aantal gebieden dat op grond van de huidige gegevens en omstandigheden zou voldoen aan het onder (a) genoemde selectiecriterium (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin de soort is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).

  • (c)

    Landelijke voortplantingspopulatie in exemplaren of aantal bezette kilometerhokken (km2).

  • (d)

    Populatiegrootte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke populatie. (Niet ingevuld indien gebied niet één van de X belangrijkste gebieden is.)

  • (e)

    Populatiegrootte in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied.

4.4 Voorkomen habitattypen en soorten in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is bepaald aan de hand van de ligging van habitattypen en leefgebieden van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De verspreiding van de betreffende habitattypen en soorten binnen het gebied wordt in deze paragraaf globaal beschreven ter onderbouwing van de gevolgde begrenzing. Het is niet bedoeld als een uitputtende beschrijving.

Kranswierwateren (H3140) en meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) komen vooral aan de noordoostkant van het gebied voor en verspreid over het gebied in geïsoleerde sloten en petgaten. Vochtige heiden, laagveengebied (H4010B) komen voor in De Haeck, de omgeving van de Machinesloot en het voormalig natuurmonument Schraallanden langs de Meije. Overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden (H7140B) komen uitgebreid voor in De Haeck en binnen het aangrenzende graslandgebied, in het centrum van het moerasgebied en verspreid in het zuidwestelijk deel van het moerasgebied. Overgangs- en trilvenen, trilvenen (H7140A) komen met een kleine oppervlakte voor tussen de Zuideinderplas en Noordeinderplas en in de omgeving van de Machinesloot. Hoogveenbossen (H91D0) komen verspreid in het gebied voor, met uitzondering ten noorden van De Haeck. Het habitattype galigaanmoerassen (H7210) is aanwezig in de omgeving van de Machinesloot. Blauwgraslanden (H6410) komen voor in De Haeck, maar voornamelijk in voormalig natuurmonument Schraallanden langs de Meije. Het habitattype ruigten en zomen, moerasspirea (H6430A) wordt in vrijwel het gehele moerasgebied aangetroffen.

De noordse woelmuis (H1340) komt verspreid in de moerassige delen van het gehele gebied voor. De bittervoorn (H1134) is onder andere aangetroffen in de Wijde van de Vliet en enkele polderwateren ten zuiden daarvan. De kleine modderkruiper (H1149) is aangetroffen in de poldersloten in het oosten van het gebied, zoals die van de graslanden langs de Meije. De gestreepte waterroofkever (H1082) is vooral in het centrale deel van het gebied aangetroffen in petgaten en sloten, vaak met submerse vegetatie. Verder fungeert het gebied als foerageergebied van meervleermuizen (H1318) afkomstig uit kraamkolonies en verblijfplaatsen rondom het gebied, die overdag in gebouwen in de wijde omgeving verblijven (zie ook paragraaf 5.4) en ’s nachts boven het water foerageren. De platte schijfhoren (H4056), is verspreid in het gehele moerasgebied en in de sloten van de graslanden langs de Meije aangetroffen. De groenknolorchis (H1903) komt voor in De Haeck en in het centrum van het gebied. De zeggekorfslak (H1016) komt vooral voor in het meest zuidwestelijke deel van het gebied.

5. INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN

5.1 Inleiding

Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel aan maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Ingevolge artikel 4, vierde lid, Habitatrichtlijn worden bij aanwijzing als Habitatrichtlijngebied “tevens de prioriteiten vast[gesteld] gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat […] of van een soort […] alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging”.

Deze bepaling is in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nader uitgewerkt. Op grond van dit artikel bestaat de verplichting om in een aanwijzing doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van leefgebieden van vogelsoorten dan wel doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten op te nemen. Om die reden zijn voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Voor zover van toepassing is daarbij aangegeven welke habitattypen en/of (vogel)soorten ten koste mogen gaan van andere habitattypen en (vogel)soorten. Bij broedvogelsoorten met een regionale doelstelling is in de toelichting aangegeven wat in een bepaalde periode de minimale en maximale bijdrage van het betreffende gebied aan het regionale doelniveau is geweest.

In bijlage B.4 van deze nota van toelichting is een overzicht opgenomen van alle gebiedsdoelstellingen per Natura 2000-waarde.

Voor de Natura 2000-gebieden zullen in beheerplannen instandhoudingsmaatregelen worden uitgewerkt die beantwoorden aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten van de betrokken natuurlijke habitats en (vogel)soorten.

Als verdere invulling van het stellen van prioriteiten zijn voor de acht onderscheiden Natura 2000- landschappen18 kernopgaven geformuleerd op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, de landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (“richting geven”) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en (vogel)soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (2006).

5.2 Algemene doelen

Behoud en indien van toepassing herstel van:

  • 1.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie;

  • 2.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;

  • 3.

    de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;

  • 4.

    de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

5.3 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I)

H3140

Kranswierwateren

Doel

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype kranswierwateren komt in een vorm voor die kenmerkend is voor laagvenen. Het is van oudsher een belangrijk gebied voor dit habitattype en nu vooral voor de landelijke spreiding van belang. De afgelopen jaren is enig herstel in oppervlakte opgetreden.

H3150

Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

Doel

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

Toelichting

Het gebied is van grote betekenis voor het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden. Na een sterke achteruitgang in de afgelopen tientallen jaren treedt enig herstel op. Het is gewenst de kwaliteit verder te verbeteren en de oppervlakte uit te breiden.

H4010

Vochtige heiden

Doel

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige heiden, laagveengebied (subtype B).

Toelichting

Het habitattype vochtige heiden, laagveengebied (subtype B) heeft zich in de afgelopen tientallen jaren sterk ontwikkeld en is in goede kwaliteit aanwezig. Ofschoon het gebied een van de grootste vindplaatsen vertegenwoordigt van dit subtype, zijn er goede potenties voor verdere uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit.

H6410

Blauwgraslanden

Doel

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

Toelichting

Het gebied is van oudsher een belangrijk gebied voor het habitattype blauwgraslanden en nu vooral voor de landelijke spreiding van belang. Het gebied hoort tot de laatste bastions waar dit eertijds in de omgeving wijd verbreide habitattype blauwgraslanden nog voorkomt. Er is nog een vrij grote oppervlakte aanwezig. De kwaliteit is overwegend matig, maar plaatselijk goed. Er zijn goede potenties voor uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit.

H6430

Ruigten en zomen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) en ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B).

Toelichting

Het habitattype ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) komt verspreid in het gebied voor op enkele percelen, voornamelijk rond de Noordeinderplas. De vegetatie is mede van belang voor enkele vogelsoorten en de noordse woelmuis (H1340). Het habitattype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B) komt met een beperkte oppervlakte en een matige kwaliteit voor in het uiterste noorden van het gebied en bij Zuidhoek. Omdat het gebied niet tot de belangrijkste gebieden behoort en evenmin potenties heeft voor de brakke variant, is behoud van de huidige oppervlakte en kwaliteit van subtype B voldoende.

H7140

Overgangs- en trilvenen

Doel

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype overgangs- en trilvenen komt vooral voor in basenarm milieu. Lokaal zijn in het gebied ook voorbeelden aanwezig van het basenrijke trilveen (overgangs- en trilvenen, trilvenen (subtype A)).

H7210

*Galigaanmoerassen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype galigaanmoerassen is nauw verbonden met het voorkomen van trilvenen (H7140A). Galigaan komt in dit gebied met slechts een kleine oppervlakte voor langs enkele sloten. De perspectieven voor herstel lijken gering.

H91D0

*Hoogveenbossen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype is verspreid in het gebied aanwezig. Een verdere uitbreiding van het habitattype hoogveenbossen is op het moment niet gewenst, omdat dit afbreuk zou doen aan de betekenis van het gebied voor vogels en overige fauna.

5.4 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage II)

H1016

Zeggekorfslak

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De zeggekorfslak is op enkele locaties in het gebied aangetroffen. De soort is aangetroffen in aantallen variërend van enkele tot tientallen exemplaren.

H1082

Gestreepte waterroofkever

Doel

Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

Het voorkomen van de gestreepte waterroofkever is in dit gebied bekend sinds 2003. De soort leeft hier in een klein deel van het gebied waar sloten en legakkers op korte afstand van elkaar liggen. De gestreepte waterroofkever heeft een zeer ongunstige staat van instandhouding en is vrijwel geheel beperkt tot laagveenmoerassen. In de Nieuwkoopse Plassen is één van de grootste populaties van Nederland aanwezig.

H1134

Bittervoorn

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De bittervoorn is op enkele plaatsen in het gebied aangetroffen. Het gebied ligt binnen het hoofdverspreidingsgebied van de soort.

H1149

Kleine modderkruiper

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De kleine modderkruiper komt voor in enkele polderwateren in het gebied. De soort verkeert landelijk in een gunstige staat van instandhouding en komt in Nederland algemeen en wijdverspreid voor.

H1163

Rivierdonderpad

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De rivierdonderpad is verspreid door het gebied waargenomen, zowel langs de grotere plassen als in smallere wateren. Waarschijnlijk is de populatie groter dan de (vrij beperkte) waarnemingen suggereren.

H1318

Meervleermuis

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

Het betreft een belangrijk foerageergebied voor meervleermuizen die overdag in de gebouwen in de wijde omgeving verblijven (actieradius 10 km). Tot nu toe zijn er kraamverblijven bekend in Waddinxveen (enkele honderden dieren), Aarlanderveen, Kamerik en Nieuwveen (elk enkele tientallen tot enkele honderden dieren) en mannenverblijven in Ter Aar, Woerdense Verlaat en Kanis. Belangrijke vliegroutes naar het gebied zijn onder andere de Kadewetering, Grecht, Heinoomsvaart en de Ringvaart door Aarlanderveen.

H1340

*Noordse woelmuis

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De noordse woelmuis verkeert landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding, waarbij ze onder meer in het Utrechts en –Zuid-Hollandse veenweidegebieden ernstig onder druk staat. In Nieuwkoop is nog wel een grote populatie van de soort aanwezig. Deze staat in verbinding met een kleinere populatie in de Kamerikse Nessen.

H1903

Groenknolorchis

Doel

Behoud omvang en kwaliteit biotoop voor behoud populatie.

Toelichting

De groenknolorchis komt voor op een beperkt aantal plaatsen, waar de soort groeit in een smalle gradiënt tussen oppervlaktewater en sterk door regenwater beïnvloede verlandingsvegetatie. Gezien de natuurlijke ontwikkeling van het gebied ligt een uitbreiding niet voor de hand. Omdat de bestaande groeiplaatsen door successie kunnen verdwijnen, is het wel van belang mogelijkheden voor nieuwvestiging in stand te houden.

H4056

Platte schijfhoren

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

Het gebied levert een belangrijke bijdrage voor de platte schijfhoren. De platte schijfhoren is afhankelijk van veenbodems en helder voedselarm water. De soort kan op meer plaatsen en in hogere dichtheden worden aangetroffen wanneer de diversiteit aan onderwaterplanten toeneemt.

5.5 Vogelrichtlijn: broedvogels

A021

Roerdomp

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 6 paren (territoria).

Toelichting

De roerdomp is van oudsher een gewone broedvogel van de rietmoerassen. De populatie neemt al decennia lang geleidelijk af. Voor 1970 werden geregeld ten minste 10 territoria vastgesteld. Daarna is het aantal nooit meer boven de 10 gekomen. Het gemiddelde van de jaren 1999-2003 was 2 territoria. Het aantal in de doelstelling is afgeleid van het gemiddelde van de jaren 1992-1996 van 5,8 territoria19. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding en de negatieve lokale trend is als doel uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied geformuleerd. Het gebied kan onvoldoende draagkracht leveren voor een sleutelpopulatie, maar kan wel bijdragen aan de draagkracht in de regio Hollands-Utrechts Plassengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.

