Vaststelling nieuw tekst aanwijzingsbesluit Hollands Diep

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206); Gelet op artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet;

Besluit:

Artikel 1

De nieuwe tekst van het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 4 juli 2013, nr. PDN 2013-111 (Stcrt. 2013, 24454), houdende de aanwijzing van het Habitatrichtlijngebied Hollands Diep, het Vogelrichtlijngebied Hollands Diep en het Natura 2000-gebied Hollands Diep, wordt vastgesteld zoals weergegeven in de bijlage “Aanwijzingsbesluit Hollands Diep” bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze,

w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum: 5 december 2024

Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, t.a.v. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. de afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE, Zwolle.

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:

  • a)

    de naam en het adres van de indiener;

  • b)

    de dagtekening;

  • c)

    een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en

  • d)

    de gronden van bezwaar.

Meer informatie over Natura 2000 en gerelateerde onderwerpen vindt u op de website https://www.rijksoverheid.nl/natura2000. Voor vragen over Natura 2000 kunt u op werkdagen van 8.30 uur tot 16.30 uur contact opnemen met het klantcontactcentrum van RVO, telefoon 088 - 042 42 42 (lokaal tarief).

Bijlage bij artikel 1

Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Hollands Diep

Artikel 1 Aanwijzing Hollands Diep - Habitatrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing het gebied Hollands Diep.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire habitattypen aangeduid met een sterretje (*)):

    H3270

    Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodietum rubri p.p. en Bidention p.p

    H6430

    Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones

    H91E0

    *Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire soorten aangeduid met een sterretje (*)):

    H1095

    Zeeprik (Petromyzon marinus)

    H1099

    Rivierprik (Lampetra fluviatilis)

    H1102

    Elft (Alosa alosa)

    H1103

    Fint (Alosa fallax)

    H1106

    Zalm (Salmo salar)

    H1134

    Bittervoorn (Rhodeus amarus)

    H1145

    Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis)

    H1149

    Kleine modderkruiper (Cobitis taenia)

    H1337

    Bever (Castor fiber)

    H1340

    *Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola)

Artikel 2 Aanwijzing Hollands Diep - Vogelrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU L 20)1 wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Hollands Diep.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A034

    Lepelaar (Platalea leucorodia)

    A045

    Brandgans (Branta leucopsis)

    A132

    Kluut (Recurvirostra avosetta)

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A041

    Kolgans (Anser albifrons)

    A043

    Grauwe gans (Anser anser)

    A050

    Smient (Anas penelope)

    A051

    Krakeend (Anas strepera)

    A053

    Wilde eend (Anas platyrhynchos)

    A061

    Kuifeend (Aythya fuligula)

Artikel 3 Aanwijzing Natura 2000-gebied Hollands Diep

  • 1.

    Deze aanwijzing gaat vergezeld van een nota van toelichting met bijlagen, die integraal deel uitmaakt van deze aanwijzing.

  • 2.

    De in de artikelen 1 en 2 genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Hollands Diep.

Artikel 4 Exclaveringsformule

  • 1.

    Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting wordt afgeweken. Hiervoor gelden de peildata, genoemd in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:

    • a.

      bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • b.

      bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond;

    • c.

      gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

    • d.

      erven: onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terreinen;

    • e.

      tuinen: in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terreinen, beplant met siergewassen en gazons, of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving en veelal, omheind zijn door middel van een afrastering, schutting, muur of haag of geheel of gedeeltelijk zijn omgeven door een sloot;

    • f.

      verhardingen: kunstmatige verhardingen zoals verharde wegen, pleinen, parkeervoorzieningen, erfverhardingen en steenglooiingen met inbegrip van in wegen liggende bruggen en duikers en de tot wegen behorende paden en bermen of zijkanten;

    • g.

      hoofdspoorweg: op grond van artikel 2 van de spoorwegwet als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg. Voor de begrenzing langs hoofdspoorwegen geldt artikel 3.5 van het omgevingsbesluit (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur).

Artikel 5 Instandhoudingsdoelstellingen Habitatrichtlijn: habitattypen en soorten

Artikel 6 Instandhoudingsdoelstellingen Vogelrichtlijn: broedvogels en niet-broedvogels

  • 1.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels van de soorten, bedoeld artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.

  • 2.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor niet-broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.6 van de nota van toelichting.

Bijlage Nota van toelichting

1. INLEIDING

Het gebied Hollands Diep is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna Habitatrichtlijn) en als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 2009/147/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna de Vogelrichtlijn). Tezamen vormen deze speciale beschermingszones het Natura 2000-gebied Hollands Diep. Het besluit bevat de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.

Artikel 1 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Habitatrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de habitattypen en habitatrichtlijnsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 2 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Vogelrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 3 van het besluit introduceert de nota van toelichting en benadrukt dat het besluit niet te lezen is zonder de nota van toelichting. Daarnaast wordt in dit deel van het besluit het Natura 2000-gebied Hollands Diep gevormd uit het Habitatrichtlijngebied en het Vogelrichtlijngebied.

Artikel 4 van het besluit regelt de uitgezonderde delen van de in artikel 1 en artikel 2 aangewezen gebieden.

Artikel 5 en artikel 6 van het besluit bepalen dat er voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen verwezenlijkt dienen te worden. De doelstelling van artikel 5 heeft betrekking op de in artikel 1 opgesomde soorten en habitattypen. De soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanmelding van de habitatrichtlijngebieden in 2003. De doelstelling van artikel 6 heeft betrekking op de in artikel 2 opgesomde vogelsoorten. De vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden in 2000.

In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting worden de aanwijzingen op grond van de Habitat- en Vogelrichtlijn kort toegelicht.

Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een gebiedsbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op eventuele grenswijzigingen die zijn doorgevoerd nadat het gebied bij de Europese Commissie is aangemeld of die zijn doorgevoerd nadat het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 de bij dit besluit behorende begrenzing toegelicht.

In hoofdstuk 4 wordt een opsomming gegeven van habitattypen en soorten waaraan het gebied zijn betekenis ontleent.

In hoofdstuk 5 worden de algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en worden de specifieke instandhoudingsdoelstellingen, genoemd in artikel 5 en 6, nader toegelicht. Er wordt aangegeven in welke richting de instandhoudingsdoelstelling zich zal moeten ontwikkelen. Daarvoor worden de termen “behoud”, “uitbreiding” en “verbetering” gebruikt. Voor een habitattype wordt de verdeling gemaakt in oppervlakte en kwaliteit, zodat de aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een habitattype altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de oppervlakte en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit wordt gegeven. Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit van het leefgebied. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang van het leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van “behoud” of “uitbreiding” van de populatie.

Bij de nota van toelichting is een bijlage A gevoegd met illustraties van grenswijzigingen indien van toepassing; die illustraties laten eventueel zien welke terreindelen na de eerste aanwijzing zijn vervallen of zijn toegevoegd als onderdeel van de speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Anders dan de andere bijlagen bij de toelichting maakt bijlage A geen integraal onderdeel uit van dit besluit, aangezien er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet enkel nog rechten worden verleend aan de geometrische begrenzing.

Bijlage B omvat een nadere onderbouwing van de wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.

2. AANWIJZINGEN HABITAT- EN VOGELRICHTLIJN

Artikel 1 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Hollands Diep als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn (verder aangeduid als “Habitatrichtlijngebied”). Het gebied is in mei 2003 aangemeld volgens de procedure zoals opgenomen in artikel 4 van deze Richtlijn, waarna het gebied in december 2004 door de Europese Commissie onder de naam “Hollands Diep (oeverlanden)” en onder nummer NL2003021 is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio.2

Artikel 2 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Hollands Diep als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (verder aangeduid als “Vogelrichtlijngebied”). Het gebied is op 24 maart 2000 (N/2000/321) aangewezen. Bij de Europese Commissie is dit gebied bekend onder nummer NL9802019. In een beslissing op bezwaar is de begrenzing bij besluit van 9 januari 2003 (TRCJZ/2002/5724) aangepast en is bovendien de nota van toelichting van 2000 vervangen. De bestaande Vogelrichtlijnbesluiten N/2000/321 en TRCJZ/2002/5724 zijn door middel van dit besluit gewijzigd.

Artikel 3 van dit besluit voorziet in de samenvoeging van de speciale beschermingszones tot één Natura 2000-gebied: Hollands Diep (landelijk gebiedsnummer 111).

Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en onder de Vogelrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen, habitats van soorten en de leefgebieden van vogels in een gunstige staat van instandhouding behouden of, in voorkomend geval, herstellen. De instandhoudingsdoelstellingen (artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5) en de begrenzing zijn in algemene zin nader toegelicht in het Natura 2000 doelendocument (2006)3. Dit document geeft het beleidskader van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen weer en van de daarbij gehanteerde systematiek. Beschrijvingen van habitattypen en (vogel)soorten waarvoor doelen zijn vastgesteld, zijn opgenomen in het Natura 2000 profielendocument (2008)4.

Het Natura 2000-gebied Hollands Diep ligt in de provincies Noord-Brabant en Zuid-Holland en behoort tot het grondgebied van de gemeenten Moerdijk, Cromstrijen, Dordrecht, Oostflakkee en Strijen.

3. GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEGRENZING

3.1 Gebiedsbeschrijving

Het Hollands Diep is een voormalig estuarium dat deel uitmaakt van de delta van Rijn en Maas, die respectievelijk via de Boven-Merwede en de Amer hun water afvoeren naar het Hollands Diep. Het laatste traject naar de zee wordt gevormd door het Haringvliet, dat in november 1970 zijn open verbinding met de zee verloor door sluiting van de Haringvlietdam. Het peil op het Hollands Diep wordt beïnvloed door de Haringvlietsluizen en de bovenstroomse stuwen. Na afsluiting van het Haringvliet is het Hollands Diep snel zoet geworden.

Midden in het Hollands Diep ligt een baggerspeciedepot met bosschages. Het gedeelte van het gebied dat onder de Habitatrichtlijn is aangewezen, betreft een aantal platen en gorzen op de noordoever van het Hollands Diep. De Esscheplaat, Zeehondenplaat en Sasseplaat bestaan voor het grootste deel uit getijdengrienden en vloedbossen (doorgeschoten grienden), die in het verleden onder invloed stonden van het getij. De Oosterse slobbengorzen zijn voormalige slikken en platen, riet- en grasgorzen en grienden. De Hoogezandsche Gorzen zijn buitendijkse grasgorzen.

