Vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Haringvliet

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);

Gelet op artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet;

Besluit:

Artikel 1

De nieuwe tekst van het besluit van de Staatsecretaris van Economische Zaken van 17 mei 2015, nr. PDN 2015-109, houdende de aanwijzing van het Habitatrichtlijngebied Haringvliet, het Vogelrichtlijngebied Haringvliet en het Natura 2000-gebied Haringvliet (Stcrt. 2015, 11211), wordt vastgesteld zoals weergegeven in de bijlage “Aanwijzingsbesluit Haringvliet” bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze:

w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum: 10 december 2024

Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, t.a.v. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. de afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE, Zwolle.

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:

  • a)

    de naam en het adres van de indiener;

  • b)

    de dagtekening;

  • c)

    een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en

  • d)

    de gronden van bezwaar.

Meer informatie over Natura 2000 en gerelateerde onderwerpen vindt u op de website https://www.rijksoverheid.nl/natura2000. Voor vragen over Natura 2000 kunt u op werkdagen van 8.30 uur tot 16.30 uur contact opnemen met het klantcontactcentrum van RVO, telefoon 088 - 042 42 42 (lokaal tarief).

Bijlage bij artikel 1

Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Haringvliet

Artikel 1 Aanwijzing Haringvliet - Habitatrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Haringvliet.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire habitattypen aangeduid met een sterretje (*)):

    H3270

    Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodietum rubri p.p. en Bidention p.p.

    H6430

    Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones

    H91E0

    *Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire soorten aangeduid met een sterretje (*)):

    H1095

    Zeeprik (Petromyzon marinus)

    H1099

    Rivierprik (Lampetra fluviatilis)

    H1102

    Elft (Alosa alosa)

    H1103

    Fint (Alosa fallax)

    H1106

    Zalm (Salmo salar)

    H1163

    Rivierdonderpad (Cottus gobio)

    H1337

    Bever (Castor fiber)

    H1340

    *Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola)

Artikel 2 Aanwijzing Haringvliet - Vogelrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU L 20)1 wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Haringvliet.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A026

    Kleine zilverreiger (Egretta garzetta)

    A034

    Lepelaar (Platalea leucorodia)

    A037

    Kleine zwaan (Cygnus bewickii (Cygnus columbianus bewickii))

    A042

    Dwerggans (Anser erythropus)

    A045

    Brandgans (Branta leucopsis)

    A081

    Bruine kiekendief (Circus aeruginosus)

    A094

    Visarend (Pandion haliaetus)

    A103

    Slechtvalk (Falco peregrinus)

    A132

    Kluut (Recurvirostra avosetta)

    A138

    Strandplevier (Charadrius alexandrinus)

    A140

    Goudplevier (Pluvialis apricaria)

    A176

    Zwartkopmeeuw (Larus melanocephalus)

    A191

    Grote stern (Sterna sandvicensis)

    A193

    Visdief (Sterna hirundo)

    A195

    Dwergstern (Sterna albifrons)

    A272

    Blauwborst (Luscinia svecica)

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A005

    Fuut (Podiceps cristatus)

    A017

    Aalscholver (Phalacrocorax carbo)

    A041

    Kolgans (Anser albifrons)

    A043

    Grauwe gans (Anser anser)

    A048

    Bergeend (Tadorna tadorna)

    A050

    Smient (Anas penelope)

    A051

    Krakeend (Anas strepera)

    A052

    Wintertaling (Anas crecca)

    A053

    Wilde eend (Anas platyrhynchos)

    A054

    Pijlstaart (Anas acuta)

    A056

    Slobeend (Anas clypeata)

    A061

    Kuifeend (Aythya fuligula)

    A062

    Topper (Aythya marila)

    A125

    Meerkoet (Fulica atra)

    A137

    Bontbekplevier (Charadrius hiaticula)

    A142

    Kievit (Vanellus vanellus)

    A156

    Grutto (Limosa limosa)

    A160

    Wulp (Numenius arquata)

    A295

    Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus)

Artikel 3 Aanwijzing Natura 2000-gebied Haringvliet

  • 1.

    Deze aanwijzing gaat vergezeld van een nota van toelichting met bijlagen die integraal deel uitmaakt van deze aanwijzing.

  • 2.

    De in de artikelen 1 en 2 genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Haringvliet.

Artikel 4 Exclaveringsformule

  • 1.

    Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting wordt afgeweken. Hiervoor gelden de peildata, genoemd in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:

    • a.

      bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • b.

      bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond;

    • c.

      gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

    • d.

      erven: onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terreinen;

    • e.

      tuinen: in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terreinen, beplant met siergewassen en gazons, of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving en veelal, omheind zijn door middel van een afrastering, schutting, muur of haag of geheel of gedeeltelijk zijn omgeven door een sloot;

    • f.

      verhardingen: kunstmatige verhardingen zoals verharde wegen, pleinen, parkeervoorzieningen, erfverhardingen en steenglooiingen met inbegrip van in wegen liggende bruggen en duikers en de tot wegen behorende paden en bermen of zijkanten;

    • g.

      hoofdspoorweg: op grond van artikel 2 van de spoorwegwet als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg. Voor de begrenzing langs hoofdspoorwegen geldt artikel 3.5 van het omgevingsbesluit (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur).

Artikel 5 Instandhoudingsdoelstellingen Habitatrichtlijn: habitattypen en soorten

Artikel 6 Instandhoudingsdoelstellingen Vogelrichtlijn: broedvogels en niet-broedvogels

  • 1.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels van de soorten, bedoeld artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.

  • 2.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor niet-broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.6 van de nota van toelichting.

Bijlage Nota van toelichting

1. INLEIDING

Het gebied Haringvliet is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna Habitatrichtlijn) en als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 2009/147/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna de Vogelrichtlijn). Tezamen vormen deze speciale beschermingszones het Natura 2000-gebied Haringvliet. Het besluit bevat de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.

Dit gebied was als zodanig aangewezen bij besluit van 4 juli 2013 (PDN/2013-109, Stcrt. 2013, 24454). Tegen dit besluit is beroep aangetekend, hetgeen heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: “de Afdeling”) van 1 oktober 2014 (zaaknummer 201309087/1/R2), waarbij het besluit is vernietigd. De Afdeling heeft geoordeeld dat nu de Leenheerenpolder bij het bestreden besluit niet als deel van het gebied "Haringvliet" is aangewezen, niet is voldaan aan de verplichting van artikel 10a van de Nbw 1998 om ter uitvoering van de Habitatrichtlijn deze polder aan te wijzen als deel van het Habitatrichtlijngebied "Haringvliet". Genoemd besluit, voor zover daarbij de begrenzing van het gebied "Haringvliet" is gewijzigd ten opzichte van dit gebied zoals het voorkomt op de lijst van gebieden van communautair belang2, door de Leenheerenpolder hier niet langer deel van uit te laten maken, is daarom door de Afdeling vernietigd.

In bovengenoemde uitspraak is de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen omtrent de begrenzing van het Natura 2000-gebied "Haringvliet", zoals door de Afdeling is vernietigd. Met onderhavig besluit wordt gevolg gegeven aan de uitspraak van de Afdeling, mede gelet op de achtste bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio, die op 3 december 2014 door de Europese Commissie is vastgesteld3.

Artikel 1 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Habitatrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de habitattypen en habitatrichtlijnsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 2 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Vogelrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 3 van het besluit introduceert de nota van toelichting en benadrukt dat het besluit niet te lezen is zonder de nota van toelichting. Daarnaast wordt in dit deel van het besluit het Natura 2000-gebied Haringvliet gevormd uit het Habitatrichtlijngebied en het Vogelrichtlijngebied.

Artikel 4 van het besluit regelt de uitgezonderde delen van de in artikel 1 en artikel 2 aangewezen gebieden.

Artikel 5 en artikel 6 van het besluit bepalen dat er voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen verwezenlijkt dienen te worden. De doelstelling van artikel 5 heeft betrekking op de in artikel 1 opgesomde soorten en habitattypen. De soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanmelding van de habitatrichtlijngebieden in 2003. De doelstelling van artikel 6 heeft betrekking op de in artikel 2 opgesomde vogelsoorten. De vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden in 2000.

In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting worden de aanwijzingen op grond van de Habitat- en Vogelrichtlijn kort toegelicht.

Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een gebiedsbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op eventuele grenswijzigingen die zijn doorgevoerd nadat het gebied bij de Europese Commissie is aangemeld of die zijn doorgevoerd nadat het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 de bij dit besluit behorende begrenzing toegelicht.

In hoofdstuk 4 wordt een opsomming gegeven van habitattypen en soorten waaraan het gebied zijn betekenis ontleent.

In hoofdstuk 5 worden de algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en worden de specifieke instandhoudingsdoelstellingen genoemd in artikel 5 en 6, nader toegelicht. Er wordt aangegeven in welke richting de instandhoudingsdoelstelling zich zal moeten ontwikkelen. Daarvoor worden de termen “behoud”, “uitbreiding” en “verbetering” gebruikt. Voor een habitattype wordt de verdeling gemaakt in oppervlakte en kwaliteit, zodat de aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een habitattype altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de oppervlakte en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit wordt gegeven. Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit van het leefgebied. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang van het leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van “behoud” of “uitbreiding” van de populatie.

Bij de nota van toelichting is een bijlage A gevoegd met illustraties van grenswijzigingen indien van toepassing; die illustraties laten zien welke terreindelen na de eerste aanwijzing zijn vervallen of zijn toegevoegd als onderdeel van de speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Anders dan de andere bijlagen bij de toelichting maakt bijlage A geen integraal onderdeel uit van dit besluit, aangezien er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet enkel nog rechten worden verleend aan de geometrische begrenzing.

Bijlage B omvat een nadere onderbouwing van de wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.

Er is een appendix toegevoegd aan dit besluit waarin een toelichting wordt gegeven op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Haringvliet gebruikt zijn. Deze paragrafen komen uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.

2. AANWIJZINGEN HABITAT- EN VOGELRICHTLIJN

Artikel 1 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Haringvliet als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn (verder aangeduid als “Habitatrichtlijngebied”). Het gebied is in mei 2003 aangemeld volgens de procedure zoals opgenomen in artikel 4 van deze Richtlijn, waarna het gebied in december 2004 door de Europese Commissie onder de naam “Haringvliet” en onder nummer NL1000015 is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio4. Het gebied is onder meer aangewezen voor één prioritair habitattype en één prioritaire habitatsoort in de zin van artikel 1 van de Habitatrichtlijn.

Artikel 2 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Haringvliet als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (verder aangeduid als “Vogelrichtlijngebied”). Het gebied is op 24 maart 2000 (N/2000/319) aangewezen. Bij de Europese Commissie is dit gebied bekend onder nummer NL9802018. Het bestaande Vogelrichtlijnbesluit N/2000/319 is door middel van dit besluit gewijzigd.

Artikel 3 van dit besluit voorziet in de samenvoeging van de speciale beschermingszones tot één Natura 2000-gebied: Haringvliet (landelijk gebiedsnummer 109).

Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en onder de Vogelrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen, habitats van soorten en de leefgebieden van vogels in een gunstige staat van instandhouding behouden of, in voorkomend geval, herstellen. De instandhoudingsdoelstellingen (artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5) en de begrenzing zijn in algemene zin nader toegelicht in het Natura 2000 doelendocument (2006)5. Dit document geeft het beleidskader van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen weer en van de daarbij gehanteerde systematiek. Beschrijvingen van habitattypen en (vogel)soorten waarvoor doelen zijn vastgesteld, zijn opgenomen in het Natura 2000 profielendocument (2008)6.

Het Natura 2000-gebied Haringvliet ligt in de provincie Zuid-Holland en behoort tot het grondgebied van de gemeenten Hellevoetsluis, Nissewaard,Korendijk, Comstrijen en Goeree-Overflakkee.

3. GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEGRENZING

3.1 Gebiedsbeschrijving

Het Haringvliet is een afgesloten zeearm die via een open verbinding met het Hollands Diep deel uitmaakt van de delta van Rijn en Maas. Na de voltooiing van de Haringvlietsluizen in 1970 viel het getij in het voormalige brakke getijdengebied grotendeels weg. Het water werd zoet tot aan de sluizen en het getij werd beperkt. Het Haringvliet vormt nu een groot zoetwaterbekken, dat alleen via Spui, Oude Maas en Nieuwe Waterweg nog in verbinding staat met de Noordzee. Het peil wordt beïnvloed door de Haringvlietsluizen en de bovenstroomse stuwen.

Aan de oevers van Voorne-Putten, de Hoeksche Waard en Goeree-Overflakkee bestaat het landschap uit grasgorzen, riet- en biezenvelden en begroeide en onbegroeide zand- en slikplaten grenzend aan het open water. Een aantal voormalige platen zijn door vooroeververdediging en aanvulling met grond uitgegroeid tot uitgestrekte gebieden (Ventjagersplaten en Slijkplaat).

Een deel van de rietlanden en zilte gorzen is door begrazing omgevormd in grasland van brakke bodem (zilverschoonverbond), terwijl onbegraasde delen zich ontwikkeld hebben tot riet, brakke ruigte en struweel.

Middenin het Haringvliet ligt het eiland Tiengemeten. Op de oostpunt van het eiland wordt 19e eeuwse kleinschalige landbouw in stand gehouden. Het centrale deel van het eiland is een open watermoeras. Het water komt binnen via een gegraven kreek, die met een gat in de dijk verbonden is met het Haringvliet.

3.2 Landschappelijke context en kenmerken begrenzing

Haringvliet behoort tot het Natura 2000-landschap “Noordzee, Waddenzee en Delta”.

De ligging van de habitattypen en van de leefgebieden van de soorten (paragraaf 4.4) waarvoor het gebied is aangewezen, vormt het uitgangspunt voor de begrenzing van de Habitatrichtlijngebieden. Dit is inclusief terreindelen die van mindere kwaliteit zijn. Daarnaast omvat het begrensde gebied ook natuurwaarden die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren, alsmede terreindelen die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen7.

Bij de keuze en de afbakening van de gebieden is geen rekening gehouden met andere vereisten dan die verband houden met de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna8.

De grenzen van Vogelrichtlijngebieden worden bepaald door het gebruik dat de aanwezige bijlage I-soorten, en/of trekkende watervogels, en/of overige trekkende vogels ervan maken, waarbij wordt uitgegaan van landschapsecologische eenheden en de biotoopeisen van de betrokken vogelsoorten.

Het Haringvliet is aangewezen als Vogelrichtlijngebied vanwege de aanwezigheid van uitgestrekt open water met oeverzones en platen die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de Richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als broed-, rui-, overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat in samenhang met de Vogelrichtlijngebieden Voordelta, Voornes Duin, Kwade Hoek, Hollands Diep en Oudeland van Strijen, voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten9.

3.3 Geometrische begrenzing en oppervlakte

De geometrische begrenzing van het Natura 2000-gebied Haringvliet is weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage Gebiedsbegrenzingen. Voor zover van toepassing is daarbij onderscheid gemaakt tussen de begrenzingen van Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. Het Natura 2000-gebied bestaat uit het open water van Haringvliet, Zuiderdiep en het Spui tot de verst oostelijk gelegen punt waarop de “Spuigors van Staatsbosbeheer” raakt aan het water van het Spui; en met name de volgende oevergebieden en eilanden: Quackgors, Beninger Slikken, Buitengorzen Beningerwaard, Polder Beningerwaard, de Leenheerenpolder, de “Spuigors van Staatsbosbeheer” bij Polder Nieuw Schuddebeurs, Leenheerengorzenpolder, Leenheerenbuitengorzen, Korendijksche Slikken, Polder ’s Landse bekaade Gorzen, Tiendgorzen, Westerse Laagjes, Oosterse Laagjes, Tiengemeten (inclusief Griendweipolder en Blanke Slikken), Ventjagersplaten, Riet- en Grasgorzen tussen Stad aan ’t Haringvliet en Den Bommel, Meneersche Plaat, Westplaat Buitengronden, De Scheelhoek, Slijkplaat en Zuiderdiep e.o. (incl. ’t Kiekgat). Het Habitatrichtlijngebied en het Vogelrichtlijngebied vallen in hun geheel samen met de begrenzing van het Natura 2000-gebied.

