Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 5 februari 2024, nr. 43729265, houdende regels voor subsidieverstrekking ten behoeve van de verbetering van de verbinding tussen het primair en voortgezet onderwijs (Subsidieregeling verbinding po-vo)

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs,

Gelet op artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 67 van de Wet primair onderwijs BES, artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 71 van de Wet op de expertisecentra;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

bevoegd gezag:

bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;

coalitie:

groep van po-, vo- en – indien van toepassing – so-scholen, die uitvoering geven aan de doelstelling, bedoeld in artikel 3, eerste lid.

DUS-I:

Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;

externe partij:

partij anders dan een school of samenwerkingsverband;

minister:

Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs

penvoerder:

bevoegd gezag van een van de scholen in de coalitie dat als penvoerder optreedt bij de aanvraag van subsidie op grond van deze regeling;

po-school:

uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES.

samenwerkingsverband:

samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 26, eerste lid, van de Wet primair onderwijs BES of artikel 2.47, tweede en achttiende lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

school:

po-school, so-school of vo-school;

so-school:

uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;

vestiging:

hoofdvestiging of nevenvestiging van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, hoofdvestiging of nevenvestiging van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, hoofdvestiging als bedoeld in artikel 4.13 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.14 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.16 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

vo-school:

uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Artikel 3. Doel van de regeling en te subsidiëren activiteiten

  • 1. De minister kan op grond van deze regeling subsidie verstrekken met als doel scholen te stimuleren om actiever samen te werken, teneinde de doorstroom van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs te versoepelen.

  • 2. De minister kan ten behoeve van het doel, bedoeld in het eerste lid, op grond van deze regeling subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten:

    • a. het opstellen van een verbindingsplan in het schooljaar 2024–2025; en

    • b. het uitvoeren van de afspraken in het verbindingsplan in de schooljaren 2025–2026 en 2026–2027.

Artikel 4. Coalitievorming

  • 1. Een coalitie bestaat uit vestigingen van ten minste twee po-scholen en één vo-school.

  • 2. Een po-school, vo-school of so-school kan bij ten hoogste twee coalities aansluiten.

  • 3. Deelname van dezelfde combinaties van po-scholen en vo-scholen aan meer dan één coalitie is niet toegestaan.

Artikel 5. Subsidieplafond

Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is in totaal een bedrag van € 54.600.000 beschikbaar.

Artikel 6. Penvoerderschap

  • 1. De subsidie wordt verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder.

  • 2. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij binnen de coalitie feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende activiteiten.

  • 3. De penvoerder is verantwoordelijk voor het informeren van de bevoegde gezagsorganen van de betrokken scholen in de coalitie over de verplichtingen, bedoeld in artikel 11, vierde lid en artikel 14, derde, vierde en vijfde lid.

Artikel 7. Aanvraag

  • 1. De subsidieaanvraag kan door de penvoerder worden ingediend van 14 februari 2024 tot en met 13 maart 2024.

  • 2. Subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat is bekendgemaakt op de website www.dus-i.nl. In het aanvraagformulier is opgenomen:

    • a. hoeveel en welke vestigingen van po-, vo- en so- scholen deelnemen aan de coalitie;

    • b. hoeveel leerlingen op de deelnemende po-scholen in de coalitie tijdens het schooljaar 2023–2024 onderwijs volgen in het achtste leerjaar van het po en over hoeveel schoolklassen deze leerlingen zijn verdeeld;

    • c. in welke schoolsoorten en leerwegen er onderwijs op de deelnemende scholen wordt verzorgd.

  • 3. Bij de aanvraag wordt een samenwerkingsverklaring gevoegd, die is opgesteld met gebruikmaking van het model dat daartoe is bekendgemaakt op de website www.dus-i.nl. De samenwerkingsverklaring bevat een ondertekende verklaring van het bevoegd gezag van elke school die deelneemt aan de coalitie dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen, en dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de penvoerder van de besteding van de subsidie, op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.

Artikel 8. Inhoud verbindingsplan

  • 1. In het verbindingsplan, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, worden in ieder geval afspraken gemaakt over:

    • a. de vormgeving en werkzaamheden van een stuurgroep po-vo, die bestaat uit ten minste één afgevaardigde per deelnemende vestiging van de po-, vo- en so-scholen in de coalitie, waarbij deze stuurgroep zich in ieder geval bezighoudt met de uitvoering en het bewaken van de nakoming van de afspraken uit het verbindingsplan;

    • b. het uitbreiden van activiteiten binnen de scholen in de coalitie die zijn gericht op het vergroten van ouderbetrokkenheid;

    • c. indien van toepassing, de rol van het samenwerkingsverband bij de uitvoering van de afspraken die in het verbindingsplan zijn opgenomen; en

    • d. indien van toepassing, de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van externe partijen als bedoeld in artikel 12.

  • 2. Daarnaast wordt in het verbindingsplan de inzet op ten minste drie van de volgende onderwerpen beschreven:

    • a. afspraken over een systeem waarin de warme overdracht van leerlingen van de po-school naar de vo-school is vastgelegd;

    • b. de wijze waarop leerlingen van de po-school in de gelegenheid worden gesteld om ervaring op te doen op de vo-school;

    • c. de uitwisseling van kennis en ervaring tussen docenten van de po-school en docenten van de vo-school;

    • d. de wijze waarop leerlingen kennis maken en worden voorbereid op de vaardigheden die ze nodig hebben voor het lesaanbod van de vo-school; of

    • e. een ander initiatief dat aantoonbaar bijdraagt aan de doelstelling, bedoeld in artikel 3 eerste lid.

  • 3. Als onderdeel van de inzet op ten minste drie onderwerpen, bedoeld in het tweede lid, wordt in ieder geval het volgende uitgevoerd:

    • a. indien gekozen wordt voor inzet op het onderwerp, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a: een jaarlijkse actieve en mondelinge terugkoppeling vanuit de vo-school aan de po-school, over het verloop van de overgang van de leerling, en de mate waarin de overdrachtsinformatie aansluit bij de ervaring van de vo-school;

    • b. indien gekozen wordt voor inzet op het onderwerp, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b: alle leerlingen uit het achtste leerjaar van de deelnemende po-scholen in een coalitie worden ten minste vijf keer per jaar in de gelegenheid gesteld om ervaring op te doen in het vo;

    • c. indien gekozen wordt voor inzet op het onderwerp, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c: de organisatie van minimaal vijf bijeenkomsten per jaar ten behoeve van de uitwisseling van kennis tussen docenten die werkzaam zijn op de scholen binnen de coalitie;

    • d. indien gekozen wordt voor inzet op het onderwerp, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d: het aanbieden van vaardigheden op de po-school die van belang zijn binnen het vo, vooruitlopend op en in afstemming met het aanbod hiervan op de vo-school.

Artikel 9. Omvang en besteding subsidie

  • 1. Het door een coalitie voor de gehele subsidieperiode te ontvangen subsidiebedrag wordt berekend door het aantal deelnemende po-, vo- en so-scholen in de coalitie met € 60.000 te vermenigvuldigen en door het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel b, te vermenigvuldigen met € 225. In afwijking van de vorige volzin wordt het subsidiebedrag, indien een po-school deelneemt aan twee coalities, berekend door het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van de betreffende po-school te vermenigvuldigen met € 112,50.

  • 2. Het subsidiebedrag per aanvraag van een coalitie op Caribisch Nederland wordt omgerekend in US-dollars tegen de vastgestelde wisselkoers bij verstrekking van het voorschot.

  • 3. Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

Artikel 10. Wijze van verdeling beschikbare middelen

  • 1. Indien het voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 5, ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen toe te wijzen, wordt voorrang verleend aan de aanvragen voor scholen in Caribisch Nederland.

