Doe-het-zelfbranche Sociaal Fonds 2025/2030

Verbindendverklaring cao-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 april 2025 tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Doe-het-zelfbranche inzake Sociaal Fonds

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelezen het verzoek van Stichting Sociaal Fonds Doe-het-zelfbranche namens partijen bij bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Partij ter ener zijde: De Vereniging van Winkelketens in de Doe-het-zelfbranche (VWDHZ);

Partijen ter andere zijde: FNV en CNV.

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Besluit:

Dictum I

Verklaart algemeen verbindend de navolgende bepalingen van bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, zulks met inachtneming van hetgeen in de dicta II, III, IV en V is bepaald:

Artikel 1 Definities

In deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt verstaan onder:

1. Werkgever:

degene die – behoudens het in lid 3 bepaalde – een of meer bouwmarkten en/of doe-het-zelfwinkels exploiteert.

2. Bouwmarkten en/of doe-het-zelfwinkels:

de onderneming, niet zijnde een speciaalzaak met overwegend één artikelgroep, met meerdere doe-het-zelf artikelgroepen en waarvan tenminste 60% van het totale assortiment bestaat uit doe-het-zelfartikelen ten behoeve van de consument.

De doe-het-zelfgroepen zijn:

  • ijzerwaren, hang- en sluitwerk, beveiligingsmateriaal;

  • hand- en elektrisch gereedschap (voor huis);

  • elektriciteitswaren, installatiemateriaal, armaturen;

  • verf, verfbenodigdheden, wandbekleding, behangbenodigdheden;

  • keukens, kasten, apparatuur, sanitair, installatiemateriaal;

  • hout, houtproducten, bouwmaterialen;

  • tuinartikelen (niet zijnde levend goed), hout, gereedschap.

  • 3. In afwijking van het in lid 1 bepaalde wordt niet als werkgever beschouwd de in lid 2 bedoelde onderneming, indien voor die gehele onderneming een arbeidsvoorwaarden-cao van kracht is.

4. Doe-het-zelfbranche (ook genoemd ‘de branche’):

het totaal aan ondernemingen dat (in het kader van deze cao) voldoet aan de omschrijving van lid 2 en lid 3 van dit artikel.

5. Werknemer:

degene waarmee een werkgever als genoemd in dit artikel een arbeidsovereenkomst is aangegaan.

6. Stichting:

de ‘Stichting Sociaal Fonds Doe-het-zelfbranche’.

7. Premieplichtig loon:

het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen of het uniform loonbegrip met uitzondering van:

  • a uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Werkloosheidswet en hierop door de werkgever verstrekte aanvullingen;

  • b. het genot van een door de werkgever ter beschikking gestelde auto;

  • c. het loon dat betrekking heeft op de periode vanaf de eerste dag van de maand waarin de werknemer AOW ontvangt;

  • d. uitkeringen uit levensloop.

Het loon dat meer heeft bedragen dan het maximum premieloon als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen op jaarbasis, blijft buiten aanmerking. Indien de dienstbetrekking een deel van een kalenderjaar betreft, dan wel de werknemer minder dan de volledige tijd werkzaam is, wordt het maximum premieloon naar evenredigheid toegepast. Daartoe wordt het maximum premieloon uitgedrukt in een uurbedrag door het maximum premieloon op jaarbasis te delen door het aantal uren per jaar volgens de voor het functieniveau geldende normale arbeidsduur in de Cao doe-het-zelfbranche dan wel, indien er geen cao van toepassing is, de voor het functieniveau geldende bij de werkgever gebruikelijke normale arbeidsduur, waarbij het maximum uurloon op vijf eurocenten wordt afgerond.

Artikel 2 Doel

Het financieren en subsidiëren van activiteiten die gericht zijn op het wat betreft arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen optimaal functioneren van de bouwmarkt en/of doe-het-zelfwinkel. Deze activiteiten zullen binnen het doel van de Stichting bestaan uit:

  • a. het ontwikkelen ten behoeve van werknemers en werkgevers in de branche van projecten gericht op de (verbetering van de) werkgelegenheid, scholing, vorming, arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen als inspraak en medezeggenschap;

  • b. het coördineren, voorbereiden en ondersteunen van het geformaliseerde overleg – met uitzondering van het eigenlijke cao-overleg – tussen sociale partners ten behoeve van alle werkgevers en werknemers in de branche, waaronder het uitvoeren van de werkzaamheden van de Vaste Commissie doe-het-zelfbranche zoals omschreven in art. 3 lid 3 van het reglement van de Stichting Sociaal Fonds Doe-het-zelfbranche;

  • c. het geven van voorlichting en informatie over voorschriften, die uit de Cao doe-het-zelfbranche voortvloeien en/of andere voorschriften die op het terrein van de arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen liggen (waaronder de vervaardiging, uitgifte en verzending van de noodzakelijke hoeveelheid cao-boekjes) ten behoeve van alle werkgevers en werknemers;

  • d. opleidings-, scholings- en vormingsactiviteiten ten behoeve van de werknemers en werkgevers in de bouwmarkt en/of doe-het-zelfwinkel in het kader van de arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen zoals omschreven in art. 3 lid 2 van het reglement van de Stichting Sociaal Fonds Doe-het-zelfbranche;

  • e. opleiding, bemiddeling en stimulering van het in dienst nemen van langdurig werklozen, zoals beschreven in art. 3 lid 2 van het reglement van de Stichting Sociaal Fonds Doe-het-zelfbranche.