Het Natura 2000-gebied beslaat een totale oppervlakte van 11.196 ha. Dit betreft de bruto-oppervlakte, omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met in de geometrische begrenzing, tekstueel uitgesloten delen (zie artikel 4 en hierna).

Voor de begrenzing van Natura 2000-gebieden geldt de volgende exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, tuinen, erven, verharding en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken. Voor de gebruikte begrippen gelden de definities (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied) zoals die omschreven zijn in artikel 4. Daar waar de geometrische begrenzing en de exclaveringsformule niet overeenstemmen, is de exclaveringsformule doorslaggevend.

Voor de toepassing van de exclaveringsformule van artikel 4 gelden er peildata:

  • 2 april 2000 voor de gebiedsdelen die zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied.

  • 7 december 2004 voor de gebiedsdelen die geplaatst zijn op de eerste lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio10;

  • 17 april 2015 en 13 juni 2019 voor de gebiedsdelen die met het Natura-2000 aanwijzingsbesluit zijn toegevoegd aan het eerder aangewezen Vogelrichtlijngebied en aangemelde Habitatrichtlijngebied.

De begrenzingen van het Vogelrichtlijngebied en het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) zijn op enkele technische punten verbeterd:

  • Bestaande bebouwing (inclusief erven en tuinen; reeds tekstueel geëxclaveerd) waar geen Natura 2000-waarden voorkomen, is waar mogelijk op grond van kadastrale of topografische lijnen buiten de begrenzing gebracht.

  • De begrenzing is waar mogelijk gelegd langs topografisch herkenbare lijnen, zoals wegen, wateren, perceelscheidingen en bosranden.

  • De begrenzing is afgestemd op die van de (voormalige) natuurmonumenten opdat deze geheel binnen het Habitatrichtlijngebied vallen (zie paragraaf 3.5 voor afwijking op deze beleidsregel).

  • Waar de grens een waterkerende dijk volgt, is deze gelegd op de buitenteen conform de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied (2000).

  • Overlap van 5 meter of minder met kadastrale percelen die grotendeels buiten het gebied zijn gelegen, is gelet op de kadastrale inschrijving11, waar mogelijk beperkt. Dit betekent dat aldaar de kadastrale lijn is gevolgd. Deze werkwijze is alleen gevolgd op plekken waar Natura 2000-waarden aanwezig zijn.

Overige wijzigingen van meer dan 1 ha worden in de volgende alinea’s toegelicht.

De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied (zoals oorspronkelijk aangemeld) is op de volgende plekken aangepast (2015):

  • Ten westen van Hellevoetsluis langs de duinstrook die onderdeel is van Natura 2000-gebied Voornes Duin, is de grens gelegd op die van het Vogelrichtlijngebied Haringvliet (+5 ha).

  • Aan de noordwestzijde van De Scheelhoek is het gebied uitgebreid met gronden die qua aard een geheel vormen met het aangrenzende gebied (8,3 ha; grotendeels eigendom Staat, in beheer bij Natuurmonumenten).

  • De uitbreiding met de Zuiderdieppolders, die in het ontwerp was opgenomen, is ongedaan gemaakt omdat de voorgenomen natuurontwikkeling geen doorgang zal vinden. De uitbreiding van het leefgebied van de noordse woelmuis, die hier was voorzien, zal elders in het gebied worden gerealiseerd.

  • Het Zuiderdiep e.o. ten westen van Stellendam (N57) is overgeheveld van Habitatrichtlijngebied Duinen Goeree naar Natura 2000-gebied Haringvliet omdat het in landschappelijk opzicht hierop beter aansluit.

  • Tevens is het haventje van Havenhoofd buiten de begrenzing gebracht (- 1,8 ha) omdat het geen waarden herbergt of anderszins bijdraagt aan de instandhouding van het gebied.

  • Het dagrecreatiegebied Hitserse Kade (ca. 1 ha) is verwijderd omdat er geen habitattypen of leefgebieden van soorten aanwezig zijn, waarvoor het gebied is aangewezen. Het betreft verhardingen, bebouwing, verspreide bomen en struiken, en ligweiden.

  • Polder Zuidoord (80 ha) is aan het gebied onttrokken omdat de hier voorgenomen natuurontwikkeling geen doorgang zal vinden. Deze polder maakt geen deel meer uit van het aangemelde gebied zoals opgenomen in de elfde bijgewerkte lijst van communautaire gebieden12 13. Deze polder, die geheel uit landbouwgronden bestaat, herbergt geen actuele habitatwaarden en wordt ook niet noodzakelijk geacht voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. Deze polder maakte deel uit van de oorspronkelijke aanmelding (2003) gelet op de status “nieuwe natuur” die hier was gericht op ontpoldering en omzetting naar getijdenatuur. Hiermede zou de polder als oeverland een ecologische en landschappelijke eenheid met het Haringvliet zijn geworden en had een bijdrage kunnen leveren aan de instandhouding van het gebied en met name de van toepassing zijnde uitbreidingsdoelstellingen voor de Noordse woelmuis (H1340) en voor de habitattypen Slikkige rivieroevers (H3270) en Ruigten en zomen (harig wilgenroosje, H6430B). Binnen het Natura 2000-gebied zijn echter voldoende ontwikkelingen en mogelijkheden om de beoogde kwaliteitsverbetering en uitbreiding te realiseren: Scheelhoek (H1340, H6430B), Westplaat Buitengronden (H1340, H3270, H6430B), Slijkplaat en Meneersche Plaat (H1340, H6430B), Polder Beningerwaard en Buitengorzen Beningerwaard (H1340, H3270, H6430B), Beninger Slikken en Korendijkse Slikken (H1340, H6430B), de Leenheerenpolder, de “Spuigors van Staatsbosbeheer” bij Polder Nieuw Schuddebeurs (H3270, H6430B, H1340, H1102, H1103), Leenheerengorzenpolder en Leenheerenbuitenpolder (H1340, H3270, H6430B), Blanke Slikken en Tiengemeten (H1340, H3270, H6430B), Ventjagersplaat (H1340, H6430B). Bovendien is het van belang erop te wijzen dat de instandhoudingsdoelstellingen voor de noordse woelmuis in de Natura 2000-gebieden Biesbosch en Grevelingen bij de aanwijzing zijn gewijzigd van “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie” naar “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie”.

De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied Haringvliet is op de volgende plekken aangepast (gelijktrekking Habitatrichtlijngebied; 2015):

  • Uitbreiding met het Zuiderdiep en omgeving (circa 130 ha; bijlage A) ten westen van Stellendam (N57). Dit gebied bestaat uit water, moeras en oeverlanden die een functie vervullen voor diverse soorten watervogels waarvoor het Haringvliet is aangewezen;

  • Uitbreiding met Polder Beningerwaard (70 ha) die tezamen met de Buitengorzen Beningerwaard, worden ingericht als zoetwatergetijdenatuur waarna het een geheel vormt met de aangrenzende oeverlanden;

  • Het dagrecreatiegebied Hitserse Kade (ca. 1 ha) is verwijderd omdat dit niet behoort tot het leefgebied van de vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen. Het bestaat uit verhardingen (o.a. parkeerterrein), bebouwing, verspreide bomen en struiken en ligweiden.

De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied op de volgende plek aangepast (gelijktrekking Habitatrichtlijngebied; 2019):

  • Uitbreiding met de Leenheerenpolder, de “Spuigors van Staatsbosbeheer” bij Polder Nieuw Schuddebeurs, en het Spui tot de nieuwe grens bij de “Spuigors van Staatsbosbeheer”(ca. 208 ha, bijlage A). Door de inrichting van een intergetijdegebied kan het gebied een functie gaan vervullen als foerageergebied en slaapplaats voor soorten vogels waarvoor Haringvliet is aangewezen. Zoals Strandplevier, Bontbekplevier, Dwergstern, Grote stern en Goudplevier, soorten die zich landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding bevinden. De rietlanden kunnen een functie gaan vervullen als broedbiotoop voor de Blauwborst en Rietzanger. Het open zoetwater van het Spui behoort tot het leefgebied van aangewezen watervogels zoals Visdief, Toppereend, Kuifeend, Wintertaling en Pijlstaart. Soorten met een landelijk matig ongunstige tot zeer ongunstige staat van instandhouding.

De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Haringvliet is op de volgende plek aangepast (2019):

  • Uitbreiding met de Leenheerenpolder, de “Spuigors van Staatsbosbeheer” bij Polder Nieuw Schuddebeurs, en het Spui tot de nieuwe grens bij de “Spuigors van Staatsbosbeheer” (ca. 208 ha, bijlage A). De Spuigors van Staatsbosbeheer bestaat in de huidige situatie uit een grasgors met rabattenstructuur en enkele grotere laagten die (deels) regelmatig onder water staan. Door inrichting als intergetijdegebied kunnen de Leenheerenpolder en het genoemde gors een functie gaan vervullen voor de habitattypen Slikkige rivieroevers (H3270), Ruigten en zomen, harig wilgenroosje (H6430B). In de ruigten en natte graslanden kan leefgebied voor de habitatrichtlijnsoort *Noordse woelmuis (H1340) ontstaan. Als delen meer permanent onder water komen ontstaat er paai- en opgroeigebied voor vis, zoals de habitatrichtlijnsoorten Elft (H1102) en Fint (H1103). Het Spui heeft ook in de huidige situatie een functie als leefgebied voor zeeprik (H1095), rivierprik (H1099), elft, fint, zalm (H1106) en rivierdonderpad (H1163).

4. NATURA 2000-WAARDEN

4.1 Inleiding

In artikel 1 en artikel 2 is een opsomming gegeven van de waarden waaraan het gebied zijn betekenis als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied ontleent. Wat betreft de aanwijzing als Habitatrichtlijngebied wordt in paragrafen 4.2.1 en 4.2.2 een lijst gegeven van de habitattypen (met vermelding van de aanwezige subtypen) en soorten waarvoor het gebied is aangewezen14. Paragraaf 4.2.3 vermeldt de vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen. Op alle vermelde habitattypen en (vogel)soorten is een instandhoudingsdoelstelling van toepassing (zie artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5).

Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 vermeld welke selectiecriteria op het Habitatrichtlijngebied van toepassing zijn en wordt onderbouwd waarom het gebied als Habitatrichtlijngebied is geselecteerd. Van elk habitattype en van elke soort waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet, wordt in bijlage B.3 in tekst en/of tabelvorm de betekenis (relatieve bijdrage) van het gebied afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden die aan de selectiecriteria voldoen. Ten slotte beschrijft paragraaf 4.4 de verspreiding van habitattypen en soorten binnen het gebied, ter onderbouwing van de gevolgde gebiedsbegrenzing van het Habitatrichtlijngebied.

4.2 Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen
4.2.1 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I15)

Het gebied is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitats opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een bijdrage levert aan de instandhouding op landelijk niveau. Ten behoeve van de nationale uitwerking van de Habitatrichtlijn is een deel van de habitattypen verdeeld in subtypen, vanwege de zeer ruime variatie in fysieke omstandigheden en soortensamenstelling. De namen van de habitattypen en daarvan afgeleide subtypen zullen verder met hun verkorte namen worden aangeduid. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H3270

Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodietum rubri p.p. en Bidention p.p.

 

Verkorte naam Slikkige rivieroevers

H6430

Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones

 

Verkorte naam Ruigten en zomen

betreft het subtype:

H6430B

Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)

H91E0

*Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)

 

Verkorte naam Vochtige alluviale bossen

betreft het subtype:

H91E0A

*Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)

4.2.2 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage II16)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een wezenlijke functie in de levenscyclus vervult. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding op landelijk niveau. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H1095

Zeeprik (Petromyzon marinus)

H1099

Rivierprik (Lampetra fluviatilis)

H1102

Elft (Alosa alosa)

H1103

Fint (Alosa fallax)

H1106

Zalm (Salmo salar)

H1163

Rivierdonderpad (Cottus gobio)

H1337

Bever (Castor fiber)

H1340

*Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola)

4.2.3 Vogelrichtlijn: vogelsoorten (bijlage I en artikel 4.2)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn:

A026

Kleine zilverreiger (Egretta garzetta)

A034

Lepelaar (Platalea leucorodia)

A037

Kleine zwaan (Cygnus bewickii (Cygnus columbianus bewickii))

A042

Dwerggans (Anser erythropus)

A045

Brandgans (Branta leucopsis)

A081

Bruine kiekendief (Circus aeruginosus)

A094

Visarend (Pandion haliaetus)

A103

Slechtvalk (Falco peregrinus)

A132

Kluut (Recurvirostra avosetta)

A138

Strandplevier (Charadrius alexandrinus)

A140

Goudplevier (Pluvialis apricaria)

A176

Zwartkopmeeuw (Larus melanocephalus)

A191

Grote stern (Sterna sandvicensis)

A193

Visdief (Sterna hirundo)

A195

Dwergstern (Sterna albifrons)

A272

Blauwborst (Luscinia svecica)

Verder is het gebied aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen in hun trekzones (artikel 4.2):

A005

Fuut (Podiceps cristatus)

A017

Aalscholver (Phalacrocorax carbo)

A041

Kolgans (Anser albifrons)

A043

Grauwe gans (Anser anser)

A048

Bergeend (Tadorna tadorna)

A050

Smient (Anas penelope)

A051

Krakeend (Anas strepera)

A052

Wintertaling (Anas crecca)

A053

Wilde eend (Anas platyrhynchos)

A054

Pijlstaart (Anas acuta)

A056

Slobeend (Anas clypeata)

A061

Kuifeend (Aythya fuligula)

A062

Topper (Aythya marila)

A125

Meerkoet (Fulica atra)

A137

Bontbekplevier (Charadrius hiaticula)

A142

Kievit (Vanellus vanellus)

A156

Grutto (Limosa limosa)

A160

Wulp (Numenius arquata)

A295

Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus)

Wijzigingen ten opzichte van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.2 van deze nota van toelichting.

4.3 Habitatrichtlijn: waarden waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet
4.3.1 Habitattypen (bijlage I)

Voor niet-prioritaire habitattypen opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor habitattypen welke verdeeld zijn in subtypen, geldt een aantal van “drie belangrijkste gebieden” per subtype. Voor prioritaire habitattypen17 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden” en voor subtypen van prioritaire habitattypen een aantal van “vijf belangrijkste gebieden” per subtype. Verdeling in subtypen ten behoeve van de selectie is alleen toegepast indien de subtypen een verschillende verspreiding hebben en de beschikbare gegevens verdeling in subtypen toelaten. Voor enkele verspreid over het land voorkomende habitattypen, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd18. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de aanwezige oppervlakte en zo nodig ook de representativiteit van het habitattype. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding19.

In Haringvliet heeft het habitattype ruigten en zomen (H6430) bij de aanmelding geleid tot selectie van het gebied. Op grond van de huidige gegevens en omstandigheden zou dit gebied aan de selectiecriteria voldoen voor de habitattypen slikkige rivieroevers (H3270) en ruigten en zomen (H6430), zie ook bijlage B.3.

4.3.2 Soorten (bijlage II)

Voor niet-prioritaire soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor prioritaire soorten20 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden”. Voor enkele verspreid over het land voorkomende soorten, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd21. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de omvang van de aanwezige populatie. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding22. In de onderstaande tabel zijn de habitatsoorten vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitatsoorten waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3.).



Code

Soort

Xa

Yb

Landelijke populatie c

% in Haringvliet d

% in Yde gebied e

Selectie bij aanmelding

H1103

Fint

5

4

>3.000

A (>15%)

A (>15%)

ja

*H1340

Noordse woelmuis

10

13

ca. 600

B1 (2-6%)

C (<2%)

ja

  • (a)

    Aantal gebieden dat maximaal voor deze soort kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot de X belangrijkste gebieden” voor de betreffende soort.