  • 2. Vervolgens worden de aanvragen gerangschikt op basis van de gemiddelde relatieve achterstandsscore van een coalitie. Daartoe wordt per coalitie eerst afzonderlijk een gemiddelde achterstandsscore voor de po-scholen en voor de vo-scholen vastgesteld. Per sector worden de coalities van hoog naar laag gerangschikt. Scholen voor speciaal basisonderwijs, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, blijven hierbij buiten beschouwing. De definitieve rangschikking voor een coalitie wordt vervolgens bepaald door het gemiddelde van de posities op de rangschikkingen per sector te berekenen. De aanvragen worden op basis van de definitieve rangschikking van hoog naar laag toegewezen.

  • 3. Voor de bepaling van de achterstandsscores worden de volgende gegevens gehanteerd:

    • a. voor de berekening van de relatieve achterstandsscore van po-scholen wordt de achterstandsscore gehanteerd zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek, daterend van 1 februari 2023 en gepubliceerd op 16 januari 2024. Met de achterstandsscore zonder drempel en het aantal leerlingen waarmee de achterstandsscore is berekend wordt een relatieve achterstandsscore berekend.

    • b. voor de berekening van de relatieve achterstandsscore van vo-scholen wordt de achterstandsscore voor vmbo, havo en vwo dan wel de achterstandsscore voor praktijkonderwijs gehanteerd, zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek, daterend van 1 oktober 2022 en gepubliceerd op 31 januari 2024. Met de achterstandsscore zonder drempel en het aantal leerlingen waarmee de achterstandsscore is berekend wordt een relatieve achterstandsscore berekend.

  • 4. Indien een so-school of een school voor speciaal basisonderwijs, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, onderdeel is van de aanvraag, stijgt de positie van een coalitie op de definitieve rangschikking met tien plaatsen.

  • 5. Indien niet genoeg middelen resteren om aanvragen met een gelijke definitieve rangschikking, als bedoeld in de eerste volzin van het tweede lid, te honoreren, dan wordt er tussen deze aanvragen geloot.

Artikel 11. Verplichtingen subsidie

  • 1. De penvoerder zendt voor 1 februari 2025 een verbindingsplan aan DUS-I, dat voldoet aan het bepaalde in artikel 8.

  • 2. Indien één of meerdere van de afspraken uit het verbindingsplan niet wordt nageleefd, meldt de penvoerder dit schriftelijk bij DUS-I.

  • 3. De coalities werken mee aan door of namens de minister ingestelde initiatieven die gericht zijn op het delen en uitwisselen van kennis en ervaring met andere coalities. Daaronder wordt in ieder geval de deelname aan terugkerende kennisdelingsactiviteiten en het delen van informatie en ervaringen ten behoeve van een kennisuitwisselingsplatform verstaan.

  • 4. De coalities werken mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoeken die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het door of namens de minister te voeren beleid.

Artikel 12. Inzet externe partijen

In het verbindingsplan wordt opgenomen op welke wijze gebruik gemaakt wordt van externe partijen bij de uitvoering van de afspraken, bedoeld in artikel 8.

Artikel 13. Beoordeling en weigeringsgronden

  • 1. De minister meldt de penvoerder uiterlijk op 30 april 2025 of het verbindingsplan, bedoeld in artikel 3 tweede lid, onderdeel a, voldoet aan de daaraan gestelde voorwaarden bedoeld in artikel 8.

  • 2. Indien het verbindingsplan niet voldoet aan de gestelde voorwaarden wordt eenmaal een termijn van tien dagen geboden om het verbindingsplan aan te passen.

  • 3. Indien het aangepaste verbindingsplan, bedoeld in het tweede lid, niet voldoet aan de gestelde voorwaarden, wordt de subsidie lager vastgesteld.

Artikel 14. Verlening, vaststelling en verantwoording

  • 1. Subsidie op grond van deze regeling wordt binnen 13 weken na sluiting van de aanvraagperiode verleend. De minister verstrekt ambtshalve een voorschot van 100%. Het voorschot wordt in drie gelijke delen uitbetaald over de jaren 2024, 2025 en 2026.

  • 2. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, als bedoeld in bijlage 4 van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

  • 3. De verantwoording van de subsidie voor de toepassing van deze regeling in de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba geschiedt overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs BES met model G, onderdeel 1.

  • 4. De penvoerder toont aan de hand van een activiteitenverslag aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Daartoe wordt in ieder geval een beschrijving per schooljaar opgenomen van de vormgeving van de stuurgroep po-vo, de betrokkenheid van ouders en de inzet van externe partijen. Afhankelijk van de keuze die binnen de coalitie is gemaakt, bedoeld in artikel 8, tweede lid, wordt ook per schooljaar een beschrijving opgenomen van de inzet om de overdracht van leerlingen te versoepelen, de kennismakingsactiviteiten die voor leerlingen en voor docenten zijn georganiseerd en de inzet om vaardigheden te vergroten. Dit activiteitenverslag wordt uiterlijk op 29 oktober 2027 toegezonden aan DUS-I.

  • 5. De minister kan de penvoerder verzoeken om in het kader van een steekproefsgewijze controle aanvullende informatie te verstrekken.

  • 6. Indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt, zijn verricht en aan de daaraan verbonden verplichtingen is voldaan, wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag waarvan de hoogte door de minister bij de verlening is genoemd.

  • 7. In afwijking van artikel 9.1, vierde lid onderdeel a, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, stelt de minister de subsidie ambtshalve vast binnen een jaar na indiening van de jaarverslaggeving over het laatste jaar van de activiteitenperiode.

Artikel 15. Hardheidsclausule

De minister kan de bepalingen in deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 16. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2029.

Artikel 17. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling verbinding po-vo.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, M.L.J. Paul

TOELICHTING

Algemene toelichting

1. Doelstelling

De overgang van het primair onderwijs (po) naar het voortgezet onderwijs (vo) is een kwetsbaar moment in de onderwijsloopbaan van een kind. Uit onderzoek blijkt dat dit doorstroommoment gepaard gaat met een achteruitgang in de leerprestaties en het welbevinden van leerlingen. Uit onderzoek blijkt ook dat met name leerlingen met een minder bevoorrechte sociaaleconomische status worden geremd in hun verdere ontwikkeling tijdens het overgangsproces naar het vo. Een soepele en succesvolle doorstroom naar het vo draagt eraan bij dat leerlingen zich op lange termijn kunnen ontwikkelen in overeenstemming met hun capaciteiten en wensen. Het is belangrijk dat de ontwikkeling van leerlingen zo min mogelijk wordt belemmerd door aanpassingsproblemen op het vo of – meer in zijn algemeenheid – door factoren die een stagnerende werking hebben op een succesvolle doorstroom.

Een intensieve(re) samenwerking tussen scholen in het primair- en het voortgezet onderwijs kan bijdragen aan de versoepeling van de overstap, met name voor leerlingen voor wie de overgang een kwetsbaarder moment in de onderwijsloopbaan is. Met deze regeling wordt gestreefd naar een duurzame verbinding tussen scholen op regionaal niveau en daarom wordt de regeling voor een looptijd van drie jaar aangevraagd. Dit moet er toe leiden dat de overgang van het primair- naar het voortgezet onderwijs voor leerlingen op een meer structurele manier wordt versoepeld. Met school (po of vo) wordt in dit verband een vestiging van de school bedoeld. In de rest van de toelichting wordt voor het leescomfort gebruik gemaakt van ‘school’, in plaats van ‘vestiging of nevenvestiging’.

Het doel van de subsidieregeling is het vergroten van kansengelijkheid in de overgangsfase van het po naar het vo. Door po en vo-scholen uit te dagen om actiever samen te werken en de overgang naar het vo voor leerlingen herkenbaarder en meer overbrugbaar te maken wordt de doorstroom naar het vo een minder kwetsbaar schakelmoment in een onderwijsloopbaan.