  • f. het verrichten van werkzaamheden in het kader van projecten gericht op de verbetering van de arbeidsomstandigheden van werknemers in de bouwmarkt en/of doe-het-zelfwinkel;

  • g. het (doen) verrichten en publiceren van onderzoek op de hierboven onder a tot en met f genoemde terreinen met het oog op het ontwikkelen van beleid.

  • h. het financieren van de activiteiten van de Vaste Commissie die is ingesteld in de Cao doe-het-zelfbranche en waarvan de taken zijn opgenomen in art. 3 lid 3 van het reglement van de Stichting Sociaal Fonds Doe-het-zelfbranche.

Artikel 3 De uitvoering

De realisatie van het in artikel 2 genoemde doel is opgedragen aan de Stichting, waarvan de statuten en het reglement als bijlage I en II aan deze overeenkomst zijn gehecht en daarvan een integrerend deel uitmaken.

Artikel 4 Verplichtingen werkgever

Werkgevers zijn gehouden zich aan te melden bij de Stichting, gegevens te verstrekken en de bijdragen te betalen die zij aan de Stichting verschuldigd zijn, overeenkomstig datgene wat in dit opzicht in de statuten en de reglementen van de Stichting is bepaald en zullen zich ook overigens moeten houden aan het bepaalde in de statuten en de reglementen van de Stichting.

Artikel 5 Rechten van werknemer en werkgever

In beginsel heeft iedere werknemer en iedere werkgever het recht deel te nemen aan c.q. gebruik te maken van (de resultaten van) de door de Stichting gefinancierde of gesubsidieerde activiteiten als bedoeld in artikel 2.

Artikel 6 Premie

Door de werkgever is aan de Stichting af te dragen een door de Stichting te bepalen percentage van het premieplichtig loon van alle werknemers in de onderneming.

Deze premie is met ingang van 2020 per jaar vastgesteld op 0,2% van het premieplichtig loon van het betreffende jaar.

Bijlage I, zoals bedoeld in artikel 3 van de Cao doe-het-zelfbranche inzake Sociaal Fonds.

STATUTEN VAN DE STICHTING SOCIAAL FONDS DOE-HET-ZELFBRANCHE

Artikel 1 Naam en zetel
  • 1. De Stichting draagt de naam:

    ‘Stichting Sociaal Fonds Doe-het-zelfbranche’.

  • 2. Zij heeft haar zetel in de gemeente Leidschendam-Voorburg.

Artikel 2 Definities

In deze statuten wordt verstaan onder:

  • 1.

    Administrateur:

    de in artikel 8 bedoelde administrateur

    Bestuur:

    het bestuur van de Stichting zoals bedoeld in artikel 5.

    Bouwmarkt en/of doe-het-zelfwinkel:

    de onderneming, niet zijnde een speciaalzaak met overwegend één artikelgroep, met meerdere doe-het-zelf artikelgroepen en waarvan tenminste 60% van het totale assortiment bestaat uit doe-het-zelfartikelen ten behoeve van de consument.

    De doe-het-zelfgroepen zijn:

    • ijzerwaren, hang- en sluitwerk, beveiligingsmateriaal;

    • hand- en elektrisch gereedschap (voor huis);

    • elektriciteitswaren, installatiemateriaal, armaturen;

    • verf, verfbenodigdheden, wandbekleding, behangbenodigdheden;

    • keukens, kasten, apparatuur, sanitair, installatiemateriaal;

    • hout, houtproducten, bouwmaterialen;

    • tuinartikelen (niet zijnde levend goed), hout, gereedschap.

    Doe-het-zelfbranche (ook genoemd ‘de Branche’):

    het totaal aan ondernemingen dat (in het kader van de Cao doe-het-zelfbranche) voldoet aan de omschrijving van dit lid en lid 3 van dit artikel.

    Reglement:

    het in artikel 12 bedoelde reglement.

    Schriftelijk:

    bij brief, fax of e-mail, of bij boodschap die via een ander gangbaar communicatiemiddel wordt overgebracht en elektr elektronisch of op schrift kan worden ontvangen mits de identiteit van de verzender met afdoende zekerheid kan worden vastgesteld.

    Statuten:

    de statuten van de Stichting, zoals die van tijd tot tijd zullen luiden.

    Stichting:

    de ‘Stichting Sociaal Fonds Doe-het-zelfbranche’.

    Vaste Commissie:

    de Vaste Commissie zoals bedoeld in de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor personeel werkzaam in de Doe-het-zelfbranche.

    Werkgever:

    degene die behoudens het in lid 3 bepaalde ‑ een of meer bouwmarkten en/of doe-het-zelfwinkels exploiteert.

    Werknemer:

    degene waarmee de werkgever als genoemd in dit artikel een arbeidsovereenkomst is aangegaan

  • 2. De begrippen zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen in de Statuten zonder verlies van betekenis in enkelvoud en/of meervoud worden gebezigd.

  • 3. In afwijking van het in lid 1 bepaalde wordt niet als Werkgever beschouwd een onderneming, zoals bedoeld onder Bouwmarkt en/of doe-het-zelfwinkel waarop voor die gehele onderneming een arbeidsvoorwaarden-cao van kracht is.