A029

Purperreiger

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 120 paren.

Toelichting

De purperreiger is al zeker vanaf de jaren veertig broedvogel in dit gebied. In de jaren zestig en zeventig kwamen jaarlijks circa 300 paren tot broeden (maximaal 380 in 1968). Daarna daalde het aantal en vanaf 1980 werd het aantal van 200 broedparen nooit meer overschreden. Het dieptepunt werd bereikt in 1991 met 87 paren (gemiddelde 1999-2003 is 120 paren). Daarna trad weer enige toename op. In 1999-2008 broedden jaarlijks 106-140 paren (gemiddeld 125 paren). Gezien de langdurige stabiele populatie in dit gebied is behoud van het leefgebied en de populatie voldoende. Het gebied levert voldoende draagkracht voor een kolonie van minstens 60 broedparen.

A176

Zwartkopmeeuw

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 9 paren.

Toelichting

Buiten de Zeeuws-Hollandse delta worden zelden kolonies van zwartkopmeeuwen aangetroffen. Meestal gaat het om één of enkele paartjes in een kokmeeuwenkolonie. In de Nieuwkoopse Plassen bevindt zich de enige “kolonie” buiten de delta. Vestiging vond plaats in 1991 en maximaal werden 21 paren geteld in 1999. Het aantal in het doel is gelijk aan het gemiddelde van de periode 1999-2003. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. Het gebied kan onvoldoende draagkracht leveren voor een sleutelpopulatie en het betreft een geïsoleerde broedplaats.

A197

Zwarte stern

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 115 paren.

Toelichting

De zwarte stern is van oudsher een algemene broedvogel met rond 1950 nog honderden paren (in 1950 mogelijk 300 paren). Mede door het aanbod van vlotjes heeft zich in de jaren 1991- 1995 een populatie van gemiddeld ruim 114 paren kunnen handhaven. Het aantal in de doelstelling is daarvan afgeleid. In de jaren 2004-2008 waren de aantallen 43-72 paren. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding van de populatie en de negatieve lokale trend is een hersteldoelstelling voor het leefgebied en een populatiedoelstelling op een relatief hoog niveau geformuleerd. Het gebied levert voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.

A292

Snor

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 25 paren.

Toelichting

De snor is van oudsher een talrijke broedvogel in dit gebied. Eind jaren zestig waren er nog 100-120 territoria in het gebied. Daarna is de populatie sterk afgenomen. In 1982 kwamen ten minste 47 territoria voor. Het aantal in het doel is afgeleid van het voorlopig maximum van 26 territoria in 2006. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding van de populatie is in dit gebied een populatie op het recente (2006) relatief hoge niveau gewenst. Behoud van het leefgebied is daarvoor voldoende. Het gebied kan onvoldoende draagkracht leveren voor een sleutelpopulatie, maar kan wel een bijdrage gaan leveren aan de draagkracht in de regio Hollands-Utrechts plassengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.

A295

Rietzanger

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 680 paren.

Toelichting

De rietzanger is van oudsher een zeer talrijke broedvogel met honderden paren. Het is één van de grootste sleutelpopulaties van Nederland. Op basis van recente telgegevens (2006: circa 680 territoria) wordt het aantal geschat op 680 paren. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding met betrekking tot het leefgebied en de populatieomvang, is behoud voldoende. Het gebied levert voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.

5.6 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

A027

Grote zilverreiger

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 60 vogels (seizoensmaximum).

Toelichting

Aantallen grote zilverreigers zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als slaapplaats. Het gebied levert de grootste bijdrage als slaapplaats binnen het Natura 2000-netwerk. Trendgegevens zijn niet beschikbaar.

A041

Kolgans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld3.000 vogels (seizoensmaximum).

Toelichting

Het gebied heeft voor de kolgans met name een functie als slaapplaats. Trendgegevens zijn niet beschikbaar.

A050

Smient

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld3.500 vogels (seizoensmaximum).

Toelichting

Het gebied heeft voor de smient met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied. Trendgegevens zijn niet beschikbaar.

A051

Krakeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 90 vogels (seizoensmaximum).

Toelichting

Het gebied heeft voor de krakeend met name een functie als foerageergebied. Trendgegevens zijn niet beschikbaar.

Bijlage A

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Intrekking terreindelen voormalig beschermd natuurmonument

Aanduiding plekken waar terreindelen die volgens de kaarten deel uitmaken van het voormalig beschermd natuurmonument De Haak, zijn ingetrokken als onderdeel van de betreffende voormalig beschermd natuurmonument.

Blauwe lijnen zijn kadastrale lijnen, codes betreffen kadastrale perceelnummers.

afbeelding binnen de regeling

Bijlage B

Nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.

B.1 Wijzigingen in habitattypen en soorten ten opzichte van aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2008) (paragraaf 4.2.1 en 4.2.2)
  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2008) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype ruigten en zomen (H6430), moerasspirea (subtype A) en harig wilgenroosje (subtype B), omdat uit onderzoek blijkt dat dit type in het gebied voorkomt.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2008) is het gebied ook aangewezen voor de zeggekorfslak (H1016). De soort is op verschillende locaties binnen het gebied aangetroffen. Het voorkomen van de soort in dit gebied was tot voor kort onbekend aangezien er eerder geen monitoringswerkzaamheden zijn uitgevoerd. Het is aannemelijk dat de soort reeds ten tijde van de aanmelding in het gebied aanwezig was.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2008) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort rivierdonderpad (H1163), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), maar conform het ontwerpbesluit (2008), is het gebied ook aangewezen voor de platte schijfhoren (H4056). Deze soort is na de aanmelding in bijlage II opgenomen. Bij recente inventarisaties is gebleken dat dit één van de Natura 2000-gebieden is waar de soort voorkomt.

B.2 Wijzigingen in vogelsoorten ten opzichte van aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1997) en/of het ontwerpbesluit (2008) (paragraaf 4.2.3)

De vogelsoorten waarvoor het gebied in 1997 is aangewezen, betreffen een opsomming van vogelsoorten waaraan het gebied zijn natuurwetenschappelijke betekenis ontleent. Bij de aanwijzing van 49 Vogelrichtlijngebieden in 2000 is vastgesteld voor welke soorten op grond van artikel 4 van de Vogelrichtlijn een verplichting bestaat voor het treffen van speciale beschermingsmaatregelen in de vorm van de aanwijzing van gebieden (in de richtlijn aangeduid als “speciale beschermingszones”)20. Dit betreft in de eerste plaats 46 soorten die zijn opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn21. Daarnaast zijn gebieden aangewezen voor 51 (andere) trekkende vogelsoorten zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn. Een gebied wordt slechts aangewezen voor de soorten waarvoor het gebied van landelijke betekenis is. Hiervan is in beginsel sprake indien het gebied minstens 1% van de landelijke broedpopulatie herbergt, indien 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied verblijft of indien het gebied in combinatie met andere gebieden voldoende bijdrage kan leveren aan een sleutelpopulatie.

Voor eventuele toevoeging of verwijdering van vogelsoorten is gebruik gemaakt van de cijfers uit SOVON (2000)22, en van SOVON & CBS (2005)23 waarin de ontwikkeling van vogelaantallen in de laatste decennia is beschreven. Dit laatste rapport heeft ook ten grondslag gelegen aan de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Vogelrichtlijnsoorten. Om ecologische redenen, die in voorkomende gevallen hieronder zijn vermeld, is soms van deze algemene criteria afgeweken. Deze werkwijze heeft voor de lijst van vogelsoorten waarvoor dit gebied is aangewezen, de volgende consequenties:

  • Van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1997) zijn de volgende vogelsoorten gehandhaafd: roerdomp (A021), purperreiger (A029, zwarte stern (A197), snor (A292), rietzanger (A295) (als broedvogel) en smient (A050) als niet-broedvogel.

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1997), maar conform het ontwerpbesluit (2008), is het gebied niet aangewezen voor de volgende vogelsoorten van bijlage I van de Vogelrichtlijn: bruine kiekendief (A071), kwartelkoning (A122), visdief (A193) en ijsvogel (A229) als broedvogel en lepelaar (A034), visarend (A075) en goudplevier (A140) als niet-broedvogel. De vermelding in het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit stamt uit de periode van voor 2000 waarin de gebiedenselectie nog niet werd gebaseerd op aantalscriteria. Het gebied blijkt daaraan na toetsing aan telgegevens niet te voldoen en is daarmee van onvoldoende betekenis voor de instandhouding van de (broed)populaties op landelijke schaal.

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1997), maar conform het ontwerpbesluit (2008), is het gebied niet aangewezen voor de volgende soorten trekvogels zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn: rietgans (A039)24, wilde eend (A053), slobeend (A056), tafeleend (A059), kuifeend (A061), meerkoet (A125) (als niet-broedvogel), en aalscholver (A017) als broedvogel. De vermelding in het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit stamt uit de periode van voor 2000 waarin de gebiedenselectie nog niet werd gebaseerd op aantalscriteria. Het gebied blijkt daaraan na toetsing aan telgegevens niet te voldoen en is daarmee van onvoldoende betekenis voor de instandhouding van de (broed)populaties op landelijke schaal.

  • In afwijking van het ontwerpbesluit (2008), maar conform de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1997) is het gebied niet aangewezen voor de volgende vogelsoort van bijlage I van de Vogelrichtlijn: woudaap (A022). Het gebied voldoet niet aan de ondergrens van gemiddeld één broedpaar in de periodes 1993-1997 of 1999-2003, welke geldt voor opname als begrenzingssoort.

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1997) en het ontwerpbesluit (2008) is het gebied niet aangewezen voor de volgende soort trekvogel zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn: grote karekiet (A298). Het gebied herbergde minder dan 1% van de landelijke broedpopulatie van de grote karekiet in de periode 1999-2003 (gemiddelde: 1 broedpaar, 1%-drempel: 3 broedparen).

  • In aanvulling op de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1997), maar conform het ontwerpbesluit (2008), is het gebied ook aangewezen voor de volgende vogelsoorten van bijlage I van de Vogelrichtlijn: zwartkopmeeuw (A176) als broedvogel en grote zilverreiger (A027) als niet- broedvogel. Het gemiddeld aantal vogels in het gebied meer bedraagt dan 1% van de Nederlandse broedpopulatie (zwartkopmeeuw). Het gebied voldoet hiermee aan het criterium voor opname van deze soorten. Op grond van toegenomen kennis over aantallen, verspreiding en populatieomvang zijn voor de grote zilverreiger alleen instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor de vijf gebieden met de grootste bijdrage. Dit gebied hoort daarbij en is daarmee van betekenis voor de landelijke staat van instandhouding van deze soort als niet-broedvogel.

  • In aanvulling op de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1997), maar conform het ontwerpbesluit (2008), is het gebied ook aangewezen voor de volgende trekvogelsoorten zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn: kolgans (A043) en krakeend (A051) als niet-broedvogel. Het gemiddeld aantal vogels in het gebied meer bedraagt dan 0,1% van de biogeografische populatie (kolgans en krakeend). Het gebied voldoet hiermee aan het criterium voor opname van deze soorten.

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1997), maar conform het ontwerpbesluit (2008), zijn de volgende vogelsoorten niet meer opgenomen, omdat deze soorten niet behoren tot de soorten waarvoor Vogelrichtlijngebieden worden aangewezen conform de in 2000 geformuleerde beleidslijn (zie boven): waterral, sprinkhaanrietzanger, rietgors, kleine karekiet, blauwe reiger, kokmeeuw, grote bonte specht, fitis, tjiftjaf, tuinfluiter, zwartkop, spotvogel, winterkoning en wielewaal.