3.2 Landschappelijke context en kenmerken begrenzing

Hollands Diep behoort tot het Natura 2000-landschap “Rivierengebied”.

De ligging van de habitattypen en van de leefgebieden van de soorten (paragraaf 4.4) waarvoor het gebied is aangewezen, vormt het uitgangspunt voor de begrenzing van de Habitatrichtlijngebieden. Dit is inclusief terreindelen die van mindere kwaliteit zijn. Daarnaast omvat het begrensde gebied ook natuurwaarden die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren, alsmede terreindelen die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen5.

Bij de keuze en de afbakening van de gebieden is geen rekening gehouden met andere vereisten dan die verband houden met de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna6.

De grenzen van Vogelrichtlijngebieden worden bepaald door het gebruik dat de aanwezige bijlage I-soorten, en/of trekkende watervogels, en/of overige trekkende vogels ervan maken, waarbij wordt uitgegaan van landschapsecologische eenheden en de biotoopeisen van de betrokken vogelsoorten.

Het Hollands Diep is aangewezen als Vogelrichtlijngebied vanwege de aanwezigheid van een uitgestrekt open water met oever-zones die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de Richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat in samenhang met de Vogelrichtlijngebieden Haringvliet, Krammer-Volkerak, Biesbosch en Oudeland van Strijen voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten7.

3.3 Geometrische begrenzing en oppervlakte

De geometrische begrenzing van het Natura 2000-gebied Hollands Diep is weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage Gebiedsbegrenzingen. Voor zover van toepassing is daarbij onderscheid gemaakt tussen de begrenzingen van Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. Het Vogelrichtlijngebied omvat het open water van het Hollands Diep, het eiland Sassenplaat, de aangrenzende oeverlanden (onder andere Oostersche Slobbegorzen, Hoogezandsche Gorzen, Esscheplaat, Zeehondenplaat, Sasseplaat, Willemspolder, Riet- en Biezenveld Buitengorzen) en de APL-Polder (Albertpolder, Pieters- en Leendertspolder). Het Habitatrichtlijngebied omvat alleen de oeverlanden en oeverzone aan de noordzijde van het Hollands Diep (inclusief APL-Polder en Polder de Oostersche Bekade Gorzen).

Het Natura 2000-gebied beslaat een totale oppervlakte van ongeveer 4.225 ha, waarvan ongeveer 590 ha onder beide richtlijnen is aangewezen. Deze cijfers betreffen bruto-oppervlakten omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met in de geometrische begrenzing, tekstueel uitgesloten delen (zie artikel 4 en hierna).

Voor de begrenzing van Natura 2000-gebieden geldt de volgende exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, tuinen, erven, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken. Voor de gebruikte begrippen gelden de definities (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied) zoals die omschreven zijn in artikel 4. Daar waar de geometrische begrenzing en de exclaveringsformule niet overeenstemmen, is de exclaveringsformule doorslaggevend.

Voor de toepassing van de begrenzing en de exclaveringsformule van artikel 4 gelden er peildata:

  • 24 maart 2000 en 9 januari 2003 voor de gebiedsdelen die zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied.

  • 7 december 2004 voor de gebiedsdelen die geplaatst zijn op de eerste lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio8;

  • 4 juli 2013 voor de gebiedsdelen die met het Natura-2000 aanwijzingsbesluit zijn toegevoegd aan het eerder aangewezen Vogelrichtlijngebied en aangemelde Habitatrichtlijngebied.

De begrenzingen van het Vogelrichtlijngebied en het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) zijn op enkele technische punten verbeterd (2013):

  • Bestaande bebouwing (inclusief erven en tuinen; reeds tekstueel geëxclaveerd) waar geen Natura 2000-waarden voorkomen, is waar mogelijk op grond van kadastrale of topografische lijnen ook buiten de begrenzing gebracht.

  • De begrenzing is waar mogelijk gelegd langs topografisch herkenbare lijnen, zoals wegen, wateren, perceelscheidingen en bosranden.

  • De begrenzing is afgestemd op die van de (voormalige) natuurmonumenten opdat deze geheel binnen het Habitatrichtlijngebied vallen.

  • Waar de grens een waterkerende dijk volgt, is deze ook gelegd op de buitenteen conform de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied (2000).

  • Overlap van 5 meter of minder met kadastrale percelen die grotendeels buiten het gebied zijn gelegen, is gelet op de kadastrale inschrijving9, waar mogelijk beperkt. Dit betekent dat aldaar de kadastrale lijn is aangehouden. Deze werkwijze is alleen gevolgd op plekken waar geen Natura 2000-waarden aanwezig zijn.

Overige wijzigingen van meer dan 1 ha worden in de volgende alinea’s toegelicht.

De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) is op een aantal plaatsen aangepast (2013). De volgende gebiedsdelen zijn toegevoegd:

  • Polder de Oostersche Bekade Gorzen (verworven Deltanatuur, 60 ha) ten behoeve van uitbreiding van het leefgebied van de noordse woelmuis (H1340).

  • Oostersche Slobbegorzen (51 ha, Vogelrichtlijngebied en (voormalig) natuurmonument) ten behoeve van de noordse woelmuis (H1340) en de ontwikkelingskansen voor vochtige alluviale bossen (H91E0A).

  • Hoogezandsche Gorzen (8,8 ha, Vogelrichtlijngebied en (voormalig) natuurmonument). Deel van het natuurmonument was reeds meebegrensd.

  • Buitendijks gebied Hoogezandsche Gorzen tot vooroeververdediging (63 ha, gelijktrekking met Vogelrichtlijngebied). De oeverzone is onder meer van belang voor de habitattypen slikkige rivieroevers (H3270) en ruigten en zomen (H6430).

  • Een perceel ten westen van de Albertpolder (4,8 ha), onderdeel van Oeverlanden Hollands Diep (ook bekend als APL-polders: Albertpolder en de Pieters- en Leendertspolder) waar landbouwgronden zijn omgevormd tot natte natuur. Het grootste deel was reeds onderdeel van het aangemelde Habitatrichtlijngebied.

  • Esscheplaat (39 ha, Vogelrichtlijngebied en (voormalig) natuurmonument; merendeel van dit natuurmonument was reeds meebegrensd).

Verder is het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) op enkele plekken verkleind (2013):

  • Dijk ten oosten van Strijensas (5,2 ha): dit deelgebied omvat geen relevante habitatwaarden en levert geen bijdrage aan de instandhouding van het gebied. De grens wordt hierdoor gelijkgetrokken met die van het Vogelrichtlijngebied.

  • De grens van de APL-Polder (zie boven) is gelegd op de buitenteen van de dijk (Buitendijk) omdat op het (door schapen begraasde) grastalud van de dijk geen relevante waarden voorkomen.

De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is ten opzichte van het ontwerpbesluit op enkele plekken aangepast (zie bijlage A) (2013):

  • Oeverlanden Hollands Diep ten westen van Strijensas (APL-polders; 127 ha), onderdeel van het Habitatrichtlijngebied, zijn toegevoegd met het oog op gelijktrekking met het Habitatrichtlijngebied. De inrichting van deze voormalige landbouwpolders ten behoeve van natte natuur is in 2005 voltooid, en het gebied heeft sindsdien betekenis gekregen voor diverse watervogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen (onder andere lepelaar, grauwe gans, krakeend, kluut). De Oeverlanden zijn daarmee onderdeel geworden van het leefgebied ”open water met oeverzones” waarvoor het Vogelrichtlijngebied is aangewezen (paragraaf 3.2).

  • Polder de Oostersche Bekade Gorzen (uitbreiding Habitatrichtlijngebied, zie boven), is toegevoegd met het oog op gelijktrekking met het Habitatrichtlijngebied. De onderbouwing is overeenkomstig die van de Oeverlanden (kade doorgestoken in oktober 2009; inrichting voltooid in 2010).

  • Bij Willemstad is de grens langs de monding van de jachthaven gelegd op de kadastrale lijn (teruglegging met circa 50 m). Dit is een uitwerking van de tekstuele exclaveringsformule voor (jacht)havens die op het Vogelrichtlijngebied van toepassing was.

  • Tussen de Haringvlietbrug en de Volkeraksluizen is de grens op de oeverlijn gelegd (met uitzondering van de pieren, -6,2 ha) omdat het aanwezige recreatiestrand, de aangrenzende grasvelden en bosschages geen betekenis hebben voor de watervogels waarvoor het gebied is aangewezen.

Het in het ontwerpbesluit aan het Vogelrichtlijngebied toegevoegde bosje aan de westzijde van de Buisleidingsstraat is weer verwijderd als onderdeel van het Vogelrichtlijngebied (-1,5 ha, onderdeel van het kadastrale perceel D459).

4. NATURA 2000-WAARDEN

4.1 Inleiding

In artikel 1 en artikel 2 is een opsomming gegeven van de waarden waaraan het gebied zijn betekenis als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied ontleent. Wat betreft de aanwijzing als Habitatrichtlijngebied wordt in paragrafen 4.2.1 en 4.2.2 een lijst gegeven van de habitattypen (met vermelding van de aanwezige subtypen) en soorten waarvoor het gebied is aangewezen10. Paragraaf 4.2.3 vermeldt de vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen. Op alle vermelde habitattypen en (vogel)soorten is een instandhoudingsdoelstelling van toepassing (zie artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5).

Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 vermeld welke selectiecriteria op het Habitatrichtlijngebied van toepassing zijn en wordt onderbouwd waarom het gebied als Habitatrichtlijngebied is geselecteerd. Van elk habitattype en van elke soort waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet, wordt in bijlage B.3 in tekst en/of tabelvorm de betekenis (relatieve bijdrage) van het gebied afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden die aan de selectiecriteria voldoen. Ten slotte beschrijft paragraaf 4.4 de verspreiding van habitattypen en soorten binnen het gebied, ter onderbouwing van de gevolgde gebiedsbegrenzing van het Habitatrichtlijngebied.

4.2 Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen
4.2.1 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I11)

Het gebied is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitats opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een bijdrage levert aan de instandhouding op landelijk niveau. Ten behoeve van de nationale uitwerking van de Habitatrichtlijn is een deel van de habitattypen verdeeld in subtypen, vanwege de zeer ruime variatie in fysieke omstandigheden en soortensamenstelling. De namen van de habitattypen en daarvan afgeleide subtypen zullen verder met hun verkorte namen worden aangeduid. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H3270

Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodietum rubri p.p. en Bidention p.p.