Er is daarom geld beschikbaar gesteld voor po- en vo-scholen om onderling de verbinding te zoeken en om een plan te maken over de wijze waarop de overgang voor po-leerlingen naar het vo wordt versoepeld. In het plan worden afspraken gemaakt over welke activiteiten door de scholen worden uitgevoerd. Uiteindelijk moeten de afspraken een positief effect hebben op zowel de leerprestaties als het welbevinden van leerlingen die doorstromen.

In beginsel leidt dit tot positieve effecten op elke leerling en behoort dus ook elke leerling die doorstroomt naar het vo tot de doelgroep, maar met name leerlingen die om uiteenlopende redenen minder ondersteuning ondervinden bij het overgangsmoment zullen de vruchten plukken van de verbinding tussen de po- en vo-scholen. De samenwerkende scholen zorgen ervoor dat deze laatstgenoemde groep leerlingen zich comfortabeler voelt bij de overstap naar het vo, zodat deze leerlingen zo min mogelijk worden geconfronteerd met aanpassingsproblemen en op die manier hun capaciteiten zo optimaal mogelijk en naar hun wens kunnen benutten.

De subsidieregeling dient verder te zorgen voor een toenemende en meer duurzame samenwerking tussen scholen in het po en het vo. Hoewel de regeling tijdelijk van aard is, is deze wel zo vormgegeven dat de afspraken die in het kader van de regeling worden gemaakt kunnen dienen als fundament voor een verbeterde samenwerking in de toekomst tussen de scholen. De regeling beoogt daarmee een duurzame en onderling steeds meer op elkaar afgestemde verbinding tussen de scholen tot stand te brengen, ook na verloop van de subsidieperiode.

De regeling verschilt in opzet van de Subsidieregeling heterogene brugklassen. Die regeling is weliswaar ook gericht op het versoepelen van de doorstroom van het po naar het vo, maar doet dat door middelen ter beschikking te stellen voor het vergroten of verbeteren van het aanbod van heterogene brugklassen binnen afzonderlijke scholen. De focus ligt daarmee meer op de onderbouwfase van het vo.

De onderhavige subsidieregeling is te beschouwen als een opvolger van de subsidieregeling Doorstroomprogramma’s po-vo, maar kent een andere inhoudelijke en organisatorische vormgeving. Voor de ontwikkeling en uitvoering van deze regeling is over de gehele subsidieperiode van 2024 tot 2027 een bedrag van € 55,5 miljoen beschikbaar. De subsidieregeling regelt de activiteiten waarvoor en de voorwaarden waaronder de minister subsidie kan verstrekken.

2. Opzet subsidieregeling

Doelgroep

De subsidieregeling heeft als doel om de overgang van het po naar het vo te versoepelen, zodat leerlingen minder worden geremd in hun ontwikkeling bij de doorstroom. Het vergroten van de kansengelijkheid bij de overgang naar het vo is daarmee ook een doel op zich van de regeling, omdat leerlingen met een minder bevoorrechte sociaaleconomische status meer weerstand ondervinden bij dit overgangsmoment. Deze doelen worden nagestreefd door het stimuleren van po- en vo-scholen tot het aangaan van de samenwerking op lokaal niveau.

De subsidieregeling richt zich op meerdere doelgroepen. In de eerste plaats zijn het de leerlingen uit de laatste fase van het primair onderwijs en de eerste fase van het voortgezet onderwijs die profiteren van de versoepelde doorstroom. Daarnaast kunnen ook po- en vo-scholen die regionaal een sterke onderlinge leerlinguitstroom en -instroom hebben worden geschaard onder de doelgroep. Zij worden immers uitgedaagd om structureel te werken aan de onderlinge verbinding, met afspraken en afstemming over de doorstroom van leerlingen tot gevolg. Naar verwachting verbetert de onderlinge overeenstemming tussen de scholen als gevolg van de samenwerking. De regeling beoogt daarmee te stimuleren dat po-scholen de samenwerking aangaan met de vo-scholen waarvan bekend is dat deze behoren tot het leerling-uitstroomgebied van deze po-scholen.

Gefaseerde opzet

De subsidieregeling kent een gefaseerde opzet en bestaat uit een voorbereidingsfase en een uitvoeringsfase. De afspraken tussen de scholen worden in het eerste subsidiejaar tijdens de voorbereidingsfase gemaakt en worden vastgelegd in een verbindingsplan. Het vormgeven van het verbindingsplan geldt daarom als de belangrijkste te subsidiëren activiteit tijdens het eerste subsidiejaar.

Met de regeling wordt gestreefd naar een duurzame verbinding tussen scholen in de regio. De subsidie wordt daarom aangevraagd voor een looptijd van drie jaar en vraagt van de aanvragende scholen een duurzame toewijding aan de samenwerking.

Het feit dat er wordt gestreefd naar een langer durende verbinding maakt dat samenwerkende scholen in de gelegenheid moeten worden gesteld om de verbindingsplannen vorm te geven. De voorbereidingsfase moet ertoe leiden dat er goed onderbouwde en concrete onderlinge afspraken worden gemaakt over de vormgeving van de verbinding.

De scholen die een verbinding aangaan werken in de eerste vijf maanden van de voorbereidingsfase aan het verbindingsplan. Voor 1 februari 2025 wordt het verbindingsplan door de penvoerder ingediend bij DUS-I, waarna het verbindingsplan inhoudelijk wordt beoordeeld. Er is gekozen voor dit beoordelingsmoment om de coalities te stimuleren om tot gedegen plannen te komen, uiteraard binnen de mogelijkheden van hun lokale context. De beoordeling wordt uitgevoerd door DUS-I.

De regeling laat verder ruimte om al bestaande activiteiten tussen po- en vo-scholen in de regio voort te laten duren tijdens de voorbereidingsfase. Veel scholen werken al samen met scholen uit de andere sector en het staat deze scholen vrij om de samenwerking voort te zetten met het ontvangen subsidiegeld in de voorbereidingsfase. Het wordt aanbevolen om daarbij in te zetten op de volgende punten:

  • de activiteiten zijn onderdeel van de samenwerking tussen scholen die gezamenlijk vertegenwoordigd zijn in een coalitie als bedoeld in deze subsidieregeling;

  • de activiteiten vallen binnen de reikwijdte van de afspraken die in het kader van de subsidieregeling worden gemaakt in een verbindingsplan;

De coalitie waar de scholen toe behoren zorgt onverminderd voor het opmaken en tijdig aanleveren van een verbindingsplan

Aanvrager

De subsidie wordt aangevraagd namens een coalitie, welke bestaat uit een groep van po- en vo-scholen die onderling in de regio uitvoering zullen geven aan de duurzame verbinding. Ook scholen voor speciaal onderwijs kunnen zich bij de coalitie aansluiten.

De aanvraag wordt namens alle bij een coalitie aangesloten scholen gedaan door het bevoegd gezag van één van deze scholen. Het aanvragende bevoegd gezag treedt op als penvoerder en draagt daarmee de uit de subsidieregeling voortvloeiende verantwoordelijkheden die gelden voor de penvoerder.

In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 7 wordt verder ingegaan op de eisen die zijn gesteld aan de aanvraag.

Hoogte subsidie

Het totale subsidieplafond bedraagt € 54.600.000,-. De middelen worden toegekend in 2024. De middelen worden als voorschot verstrekt aan de aanvrager en worden uitbetaald in drie termijnen:

Termijn voorschot

Budget voorschot

2024–2025

€ 18.200.000,-

2025–2026

€ 18.200.000,-

2026–2027

€ 18.200.000,-

3. Uitvoering van de regeling

De subsidie is bedoeld voor de financiering van activiteiten die binnen een coalitie van samenwerkende scholen worden uitgevoerd ter versoepeling van de overgang van het po naar het vo. De subsidie draagt daarmee bij aan het dekken van de kosten die voortvloeien uit de subsidieverplichtingen.