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1997), maar conform het ontwerpbesluit (2008), zijn de volgende vogelsoorten die waren vermeld als broedvogel, niet meer opgenomen omdat deze soorten alleen als niet-broedvogel kunnen worden aangewezen conform de in 2000 geformuleerde beleidslijn: krakeend (A051), tafeleend (A059), kuifeend (A061) en wulp (A160).

B.3 Toepassing selectiecriteria Habitatrichtlijngebieden (paragraaf 4.3)

In dit onderdeel wordt voor elke Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied aan de selectiecriteria voldoet (zie paragraaf 4.3), een overzicht gegeven van alle daarvoor kwalificerende gebieden. Dit gebeurt zoveel mogelijk in de vorm van een tabel met de gebieden die aan de selectiecriteria voldoen, onder vermelding van de relatieve bijdrage. In het geval van habitattypen betreft dit het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. Indien kwaliteit een rol heeft gespeeld in de bepaling van de gebiedenselectie voor habitattypen is dit tekstueel toegelicht. In het geval van soorten betreft de relatieve bijdrage het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is.

Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen, aantal bezette plekken of kilometerhokken.

Er is gebruik gemaakt van de volgende klasse-indeling:

A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75%

B1 = 2-6% en B2 = 6-15%

C = <2%

In de kolom “Bronvermelding” zijn de terreinbeherende organisaties en andere instanties en bronnen vermeld, waaraan de oppervlaktecijfers en aantallen zijn ontleend, met vermelding van de jaren waarin deze zijn verzameld of gepubliceerd.

  • Het gebied is één van de belangrijkste gebieden voor de volgende habitattypen:

H3150 – Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

Landelijke oppervlakte ca. 4.000 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

072

IJsselmeer

A1 (15-30%)

Aanwijzingsbesluit 2010

074

Zwarte Meer

B2 (6-15%)

Aanwijzingsbesluit 2010

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

B1 (2-6%)

Provincie Zuid-Holland 2011

095

Oostelijke Vechtplassen

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn de vijf volgende gebieden voor dit habitattype geselecteerd: De Wieden (035), Zwarte Meer (074), Naardermeer (094), Oostelijke Vechtplassen (095) en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103).

Bij de selectie is over het hoofd gezien dat langs de Friese IJsselmeerkust (IJsselmeer (072)) een aanzienlijke oppervlakte van dit habitattype in de vorm van fonteinkruidvelden aanwezig is (ruim 1.000 ha). Het gebied voldoet hiermee aan het criterium van “belangrijkste gebied”. Andere gebieden met minstens 100 ha van dit habitattype zijn achtereenvolgens: Zwarte Meer (enkele honderden hectaren, fonteinkruiden), Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (rond 200 ha, onder andere krabbenscheer) en Oostelijke Vechtplassen (180 ha, onder andere krabbenscheer). De hierboven genoemde gebieden doen recht aan de ecologische variatie binnen dit habitattype: grote meren met fonteinkruidvelden én plassen met krabbenscheer. Op grond van de beschikbare gegevens kan nog geen vijfde gebied worden benoemd. In het Naardermeer betreffen de met waterplanten begroeide plassen vooral kranswierwateren (H3140) en is het aandeel van het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden hooguit enkele tientallen hectaren.

H4010B – Vochtige heiden, laagveengebied

Landelijke oppervlakte ca. 50 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

A1 (15-30%)

Provincie Zuid-Holland 2011

035

De Wieden

A1 (15-30%)

Provincie Overijssel 2009

034

Weerribben

B2 (6-15%)

Staatsbosbeheer 2010

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

B1 (R, 2-6%) a

Aanwijzingsbesluit 2013

  • a)

    De letter “R” in deze kolom geeft aan dat het gebied is geselecteerd teneinde een voldoende regionale spreiding te verkrijgen binnen het landelijke verspreidingsgebied van het habitattype.

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor het subtype vochtige heiden, laagveengebied drie gebieden geselecteerd: De Wieden (035), Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092)25 en Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (090). Met het oog op geografische spreiding is hieraan het gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) toegevoegd. De in de Noord-Hollandse gebieden aanwezige oppervlakte is hierbij overschat. Met de huidige kennis zijn de drie gebieden met de grootste oppervlakte van dit subtype: Weerribben (034), De Wieden en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. De aanwezige oppervlakte in Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder en Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske bedraagt in elk van deze gebieden slechts circa 1 ha. Uit een oogpunt van geografische spreiding en ecologische variatie26 kan Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske hieraan worden toegevoegd. De aanwezige oppervlakte is hier groter dan in het Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder waar dit subtype ook in goede kwaliteit aanwezig is.

H6410 – Blauwgraslanden

Landelijke oppervlakte ca. 180 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

015

Van Oordt’s Mersken

C (<2%)

Aanwijzingsbesluit 2013

016

Wijnjeterper Schar

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2010

037

Olde Maten & Veerslootslanden

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

049

Dinkelland

B1 (R, 2-6%) a

Aanwijzingsbesluit 2013

065

Binnenveld

B1 (2-6%)

Staatsbosbeheer 2009

069

De Bruuk

B2 (6-15%)

Aanwijzingsbesluit 2013

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

B2 (6-15%)

Provincie Zuid-Holland 2011

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

B2 (R, 6-15%) a

Aanwijzingsbesluit 2013

  • a)

    De letter “R” in deze kolom geeft aan dat het gebied is geselecteerd teneinde een voldoende regionale spreiding te verkrijgen binnen het landelijke verspreidingsgebied van het habitattype.

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor dit habitattype vijf gebieden geselecteerd: Wijnjeterper Schar en Terwispeler Grootschar (015-016)27, Olde Maten & Veerslootslanden (037), Dinkelland (049), Binnenveld (065)28 en De Bruuk (069). De landelijke oppervlakte van dit habitattype bedraagt ongeveer 180 ha, waarvan waarschijnlijk minder dan de helft van goede kwaliteit is.

Op grond van recente gegevens, met name over het kwaliteitsaspect, herbegrenzing van gebieden, aanpassing van de definitie van het habitattype (onder andere heldere afbakening ten opzichte van kalkmoerassen (H7230) en heischrale graslanden (H6230)) en inschatting van de herstelkansen, worden de volgende gebieden als belangrijkste beschouwd:

  • In De Bruuk is één van de grootste oppervlakten aanwezig (circa 10 ha), waarvan een groot deel goed ontwikkeld is. De kansen op uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit zijn groot (en deels al in ontwikkeling). Het habitattype komt voor in twee vormen, te weten als blauwgrasland en veldrusschraalland. De laatste vorm is nergens anders in ons land zo goed ontwikkeld.

  • In het gebied Binnenveld is een aanzienlijke oppervlakte aanwezig (circa 8 ha), waarvan ongeveer de helft goed ontwikkeld is en waar substantiële uitbreiding kan worden gerealiseerd.

  • Olde Maten & Veerslootslanden herbergt ongeveer 5 ha blauwgrasland, ten dele goed ontwikkeld met bijzondere soorten als knotszegge en parnassia. Het aangrenzende gebied De Wieden (035) heeft weliswaar een grotere oppervlakte maar minder bijzondere soorten. Ook worden de herstelkansen daar lager ingeschat.

  • In het gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) is door de uitbreiding met het aangrenzende voormalig beschermd natuurmonument De Meije de oppervlakte blauwgrasland toegenomen tot ruim 15 ha, waardoor dit Natura 2000-gebied het belangrijkste gebied in het westen van het land is met als bijzondere soort knotszegge.

  • Wijnjeterper Schar en Terwispeler Grootschar (nu onderdeel van Van Oordt’s Mersken (015)) herbergen in totaal ruim 5 ha blauwgrasland, deels van goede kwaliteit met bijzondere soorten als knotszegge en vlozegge.

Het habitattype blauwgraslanden komt verspreid over het land in diverse Natura 2000-landschappen voor waardoor de ecologische variatie van dit schaarse habitattype in de genoemde belangrijkste gebieden onvoldoende wordt afgedekt. Met het oog op geografische spreiding worden daarom nog twee gebieden in de Natura 2000-landschappen Beekdalen en Rivierengebied toegevoegd:

  • In Dinkelland zijn in het deelgebied Punthuizen blauwgraslanden (enkele ha) van bijzondere kwaliteit aanwezig, met bijzondere soorten als moeraswespenorchis, wijdbloeiende rus en moerassmele.

  • Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (132) bevat een aanzienlijke oppervlakte (ongeveer 10 ha) van deels goede kwaliteit. Het betreft één van de weinige voorbeelden van blauwgrasland met grote pimpernel en draadrus.

H7140B – Overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden

Landelijke oppervlakte ca. 1.800 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

034

Weerribben

B2 (6-15%)

Staatsbosbeheer 2010

035

De Wieden

B2 (6-15%)

Provincie Overijssel 2009

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

B2 (6-15%)

Provincie Zuid-Holland 2011

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

B1 (R, 2-6%) a

Aanwijzingsbesluit 2013

130

Langstraat

C (R, <2%) a

Aanwijzingsbesluit 2013

  • a)

    De letter “R” in deze kolom geeft aan dat het gebied is geselecteerd teneinde een voldoende regionale spreiding te verkrijgen binnen het landelijke verspreidingsgebied van het subtype.

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor het subtype overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden, drie gebieden geselecteerd: Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (090), Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092)29 en Langstraat (130)30. Deze selectie is sterk gericht op kwalitatieve aspecten. Alleen gelet op de aanwezige oppervlakten zijn de drie belangrijkste gebieden: Weerribben (034), De Wieden (035) en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103), alle met 6-15% van de landelijke oppervlakte van dit subtype. Vanwege voldoende geografische spreiding kunnen hieraan nog twee gebieden worden toegevoegd: Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske in het brakke veenweidegebied van Noord-Holland en Langstraat in het zuiden van het land.

H7210 – *Galigaanmoerassen

Landelijke oppervlakte ca. 100 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

138

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

A2 (30-50%)

Aanwijzingsbesluit 2013

034

Weerribben

B2 (6-15%)

Staatsbosbeheer 2008

002

Duinen en Lage Land Texel

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2009

061

Korenburgerveen

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

133

Kampina & Oisterwijkse Vennen

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

095

Oostelijke Vechtplassen

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

083

Botshol

C (<2%)

Aanwijzingsbesluit 2013

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

C (<2%)

Aanwijzingsbesluit 2013

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor het prioritaire habitattype galigaanmoerassen (H7210) de volgende tien gebieden geselecteerd: Ringselven en Kruispeel31, Alde Feanen (013), Weerribben (034), Korenburgerveen (061), Rottige Meenthe & Brandemeer (018), De Wieden (035), Botshol (083), Nieuwkoopse Plassen & de Haeck (103), Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (136)32 en Duinen en Lage Land Texel (002)33.

Met de huidige kennis worden de volgende gebieden als de belangrijksten beschouwd. Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (138) en Weerribben zijn veruit de belangrijkste gebieden voor dit prioritaire habitattype (respectievelijk 30-50% en 6-15% van de landelijke oppervlakte). Ook de gebieden op de derde tot en met zesde plaats, die elk 2-6% van de landelijke oppervlakte van dit habitat bevatten, leveren een aanzienlijke bijdrage: Duinen en Lage Land Texel, Korenburgerveen, Oostelijke Vechtplassen (095) en Kampina & Oisterwijkse Vennen (133). Door het sterk versnipperde voorkomen van galigaanmoerassen bevatten de overige belangrijkste gebieden elk niet meer dan 2% van de landelijke oppervlakte: Botshol en Zwanenwater & Pettemerduinen (085).