Verkorte naam Slikkige rivieroevers

H6430

Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones

Verkorte naam Ruigten en zomen

betreft het subtype:

H6430B

Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)

H91E0

*Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)

Verkorte naam Vochtige alluviale bossen

betreft het subtype:

H91E0A

*Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)

4.2.2 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage II12)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een wezenlijke functie in de levenscyclus vervult. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding op landelijk niveau. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H1095

Zeeprik (Petromyzon marinus)

H1099

Rivierprik (Lampetra fluviatilis)

H1102

Elft (Alosa alosa)

H1103

Fint (Alosa fallax)

H1106

Zalm (Salmo salar)

H1134

Bittervoorn (Rhodeus amarus)

H1145

Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis)

H1149

Kleine modderkruiper (Cobitis taenia)

H1337

Bever (Castor fiber)

H1340

*Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola)

4.2.3 Vogelrichtlijn: vogelsoorten (bijlage I en artikel 4.2)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn:

A034

Lepelaar (Platalea leucorodia)

A045

Brandgans (Branta leucopsis)

A132

Kluut (Recurvirostra avosetta)

Verder is het gebied aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen in hun trekzones (artikel 4.2):

A041

Kolgans (Anser albifrons)

A043

Grauwe gans (Anser anser)

A050

Smient (Anas penelope)

A051

Krakeend (Anas strepera)

A053

Wilde eend (Anas platyrhynchos)

A061

Kuifeend (Aythya fuligula)

Wijzigingen ten opzichte van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.2 van deze nota van toelichting.

4.3 Habitatrichtlijn: waarden waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet
4.3.1 Habitattypen (bijlage I)

Voor niet-prioritaire habitattypen opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor habitattypen welke verdeeld zijn in subtypen, geldt een aantal van “drie belangrijkste gebieden” per subtype. Voor prioritaire habitattypen13 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden” en voor subtypen van prioritaire habitattypen een aantal van “vijf belangrijkste gebieden” per subtype. Verdeling in subtypen ten behoeve van de selectie is alleen toegepast indien de subtypen een verschillende verspreiding hebben en de beschikbare gegevens verdeling in subtypen toelaten. Voor enkele verspreid over het land voorkomende habitattypen, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd14. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de aanwezige oppervlakte en zo nodig ook de representativiteit van het habitattype. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding15. In de onderstaande tabel zijn de habitattypen vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitattypen waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3).

Habitattype

Xa

Yb

Landelijke

oppervlakte c

Oppervlakte in Hollands Diep d

Oppervlakte in

Yde gebied e

Selectie bij aanmelding

*H91E0A

5

5

ca. 4.000

B1 (2-6%)

B1 (2-6%)

ja

  • (a)

    Aantal gebieden dat maximaal voor dit habitattype kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot de X belangrijkste gebieden” voor het betreffende habitattype.

  • (b)

    Aantal gebieden dat op grond van de huidige gegevens en omstandigheden zou voldoen aan het onder (a) genoemde selectiecriterium (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin het habitattype is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).

  • (c)

    Geschatte landelijke oppervlakte van het (subtype van het) habitattype in hectaren.

  • (d)

    Oppervlakte in het onderhavige gebied, uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte. (Niet ingevuld indien gebied niet één van de X belangrijkste gebieden is.)

  • (e)

    Oppervlakte van het habitattype in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied. (Niet ingevuld indien niet van belang voor de bepaling van de relatieve betekenis van het gebied, wanneer representativiteit in plaats van oppervlakte doorslaggevend was.)

4.3.2 Soorten (bijlage II)

Voor niet-prioritaire soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor prioritaire soorten16 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden”. Voor enkele verspreid over het land voorkomende soorten, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd17. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de omvang van de aanwezige populatie. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding18. Er zijn geen soorten waarvoor Hollands Diep aan de selectiecriteria voldoet.

4.4 Verspreiding habitattypen en soorten in het Habitatrichtlijngebied

De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Hollands Diep is in het bijzonder bepaald aan de hand van de ligging van habitattypen en leefgebieden van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen (zie verder paragraaf 3.2). De verspreiding van de betreffende habitattypen en soorten binnen het gebied wordt in deze paragraaf globaal beschreven ter onderbouwing van de gevolgde begrenzing. Het is niet bedoeld als een uitputtende beschrijving.

Het habitattype slikkige rivieroevers (H3270) komt op verschillende locaties binnen het gebied voor, onder meer in de omgeving van de Esscheplaat, in de vorm van blauwe waterereprijs en waterpeper. Het habitattype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (H6430B) komt voor op de Zeehondenplaat en verspreid op de oevers direct langs het Hollands Diep in de vorm van rietvelden en natte strooiselruigten. Op de oevers zijn de voormalige grienden doorgeschoten in wilgenbossen behorend tot het habitattypen vochtige alluviale bossen, zachthoutooibossen (H91E0A). Op aantal plekken aan de noordoever komt het habitattype voor in bijzondere kwaliteit met epifytische mossen, bijvoorbeeld op de Esscheplaat.

Het open water van het Hollands Diep behoort tot het leefgebied van de zeeprik (H1095), rivierprik (H1099), elft (H1102), fint (H1103) en de zalm (H1106).

Er zijn onder andere burchten van de bever (H1337) aanwezig op de Sasseplaat, APL-Polder en Polder de Oostersche Bekade Gorzen. De ruigten van het habitattype ruigten en zomen (H6430) vormen samen met extensief begraasde, vochtige graslanden het leefgebied van de noordse woelmuis (H1340) op de noordoever en op de Sassenplaat.

5. INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN

5.1 Inleiding

Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel aan maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Ingevolge artikel 4, vierde lid, Habitatrichtlijn worden bij aanwijzing als Habitatrichtlijngebied “tevens de prioriteiten vast[gesteld] gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat […] of van een soort […] alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging”.

Deze bepaling is in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nader uitgewerkt. Op grond van dit artikel bestaat de verplichting om in een aanwijzing doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van leefgebieden van vogelsoorten dan wel doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten op te nemen. Om die reden zijn voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Voor zover van toepassing is daarbij aangegeven welke habitattypen en/of (vogel)soorten ten koste mogen gaan van andere habitattypen en (vogel)soorten. Bij broedvogelsoorten met een regionale doelstelling is in de toelichting aangegeven wat in een bepaalde periode de minimale en maximale bijdrage van het betreffende gebied aan het regionale doelniveau is geweest.

In bijlage B.4 van deze nota van toelichting is een overzicht opgenomen van alle gebiedsdoelstellingen per habitattype en per (vogel)soort.

Voor de Natura 2000-gebieden zullen in beheerplannen instandhoudingsmaatregelen worden uitgewerkt die beantwoorden aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten van de betrokken natuurlijke habitats en (vogel)soorten.

Als verdere invulling van het stellen van prioriteiten zijn voor de acht onderscheiden Natura 2000- landschappen19 kernopgaven geformuleerd op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, de landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (“richting geven”) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en (vogel)soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (2006).

5.2 Algemene doelen

Behoud en indien van toepassing herstel van:

  • 1.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie;

  • 2.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;

  • 3.

    de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;

  • 4.

    de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

5.3 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I)

H3270

Slikkige rivieroevers

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype slikkige rivieroevers komt op verschillende locaties binnen het gebied Hollands Diep voor. Het type komt onder meer voor in de vorm van de associatie van blauwe waterereprijs en waterpeper (Polygono-Veronicetum anagallidis-aquaticae) en de slijkgroen-associatie (Eleocharito acicularis-Limoselletum).

H6430

Ruigten en zomen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B).

Toelichting

Het habitattype ruigten en zomen komt plaatselijk voor in de vorm van het subtype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B) met soorten als moerasmelkdistel en groot warkruid.

H91E0

*Vochtige alluviale bossen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit vochtige alluviale bossen, zachthoutooibossen (subtype A).

Toelichting

Door het nagenoeg wegvallen van de zoetwatergetijden zijn de vochtige alluviale bossen, zachthoutooibossen (subtype A) in soortenrijkdom aan vaatplanten achteruitgegaan. Het grootste deel van deze bossen ligt te hoog en zal zich op termijn mogelijk tot essen- iepenbossen ontwikkelen. De zachthoutooibossen bevatten epifytische mossen, een bijzondere natuurwaarde, die in het verleden zeer soortenrijk zijn geweest. Geleidelijk is deze soortenrijkdom afgenomen door het donkerder worden van het bos.

5.4 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage II)

H1095

Zeeprik

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

Het Hollands Diep is als doortrekgebied van groot belang en als opgroeigebied van vermoedelijk groot belang. In dit gebied zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk, omdat de oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding niet in dit gebied ligt. Uitbreiding van de populatie kan tot stand komen door het verbeteren van de doorgang elders in de trekroute.

H1099

Rivierprik

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

Het Hollands Diep is als doortrekgebied van groot belang. In dit gebied zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk, omdat de oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding niet in dit gebied ligt. Uitbreiding van de populatie kan tot stand komen door het verbeteren van de doorgang elders in de trekroute.

H1102

Elft

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

Het Hollands Diep is als doortrekgebied van groot (potentieel) belang voor de elft. Vroeger bevonden zich paaipopulaties bovenstrooms (buiten Nederland). Er zijn concrete aanwijzingen dat in de Boven-Rijn (Duitsland) nog een kleine populatie voorkomt. In het Hollands Diep zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk, omdat de oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding niet in dit gebied ligt. Uitbreiding van de populatie kan tot stand komen door het verbeteren van de doorgang elders in de trekroute.

H1103

Fint

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

Het Hollands Diep is als doortrek- en opgroeigebied van groot belang. Het gaat om finten van de voormalige grootste paaipopulatie, die lag in het zoetwatergetijdengebied, waaronder de Biesbosch. In dit gebied zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk, omdat de oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding niet in dit gebied ligt. Uitbreiding van de populatie kan tot stand komen door het verbeteren van de doorgang elders in de trekroute.

H1106

Zalm

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

Het Hollands Diep is als doortrekgebied van groot belang voor de Rijn- en de Maaspopulaties. In dit gebied zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk, omdat de oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding niet in dit gebied ligt. Uitbreiding van de populatie kan tot stand komen door het verbeteren van de doorgang elders in de trekroute.