  • (b)

    Aantal gebieden dat op grond van de huidige gegevens en omstandigheden zou voldoen aan het onder (a) genoemde selectiecriterium (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin de soort is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).

  • (c)

    Landelijke voortplantingspopulatie in exemplaren of aantal bezette kilometerhokken (km2).

  • (d)

    Populatiegrootte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke populatie. (Niet ingevuld indien gebied niet één van de X belangrijkste gebieden is.)

  • (e)

    Populatiegrootte in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied.

4.4 Verspreiding habitattypen en soorten in het Habitatrichtlijngebied

De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Haringvliet is in het bijzonder bepaald aan de hand van de ligging van habitattypen en leefgebieden van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen (zie verder paragraaf 3.2). De verspreiding van de betreffende habitattypen en soorten binnen het gebied wordt in deze paragraaf globaal beschreven ter onderbouwing van de gevolgde begrenzing. Het is niet bedoeld als een uitputtende beschrijving.

Brakke ruigten met heemst behorend tot het habitattype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (H6430B) zijn vooral aanwezig op de Beninger Slikken en Korendijkse Slikken. Het habitattype Slikkige rivieroevers (H3270), waarvan het voorkomen van jaar tot jaar sterk kan variëren, is onder meer aanwezig op Quackgors, Scheelhoek, Slijkplaat en Tiengemeten. Vochtige alluviale bossen, zachthoutooibossen (H91E0A) komen verspreid in het gebied voor zoals op de Beninger Slikken, Korendijkse Slikken en op de Scheelhoek. Het open water van het Haringvliet en het Spui behoort tot het leefgebied van de zeeprik (H1095), rivierprik (H1099), elft (H1102), fint (H1103) en zalm (H1106). De rivierdonderpad (H1163) komt daarentegen vooral langs de stenige oevers van het Haringvliet en het Spui voor. De belangrijkste leefgebieden voor de noordse woelmuis (H1340) langs het Haringvliet zijn Scheelhoek, Beninger Slikken, Korendijkse Slikken en Tiengemeten. Kleinere voorkomens zijn vastgesteld in Kiekgat (ten westen van Stellendam), Gorzen Stad aan ‘t Haringvliet-Den Bommel, Ventjagersplaten en Tiendgorzen.

5. INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN

5.1 Inleiding

Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel aan maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Ingevolge artikel 4, vierde lid, Habitatrichtlijn worden bij aanwijzing als Habitatrichtlijngebied “tevens de prioriteiten vast[gesteld] gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat […] of van een soort […] alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging”.

Deze bepaling is in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nader uitgewerkt. Op grond van dit artikel bestaat de verplichting om in een aanwijzing doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van leefgebieden van vogelsoorten dan wel doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten op te nemen. Om die reden zijn voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Voor zover van toepassing is daarbij aangegeven welke habitattypen en/of (vogel)soorten ten koste mogen gaan van andere habitattypen en (vogel)soorten. Bij broedvogelsoorten met een regionale doelstelling is in de toelichting aangegeven wat in een bepaalde periode de minimale en maximale bijdrage van het betreffende gebied aan het regionale doelniveau is geweest.

In bijlage B.4 van deze nota van toelichting is een overzicht opgenomen van alle gebiedsdoelstellingen per habitattype en per (vogel)soort.

Voor de Natura 2000-gebieden zullen in beheerplannen instandhoudingsmaatregelen worden uitgewerkt die beantwoorden aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten van de betrokken natuurlijke habitats en (vogel)soorten.

Als verdere invulling van het stellen van prioriteiten zijn voor de acht onderscheiden Natura 2000-landschappen23 kernopgaven geformuleerd op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, de landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (“richting geven”) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en (vogel)soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (2006).

5.2 Algemene doelen

Behoud en indien van toepassing herstel van:

  • 1.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie;

  • 2.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;

  • 3.

    de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;

  • 4.

    de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

5.3 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I)

H3270

Slikkige rivieroevers

Doel

Uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype slikkige rivieroevers komt hier onder meer voor in de vorm van de associatie van blauwe waterereprijs en waterpeper (Polygono-Veronicetum anagallidis-aquaticae). Na de afsluiting van het Haringvliet is de oppervlakte sterk afgenomen.

H6430

Ruigten en zomen

Doel

Uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B).

Toelichting

Het gebied levert de grootste bijdrage voor de brakke variant met heemst binnen het habitattype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B).

H91E0

*Vochtige alluviale bossen

Doel

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige alluviale bossen, zachthoutooibossen (subtype A).

Toelichting

Het habitattype komt momenteel over geringe oppervlakte voor. Het gebied biedt potentie om de kwaliteit te verbeteren op onder andere het eiland Tiengemeten.

5.4 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage II)

H1095

Zeeprik

Doel

Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

Het Haringvliet is als doortrekgebied van groot belang voor de Rijn- en de Maaspopulaties. De gewenste verbetering van de kwaliteit van het leefgebied heeft met name betrekking op de verbinding met het Natura 2000-gebied Voordelta. Door deze verbinding te verbeteren wordt ook het leefmilieu van het Haringvliet zelf verbeterd.

H1099

Rivierprik

Doel

Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

Het Haringvliet is als doortrekgebied van groot belang voor de Rijn- en de Maaspopulaties. De gewenste verbetering van de kwaliteit van het leefgebied heeft met name betrekking op de verbinding met het Natura 2000-gebied Voordelta. Door deze verbinding te verbeteren wordt ook het leefmilieu van het Haringvliet zelf verbeterd.

H1102

Elft

Doel

Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

Het Haringvliet is als doortrek- en opgroeigebied van groot (potentieel) belang voor de elft. Vroeger bevonden zich paaipopulaties bovenstrooms (buiten Nederland), waarna de jonge vissen geleidelijk weer afzakten en opgroeiden in estuaria en zoetwatergetijdengebieden (zoals destijds de Biesbosch en het Haringvliet). Er zijn concrete aanwijzingen dat in de Boven-Rijn (Duitsland) nog een kleine populatie voorkomt. De gewenste verbetering van de kwaliteit van het leefgebied heeft met name betrekking op de verbinding met het Natura 2000-gebied Voordelta.

H1103

Fint

Doel

Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

Het Haringvliet is als doortrek- en opgroeigebied van groot belang. Het gaat in dit gebied waarschijnlijk vooral om finten van de voormalige grootste paaipopulatie, die lag in het zoetwatergetijdengebied, waaronder de Biesbosch. De gewenste verbetering van de kwaliteit van het leefgebied heeft met name betrekking op de verbinding met het Natura 2000-gebied Voordelta.

H1106

Zalm

Doel

Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

Het Haringvliet is als doortrekgebied van groot belang voor de Rijn- en de Maaspopulaties. De gewenste verbetering van de kwaliteit van het leefgebied heeft met name betrekking op de verbinding met het Natura 2000-gebied Voordelta.

H1163

Rivierdonderpad

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

Het rivierengebied is relatief belangrijk voor de rivierdonderpad omdat de populatie in de grote rivieren minder kwetsbaar is dan in de beken.

H1337

Bever

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De bever heeft zich in 2004 in het Haringvliet gevestigd als onderdeel van de zich landelijk sterk uitbreidende populatie. De omvang en de kwaliteit van het leefgebied zijn goed; behoud van de inmiddels gegroeide populatie is voldoende als bijdrage aan de landelijke doelstelling.

H1340

*Noordse woelmuis

Doel

Uitbreiding verspreiding, omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

De oeverlanden van het Haringvliet en de eilanden vormen één van de meest uitgestrekte leefgebieden van de noordse woelmuis van Nederland. Het Haringvliet is mede van belang door de isolatie van de aanwezige populatie, waardoor minder kans bestaat op concurrentie door de aardmuis en de veldmuis.

5.5 Vogelrichtlijn: broedvogels

A081

Bruine kiekendief

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren.

Toelichting

De bruine kiekendief is van oudsher een vrij zeldzame broedvogel. Vanaf de jaren zeventig heeft er een sterke toename plaatsgevonden, tot circa 30 paren begin jaren negentig. Daarna bleef het aantal stabiel op een iets lager niveau (1999-2003 18-23 paren). Het gemiddelde van de jaren 1999-2003 was 20 broedparen. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.

A132

Kluut

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 2.000 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Hollands Diep, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde, Zoommeer, Westerschelde & Saeftinghe en Markiezaat. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 10% en maximaal 27% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Na een toename tot 1999 zijn de aantallen teruggelopen. Belangrijke deelgebieden zijn De Scheelhoek, de Slijkplaat en de Ventjagersplaten.

A137

Bontbekplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 105 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde, Zoommeer, Westerschelde & Saeftinghe en Markiezaat. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 3% en maximaal 11% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Vanaf 1995 tot 2000 is de bontbekplevier in aantal toegenomen. Sinds 2000 zijn de aantallen teruggelopen.

A138

Strandplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 220 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Duinen Goeree & Kwade Hoek, Haringvliet, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde, Zoommeer, Westerschelde & Saeftinghe en Markiezaat. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 0% en maximaal 14% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. De strandplevier is van oudsher broedvogel in dit gebied met als belangrijkste broedplaatsen De Scheelhoek en het Quackgors bij Hellevoetsluis. Door de Deltawerken ontstonden tijdelijke broedplaatsen door het opspuiten van zand bij de Hellegatsdam en het droogvallen van de Ventjagersplaten. Bij De Scheelhoek en de Slijkplaat nam vervolgens het aantal broedparen snel toe.

A176

Zwartkopmeeuw

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 400 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Krammer-Volkerak, Zoommeer en Westerschelde & Saeftinghe. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 19% en maximaal 100% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Het eerste zekere broedgeval van de zwartkopmeeuw werd vastgesteld op De Scheelhoek in 1959. Pas in de jaren tachtig werd het een regelmatige broedvogel in snel toenemende aantallen met een (voorlopig) maximum in 2001 met 389 paren. De belangrijkste broedplaatsen zijn de eilandjes langs De Scheelhoek.

A191

Grote stern

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 6.200 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Grevelingen, Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinghe. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 0% en maximaal 46% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding de populatie is herstel van het leefgebied niet direct vereist, omdat er sinds 2004 een positieve trend zichtbaar is. De grote stern broedt verspreid over het Deltagebied in een beperkt aantal kolonies die geregeld van plaats wisselen. Het is daarom van groot belang op meerdere locaties waar de soort recentelijk (na 2003) heeft gebroed aandacht te besteden aan behoud van het leefgebied. Recente broedplaatsen zijn de eilandjes langs De Scheelhoek.

A193

Visdief

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 6.500 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde, Zoommeer en Westerschelde & Saeftinghe. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 16% en maximaal 41% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Net als elders in Nederland viel de populatie van de visdief halverwege de 20e eeuw sterk terug. In het Haringvliet heeft de soort zich vanaf de jaren tachtig weer enigszins hersteld tot een voorlopig maximum van circa 2.700 paren in 1998 en 2000. De belangrijkste deelgebieden zijn eilandjes langs De Scheelhoek en op de Slijkplaat.

A195

Dwergstern

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 300 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinghe. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 3% en maximaal 45% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is herstel van de populatie niet direct vereist, omdat er een positieve trend zichtbaar is. Halverwege de 20e eeuw was sprake van een sterke achteruitgang. Begin jaren zestig was de soort vrijwel verdwenen als broedvogel. Belangrijkste deelgebieden zijn de eilandjes langs De Scheelhoek, op de Slijkplaat en bij de Ventjagersplaten.

A272

Blauwborst

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 410 paren.

Toelichting

Van oorsprong was de blauwborst vermoedelijk een onregelmatige broedvogel langs het Haringvliet (onder andere De Scheelhoek in de jaren vijftig). Pas in de jaren tachtig vond op uitgebreide schaal kolonisatie plaats van nieuw ontstane rietruigtes op drooggevallen platen en verruigde gorzen. Begin jaren negentig werden bij niet geheel volledige tellingen maximaal tegen de 300 paren geteld. Voor de periode 1999-2003 wordt het aantal paren op gemiddeld 410 geschat. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud van dit aantal voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.

A295

Rietzanger

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 420 paren.

Toelichting

Van oorsprong was de rietzanger een schaarse broedvogel langs het Haringvliet. Pas in de jaren tachtig vond kolonisatie plaats van nieuw ontstane rietruigtes op drooggevallen platen en verruigde gorzen. Begin jaren negentig werden bij niet geheel volledige tellingen maximaal tegen de 200 paren geteld. Voor de periode 1999-2003 wordt het aantal paren op gemiddeld 420 geschat. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding met betrekking tot de populatieomvang, is behoud voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.

5.6 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

A005

Fuut

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 160 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de fuut met name een functie als foerageergebied. Sinds de jaren tachtig is de populatie toegenomen, maar recent zijn aantallen enigszins fluctuerend. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied.

A017

Aalscholver

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 240 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de aalscholver met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op de foerageerfunctie. In de jaren zeventig was het Haringvliet een belangrijk foerageergebied, maar terwijl de landelijke populatie groeide, namen de aantallen in het Haringvliet af, met name sinds het midden van de jaren negentig. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A026

Kleine zilverreiger

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 3 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied behoort tot de vijf belangrijkste voor de soort. Het gemiddelde over de periode 1999-2003 is 3 vogels (seizoensgemiddelde). Sinds 2003 is het belang van het gebied als foerageer- en slaapplaats verder toegenomen tot 11 vogels in 2007 (seizoensgemiddelde). De soort is vooral aanwezig in de maanden juni tot en met augustus in de oeverzones. Handhaving van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A034

Lepelaar

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 160 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen lepelaars zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name 0een functie als foerageergebied. Vanaf eind jaren tachtig is de populatie sterk toegenomen. Tegenwoordig levert het Haringvliet na de Waddenzee de grootste bijdrage, met gemiddeld ongeveer 15% van de landelijke populatie. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A037

Kleine zwaan

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

Het gebied heeft voor de kleine zwaan met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De aantallen in de nabije omgeving tijdens dagtellingen binnendijks zijn in de jaren tachtig sterk toegenomen, maar na het midden van de jaren negentig weer even sterk afgenomen. Behoud van de huidige situatie is voldoende, want de vermoedelijke oorzaken van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding liggen niet in dit gebied.

A041

Kolgans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 400 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen kolganzen zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats voor vogels uit Goerree-Overflakkee, Voorne Putten en Hoekse Waard. De draagkrachtschatting heeft betrekking op de foerageerfunctie. De slaapplaatsfunctie is van regionale betekenis en daarmee waarschijnlijk belangrijker, maar er zijn niet voldoende telgegevens voor een kwantificering in het doel. De populatie is toegenomen volgens het landelijke beeld, maar met relatief grote fluctuaties in verhouding tot beperkte aantallen. Om te foerageren is de kolgans minder afhankelijk van de grasgorzen (Beninger Slikken en Korendijksche Slikken) dan de brandgans (A045). Deze gorzen worden ook als rustgebied gebruikt als in het najaar wordt gefoerageerd op binnendijkse akkers (oogstresten). Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A042

Dwerggans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 20 vogels (seizoensmaximum).

Toelichting

Aantallen dwergganzen zijn van grote nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op de foerageerfunctie. De slaapplaats is van regionale betekenis en daarmee mogelijk belangrijker, maar er zijn niet voldoende telgegevens voor een kwantificering in het doel. Na het Lauwersmeer levert het Haringvliet (Korendijksche Slikken) de grootste bijdrage. Gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de oorzaak voor de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is gelegen buiten Nederland.

A043

Grauwe gans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied, met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 6.600 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen grauwe ganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op de foerageerfunctie. De slaapplaatsfunctie is mogelijk belangrijker, maar er zijn niet voldoende telgegevens voor een kwantificering van deze functie in het doel. De slaapplaatsfunctie betreft ook vogels uit Voorne-Putten, de Hoekse Waard en Goeree-Overflakkee (regionale betekenis). Het Haringvliet levert na de Westerschelde & Saeftinghe en de Waddenzee de grootste bijdrage voor deze soort. Om te foerageren is de grauwe gans minder afhankelijk van de grasgorzen (Beninger Slikken en Korendijksche Slikken) dan de brandgans (A045), die ook als rustgebied gebruikt worden als in het najaar wordt gefoerageerd op binnendijkse akkers (oogstresten). De populatie is sterk toegenomen na 1990, enigszins vertraagd ten opzichte van de landelijke trend. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.