H91D0 – *Hoogveenbossen

Landelijke oppervlakte ca. 1.000 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

094

Naardermeer

A1 (15-30%)

Aanwijzingsbesluit 2013

034

Weerribben

B2 (6-15%)

Staatsbosbeheer 1997

035

De Wieden

B2 (6-15%)

Provincie Overijssel 2009

013

Alde Feanen

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

043

Wierdense Veld

B1 (2-6%)

Landschap Overijssel 2003

053

Buurserzand & Haaksbergerveen

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

061

Korenburgerveen

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

B1 (2-6%)

Provincie Zuid-Holland 2011

138

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

145

Maasduinen

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

055

Aamsveen

G (C, <2%) a

Aanwijzingsbesluit 2013

064

Wooldse Veen

G (C, <2%) a

Aanwijzingsbesluit 2013

  • a)

    De letter “G” in deze kolom geeft aan dat het gebied is geselecteerd op grond van grensoverschrijding: het gebied vormt een geheel met een gebied aan de andere zijde van de rijksgrens dat door Duitsland ook voor dit habitattype is aangemeld.

Voor het prioritaire habitattype hoogveenbossen zijn voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) de volgende tien gebieden als belangrijkste gebieden geselecteerd: Alde Feanen (013), Witterveld (024), Weerribben (034), Buurserzand & Haaksbergerveen (053), Aamsveen (055), Korenburgerveen (061), Naardermeer (094), Oostelijke Vechtplassen (095), Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (136)34 en Maasduinen (145). Verder is toen als grensoverschrijdend gebied Wooldse Veen (064) toegevoegd.

Op basis van nieuwe informatie blijkt Naardermeer verreweg het belangrijkste gebied te zijn vanwege de grootste oppervlakte van goede kwaliteit met bijzondere veenmossoorten. Andere gebieden met grote oppervlakten en goede kwaliteit zijn Weerribben, De Wieden (035) en Alde Feanen. Tot de tien belangrijkste gebieden voor dit habitattype behoren verder Nieuwkoopse Plassen & de Haeck (103), Wierdense Veld (043), Buurserzand & Haaksbergerveen, Korenburgerveen, Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (138) en Maasduinen. De gebieden Aamsveen en Wooldse Veen kunnen worden toegevoegd als grensoverschrijdende gebieden. Witterveld kan nu niet meer tot de tien “belangrijkste” gebieden worden gerekend omdat het merendeel van het berkenbroek daar volgens de huidige opvattingen gerekend wordt tot de habitattypen actieve hoogvenen (H7110A) en herstellende hoogvenen (H7120).

  • Het gebied is één van de belangrijkste gebieden voor de volgende habitatsoorten:

H1082 – Gestreepte waterroofkever

Ten tijde van de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor de habitatsoort gestreepte waterroofkever (H1082) twee gebieden geselecteerd: Weerribben (034) en Oostelijke Vechtplassen (095). De soort was toen in nog enkele gebieden bekend, maar het was niet duidelijk of dit ook bestendige populaties betroffen. Inmiddels is uit gerichte inventarisaties gebleken dat de soort ook in enkele andere Habitatrichtlijngebieden bestendig voorkomt. Het gebied Oostelijke Vechtplassen levert de grootste bijdrage aan de landelijke populatie, gezien het grote aaneengesloten leefgebied en het gemak waarmee hier exemplaren gevangen kunnen worden. Ook Weerribben en De Wieden (035) zijn belangrijke gebieden waarin de soort wijdverspreid voorkomt. In Rottige Meenthe & Brandemeer (018) en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) zijn vrij recent populaties gestreepte waterroofkevers ontdekt. Deze twee gebieden vormen hiermee het vierde en vijfde belangrijkste gebied. Kampina & Oisterwijkse Vennen (133) kan hieraan toegevoegd worden vanwege voldoende geografische spreiding. Dit betreft de enige vindplaats van de gestreepte waterroofkever binnen het Natura 2000-netwerk in het zuiden van Nederland. Bovendien betreft dit de enige overgebleven vennenpopulatie in Nederland.

H1340 – *Noordse woelmuis

Landelijke populatie ca. 600 kilometerhokken

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

002

Duinen en Lage Land Texel

B2 (6-15%)

Aanwijzingsbesluit 2009

112

Biesbosch

B2 (6-15%)

Aanwijzingsbesluit 2013

115

Grevelingen

B2 (6-15%)

Aanwijzingsbesluit 2013

109

Haringvliet

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

118

Oosterschelde

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2010

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

095

Oostelijke Vechtplassen

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

114

Krammer-Volkerak

B1 (2-6%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

091

Polder Westzaan

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

C (<2%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

009

Groote Wielen

C (<2%)

Aanwijzingsbesluit 2011

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

C (<2%)

Aanwijzingsbesluit 2011

089

Eilandspolder

C (<2%)

Aanwijzingsbesluit 2013

Voor de prioritaire soort noordse woelmuis, waarvan de ondersoort arenicola alleen in Nederland voorkomt (grote internationale verantwoordelijkheid), geldt in de eerste plaats het selectiecriterium “tien belangrijkste gebieden”. Bij de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) waren er acht gebieden waar populaties van redelijke omvang bekend waren die tevens een groot en kwalitatief relatief goed leefgebied tot hun beschikking hadden. Deze acht gebieden zijn achtereenvolgens Duinen en Lage Land Texel (002)35, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (090), Polder Westzaan (091), Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092)36, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103), Haringvliet (109), Biesbosch (112), en Grevelingen (115). Omwille van een goede geografische spreiding is bij de aanmelding aan deze acht gebieden nog een negende gebied toegevoegd, namelijk Eilandspolder (089), dat een belangrijk bolwerk vormt voor de populatie in het veenweidegebied van Laag Holland. Met deze negen – kwalitatief beste – gebieden werd de sterk bedreigde metapopulatie uit Friesland nog niet afgedekt. Daarom zijn ten tijde van de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden aanvullend nog drie gebieden geselecteerd: IJsselmeer (072)37, Groote Wielen (009) en Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving (010). Voor Zuidwest-Nederland zijn de drie geselecteerde gebieden (Haringvliet, Biesbosch en Grevelingen) uitgebreid met het Krammer-Volkerak (114), dat tevens een verbinding vormt tussen de verschillende leefgebieden in het Deltagebied. Omwille van de geografische verspreiding en duurzame instandhouding zijn bij de aanmelding derhalve 13 gebieden in plaats van 10 gebieden geselecteerd.

Op grond van inventarisatiegegevens uit de periode 1994-2007 zijn, afgemeten aan het aantal bezette kilometerhokken, Duinen en Lage Land Texel (002), Biesbosch en Grevelingen de drie belangrijkste gebieden voor de noordse woelmuis. Daarnaast behoren Haringvliet, Oosterschelde (118), Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, Oostelijke Vechtplassen (095), Krammer-Volkerak, Polder Westzaan, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder tot de tien belangrijkste gebieden voor deze soort. Groote Wielen, Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving en Eilandspolder kunnen hieraan worden toegevoegd omwille van het bereiken van voldoende geografische spreiding en dekking (mede gelet op de precaire situatie van de Friese populatie).

B.4 Toewijzing instandhoudingsdoelstellingen aan Natura 2000-gebieden (artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5)

Voor zover de hier vermelde gebiedsdoelen en relatieve bijdragen betrekking hebben op de Natura 2000- gebieden die buiten dit aanwijzingsbesluit vallen en waarvan de definitieve besluiten op het moment van vaststelling van het onderhavige besluit nog niet zijn vastgesteld, moeten deze worden beschouwd als “indicatieve” opgaven en kunnen ze nog aan verandering onderhevig zijn.

In dit onderdeel wordt voor iedere Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied is aangewezen, inzichtelijk gemaakt hoe de landelijke doelstelling38 is uitgewerkt in de Natura 2000-gebieden. De landelijke doelstellingen vormen een kader voor de formulering van instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau. De gebiedsdoelen bij elkaar “opgeteld”, eventueel tezamen met een opgave buiten het Natura 2000-netwerk, hebben als som het landelijke doel. Onder iedere tabel wordt de landelijke staat van instandhouding van de betreffende Natura 2000-waarde vermeld. Indien de landelijke doelstelling van de betreffende waarde afwijkt van wat kan worden verwacht uit de landelijke staat van instandhouding, is dit hier gemotiveerd.

Gebiedsdoelstellingen die afwijken van de landelijke doelstelling, worden ook zoveel mogelijk gemotiveerd. In gevallen waarin motivering ontbreekt, is aanpassing nog in overweging (met name naar aanleiding van zienswijzen) in het kader van het besluit voor het betreffende gebied. Doelstellingen die volgens de tabellen zijn aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit (zie kolom “Besluit”) staan eveneens onder de betreffende tabellen gemotiveerd. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-waarden die zijn toegevoegd ten opzichte van het ontwerpbesluit, zijn in principe op behoud gesteld, omdat de landelijke doelstelling al haalbaar werd geacht zonder deze toevoegingen. De instandhoudingsdoelstellingen die om deze reden op behoud zijn gesteld en daarmee afwijken van de landelijke doelstelling voor de betreffende Natura 2000-waarde, zijn in de tabellen gemarkeerd met een x. De niet-broedvogelsoorten waarvoor zowel landelijk als in alle gebieden een behoudopgave is gesteld zijn samengevat in één tabel. Bij broedvogels en niet-broedvogels wordt in de kolom “Populatie” tevens aangegeven of er sprake is van herstel dan wel uitbreiding (↑). In een aparte kolom is van elk gebied de relatieve bijdrage vermeld. Voor een nadere toelichting en de klasse-indeling wordt verwezen naar de inleiding van onderdeel 3 van deze bijlage.

B.4.1 Habitatrichtlijn: habitattypen

H3140 – Kranswierwateren

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

073

Markermeer & IJmeer

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

A3

aanwijzingsbesluit

083

Botshol

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

C

conform ontwerp

130

Langstraat

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

146

Sarsven en De Banen

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

Het overgrote deel van de landelijke oppervlakte van het habitattype kranswierwateren is opgenomen binnen het Natura 2000-netwerk. De twee gebieden met verreweg de grootste oppervlakten uitgestrekte kranswiervelden zijn de Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer (073) en Veluwerandmeren (076). De staat van instandhouding van het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan39. Echter, niet alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan bij de landelijke doelstelling. In de gebieden Markermeer & IJmeer, Veluwerandmeren, Botshol (083) en Naardermeer (094) zijn zodanige oppervlaktes, van goede kwaliteit, van dit habitattype aanwezig, dat behoud voldoende is. In de gebieden Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092), Langstraat (130) en Sarsven en De Banen (146) is de kwaliteit van het habitattype reeds goed. Daarom is er hier op het aspect kwaliteit een behoudsdoelstelling geformuleerd.

H3150 – Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit x

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

083

Botshol

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

B1

conform ontwerp

Ongeveer de helft van de landelijke oppervlakte van het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden wordt binnen de Natura 2000-gebieden beschermd (gebaseerd op een schatting van de oppervlakten van zowel begroeide als onbegroeide waterdelen van eutrofe meren en plassen). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In verscheidene gebieden wordt afgeweken van de landelijke doelstelling. In Olde Maten & Veerslootslanden (037) zijn behoudsdoelstellingen geformuleerd, omdat uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit al in voldoende mate in andere gebieden in Noordwest-Overijssel (De Wieden (035) en Weerribben (034)) kan worden gerealiseerd. In andere gebieden wordt er van de landelijke doelstelling afgeweken, omdat er nagenoeg geen mogelijkheid (ruimte) is om het habitattype uit te breiden en/of de potentie om de kwaliteit ervan te verbeteren gering is, bijvoorbeeld in Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving (010), Alde Feanen (013) en Botshol (083). In het Naardermeer (094) is door recent herstel een aanzienlijk areaal van het habitattype aanwezig. Behoud is derhalve voldoende.