H1134

Bittervoorn

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De bittervoorn komt lokaal en waarschijnlijk met een vrij kleine populatie voor op de Essche Plaat.

H1145

Grote modderkruiper

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De grote modderkruiper komt voor op de Essche Plaat. Gezien de verspreiding in dit deelgebied is het duidelijk dat het een duurzame en belangrijke populatie is, die kennelijk tot vlak voor de aanwijzing van het gebied over het hoofd is gezien. Uitbreidingsmogelijkheden liggen niet voor de hand, gezien de geïsoleerde ligging van het (overigens kwalitatief goede) leefgebied.

H1149

Kleine modderkruiper

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De kleine modderkruiper komt voor op en rond de Essche Plaat. Het betreft waarschijnlijk een vrij kleine populatie, die kennelijk tot vlak voor de aanwijzing van het gebied over het hoofd is gezien.

H1337

Bever

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De soort komt sinds 2003 in het gebied voor en heeft zich hier sindsdien permanent gevestigd. In het gebied zijn meerdere burchten bekend, echter het is vooralsnog niet duidelijk hoe groot de populatie hier precies is. Inmiddels heeft in dit gebied voortplanting plaatsgevonden. De bevers in het Hollands Diep dragen bij aan een levensvatbare populatie in de regio, die samen met populaties uit onder andere de Biesbosch deel uit maken van een metapopulatie.

H1340

*Noordse woelmuis

Doel

Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

De oeverlanden van het Hollands Diep zijn onderdeel van de verspreiding van de soort als schakel tussen de grote populatie in de Biesbosch en de verschillende (andere) gebieden in het Deltagebied. Er is gekozen voor uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied omdat het gebied daarvoor potenties biedt.

5.5 Vogelrichtlijn: broedvogels

A034

Lepelaar

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 40 paren.

Toelichting

De lepelaar heeft zich in 1999 gevestigd op de Sassenplaat met aantallen oplopend tot 84 broedparen in 2007. In 1999-2003 waren er gemiddeld 10 broedparen aanwezig. De behoudopgave is gebaseerd op het aantalscriterium voor een kolonie uit de landelijke doelstelling, waarin naar ten minste 20 kolonies van ten minste 40 broedparen wordt gestreefd.

A132

Kluut

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 2.000 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Hollands Diep, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde, Zoommeer, Westerschelde & Saeftinghe en Markiezaat. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht van de regionale sleutelpopulatie van de Delta. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 0% en maximaal 4% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. De kluut heeft zich na inrichting van het gebied voor natuur recent gevestigd in de Albertpolder en Pieters- en Leendertspolder met in 2006, 2007 en 2008 respectievelijk 4, 74 en 63 broedparen.

5.6 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

A034

Lepelaar

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 4 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de lepelaar met name een functie als foerageergebied. Vooral na 2000 is de populatie sterk toegenomen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A041

Kolgans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 660 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen kolganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op de foerageerfunctie. De slaapplaatsfunctie is van regionale betekenis (het betreft vogels uit Hoekse Waard en West-Brabant) en daarmee waarschijnlijk belangrijker, maar er zijn niet voldoende telgegevens voor een kwantificering van het doel voor de slaapfunctie. Het aantalsverloop vertoonde een optimum eind jaren negentig en daarna een afname. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A043

Grauwe gans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.200 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen grauwe ganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats en levert als zodanig één van de grootste bijdragen in Nederland. De draagkrachtschatting heeft betrekking op de foerageerfunctie. De slaapplaatsfunctie is van regionale betekenis (het betreft vogels uit Hoekse Waard en West-Brabant) en daarmee waarschijnlijk belangrijker, maar er zijn niet voldoende telgegevens voor een kwantificering van het doel voor de slaapfunctie. In de jaren negentig is de populatie toegenomen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.

A045

Brandgans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 160 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de brandgans met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Het gebied heeft een slaapplaatsfunctie voor brandganzen uit onder andere de Hoekse Waard en West-Brabant. De draagkrachtschatting heeft betrekking op de foerageerfunctie. De aantallen zijn sterk fluctuerend. De slaapplaatsaantallen zijn onbekend. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.

A050

Smient

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 540 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de smient met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied. De slaapplaatsfunctie is van bovenregionale betekenis. De draagkrachtschatting heeft vooral betrekking op de slaapplaatsfunctie. Sinds begin jaren tachtig is de populatie sterk toegenomen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A051

Krakeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 230 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen krakeenden zijn van internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. In de jaren tachtig is de populatie sterk toegenomen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A053

Wilde eend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.900 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de wilde eend met name een functie als foerageergebied. Het aantalsverloop vertoonde een optimum rond 1990 en daarna een sterke afname. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijke gunstig staat van instandhouding.

A061

Kuifeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.300 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de kuifeend met name een functie als foerageergebied. Het aantalsverloop vertoonde een optimum rond 1990 en daarna een sterke afname. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

Bijlage A

Grenswijzigingen Vogelrichtlijngebied

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Bijlage B

Nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en toewijzing van en wijzigingen in instandhoudingsdoelstellingen.

B.1 Wijzigingen in habitattypen en soorten ten opzichte van aanmelding als Habitatrichtlijngebied en/of het ontwerpbesluit (paragraaf 4.2.1 en 4.2.2)
  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007), is het gebied ook aangewezen voor het habitattype slikkige rivieroevers (H3270), dat onder meer in de omgeving van de Esscheplaat aanwezig is.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied ook aangewezen voor het habitattype ruigten en zomen (H6430). Het habitattype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B) komt onder meer voor op de Zeehondenplaat en verspreid op de oevers direct langs het Hollands Diep.

  • In afwijking van het ontwerpbesluit is het gebied niet meer aangewezen voor subtype B van het habitattype vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen). Blijkens de habitattypenkartering komt dit subtype niet voor in het Habitatrichtlijngebied langs de noordoever van het Hollands Diep.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort zeeprik (H1095). De zeeprik is verspreid over het Hollands Diep waargenomen. Het gebied is voor de zeeprik van groot belang als doortrekgebied tussen de benedenrivieren en de Noordzee. Vermoedelijk speelt het gebied ook een rol als opgroeigebied.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort rivierprik (H1099). De rivierprik is verspreid over het Hollands Diep waargenomen. Het gebied is voor de rivierprik van groot belang als doortrekgebied tussen het rivierengebied en de Noordzee.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort elft (H1102), aangezien het gebied Hollands Diep als doortrekgebied voor de elft van groot (potentieel) belang is.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort fint (H1103). De fint is verspreid over het Hollands Diep waargenomen. Het gebied is voor de fint van groot belang als opgroeigebied en als doortrekgebied tussen het rivierengebied en de Noordzee.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort bittervoorn (H1134), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort grote modderkruiper (H1145), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort kleine modderkruiper (H1149), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort zalm (H1106), aangezien het gebied Hollands Diep als doortrekgebied voor de zalm van groot belang is.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort bever (H1337). Uit recente informatie is gebleken dat de soort voor 2004 aanwezig was en zich sindsdien in het Hollands Diep gevestigd heeft. Inmiddels heeft in dit gebied voortplanting plaatsgevonden.

  • In afwijking van het ontwerpbesluit (2007) is voor het gebied geen complementair doel opgenomen voor de habitatsoorten zeeprik (H1095), rivierprik (H1099), elft (H1102), fint (H1103) en zalm (H1106). De analyse van de implementatie van Natura 2000 in Nederland (Kamerstuk 32670 nr. 24) laat zien dat de bescherming van complementaire doelen onder het Natura 2000-regime niet expliciet door de Vogel- en Habitatrichtlijn wordt voorgeschreven. Daarom zullen deze doelen dan ook niet langer in de aanwijzingsbesluiten worden opgenomen.

B.2 Wijzigingen in vogelsoorten ten opzichte van aanwijzing als Vogelrichtlijngebied en/of het ontwerpbesluit (paragraaf 4.2.3)

De vogelsoorten waarvoor het gebied in 2000 is aangewezen, zijn indertijd ontleend aan SOVON (2000)20. De numerieke criteria die daarin zijn opgenomen zijn ontleend aan de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000)21. Een gebied wordt slechts aangewezen voor soorten waarvoor het gebied van landelijke betekenis is. Hiervan is in beginsel sprake indien het gebied minstens 1% van de landelijke broedpopulatie herbergt, indien 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied verblijft of indien het gebied in combinatie met andere gebieden voldoende bijdrage kan leveren aan een sleutelpopulatie.

Voor eventuele toevoeging of verwijdering van vogelsoorten is gebruik gemaakt van SOVON & CBS (2005)22 waarin de ontwikkeling van vogelaantallen in de laatste decennia is beschreven. Dit rapport heeft ten grondslag gelegen aan de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Vogelrichtlijnsoorten. In bijlage 1 van dit rapport zijn de verschillen aangegeven tussen de soortenlijsten per gebied die in beide aangehaalde rapporten zijn opgenomen. Om ecologische redenen die in voorkomende gevallen hieronder zijn vermeld, is soms van deze algemene criteria afgeweken. Deze werkwijze heeft voor de lijst van vogelsoorten waarvoor dit gebied is aangewezen, de volgende consequenties:

  • In aanvulling op de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de volgende twee vogelsoort(en) van bijlage I: kluut (A132) en lepelaar (A034), beiden als broedvogel. De lokale populatie van de kluut voldoet met 74 broedparen in 2007 aan de minimale vereiste voor een sleutelpopulatie van ten minste 20 broedparen. Het betreft een nieuwe broedlocatie, waarschijnlijk als gevolg van verplaatsing van een deel van de regionale populatie van de Delta naar het Hollands Diep. Daarmee levert dit gebied tevens een wezenlijke bijdrage aan de regionale doelstelling voor het Deltagebied. Voor de lepelaar levert het gebied met een aantal van 84 broedparen in 2007 een wezenlijke bijdrage aan de landelijke doelstelling voor de realisatie van ten minste 20 kolonies van ten minste 40 paren.