A045

Brandgans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 14.800 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen brandganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Het betreft de Russische populatie van deze soort die voornamelijk in Nederland overwintert. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op de foerageerfunctie. De slaapplaatsfunctie (regionale betekenis) betreft grotendeels vogels die in de directe omgeving (Goeree-Overflakkee, Voorne-Putten en Hoekse Waard) foerageren. Na de Waddenzee levert het gebied de grootste bijdrage, met gemiddeld ongeveer 10% van de Nederlandse vogels. Vooral de functie van de grasgorzen zoals de Beninger Slikken en Korendijksche Slikken is aanzienlijk. De populatie is toegenomen volgens het landelijke populatieverloop. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.

A048

Bergeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 820 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen bergeenden zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het Haringvliet levert één van de grootste bijdragen in Nederland. Sinds het begin van de jaren negentig is de populatie toegenomen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A050

Smient

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 8.900 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen smienten zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied. De draagkrachtschatting heeft vooral betrekking op de slaapplaatsfunctie. De slaapplaats is van regionale betekenis. De soort komt vooral voor op grasgorzen als de Beninger Slikken en Korendijksche Slikken, en overdag ook pleisterend in De Scheelhoek, van waaruit ’s nachts gefoerageerd wordt in de Grevelingen (Slikken van Flakkee). Tot eind jaren negentig was er sprake van een doorgaande populatietoename, daarna heeft enige terugval plaatsgevonden. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A051

Krakeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 860 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen krakeenden zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het Haringvliet levert na de Biesbosch en het Lauwersmeer de grootste bijdrage, met gemiddeld bijna 10% van de landelijke populatie. De soort komt voor verspreid over het gebied, onder andere foeragerend op draadalgen die op verdedigingswerken en strekdammen groeien. De populatie is toegenomen volgens de landelijke populatietrend. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A052

Wintertaling

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 770 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen wintertalingen zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het grootste deel van de jaren tachtig en negentig was de populatie min of meer stabiel, recent is deze enigszins toegenomen. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

A053

Wilde eend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 6.100 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen wilde eenden zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert als wetland na de Waddenzee en de Westerschelde de grootste bijdrage. Hoogste aantallen komen voor in de wintermaanden. De populatie is min of meer stabiel, net als de landelijke populatie. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A054

Pijlstaart

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 30 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen pijlstaarten zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Populatieaantallen fluctueren enigszins, er is geen duidelijke trend. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

A056

Slobeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 90 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de slobeend met name een functie als foerageergebied. Rond 1990 was er sprake van verhoogde aantallen, afgezien daarvan is de populatiegrootte stabiel. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijke staat van instandhouding.

A061

Kuifeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 3.600 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen kuifeenden zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. De populatie is toegenomen tot begin jaren negentig, daarna enigszins fluctuerend. De landelijke staat van instandhouding is matig ongunstig op grond van verwachte afname als gevolg van herstel van zout-zoet overgangen en eventueel oligotrofiëring. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

A062

Topper

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 120 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen toppers zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert weliswaar na het IJsselmeer en de Waddenzee de grootste bijdrage, maar is daaraan veruit ondergeschikt. De aantallen fluctueren, maar recent liggen ze gemiddeld hoger dan in de periode 1985-1995. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied.

A094

Visarend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 3 vogels (seizoensmaximum).

Toelichting

Aantallen zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de visarend met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert na de Biesbosch en het Ketelmeer & Vossemeer de grootste bijdrage. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A103

Slechtvalk

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 8 vogels (seizoensmaximum).

Toelichting

Aantallen zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert één van de grootste bijdragen in Nederland. Populatieaantallen zijn sinds begin jaren tachtig sterk toegenomen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A125

Meerkoet

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2.300 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen meerkoeten zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het aantalsverloop vertoont grootschalige fluctuaties, met optima rond 1980 en begin jaren negentig. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A132

Kluut

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 160 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen kluten zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Populatieaantallen fluctueren enigszins, er is geen duidelijke trend. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

A140

Goudplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.600 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de goudplevier met name een functie als foerageergebied. Het Haringvliet levert één van de grootste bijdragen binnen het Natura 2000-netwerk. De goudplevier maakt vooral gebruik van de grasgorzen, met hoogste aantallen tijdens de (najaars)trek. Aantallen zijn sterk fluctuerend, er is geen duidelijke trend. De landelijk ongunstige staat van instandhouding heeft vooral betrekking op gebieden buiten het Natura 2000-netwerk. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied.

A142

Kievit

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 3.700 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de kievit met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft vooral betrekking op de slaapplaatsfunctie. Het Haringvliet levert als wetland één van de grootste bijdragen. De kievit maakt gedurende het winterhalfjaar vooral gebruik van de grasgorzen. Populatieaantallen zijn in de jaren tachtig toegenomen, daarna zijn ze fluctuerend. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

A156

Grutto

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 290 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen grutto’s zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft vooral betrekking op de slaapplaatsfunctie. Het Haringvliet levert als wetland één van de grootste bijdragen. Aantallen zijn toegenomen, vooral in de jaren tachtig, weliswaar met grote fluctuaties. De landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding heeft vooral betrekking op gebieden buiten het Natura 2000-netwerk en condities in de broedgebieden. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied.

A160

Wulp

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 210 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen wulpen zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft vooral betrekking op de slaapplaatsfunctie. Het aantalsverloop vertoonde een optimum rond 1985, met recent gemiddeld lagere aantallen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

Bijlage A

Grenswijziging Vogel- en Habitatrichtlijngebied Haringvliet

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Bijlage B

Nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en toewijzing van en wijzigingen in instandhoudingsdoelstellingen.

B.1 Wijzigingen in habitattypen en soorten ten opzichte van aanmelding als Habitatrichtlijngebied en/of het ontwerpbesluit (paragraaf 4.2.1 en 4.2.2)
  • Conform aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), maar in afwijking van het ontwerpbesluit (2007) is het gebied niet aangewezen voor het habitattype schorren en zilte graslanden, buitendijks (H1330A).

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied ook aangewezen voor het habitattype vochtige alluviale bossen, zachthoutooibossen (H91E0A). Het subtype komt momenteel over geringe oppervlakte voor in het gebied en er zijn potenties voor ontwikkeling.

  • In afwijking van het ontwerpbesluit (2007), maar conform de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), is het gebied niet aangewezen voor het habitattype vochtige alluviale bossen, essen-iepenbossen (H91E0B). Het subtype blijkt met de huidige kennis niet voor te komen in het gebied.

  • In afwijking van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied niet aangewezen voor de habitatsoort bittervoorn (H1134), omdat uit onderzoek blijkt dat deze soort niet met een bestendige populatie van voldoende omvang in het gebied voorkomt. Vanaf het jaar 2000 (dus nog voor de aanmelding) is de soort niet meer in het gebied aangetroffen, ondanks dat in 2016 nog gericht naar de soort is gezocht.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort bever (H1337), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.

B.2 Wijzigingen in vogelsoorten ten opzichte van aanwijzing als Vogelrichtlijngebied en/of het ontwerpbesluit (paragraaf 4.2.3)

De vogelsoorten waarvoor het gebied in 2000 is aangewezen, zijn indertijd ontleend aan SOVON (2000)24. De numerieke criteria die daarin zijn opgenomen zijn ontleend aan de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000)25. Een gebied wordt slechts aangewezen voor soorten waarvoor het gebied van landelijke betekenis is. Hiervan is in beginsel sprake indien het gebied minstens 1% van de landelijke broedpopulatie herbergt, indien 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied verblijft of indien het gebied in combinatie met andere gebieden voldoende bijdrage kan leveren aan een sleutelpopulatie.

Voor eventuele toevoeging of verwijdering van vogelsoorten is gebruik gemaakt van SOVON & CBS (2005)26 waarin de ontwikkeling van vogelaantallen in de laatste decennia is beschreven. Dit rapport heeft ten grondslag gelegen aan de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Vogelrichtlijnsoorten. In bijlage 1 van dit rapport zijn de verschillen aangegeven tussen de soortenlijsten per gebied die in beide aangehaalde rapporten zijn opgenomen. Om ecologische redenen die in voorkomende gevallen hieronder zijn vermeld, is soms van deze algemene criteria afgeweken. Deze werkwijze heeft voor de lijst van vogelsoorten waarvoor dit gebied is aangewezen, de volgende consequenties:

  • In aanvulling op de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied ook aangewezen voor de volgende vogelsoorten van bijlage I: dwerggans (A042) als niet-broedvogel en grote stern (A191) als broedvogel. De dwerggans is als doelsoort toegevoegd naar aanleiding van uitspraken van de Raad van State dat op grond van artikel 4, eerste lid van de Vogelrichtlijn een verplichting bestaat tot speciale bescherming van deze soort27. Een aanzienlijk deel van de winterpopulatie pleistert regelmatig in het gebied. De grote stern is toegevoegd omdat dit gebied sinds 2004 jaarlijks bijdraagt aan de regionale doelstelling voor het Deltagebied.

  • In aanvulling op de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied ook aangewezen voor de volgende soort trekvogel zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn: bontbekplevier (A137) als broedvogel. De relatieve bijdrage van dit gebied is zodanig toegenomen dat dit gebied volgens recente gegevens (1999-2003) van betekenis is voor de landelijke staat van instandhouding van deze soort. Daarnaast is het gebied van relatief groot belang voor het realiseren van de regionale doelstelling in de Delta.

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied niet aangewezen voor de volgende vogelsoort van bijlage I: dwergmeeuw (A177) als niet-broedvogel. Tellingen uit de periode 1999-2003 laten zien dat van deze soort niet geregeld minstens 0,1% van de biogeografische populatie in het gebied verblijft.

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied niet aangewezen voor de volgende soort trekvogel zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn: aalscholver (A017) als broedvogel. De aalscholver als broedvogel is in 2000 onterecht als trekkende vogelsoort in de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000) opgenomen. Zowel in de periode 1993-1997 (peilperiode Vogelrichtlijnbesluit (2000)) als in de periode 1999-2003 bedroeg het gemiddeld aantal broedparen in het gebied minder dan 1% van de landelijke broedpopulatie (respectievelijk 113 en 73 broedparen, landelijke broedpopulatie respectievelijk 70.000 en 21.000).

  • In aanvulling op het ontwerpbesluit (2007), maar conform de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000), is het gebied ook aangewezen voor de volgende vogelsoort van bijlage I: kleine zilverreiger (A026) als niet-broedvogel. Het gebied is in 2000 al aangewezen als één van de vijf belangrijkste gebieden voor de soort. Het gebied voldeed daarnaast in 2000 met 7,8% aan het criterium voor opname van 0,1% van de biogeografische populatie.

B.3 Toepassing selectiecriteria Habitatrichtlijngebieden (paragraaf 4.3)

In dit onderdeel wordt voor elk habitattype en elke soort waarvoor het onderhavige gebied aan de selectiecriteria voldoet (zie paragraaf 4.3), een overzicht gegeven van alle daarvoor kwalificerende gebieden. Dit gebeurt zoveel mogelijk in de vorm van een tabel met de gebieden die aan de selectiecriteria voldoen, onder vermelding van de relatieve bijdrage. In het geval van habitattypen betreft dit het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. Indien kwaliteit een rol heeft gespeeld in de bepaling van de gebiedenselectie voor habitattypen is dit tekstueel toegelicht. In het geval van soorten betreft de relatieve bijdrage het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen, aantal bezette plekken of kilometerhokken.

Er is gebruik gemaakt van de volgende klasse-indeling:

A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75%

B1 = 2-6% en B2 = 6-15%

C = <2%

In de kolom “Bronvermelding” zijn de terreinbeherende organisaties en andere instanties en bronnen vermeld, waaraan de oppervlaktecijfers en aantallen zijn ontleend, met vermelding van de jaren waarin deze zijn verzameld of gepubliceerd.

  • Het gebied is één van de belangrijkste gebieden voor de volgende habitattypen:

H3270 – Slikkige rivieroevers

Ten tijde van de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor het habitattype slikkige rivieroevers (H3270) drie gebieden geselecteerd: Gelderse Poort (067), Biesbosch (112) en Grensmaas (152). Door het onbestendige karakter van deze pioniervegetatie (opschietend op tijdelijk droogvallende slikoevers) is het niet mogelijk de actuele voorkomens in kwantitatieve zin te duiden. Naast de drie geselecteerde gebieden kunnen ook Uiterwaarden IJssel (038) en Haringvliet (109) tot de vijf belangrijkste gebieden worden gerekend gelet op de oeverlengte waar het habitattype kan voorkomen. Het gebied Grensmaas is ook van belang uit het oogpunt van geografische spreiding.

H6430B – Ruigten en zomen, harig wilgenroosje

Het habitattype ruigten en zomen (H6430) was ten tijde van de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden (2003) niet in subtypen verdeeld. In het Natura 2000 doelendocument (2006) worden voor dit habitattype drie subtypen onderscheiden. De gebiedenselectie is geheel gebaseerd op het voorkomen van één van deze drie subtypen, namelijk het subtype harig wilgenroosje (H6430B). Dit betreft de volgende vijf gebieden: Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (090), Polder Westzaan (091), Oude Maas (108), Haringvliet (109) en Biesbosch (112). Landelijk gezien herbergen Haringvliet en Biesbosch de grootste oppervlakten van dit habitattype, welke van goede kwaliteit zijn dankzij de brakke invloed. Goede kwaliteit is ook aanwezig in de Oude Maas: het enige nog resterende zoetwatergetijdengebied met belangrijke voorkomens van bijzondere soorten als zomerklokje, engels lepelblad en rivierkruiskruid. Verder is dit subtype door (zwak) brakke omstandigheden ook goed vertegenwoordigd in de Noord-Hollandse veenweidegebieden waarvan Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder en Polder Westzaan de grootste oppervlakten en beste kwaliteit herbergen (met als bijzondere soorten heemst en engels lepelblad). Kwantitatieve gegevens over het voorkomen van deze zoomvegetaties zijn beperkt beschikbaar. Oppervlakten zijn moeilijk te bepalen omdat het meestal slechts smalle stroken of kleine plekken betreft.

  • Het gebied is één van de belangrijkste gebieden voor de volgende habitatsoorten:

H1103 – Fint

Ten tijde van de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden zijn er drie gebieden geselecteerd voor de fint (H1103), te weten: Waddenzee (001), Voordelta (113) en Haringvliet (109). Naast de zoute kustwateren zijn ook zoete wateren die vanuit zee bereikbaar zijn potentiële leefgebieden voor de fint. Finten trekken de rivier op tot daar waar het getij nog merkbaar is. De Biesbosch (112) behoort op basis hiervan ook tot de belangrijkste gebieden. Er wordt aangenomen dat het numerieke belang van elk van deze gebieden afgezet tegen de landelijke populatie meer dan 15% bedraagt. Het belang van andere gebieden waar de soort geregeld wordt aangetroffen, wordt ingeschat op minder dan 15%.