H4010B – Vochtige heiden, laagveengebied

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

behoud

B2

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

behoud

A1

ontwerpbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

uitbreiding

behoud

B1

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

uitbreiding

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

A1

doel aangepast a

De doelstelling voor Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is aangepast van behoud naar verbetering van de kwaliteit. Een groot deel van de oppervlakte van het habitattype vochtige heiden, laagveengebied (H4010B) is van matige kwaliteit en kan door gepaste herstelmaatregelen worden verbeterd.

De landelijke staat van instandhouding van het habitattype vochtige heiden, laagveengebied (subtype B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling is hiermee in lijn gebracht. In het Natura 2000 doelendocument40 was behoud van de kwaliteit als doel gesteld. De uitbreiding van de oppervlakte werd echter gemotiveerd vanuit de noodzakelijke verbetering van structuur en functie, welke onderdeel zijn van de kwaliteit. Gezien de landelijke staat van instandhouding en de goede potenties voor herstel van dit habitattype in een aantal gebieden, is de landelijke doelstelling aangepast naar verbetering van de kwaliteit. In de vier Noord-Nederlandse gebieden, waar de grootste potentie ligt voor het behalen van de landelijke doelstelling, wordt uitbreiding van de oppervlakte nagestreefd en wordt ook kwaliteitsverbetering ten doel gesteld indien hiervoor mogelijkheden zijn in het gebied. In de meeste West-Nederlandse gebieden wordt in tegenstelling tot de landelijke opgave behoud van de oppervlakte en/of kwaliteit beoogd, omdat het in deze gebieden veelal kleine versnipperde oppervlakten betreft waar geen potentie is voor uitbreiding van de oppervlakte en/of verbetering van de kwaliteit.

H6410 – Blauwgraslanden

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

006

Duinen Schiermonnikoog

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

015

Van Oordt’s Mersken

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

016

Wijnjeterper Schar

behoud

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

021

Lieftinghsbroek

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

028

Elperstroomgebied

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

verbetering

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

verbetering

B1

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water & Vecht

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

037

Olde Maten & Veerslootslanden

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

041

Boetelerveld

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

045

Springendal & Dal van de Mosbeek

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

046

Bergvennen & Brecklenkampse Veld

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

047

Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

048

Lemselermaten

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

049

Dinkelland

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

051

Lonnekermeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

057

Veluwe

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

058

Landgoederen Brummen

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

060

Stelkampsveld

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

061

Korenburgerveen

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

062

Willinks Weust

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

065

Binnenveld

uitbreiding

behoud

B1

ontwerpbesluit

069

De Bruuk

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

B2

conform ontwerp

105

Zouweboezem

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

130

Langstraat

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

131

Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

133

Kampina & Oisterwijkse Vennen

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

135

Kempenland-West

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

Het habitattype blauwgraslanden komt in verspreid liggende gebieden in kleine oppervlakten voor. Van de circa 180 ha blauwgrasland in Nederland is ongeveer twee derde opgenomen in het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het habitattype blauwgraslanden is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “zeer ongunstig”41. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Voor het merendeel van de gebieden geldt dat de doelen aansluiten bij de landelijke doelstelling van uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit van het habitattype. In een aantal gevallen is hiervan afgeweken en is er gekozen voor een behoudsdoelstelling voor de oppervlakte of de kwaliteit. De belangrijkste reden met betrekking tot de oppervlakte is dat er buiten het huidig voorkomen in het betreffende gebied niet of nauwelijks uitbreidingsmogelijkheden aanwezig zijn. De landelijke doelstelling ter verbetering van de kwaliteit van dit habitattype kan ook niet in alle gebieden gerealiseerd worden. In het gebied Duinen Schiermonnikoog (006) bijvoorbeeld wordt gezien de geïsoleerde ligging van het gebied geen potentieel herstel van de kwaliteit verwacht. De meest kansrijke gebieden zijn aangewezen voor kwaliteitsverbetering van het habitattype.

H6430A – Ruigten en zomen, moerasspirea

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage a

Besluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

A1

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

072

Ijsselmeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

083

Botshol

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

C

doel toegevoegd

112

Biesbosch

behoud

behoud

A2

aanwijzingsbesluit

152

Grensmaas

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

De weergegeven relatieve bijdragen betreffen een voorlopige inschatting, omdat er nog onduidelijkheid is over de landelijke oppervlakte van dit subtype.

De landelijke staat van instandhouding van het habitattype ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De landelijk opgave is gericht op het behoud van de huidige verspreiding van deze ruigten die meestal lintvormige begroeiingen vormen over het gehele rivierengebied. Bijzondere soorten van dit subtype zijn onder meer te verwachten in ruigten en zomen in extensief beheerde beekdalen die incidenteel overstromen met beekwater en in laagveenmoerassen. Alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke doelstelling.

H6430B – Ruigten en zomen, harig wilgenroosje

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit a

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage b

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte water en Vecht

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

038/

066-068

Rijntakken

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit x

072

IJsselmeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

091

Polder Westzaan

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

100

Voornes Duin

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

108

Oude Maas

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

uitbreiding

behoud

B

aanwijzingsbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

uitbreiding

behoud

A

aanwijzingsbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

124

Groote Gat

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Verbetering kwaliteit geldt voor de brakke varianten.

  • (b)

    De weergegeven relatieve bijdragen betreffen een voorlopige inschatting, omdat er nog onduidelijkheid is over de landelijke oppervlakte van dit subtype. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) omdat kwantitatieve gegevens over het voorkomen van deze zoomvegetaties beperkt beschikbaar zijn. Oppervlakten zijn moeilijk te bepalen omdat het meestal slechts smalle stroken of kleine plekken betreft.

De landelijke staat van instandhouding van het habitattype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Niet in alle gebieden kan de landelijke doelstelling worden nagestreefd. De doelstelling voor uitbreiding van de oppervlakte wordt enkel nagestreefd in de belangrijkste gebieden voor dit habitattype, zoals Oude Maas (108), Haringvliet (109) en Biesbosch (112).

De landelijke doelstelling voor verbetering van de kwaliteit is alleen neergelegd in gebieden die potentie bieden voor verbetering van de kwaliteit van de brakke variant van dit habitattype.

H7140A – Overgangs- en trilvenen, trilvenen

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

behoud

A1

ontwerpbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

045

Springendal & Dal van de Mosbeek

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

065

Binnenveld

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

072

Ijsselmeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

C

conform ontwerp

130

Langstraat

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

Bijna drie kwart van de landelijke oppervlakte van het habitattype overgangs- en trilvenen, trilvenen (subtype A) is opgenomen binnen het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van dit subtype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “zeer ongunstig”42. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Bijna alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke opgave. In de gebieden Vecht- en Beneden-Reggegebied (039) en IJsselmeer (072) wordt van de landelijke doelstelling afgeweken en zijn er behoudsdoelstellingen geformuleerd, omdat er in deze gebieden slechts geringe oppervlakten van dit subtype aanwezig zijn en er weinig zicht is op herstel.

H7140B – Overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

083

Botshol

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

uitbreiding

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

 

aanwijzingsbesluit x

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

B2

conform ontwerp

118

Oosterschelde

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

130

Langstraat

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

Meer dan de helft van de landelijke oppervlakte van het habitattype overgangs- en trilvenen, veenmosrietlanden (subtype B) is opgenomen binnen het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van dit subtype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Niet in alle gebieden kan echter de landelijke doelstelling nagestreefd worden. In het gebied Rottige Meenthe & Brandemeer (018) wordt uitbreiding van de oppervlakte of verbetering van de kwaliteit bijvoorbeeld niet realistisch geacht, gezien de geringe potentie voor herstel van de benodigde kalkrijke kwel. In het gebied De Wieden (035) wordt in tegenstelling tot de landelijke doelstelling behoud van de oppervlakte beoogd. Er is reeds een grote oppervlakte van dit habitattype aanwezig in het gebied en er is geen potentie om deze verder uit te breiden. In het voormalig brakwaterveen Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (090) is het doel voor dit subtype ook op behoud van de oppervlakte gesteld. Reden hiervoor is dat het habitattype over een relatief grote oppervlakte voorkomt. Ook wordt hier, evenals in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092), behoud van de kwaliteit beoogd. Snelle verzuring en verbossing vergen in deze gebieden reeds grote inspanningen om de kwaliteit te behouden. Ook in de gebieden Eilandspolder (089) en Polder Westzaan (091) wijken de doelstellingen af van de landelijke doelstelling. De kansen voor nieuwvorming zijn onduidelijk en de meeste andere gebieden hebben een beter perspectief voor verbetering van de kwaliteit.

H7210 – *Galigaanmoerassen

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

061

Korenburgerveen

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

083

Botshol

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

133

Kampina & Oisterwijkse Vennen

behoud

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

136

Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

138

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

behoud

verbetering

A1

aanwijzingsbesluit

142

Sint Jansberg

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

Het habitattype galigaanmoerassen heeft een sterk versnipperd voorkomen dat doorgaans over kleine oppervlakten voorkomt. Van de circa 100 ha galigaanmoerassen in Nederland is bijna de helft opgenomen in het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van dit habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke kwaliteitsdoelstelling sluit hierop aan. Ondanks dat ook de staat van instandhouding op het aspect oppervlakte matig ongunstig is, geldt voor de oppervlakte landelijk een behoudsdoelstelling. De reden hiervoor is dat het landschapsecologisch nauwelijks uitvoerbaar is om de aanwezige oppervlakten uit te breiden. Slechts in enkele gebieden zijn goede potenties voor uitbreiding van de oppervlakte. In deze gebieden wordt deze mogelijkheid benut en wijkt de doelstelling dan ook af van het landelijk doel. Dit betreft de gebieden Weerribben (034), De Wieden (035) en Oostelijke Vechtplassen (095), waar uitbreiding van de oppervlakte beoogd wordt om het habitattype duurzaam te behouden en de kwaliteit te verbeteren. Ook in het gebied Botshol (083) liggen mogelijkheden voor uitbreiding van de oppervlakte, waarmee het habitattype ook bij verdere verlanding behouden kan worden.

Ook het landelijke doel ter verbetering van de kwaliteit van dit habitattype biedt niet in alle gebieden evenveel potentie. Het meest kansrijk is de kwaliteitsverbetering in het Natura 2000-landschap Meren en Moerassen in combinatie met het habitattype overgangs- en trilvenen, trilvenen (H7140A). De verbeteropgave is daarom onder andere neergelegd in de gebieden Weerribben, De Wieden en Oostelijke Vechtplassen. Ook in de gebieden Kampina & Oisterwijkse Vennen (133) en Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (138) zijn goede kansen voor kwaliteitsverbetering. In de overige gebieden wordt behoud van de kwaliteit nagestreefd, in tegenstelling tot het landelijk doel. De belangrijkste redenen hiervoor zijn de aanwezigheid van reeds goede kwaliteit (onder andere Duinen en Lage Land Texel (002), Rottige Meenthe & Brandemeer (018) en Zwanenwater & Pettemerduinen (085)) en de geringe potentie voor kwaliteitsverbetering (onder andere Alde Feanen (013), Noordhollands Duinreservaat (087) en Korenburgerveen (061)).