Artikel 3 Doel
  • 1. De Stichting heeft ten doel:

    • a. Het financieren en subsidiëren van activiteiten die gericht zijn op het in sociaal opzicht optimaal functioneren van de bouwmarkt en/of doe-het-zelfwinkel;

      alsmede het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

  • 2. De activiteiten zullen binnen het doel van de Stichting bestaan uit:

    • a. het ontwikkelen ten behoeve van Werknemers en Werkgevers in de branche van projecten gericht op de (verbetering van de) werkgelegenheid, scholing, vorming, arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen als inspraak en medezeggenschap;

    • b. het coördineren, voorbereiden en ondersteunen van het geformaliseerde overleg – met uitzondering van het eigenlijke cao-overleg – tussen sociale partners ten behoeve van alle werkgevers en werknemers in de branche, waaronder het uitvoeren van de werkzaamheden van de Vaste Commissie;

    • c. het geven van voorlichting en informatie over voorschriften, die uit de Cao doe-het-zelfbranche voortvloeien en/of andere voorschriften die op het terrein van de arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen liggen (waaronder de vervaardiging, uitgifte en verzending van de noodzakelijke hoeveelheid cao-boekjes) ten behoeve van alle Werkgevers en Werknemers;

    • d. opleidings-, scholings- en vormingsactiviteiten ten behoeve van de Werknemers en Werkgevers in de Bouwmarkt en/of doe-het-zelfwinkel in het kader van de arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen;

    • e. opleiding, bemiddeling en stimulering van het in dienst nemen van langdurig werklozen,.

    • f. het verrichten van werkzaamheden in het kader van projecten gericht op de verbetering van de arbeidsomstandigheden van Werknemers in de Bouwmarkt en/of doe-het-zelfwinkel;

    • g. het (doen) verrichten en publiceren van onderzoek op de hierboven onder a tot en met f genoemde terreinen met het oog op het ontwikkelen van beleid;

    • h. het financieren van de activiteiten van de Vaste Commissie.

Artikel 4 Geldmiddelen
  • 1. De inkomsten van de Stichting bestaan uit:

    • a. bijdragen van Werkgevers;

    • b. bijdragen van de overheid;

    • c. de te kweken renten;

    • d. al hetgeen op andere wijze wordt verworven.

  • 2. De uitgaven van de Stichting bestaan uit:

    • a. de uitgaven voortvloeiend uit de realisatie van het in artikel 3 omschreven doel;

    • b. de overige uitgaven.

Artikel 5 Bestuur
  • 1.

    • a. Het Bestuur bestaat uit zes leden. Waarvan:

      • i. drie (3) bestuursleden worden benoemd door de werkgeversorganisatie:

        de Vereniging van Winkelketens in de Doe-Het-Zelfbranche, gevestigd in de gemeente Leidschendam-Voorburg;

        en drie door de werknemersorganisaties, te weten:

      • ii. twee (2) bestuursleden worden beneomd door de volgende werknemersorganisatie:

        • de Federatie Nederlandse Vakbeweging, gevestigd in de gemeente Utrecht;

      • iii. één (1) bestuurslid wordt benoemd door de volgende werknemersorganisatie:

        • CNV, gevestigd in de gemeente Utrecht.

    • b. Een door voormelde Vereniging van Winkelketens in de Doe-Het-Zelfbranche benoemd bestuurslid hierna te noemen: een ‘werkgeversbestuurslid’. Een door voormelde vereniging Federatie Nederlandse Vakbeweging en voormelde vereniging CNV benoemd bestuurslid hierna te noemen: een ‘werknemersbestuurslid’.

    • c. Voor ieder bestuurslid wordt door de organisatie, die dit lid heeft benoemd, een plaatsvervanger benoemd, die alleen als bestuurslid optreedt bij ontstentenis casu quo afwezigheid van het lid als wiens plaatsvervanger hij is benoemd.

  • 2. Het lidmaatschap casu quo het plaatsvervangend lidmaatschap van het bestuur eindigt door periodiek aftreden, schriftelijk bedanken, overlijden, ontslag van een bestuurslid door de vereniging die het betreffende bestuurslid heeft benoemd zoals genoemd in lid 1 sub a van dit artikel.

  • 3. De bestuurders hebben zitting in het Bestuur voor een periode van vier jaar. De bestuurders alsmede hun plaatsvervangers treden vervolgens af volgens het door het Bestuur opgemaakt rooster van aftreden. Aftredende bestuurders zijn onbeperkt herbenoembaar.

  • 4. In een vacature wordt zo spoedig mogelijk na het ontstaan daarvan voorzien door de rechtspersoon die, gelet op het bepaalde in lid 1 van dit artikel, daarvoor in aanmerking komt.

    In tussentijds ontstane vacatures benoemde bestuurders en hun plaatsvervangers nemen op het rooster van aftreden de plaats in van hun voorgangers. Het bestuur kan zijn bevoegdheden uitoefenen ook wanneer er vacatures zijn.

  • 5. Het Bestuur wijst een werkgeversbestuurslid en een werknemersbestuurslid aan, die beurtelings voor de tijd van één kalenderjaar als voorzitter optreden.

    Bij ontstentenis van de fungerende voorzitter treedt de andere voorzitter als zodanig op.

  • 6. Het Bestuur wijst een werkgeversbestuurslid en een werknemersbestuurslid aan, die beurtelings voor de tijd van één kalenderjaar als secretaris optreden, met dien verstande, dat met de werkgeversvoorzitter de werknemerssecretaris en met de werknemersvoorzitter de werkgeverssecretaris fungeert. Bij ontstentenis van de fungerende secretaris treedt de andere secretaris als zodanig op.