B.3 Toepassing selectiecriteria Habitatrichtlijngebieden (paragraaf 4.3)

In dit onderdeel wordt voor elk habitattype en elke soort waarvoor het onderhavige gebied aan de selectiecriteria voldoet (zie paragraaf 4.3), een overzicht gegeven van alle daarvoor kwalificerende gebieden. Dit gebeurt zoveel mogelijk in de vorm van een tabel met de gebieden die aan de selectiecriteria voldoen, onder vermelding van de relatieve bijdrage. In het geval van habitattypen betreft dit het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. Indien kwaliteit een rol heeft gespeeld in de bepaling van de gebiedenselectie voor habitattypen is dit tekstueel toegelicht. In het geval van soorten betreft de relatieve bijdrage het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is.

Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen, aantal bezette plekken of kilometerhokken.

Er is gebruik gemaakt van de volgende klasse-indeling:

A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75%

B1 = 2-6% en B2 = 6-15%

C = <2%

In de kolom “Bronvermelding” zijn de terreinbeherende organisaties en andere instanties en bronnen vermeld, waaraan de oppervlaktecijfers en aantallen zijn ontleend, met vermelding van de jaren waarin deze zijn verzameld of gepubliceerd.

Het gebied is één van de belangrijkste gebieden voor het volgende habitattype:

H91E0A – *Vochtige alluviale bossen, zachthoutooibossen

Landelijke oppervlakte ca. 4.000 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

112

Biesbosch

A2 (30-50%)

Rijkswaterstaat 2008

067

Gelderse Poort

B2 (6-15%)

Provincie Gelderland 2009

108

Oude Maas

B2 (6-15%)

Aanwijzingsbesluit 2011

038

Uiterwaarden IJssel

B2 (6-15%)

Provincie Gelderland 2009

111

Hollands Diep

B1 (2-6%)

Rijkswaterstaat 2008

Ten tijde van de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn de vijf volgende gebieden voor dit prioritaire subtype geselecteerd: Uiterwaarden IJssel (038)23, Gelderse Poort (067), Oude Maas (108), Hollands Diep (111)24 en Biesbosch (112). Nederland heeft met name een grote internationale verantwoordelijkheid voor de bijzondere vormen van het getijdengebied die sterk achteruit zijn gegaan. Volgens de huidige inzichten zijn dit nog steeds de vijf belangrijkste gebieden voor het subtype zachthoutooibossen. In deze gebieden komen de grootste oppervlakten en de mooiste voorbeelden van dit subtype voor (elk van deze gebieden herbergt meer dan 100 ha).

B.4 Toewijzing instandhoudingsdoelstellingen (Artikel 5, Artikel 6 en hoofdstuk 5)

Voor zover de hier vermelde gebiedsdoelen en relatieve bijdragen betrekking hebben op de Natura 2000-gebieden die buiten dit aanwijzingsbesluit vallen en waarvan de definitieve besluiten op het moment van vaststelling van het onderhavige besluit nog niet zijn vastgesteld, moeten deze worden beschouwd als “indicatieve” opgaven en kunnen ze nog aan verandering onderhevig zijn.

In dit onderdeel wordt voor iedere Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied is aangewezen, inzichtelijk gemaakt hoe de landelijke doelstelling25 is uitgewerkt in de Natura 2000-gebieden. De landelijke doelstellingen vormen een kader voor de formulering van instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau. De gebiedsdoelen bij elkaar “opgeteld”, eventueel tezamen met een opgave buiten het Natura 2000-netwerk, hebben als som het landelijke doel. Onder iedere tabel wordt de landelijke staat van instandhouding van betreffende habitattype of (vogel)soort vermeld. Indien de landelijke doelstelling van de betreffende waarde afwijkt van wat kan worden verwacht uit de landelijke staat van instandhouding, is dit hier gemotiveerd.

Gebiedsdoelstellingen die afwijken van de landelijke doelstelling, worden ook zoveel mogelijk gemotiveerd. In gevallen waarin motivering ontbreekt, is aanpassing nog in overweging (met name naar aanleiding van zienswijzen) in het kader van het besluit voor het betreffende gebied. Doelstellingen die volgens de tabellen zijn aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit (zie kolom “Besluit”) staan eveneens onder de betreffende tabellen gemotiveerd. De instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en (vogel)soorten die zijn toegevoegd ten opzichte van het ontwerpbesluit, zijn in principe op behoud gesteld, omdat de landelijke doelstelling al haalbaar werd geacht zonder deze toevoegingen. De instandhoudingsdoelstellingen die om deze reden op behoud zijn gesteld en daarmee afwijken van de landelijke doelstelling voor het betreffende habitattype of de betreffende soort, zijn in de tabellen gemarkeerd met een x.

De niet-broedvogelsoorten waarvoor zowel landelijk als in alle gebieden een behoudopgave is gesteld zijn samengevat in één tabel. Bij broedvogels en niet-broedvogels wordt in de kolom “Populatie” tevens aangegeven of er sprake is van herstel dan wel uitbreiding (↑). In een aparte kolom is van elk gebied de relatieve bijdrage vermeld. Voor een nadere toelichting en de klasse- indeling wordt verwezen naar de inleiding van onderdeel 3 van deze bijlage.

B.4.1 Habitatrichtlijn: habitattypen

H3270 – Slikkige rivieroevers

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Besluit

038

Uiterwaarden IJssel

uitbreiding

verbetering

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

uitbreiding

verbetering

ontwerpbesluit

066

Uiterwaarden Neder-Rijn

uitbreiding

verbetering

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

behoud

verbetering

ontwerpbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

uitbreiding

verbetering

ontwerpbesluit

082

Uiterwaarden Lek

behoud

behoud

ontwerpbesluit

108

Oude Maas

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

uitbreiding

behoud

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

doel toegevoegd x

112

Biesbosch

uitbreiding

verbetering

ontwerpbesluit

152

Grensmaas

behoud

verbetering

ontwerpbesluit

Ruim de helft van de landelijke oppervlakte van het habitattype slikkige rivieroevers wordt binnen de Natura 2000-gebieden beschermd. De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Door het onbestendige karakter van deze pioniervegetatie (opschietend op tijdelijk droogvallende slikoevers) is het niet mogelijk de actuele voorkomens in kwantitatieve zin te duiden. Diverse gebiedsdoelstellingen wijken, gezien de beperkte potentie van het gebied, af van de landelijke doelstelling. Dit geldt onder andere voor de gebieden Uiterwaarden Waal (068), Uiterwaarden Lek (082) en Oude Maas (108) waar geen potentie lijkt te zijn voor uitbreiding van de oppervlakte en/of verbetering van de kwaliteit. In de Grensmaas (152), waar het habitattype veelal over aanzienlijke oppervlakte aanwezig is, wordt uitbreiding binnen de begrenzing niet mogelijk geacht. In het Haringvliet (109) is de kwaliteit van het gebied reeds in goede staat en is behoud van de kwaliteit derhalve voldoende.

H6430B – Ruigten en zomen, harig wilgenroosje

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en behoud/verbetering kwaliteit a

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage c

Besluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

082

Uiterwaarden Lek

uitbreiding

behoud

C

ontwerpbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

108

Oude Maas

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

uitbreiding

verbetering

B

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

C

conform ontwerp

112

Biesbosch

uitbreiding

behoud

A

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud b

behoud

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

124

Groote Gat

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Verbetering kwaliteit geldt voor de brakke varianten.

  • (b)

    Waarschijnlijk kan dit subtype bij de huidige voortschrijdende verzoeting niet behouden blijven, maar zullen hiervoor (minder bedreigde) zoete vormen ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) in de plaats komen.

  • (c)

    De weergegeven relatieve bijdragen betreffen een voorlopige inschatting, omdat er nog onduidelijkheid is over de landelijke oppervlakte van dit subtype. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) omdat kwantitatieve gegevens over het voorkomen van deze zoomvegetaties beperkt beschikbaar zijn. Oppervlakten zijn moeilijk te bepalen omdat het meestal slechts smalle stroken of kleine plekken betreft.

De landelijke staat van instandhouding van het habitattype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Niet in alle gebieden kan de landelijke doelstelling worden nagestreefd. De doelstelling voor uitbreiding van de oppervlakte wordt enkel nagestreefd in de belangrijkste gebieden voor dit habitattype, zoals Oude Maas (108), Haringvliet (109) en Biesbosch (112). De landelijke doelstelling voor verbetering van de kwaliteit is alleen neergelegd in gebieden die potentie bieden voor verbetering van de kwaliteit van de brakke variant van dit habitattype.

H91E0A – *Vochtige alluviale bossen, zachthoutooibossen

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

038

Uiterwaarden IJssel

behoud

behoud

B2 c

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

uitbreiding

verbetering

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

behoud

verbetering

B2 c

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

uitbreiding

verbetering

ontwerpbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

behoud a

behoud

C

aanwijzingsbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

108

Oude Maas

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

112

Biesbosch

behoud b

verbetering

A2

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

uitbreiding

verbetering

C

concept-ontwerp

152

Grensmaas

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van habitattype kalkmoerassen (H7230) is toegestaan26.

  • (b)

    Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van habitattype vochtige alluviale bossen, essen-iepenbossen (H91E0B) is toegestaan27.

  • (c)

    De relatieve bijdrage geldt voor het Natura 2000-gebied als geheel, dus voor het Habitatrichtlijngedeelte en het Vogelrichtlijngedeelte gecombineerd.

Ongeveer drie kwart van de landelijke oppervlakte van het habitattype vochtige alluviale bossen, zachthoutooibossen (subtype A) bevindt zich binnen het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van dit subtype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan28.

De landelijke opgave voor het aspect kwaliteit kan niet in alle gebieden worden nagestreefd. In het Habitatrichtlijngedeelte van het gebied Uiterwaarden IJssel wijkt de doelstelling af vanwege de beperkte mogelijkheden binnen de begrenzing van dit deel van het gebied in vergelijking met het Vogelrichtlijngedeelte van het gebied, waar de doelstelling wel aansluit op de landelijke doelstelling. In Lingegebied & Diefdijk-Zuid (070) is, gezien het geringe belang van dit gebied voor het type, een behoudsdoelstelling geformuleerd. Een andere reden voor het afwijken van de landelijke doelstelling is dat er al een goede kwaliteit aanwezig is, bijvoorbeeld in Oude Maas (108), waar behoud van de kwaliteit derhalve voldoende is.