3.1 Randvoorwaarden

De scholen maken afspraken over de versoepeling van de overgang van het po naar het vo in het verbindingsplan. Deze afspraken worden afgestemd met en uitgevoerd door de deelnemende scholen. Om de samenwerking tussen de scholen te vergroten en te intensiveren wordt er zoveel mogelijk gestreefd naar het uitvoeren van de afspraken door betrokkenen binnen de scholen. Dit zal er toe leiden dat de scholen bekend raken met elkaar en elkaars werkwijze en expertise.

De inzet van externe partijen wordt niet uitgesloten. Het kan immers voorkomen dat het voor deelnemende scholen niet mogelijk is om te voorzien in de uitvoering van bepaalde onderdelen van het verbindingsplan. Gelet op het streven naar intensieve samenwerking tussen scholen geldt wel als randvoorwaarde dat externe partijen geen zwaarwegende rol spelen in de uitvoering van de afspraken. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 12 is uiteengezet op welke wijze de rol van externe partijen inzichtelijk moet worden gemaakt.

Aan de afspraken die scholen maken in het verbindingsplan zijn een aantal voorwaarden gesteld. Desondanks is het aan de deelnemende scholen in de coalitie om de afspraken vorm te geven. Daarin spelen de eigen visie en lokale context een rol. Ook kunnen coalities naar eigen voorkeur de nadruk leggen op bepaalde initiatieven die zich richten op de doorstroom van het po naar het vo. De voorwaarden worden verder toegelicht in paragraaf 3.2 van de algemene toelichting en in de artikelsgewijze toelichting op artikel 8.

Om te stimuleren dat coalities op de hoogte raken van succesvolle en creatieve initiatieven binnen andere verbindingsplannen wordt er met de subsidieregeling ingezet op het onderling delen van kennis. Hiertoe zullen naar verwachting contactmomenten worden georganiseerd, waar vertegenwoordigers van verschillende coalities initiatieven en ideeën kunnen uitwisselen. Dat moet er toe leiden dat niet binnen elke coalitie zelf het wiel opnieuw uitgevonden wordt en er onderling wordt geprofiteerd van werkende initiatieven.

Een belangrijke randvoorwaarde bij deze subsidieregeling is het bereiken van de doelgroep, die is beschreven in paragraaf 2 van deze toelichting. Daarom wordt voorrang gegeven aan coalities waaraan veel scholen deelnemen met een relatief hoge achterstandsscore, indien het totaal beschikbare budget niet toereikend is om alle aanvragen te kunnen honoreren. Deze coalities komen op die manier eerder voor toewijzing van hun aanvraag in aanmerking dan coalities met een gemiddeld lagere score. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 10 wordt de wijze waarop voorrang wordt verleend verder uitgelegd.

3.2 Inhoudelijke voorwaarden

Het is belangrijk om de samenwerkende scholen met de regeling te stimuleren om intensief samen te werken. Dat is de reden dat er een aantal activiteiten zijn opgenomen die in het verbindingsplan moeten terugkomen.

In het verbindingsplan wordt concreet weergegeven op welke wijze de activiteiten binnen de coalitie worden uitgevoerd. Het enkel vermelden van de keuze voor één van de initiatieven is niet voldoende. De plannen van de coalities moeten toetsbaar zijn voor DUS-I en dat vereist een concrete onderbouwing van die plannen. In de onderbouwing wordt beschreven hoe de plannen voldoen aan de eisen die in de regeling worden gesteld. Ook wordt omschreven op welke wijze er op het moment van vormgeving al door de scholen in een coalitie wordt samengewerkt om de verbinding po-vo te versoepelen.

Verder geldt als randvoorwaarde dat de activiteiten worden uitgevoerd binnen de grenzen van de huidige wet- en regelgeving. Zodoende wordt gegarandeerd dat de activiteiten niet leiden tot een uitvoering waar in de praktijk niet goed op toe is te zien door bijvoorbeeld de inspectie van het onderwijs.

In artikel 8 van de artikelsgewijze toelichting wordt uitgebreid weergegeven aan welke eisen het verbindingsplan dient te voldoen.

4. Administratieve lasten

Administratieve lasten betreffen de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen aan de overheid, voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid. Het gaat om het verzamelen, bewerken, registreren, bewaren en ter beschikking stellen van informatie aan de overheid. Deze lasten doen zich voor bij de subsidieaanvraag en bij de verantwoording hiervan. Ook worden scholen gevraagd informatie te verstrekken ten behoeve van monitoring.

Ingeschat wordt dat voor het invullen van het aanvraagformulier en voor het zorgdragen voor medeondertekening door alle deelnemende scholen van de verklaring bedoeld in artikel 7, een tijdsinvestering van drie uur per aanvraag nodig is.

Voor het verstrekken van informatie ten behoeve van monitoring wordt zeven tot negen uur per aanvraag gerekend. Voor het opstellen van het activiteitenverslag wordt een tijdsinvestering van 12 tot 16 uur ingeschat.

5. Begroting

Het jaarlijks voor de subsidieregeling beschikbare budget stroomt grotendeels door naar scholen, middels de subsidiëring van het opstellen (jaar 1) en uitvoeren (jaar 2 en 3) van goedgekeurde verbindingsplannen. Daarnaast is geld gereserveerd voor het uitvoeren van de regeling (het toekennen en uitbetalen van de subsidies).

In totaal is er een budget van € 55,5 miljoen beschikbaar voor de subsidieregeling. Van het totaalbudget zijn de kosten afgetrokken die worden gemaakt voor uitvoering van de regeling Het subsidieplafond wordt bekend gemaakt in de Staatscourant en op www.dus-i.nl en bepaald door het in totaal beschikbare bedrag te verminderen met de hierboven genoemde kosten.

6. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (de Kaderregeling) is van toepassing op subsidies die op grond van deze regeling worden verstrekt.

In de Kaderregeling zijn algemene subsidieregels opgenomen over onder andere de verplichtingen van subsidieontvangers. De Kaderregeling kan worden gezien als algemene subsidieregeling, terwijl in de regeling de bijzondere regels staan die specifiek voor de subsidieregeling verbinding po-vo gelden. Het is daarom niet noodzakelijk deze algemene bepalingen ook in de onderhavige regeling op te nemen. Het gaat bijvoorbeeld om de verplichting om mee te werken aan onderzoek voor beleidsontwikkeling of het nemen van een besluit over het verstrekken van de aanvullende bekostiging. Ook de regels over de jaarverslaggeving zijn in de Kaderregeling neergelegd.

7. Caribisch Nederland

De scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs op Caribisch Nederland worden ook uitgenodigd om coalities te vormen en om te werken aan het ontwikkelen van een verbindingsplan zoals in deze subsidieregeling wordt bedoeld.

Voor subsidieaanvragers uit Caribisch Nederland gelden exact dezelfde voorwaarden en aanvraagprocedure, met dien verstande dat het subsidiebedrag op grond van het derde lid van artikel 9, tweede lid, in USD in plaats van in Euro’s wordt vastgesteld en verstrekt. Daarbij wordt bij verstrekking van de subsidie de vaste wisselkoers gehanteerd. Tot slot sluit de aanvraagperiode op het moment van verstrijken van de einddatum in Europees Nederland.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

In artikel 1 worden enkele begrippen gedefinieerd die worden gehanteerd in deze regeling. Voor het merendeel wordt aangesloten bij de gangbare betekenis die volgt uit de sectorwetten voor het funderend onderwijs waar naar wordt verwezen. Uit artikel 7 volgt dat in de aanvraag duidelijk moet worden gemaakt hoeveel en welke scholen (of vestigingen) deelnemen aan de coalitie. Onder de begripsbepaling ‘so-school’ vallen ook scholen voor voorgezet speciaal onderwijs.

Artikel 3

In artikel 3 is geregeld met welk doel de subsidie op grond van deze regeling wordt verstrekt. In paragraaf 1 van het algemeen deel van deze toelichting is hier uitgebreider op ingegaan. In paragraaf 2 is nader ingegaan op de doelgroep van de regeling.

