Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2024, 42274 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2024, 42274 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 78gg, zevende lid, van de Participatiewet;
Besluit:
De Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ wordt als volgt gewijzigd:
A
Na paragraaf 7b wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
B
In artikel 15c wordt na ‘de artikelen’ ingevoegd ‘78gg, zevende lid, van de wet,’.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel
Op 1 januari 2025 treedt de Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek in werking. Deze wet introduceert een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders in artikel 78gg van de Participatiewet om een vaste tegemoetkoming toe te kennen aan zogenoemde alleenverdienerhuishoudens. Hiermee wordt gedoeld op de groep huishoudens voor wie de uitkering van één van beide partners, bijvoorbeeld een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering, de enige of belangrijkste bron van inkomsten is. Doordat verschillende regelingen op elkaar inwerken, ontvangen deze huishoudens minder toeslagen dan een vergelijkbaar huishouden met alleen een bijstandsuitkering. Sommigen hebben door de samenloop ook een netto-inkomen dat lager is dan een bijstandsuitkering. De som van hun netto-inkomen en toeslagen, oftewel hun besteedbaar inkomen, is lager dan het zou zijn als zij samen enkel een bijstandsuitkering zouden hebben.1
Deze wijzigingsregeling stelt de hoogte van de vaste tegemoetkoming voor het jaar 2025 vast. Huishoudens die voor het jaar 2025 tot de doelgroep van de regeling behoren, kunnen aanspraak maken op dit bedrag.
De hoogte van de vaste tegemoetkoming wordt voor ieder jaar apart vastgesteld. Dat schrijft artikel 78ff, zevende lid, van de Participatiewet voor. Het bedrag is voor alle rechthebbende huishoudens gelijk en wordt zodanig vastgesteld dat het voor het overgrote deel van deze huishoudens toereikend is. Bij een vaste tegemoetkoming die toereikend moet zijn voor alle huishoudens zou een beperkt aantal uitzonderlijke gevallen ervoor zorgen dat dit tot zeer grote overcompensatie voor de overige huishoudens leidt.
De vaststelling gebeurt op basis van een combinatie van berekeningen en gegevensanalyses met betrekking tot het bedrag dat huishoudens als gevolg van de alleenverdienersproblematiek tekortkomen voor een besteedbaar inkomen op het bestaansminimum. Verschillende factoren hebben invloed op dit bedrag, waaronder de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon (de bijstandsnorm) en de hoogte van de toeslagen. Deze factoren kunnen jaarlijks wijzigen.
Volgens een analyse van inkomensgegevens door de Belastingdienst zou een tegemoetkoming van € 1.400 voor de jaren 2021, 2022 en 2023 voor meer dan 95% van de huishoudens in de analyse toereikend zijn geweest. Bij de huishoudens boven dit bedrag gaat het voornamelijk om voorlopige gegevens of om uitzonderlijke situaties. Door wijzigingen in het inkomensbeleid in 2025 is de benodigde tegemoetkoming in 2025 naar verwachting lager dan deze € 1.400. Met name de startpunten van de inkomensafhankelijke afbouw van de algemene heffingskorting (in de inkomensheffing) en van de huurtoeslag verschuiven naar een aanzienlijk hoger belastbaar inkomen. Dit betekent dat alleenverdienerhuishoudens zich in 2025 minder ver in deze afbouwpaden bevinden. Het verschil in netto inkomen tussen een alleenverdienerhuishouden en een vergelijkbaar huishouden met bijstand is daarom kleiner, en het bedrag aan misgelopen toeslagen is lager. De benodigde tegemoetkoming is daarom ook lager.
Om te bepalen wat de benodigde tegemoetkoming in 2025 moet zijn, is een berekening gemaakt van de tegemoetkoming die nodig is om alleenverdieners op het bestaansminimum te brengen in de jaren 2021-2025. In de berekeningen wordt uitgegaan van een huishouden waarbij het volledige huishoudensinkomen binnenkomt bij één van beide partners. Dit inkomen bestaat geheel uit een loondervings- of Wajong-uitkering. Bij deze inkomenssituatie en -verdeling is de alleenverdienersproblematiek in een gegeven jaar het grootst.
De tegemoetkoming die volgt uit deze berekening is lager dan de tegemoetkoming die volgt uit de analyse door de Belastingdienst. Uit de berekening blijkt dat tussen 2021 en 2024 € 1.100 tot € 1.200 als tegemoetkoming nodig was om het overgrote deel van de alleenverdieners op het bestaansminimum te brengen. Dit is € 200 tot € 300 lager dan de benodigde tegemoetkoming die uit de analyse van de Belastingdienst volgt (€ 1.400). Een belangrijke verklaring voor dit verschil is dat in de gegevensanalyse de inkomensgrenzen enigszins zijn verruimd om te voorkomen dat sommige huishoudens ten onrechte uit de doelgroep vallen.
Door de wijzigingen in het inkomensbeleid in 2025 zou er volgens de berekening voor 2025 € 700 tot € 800 als tegemoetkoming nodig zijn om het overgrote deel van de alleenverdieners op bestaansminimum te brengen. In de analyse door de Belastingdienst ligt de benodigde tegemoetkoming € 200 tot € 300 euro hoger. Hiermee komt de tegemoetkoming in 2025 volgens de berekening van de belastingdienst, rekening houdend met de wijzigingen in het inkomensbeleid in 2025, uit op € 1.000.
De tegemoetkoming voor 2025 wordt daarom vastgesteld op € 1.000.
Naar verwachting zal voor een beperkt aantal huishoudens voor de vaste tegemoetkoming niet toereikend zijn. Dit kan bijvoorbeeld gaan om huishoudens die in een situatie waarin zij een volledige bijstandsuitkering zouden ontvangen toch recht zouden hebben op kinderopvangtoeslag of om huishoudens met één of meerdere medebewoners wiens inkomen meetelt voor de huurtoeslag maar die niet als kostendeler meetellen voor de bijstand. Deze huishoudens kunnen zich wenden tot het college van burgermeester en wethouders voor aanvullende ondersteuning. In deze uitzonderlijke omstandigheden kan een beroep worden gedaan op inkomensaanvulling in de vorm van individuele bijzondere bijstand.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Daarmee wordt voldaan aan het kabinetsbeleid van vaste verandermomenten voor regelgeving, zoals neergelegd in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Van de minimuminvoeringstermijn van drie maanden wordt afgeweken. De reden daarvoor is dat de gegevens op basis waarvan het bedrag mede wordt vastgesteld pas op 13 december 2024 beschikbaar kwamen, terwijl inwerkingtreding per 1 januari 2025, tegelijk met de Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek, moet plaatsvinden.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2024-42274.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.