B.4.2 Habitatrichtlijn: soorten

H1095 – Zeeprik

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage a

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

066

Uiterwaarden Neder-Rijn

behoud

verbetering

uitbreiding

B

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

Ab

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

B

conform ontwerp

112

Biesbosch

behoud

behoud

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

150

Roerdal

behoud

verbetering

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

163

Vlakte van de Raan

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Voor trekvissen kan de som van de relatieve bijdragen boven de 100% uitkomen, omdat voor deze soorten alle gebieden in een trekroute van even groot belang zijn. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) vanwege beperkte monitoringsgegevens.

  • (b)

    De relatieve bijdrage geldt voor het Natura 2000-gebied als geheel, dus voor het Habitatrichtlijngedeelte en het Vogelrichtlijngedeelte gecombineerd.

De landelijke staat van instandhouding van de zeeprik is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”29. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Uitbreiding van het leefgebied heeft met name betrekking op het opgroeigebied in het rivierengebied (nevengeulen), waarbij de potenties voornamelijk in de gebieden Gelderse Poort (067) en de Uiterwaarden Waal (068) liggen. Ook verbetering van de kwaliteit van het leefgebied heeft voornamelijk betrekking op het rivierengebied (opgroeigebied) en daarnaast op het verbeteren van de migratiemogelijkheden tussen de paaigebieden en de zee.

In het Roerdal (150) heeft verbetering van de kwaliteit van het leefgebied betrekking op verbinding met de Maas en belangrijke leefgebieden buiten het Natura 2000-gebied. Onder andere de gebieden Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007), Hollands Diep (111), Voordelta (113) en Westerschelde & Saeftinghe (122) wijken op de aspecten omvang en kwaliteit leefgebied af van de landelijke doelstelling. De landelijk matig ongunstige staat van instandhouding van de soort wordt niet veroorzaakt in deze gebieden.

H1099 – Rivierprik

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage a

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud

behoud

uitbreiding

A

conform ontwerp

066

Uiterwaarden Neder-Rijn

behoud

verbetering

uitbreiding

B

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

Ab

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

B

conform ontwerp

112

Biesbosch

behoud

behoud

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

150

Roerdal

behoud

verbetering

behoud

B

aanwijzingsbesluit

152

Grensmaas

behoud

behoud

uitbreiding

B

ontwerpbesluit

163

Vlakte van de Raan

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Voor trekvissen kan de som van de relatieve bijdragen boven de 100% uitkomen, omdat voor deze soorten alle gebieden in een trekroute van even groot belang zijn. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) vanwege beperkte monitoringsgegevens.

  • (b)

    De relatieve bijdrage geldt voor het Natura 2000-gebied als geheel, dus voor het Habitatrichtlijngedeelte en het Vogelrichtlijngedeelte gecombineerd.

De landelijke staat van instandhouding van de rivierprik is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Uitbreiding van het leefgebied heeft met name betrekking op het opgroeigebied in het rivierengebied (nevengeulen), waarbij de potenties voornamelijk in de gebieden Gelderse Poort (067) en Uiterwaarden Waal (068) liggen. Ook verbetering van de kwaliteit van het leefgebied heeft voornamelijk betrekking op het rivierengebied (opgroeigebied) en daarnaast op het verbeteren van de migratiemogelijkheden tussen de paaigebieden en de zee.

In het Roerdal (150) heeft verbetering van de kwaliteit van het leefgebied betrekking op verbinding met de Maas en belangrijke leefgebieden buiten het Natura 2000-gebied. In de Grensmaas (152) wordt, gezien het beperkte belang als opgroeigebied en het ontbreken van mogelijkheden voor herstel van het leefgebied, geen hersteldoelstelling op het aspect leefgebied nagestreefd. Onder andere de gebieden Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007), Hollands Diep (111), Voordelta (113) en Westerschelde & Saeftinghe (122) wijken op de aspecten omvang en kwaliteit leefgebied af van de landelijke doelstelling. De landelijk matig ongunstige staat van instandhouding van de soort wordt.

H1102 – Elft

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage a

Besluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

behoud

behoud

uitbreiding

Ab

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

behoud

behoud

uitbreiding

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

B

conform ontwerp

112

Biesbosch

behoud

behoud

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Voor trekvissen kan de som van de relatieve bijdragen boven de 100% uitkomen, omdat voor deze soorten alle gebieden in een trekroute van even groot belang zijn. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) vanwege beperkte monitoringsgegevens.

  • (b)

    De relatieve bijdrage geldt voor het Natura 2000-gebied als geheel, dus voor het Habitatrichtlijngedeelte en het Vogelrichtlijngedeelte gecombineerd.

De landelijke staat van instandhouding van de elft is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. Op het aspect populatie, net als op het aspect kwaliteit leefgebied, sluit de landelijke doelstelling hierop aan. De landelijke doelstelling is aangepast van “behoud kwaliteit leefgebied” naar “verbetering kwaliteit leefgebied” zodat het doel op dit aspect aansluit bij de landelijke staat van instandhouding. Voor het aspect omvang leefgebied is, landelijk en in alle gebieden, een behoudopgave geformuleerd omdat de zeer ongunstige staat van instandhouding op het aspect leefgebied veroorzaakt wordt door verminderde migratiemogelijkheden. Verbetering van de migratiemogelijkheden tussen de paaigebieden en de zee zal de populatie van deze anadrome vissoort in achterliggende gebieden naar verwachting uitbreiden. Het doel “verbetering kwaliteit leefgebied” heeft dan ook alleen betrekking op het gebied Haringvliet (109).

H1103 – Fint

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage a

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

C

conform ontwerp

112

Biesbosch

behoud

behoud

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

163

Vlakte van de Raan

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Voor trekvissen kan de som van de relatieve bijdragen boven de 100% uitkomen, omdat voor deze soorten alle gebieden in een trekroute van even groot belang zijn. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) vanwege beperkte monitoringsgegevens.

De landelijke staat van instandhouding van de fint is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. Op het aspect populatie, net als op het aspect kwaliteit leefgebied, sluit de landelijke doelstelling hierop aan. De landelijke doelstelling is aangepast van “behoud kwaliteit leefgebied” naar “verbetering kwaliteit leefgebied” zodat het doel op dit aspect aansluit bij de landelijke staat van instandhouding. Voor het aspect omvang leefgebied is, landelijk en in alle gebieden, een behoudopgave geformuleerd, omdat de zeer ongunstige staat van instandhouding op het aspect leefgebied veroorzaakt wordt door verminderde migratiemogelijkheden. Verbetering van de migratiemogelijkheden tussen de paaigebieden en de zee zal de populatie van deze anadrome vissoort in achterliggende gebieden naar verwachting uitbreiden. Het doel “verbetering kwaliteit leefgebied” heeft dan ook alleen betrekking op het gebied Haringvliet (109).

H1106 – Zalm

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage a

Besluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

behoud

behoud

uitbreiding

A b

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

behoud

behoud

uitbreiding

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

A

conform ontwerp

112

Biesbosch

behoud

behoud

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

152

Grensmaas

behoud

behoud

uitbreiding

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    Voor trekvissen kan de som van de relatieve bijdragen boven de 100% uitkomen, omdat voor deze soorten alle gebieden in een trekroute van even groot belang zijn. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) vanwege beperkte monitoringsgegevens.

  • (b)

    De relatieve bijdrage geldt voor het Natura 2000-gebied als geheel, dus voor het Habitatrichtlijngedeelte en het Vogelrichtlijngedeelte gecombineerd.

De landelijke staat van instandhouding van de zalm is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. Op het aspect populatie, net als op het aspect kwaliteit leefgebied, sluit de landelijke doelstelling hierop aan. Voor het aspect omvang leefgebied is, landelijk en in alle gebieden, een behoudopgave geformuleerd omdat de matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect leefgebied veroorzaakt wordt door verminderde migratiemogelijkheden. Verbetering van de migratiemogelijkheden tussen de paaigebieden en de zee zal de populatie van deze anadrome vissoort in achterliggende gebieden naar verwachting uitbreiden. Het doel “verbetering kwaliteit leefgebied” heeft dan ook alleen betrekking op het gebied Haringvliet (109).

H1134 – Bittervoorn

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

009

Groote Wielen

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

038/

066-068

Rijntakken

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

049

Dinkelland

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

091

Polder Westzaan

behoud a

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

136

Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

138

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

139

Deurnsche Peel & Mariapeel

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

147

Leudal

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

150

Roerdal

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Enige achteruitgang in omvang leefgebied ten gunste van habitattype ruigten en zomen (H6430) is toegestaan30.

De landelijke staat van instandhouding van de bittervoorn is op het aspect leefgebied beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke doelstelling.

H1145 – Grote modderkruiper

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Besluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

015

Van Oordt’s Mersken

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte water en Vecht

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

038/

066-068

Rijntakken

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

aanwijzingsbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

uitbreiding

behoud

uitbreiding

aanwijzingsbesluit

053

Buurserzand & Haaksbergerveen

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

065

Binnenveld

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

aanwijzingsbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

uitbreiding

verbetering

behoud

aanwijzingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

behoud

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

130

Langstraat

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

aanwijzingsbesluit

150

Roerdal

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de grote modderkruiper is beoordeeld als “matig ongunstig”. Inventarisatiegegevens van de soort zijn slechts in beperkte mate aanwezig, daarom worden er geen relatieve bijdragen per gebied gegeven. Wel is duidelijk dat het leefgebied is gekrompen. De landelijke doelstelling is gericht op het plaatselijk verbeteren van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie. De toepassing van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de gedragscode voor waterschappen kunnen tevens een positieve bijdrage leveren aan een verbetering van het leefgebied van de soort. Hersteldoelstellingen zijn neergelegd in die gebieden waar de soort onder druk staat en/of er goede mogelijkheden zijn voor het uitbreiden en verbeteren van het leefgebied ten behoeve van het uitbreiden van de populatie.

H1149 – Kleine modderkruiper

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Besluit

009

Groote Wielen

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

013

Alde Feanen

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

015

Van Oordt’s Mersken

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

036

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

037

Olde Maten & Veerslootslanden

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

038/

066-068

Rijntakken

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

039

Vecht- en Beneden-Reggegebied

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

070

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

071

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

073

Markermeer & IJmeer

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

074

Zwarte Meer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

076

Veluwerandmeren

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

083

Botshol

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

088

Kennemerland-Zuid

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

091

Polder Westzaan

behoud a

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

097

Meijendel & Berkheide

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

105

Zouweboezem

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

behoud

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

behoud

ontwerpbesluit

130

Langstraat

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

132

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

133

Kampina & Oisterwijkse Vennen

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

135

Kempenland-West

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

136

Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

137

Strabrechtse Heide & Beuven

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

138

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

139

Deurnsche Peel & Mariapeel

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

141

Oeffelter Meent

behoud

behoud

behoud

aanwijzingsbesluit

145

Maasduinen

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

147

Leudal

behoud

behoud

behoud

wijzigingsbesluit

  • (a)

    Enige achteruitgang in omvang leefgebied ten gunste van habitattype ruigten en zomen (H6430) is toegestaan31.