Artikel 4

Het is de bedoeling van deze regeling om scholen te laten samenwerken en op die manier de overgang van het po naar het vo te versoepelen voor hun leerlingen. Scholen werken daarvoor samen in zogenoemde coalities, waarin ze een verbindingsplan opstellen, dat ze vervolgens uitvoeren. In artikel 4 zijn de minimumeisen opgenomen die gesteld worden aan deze coalities. Een coalitie bestaat uit een groep van po- en vo-scholen die onderling in de regio uitvoering zullen geven aan de duurzame verbinding. SO-scholen kunnen deel uitmaken van een coalitie, maar dat is niet verplicht. Gelet op het doel van de regeling is het van belang dat er tussen het po en vo wordt samengewerkt. Omdat vo-scholen over het algemeen omvangrijker zijn en leerlingen ontvangen van meerdere po-scholen, is de voorwaarde gesteld dat minimaal twee po-scholen onderdeel zijn van een coalitie.

Combinaties van samenwerkende scholen zijn in meerdere vormen mogelijk. Niet alle scholen die vallen onder een bevoegd gezag dat zich heeft aangesloten bij een coalitie hoeven onderdeel te zijn van de afspraken uit het verbindingsplan dat wordt opgesteld. De deelnemers aan een coalitie bepalen immers zelf voor welke scholen (of vestigingen van die scholen) ze aan de coalitie willen deelnemen, en zorgen ervoor dat dit in de aanvraag wordt vermeld.

De subsidieregeling stelt grenzen aan het aantal coalities (en daarmee aan het aantal verbindingsplannen) waarvan een school onderdeel mag zijn. Als uitgangspunt geldt dat een school kan deelnemen aan maximaal twee verbindingsplannen. Er is voor dit maximum gekozen om te voorkomen dat scholen zich verbinden aan een (te) grote hoeveelheid verplichtingen. Tegelijkertijd wordt de ruimte geboden om onderdeel te zijn van meer dan één coalitie, omdat scholen die als gevolg van hun ligging een leerling in- of uitstroom hebben van of naar uiteen gelegen scholen gebaat zijn bij de mogelijkheid om binnen verschillende coalities samen te werken. Zo wordt de situatie voorkomen waarin maar een deel van de groep 8 leerlingen op een school kan profiteren van de versoepeling van de doorstroom.

Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat dezelfde po- en vo-scholen in meerdere coalities deelnemen en daarmee in meerdere coalities werken aan de onderlinge samenwerking. Dit zou immers leiden tot het meermaals financieren van dezelfde activiteiten. Daarom is in het derde lid van dit artikel geregeld dat dezelfde po- en vo-scholen gezamenlijk in niet meer dan één coalitie mogen plaatsnemen.

Artikel 5

In artikel 5 is geregeld hoeveel middelen op grond van deze regeling kunnen worden verstrekt. Als meer middelen worden aangevraagd dan beschikbaar is, worden de aanvragen gehonoreerd volgens de systematiek die is geregeld in artikel 10. In totaal is € 54,6 miljoen beschikbaar. Dit bedrag wordt verspreid over een periode van drie schooljaren als voorschot uitbetaald.

Artikel 6

Eén van de betrokken bevoegde gezagen fungeert als penvoerder voor de gehele coalitie van scholen. De penvoerder onderhoudt het contact met DUS-I én met de andere scholen over de aanvraag en het vervolg daarop. De vertegenwoordigers (bevoegde gezagen) van de scholen die deelnemen aan de coalitie moeten daarom verklaren dat de penvoerder hen in het kader van de subsidieverstrekking vertegenwoordigt.

Artikel 7

De aanvraag van de subsidie bestaat uit het indienen van een aanvraagformulier, inclusief een zogenoemde samenwerkingsverklaring. Als aanvraagformulier wordt een formulier gebruikt dat de DUS-I beschikbaar stelt op haar website www.dus-i.nl. De subsidievoorwaarden die gelden voor de voorbereidingsfase (jaar 1) van de regeling worden hierin opgenomen. Ook het format voor de samenwerkingsverklaring zal op deze website beschikbaar worden gesteld.

Het aanvraagformulier bevat de vereiste informatie zoals opgenomen in de regeling:

  • een uiteenzetting van welke scholen (of vestigingen) zullen deelnemen aan de coalities, het aantal groepen 8 dat vertegenwoordigd is op de po-scholen binnen de coalitie en het aantal groep 8-leerlingen dat in het schooljaar 2023–2024 onderdeel is van de po-scholen binnen de coalitie;

  • onder welke schoolsoort de scholen vallen en (voor het vmbo) welke leerwegen er worden aangeboden op de deelnemende (vo-)scholen (of vestigingen); en

  • bij welk samenwerkingsverband de school is aangesloten.

De samenwerkingsverklaring bevat een verklaring waarin de scholen zich committeren aan het opstellen van een onderling verbindingsplan.

Artikel 8

De regeling is gefaseerd opgebouwd. Het schooljaar 2024–2025 wordt door coalities benut voor het maken van afspraken. Die afspraken worden vastgelegd in een verbindingsplan, dat op 1 februari 2025 aan DUS-I moet zijn verzonden. In de resterende subsidiejaren worden de plannen uitgevoerd.

In het verbindingsplan wordt concreet weergegeven op welke wijze de activiteiten binnen de coalitie zullen worden uitgevoerd. In artikel 8 is geregeld welke afspraken in ieder geval in het verbindingsplan moeten worden opgenomen. Tegen het eind van deze voorbereidingsfase worden de verbindingsplannen van de verschillende coalities inhoudelijk door DUS-I beoordeeld. Onderdeel van de beoordeling is de vraag of de plannen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of ze daarmee voldoen aan de eisen van de subsidieregeling. Een verdere verduidelijking van deze onderbouwing is terug te vinden in artikel 3.2 van de algemene toelichting.

Een aantal activiteiten hebben een verplicht karakter en moeten daarom altijd zijn opgenomen in het verbindingsplan. Deze activiteiten worden gezien als cruciaal voor een het versoepelen van de verbinding po-vo en zijn in algemene zin ook uitvoerbaar, ongeacht de regionale context van coalities. Hieronder volgt een opsomming van deze activiteiten, inclusief een toelichting en voorbeelden:

  • a. Binnen een coalitie worden personen aangewezen die gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen voor het naleven en stimuleren van de afspraken die zijn vastgelegd in het verbindingsplan. Samen vormen deze personen de zogenoemde stuurgroep po-vo binnen de coalitie. Deze stuurgroep houdt zich bezig met de inhoudelijke en organisatorische uitvoering van genoemde afspraken en kan daarmee worden gezien als aanjager van de succesvolle samenwerking.

    Uit het verbindingsplan wordt duidelijk welke personen plaatsnemen in de stuurgroep en met welke taken de groep zich gaat bezighouden. Om een zo breed mogelijke afvaardiging te stimuleren is in de regeling opgenomen dat er van alle scholen in een coalitie een afgevaardigde plaatsneemt in de stuurgroep.

  • b. In het verbindingsplan wordt opgenomen hoe de samenwerkende scholen de betrokkenheid van ouders vergroten in het overgangsproces van het po naar het vo. Daarbij geldt als eis dat de activiteiten die in dit verband worden georganiseerd zorgen voor een toename van de ouderbetrokkenheid ten opzichte van de situatie voordat de subsidie werd aangevraagd.

    De betrokkenheid van ouders in het overgangsproces is van meerwaarde, in het bijzonder voor leerlingen met een minder bevoorrechte sociaaleconomische status. Immers: hoe beter ouders betrokken zijn bij en bekend zijn met de overgang van het po naar vo, hoe meer deze ervaring doorwerkt op het kind.

    Coalities dienen daarom in het verbindingsplan op te nemen op welke wijze de ouders van alle groep 8-leerlingen in de coalitie worden betrokken bij de initiatieven die binnen deze regeling worden uitgevoerd.