H1340 – *Noordse woelmuis

Landelijke populatie ca. 600 kilometerhokken

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

002

Duinen en Lage Land Texel

B2 (6-15%)

Aanwijzingsbesluit 2009

112

Biesbosch

B2 (6-15%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

115

Grevelingen

B2 (6-15%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

109

Haringvliet

B1 (2-6%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

118

Oosterschelde

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2010

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

095

Oostelijke Vechtplassen

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

114

Krammer-Volkerak

B1 (2-6%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

091

Polder Westzaan

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2013

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

C (<2%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

009

Groote Wielen

C (<2%)

Aanwijzingsbesluit 2013

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

C (<2%)

Aanwijzingsbesluit 2011

089

Eilandspolder

C (<2%)

Aanwijzingsbesluit 2013

Voor de prioritaire soort noordse woelmuis, waarvan de ondersoort arenicola alleen in Nederland voorkomt (grote internationale verantwoordelijkheid), geldt in de eerste plaats het selectiecriterium “tien belangrijkste gebieden”. Bij de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) waren er acht gebieden waar populaties van redelijke omvang bekend waren die tevens een groot en kwalitatief relatief goed leefgebied tot hun beschikking hadden. Deze acht gebieden zijn achtereenvolgens Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (090), Polder Westzaan (091), Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092)28, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103), Haringvliet (109), Biesbosch (112), Krammer-Volkerak (114) en Grevelingen (115). Omwille van een goede geografische spreiding is bij de aanmelding aan deze acht gebieden nog een negende gebied toegevoegd, namelijk Eilandspolder (089), dat een belangrijk bolwerk vormt voor de populatie in het veenweidegebied van Laag Holland. Met deze negen – kwalitatief beste – gebieden werd de sterk bedreigde metapopulatie uit Friesland nog niet afgedekt. Daarom zijn ten tijde van de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden aanvullend de gebieden IJsselmeer (072)29, Groote Wielen (009) en Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving (010) geselecteerd.

Op grond van inventarisatiegegevens uit de periode 1994-2007 zijn, afgemeten aan het aantal bezette kilometerhokken, Duinen en Lage Land Texel (002), Biesbosch en Grevelingen de drie belangrijkste gebieden voor de noordse woelmuis. Daarnaast behoren Haringvliet, Oosterschelde (118), Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, Oostelijke Vechtplassen (095), Krammer-Volkerak, Polder Westzaan, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder tot de tien belangrijkste gebieden voor deze soort. Groote Wielen, Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving en Eilandspolder kunnen hieraan worden toegevoegd omwille van het bereiken van voldoende geografische spreiding en dekking (mede gelet op de precaire situatie van de Friese populatie).

B.4 Toewijzing instandhoudingsdoelstellingen (Artikel 5, Artikel 6 en hoofdstuk 5)

Voor zover de hier vermelde gebiedsdoelen en relatieve bijdragen betrekking hebben op de Natura 2000-gebieden die buiten dit aanwijzingsbesluit vallen en waarvan de definitieve besluiten op het moment van vaststelling van het onderhavige besluit nog niet zijn vastgesteld, moeten deze worden beschouwd als “indicatieve” opgaven en kunnen ze nog aan verandering onderhevig zijn.

In dit onderdeel wordt voor iedere Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied is aangewezen, inzichtelijk gemaakt hoe de landelijke doelstelling30 is uitgewerkt in de Natura 2000-gebieden. De landelijke doelstellingen vormen een kader voor de formulering van instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau. De gebiedsdoelen bij elkaar “opgeteld”, eventueel tezamen met een opgave buiten het Natura 2000-netwerk, hebben als som het landelijke doel. Onder iedere tabel wordt de landelijke staat van instandhouding van betreffende habitattype of (vogel)soort vermeld. Indien de landelijke doelstelling van de betreffende waarde afwijkt van wat kan worden verwacht uit de landelijke staat van instandhouding, is dit hier gemotiveerd. Gebiedsdoelstellingen die afwijken van de landelijke doelstelling, worden ook zoveel mogelijk gemotiveerd. In gevallen waarin motivering ontbreekt, is aanpassing nog in overweging (met name naar aanleiding van zienswijzen) in het kader van het besluit voor het betreffende gebied. Doelstellingen die volgens de tabellen zijn aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit (zie kolom “Besluit”) staan eveneens onder de betreffende tabellen gemotiveerd. De instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en (vogel)soorten die zijn toegevoegd ten opzichte van het ontwerpbesluit, zijn in principe op behoud gesteld, omdat de landelijke doelstelling al haalbaar werd geacht zonder deze toevoegingen. De instandhoudingsdoelstellingen die om deze reden op behoud zijn gesteld en daarmee afwijken van de landelijke doelstelling voor het betreffende habitattype of de betreffende soort, zijn in de tabellen gemarkeerd met een x.

De niet-broedvogelsoorten waarvoor zowel landelijk als in alle gebieden een behoudopgave is gesteld zijn samengevat in één tabel. Regels in cursief betreffen complementaire doelen. Deze zijn in de tabellen opgenomen omdat ze nog in de vigerende besluiten staan vermeld. Deze doelen zullen niet langer in aanwijzingsbesluiten worden opgenomen (zie bijlage C, paragraaf 4.1). Bij broedvogels en niet-broedvogels wordt in de kolom “Populatie” tevens aangegeven of er sprake is van herstel dan wel uitbreiding (↑). In een aparte kolom is van elk gebied de relatieve bijdrage vermeld. Voor een nadere toelichting en de klasse-indeling wordt verwezen naar de inleiding van onderdeel 3 van deze bijlage.

B.4.1 Habitatrichtlijn: habitattypen

H3270 – Slikkige rivieroevers

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Besluit

066-068

Rijntakken

uitbreiding

verbetering

aanwijzingsbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

uitbreiding

verbetering

aanwijzingsbesluit

082

Uiterwaarden Lek

behoud

behoud

ontwerpbesluit

108

Oude Maas

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

uitbreiding

behoud

conform ontwerp

112

Biesbosch

uitbreiding

verbetering

aanwijzingsbesluit

152

Grensmaas

behoud

verbetering

aanwijzingsbesluit

Ruim de helft van de landelijke oppervlakte van het habitattype slikkige rivieroevers wordt binnen de Natura 2000-gebieden beschermd. De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Door het onbestendige karakter van deze pioniervegetatie (opschietend op tijdelijk droogvallende slikoevers) is het niet mogelijk de actuele voorkomens in kwantitatieve zin te duiden. Diverse gebiedsdoelstellingen wijken, gezien de beperkte potentie van het gebied, af van de landelijke doelstelling. Dit geldt onder andere voor de gebieden Rijntakken (038, 066-068), Uiterwaarden Lek (082) en Oude Maas (108) waar geen potentie lijkt te zijn voor uitbreiding van de oppervlakte en/of verbetering van de kwaliteit. In de Grensmaas (152), waar het habitattype veelal over aanzienlijke oppervlakte aanwezig is, wordt uitbreiding binnen de bestaande begrenzing niet mogelijk geacht. In het Haringvliet (109) is de kwaliteit van het gebied reeds in goede staat en is behoud van de kwaliteit derhalve voldoende.

H6430B – Ruigten en zomen, harig wilgenroosje

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en behoud/verbetering kwaliteit a

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage c

Besluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

038, 066-68

Rijntakken

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

082

Uiterwaarden Lek

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

091

Polder Westzaan

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

108

Oude Maas

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

uitbreiding

behoud

B

doel aangepast d

111

Hollands Diep

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

uitbreiding

behoud

A

aanwijzingsbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud b

behoud

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

124

Groote Gat

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Verbetering kwaliteit geldt voor de brakke varianten.

  • (b)

    Waarschijnlijk kan dit subtype bij de huidige voortschrijdende verzoeting niet behouden blijven, maar zullen hiervoor (minder bedreigde) zoete vormen ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) in de plaats komen.

  • (c)

    De weergegeven relatieve bijdragen betreffen een voorlopige inschatting, omdat er nog onduidelijkheid is over de landelijke oppervlakte van dit subtype. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) omdat kwantitatieve gegevens over het voorkomen van deze zoomvegetaties beperkt beschikbaar zijn. Oppervlakten zijn moeilijk te bepalen omdat het meestal slechts smalle stroken of kleine plekken betreft.

  • (d)

    De doelstelling in het Haringvliet is op het aspect kwaliteit aangepast van verbetering naar behoud, omdat het onzeker is of de voor verbetering noodzakelijke verbrakking zal kunnen worden gerealiseerd.

De landelijke staat van instandhouding van het habitattype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Niet in alle gebieden kan de landelijke doelstelling worden nagestreefd. De doelstelling voor uitbreiding van de oppervlakte wordt enkel nagestreefd in de belangrijkste gebieden voor dit habitattype, zoals Oude Maas (108), Haringvliet (109) en Biesbosch (112).

De landelijke doelstelling voor verbetering van de kwaliteit is alleen neergelegd in gebieden die van belang zijn voor de brakke variant van dit habitattype. In slechts één van de “brakke” gebieden is echter potentie voor kwaliteitsverbetering: Polder Westzaan (091).

H91E0A – *Vochtige alluviale bossen, zachthoutooibossen

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

038, 066-068

Rijntakken

behoud

behoud

A1c

aanwijzingsbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

behoud a

behoud

C

aanwijzingsbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

108

Oude Maas

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

verbetering

C

doel aangepast c

111

Hollands Diep

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

behoud b

verbetering

A2

aanwijzingsbesluit

114

Krammer-Volkerak

uitbreiding

verbetering

C

concept-ontwerp

152

Grensmaas

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van habitattype kalkmoerassen (H7230) is toegestaan31.

  • (b)

    Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van habitattype vochtige alluviale bossen, essen-iepenbossen (H91E0B) is toegestaan32.

  • (c)

    De doelstelling voor het Haringvliet is aangepast van uitbreiding naar behoud van de oppervlakte. Met de huidige kennis blijkt dat uitbreiding van deze bijzondere getijdenvorm door de (zeer) beperkte aanwezigheid van getijdeninvloed niet mogelijk is.

Ongeveer drie kwart van de landelijke oppervlakte van het habitattype vochtige alluviale bossen, zachthoutooibossen (subtype A) bevindt zich binnen het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van dit subtype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan33.

De landelijke opgave voor het aspect kwaliteit kan niet in alle gebieden worden nagestreefd. In Lingegebied & Diefdijk-Zuid (070) is, gezien het geringe belang van dit gebied voor het type, een behoudsdoelstelling geformuleerd. Een andere reden voor het afwijken van de landelijke doelstelling is dat er al een goede kwaliteit aanwezig is, bijvoorbeeld in Oude Maas (108), waar behoud van de kwaliteit derhalve voldoende is.

B.4.2 Habitatrichtlijn: soorten

H1095 – Zeeprik

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage a

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

038, 066-068

Rijntakken

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

verbetering

uitbreiding

A

conform ontwerp

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

150

Roerdal

behoud

verbetering

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

163

Vlakte van de Raan

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Voor trekvissen kan de som van de relatieve bijdragen boven de 100% uitkomen, omdat voor deze soorten alle gebieden in een trekroute van even groot belang zijn. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) vanwege beperkte monitoringsgegevens.

De landelijke staat van instandhouding van de zeeprik is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”34. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Uitbreiding van het leefgebied heeft met name betrekking op het opgroeigebied in het rivierengebied (nevengeulen), waarbij de potenties voornamelijk in de deelgebieden Gelderse Poort (067) en Uiterwaarden Waal (068) liggen. Ook verbetering van de kwaliteit van het leefgebied heeft voornamelijk betrekking op het rivierengebied (opgroeigebied) en daarnaast op het verbeteren van de migratiemogelijkheden tussen de paaigebieden en de zee.

In het Roerdal (150) heeft verbetering van de kwaliteit van het leefgebied betrekking op verbinding met de Maas en belangrijke leefgebieden buiten het Natura 2000-gebied. Onder andere de gebieden Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007), Hollands Diep (111), Voordelta (113) en Westerschelde & Saeftinghe (122) wijken op de aspecten omvang en kwaliteit leefgebied af van de landelijke doelstelling. De landelijk matig ongunstige staat van instandhouding van de soort wordt niet veroorzaakt in deze gebieden.

H1099 – Rivierprik

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage a

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

038, 066-068

Rijntakken

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

verbetering

uitbreiding

A

conform ontwerp

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

150

Roerdal

behoud

verbetering

behoud

B

aanwijzingsbesluit

152

Grensmaas

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

163

Vlakte van de Raan

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Voor trekvissen kan de som van de relatieve bijdragen boven de 100% uitkomen, omdat voor deze soorten alle gebieden in een trekroute van even groot belang zijn. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) vanwege beperkte monitoringsgegevens.

De landelijke staat van instandhouding van de rivierprik is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Uitbreiding van het leefgebied heeft met name betrekking op het opgroeigebied in het rivierengebied (nevengeulen), waarbij de potenties voornamelijk in de deelgebieden Gelderse Poort (067) en Uiterwaarden Waal (068) liggen. Ook verbetering van de kwaliteit van het leefgebied heeft voornamelijk betrekking op het rivierengebied (opgroeigebied) en daarnaast op het verbeteren van de migratiemogelijkheden tussen de paaigebieden en de zee.

In het Roerdal (150) heeft verbetering van de kwaliteit van het leefgebied betrekking op verbinding met de Maas en belangrijke leefgebieden buiten het Natura 2000-gebied. In de Grensmaas (152) wordt, gezien het beperkte belang als opgroeigebied en het ontbreken van mogelijkheden voor herstel van het leefgebied, geen hersteldoelstelling op het aspect leefgebied nagestreefd. Onder andere de gebieden Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007), Hollands Diep (111), Voordelta (113) en Westerschelde & Saeftinghe (122) wijken op de aspecten omvang en kwaliteit leefgebied af van de landelijke doelstelling. De landelijk matig ongunstige staat van instandhouding van de soort wordt niet veroorzaakt in deze gebieden.

H1102 – Elft

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage a

Besluit

038, 066-068

Rijntakken

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

verbetering

uitbreiding

A

conform ontwerp

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Voor trekvissen kan de som van de relatieve bijdragen boven de 100% uitkomen, omdat voor deze soorten alle gebieden in een trekroute van even groot belang zijn. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) vanwege beperkte monitoringsgegevens.

De landelijke staat van instandhouding van de elft is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. Op het aspect populatie, net als op het aspect kwaliteit leefgebied, sluit de landelijke doelstelling hierop aan. De landelijke doelstelling is aangepast van “behoud kwaliteit leefgebied” naar “verbetering kwaliteit leefgebied” zodat het doel op dit aspect aansluit bij de landelijke staat van instandhouding. Voor het aspect omvang leefgebied is, landelijk en in alle gebieden, een behoudopgave geformuleerd omdat de zeer ongunstige staat van instandhouding op het aspect leefgebied veroorzaakt wordt door verminderde migratiemogelijkheden. Verbetering van de migratiemogelijkheden tussen de paaigebieden en de zee zal de populatie van deze anadrome vissoort in achterliggende gebieden naar verwachting uitbreiden. Het doel “verbetering kwaliteit leefgebied” heeft dan ook alleen betrekking op het gebied Haringvliet (109).



H1103 – Fint

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage a

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

verbetering

uitbreiding

A

conform ontwerp

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

163

Vlakte van de Raan

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Voor trekvissen kan de som van de relatieve bijdragen boven de 100% uitkomen, omdat voor deze soorten alle gebieden in een trekroute van even groot belang zijn. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) vanwege beperkte monitoringsgegevens.

De landelijke staat van instandhouding van de fint is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. Op het aspect populatie, net als op het aspect kwaliteit leefgebied, sluit de landelijke doelstelling hierop aan. De landelijke doelstelling is aangepast van “behoud kwaliteit leefgebied” naar “verbetering kwaliteit leefgebied” zodat het doel op dit aspect aansluit bij de landelijke staat van instandhouding. Voor het aspect omvang leefgebied is, landelijk en in alle gebieden, een behoudopgave geformuleerd, omdat de zeer ongunstige staat van instandhouding op het aspect leefgebied veroorzaakt wordt door verminderde migratiemogelijkheden. Verbetering van de migratiemogelijkheden tussen de paaigebieden en de zee zal de populatie van deze anadrome vissoort in achterliggende gebieden naar verwachting uitbreiden. Het doel “verbetering kwaliteit leefgebied” heeft dan ook alleen betrekking op het gebied Haringvliet (109).



H1106 – Zalm

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage a

Besluit

038, 066-068

Gelderse Poort

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

verbetering

uitbreiding

A

conform ontwerp

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

Ab

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

152

Grensmaas

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Voor trekvissen kan de som van de relatieve bijdragen boven de 100% uitkomen, omdat voor deze soorten alle gebieden in een trekroute van even groot belang zijn. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) vanwege beperkte monitoringsgegevens.