Artikel 6 Bevoegdheden van het bestuur en vertegenwoordiging
  • 1. Het Bestuur is belast met het besturen van de Stichting.

  • 2. Het Bestuur is bevoegd alle handelingen, daaronder begrepen het sluiten van overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen, daaronder echter niet begrepen het sluiten van overeenkomsten waarbij de Stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt, te verrichten.

  • 3. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuursleden zich naar het belang van de Stichting en de met haar verbonden organisaties.

  • 4. In geval van ontstentenis of belet van één of meer bestuursleden is (zijn) de overblijvende bestuursleden met het gehele bestuur belast. Het bestuur draagt er voor zorg dat een persoon wordt aangewezen die in geval van ontstentenis of belet van alle bestuursleden of van het enige bestuurslid de Stichting tijdelijk bestuurt. Onder belet van een bestuurslid wordt in deze Statuten in ieder geval verstaand de omstandigheid dat:

    • a. het bestuurslid gedurende een periode van meer dan zeven dagen onbereikbaar is door ziekte of ander oorzaken; of

    • b. het bestuurslid is geschorst.

  • 5. Door het Bestuur kan aan de bestuursleden en plaatsvervangende bestuursleden voor het bijwonen van vergaderingen of daarmee gelijk te stellen bijeenkomsten een vergoeding worden toegekend.

  • 6. De Stichting wordt vertegenwoordigd door haar Bestuur. De Stichting kan tevens worden vertegenwoordigd door twee bestuursleden gezamenlijk handelend.

  • 7. Het Bestuur kan aan één van de bestuursleden, de Administrateur en/of derden volmacht geven om de Stichting te vertegenwoordigen binnen de in die volmacht omschreven grenzen.

Artikel 7 Bestuursvergaderingen en besluitvorming
  • 1. Het Bestuur vergadert ten minste eenmaal per jaar en voorts zo dikwijls de voorzitter dit nodig acht of ten minste twee bestuursleden zulks wensen.

    In het laatste geval is de voorzitter verplicht, nadat een desbetreffend Schriftelijk verzoek door hem is ontvangen, het betrokken Schriftelijk verzoek onmiddellijk aan de overige bestuursleden toe te zenden, een bestuursvergadering uit te schrijven en deze binnen zes weken te doen houden.

  • 2. De oproeping voor alle vergaderingen geschiedt Schriftelijk door of namens de voorzitter. De te behandelen onderwerpen worden in de oproeping vermeld. Andere punten kunnen slechts worden behandeld in een vergadering waarin, ten minste vijf der bestuursleden aanwezig zijn, tenzij een der aanwezige bestuursleden zich tegen behandeling verzet. Vergaderingen van het Bestuur kunnen ook worden gehouden door middel van telefonische- of videoconferenties, of door middel van enig ander (elektronisch) communicatiemiddel, mits elke deelnemende bestuurder door alle anderen gelijktijdig kan worden gehoord.

  • 3. Indien de voorzitter geen gevolg geeft aan een verzoek ingevolge het eerste lid, zijn de betrokken leden van het Bestuur gezamenlijk tot de convocatie der vergadering bevoegd.

  • 4. Ter vergadering brengen de aanwezige werkgeversbestuursleden gezamenlijk evenveel stemmen uit als door de aanwezige werknemersbestuursleden worden uitgebracht.

    Zijn de aantallen ter vergadering aanwezige werkgevers- en werknemersbestuursleden even groot, dan brengt ieder lid van het bestuur één stem uit.

    Zijn de aantallen ter vergadering aanwezige werkgevers- en werknemersbestuursleden niet even groot, dan brengt elk der leden van die groep, waarvan het kleinste aantal ter vergadering aanwezig is, zoveel stemmen uit als overeenkomt met het aantal leden van die groep, waarvan het grootste aantal ter vergadering aanwezig is. Elk der leden van de groep, waarvan het grootste aantal aanwezig is, brengt alsdan zoveel stemmen uit als overeenkomt met het aantal leden van die groep, waarvan het kleinste aantal ter vergadering aanwezig is.

  • 5. Het Bestuur is slechts bevoegd tot het nemen van beslissingen, wanneer ten minste vier der bestuursleden ter vergadering aanwezig zijn.

    Ingeval ter vergadering niet het voor het nemen van een beslissing vereiste aantal bestuursleden aanwezig is, wordt het bestuur binnen een maand doch niet eerder dan na 10 dagen opnieuw in vergadering bijeengeroepen. In die vergadering kan, ongeacht het aantal aanwezige bestuursleden, een besluit worden genomen over die voorstellen, waarover in de eerste uitgeschreven vergadering wegens onvoltalligheid geen besluit kon worden genomen.

  • 6. Tenzij in deze Statuten uitdrukkelijk anders is bepaald, worden alle besluiten in een bestuursvergadering over zaken genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.

    Bij staking van stemmen wordt, tenzij de vergadering voltallig is, het nemen van een besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. In deze en evenzo in een voltallige vergadering wordt bij staking van stemmen het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. De stemming moet geschieden bij hoofdelijke oproeping wanneer één van de bestuursleden dit verlangt en alsdan mondeling.