De landelijke staat van instandhouding voor de kleine modderkruiper is op het aspect leefgebied beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelen sluiten aan op de landelijke opgave. Inventarisatiegegevens van de soort zijn slechts in beperkte mate aanwezig, daarom worden er geen relatieve bijdragen per gebied gegeven. Gezien de ruime verspreiding en het algemene voorkomen van de soort, voldoet de kwaliteit van het leefgebied op het merendeel van de vindplaatsen. Het streven is om het algemeen voorkomen van de kleine modderkruiper in Nederland te bestendigen. Het is met name van belang om de soort in de kern van zijn verspreidingsgebied in hoge aantallen en wijdverspreid te behouden. Net als de grote modderkruiper kan de kleine modderkruiper daarnaast profiteren van de ingeslagen beleidswegen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het meer ecologisch beheren van wateren door waterschappen.

H1337 – Bever

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

038

Uiterwaarden IJssel

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

B1 a

ontwerpbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

uitbreiding

A1

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

behoud

behoud

uitbreiding

C

ontwerpbesluit

108

Oude Maas

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

111

Hollands Diep

behoud

behoud

behoud

C

doel toegevoegd x

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

A1

ontwerpbesluit

145

Maasduinen

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

147

Leudal

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

148

Swalmdal

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

150

Roerdal

behoud

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

152

Grensmaas

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

B1

ontwerpbesluit

  • (a)

    De relatieve bijdrage geldt voor het Natura 2000-gebied als geheel, dus voor het Habitatrichtlijngedeelte en het Vogelrichtlijngedeelte gecombineerd.

De landelijke staat van instandhouding van de bever is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig” en “gunstig”. De landelijke herstelopgave voor het leefgebied wijkt hiervan af. De reden hiervoor is dat, ondanks dat er kwantitatief voldoende geschikt leefgebied voor de soort voorhanden is, de verspreiding van het leefgebied nog niet op orde is omdat er nog onvoldoende verbindingen zijn tussen kerngebieden. De landelijke doelstelling voor herstel van de populatie is gericht op deze verbindingen om hiermee een duurzame populatie van de soort te realiseren die over het gehele rivierengebied verspreid voorkomt. De uitbreidingsopgave van het leefgebied geldt voor Uiterwaarden IJssel (038), waar het van belang is dat de soort zich in het IJsseldal verder zal uitbreiden om een duurzame populatie in het rivierengebied te realiseren. Uitbreiding van het leefgebied in dit gebied heeft betrekking op het benutten van nog niet bezet potentieel leefgebied. In de meeste gebieden is reeds voldoende geschikt leefgebied aanwezig en zal de populatie naar verwachting uitbreiden bij een behoudopgave voor het leefgebied.

H1340 – *Noordse woelmuis

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

verbetering

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

009

Groote Wielen

uitbreiding

verbetering

behoud

C

aanwijzingsbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

072

IJsselmeer

uitbreiding

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

B1

aanwijzingsbesluit

100

Voornes Duin

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

108

Oude Maas

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

conform ontwerp

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

behoud

B1

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

116

Kop van Schouwen

behoud

verbetering

behoud

C

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

uitbreiding

behoud

uitbreiding

B1

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    De relatieve bijdrage geldt voor het Natura 2000-gebied als geheel, dus voor het Habitatrichtlijngedeelte en het Vogelrichtlijngedeelte gecombineerd.

De landelijke staat van instandhouding van de noordse woelmuis is op het aspect leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Landelijke uitbreiding van de populatie wordt vooral beoogd in de Friese gebieden omdat het leefgebied vooral daar sterk versnipperd is geraakt. De doelstellingen uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied en uitbreiding populatie zijn verder neergelegd in gebieden die daarvoor mogelijkheden bieden (bijvoorbeeld in het kader van natuurontwikkeling) of waar duidelijke aanwijzing is dat de soort recent is achteruitgegaan. In Duinen en Lage Land Texel (002) staat het doel voor omvang van het leefgebied op “behoud” omdat de soort al over het gehele eiland voorkomt. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied is vooral nodig om de populatie weerstand te kunnen laten bieden tegen concurrentie met andere diersoorten. In IJsselmeer (072) en Oosterschelde (118) is op het aspect kwaliteit van de landelijke opgave afgeweken. In de Oosterschelde is de kwaliteit al op orde; derhalve is behoud voldoende. In het IJsselmeer is afgeweken omdat hier de mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit beperkt zijn.

B.4.3 Vogelrichtlijn: broedvogels

A034 – Lepelaar

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

430

A2

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

120

B2

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

170

B2

aanwijzingsbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

25

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

160

B2

aanwijzingsbesluit

079

Lepelaarplassen

behoud

behoud

20

C

aanwijzingsbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

55 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

100

Voornes Duin

behoud

behoud

100

B2

aanwijzingsbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

40 (↑)

C

doel toegevoegd

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

8

C

concept-ontwerp

119

Veerse Meer

behoud

behoud

12

C

aanwijzingsbesluit

127

Markiezaat

behoud

behoud

20 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de lepelaar is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud van een populatie van ten minste 1.000 paren”.

De som van de gebiedsdoelen is hoger dan de ondergrens van het gewenste landelijke populatieniveau van 1.000 paren. Daarnaast is het totale aantal kolonies van minstens 40 broedparen hoger dan de landelijke doelstelling. Beide constateringen zijn in overeenstemming met het beleid: er is een veilige marge ingebouwd voor het populatieniveau omdat Nederland als noordelijkste uitloper van het broedgebied in Europa een belangrijk deel van de Europese populatie binnen de landsgrenzen heeft. In het Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004 (2000)32 is eveneens uitgegaan van een goede ruimtelijke verdeling van deze soort.

De gebiedsdoelstellingen sluiten bij de landelijke doelstelling aan met uitzondering van de populatiedoelstellingen van de gebieden Hollands Diep (111) en Markiezaat (127). Voor het gebied Hollands Diep is gekozen voor een populatiedoelstelling die ten minste gelijk is aan het minimum aantal van 40 broedparen voor een kolonie (het gemiddelde 1999-2003 was 10 broedparen; sindsdien zijn de aantallen toegenomen tot 84 broedparen in 2007), omdat de bijdrage van dit gebied aan het landelijke aantal kolonies de belangrijkste reden is om de soort toe te voegen.

A132 – Kluut

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

verbetering

3.800

A2

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

120 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

110

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

2.000R

B1

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

2.000R

C

doel toegevoegd

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

2.000R

B2

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

2.000R

B1

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

2.000R

B1

aanwijzingsbesluit

120

Zoommeer

behoud

behoud

2.000R

C

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

2.000R

B1

aanwijzingsbesluit

127

Markiezaat

behoud

behoud

2.000R

C

aanwijzingsbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de kluut is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. Op het aspect populatie sluit de landelijke doelstelling hierop aan. De doelstelling luidt: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 8.000 paren”. Gezien de zeer grote betekenis van Nederland voor Europa als broedgebied dient de nationale populatieomvang gehandhaafd te worden op ten minste het basisniveau van de afgelopen decennia van 8.000 paren. Landelijk is op het aspect leefgebied een behoudsdoelstelling geformuleerd, omdat met name in het gebied Waddenzee (001) het leefgebied als matig ongunstig werd beoordeeld. In afwijking van de landelijke doelstelling heeft dat gebied dan ook een verbeteropgave gekregen voor het leefgebied. De overige gebieden sluiten aan bij de landelijke doelstelling.

B.4.4 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

De doelniveaus van niet-broedvogels zijn meestal uitgedrukt als seizoensgemiddelde of als (gemiddeld) seizoensmaximum. Deze gemiddelden, die worden bepaald aan de hand van maandelijkse tellingen, worden als volgt berekend33:

Het seizoensgemiddelde is het gemiddelde aantal in een gebied aanwezige vogels over het gehele seizoen, berekend aan de hand van maandelijks uitgevoerde tellingen over een reeks seizoenen (1999/2000- 2003/2004).

Het (gemiddeld) seizoensmaximum is het gemiddelde van het grootste getelde aantal (piekaantal) per seizoen (juli t/m juni van het volgende jaar) berekend over een reeks van achtereenvolgende seizoenen (meestal vijf seizoenen: 1999/2000-2003/2004).

Bij voorkeur is het doelniveau uitgedrukt als seizoensgemiddelde omdat dit een indicatie geeft voor het gebruik van een gebied over het gehele seizoen. Bij onvoldoende beschikbaarheid van jaarrondtellingen moet soms worden teruggevallen op het seizoensmaximum.

Niet-broedvogelsoorten

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

Vogelsoort

Aantal gebieden

Landelijke doelstelling populatie

Populatie Hollands Diep

Relatieve bijdrage*

Besluit

A034 Lepelaar b

22

1.225

4

f, C

conform ontwerp

A041 Kolgans b;c

36

218.300

660

sf, C

conform ontwerp

A043 Grauwe gans b;c

31

86.300

1.200

sf, C

conform ontwerp

A045 Brandgans b;c

26

140.900

160

sf, C

conform ontwerp

A050 Smient b;c

45

258.200

540

sf, C

conform ontwerp

A051 Krakeend b;c

35

10.200

230

f, C

conform ontwerp

A053 Wilde eend b

13

128.000

1.900

f, B1

conform ontwerp

A061 Kuifeend a;d

21

75.700

1.300

f, C

conform ontwerp

* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf). Relatieve bijdrage is alleen berekend als het landelijke doel en het gebiedsdoel beide zijn gebaseerd op dezelfde waarde (óf seizoensmaximum óf seizoensgemiddelde).

  • (a)

    Kuifeend: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soort geformuleerd, omdat deze staat van instandhouding alleen gebaseerd is op toekomstverwachting (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • (b)

    Lepelaar, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, krakeend en wilde eend: de staat van instandhouding van de soort is beoordeeld als “gunstig”.