De landelijke staat van instandhouding van de zalm is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. Op het aspect populatie, net als op het aspect kwaliteit leefgebied, sluit de landelijke doelstelling hierop aan. Voor het aspect omvang leefgebied is, landelijk en in alle gebieden, een behoudopgave geformuleerd omdat de matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect leefgebied veroorzaakt wordt door verminderde migratiemogelijkheden. Verbetering van de migratiemogelijkheden tussen de paaigebieden en de zee zal de populatie van deze anadrome vissoort in achterliggende gebieden naar verwachting uitbreiden. Het doel “verbetering kwaliteit leefgebied” heeft dan ook alleen betrekking op het gebied Haringvliet (109).

H1163 – Rivierdonderpad

Landelijke doelstelling: behoud/uitbreiding omvang en behoud/verbetering kwaliteit leefgebied a

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Besluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

038, 066-068

Rijntakken

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

049

Dinkelland

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

057

Veluwe

uitbreiding

behoud

uitbreiding

aanwijzingsbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

073

Markermeer & IJmeer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud b

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

behoud

conform ontwerp

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

148

Swalmdal

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

150

Roerdal

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

152

Grensmaas

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

157

Geuldal

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Behoud omvang en kwaliteit leefgebied in de grote wateren en uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied in de beken.

  • (b)

    Enige achteruitgang in oppervlakte leefgebied ten gunste van broedvogelsoorten roerdomp (A021) of grote karekiet (A298) is toegestaan35.

De landelijke staat van instandhouding van de rivierdonderpad is op het aspect leefgebied als “matig ongunstig”36 beoordeeld en heeft voornamelijk betrekking op in beken voorkomende rivierdonderpadden, waaronder de “beekdonderpad” (Cottus rhenanus). De staat van instandhouding van de “gewone” rivierdonderpad (Cottus perifretum) die een veel ruimere verspreiding heeft in meren, rivieren en beken, wordt, behalve in beken, vooralsnog als gunstig beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Er zijn onvoldoende inventarisatiegegevens over de landelijke verspreiding van de soort op kilometerhokniveau bekend, daarom worden er geen relatieve bijdragen per gebied gegeven. In de beekdalgebieden is een landelijke hersteldoelstelling neergelegd. Alleen in de gebieden Veluwe (057) en Geuldal (157), waar het leefgebied het meest onder druk staat en er mogelijkheden zijn voor herstel van het leefgebied en van de populatie, is een hersteldoelstelling neergelegd.



H1337 – Bever

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

038/

066-068

Rijntakken

behoud

verbetering

uitbreiding

A1

aanwijzingsbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

behoud

behoud

uitbreiding

C

wijzigingsbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

behoud

behoud

uitbreiding

C

wijzigingsbesluit

108

Oude Maas

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

109

Haringvliet

behoud

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

138

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

141

Oeffelter Meent

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

145

Maasduinen

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

147

Leudal

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

148

Swalmdal

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

150

Roerdal

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

152

Grensmaas

behoud

behoud

uitbreiding

B1

aanwijzingsbesluit

153

Bunder- en Elslooërbos

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

157

Geuldal

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

159

Sint Pietersberg & Jekerdal

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

167

Maas bij Eijsden

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de bever is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig” en “gunstig”. De landelijke herstelopgave voor het leefgebied wijkt hiervan af. De reden hiervoor is dat, ondanks dat er kwantitatief voldoende geschikt leefgebied voor de soort voorhanden is, de verspreiding van het leefgebied nog niet op orde is omdat er nog onvoldoende verbindingen zijn tussen kerngebieden. De landelijke doelstelling voor herstel van de populatie is gericht op deze verbindingen om hiermee een duurzame populatie van de soort te realiseren die over het gehele rivierengebied verspreid voorkomt. In de meeste gebieden is reeds voldoende geschikt leefgebied aanwezig en zal de populatie naar verwachting uitbreiden bij een behoudopgave voor het leefgebied. In meerdere gebieden is gekozen voor het behoud van de populatie omdat deze gebieden niet van groot belang zijn voor de landelijke doelstelling en behoud van de reeds toegenomen populatie een voldoende bijdrage daaraan is.

H1340 – *Noordse woelmuis

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

verbetering

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

009

Groote Wielen

uitbreiding

verbetering

behoud

C

aanwijzingsbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

072

IJsselmeer

uitbreiding

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

091

Polder Westzaan

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

B1

aanwijzingsbesluit

100

Voornes Duin

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

108

Oude Maas

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

B1

doel aangepast a

111

Hollands Diep

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

112

Biesbosch

uitbreiding

uitbreiding

uitbreiding

B2

aanwijzingsbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

behoud

B1

concept-ontwerp

115

Grevelingen

uitbreiding

uitbreiding

uitbreiding

B2

aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

behoud

verbetering

behoud

C

aanwijzingsbesluit

118

Oosterschelde

uitbreiding

behoud

uitbreiding

B1

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    De doelstelling voor Haringvliet is aangepast van “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie” naar “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie”. Het areaal geschikt leefgebied zal zich kunnen uitbreiden door de recente omzetting van landbouwgronden in (nat) natuurgebied (Tiengemeten, Beningerwaard). Tevens zal het uitbreidingsdoel voor het habitattype ruigten en zomen (H6430) voor de soort een gunstige uitwerking hebben.

  • (b)

    De doelstelling voor Biesbosch is aangepast van “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie” naar “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie”. Een uitbreidingsdoelstelling is gewenst gezien de landelijke doelstelling en de aansluiting bij bestaand initiatieven in de Biesbosch tot de ontwikkeling van nieuwe natuur met mogelijkheden voor plas-dras situaties.

  • (c)

    De doelstelling voor Grevelingen is aangepast van “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie” naar “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie”. Een hersteldoelstelling is gewenst gezien de areaalinkrimping die binnen het gebied heeft plaatsgevonden, door verdwijning van de soort van diverse eilanden. Vergroting van het areaal en daarmee het halen van de doelstelling kan worden gerealiseerd door aanpassing van het vegetatiebeheer. Het peilbeheer is niet noodzakelijk voor het halen van de doelstelling en levert geen beperkingen op voor het nodige vegetatiebeheer. Indien vegetatiebeheer niet leidt tot de gewenste uitbreiding omvang of verbetering kwaliteit, dient de haalbaarheid van het doel na de eerste beheerplanperiode opnieuw te worden bezien.

De landelijke staat van instandhouding van de noordse woelmuis is op het aspect leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Landelijke uitbreiding van de populatie wordt vooral beoogd in de Friese gebieden omdat het leefgebied vooral daar sterk versnipperd is geraakt. De doelstellingen uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied en uitbreiding populatie zijn verder neergelegd in gebieden die daarvoor mogelijkheden bieden (bijvoorbeeld in het kader van natuurontwikkeling) of waar duidelijke aanwijzing is dat de soort recent is achteruitgegaan. In Duinen en Lage Land Texel (002) staat het doel voor omvang van het leefgebied op “behoud” omdat de soort al over het gehele eiland voorkomt. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied is vooral nodig om de populatie weerstand te kunnen laten bieden tegen concurrentie met andere diersoorten. In IJsselmeer (072) en Oosterschelde (118) is op het aspect kwaliteit van de landelijke opgave afgeweken. In de Oosterschelde is de kwaliteit al op orde; derhalve is behoud voldoende. In het IJsselmeer is afgeweken omdat hier de mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit beperkt zijn.

B.4.3 Vogelrichtlijn: broedvogels

A081 – Bruine kiekendief

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

30

B1

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

30

B1

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

20

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

45

B1

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

40

B1

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

25

B1

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

20

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

014

Deelen

uitbreiding

verbetering

5

C

aanwijzingsbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

19

C

aanwijzingsbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

25

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

40

B1

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

15

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

20

C

conform ontwerp

112

Biesbosch

behoud

behoud

30

B1

aanwijzingsbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

13

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

20

C

aanwijzingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

19

C

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

20

C

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de bruine kiekendief is voor de aspecten leefgebied en populatie als “gunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit daarbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud van ten minste 1.300 paren”. Gezien de belangrijke functie van Nederland als noordwestelijk bolwerk in het broedgebied in Europa is een veilige marge ingebouwd in het voor Nederland na te streven populatieniveau. Het gestelde doel betreft behoud van het huidige niveau. Voor de realisatie van de landelijke doelstelling zal aansluiting nodig zijn van nationaal beleid zoals de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur.

De gebiedsdoelstellingen sluiten bij de landelijke doelstelling aan, met uitzondering van de gebieden Alde Feanen (013) en Deelen (014). Vanwege de recente afname van de populatie in gebied Deelen is hier een beperkte herstelopgave geformuleerd, zodat de soort in het gebied behouden kan blijven.

A137 – Bontbekplevier

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

verbetering

3.800

A2

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

120 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

110

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

2.000R

B1

conform ontwerp

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

2.000R

B2

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

2.000R

B1

aanwijzingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

2.000R

B1

aanwijzingsbesluit

120

Zoommeer

behoud

behoud

2.000R

C

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

2.000R

B1

aanwijzingsbesluit

127

Markiezaat

behoud

behoud

2.000R

C

aanwijzingsbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de kluut is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. Op het aspect populatie sluit de landelijke doelstelling hierop aan. De doelstelling luidt: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 8.000 paren”. Gezien de zeer grote betekenis van Nederland voor Europa als broedgebied dient de nationale populatieomvang gehandhaafd te worden op ten minste het basisniveau van de afgelopen decennia van 8.000 paren. Landelijk is op het aspect leefgebied een behoudsdoelstelling geformuleerd, omdat met name in het gebied Waddenzee (001) het leefgebied als matig ongunstig werd beoordeeld. In afwijking van de landelijke doelstelling heeft dat gebied dan ook een verbeteropgave gekregen voor het leefgebied. De overige gebieden sluiten aan bij de landelijke doelstelling.

A137 – Bontbekplevier

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

60

A1

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

20

B1

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

4

C

aanwijzingsbesluit

072

IJsselmeer

uitbreiding

verbetering

13 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

105R (↑)

C

doel aangepast a

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

105R (↑)

B1

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

105R (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

100R (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

120

Zoommeer

behoud

behoud

105R (↑)

C

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

100R (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

127

Markiezaat

behoud

behoud

105R (↑)

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    De regionale doelstelling (R) is aangepast tengevolge van een correctie. De regionale populatie blijkt groter te zijn dan oorspronkelijk werd verondersteld omdat een Vogelrichtlijngebied (Zoommeer) niet in de telling was meegenomen, hoewel het gebied wel was aangewezen voor de bontbekplevier.

De landelijke staat van instandhouding van de bontbekplevier is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “matig ongunstig”37. De landelijke doelstelling sluit op het aspect leefgebied daarbij aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 400 paren”38. De doelstellingen van de gebieden Waddenzee (001), Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Terschelling (004), Noordzeekustzone (007), Lauwersmeer (008), IJsselmeer (072), Haringvliet (109), Oosterschelde (118), Westerschelde & Saeftinghe (122) en Markiezaat (127) wijken af van de landelijke doelstelling. De gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone worden niet gezien als gebieden met de beste potentie voor herstel van de leefgebieden. Voor de gebieden Lauwersmeer en Markiezaat wordt behoud nagestreefd omdat de historische potentie in de verzoete gebieden niet meer haalbaar is. Het gebied Oosterschelde wijkt af omdat er sprake is van een min of meer stabiele stand. Voor Haringvliet is de doelstelling binnen de kaders van afspraken in het Natura 2000 doelendocument (2006) geformuleerd. De doelstelling past bij de afspraken met betrekking tot “verzoeting versus verzouting”.

In afwijking van de landelijke populatiedoelstelling is van meerdere gebieden de populatiedoelstelling verhoogd. Van het gebied Duinen en Lage Land Texel omdat er rekening is gehouden met de diverse broedvogels in de binnendijks gelegen terreinen langs de waddijk. Voor de genoemde Deltagebieden wordt een licht herstel van de populatie nagestreefd, om achteruitgang van de landelijke populatie buiten de Natura 2000-gebieden (veelal tijdelijke populaties) op te vangen.

A138 – Strandplevier

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

uitbreiding

verbetering

50 (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

uitbreiding

verbetering

30 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

220R (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

220R (↑)

B1

conform ontwerp

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

220R (↑)

B2

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

220R (↑)

A1

aanwijzingsbesluit

118

Oosterschelde

uitbreiding

verbetering

220R (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

120

Zoommeer

behoud

behoud

220R (↑)

B1

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

220R (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

127

Markiezaat

behoud

behoud

220R (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de strandplevier is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarbij aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van herstel populatie van ten minste 400 paren”. Er is herstel gewenst tot boven het niveau van de minimum populatie, mede als verzekering naar de toekomst. De mogelijkheden voor verbetering zijn beperkt. De kans op immigratie vanuit populaties in buurlanden is gering omdat de populatie zich bevindt aan de noordelijke rand van het Europese verspreidingsgebied van de soort. Mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit van het leefgebied zullen worden onderzocht om beter te kunnen garanderen dat de soort zich in Nederland op het niveau van een duurzame populatie kan handhaven. De doelstelling van de gebieden Duinen Goeree & Kwade Hoek (101), Haringvliet (109), Westerschelde & Saeftinghe (122) en Markiezaat (127) wijkt af van de landelijke doelstelling. Voor Duinen Goeree & Kwade Hoek en Westerschelde & Saeftinghe is niet voor uitbreiding gekozen omdat de ontwikkelingen onzeker zijn. Voor het gebied Markiezaat wordt behoud nagestreefd omdat de historische potentie in dit verzoete gebied niet meer haalbaar is. Voor het gebied Haringvliet is de doelstelling binnen de kaders van afspraken in het Natura 2000 doelendocument (2006) geformuleerd. De doelstelling past bij de afspraken met betrekking tot “verzoeting versus verzouting”.

A176 – Zwartkopmeeuw

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

9

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

400R

A1

conform ontwerp

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

400R

A2

concept-ontwerp

120

Zoommeer

behoud

behoud

400R

C

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

400R

B1

aanwijzingsbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de zwartkopmeeuw is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarbij aan: “behoud omvang en kwaliteit van het leefgebied voor behoud populatie met een totaal van ten minste 500 paren”. Er is slechts een beperkt aantal kolonies van enige omvang aanwezig in het Deltagebied. Buiten de Delta broedt de soort verspreid over heel Nederland in kleine aantallen. In het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) bevindt zich de enige “kolonie” buiten het Deltagebied welke kwalificeerde op basis van gegevens in 1999-2003. De gebiedsdoelen sluiten aan bij de landelijke doelstelling.

A191 – Grote stern

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

16.000 (↑)

A3

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

6.200R

C

doel aangepast39

115

Grevelingen

behoud

behoud

6.200R

A1

aanwijzingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

6.200R

C

aanwijzingsbesluit 40

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

6.200R

A1

aanwijzingsbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de grote stern is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied respectievelijk als “matig ongunstig” en “gunstig”41 beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit hierbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor herstel populatie van ten minste 22.200 paren”. Dit is een aanpassing ten opzichte van de eerder vastgestelde landelijke doelstelling42 welke voortvloeit uit de verhoging van het regionale doel in het Deltagebied van 4.000 tot 6.200 broedparen43. Vanwege de kwetsbaarheid van de nestplaatsen is de soort vrijwel volledig aangewezen op het Natura 2000-netwerk44.

Alleen in de Waddenzee (001) wordt herstel van de populatie haalbaar geacht. Alle gebiedsdoelen sluiten wat het leefgebied betreft aan bij de landelijke doelstelling. De gebieden leveren gezamenlijk voldoende bijdrage aan de landelijke populatiedoelstelling. In het Deltagebied bestaat veel dynamiek in de locaties van de kolonies. Dit kan per deelgebied grote jaarlijkse aantalsverschillen veroorzaken45.