    De stemming over personen geschiedt, behoudens in die gevallen waarin de verkiezing bij acclamatie plaats heeft, met gesloten en ongetekende briefjes. De volstrekte meerderheid van stemmen beslist. Heeft bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid verkregen, dan heeft een tweede vrije stemming plaats. Is er ook dan geen volstrekte meerderheid, dan heeft er tussen de twee kandidaten, die alsdan de meeste stemmen verkregen hebben, een herstemming plaats nadat zo nodig door een tussenstemming is uitgemaakt tussen welke personen de herstemming zal plaatsvinden. Zo bij deze tussenstemming of herstemming de stemmen staken, beslist het lot.

    Blanco uitgebrachte stemmen tellen niet mee bij de berekening van het aantal stemmen, dat de volstrekte meerderheid uitmaakt.

  • 7. Het Bestuur kan ook buiten vergadering besluiten nemen, mits alle bestuursleden hun stem Schriftelijk hebben uitgebracht. Het bepaalde in de vorige volzin geldt ook voor besluiten tot wijziging van de Statuten of ontbinding van de Stichting. Voor besluitvorming buiten vergadering gelden dezelfde meerderheden als voor besluitvorming in vergadering. Van een buiten vergadering genomen besluit wordt onder bijvoeging van de ingekomen stemmen door de secretaris een relaas opgemaakt, dat na mede-ondertekening door de voorzitter bij de notulen wordt gevoegd. Indien een bestuurslid de wens daartoe te kennen geeft, wordt een besluit buiten vergadering over een voorgedragen voorstel aangehouden tot de volgende bestuursvergadering.

  • 8. Het bestuurslid dat een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de Stichting en de met haar verbonden organisatie, meldt dit terstond aan de voorzitter van het Bestuur en verschaft daarover alle relevante informatie. De overige bestuursleden besluiten buiten aanwezigheid van het betrokken bestuurslid of er sprake is van een belang dat tegenstrijdig is met het belang van de Stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie.

    Een bestuurslid neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien het betreffende bestuurslid daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de Stichting en de met haar verbonden organisatie.

    Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit zou kunnen worden genomen, wordt het besluit desalniettemin genomen door het Bestuur onder Schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen.

Artikel 8 Administrateur
  • 1. Het administratief en geldelijk beheer wordt onder toezicht en verantwoordelijkheid van het Bestuur gevoerd door een daarvoor door het Bestuur aan te wijzen Administrateur.

    Als Administrateur treedt op het secretariaat van de Vereniging van Winkelketens in de Doe-Het-Zelfbranche, gevestigd in de gemeente Leidschendam-Voorburg.

  • 2. De opdracht tot het voeren van het administratief en geldelijk beheer wordt Schriftelijk verstrekt en door de Administrateur Schriftelijk aanvaard in een voor dit doel opgestelde administratieovereenkomst, waarin ook zijn vastgelegd de rechten en verplichtingen die uit de administratieovereenkomst voor beide partijen voortvloeien.

  • 3. De Administrateur is verplicht zich te doen vertegenwoordigen in de vergaderingen van het Bestuur.

Artikel 9 Boekjaar

Het boekjaar loopt van één januari tot en met één en dertig december.

Artikel 10 Jaarverslag, rekening en verantwoording
  • 1. Het Bestuur van de Stichting stelt jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een verslag op, dat een getrouw beeld geeft van de grootte en samenstelling van het vermogen van de Stichting en van de ontwikkeling daarvan gedurende het voorafgaande boekjaar; in dit verslag wordt door het bestuur rekening en verantwoording van het gevoerde beleid afgelegd. Het verslag moet worden gespecificeerd naar de in art. 3 bedoelde bestedingsdoelen en activiteiten.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde verslag moet zijn gecontroleerd en goedgekeurd door een door het Bestuur aangewezen externe registeraccountant. Uit de verklaring van de registeraccountant en het verslag moet blijken dat de uitgaven conform de bestedingsdoelen zijn gedaan.

  • 3. Het verslag en accountantsverklaring worden ter inzage van de bij de Stichting betrokken Werkgevers en Werknemers neergelegd ten kantore van de Administrateur, danwel door de Administrateur digitaal beschikbaar gesteld, en op één of meer door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen.

  • 4. Het verslag en de verklaring omtrent de rechtmatigheid daarvan wordt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar gezonden aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Directie Uitvoering Arbeidsvoorwaardenwetgeving.

  • 5. Het verslag en de accountantsverklaring wordt toegezonden aan elk der in artikel 5, eerste lid, genoemde organisaties en op aanvraag aan de bij de Stichting betrokken Werkgevers en Werknemers.

Artikel 11 Statutenwijziging
  • 1. Het Bestuur is bevoegd de Statuten te wijzigen. Onverminderd het bepaalde in artikel 7 lid 7 moet het besluit tot wijziging van de Statuten worden genomen met een meerderheid van ten minste twee/derde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering van het Bestuur waarin ten minste vier bestuursleden aanwezig of vertegenwoordigd zijn.

  • 2. Zijn in een vergadering, waarin een voorstel als bedoeld in lid 1 van dit artikel aan de orde is gesteld niet ten minste vier bestuursleden aanwezig of vertegenwoordigd dan zal een tweede vergadering van het Bestuur worden bijeengeroepen, te houden niet eerder dan zeven dagen, doch niet later dan één en twintig dagen na de eerste, waarin een zodanig besluit kan worden genomen met een meerderderheid van ten minste twee/derde van de uitgebrachte stemmen, en in welke verga- dering ten minste de meerderheid van de in functie zijnde stemgerechtigde be- stuurders aanwezig of vertegenwoordigd is.

  • 3. Iedere bestuurslid is bevoegd de notariële akte van statutenwijziging te verlijden.