H91D0 – *Hoogveenbossen

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

024

Witterveld

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

029

Holtingerveld

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

034

Weerribben

behoud

verbetering

B2

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

verbetering

B2

ontwerpbesluit

053

Buurserzand & Haaksbergerveen

uitbreiding

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

054

Witte Veen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

055

Aamsveen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

061

Korenburgerveen

behoud

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

064

Wooldse Veen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

091

Polder Westzaan

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

uitbreiding

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

136

Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

138

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

145

Maasduinen

behoud

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

149

Meinweg

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

150

Roerdal

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

155

Brunssummerheide

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

Ongeveer twee derde van de landelijke oppervlakte van het habitattype hoogveenbossen bevindt zich binnen het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In de gebieden met de grootste ecologische potentie voor herstel van het habitattype en/of waar de grootste bijdrage aan de landelijke doelstelling gerealiseerd kan worden, wordt uitbreiding van de oppervlakte en/of verbetering van de kwaliteit van het habitattype nagestreefd. In de overige gebieden wordt volstaan met behoud van het habitattype. Bijvoorbeeld in het gebied Maasduinen (145) is het areaal waar het habitattype hoogveenbossen voor kan komen al volledig benut, waardoor er geen mogelijkheden voor uitbreiding zijn.

Ook in het gebied Rottige Meenthe & Brandemeer (018) wordt behoud van het habitattype beoogd. Hier is, gezien de hydrologie, geringe potentie voor het habitattype. In Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) komt het habitattype verspreid voor met een relatief grote totaaloppervlakte. Uitbreiding zou ten koste gaan van het karakter van het gebied. In de laagveengebieden Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092) en Oostelijke Vechtplassen (095) zijn kleine oppervlakten hoogveenbossen aanwezig, evenals in de Limburgse gebieden Meinweg (149) en Roerdal (150). Er is weinig potentie voor ontwikkeling van het habitattype in deze gebieden. In enkele van deze gebieden is echter wel potentie voor kwaliteitsverbetering. In de gebieden met hoogveenkernen komen hoogveenbossen voor rondom de hoogveenkern op de zandbodem (onder andere in de gebieden Witterveld (024), Witte Veen (054), Wooldse Veen (064)).

Aangezien de prioriteit in deze gebieden bij de ontwikkeling van hoogveen ligt en de potenties ter verbetering van de kwaliteit en/of uitbreiding van de oppervlakte beperkt zijn, wordt hier slechts in beperkte mate gestreefd naar uitbreiding en/of kwaliteitsverbetering.

B.4.2 Habitatrichtlijn: soorten

H1016 – Zeggekorfslak

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

018

Rottige Meenthe & Brandermeer

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit x

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit x

047

Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

ontwerpbesluit

048

Lemselermaten

behoud

verbetering

behoud

C

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

095

Oosterlijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit x

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

C

doel toegevoegd x

142

Sint Jansberg

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

148

Swalmdal

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

150

Roerdal

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

154

Geleenbeekdal

behoud

verbetering

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

De staat van instandhouding van de habitatsoort zeggekorfslak is op het aspect leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”. Aangezien de matig ongunstige staat van instandhouding voornamelijk betrekking heeft op de kwaliteit van het leefgebied, sluit de landelijke doelstelling hierop aan43. Alle gebiedsdoelstellingen sluiten op de aspecten populatie en omvang leefgebied aan op de landelijke doelstelling. Op het aspect kwaliteit leefgebied wijken enkele gebieden af van de landelijke doelstelling. De ambitie voor habitattypen en soorten die (deels) een ongunstige staat van instandhouding hebben en waarvan ten tijde van het opstellen van het Natura 2000 doelendocument (2006) verondersteld werd dat zij al lange tijd in zeer beperkte mate in ons land aanwezig waren (waaronder de zeggekorfslak), is destijds over het algemeen klein gehouden en beperkt tot enkele gebieden. In enkele gebieden (onder andere Lemselermaten (048), Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek (047)) zullen maatregelen ten behoeve van verbetering van de kwaliteit van het habitattype vochtige alluviale bossen, beekbegeleidende bossen (H91E0C) naar verwachting leiden tot verbetering van de kwaliteit van het leefgebied van de zeggekorfslak.

H1082 – Gestreepte waterroofkever

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Besluit

018

Rottige Meenthe & Brandermeer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit x

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

conform ontwerp

133

Kampina & Oisterwijkse Vennen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de gestreepte waterroofkever is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”44. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Vrijwel alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke opgave. Vanwege beperkte inventarisatiegegevens en onduidelijkheid over de dichtheid van de populaties is het (nog) niet mogelijk de relatieve bijdrage van de afzonderlijke gebieden aan de landelijke populatie weer te geven.

H1134 – Bittervoorn

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

009

Groote Wielen

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud a

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

C

conform ontwerp

105

Zouweboezem

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

136

Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

150

Roerdal

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

Enige achteruitgang in omvang leefgebied ten gunste van habitattype ruigten en zomen (H6430) is toegestaan45.

De landelijke staat van instandhouding van de bittervoorn is op het aspect leefgebied beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke doelstelling.

H1149 – Kleine modderkruiper

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Besluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

015

Van Oordt’s Mersken

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

065

Binnenveld

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

083

Botshol

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud a

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

conform ontwerp

105

Zouweboezem

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

130

Langstraat

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

133

Kampina & Oisterwijkse Vennen

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

135

Kempenland-West

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

138

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

141

Oeffelter Meent

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

Enige achteruitgang in omvang leefgebied ten gunste van habitattype ruigten en zomen (H6430) is toegestaan46.

De landelijke staat van instandhouding voor de kleine modderkruiper is op het aspect leefgebied beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelen sluiten aan op de landelijke opgave. Inventarisatiegegevens van de soort zijn slechts in beperkte mate aanwezig, daarom worden er geen relatieve bijdragen per gebied gegeven. Gezien de ruime verspreiding en het algemene voorkomen van de soort, voldoet de kwaliteit van het leefgebied op het merendeel van de vindplaatsen. Het streven is om het algemeen voorkomen van de kleine modderkruiper in Nederland te bestendigen. Het is met name van belang om de soort in de kern van zijn verspreidingsgebied in hoge aantallen en wijdverspreid te behouden. Net als de grote modderkruiper kan de kleine modderkruiper daarnaast profiteren van de ingeslagen beleidswegen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het meer ecologisch beheren van wateren door waterschappen.

H1163 – Rivierdonderpad

Landelijke doelstelling: behoud/uitbreiding omvang en behoud/verbetering kwaliteit leefgebied

[ten behoeve van behoud populatie47] a

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Besluit

009

Groote Wielen

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte water en Vecht

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

038/

066-068

Rijntakken

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

049

Dinkelland

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

057

Veluwe

uitbreiding

behoud

uitbreiding

aanwijzingsbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

073

Markermeer & IJmeer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud b

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

133

Kampina & Oisterwijkse Vennen

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

145

Maasduinen

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

147

Leudal

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

148

Swalmdal

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

150

Roerdal

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

152

Grensmaas

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

157

Geuldal

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

aanwijzingsbesluit

167

Maas bij Eijsden

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

  • (a)

    Behoud omvang en kwaliteit leefgebied in de grote wateren en uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied in de beken.

  • (b)

    Enige achteruitgang in oppervlakte leefgebied ten gunste van broedvogelsoorten roerdomp (A021) of grote karekiet (A298) is toegestaan48.

De landelijke staat van instandhouding van de rivierdonderpad is op het aspect leefgebied als “matig ongunstig”49 beoordeeld en heeft voornamelijk betrekking op in beken voorkomende rivierdonderpadden, waaronder de “beekdonderpad” (Cottus rhenanus). De staat van instandhouding van de “gewone” rivierdonderpad (Cottus perifretum) die een veel ruimere verspreiding heeft in meren, rivieren en beken, wordt, behalve in beken, vooralsnog als gunstig beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Er zijn onvoldoende inventarisatiegegevens over de landelijke verspreiding van de soort op kilometerhokniveau bekend, daarom worden er geen relatieve bijdragen per gebied gegeven. In de beekdalgebieden is een landelijke hersteldoelstelling neergelegd. Alleen in de gebieden Veluwe (057) en Geuldal (157), waar het leefgebied het meest onder druk staat en er mogelijkheden zijn voor herstel van het leefgebied en van de populatie, is een hersteldoelstelling neergelegd.

H1318 – Meervleermuis (zomer)

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

009

Groote Wielen

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

behoud

B1a

aanwijzingsbesluit

073

Markermeer & IJmeer

behoud

behoud

behoud

B1a

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

083

Botshol

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

  • a)

    De relatieve bijdrage geldt voor het Natura 2000-gebied als geheel, dus voor het Habitatrichtlijngedeelte en het Vogelrichtlijngedeelte gecombineerd.

De landelijke staat van instandhouding van de meervleermuis is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “gunstig”50. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke opgave, die gericht is op behoud van foerageergebieden die gebruikt worden door meervleermuizen uit kraamkolonies en verblijfplaatsen in de omgeving van de betreffende Natura 2000- gebieden.

H1340 – *Noordse woelmuis

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

verbetering

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

009

Groote Wielen

uitbreiding

verbetering

behoud

C

aanwijzingsbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

072

IJsselmeer

uitbreiding

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

B1

aanwijzingsbesluit

100

Voornes Duin

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

C

conform ontwerp

108

Oude Maas

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

111

Hollands Diep

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

B2

aanwijzingsbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

behoud

B1

concept-ontwerp

115

Grevelingen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

B2

aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

behoud

verbetering

behoud

C

aanwijzingsbesluit

118

Oosterschelde

uitbreiding

behoud

uitbreiding

B1

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de noordse woelmuis is op het aspect leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Landelijke uitbreiding van de populatie wordt vooral beoogd in de Friese gebieden omdat het leefgebied vooral daar sterk versnipperd is geraakt. De doelstellingen uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied en uitbreiding populatie zijn verder neergelegd in gebieden die daarvoor mogelijkheden bieden (bijvoorbeeld in het kader van natuurontwikkeling) of waar duidelijke aanwijzing is dat de soort recent is achteruitgegaan. In Duinen en Lage Land Texel (002) staat het doel voor omvang van het leefgebied op “behoud” omdat de soort al over het gehele eiland voorkomt. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied is vooral nodig om de populatie weerstand te kunnen laten bieden tegen concurrentie met andere diersoorten. In IJsselmeer (072) en Oosterschelde (118) is op het aspect kwaliteit van de landelijke opgave afgeweken. In de Oosterschelde is de kwaliteit al op orde; derhalve is behoud voldoende. In het IJsselmeer is afgeweken omdat hier de mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit beperkt zijn.

H1903 – Groenknolorchis

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit biotoop ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

A1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

088

Kennemerland-Zuid

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

100

Voornes Duin

uitbreiding

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

C

doel aangepast a

115

Grevelingen

behoud

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

  • a)

    De verspreidingsdoelstelling is verwijderd.

De landelijke staat van instandhouding van de habitatsoort groenknolorchis is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”51. De landelijke opgave sluit hierop aan. De kansen voor uitbreiding van populaties zijn in de meeste gebieden echter beperkt; er is daarom veelal voor een behoudopgave gekozen. In de gebieden Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Vlieland (003), Duinen Terschelling (004), Duinen Schiermonnikoog (006) en Weerribben (034) is voor een behoudopgave gekozen, omdat de biotoop hier in voldoende mate en kwaliteit voorkomt. In de Deltagebieden (Grevelingen (115) en Westerschelde & Saeftinghe (122)), hangen de ontwikkelingen van de populatie samen met de fluctuerende waterstanden en natuurlijke successie. In het IJsselmeer (072) worden de mogelijkheden voor herstel of uitbreiding zeer laag ingeschat. In de gebieden Naardermeer (094), Oostelijke Vechtplassen (095) en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) gaat het om kleine populaties, waarvoor momenteel geen tot weinig uitbreidingsmogelijkheden worden gezien.