  • (c)

    Kolgans, grauwe gans, brandgans, smient en krakeend: enige afname landelijk veroorzaakt door extensivering van landgebruik (onder andere door natuurontwikkeling) is aanvaardbaar.

  • (d)

    Kuifeend: enige afname landelijk als gevolg van herstel van zout-zoet overgangen is aanvaardbaar.

Appendix

Toelichting op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Hollands Diep gebruikt zijn.

Onderstaande paragrafen zijn opgenomen in de Nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.

3. Gebiedsbeschrijving, aanduiding leefgebied en begrenzing
3.2 Aanduiding leefgebied

Het Hollands Diep is aangewezen als Speciale Beschermingszone onder de Vogelrichtlijn vanwege de aanwezigheid van een uitgestrekt open water met oever-zones die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de Richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van de Beschermingszone is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat [in samenhang met sbz Haringvliet, sbz Krammer-Volkerak, sbz Biesbosch en sbz Oudeland van Strijen voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten.

Het onderhavige gebied is tevens aangewezen als watergebied van internationale betekenis onder de Wetlands-Conventie vanwege het voorkomen van belangrijke aantallen watervogels (criterium 5, 6).

4. Vogelkundige waarden
4.1 Kwalificerende soorten

Het Hollands Diep kwalificeert als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn vanwege het voorkomen van drempeloverschrijdende aantallen van de Grauwe Gans die het gebied benut als overwinteringsgebied en/of rustplaats. Het gebied kan hierdoor tevens worden aangemerkt als watergebied van internationale betekenis zoals bedoeld in de Wetlands-Conventie (criterium 6). Het Hollands Diep wordt verder aangemeld als watergebied van internationale betekenis vanwege het geregeld voorkomen van minstens 20.000 watervogels (criterium 5).

Trekkende watervogelsoort waarvoor het gebied aan de 1%-drempel voldoet

Soort

Art. 4

Brva

Biogeogr. populatieb

1% Biopopc

% in sbzd

Telperiode

Grauwe Gans Anser anser

2

nee

NW-Europa/ZW-Europa

2 000

1,4%

1993-97

  • (a)

    De kwalificatie betreft in het gebied niet-broedende vogels (indien ingevuld met "nee")

  • (b)

    Biogeografische populatie waartoe de in Nederland pleisterende exemplaren van deze soort worden gerekend

  • (c)

    Drempelwaarde zijnde 1% van de betreffende biografische populatie (biografische populatie en drempelwaarde ontleend aan Rose & Scott 1997, Waterfowl Population Estimates – 2nd edition. Wetlands International, Wageningen)

  • (d)

    Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie

4.2 Andere relevante soorten

Andere soorten van Bijlage I waarvoor het gebied van betekenis is, zijn Lepelaar en Brandgans (niet- broedvogels). Andere trekkende vogelsoorten waarvoor het gebied van betekenis is als overwinteringsgebied en/of rustplaats: Kolgans, Smient, Krakeend, Wilde Eend en Kuifeend. De biotopen van deze vogels hebben mede de begrenzing van dit gebied bepaald.

4.3 Plaatselijke omstandigheden

Grauwe Gans, Kolgans, Brandgans en Smient gebruiken de Hoogezandsche Gorzen en de gorzen tussen Willemstad en Noordschans als voedselgebieden; de omgeving van de Sasseplaat, de ondiepwaterzone voor de Hoogezandsche Gorzen en de Ventjagersplaten (sbz Haringvliet) fungeren als slaapplaatsen voor de betreffende ganzensoorten. De overige eendensoorten (Krakeend, Wilde Eend, Kuifeend), die het gebied rustplaats en/of voedselgebied benutten, worden vooral in de ondiepe oeverzones aangetroffen.

Bijlage Gebiedsbegrenzingen

LEGENDA:

Artikel

Noemer

Indicatief/exact

GIO-id34

1, eerste lid

Hollands Diep – Habitatrichtlijngebied

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2024/N2000_HollandsDiep_HR/nld@2024‑07‑01

2, eerste lid

Hollands Diep – Vogelrichtlijngebied

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2024/N2000_HollandsDiep_VR/nld@2024‑07‑01

3, tweede lid

Natura 2000-gebied Hollands Diep

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2024/N2000_HollandsDiep_N2000/nld@2024‑07‑01

Toelichting bij vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Hollands Diep

1. Vaststelling nieuwe tekst

Dit besluit betreft de vaststelling van een nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit voor het Habitatrichtlijngebied Hollands Diep, het Vogelrichtlijngebied Hollands Diep en het Natura 2000-gebied Hollands Diep, maar nu gepubliceerd met behulp van de nieuwe digitale standaard voor officiële publicaties: de Standaard Officiële Publicaties (STOP). Het besluit wordt inhoudelijk ongewijzigd vastgesteld. Dit aanwijzingsbesluit is de bijlage bij dit besluit. De nieuwe tekst is enkel een redactionele aanpassing, en brengt geen wijziging met enig rechtsgevolg met zich ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De reden voor de vaststelling van deze nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit is, dat in het kader van de Omgevingswet wordt overgegaan op nieuwe digitale standaarden voor de vormgeving van besluiten.

2. Procedure

Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond van artikel 16.25a van de Omgevingswet niet van toepassing, omdat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het betreft geen wijzigingen die leiden tot een andere inhoudelijke reikwijdte dan het geldende aanwijzingsbesluit voor dit gebied: er is geen sprake van wijzigingen van de geldende begrenzing of van instandhoudingsdoelstellingen. De tekst betreft enkel een redactionele aanpassing. In zoverre is dus ook geen sprake van zelfstandige rechtsgevolgen ten opzichte van het geldende besluit. Belanghebbenden die menen dat er wel sprake is van relevante wijzigingen en nieuwe rechtsgevolgen, kunnen evenwel met een bezwaarschrift eventuele bedenkingen tegen het besluit naar voren te brengen en de beslissing op het bezwaarschrift in een beroepsprocedure door de bestuursrechter laten toetsen.

3. Inwerkingtreding

Omdat met dit besluit de inhoud ongewijzigd blijft, kan het meteen de dag na publicatie inwerking treden.

De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze,

w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum: 5 december 2024

  • 1

    Dit betreft een geconsolideerde versie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, inclusief wijzigingen die sindsdien op de Richtlijn van toepassing zijn. Met uitzondering van de bijlagen en verwijzingen is de tekst van de Richtlijn inhoudelijk niet gewijzigd. Terug naar link van noot.

  • 2

    Beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 december 2004 tot vaststelling, op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (2004/813/EG). PB EU 2004, L 387/1.

    Laatstelijk vervangen door Uitvoeringsbesluit van de Commissie 2013/26/EU van 16 november 2012 tot vaststelling van een zesde bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (PbEU 2013, L 24/ 379). Terug naar link van noot.

  • 3

    Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 4

    Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 5

    De begrenzingsmethodiek is verder uitgewerkt in het Gebiedendocument (2004). Terug naar link van noot.

  • 6

    Hof van Justitie EG, 7 november 2000, First Corporate Shipping, zaak C-371/98, punten 16 en 25. Terug naar link van noot.

  • 7

    De wijze van begrenzing van Vogelrichtlijngebieden is toegelicht in de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.

  • 8

    Beschikking van de Commissie 2004/813/EG van 7 december 2004 tot vaststelling op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (Pb 29‑12‑2004, L 387/1). Terug naar link van noot.

  • 9

    Conform artikel 15 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Stb. 2004, 31) is dit besluit, wat betreft de kadastrale percelen die geheel of gedeeltelijk binnen het aangewezen gebied zijn gelegen, in de kadastrale registratie als beperking ingeschreven. Terug naar link van noot.

  • 10

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 11

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 12

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 13

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 14

    Habitattypen waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: slijkgrasvelden (H1320) en ruigten en zomen, moerasspirea (H6430A) en ruigten en zomen, droge bosranden (H6430C). Terug naar link van noot.

  • 15

    De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.

  • 16

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 17

    Soorten waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: zeeprik (H1095), elft (H1102), zalm (H1106), bittervoorn (H1134) en kleine modderkruiper (H1149). Voor de platte schijfhoren (H4056) zijn geen gebieden geselecteerd omdat de soort bij de uitbreiding van de EU in 2004 is toegevoegd aan bijlage II. Terug naar link van noot.

  • 18

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 19

    Het Natura 2000-landschap van het gebied waarop dit besluit betrekking heeft staat vermeld in paragraaf 3.2 van deze nota van toelichting. Terug naar link van noot.

  • 20

    SOVON (2000): Belangrijke vogelgebieden in Nederland 1993-97. SOVON-informatierapport 2000/01. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek- Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 21

    Ministerie van LNV (2000): Nota van Antwoord Vogelrichtlijn, bijlage 1, selectiecriteria en methode van begrenzing. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 22

    SOVON & CBS (2005): Trends van vogelaantallen in het Nederlandse Natura 2000 netwerk. SOVON-informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 23

    Destijds bekend als IJsseluiterwaarden. Terug naar link van noot.

  • 24

    Destijds bekend als Hollands Diep (oeverlanden). Terug naar link van noot.

  • 25

    De landelijke doelomschrijving in deze paragraaf beperkt zich in principe tot behoud/uitbreiding oppervlakte (of omvang leefgebied) en behoud/verbetering kwaliteit (leefgebied), in geval van soorten en vogels aangevuld met het doel voor behoud/uitbreiding populatie. Voor de volledige formulering van de landelijke doelen inclusief toelichting wordt verwezen naar het Natura 2000 doelendocument (2006). Terug naar link van noot.

  • 26

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 27

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 28

    Landelijk doel gewijzigd: Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Oude Maas (Stcrt. 2011, 4458). Terug naar link van noot.

  • 29

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 30

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 31

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 32

    Boer, T. den (2000): Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004. Rapport Directie Natuurbeheer nr. 47. Ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij, Wageningen. Terug naar link van noot.

  • 33

    Voorbeeld voor een seizoen met de volgende telresultaten (juli-juni): 0, 0, 0, 100, 100, 200, 100, 100, 0, 0, 0, 0. Het seizoensmaximum bedraagt in dit geval 200, het seizoensgemiddelde 50 (som van alle maandcijfers gedeeld door 12). Terug naar link van noot.

  • 34

    Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_waterkwaliteit/nld@2019‑11‑01). Terug naar link van noot.

Naar boven