Artikel 12 Reglement
  • 1. Het Bestuur stelt een of meer reglementen vast waarin bepalingen worden opgenomen omtrent de vaststelling en invordering van de door de werkgevers verschuldigde bijdragen, alsmede de wijze waarop de doelstelling zal worden gerealiseerd.

  • 2. Het Bestuur is bevoegd tot wijziging van de Reglementen.

  • 3. Bepalingen in de Reglementen welke in strijd zijn met deze Statuten zijn nietig.

  • 4. De Reglementen, alsmede wijzigingen in de Reglementen treden niet in werking alvorens een door het Bestuur ondertekend exemplaar houdende de volledige tekst van het desbetreffende Reglement of ingeval van wijziging de volledige tekst van die wijziging, voor een ieder ter inzage is neergelegd ter griffie van de Rechtbank, sector kanton, te Den Haag.

Artikel 13 Verplichtingen Werkgevers, Werknemers en door de Stichting gesubsidieerde instellingen
  • 1. De Werkgevers en Werknemers zijn verplicht alle gegevens te verstrekken die het bestuur voor een goede uitvoering van de Statuten en de Reglementen nodig acht.

  • 2. Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde gegevens is het Bestuur gerechtigd de betreffende gegevens naar beste weten te schatten.

  • 3. Bij een aanvraag om subsidie dient door de betrokken instelling een begroting betreffende de besteding van de aangevraagde gelden te worden ingezonden.

    Jaarlijks zal door een gesubsidieerde instelling aan het Bestuur Schriftelijk een gespecificeerde en gecontroleerde verantwoording omtrent de besteding van de ontvangen gelden worden afgelegd.

Artikel 14 Ontbinding en Vereffening
  • 1. Het Bestuur is bevoegd de Stichting te ontbinden. Onverminderd het bepaalde in artikel 7 lid 7 moet het besluit tot ontbinding van de Stichting worden geneomen met een meerderheid van ten minste twee/derde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering van het Bestuur, waarin ten minste vier bestuursleden aanwezig of vertegenwoordigd zijn.

  • 2. Zijn in een vergadering, waarin een voorstel als bedoeld in lid 1 van dit artikel aan de orde is gesteld niet ten minste vier bestuursleden aanwezig of vertegenwoordigd dan zal een tweede vergadering van het Bestuur worden bijeengeroepen, te houden niet eerder dan zeven dagen, doch niet later dan één en twintig dagen na de eerste, waarin een zodanig besluit kan worden genomen met een meerderheid van ten minste twee/derde van de uitgebrachte stemmen, en in welke vergadering ten minste de meerderheid van de in functie zijnde stemgerechtigde bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd is.

  • 3. Een besluit tot ontbinding van de Stichting kan niet worden genomen dan nadat daarover Schriftelijk advies is ingewonnen van de in artikel 5, eerste lid, genoemde organisaties. Voor het uitbrengen van deze adviezen moet een termijn van minstens één maand worden gegeven.

  • 4. De Stichting blijft na haar ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is.

  • 5. De vereffening geschiedt door het Bestuur, tenzij het Bestuur andere vereffenaars benoemd.

  • 6. De vereffenaars dragen er zorg voor dat van de ontbinding van de Stichting inschrijving geschiedt in het register, bedoeld in artikel 2:289 Burgerlijk Wetboek.

  • 7. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van de Statuten zoveel mogelijk van kracht. De vereffenaars treden in de bevoegdheden en de verplichtingen van het Bestuur.

  • 8. Bij vereffening wordt eerst een zodanig bedrag uitgetrokken dat de financiële verplichtingen van de Stichting tot de reglementaire einddatum kunnen worden nagekomen.

    Een eventueel overschot zal worden aangewend zoveel mogelijk in overeenstemming met de doelstelling van de Stichting.

  • 9. Alvorens deponering van de rekening en verantwoording en eventueel het plan van verdeling bij het handelsregister plaatsvindt, worden deze ter goedkeuring voorgelegd aan de in artikel 5, eerste lid, genoemde organisaties.

  • 10. Na afloop van de vereffening blijven de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden Stichting gedurende zeven jaren berusten onder de jongste vereffenaar.

Artikel 15 Beleggingen

De geldmiddelen als bedoeld in artikel 4, lid 1 worden – voor zover niet direct bestemd voor de uitgaven bedoeld in lid 2 van dat artikel – door het Bestuur belegd, met inachtneming van in redelijkheid daaraan te stellen eisen van liquiditeit, rendement en risicoverdeling.

Artikel 16 Onvoorziene gevallen

Het Bestuur is bevoegd in onvoorziene gevallen af te wijken van het bepaalde in het Reglement, mits daarbij niet in strijd wordt gehandeld met de Statuten.

Bijlage II, zoals bedoeld in artikel 3 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst Doe-het-zelfbranche inzake Sociaal Fonds respectievelijk als bedoeld in artikel 12 lid 1 van de statuten van de Stichting Sociaal Fonds Doe-het-zelfbranche.

REGLEMENT VAN DE STICHTING SOCIAAL FONDS DOE-HET-ZELFBRANCHE

Artikel 1 Definities

In dit reglement worden geacht te zijn opgenomen de definities uit artikel 2 van de statuten.