H4056 – Platte schijfhoren

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

018

Rottige Meenthe & Brandermeer

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

105

Zouweboezem

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de platte schijfhoren is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke opgave is op “behoud” gesteld. Op langere termijn is meer inzicht nodig in verspreiding, populatiedynamiek en ecologie van de soort om adequate bescherming mogelijk te maken. Daarom zijn, in afwachting van meer informatie, alle gebiedsdoelen op behoud gezet.

Mogelijkerwijs zullen instandhoudingsmaatregelen voor andere waarden (zoals het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150)) ook bijdragen aan verbetering van het leefgebied van deze aquatische soort.

De belangrijkste voorkomens, afgemeten aan het aantal bezette kilometerhokken, bevinden zich in de Natura 2000-gebieden De Wieden (035), Naardermeer (094), Oostelijke Vechtplassen (095) , Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) en de Weerribben (034).

B.4.3 Vogelrichtlijn: broedvogels

A021 – Roerdomp

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

5

C

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

2

C

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

3 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

10

B1

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

6

C

aanwijzingsbesluit

014

Deelen

behoud

behoud

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

020

Zuidlaardermeergebied

behoud

behoud

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

30 (↑)

B2

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

behoud

behoud

1 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

uitbreiding

verbetering

7(↑)

B1

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

6 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

075

Ketelmeer & Vossemeer

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

40

B2

aanwijzingsbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

2 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

10

B1

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

17

B2

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

6 (↑)

C

conform ontwerp

112

Biesbosch

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

137

Strabrechtse Heide & Beuven

behoud

behoud

5

C

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de roerdomp is voor wat betreft de aspecten leefgebied en populatie als “zeer ongunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit hierop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding tot een populatie van ten minste 400 paren (territoria)”. De doelstelling is conform het Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004 (2000)52.

Bij de roerdomp is het streven tenminste de gewenste minimumpopulatie voor Nederland te herstellen53. Dit betekent dat het beoogde herstel deels zal moeten worden bereikt in gebieden buiten het Natura 2000- netwerk. Voor de gebieden Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Ameland (005), Duinen Schiermonnikoog (006), Lauwersmeer (008), Alde Feanen (013), Deelen (014), Zuidlaardermeergebied (020), De Wieden (035), Oostvaardersplassen (078), Zwanenwater & Pettemerduinen (085), Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (090), Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092) en Strabrechtse Heide & Beuven (137) is voor behoud van het leefgebied en/of de populatie gekozen. In de gebieden Duinen Schiermonnikoog, Deelen, Zuidlaardermeergebied, Zwanenwater en Pettemerduinen wordt met behoud van het leefgebied herstel (Duinen Schiermonnikoog) of een kleine uitbreiding van de populatie nagestreefd. De gebieden Duinen en Lage Land Texel en Duinen Ameland en Zwanenwater & Pettemerduinen bieden geen verdere ruimte voor uitbreiding gelet op de beperkte beschikbaarheid van rietmoerassen in de duingebieden. Het gebied Lauwersmeer wijkt af omdat uit tellingen blijkt dat het gemiddeld voorkomen van de soort in dit gebied in het (recente) verleden niet groter is geweest dan het gemiddelde voorkomen waarop de doelstelling is gebaseerd. Het is dus onzeker of het gebied meer broedvogels kan herbergen dan nu het geval is. Voor de gebieden Oostvaardersplassen, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder, Polder Westzaan en Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is voor behoud van de populaties en de leefgebieden gekozen, omdat de populaties de laatste jaren reeds sterk toegenomen zijn. Voor het gebied Strabrechtse Heide & Beuven is gekozen voor behoud van de omvang van het leefgebied omdat er geen ruimte is voor uitbreiding vanwege de aanwezigheid van het habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110). Daarnaast is de populatietrend stabiel.

A029 – Purperreiger

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

014

Deelen

behoud

behoud

5 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

50

B2

ontwerpbesluit

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

60

B2

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

50

B2

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

120

A1

conform ontwerp

105

Zouweboezem

behoud

behoud

150

A1

aanwijzingsbesluit

106

Boezems Kinderdijk

behoud

behoud

75 (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de purperreiger is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. Voor een soort als deze waarvan het populatieniveau nog ver beneden het historisch niveau verkeert is een herstelopgave gewenst54. De landelijke doelstelling sluit hierop aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel van een populatie van ten minste 600 paren over ten minste 10 kolonies van ten minste 60 paren”. Het gestelde doel is conform het Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004 (2000). Vanuit populatie-ecologisch oogpunt is minstens herstel van de broedvogelpopulatie van de purperreiger gewenst naar een niveau van ten minste 10 sleutelpopulaties, die ieder uit ten minste 20 paren bestaan (Natura 2000 profielendocument (2008)). Van de tien gebieden die zijn aangewezen voor deze soort zijn er acht waarvan de draagkracht is gesteld op 20 of meer broedparen. Hiermee is vanuit populatie-ecologisch oogpunt in voldoende mate bijgedragen aan tenminste het duurzaam voortbestaan van de populatie op landelijk niveau. Een aantal gebiedsdoelstellingen wijkt af van de landelijke doelstelling. In deze gebieden wordt een behoudopgave beoogd. In het gebied Deelen (014) wordt met behoud van het huidige leefgebied een kleine uitbreiding van de populatie nagestreefd omdat het gedurende lange tijd een klein aantal paren betreft. In het gebied Boezems Kinderdijk wordt tevens met behoud van het huidige leefgebied een uitbreiding van de populatie nagestreefd omdat de soort de laatste jaren sterk toegenomen wat duidt op een hogere draagkracht dan voor het gemiddelde aantal broedparen in de periode 1999-2003. In de gebieden De Wieden (035), Nieuwkoopse Plassen & de Haeck (103) en Zouweboezem (105) zijn behoudsdoelstellingen geformuleerd, omdat de populaties purperreigers in deze gebieden sinds de jaren negentig een sterke toename hebben vertoond.

A176 – Zwartkopmeeuw

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

9

C

conform ontwerp

109

Haringvliet

behoud

behoud

400R

A1

aanwijzingsbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

400R

A2

concept-ontwerp

120

Zoommeer

behoud

behoud

400R

C

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

400R

B1

aanwijzingsbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de zwartkopmeeuw is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarbij aan: “behoud omvang en kwaliteit van het leefgebied voor behoud populatie van ten minste 500 paren”. Er is slechts een beperkt aantal kolonies van enige omvang aanwezig in het Deltagebied. Buiten de Delta broedt de soort verspreid over heel Nederland in kleine aantallen. In het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) bevindt zich de enige “kolonie” buiten het Deltagebied die kwalificeerde op basis van gegevens uit de periode 1999-2003. De gebiedsdoelen sluiten aan bij de landelijke doelstelling.

A197 – Zwarte stern

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

60 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

014

Deelen

uitbreiding

verbetering

50 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

C

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

200 (↑)

B2

ontwerpbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

uitbreiding

verbetering

60 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

behoud

behoud

50 (↑)

B1

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

150 (↑)

B2

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

uitbreiding

verbetering

35

B1

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

110 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

uitbreiding

verbetering

115 (↑)

B1

doel aangepast a

105

Zouweboezem

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

106

Boezems Kinderdijk

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

Het aantal in de doelstelling van Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is aangepast van ten minste 100 naar ten minste 115 paren. Vanwege de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding van de populatie en de historische potentie is het aantal geformuleerd op het relatief hoge niveau van de jaren 1991-1995 (gemiddeld ruim 114 paren).

De landelijke staat van instandhouding van de zwarte stern is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. Landelijk is een herstelopgave geformuleerd: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel van een populatie van ten minste 2.000 paren”. Het merendeel van de gebiedsdoelstellingen sluit hierop aan. Uitzonderingen zijn: De Wieden (035) en Uiterwaarden IJssel (038). De populatie in het gebied Uiterwaarden IJssel is recent toegenomen. De omvang en kwaliteit van het leefgebied zijn klaarblijkelijk op orde. Verdere uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied zijn daarom niet nodig.

A292 – Snor

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

25

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

40

B1

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

uitbreiding

verbetering

100 (↑)

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

uitbreiding

verbetering

100 (↑)

B1

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

40

B1

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

uitbreiding

verbetering

50 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

680

A2

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, …

behoud

behoud

50 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

30

C

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

150

B2

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

25 (↑)

C

doel aangepast a

106

Boezems Kinderdijk

behoud

behoud

9

C

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

130

B2

aanwijzingsbesluit

  • a)

    De doelstelling van Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is aangepast van “uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied” naar “behoud omvang en kwaliteit leefgebied”. Gezien de toenemende lokale trend wordt verwacht dat uitbreiding van de populatie mogelijk is met behoud van het leefgebied. Het aantal in de doelstelling is om deze reden ook aangepast van 50 naar 25 paren en gebaseerd op recente telgegevens (2006).

De landelijke staat van instandhouding van de snor is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig”55 en “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarop aan: “uitbreiding en verbetering van het leefgebied voor licht herstel van de populatie”56. Herstel wordt nagestreefd in die gebieden waar de lokale trend negatief is en de historische potentie realistisch wordt geacht.

Behoud wordt nagestreefd in die gebieden waar de lokale populatietrend stabiel is of toenemend zodat behoud van het leefgebied voldoende is, of waar onvoldoende trendgegevens beschikbaar zijn om de potenties voor herstel in te schatten. Van de gebieden Lauwersmeer (008), Alde Feanen (013), Boezems Kinderdijk (106) en Biesbosch (112) is de populatieomvang de laatste 10 jaar of langer met fluctuaties stabiel geweest zodat behoud van het leefgebied voldoende is. In deze gebieden ligt de historische potentie dicht bij de actuele toestand. Er is onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat herstel in deze gebieden nodig of reëel is. In de gebieden Oostvaardersplassen (078), Naardermeer (094), Oostelijke Vechtplassen (095) en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) is de populatietrend toenemend zodat behoud van het leefgebied voldoende is. Van de gebieden IJsselmeer (078) en Zouweboezem zijn er onvoldoende trendgegevens beschikbaar om de potenties voor herstel in te schatten. Daarnaast zijn er in het gebied IJsselmeer maar beperkt mogelijkheden om rietvegetaties uit te breiden of in kwaliteit te verbeteren.

A295 – Rietzanger

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

120

C

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

230

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

1.900

B2

aanwijzingsbesluit

009

Groote Wielen

behoud

behoud

220

C

aanwijzingsbesluit

012

Sneekermeergebied

behoud

behoud

370

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

800

B1

aanwijzingsbesluit

014

Deelen

behoud

behoud

200

C

aanwijzingsbesluit

019

Leekstermeergebied

behoud

behoud

70

C

aanwijzingsbesluit

020

Zuidlaardermeergebied

behoud

behoud

200

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

900

B1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

3.000

A1

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

990

B1

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

270

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

790

B1

aanwijzingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

230

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

480

B1

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

800

B1

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

880

B1

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

680

C

doel aangepast a

109

Haringvliet

behoud

behoud

420

C

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

260

C

aanwijzingsbesluit

  • a)

    Het aantal in de doelstelling van Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is aangepast van 340 naar 680 paren. Dit aantal is gebaseerd op het aantal territoria in het jaar 2006. Voor de periode 1999-2003 waren geen betrouwbare gegevens beschikbaar. Volgens de systematiek kan in dergelijke gevallen worden uitgeweken naar een aansluitende periode waarover betere gegevens beschikbaar zijn.

De landelijke staat van instandhouding van de rietzanger is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 20.000 paren”. De gebiedsdoelen sluiten aan bij de landelijke doelstelling.

B.4.4 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

De doelniveaus van niet-broedvogels zijn meestal uitgedrukt als seizoensgemiddelde of als (gemiddeld) seizoensmaximum. Deze gemiddelden, die worden bepaald aan de hand van maandelijkse tellingen, worden als volgt berekend57:

Het seizoensgemiddelde is het gemiddelde aantal in een gebied aanwezige vogels over het gehele seizoen, berekend aan de hand van maandelijks uitgevoerde tellingen over een reeks seizoenen (1999/2000- 2003/2004).