    Een voorbeeld van een activiteit die ziet op ouderbetrokkenheid is het organiseren van workshops die gericht zijn op het ondersteunen bij huiswerk in het vo voor ouders van leerlingen uit groep 8. Op die manier worden ouders geholpen bij het bieden van ondersteuning aan hun kinderen in aanloop naar de overgang. Daarnaast kan er worden gewerkt aan een meer actieve ondersteuning en voorlichting van ouders in het schoolkeuze-proces van de leerlingen en kan er voor ouders een actieve rol in het overdrachtsproces van leerlingen worden opgenomen.

  • c. Het verbindingsplan bevat ook zoveel mogelijk informatie over de werkzaamheden van het samenwerkingsverband in het realiseren van de verbinding tussen de scholen in de coalitie. Uit deze uiteenzetting volgt in ieder geval de reden van de inzet van een samenwerkingsverband en wordt zoveel mogelijk omschreven welke specifieke expertise van het samenwerkingsverband wordt ingezet.

    Het uitweiden over de rol van een samenwerkingsverband is als verplichting opgenomen om inzichtelijk te krijgen op welke wijze het samenwerkingsverband ondersteunend is bij de uitvoering van de afspraken. De regeling geldt als stimulans voor samenwerking tussen de betreffende scholen in een coalitie en daarom ligt de focus ook op deze samenwerking.

Naast deze verplichte activiteiten kent de regeling een opsomming van activiteiten die afhankelijk van de keuze binnen de coalities worden opgenomen in een verbindingsplan. Deze opsomming bevat in totaal vijf activiteiten, waarvan er minimaal drie verplicht worden opgenomen in het verbindingsplan. Op deze manier worden coalities enerzijds gestimuleerd om een vergevorderde vorm van verbinding aan te gaan, terwijl er bij de keuze voor de drie activiteiten rekening gehouden kan worden met de lokale context. De verwachting is immers dat niet alle initiatieven vanzelfsprekend kunnen worden uitgevoerd binnen alle verschillende regio’s. Daarom hebben coalities hierin keuzevrijheid.

Hieronder worden deze activiteiten opgesomd en toegelicht. In deze toelichting wordt ook uiteengezet aan welke eisen de afspraken ten minste dienen te voldoen om positief beoordeeld te worden aan het eind van de voorbereidingsfase.

  • a. De in de coalitie samenwerkende po- en vo-scholen werken gezamenlijk aan een duurzaam systeem waarin de warme overdracht van alle groep 8-leerlingen in de coalitie is vormgegeven en waarin duidelijke afspraken over deze overdracht worden gemaakt. Door intensieve samenwerking weten scholen elkaar beter te vinden en zijn ze beter bekend met elkaars organisatie, waardoor de mondelinge overdracht van elke leerling gemakkelijker kan worden gerealiseerd. Goede communicatie tussen de samenwerkende scholen draagt bij aan verbinding.

    Onderdeel van het systeem waarin de overdrachtsafspraken zijn vastgelegd, is een terugkoppelingsverplichting vanuit het vo aan het po. Dat leidt tot een verbeterde kwaliteit van de overdracht, omdat voor po-scholen duidelijker wordt welke informatie van belang is voor een geslaagde overgang van een leerling naar het vo. Tevens zorgt de terugkoppelingsverplichting voor een stimulans voor vo-scholen om de overdracht bij de juiste betrokkenen te laten landen. Immers, deze betrokkenen bezitten de informatiepositie om een gedegen terugkoppeling te geven. Zo wordt er voor gezorgd dat de overdrachtsinformatie bij de juiste personen terecht komt, bijvoorbeeld bij mentoren of intern begeleiders. De terugkoppeling legt vooral de nadruk op de vraag welke informatie (in algemene en dus niet in individuele zin) op cognitief en sociaal-emotioneel vlak van meerwaarde is voor een geslaagde overgang.

  • b. Samenwerkende po- en vo-scholen maken afspraken over de mogelijkheid om groep 8-leerlingen (en ouders) ‘een kijk in de keuken van het vo’ te bieden. Hierbij kan worden gedacht aan gastlessen en masterclasses in het vo, meeloopdagen en het organiseren en faciliteren van contactmomenten tussen groep 8-leerlingen en hun toekomstige mentoren of docenten. Ook kan er worden gedacht aan het organiseren van contactmomenten tussen groep 8-leerlingen en brugklasleerlingen, zodat de brugklasleerlingen hun eerste ervaring na de overgang kunnen delen. Door de docenten uit groep 8 onderdeel te laten zijn van deze meekijk-momenten wordt extra winst geboekt, aangezien dit direct zorgt voor uitwisseling van kennis en ervaring uit het vo met de leerkracht uit het po.

    Als stimulans voor een omvangrijke vormgeving van deze activiteit is er voor gekozen om een verplicht aantal 'meekijk'- of ‘ontmoetings’-momenten op te nemen in de bepaling. Als bodemvoorwaarde geldt dat alle leerlingen in het achtste leerjaar van scholen die onderdeel zijn van de coalitie minimaal vijf maal in de gelegenheid worden gesteld om deel te nemen aan activiteit die bijdraagt aan het opdoen van ervaring met het voortgezet onderwijs. Daarbij wordt rekening gehouden met de schoolsoort waar de leerlingen (mogelijk) naar doorstromen.

  • c. Binnen de coalitie van samenwerkende scholen wordt gewerkt aan het versterken van het contact en de verbinding tussen betrokken medewerkers van po- en vo-scholen. Hierbij moet met name worden gedacht aan de uitwisseling van kennis en ervaring tussen docenten uit groep 8 met docenten/mentoren uit de brugklas.

    Gedacht kan worden aan het organiseren van contactmomenten tussen docenten uit groep 8 en de brugklas, zodat er op informele wijze kennis kan worden gedeeld. Dit leidt er toe dat po-leerkrachten te weten komen wat leerlingen te wachten staat. Tevens raken vo-leerkrachten bekend met wat leerlingen achter de rug hebben. Op concreter niveau kan worden gewerkt met netwerkgroepen/vakgroepen, waarin leerkrachten die zich bezighouden met hetzelfde vak (bijv. rekenen/Nederlands) meermaals per jaar samenkomen en afstemming zoeken met de po-leerkracht over het lesaanbod. In de praktijk kan dit leiden tot netwerkgroepen waarin (bijv.) reken- en wiskunde docenten of taal- en Nederlands docenten plaatsnemen.

    Een ander initiatief dat kan worden toegepast is het faciliteren van gastlessen die door vo-docenten worden gegeven op het po. Denk aan gastlessen Engels, Wiskunde of Nederlands. Ook kunnen er platforms worden opgezet waarop leerkrachten met elkaar in contact kunnen komen en kennis kunnen uitwisselen.

    Als stimulans voor een omvangrijke vormgeving van deze activiteit is er voor gekozen om een verplicht aantal overkoepelende bijeenkomsten tussen docenten op te nemen in de bepaling. Als bodemvoorwaarde geldt dat er jaarlijks minimaal vijf overkoepelende bijeenkomsten worden georganiseerd waarin relevante kennis tussen docenten wordt uitgewisseld. Met overkoepelend wordt bedoeld dat er van alle scholen in een coalitie een docent vertegenwoordigd is op de bijeenkomst.

  • d. De samenwerkende scholen maken afspraken over de wijze waarop in groep 8 aandacht wordt besteed aan onderwijsmethodes en onderwijsvaardigheden uit het vo. Leerlingen uit groep 8 worden in de gelegenheid gesteld om op een ongedwongen manier te oefenen met vaardigheden die een rol gaan spelen in het voortgezet onderwijs. Daarbij moet worden gedacht aan het oefenen met het maken van huiswerk en het leren werken volgens een planning. In het kader van vo-vakken als Nederlands en Wiskunde kan bijvoorbeeld met deze vaardigheden wordt geoefend. Dit gebeurt in afstemming tussen de po- en de vo-school, zodat de specifieke context van de vo-school kan worden meegenomen in de afspraken.