Voorts wordt in dit reglement verstaan onder premieplichtig loon: het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen of het uniform loonbegrip, met uitzondering van:

  • a. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Werkloosheidswet en hierop door de werkgever verstrekte aanvullingen;

  • b. het genot van een door de werkgever ter beschikking gestelde auto;

  • c. het loon dat betrekking heeft op de periode vanaf de eerste dag van de maand waarin de werknemer AOW ontvangt;

  • d. uitkeringen uit levensloop.

Het loon dat meer heeft bedragen dan het maximum premieloon als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen op jaarbasis, blijft buiten aanmerking. Indien de dienstbetrekking een deel van een kalenderjaar betreft, dan wel de werknemer minder dan de volledige tijd werkzaam is, wordt het maximum premieloon naar evenredigheid toegepast. Daartoe wordt het maximum premieloon uitgedrukt in een uurbedrag door het maximum premieloon op jaarbasis te delen door het aantal uren per jaar volgens de voor het functieniveau geldende normale arbeidsduur in de Cao doe-het-zelfbranche dan wel, indien er geen cao van toepassing is, de voor het functieniveau geldende bij de werkgever gebruikelijke normale arbeidsduur , waarbij het maximum uurloon op vijf eurocenten wordt afgerond.

Artikel 2 Premie
  • 1. De hoogte van de bijdrage als bedoeld in artikel 4 lid 1 sub a van de statuten, is een voor elk jaar door het bestuur vast te stellen percentage van het premieplichtig loon van alle werknemers.

    Deze premie is met ingang van 2025 per jaar vastgesteld op 0,2% van het premieplichtig loon van het betreffende jaar.

    De werkgever is verplicht deze premie aan de Stichting te voldoen.

  • 2. De Stichting brengt de premie per boekjaar aan de werkgever in rekening op basis van door of namens de werkgever voor iedere werknemer afzonderlijk verstrekte loonopgaven. De Stichting deelt het te betalen bedrag van de premie en de termijn waarbinnen de betaling dient te geschieden, schriftelijk aan de werkgever mee.

  • 3. Het bestuur kan bepalen dat de betaling van de premie plaatsvindt in kwartaaltermijnen, waarbij nadere voorwaarden kunnen worden gesteld. In afwijking hiervan is een vordering in haar geheel opeisbaar, indien de werkgever ten aanzien van de betaling van een der termijnen in gebreke is.

    De betaalde premie zal worden verrekend met de premie die door de werkgever over het desbetreffende kalenderjaar op basis van de loonopgaven over dat kalenderjaar verschuldigd is.

  • 4. De werkgever, die nalaat de premie binnen de gestelde termijn te betalen, is voor elke maand verzuim rente verschuldigd ter hoogte van de alsdan geldende wettelijke handelsrente, bedoeld in artikel 6:119 BW, tenzij het bestuur daarvan geheel of gedeeltelijk ontheffing verleent.

  • 5. Voorts zijn in geval van nalatigheid aan de Stichting verschuldigd alle kosten die door de Stichting zijn gemaakt ter invordering van niet tijdig betaalde premies en van de rente bedoeld in het vierde lid. De hoogte van de incassokosten worden conform onderstaande tabel in rekening gebracht.

    Hoofdsom

    Incassokosten (excl. btw)

    tot € 250,–

    € 37,–

    € 250,– tot € 500,–

    € 75,–

    € 500,– tot € 1.250,–

    € 150,–

    € 1.250,– tot € 2.500,–

    € 300,–

    € 2.500,– tot € 3.750,–

    € 450,–

    € 3.750,– tot € 5.000,–

    € 600,–

    € 5.000,– tot € 10.000,–

    € 700,–

    € 10.000,– tot € 20.000,–

    € 800,–

    € 20.000,– tot € 40.000,–

    € 1.000,–

    € 40.000,– tot € 100.000,–

    € 1.500,–

    € 100.000,– tot € 200.000,–

    € 2.500,–

    € 200.000,– tot € 400.000,–

    € 3.500,–

    € 400.000,– tot € 1.000.000,–

    € 4.500,–

    Meer dan € 1.000.000,–

    € 5.500,–

Artikel 3 Realisering doelstelling
  • 1. De Stichting realiseert het in artikel 3 van de statuten genoemde doel door het toekennen van subsidies aan instellingen die activiteiten als genoemd in deze doelstelling verrichten.

    Van de in artikel 4 lid 1 van de statuten bedoelde gelden – voor zover niet benodigd voor de uitgaven als bedoeld in lid 2 sub b van genoemd artikel – zal ter beschikking worden gesteld:

    • a. 2%voor de financiering van activiteiten als bedoeld in artikel 3 sub a van de statuten;

    • b. 5%voor de financiering van activiteiten als bedoeld in artikel 3 sub b van de statuten.

    • c. 8%voor de financiering van activiteiten als bedoeld in artikel 3 sub c van de statuten;

    • d. 75%voor de financiering van activiteiten als bedoeld in artikel 3 sub d van de statuten.

    • e. 1%voor de financiering van activiteiten als bedoeld in artikel 3 sub e van de statuten;

    • f. 3%voor de financiering van activiteiten als bedoeld in artikel 3 sub f van de statuten

    • g. 5%voor de financiering van activiteiten als bedoeld in artikel 3 sub g van de statuten;

    • h. 1%voor de financiering van activiteiten als bedoeld in artikel 3 sub h van de statuten.

    De percentages a tot en met h gezamenlijk zijn vastgesteld op 0,2% van het premieplichtig loon op jaarbasis.