Het (gemiddeld) seizoensmaximum is het gemiddelde van het grootste getelde aantal (piekaantal) per seizoen (juli t/m juni van het volgende jaar) berekend over een reeks van achtereenvolgende seizoenen (meestal vijf seizoenen: 1999/2000-2003/2004).

Bij voorkeur is het doelniveau uitgedrukt als seizoensgemiddelde omdat dit een indicatie geeft voor het gebruik van een gebied over het gehele seizoen. Bij onvoldoende beschikbaarheid van jaarrondtellingen moet soms worden teruggevallen op het seizoensmaximum

Niet-broedvogelsoorten

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

Vogelsoort

Aantal gebieden

Landelijke doelstelling

Populatie Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

Relatieve bijdrage *

Besluit

A027 Grote zilverreiger (a)

5

80

60 (max)

s

conform ontwerp

A041 Kolgans (a);(b)

36

218.300

3.000 (max)

s

conform ontwerp

A050 Smient (a);(b)

46

258.200

3.500 (max)

sf

conform ontwerp

A051 Krakeend (a);(b)

35

10.200

90 (max)

f

conform ontwerp

* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf). Relatieve bijdrage is alleen berekend als het landelijke doel en het gebiedsdoel beide zijn gebaseerd op dezelfde waarde (óf seizoensmaximum óf seizoensgemiddelde).

  • (a)

    Grote zilverreiger, kolgans, smient en krakeend: de staat van instandhouding van de soort is beoordeeld als “gunstig”.

  • (b)

    Kolgans, smient en krakeend: enige afname landelijk veroorzaakt door extensivering van landgebruik (onder andere door natuurontwikkeling) is aanvaardbaar.

Bijlage Gebiedsbegrenzingen

LEGENDA:

Artikel

Noemer

Indicatief/exact

GIO-id58

1, eerste lid

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck – Habitatrichtlijngebied

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_NieuwkoopsePlassenDeHaeck_HR/nld@2025‑02‑03

2, eerste lid

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck – Vogelrichtlijngebied

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_NieuwkoopsePlassenDeHaeck_VR/nld@2025‑02‑03

3, tweede lid

Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2025/N2000_NieuwkoopsePlassenDeHaeck_N2000/nld@2025‑02‑03

Toelichting bij vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

1. Vaststelling nieuwe tekst

Dit besluit betreft de vaststelling van een nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit voor het Habitatrichtlijngebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, het Vogelrichtlijngebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, maar nu gepubliceerd met behulp van de nieuwe digitale standaard voor officiële publicaties: de Standaard Officiële Publicaties (STOP). Het besluit wordt inhoudelijk ongewijzigd vastgesteld. Dit aanwijzingsbesluit is de bijlage bij dit besluit. De nieuwe tekst is enkel een redactionele aanpassing, en brengt geen wijziging met enig rechtsgevolg met zich ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De reden voor de vaststelling van deze nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit is, dat in het kader van de Omgevingswet wordt overgegaan op nieuwe digitale standaarden voor de vormgeving van besluiten.

2. Procedure

Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond van artikel 16.25a van de Omgevingswet niet van toepassing, omdat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het betreft geen wijzigingen die leiden tot een andere inhoudelijke reikwijdte dan het geldende aanwijzingsbesluit voor dit gebied: er is geen sprake van wijzigingen van de geldende begrenzing of van instandhoudingsdoelstellingen. De tekst betreft enkel een redactionele aanpassing. In zoverre is dus ook geen sprake van zelfstandige rechtsgevolgen ten opzichte van het geldende besluit. Belanghebbenden die menen dat er wel sprake is van relevante wijzigingen en nieuwe rechtsgevolgen, kunnen evenwel met een bezwaarschrift eventuele bedenkingen tegen het besluit naar voren te brengen en de beslissing op het bezwaarschrift in een beroepsprocedure door de bestuursrechter laten toetsen.

3. Inwerkingtreding

Omdat met dit besluit de inhoud ongewijzigd blijft, kan het meteen de dag na publicatie inwerking treden.

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze,

w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum: 24 maart 2025

  • 1

    Dit betreft een geconsolideerde versie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, inclusief wijzigingen die sindsdien op de Richtlijn van toepassing zijn. Met uitzondering van de bijlagen en verwijzingen is de tekst van de Richtlijn inhoudelijk niet gewijzigd. Terug naar link van noot.

  • 2

    Beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 december 2004 tot vaststelling, op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (2004/813/EG). PB EU 2004, L 387/1. Laatstelijk vervangen door Uitvoeringsbesluit van de Commissie 2013/26/EU van 16 november 2012 tot vaststelling van een zesde bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (PbEU 2013, L 24/ 379). Terug naar link van noot.

  • 3

    Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 4

    Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 5

    De begrenzingsmethodiek is verder uitgewerkt in het Gebiedendocument (2004). Terug naar link van noot.

  • 6

    Hof van Justitie EG, 7 november 2000, First Corporate Shipping, zaak C-371/98, punten 16 en 25. Terug naar link van noot.

  • 7

    De wijze van begrenzing van Vogelrichtlijngebieden is toegelicht in de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.

  • 8

    Beschikking van de Commissie 2004/813/EG van 7 december 2004 tot vaststelling op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (Pb 29‑12‑2004, L 387/1). Terug naar link van noot.

  • 9

    Conform artikel 15 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Stb. 2004, 31) is dit besluit, wat betreft de kadastrale percelen die geheel of gedeeltelijk binnen het aangewezen gebied zijn gelegen, in de kadastrale registratie als beperking ingeschreven. Terug naar link van noot.

  • 10

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 11

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 12

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 13

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 14

    De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.

  • 15

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 16

    Soorten waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: zeeprik (H1095), elft (H1102), zalm (H1106), bittervoorn (H1134) en kleine modderkruiper (H1149). Voor de platte schijfhoren (H4056) zijn geen gebieden geselecteerd omdat de soort bij de uitbreiding van de EU in 2004 is toegevoegd aan bijlage II. Terug naar link van noot.

  • 17

    De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.

  • 18

    Het Natura 2000-landschap van het gebied waarop dit besluit betrekking heeft staat vermeld in paragraaf 3.2 van deze nota van toelichting. Terug naar link van noot.

  • 19

    Dit betreft aantallen gebaseerd op roepende mannetjes. Dit kan leiden tot overschatting van het aantal feitelijk aanwezige broedende vrouwtjes, omdat een en hetzelfde mannetje op ver van elkaar verwijderde plekken kan roepen waardoor er van verschillende mannetjes sprake lijkt. Terug naar link van noot.

  • 20

    Ministerie van LNV (2000): Nota van Antwoord Vogelrichtlijn, bijlage 1. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 21

    De Nota van Antwoord (2000) vermeldt 44 soorten van bijlage I waarvoor gebieden kunnen worden aangewezen. Voor één soort zijn geen gebieden aangewezen omdat er geen vaste verblijfplaatsen zijn (lachstern). Sindsdien zijn verder drie soorten aan bijlage I toegevoegd. Voor twee van deze soorten (strandplevier en dwergmeeuw) waren reeds gebieden aangewezen. Voor de dwerggans worden naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak gebieden aangewezen. Per saldo zijn en worden er dus voor 46 soorten van bijlage I gebieden aangewezen. Terug naar link van noot.

  • 22

    SOVON (2000): Belangrijke vogelgebieden in Nederland 1993-97. SOVON-informatierapport 2000/01. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek- Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 23

    SOVON & CBS (2005): Trends van vogelaantallen in het Nederlandse Natura 2000 netwerk. SOVON-informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 24

    In de oorspronkelijke aanwijzing nog niet onderverdeeld in Toendra- en Taigarietgans. Terug naar link van noot.

  • 25

    Destijds bekend als Ilperveld/Oostzanerveld/Varkensland. Terug naar link van noot.

  • 26

    Gebieden boven het IJ stellen andere eisen aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten (brakke invloed). Terug naar link van noot.

  • 27

    Dit gebied is bij de samenvoeging van Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebieden tot Natura 2000-gebieden in twee delen gesplitst: Wijnjeterper Schar (016) en Terwispeler Grootschar dat gelegen is binnen het Vogelrichtlijngebied Van Oordt’s Mersken (015). Bij de onderbouwing van de selectie worden beide gebieden nog als één Habitatrichtlijngebied beschouwd. Terug naar link van noot.

  • 28

    Destijds bekend als Bennekomse Meent. Terug naar link van noot.

  • 29

    Destijds bekend als Ilperveld/Oostzanerveld/Varkensland. Terug naar link van noot.

  • 30

    Destijds bekend als Langstraat bij Sprang-Capelle. Terug naar link van noot.

  • 31

    Dit gebied is samen met het Habitatrichtlijngebied Weerterbos opgenomen in het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (138). Terug naar link van noot.

  • 32

    Destijds bekend als Groote Heide - De Plateaux. Terug naar link van noot.

  • 33

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 34

    Destijds bekend als Groote Heide - De Plateaux. Terug naar link van noot.

  • 35

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 36

    Destijds bekend als Ilperveld/Oostzanerveld/Varkensland. Terug naar link van noot.

  • 37

    Destijds bekend als Friese IJsselmeerkust. Terug naar link van noot.

  • 38

    De landelijke doelomschrijving in deze paragraaf beperkt zich in principe tot behoud/uitbreiding oppervlakte (of omvang leefgebied) en behoud/verbetering kwaliteit (leefgebied), in geval van soorten en vogels aangevuld met het doel voor behoud/uitbreiding populatie. Voor de volledige formulering van de landelijke doelen inclusief toelichting wordt verwezen naar het Natura 2000 doelendocument (2006). Terug naar link van noot.

  • 39

    Landelijk doel gewijzigd: Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer en Veluwerandmeren (Stcrt. 2010, 2212). Terug naar link van noot.

  • 40

    Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 41

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 42

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 43

    Landelijk doel gewijzigd: Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Leekstermeergebied (Stcrt. 2011, 4458). Terug naar link van noot.

  • 44

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 45

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 46

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 47

    Uit de toelichting in het Natura 2000 doelendocument (2006) blijkt dat de populatiedoelstelling behoud is, hoewel dat niet expliciet is vermeld in de doelstelling zelf. Terug naar link van noot.

  • 48

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 49

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 50

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 51

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 52

    Boer, T. den (2000): Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004. Rapport Directie Natuurbeheer nr. 47. Ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij, Wageningen. Terug naar link van noot.

  • 53

    Natura 2000 doelendocument (2006): Tekstkader 4.5.1. Landelijke doelen broedvogels. Terug naar link van noot.

  • 54

    Natura 2000 doelendocument (2006): Tekstkader 4.5.1. Landelijke doelen broedvogels. Terug naar link van noot.

  • 55

    Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden IJsselmeer (072), Zwarte Meer (074) en Oostvaardersplassen (078) (Stcrt. 2010, 2212). Terug naar link van noot.

  • 56

    Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden IJsselmeer (072), Zwarte Meer (074) en Oostvaardersplassen (078) (Stcrt. 2010, 2212). Terug naar link van noot.

  • 57

    Voorbeeld voor een seizoen met de volgende telresultaten (juli-juni): 0, 0, 0, 100, 100, 200, 100, 100, 0, 0, 0, 0. Het seizoensmaximum bedraagt in dit geval 200, het seizoensgemiddelde 50 (som van alle maandcijfers gedeeld door 12). Terug naar link van noot.

  • 58

    Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_waterkwaliteit/nld@2019‑11‑01). Terug naar link van noot.

Naar boven