    Dit initiatief kent overlap met de hiervoor genoemde activiteit, waarin de uitwisseling van kennis tussen leerkrachten is omschreven. Het oefenen met vaardigheden dient echter als stimulans om op inhoudelijk vlak extra in te zetten op de overeenstemming van het onderwijs dat aan leerlingen in groep 8 en in de brugklas wordt onderwezen. Daarbij kan kennisuitwisseling tussen leerkrachten uiteraard een rol spelen.

    Als stimulans voor een omvangrijke en concrete vormgeving van deze activiteit wordt aanbevolen dat uit de afspraken volgt dat de vaardigheden worden getraind aan de hand van de vo-vakken Nederlands en Wiskunde.

  • e. In het verbindingsplan is voor samenwerkende scholen ook ruimte om afspraken op te nemen over andere dan de hiervoor genoemde zaken. Op die manier biedt de regeling ook mogelijkheden om creatieve ideeën uit te voeren die passen bij de lokale context van een coalitie. Wel blijft de verplichting bestaan om van deze lijst een minimum aantal van drie initiatieven op te nemen in het verbindingsplan. Er moeten dus minimaal drie van de in het tweede lid genoemde type activiteiten worden uitgevoerd.

    Om er voor te zorgen deze ‘vrije keuze’ wel bijdraagt aan de doelstelling van de regeling kent de regeling de voorwaarde dat in het verbindingsplan wordt onderbouwd op welke wijze de activiteit bijdraagt aan de doelstelling tot het intensiveren van de samenwerking tussen po- en vo-scholen binnen de coalitie, wat zorgt voor een versoepeling van de overgang van het po naar vo.

In de toelichting bij artikel 14 wordt nader ingegaan op de eisen aan het activiteitenverslag, dat scholen na afloop van de regeling aanleveren.

Artikel 9

Het te ontvangen subsidiebedrag is afhankelijk van de aanvraag. De hoogte van het bedrag wordt deels vastgesteld aan de hand van het aantal scholen in een coalitie, vermeerderd met een bedrag dat afhankelijk is van het aantal leerlingen.

Per deelnemende school wordt een bedrag van € 60.000,– verstrekt over de gehele looptijd van de subsidieregeling. Daarnaast wordt voor de gehele looptijd een bedrag van € 225,– per groep 8-leerling in de coalitie verstrekt. Deze berekening wordt gemaakt op basis van het totaal aan groep 8-leerlingen in een coalitie in het schooljaar 2023–2024, zoals vermeld in het aanvraagformulier. Indien een po-school deelneemt in twee coalities wordt het laatstgenoemde bedrag gehalveerd. Voor de leerlingen op de betreffende po-school wordt in dat geval een bedrag van € 112,50 verstrekt.

Artikel 10

Voor het geval er meer subsidie wordt aangevraagd dan kan worden verleend, zijn er voorrangsbepalingen gekoppeld aan de wijze van verdeling van de middelen. In dit artikel is geregeld op welke wijze deze voorrang wordt verleend.

In de eerste plaats geldt er een voorrangspositie voor aanvragen van coalities uit Caribisch Nederland.

Vervolgens geldt er een voorrangspositie voor scholen met een relatief hoge achterstandsscore. Dat moet er voor zorgen dat de coalities waar een relatief hoog aantal van deze scholen in zijn vertegenwoordigd eerder voor toewijzing van de aanvraag in aanmerking komen, dan coalities waar dat niet of in mindere mate voor geldt.

Coalities worden gerangschikt op basis van een gemiddelde (relatieve) achterstandsscore. Daarbij geldt: hoe hoger het uiteindelijke gemiddelde, hoe hoger de coalitie gerangschikt wordt. De aanvragen worden op basis van deze scores gehonoreerd: aanvragen van coalities met de hoogste gemiddelde scores worden als eerste gehonoreerd, daarna aanvragen van coalities die lager scoren, tot het subsidieplafond is bereikt. Indien niet genoeg middelen resteren om aanvragen van coalities met dezelfde gemiddelde score te honoreren, dan wordt binnen die groep geloot.

Omdat de onderwijsachterstandsscore voor de po- en vo-sector op een andere wijze wordt berekend kan deze niet als ‘gelijk’ worden gezien bij het vaststellen van een gemiddelde. Daarom wordt er per coalitie eerst afzonderlijk een gemiddelde voor de po-scholen en voor de vo-scholen vastgesteld. Dat levert per sector een rangschikking op van de coalities. Het gemiddelde van de positie van een coalitie op basis van de ranking per sector levert uiteindelijk de definitieve ranking op.

Voor de rangschikking van po-scholen wordt gebruik gemaakt van de achterstandsscores op 1 februari 2023, zoals berekend en gepubliceerd door het Centraal Bureau voor Statistiek (hierna: CBS) op 16 januari 2024.1 Scholen voor speciaal basisonderwijs (hierna: sbo) worden op een andere manier meegewogen in de ranking dan andere scholen voor primair onderwijs, omdat de score voor het sbo op een andere manier wordt bepaald dan voor andere scholen in de zin van de WPO.

Voor de rangschikking van vo-scholen wordt gebruik gemaakt van de achterstandsscores voor het vmbo, havo en vwo dan wel de achterstandsscores voor het praktijkonderwijs op 1 oktober 2022, zoals berekend en gepubliceerd door het CBS op 31 januari 2024.2

Po- en vo-scholen die in 2023 zijn opgeheven, worden niet meegenomen in de rangschikking. Ook scholen die in 2023 na een fusie zijn opgeheven, worden niet meegenomen. De scholen die na een fusie overblijven worden meegenomen met de achterstandsscore en het aantal leerlingen vóór fusie, zoals opgenomen in de achterstandsscores op datum van publicatie.

Verder geldt dat bij het berekenen van de achterstandsscores wordt uitgegaan van de relatieve scores per vestiging, te weten de gemiddelde score per leerling. Deze wordt berekend door de score zonder drempel van een vestiging te delen door het aantal leerlingen waarop de score is berekend. Dit zorgt ervoor dat de rangschikking niet afhankelijk is van het aantal leerlingen, waardoor de omvang van een vestiging geen rol speelt.

Omdat een coalitie ten minste uit twee po-scholen en één vo-school moet bestaan, is er voor gekozen op de definitieve ranking te bepalen aan de hand van de achterstandsscores in het po en het vo. De aanwezigheid van scholen voor speciaal onderwijs in een coalitie wordt echter niet uitgesloten en dient juist van meerwaarde te zijn. Daarom wordt om de positie van coalities waar ten minste één school voor speciaal basisonderwijs, een so- of een vso-school in vertegenwoordigd verhoogd met tien plaatsen op de definitieve rangschikking.

In onderstaand overzicht wordt een hypothetisch rekenvoorbeeld gegeven van de wijze waarop een coalitie wordt gerangschikt, steeds op basis van de relatieve achterstandsscore (afgekort: AS) van scholen (of vestigingen). In dit voorbeeld wordt uitgegaan van een coalitie bestaande uit drie po-scholen (PO-a, PO-b & PO-c) en twee vo-scholen (VO-a & VO-b):

Artikel 11

Dit artikel bevat een aantal verplichtingen waaraan partijen moeten voldoen bij ontvangst van subsidie op grond van deze regeling. Omdat subsidie wordt verstrekt aan een coalitie van scholen en de hoogte van die subsidie wordt bepaald aan de hand van het aantal deelnemers, is het van belang dat zij gezamenlijk plannen uitwerken, en die plannen ook daadwerkelijk uitvoeren. Mocht één – of meer – van de scholen niet langer deelnemen aan de coalitie, dan geldt als consequentie dat het subsidiebedrag dat de coalitie ontvangt naar evenredigheid wordt vastgesteld.