  • 2. Opleidings- en vormingsactiviteiten die door de Stichting gesubsidieerd kunnen worden zijn:

    • a. beleidsontwikkeling ten behoeve van projecten gericht op opleiding en vorming;

    • b. werkzaamheden in het kader van projecten ter stimulering en begeleiding van opleiding en vorming;

    • c. activiteiten terzake van de ontwikkeling van instrumenten voor personeelsmanagement;

    • d. ontwikkelen van leermiddelen;

    • e. verder ontwikkelen van samenwerking met ROC’s en vakscholen;

    • f. stimuleren van deelname aan cursussen;

    • g. verstrekken van hulp bij vragen over opleidingen en het opstellen van scholingsplannen voor bedrijven;

    • h. het bevorderen van de instroom van doelgroepen (allochtonen, werklozen en herintredende vrouwen).

    Voor de nadere uitwerking van de subsidiëring van bovenstaande activiteiten zal door het bestuur van de Stichting een reglement worden opgesteld.

  • 3. De Vaste Commissie doe-het-zelfbranche verricht ten behoeve van de doe-het-zelfbranche de volgende taken:

    • het op verzoek van de werkgever en /of werknemer verlenen van dispensatie van bepalingen uit de arbeidsvoorwaarden-cao;

    • het desgewenst aan alle werkgevers en werknemers geven van advies over de uitleg en / of toepassing van de arbeidsvoorwaarden-cao;

    • het op verzoek toetsen van voorstellen tot wijziging van per individuele onderneming bestaande regelingen van arbeidsvoorwaarden die niet in de arbeidsvoorwaarden-cao zijn geregeld of daar bovenuit gaan, aan strijdigheid met bepalingen uit de arbeidsvoorwaarden-cao;

    • het geven van een bindend advies bij geschillen over de uitleg en / of toepassing van de arbeidsvoorwaarden-cao wanneer beide partijen daarom schriftelijk verzoeken.

Artikel 4 Werkwijze
  • 1. De aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13 lid 3 van de statuten dienen schriftelijk bij het bestuur te worden ingediend, en wel

    • voor eenmalige subsidies: zo spoedig mogelijk na het nemen van het besluit een subsidie aan te vragen;

    • voor periodieke subsidies: jaarlijks vóór 1 december voorafgaand aan het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

    Bij de aanvragen dient een naar de bestedingsdoelen als genoemd in art. 3 van de statuten gespecificeerde begroting betreffende de besteding van de aangevraagde gelden te worden meegezonden.

  • 2. De verantwoording omtrent de besteding van de ontvangen gelden als bedoeld in artikel 13 lid 3 van de statuten dient schriftelijk bij het bestuur te worden ingediend, en wel

    • voor eenmalige subsidies: zo spoedig mogelijk na de besteding van deze gelden;

    • voor periodieke subsidies: jaarlijks vóór 1 april volgend op het jaar waarop de subsidie betrekking had.

  • 3. Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften te geven waaraan de bij de subsidieaanvraag mee te zenden begroting c.q. de schriftelijke verantwoording dient te voldoen. Behoudens een subsidie voor activiteiten waarvan de kosten verantwoord worden door middel van een gespecificeerde factuur van een derde, dient de, naar de bestedingsdoelen als genoemd in artikel 3 van de statuten gespecificeerde, verantwoording vergezeld te gaan van een verklaring van een registeraccountant of accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid, waaruit blijkt dat de ontvangen gelden zijn besteed in overeenstemming met de doelstelling van de Stichting. De verklaring maakt een geïntegreerd onderdeel uit van het (financieel) jaarverslag.

  • 4. Op beslissingen van het bestuur omtrent de subsidieaanvraag kan geen beroep worden ingesteld, onverlet de mogelijkheid een nieuwe aanvraag in te dienen.

Artikel 5 Begroting

Het bestuur stelt jaarlijks een begroting van inkomsten en uitgaven van de Stichting vast, welke voor betrokkenen beschikbaar moet zijn. De begroting omvat:

  • a. de inkomsten als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de statuten;

  • b. financiering en subsidiëring van activiteiten als bedoeld in artikel 3 van de statuten;

  • c. de kosten van administratie en bestuur;

  • d. eventuele andere lasten.

Dictum II

De in dictum I opgenomen bepalingen zijn algemeen verbindend verklaard tot en met 31 maart 2030.

Dictum III

Voor zover de in dictum I opgenomen bepalingen strijdig zijn met bij of krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen.

Dit betekent in het licht van de gelijke behandelingswetgeving dat ten aanzien van bepalingen waarin onderscheid wordt gemaakt terwijl daarvoor een objectieve rechtvaardiging vereist is, partijen in de uitvoeringspraktijk moeten zorgen voor een legitiem doel waarbij de ingezette middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

Dictum IV

Voor zover in de in dictum I opgenomen bepalingen wordt verwezen naar informatie die gepubliceerd is op een website, geldt dat de informatie zoals opgenomen op die website geen onderdeel uit maakt van dit besluit tot algemeenverbindendverklaring. Deze informatie wordt aangemerkt als toepassingspraktijk van cao-bepalingen, zoals bedoeld in paragraaf 3.1. van het Toetsingskader AVV. De inhoud van deze informatie valt niet onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Uitgezonderd zijn de verwijzingen die wettelijk zijn toegestaan.

Dictum V

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 april 2030 en heeft geen terugwerkende kracht.

’s-Gravenhage, 16 april 2025

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, De directeur UitvoeringstakenArbeidsvoorwaardenwetgeving, P.S. Nanhekhan

Naar boven