A193 – Visdief

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

5.300

A1

aanwijzingsbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

3.300

B2

aanwijzingsbesluit

073

Markermeer & IJmeer

behoud

behoud

630

B1

aanwijzingsbesluit

077

Eemmeer & Gooimeer Zuidoever

behoud

behoud

280

B1

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

180

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

6.500R (↑)

B2

conform ontwerp

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

6.500R (↑)

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

6.500R (↑)

B1

wijzigingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

6.500R (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

120

Zoommeer

behoud

behoud

6.500R (↑)

C

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

6.500R (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de visdief is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit op het aspect populatie daarbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor herstel populatie van ten minste 20.000 broedparen”. Op het aspect leefgebied komt de landelijke behoudsdoelstelling niet overeen met de matig ongunstige staat van instandhouding. Er wordt verwacht dat de positieve trend van de populatie zich door kan zetten met behoud van het leefgebied. Er vindt namelijk na een sterke terugval rond de jaren zestig sindsdien voortdurend herstel plaats, al lijkt dit momenteel te stagneren. De populatiedoelstellingen van de gebieden Waddenzee (001), IJsselmeer (072), Markermeer & IJmeer (073) en Eemmeer & Gooimeer Zuidoever (077) wijken af van de landelijke doelstelling. In de Waddenzee wordt het stoppen van de neergaande trend ten doel gesteld. In het IJsselmeer heeft de draagkracht betrekking op gunstige jaren en bestaat er nog onzekerheid over de draagkracht van de Kreupel op langere termijn. Van het Markermeer & IJmeer en Eemmeer & Gooimeer Zuidoever is de bijdrage aan de landelijke doelstelling relatief klein en worden de potenties laag ingeschat.

A195 – Dwergstern

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

uitbreiding

verbetering

210 (↑)

A2

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

300R (↑)

A1

conform ontwerp

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

300R (↑)

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

300R (↑)

B1

wijzigingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

300R (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

300R (↑)

A1

aanwijzingsbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de dwergstern is voor wat betreft de aspecten populatie46 en leefgebied als “matig ongunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit voor het aspect populatie daarbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor herstel populatie van ten minste 600 paren”47. Vanwege de kwetsbaarheid van de nestplaatsen is de soort vrijwel volledig aangewezen op het Natura 2000-netwerk. De som van de gebiedsdoelen, met daarbij opgeteld het aantal dat buiten Natura 2000 broedt (1%), bereikt het genoemde doelniveau van 600. De doelstellingen op het aspect leefgebied van de gebieden Waddenzee (001), Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Terschelling (004) en Noordzeekustzone (007) wijken af van de landelijke doelstelling. In het Waddengebied, waar de Natura 2000-gebieden op veel plekken op elkaar aansluiten, wordt een herstelopgave met betrekking tot het leefgebied (naast herstel populatie) haalbaar geacht en is het vooral van belang dat de som van de gebiedsdoelen (290) in de regio wordt gehaald. De doelstellingen van de overige gebieden sluiten aan bij de landelijke doelstelling.

A272 – Blauwborst

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

120

C

aanwijzingsbesluit

033

Bargerveen

behoud

behoud

150

C

aanwijzingsbesluit

038, 066-68

Rijntakken

behoud

behoud

80

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

190

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

410

B1

doel aangepast a

112

Biesbosch

behoud

behoud

2.300

A1

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

450

B1

aanwijzingsbesluit

139

Deurnsche Peel & Mariapeel

behoud

behoud

350

B1

aanwijzingsbesluit

140

Groote Peel

behoud

behoud

200

B1

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Het aantal voor Haringvliet is aangepast conform het gemiddelde van de periode 1999-2003.

De landelijke staat van instandhouding van de blauwborst is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud van een totaal van 6.500 paren”. De huidige populatie is groter dan ooit eerder in de vorige eeuw en groter dan het gewenste basisniveau vanuit populatie-ecologische optiek. Het aantal van 6.500 paren is conform het Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004 (2000)48. De gebiedsdoelstellingen sluiten aan bij de landelijke doelstelling.

A295 – Rietzanger

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

120

C

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

230

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

1.900

B2

aanwijzingsbesluit

009

Groote Wielen

behoud

behoud

220

C

aanwijzingsbesluit

012

Sneekermeergebied

behoud

behoud

370

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

800

B1

aanwijzingsbesluit

014

Deelen

behoud

behoud

200

C

aanwijzingsbesluit

019

Leekstermeergebied

behoud

behoud

70

C

aanwijzingsbesluit

020

Zuidlaardermeergebied

behoud

behoud

200

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

900

B1

aanwijzingsbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

2.000

A1

aanwijzingsbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

990

B1

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

270

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

790

B1

aanwijzingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

230

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

480

B1

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

800

B1

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

880

B1

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

340

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

420

C

conform ontwerp

112

Biesbosch

behoud

behoud

260

C

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de rietzanger is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 20.000 paren”. De gebiedsdoelen sluiten aan bij de landelijke doelstelling.

B.4.4 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

De doelniveaus van niet-broedvogels zijn meestal uitgedrukt als seizoensgemiddelde of als (gemiddeld) seizoensmaximum. Deze gemiddelden, die worden bepaald aan de hand van maandelijkse tellingen, worden als volgt berekend49:

Het seizoensgemiddelde is het gemiddelde aantal in een gebied aanwezige vogels over het gehele seizoen, berekend aan de hand van maandelijks uitgevoerde tellingen over een reeks seizoenen (1999/2000-2003/2004).

Het (gemiddeld) seizoensmaximum is het gemiddelde van het grootste getelde aantal (piekaantal) per seizoen (juli t/m juni van het volgende jaar) berekend over een reeks van achtereenvolgende seizoenen (meestal vijf seizoenen: 1999/2000-2003/2004).

Bij voorkeur is het doelniveau uitgedrukt als seizoensgemiddelde omdat dit een indicatie geeft voor het gebruik van een gebied over het gehele seizoen. Bij onvoldoende beschikbaarheid van jaarrondtellingen moet soms worden teruggevallen op het seizoensmaximum.

A062 – Topper

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage*

Besluit

001

Waddenzee

behoud

verbetering

3.100

f, A1

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

behoud

f, B1-B2

wijzigingsbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

15.800

f, A4

aanwijzingsbesluit

073

Markermeer & IJmeer

behoud

behoud

70

f, C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

120

f, C

conform ontwerp

113

Voordelta

behoud

behoud

80

f, C

aanwijzingsbesluit

* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf).

De staat van instandhouding van de topper is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig". De landelijke doelstelling sluit hier deels op aan; de zeer ongunstige staat van de populatie resulteert niet in een herstelopgave in de vorm van een draagkrachtschatting die hoger is dan de huidige aantallen, omdat de aantallen van voor 1988 ook relatief laag waren en omdat er geen aanwijzingen zijn voor potentiële duurzaamheid van de verhoogde aantallen rond 1990. Betreffende de omvang van het leefgebied is eveneens een behoudopgave gesteld omdat de matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect leefgebied uitsluitend een kwaliteitsprobleem betreft50. Dit wordt veroorzaakt door de afname in de zoute wateren die mogelijk met aanbod van schelpdieren te maken heeft. Het aantal toppers in Nederland is in de periode 1988-1996 tijdelijk hoger geweest door de aanwezigheid van grote aantallen op het IJsselmeer (072). Deze toename betrof vooral vogels die normaal buiten Nederland overwinteren maar in deze periode uitweken naar met name het IJsselmeer. De oorzaak hiervoor was zeer waarschijnlijk buiten Nederland gelegen en niet zozeer door een (tijdelijk) verhoogde draagkracht van het IJsselmeer zelf. De ongunstige staat van instandhouding van de topper is gebaseerd op het feit dat landelijk gezien de aantallen na deze periode lager waren dan ervoor. In het IJsselmeer zelf was dit niet het geval, en in de afzonderlijke zoute gebieden (Noordzeekustzone (007), Haringvliet (109) en Voordelta (113)) was de negatieve tendens mede door het geringe aantal beschikbare tellingen niet significant. De oorzaak voor de zeer ongunstige staat van instandhouding van de topper is evenmin gelegen in het Markermeer & IJmeer (073). Daarom is voor de verbeteropgave volstaan met verbetering van de kwaliteit van het leefgebied in de Waddenzee (001).





Overige niet-broedvogelsoorten

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

Vogelsoort

Aantal gebieden

Landelijke doelstelling populatie

Populatie Haringvliet

Relatieve bijdrage*

Besluit

A005 Fuut (a);(i)

24

10.900

160

f, C

conform ontwerp

A017 Aalscholver (g)

26

24.500

240

sf, C

conform ontwerp

A026 Kleine zilverreiger (g)

6

140

3

sf, B1

doel toegevoegd

A034 Lepelaar (g)

22

1.225

160

f, B2

conform ontwerp

A037 Kleine zwaan (b)

29

4.820

behoud

sf

conform ontwerp

A041 Kolgans (g);(h)

36

218.300

400

sf, C

conform ontwerp

A042 Dwerggans (k)

5

100 j

20 (max)

sf, A1

conform ontwerp

A043 Grauwe gans (g);(h)

31

86.300

6.600

sf, B2

conform ontwerp

A045 Brandgans (g);(h)

26

140.900

14.800

sf, B2

conform ontwerp

A048 Bergeend (g)

14

48.900

820

f, C

conform ontwerp

A050 Smient (g);(h)

45

258.200

8.900

sf, B1

conform ontwerp

A051 Krakeend (g);(h)

35

10.200

860

f, B2

conform ontwerp

A052 Wintertaling (d)

24

21.000

770

f, B1

conform ontwerp

A053 Wilde eend (g)

13

128.000

6.100

f, B1

conform ontwerp

A054 Pijlstaart (c)

25

7.850

30

f, C

conform ontwerp

A056 Slobeend (g);(i)

38

5.750

90

f, C

conform ontwerp

A061 Kuifeend (c);(i)

21

75.700

3.600

f, B1

conform ontwerp

A094 Visarend (g)

5

110 j

3 (max)

f, B1

conform ontwerp

A103 Slechtvalk (g)

6

180 j

8 (max)

f, B1

conform ontwerp

A125 Meerkoet (g);(i)

23

89.700

2.300

f, B1

conform ontwerp

A132 Kluut (c);(i)

17

9.510

160

f, C

conform ontwerp

A140 Goudplevier (f)

11

32.300

1.600

f, B1

conform ontwerp

A142 Kievit (c)

11

75.500

3.700

sf, B1

conform ontwerp

A156 Grutto (e)

23

6.000

290

sf, B1

conform ontwerp

A160 Wulp (g)

17

101.100

210

sf, C

conform ontwerp

* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf). Relatieve bijdrage is alleen berekend als het landelijke doel en het gebiedsdoel beide zijn gebaseerd op dezelfde waarde (óf seizoensmaximum óf seizoensgemiddelde).

  • (a)

    Fuut: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd voor deze soort vanwege slechte stuurbaarheid van vermoedelijke oorzaken (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • (b)

    Kleine zwaan: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd. De recente afname is verbonden aan een afname op internationaal niveau en mogelijk aan enkele andere slecht stuurbare factoren (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • (c)

    Pijlstaart, kuifeend, kluut en kievit: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soorten geformuleerd, omdat deze staat van instandhouding alleen gebaseerd is op toekomstverwachting (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • (d)

    Wintertaling: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect populatie is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soort geformuleerd. De staat van instandhouding is gebaseerd op een populatie-afname die niet leidt tot een waarde van minder dan 75% van de draagkrachtindicatie (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • (e)

    Grutto: de grutto heeft landelijk een opgave voor uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied. Aangezien deze opgave niet te realiseren is binnen het Natura 2000-netwerk is in alle gebieden een behoudsopgave voor de grutto geformuleerd (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • (f)

    Goudplevier: de goudplevier heeft landelijk een opgave voor uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied. De verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied is niet zichtbaar in de trend, deze laat een toename zien binnen het Natura 2000-netwerk. Dit betreft echter minder dan de helft van de Nederlandse vogels en is een gevolg van verschuivingen in de ligging van de pleisterplaatsen. Incidentele tellingen buiten het monitoringsnetwerk suggereren dat de kwaliteit van het leefgebied buiten het Natura 2000-netwerk is afgenomen. Herstelopgaven binnen het netwerk zijn in dit licht niet geformuleerd (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • (g)

    Aalscholver, kleine zilverreiger, lepelaar, kolgans, grauwe gans, brandgans, bergeend, smient, krakeend, wilde eend, slobeend, visarend, slechtvalk, meerkoet en wulp: de staat van instandhouding van de soort is beoordeeld als “gunstig”51.

  • (h)

    Kolgans, grauwe gans, brandgans, smient en krakeend: enige afname landelijk veroorzaakt door extensivering van landgebruik (onder andere door natuurontwikkeling) is aanvaardbaar.

  • (i)

    Fuut, slobeend, kuifeend, meerkoet en kluut: enige afname landelijk als gevolg van herstel van zout-zoet overgangen is aanvaardbaar.

  • (j)

    Dwerggans, visarend en slechtvalk: de landelijke instandhoudingdoelstellingen voor deze soorten zijn gebaseerd op het gemiddelde seizoensmaximum over de periode 1999/2000-2003/2004.

  • (k)

    Dwerggans: de staat van instandhouding voor het aspect “populatie” is ten opzichte van het Natura 2000 doelendocument gewijzigd van “gunstig” naar “zeer ongunstig” omdat de gunstige referentiewaarde52 niet wordt gehaald. Dit betekent dat de totaalbeoordeling van de landelijke staat van instandhouding als “zeer ongunstig” moet worden aangemerkt. De landelijke doelstelling (“behoud”) is echter niet gewijzigd omdat toename van de populatie geheel afhankelijk is van omstandigheden buiten Nederland (met name in het Zweedse broedgebied). De beschikbaarheid van leefgebied (c.q. voedselgebieden en slaapplaatsen) in het Nederlandse overwinteringsgebied is geen beperkende factor. Bovendien is van een herstelopgave geen sprake omdat het een recent ontstane (geherintroduceerde) populatie betreft. Van nature volgen de Scandinavische dwergganzen een zuidelijke tot zuidoostelijke trekroute naar de Oost-Europese overwinteringsgebieden.

Appendix

Toelichting op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Haringvliet gebruikt zijn.

Onderstaande paragrafen zijn afkomstig uit de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.

3. Gebiedsbeschrijving, aanduiding leefgebied en begrenzing
3.2 Aanduiding leefgebied

Het Haringvliet is aangewezen als Speciale Beschermingszone onder de Vogelrichtlijn vanwege de aanwezigheid van uitgestrekt open water met oeverzones en platen die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de Richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als broed-, rui-, overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van de Beschermingszone is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat in samenhang met SBZ Voordelta, SBZ Voornes Duin, SBZ Kwade Hoek, SBZ Hollands Diep en SBZ Oudeland van Strijen, voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten.

Het onderhavige gebied is tevens aangewezen als watergebied van internationale betekenis onder de Wetlands-Conventie vanwege het voorkomen van kwetsbare of bedreigde soorten of gemeenschappen (criterium 2) en het voorkomen van belangrijke aantallen watervogels (criterium 5, 6).

4. Vogelkundige- en wetlandwaarden
4.1 Kwalificerende vogelsoorten

Het Haringvliet kwalificeert als Speciale Beschermingszone onder de Vogelrichtlijn vanwege het voorkomen van drempeloverschrijdende aantallen van Lepelaar53, Grauwe Gans, Brandgans, Krakeend, Smient en Visdief die het gebied benutten als broed-, rui-, overwinteringsgebied en/of rustplaats. Het gebied kan hierdoor tevens worden aangemerkt als watergebied van internationale betekenis zoals bedoeld in de Wetlands-Conventie (criterium 6). Bovendien behoort het gebied tot één van de vijf belangrijkste broedgebieden dan wel pleisterplaatsen voor Kleine Zilverreiger, Lepelaar, Brandgans, Visdief en Blauwborst in Nederland.

Haringvliet wordt verder aangemeld als watergebied van internationale betekenis onder de Wetlands-Conventie vanwege het geregeld voorkomen van minstens 20.000 watervogels (criterium 5).