Artikel 12

In dit artikel is expliciet geregeld dat externe partijen een rol mogen spelen in de uitvoering van de activiteiten uit het verbindingsplan. Desondanks geldt als wezenlijk uitgangspunt dat scholen de samenwerking voornamelijk onderling zoeken en verbeteren. De wijze waarop externe partijen een rol spelen in de uitvoering van de afspraken wordt daarom expliciet vastgelegd in het verbindingsplan.

Verder geldt als uitgangspunt dat de inzet van een externe partij bijdraagt aan het doel van deze subsidieregeling, te weten het versterken van de duurzame verbinding en het versoepelen van de overgang tussen het po en het vo.

Artikel 13

Het uitdenken en uitvoeren van de activiteiten waarvoor middelen worden verstrekt op grond van deze regeling, verloopt gefaseerd. In het eerste subsidiejaar wordt het verbindingsplan inhoudelijk beoordeeld. Als het verbindingsplan voldoet aan de daaraan gestelde voorwaarden, wordt de uitvoering van de activiteiten die in het plan zijn opgenomen in de schooljaren 2025–2026 en 2026–2027 gefinancierd.

In het derde lid van artikel 13 is geregeld dat – indien een verbindingsplan niet voldoet aan de gestelde voorwaarden – geen subsidie wordt verstrekt voor de resterende schooljaren. Het subsidiebedrag wordt in dat geval lager vastgesteld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het bedrag dat voor het eerste subsidiejaar is verleend wordt teruggevorderd, tenzij kan worden aangetoond dat in het eerste subsidiejaar kosten zijn gemaakt. In dat geval wordt het subsidiebedrag naar evenredigheid vastgesteld.

Artikel 14

In artikel 14 is de verlening, vaststelling en verantwoording van de subsidie geregeld.

Gekozen is voor het verantwoordingsmodel G1, zodat de administratieve lasten worden beperkt, met een aangepaste systematiek wat betreft de wijze van geldverstrekking.

In afwijking van artikel 9.1, vierde lid, van de Kaderregeling wordt de subsidie niet direct vastgesteld, maar krijgen de subsidieontvangers de subsidie bevoorschot tot 100% van het verleende bedrag.

De minister verleent de voorschotten ambtshalve. Dit houdt in dat voorschotten niet hoeven te worden aangevraagd door de subsidieontvanger, hetgeen leidt tot een beperking van de administratieve lasten. De subsidie wordt verstrekt voor de schooljaren 2024/2025 t/m 2026/2027.

Het betaalritme wordt in de subsidiebeschikking vermeld. De voorschotten worden in de jaren 2024, 2025 en 2026 in gelijke delen verstrekt.

DUS-I beslist uiterlijk 13 weken na afloop van de aanvraagtermijn op de aanvraag.

De subsidieontvangers dienen de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt uiterlijk op 31 juli 2027 te hebben uitgevoerd. Het activiteitenverslag wordt uiterlijk op 29 oktober 2027 toegezonden aan DUS-I.

De aanvrager toont door middel van een activiteitenverslag aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt zijn verricht, en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden. DUS-I leest alle activiteitenverslagen, waarbij wordt nagegaan of het activiteitenverslag de volgende onderdelen bevat:

  • Artikel 8, eerste lid, onderdeel a:

    • een verslag per schooljaar, waarin wordt weergegeven hoe de vormgeving van de stuurgroep po-vo overeenkomt met het verbindingsplan.

  • Artikel 8, eerste lid, onderdeel b:

    • een verslag per schooljaar, waarin wordt onderbouwd hoe de ouders van de groep 8-leerlingen binnen de coalitie zijn betrokken in de activiteiten rondom ouderbetrokkenheid. Ook volgt uit de verslagen hoe alle scholen in de coalitie betrokken zijn.

  • Artikel 8, eerste lid, onderdeel d:

    • Een verslag per schooljaar, waarin wordt onderbouwd op welke wijze de daadwerkelijke inzet van externe partijen overeenkomt met de inzet zoals omschreven in het tussentijds beoordeelde verbindingsplan.

  • Artikel 8, tweede lid, onderdeel a:

    • een verslag per schooljaar, waarin wordt onderbouwd hoe er per groep uitvoering is gegeven aan de overdracht van de groep 8-leerlingen binnen de coalitie. Aandachtspunt daarbij is dat de individuele situatie per leerling niet te herleiden valt uit de onderbouwing.

    • Een verslag per schooljaar, waarin wordt onderbouwd hoe er per groep op de overdracht van de leerlingen is teruggekoppeld door de vo-scholen in de coalitie. Aandachtspunt daarbij is dat de individuele situatie per leerling niet te herleiden valt uit de onderbouwing.

  • Artikel 8, tweede lid, onderdeel b:

    • een verslag per schooljaar, waarin wordt weergegeven hoe en wanneer de (minimaal 5) meeloop-activiteiten voor leerlingen zijn georganiseerd.

  • Artikel 8, tweede lid, onderdeel c:

    • een verslag per schooljaar, waarin wordt weergegeven hoe en wanneer de (minimaal 5) kennisdelingsactiviteiten voor docenten (van alle deelnemende scholen in de coalitie) zijn georganiseerd.

  • Artikel 8, tweede lid, onderdeel d:

    • een verslag per schooljaar, waarin wordt onderbouwd hoe de groep 8-leerlingen in de coalitie zijn ondersteund in het opdoen van vaardigheden die van belang zijn voor het vo. Uit de verslagen volgt welke activiteiten hiertoe zijn georganiseerd en op welke vaardigheden tijdens deze activiteiten de focus is gelegd.

  • Artikel 8, tweede lid, onderdeel e:

    • een verslag per schooljaar, waarin zo concreet mogelijk wordt weergegeven hoe en wanneer de activiteiten zijn georganiseerd. Uit de verslagen volgt hoe de groep 8-leerlingen en de deelnemende scholen in de coalitie zijn betrokken in de activiteiten.

    • een weergave hoe de activiteiten in lijn met de doelstelling van de regeling zijn vormgegeven, zoals ook vermeld in het verbindingsplan.

Daarnaast kan DUS-I een steekproef uitvoeren. Daarin kan de uitvoering van de activiteiten en het voldoen aan de subsidieverplichtingen verdiepend worden gecontroleerd. Om dit aan te kunnen tonen dienen deelnemers desgevraagd onderbouwende stukken en documenten aan te leveren, zodat met deze stukken aannemelijk gemaakt kan worden dat er daadwerkelijk aan de subsidieverplichtingen is voldaan. Het beslismoment om in het verdere verloop van de subsidieperiode al dan niet gebruik te maken van een steekproefcontrole ligt na de inhoudelijke beoordeling van de verbindingsplannen.

Indien blijkt dat de subsidiabele activiteiten niet of slechts deels zijn uitgevoerd, wordt de subsidie met inachtneming van artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht lager vastgesteld. Het teveel ontvangen bedrag wordt in dat geval teruggevorderd.

De penvoerder maakt er bij de minister melding van indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet of niet geheel worden uitgevoerd. Tevens maakt de penvoerder er bij de minister melding van, indien het daadwerkelijke aantal deelnemers aan een coalitie wijzigt nadat een aanvraag is gehonoreerd. De minister kan de subsidie ook in dat geval lager vaststellen. Deze lagere vaststelling wordt naar evenredigheid gedaan, waarbij de subsidie op basis van de niet uitgevoerde activiteiten of de weggevallen scholen (en po-leerlingen) naar verhouding wordt bijgesteld.

Enkel indien de activiteiten zoals die verplicht zijn opgenomen in het als positief beoordeelde verbindingsplan zijn voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

Artikel 15

In deze regeling is een hardheidsclausule opgenomen. Op basis van deze clausule kan, in uitzonderlijke gevallen, worden afgeweken van de inhoud van deze regeling. De hardheidsclausule betreft een discretionaire bevoegdheid: het is aan de minister om te beoordelen of een voorkomend geval een uitzondering op de voorschriften al dan niet rechtvaardigt.

Artikel 16

De subsidieregeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, M.L.J. Paul

Naar boven