Soorten van Bijlage I waarvoor het gebied tot "een van vijf belangrijkste" in Nederland behoort

Soort

Art. 4

Brva

Totale populatieb

% in 5ec

% in SBZ d

Telperiode

Kleine Zilverreiger Egretta garzetta

1

nee

100+

7,8%

9%

1994-97

Lepelaar Platalea leucorodia

1

nee

3 000

7,3%

7,5%

1994-96

Brandgans Branta leucopsis

1

nee

180 000

11,4%

13,0%

1993-97

Visdief Sterna hirundo

1

ja

17 200

5,6%

5,6%

1993-97

Blauwborst Luscinia svecica

1

ja

6 500

2,7%

3,7%

1993-97

Soorten van Bijlage I en trekkende watervogelsoorten waarvoor het gebied aan de 1%-drempel voldoet

Soort

Art. 4

Brva

Biogeogr. Populatiee

1% Biopopf

% in SBZg

Telperiode

Lepelaar Platalea leucorodia

1

nee

Oost-Atlantische

30

7,5%

1994-96

Grauwe Gans Anser anser

2

nee

NW/ZW- Europa

2 000

3,1%

1993-97

Brandgans Branta leucopsis

1

nee

Rusland-Nederland

1 800

13,0%

1993-97

Krakeend Anas strepera

2

nee

NW-Europa

300

5,0%

1993-97

Smient Anas penelope

2

nee

W-Siberië/NW-Europa

12 500

1,5%

1993-97

Visdief Sterna hirundo

1

ja

Zuid-/West-Europa

600 bp

1,6%

1993-97

  • (a)

    De kwalificatie betreft in het gebied broedende vogels (indien ingevuld met "ja") of niet-broedende vogels ("nee")

  • (b)

    Omvang van de Nederlandse broedpopulatie (in paren, broedvogels) of betreffende biogeografische populatie (niet-broedvogels); Kleine Zilverreiger landelijke populatie (minimum aantal)

  • (c)

    Aantal in het op vier na belangrijkste gebied (5e gebied) uitgedrukt als percentage van de landelijke broedpopulatie/biogeografische populatie

  • (d)

    Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke broedpopulatie/biogeografische populatie

  • (e)

    Biogeografische populatie waartoe de in Nederland pleisterende exemplaren van deze soort worden gerekend

  • (f)

    Drempelwaarde zijnde 1% van de betreffende biografische populatie (biografische populatie en drempelwaarde ontleend aan Rose & Scott 1997, Waterfowl Population Estimates – 2nd edition. Wetlands International, Wageningen; broedvogels (paren) zie notitie "Selectie en begrenzing Vogelrichtlijngebieden", bijlage 2B)

  • (g)

    Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie

4.2 Andere relevante soorten

Andere soorten van Bijlage I waarvoor het gebied van betekenis is, zijn (broedvogels) Bruine Kiekendief, Zwartkopmeeuw, Dwergstern en Kluut; (niet-broedvogels) Kleine Zwaan, Visarend, Slechtvalk, Kluut en Goudplevier. Andere trekkende vogelsoorten waarvoor het gebied van betekenis is als broedgebied, overwinteringsgebied en/of rustplaats: Fuut, Aalscholver, Kolgans, Bergeend, Wintertaling, Wilde Eend, Pijlstaart, Slobeend, Kuifeend, Toppereend, Meerkoet, Kievit, Strandplevier, Grutto, Wulp en Dwergmeeuw. De oeverlanden zijn van belang als broedgebied voor de Rietzanger (trekvogel opgenomen in de nationale lijst van met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende soorten). De biotopen van deze vogels hebben mede de begrenzing van dit gebied bepaald.

4.3 Plaatselijke omstandigheden

Lepelaars, die onder meer afkomstig zijn uit de nabijgelegen broedkolonie in SBZ Voornes Duin, pleisteren in het gebied vooral op de Scheelhoek en de Ventjagersplaten. Kluut, Strandplevier, Zwartkopmeeuw, Visdief en Dwergstern nestelen voornamelijk op diverse eilanden in het westelijk deel (o.a. Slijkplaat, eilanden Scheelhoek). Deze Visdieven foerageren vooral in SBZ Voordelta. Moerasvogels als Bruine Kiekendief, Blauwborst en Rietzanger nestelen verspreid langs de oevers van het Haringvliet. Op de Ventjagersplaten bevindt zich een broedkolonie van Aalscholvers. Vogels vanuit deze kolonie maar ook uit de grote kolonie in SBZ Voornes Duin foerageren verspreid in het gehele gebied (evenals Fuut en Dwergmeeuw). Aalscholvers hebben ook een rustplaats op de Slijkplaat, vanwaar ook in SBZ Voordelta wordt gefoerageerd. In de meeste jaren zijn de Ventjagersplaten 's zomers in gebruik als ruiplaats voor de Bergeend, alsmede Grauwe Gans, Krakeend en Kuifeend. Kievit en Goudplevier gebruiken de grazige oeverlanden als voedselgebied en rustplaats. Toppereenden afkomstig uit SBZ Voordelta rusten in het westelijk deel van het Haringvliet. Kleine Zilverreiger, de zwemeenden (Wilde Eend, Pijlstaart, Slobeend, Wintertaling) en de Meerkoet houden zich (vooral) op in de oeverzones. In het gebied bevinden zich diverse slaapplaatsen van ganzen54 (o.a. Slijkplaat, Korendijkse Slikken, Ventjagersplaten) die in de oeverlanden en op de omringende cultuurgronden foerageren (o.a. SBZ Oudeland van Strijen). Ook de Smient zoekt voedsel in de oeverlanden en rust op het open water van het Haringvliet. Slechtvalk en Visarend worden in het winterseizoen of trektijd verspreid over het gebied aangetroffen; eerstgenoemde twee soorten vooral in de buurt van watervogelconcentraties langs de oevers.

Bijlage Gebiedsbegrenzingen

LEGENDA:

Artikel

Noemer

Indicatief/exact

GIO-id55

1, eerste lid

Haringvliet – Habitatrichtlijngebied

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2024/N2000_Haringvliet_HR/nld@2024‑07‑01

2, eerste lid

Haringvliet – Vogelrichtlijngebied

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2024/N2000_Haringvliet_VR/nld@2024‑07‑01

3, tweede lid

Natura 2000-gebied Haringvliet

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2024/N2000_Haringvliet_N2000/nld@2024‑07‑01

Toelichting bij vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Haringvliet

1. Vaststelling nieuwe tekst

Dit besluit betreft de vaststelling van een nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit voor het Habitatrichtlijngebied Haringvliet, het Vogelrichtlijngebied Haringvliet en het Natura 2000-gebied Haringvliet, maar nu gepubliceerd met behulp van de nieuwe digitale standaard voor officiële publicaties: de Standaard Officiële Publicaties (STOP). Het besluit wordt inhoudelijk ongewijzigd vastgesteld. Dit aanwijzingsbesluit is de bijlage bij dit besluit. De nieuwe tekst is enkel een redactionele aanpassing, en brengt geen wijziging met enig rechtsgevolg met zich ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De reden voor de vaststelling van deze nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit is, dat in het kader van de Omgevingswet wordt overgegaan op nieuwe digitale standaarden voor de vormgeving van besluiten.

2. Procedure

Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond van artikel 16.25a van de Omgevingswet niet van toepassing, omdat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het betreft geen wijzigingen die leiden tot een andere inhoudelijke reikwijdte dan het geldende aanwijzingsbesluit voor dit gebied: er is geen sprake van wijzigingen van de geldende begrenzing of van instandhoudingsdoelstellingen. De tekst betreft enkel een redactionele aanpassing. In zoverre is dus ook geen sprake van zelfstandige rechtsgevolgen ten opzichte van het geldende besluit. Belanghebbenden die menen dat er wel sprake is van relevante wijzigingen en nieuwe rechtsgevolgen, kunnen evenwel met een bezwaarschrift eventuele bedenkingen tegen het besluit naar voren te brengen en de beslissing op het bezwaarschrift in een beroepsprocedure door de bestuursrechter laten toetsen.

3. Inwerkingtreding

Omdat met dit besluit de inhoud ongewijzigd blijft, kan het meteen de dag na publicatie inwerking treden.

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze:

w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum: 10 december 2024

  • 1

    Dit betreft een geconsolideerde versie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, inclusief wijzigingen die sindsdien op de Richtlijn van toepassing zijn. Met uitzondering van de bijlagen en verwijzingen is de tekst van de Richtlijn inhoudelijk niet gewijzigd. Terug naar link van noot.

  • 2

    Beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen 2004/813/EG van 7 december 2004 tot vaststelling, op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio

    (PB EU 2004, L 387/1).

    Ten tijde van het nemen van het oorspronkelijke besluit op 4 juli 2013 was deze vervangen door het Uitvoeringsbesluit van de Commissie 2013/26/EU van 16 november 2012 tot vaststelling van een zesde bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (PbEU 2013, L 24/ 379). Terug naar link van noot.

  • 3

    Uitvoeringsbesluit van de Commissie 2015/72/EU van 3 december 2014 tot vaststelling van een achtste bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (PbEU 2015, L 18/ 385). Terug naar link van noot.

  • 4

    Beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 december 2004 tot vaststelling, op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (2004/813/EG). PB EU 2004, L 387/1.

    Laatstelijk vervangen door Uitvoeringsbesluit van de Commissie 2015/72/EU van 3 december 2014 tot vaststelling van een achtste bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (PbEU 2015, L 18/ 385). Terug naar link van noot.

  • 5

    Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 6

    Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 7

    De begrenzingsmethodiek is verder uitgewerkt in het Gebiedendocument (2004). Terug naar link van noot.

  • 8

    Hof van Justitie EG, 7 november 2000, First Corporate Shipping, zaak C-371/98, punten 16 en 25. Terug naar link van noot.

  • 9

    De wijze van begrenzing van Vogelrichtlijngebieden is toegelicht in de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.

  • 10

    Beschikking van de Commissie 2004/813/EG van 7 december 2004 tot vaststelling op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (Pb 29‑12‑2004, L 387/1). Terug naar link van noot.

  • 11

    Conform artikel 15 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Stb. 2004, 31) is dit besluit, wat betreft de kadastrale percelen die geheel of gedeeltelijk binnen het aangewezen gebied zijn gelegen, in de kadastrale registratie als beperking ingeschreven. Terug naar link van noot.

  • 12

    Uitvoeringsbesluit (EU)2018/40 van de commissie van 12 december 2017 tot vaststelling van een elfde bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 8253), Publicatieblad van de Europese Unie L 15/125 19.1.2018). Terug naar link van noot.

  • 13

    Ten opzichte van de oorspronkelijke aanmelding (2003) is de oppervlakte van het Natura 2000-gebied Haringvliet gewijzigd van 11.108 ha in 11.118 ha volgens de elfde bijgewerkte lijst van gebieden (2018). Terug naar link van noot.

  • 14

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 15

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 16

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 17

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 18

    Habitattypen waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: slijkgrasvelden (H1320) en ruigten en zomen, moerasspirea (H6430A) en ruigten en zomen, droge bosranden (H6430C). Terug naar link van noot.

  • 19

    De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.

  • 20

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 21

    Soorten waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: zeeprik (H1095), elft (H1102), zalm (H1106), bittervoorn (H1134) en kleine modderkruiper (H1149). Voor de platte schijfhoren (H4056) zijn geen gebieden geselecteerd omdat de soort bij de uitbreiding van de EU in 2004 is toegevoegd aan bijlage II. Terug naar link van noot.

  • 22

    De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.

  • 23

    Het Natura 2000-landschap van het gebied waarop dit besluit betrekking heeft staat vermeld in paragraaf 3.2 van deze nota van toelichting. Terug naar link van noot.

  • 24

    SOVON (2000): Belangrijke vogelgebieden in Nederland 1993-97. SOVON-informatierapport 2000/01. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 25

    Ministerie van LNV (2000): Nota van Antwoord Vogelrichtlijn, bijlage 1, selectiecriteria en methode van begrenzing. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 26

    SOVON & CBS (2005): Trends van vogelaantallen in het Nederlandse Natura 2000 netwerk. SOVON-informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 27

    Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 17 maart en 29 december 2004, zaaknummers 200305428/1 en 200408181/1. Terug naar link van noot.

  • 28

    Destijds bekend als Ilperveld/Oostzanerveld/Varkensland. Terug naar link van noot.

  • 29

    Destijds bekend als Friese IJsselmeerkust. Terug naar link van noot.

  • 30

    De landelijke doelomschrijving in deze paragraaf beperkt zich in principe tot behoud/uitbreiding oppervlakte (of omvang leefgebied) en behoud/verbetering kwaliteit (leefgebied), in geval van soorten en vogels aangevuld met het doel voor behoud/uitbreiding populatie. Voor de volledige formulering van de landelijke doelen inclusief toelichting wordt verwezen naar het Natura 2000 doelendocument (2006). Terug naar link van noot.

  • 31

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 32

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 33

    Landelijk doel gewijzigd: Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Oude Maas (Stcrt. 2011, 4458). Terug naar link van noot.

  • 34

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 35

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 36

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 37

    Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden Waddenzee, Duinen en Lage Land Texel, Duinen Terschelling en Noordzeekustzone (Stcrt.2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 38

    Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden Waddenzee, Duinen en Lage Land Texel, Duinen Terschelling en Noordzeekustzone (Stcrt.2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 39

    Wijzigingsbesluit Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe (Stcrt. 2012, 19571). Terug naar link van noot.

  • 40

    Het doelniveau in Oosterschelde zal in een toekomstige wijziging van het besluit van 16 februari 2010 (Stcrt. 2010, 2212), waarmee de Oosterschelde als Natura 2000-gebied is aangewezen, worden aangepast. Terug naar link van noot.

  • 41

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 42

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 43

    Wijzigingsbesluit Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe (Stcrt. 2012, 19571). Terug naar link van noot.

  • 44

    In de peilperiode 1999-2003 100% in aangewezen gebieden maar in 2006 6% broedpopulatie in nieuwe kolonie in Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel (002) waarvoor geen gebiedsdoel is gesteld. Terug naar link van noot.

  • 45

    Aarts et al., (2008). Trendinformatie en referentiewaarden voor Nederlandse kustvogels. Wageningen. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 79. (Beek-Ubbergen, SOVON Vogelonderzoek Nederland, SOVON-informatierapport 2008/06). Terug naar link van noot.

  • 46

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 47

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 48

    Boer, T. den (2000): Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004. Rapport Directie Natuurbeheer nr.47. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Wageningen. Terug naar link van noot.

  • 49

    Voorbeeld voor een seizoen met de volgende telresultaten (juli-juni): 0, 0, 0, 100, 100, 200, 100, 100, 0, 0, 0, 0. Het seizoensmaximum bedraagt in dit geval 200, het seizoensgemiddelde 50 (som van alle maandcijfers gedeeld door 12). Terug naar link van noot.

  • 50

    Landelijke doelstelling gewijzigd: Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 51

    De beschreven staat van instandhouding van de meerkoet wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Op basis van de stabiele trend in de afgelopen 3 decennia is er geen sprake van een ongunstige staat van instandhouding op het aspect populatie. Zie het Natura 2000 profielendocument (2008). Terug naar link van noot.

  • 52

    Gunstige referentiewaarden zijn voor vogels (nog) niet bepaald maar de populatiegrootte ligt ver onder het absolute minimum van 1.000 voortplantende exemplaren (de Zweedse broedpopulatie bedraagt minder dan 100 voortplantende exemplaren). Populaties van minder dan 1.000 hebben een hoge uitsterfkans (Red List Category “Vulnerable”, IUCN 2004. Terug naar link van noot.

  • 53

    Onderstreepte soorten zijn opgenomen in Bijlage I van de Richtlijn (artikel 4.1). Terug naar link van noot.

  • 54

    De slaapplaatsfunctie van het gebied voor ganzen wordt onderschat omdat de tellingen overdag zijn verricht (vgl. Vogelconcentraties en vogelbewegingen in Zeeland (Mostert et al. 1990, Rijkswaterstaat, Middelburg)). Terug naar link van noot.

  • 55

    Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_waterkwaliteit/nld@2019‑11‑01). Terug naar link van noot.

Naar boven