Vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Grevelingen

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);

Gelet op artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet;

Besluit:

Artikel 1

De nieuwe tekst van het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 4 juli 2013, PDN/2013-115 (Stcrt. 2013, 24454), houdende de aanwijzing van het Habitatrichtlijngebied Grevelingen, het Vogelrichtlijngebied Grevelingen en het Natura 2000-gebied Grevelingen, wordt opnieuw vastgesteld zoals weergegeven in de bijlage “Aanwijzingsbesluit Grevelingen” bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze:

w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum: 5 december 2024

Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, t.a.v. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. de afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE, Zwolle.

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en

d) de gronden van bezwaar.

Meer informatie over Natura 2000 en gerelateerde onderwerpen vindt u op de website https://www.rijksoverheid.nl/natura2000. Voor vragen over Natura 2000 kunt u op werkdagen van 8.30 uur tot 16.30 uur contact opnemen met het klantcontactcentrum van RVO, telefoon 088 - 042 42 42 (lokaal tarief).

Bijlage bij artikel 1

Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Grevelingen

Artikel 1 Aanwijzing Grevelingen - Habitatrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Grevelingen.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire habitattypen zijn met een sterretje (*) aangeduid:

    H1310

    Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende soorten

    H1330

    Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae)

    H2130

    *Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”)

    H2160

    Duinen met Hippophaë rhamnoides

    H2170

    Duinen met Salix repens ssp. argentea (Salicion arenariae)

    H2190

    Vochtige duinvalleien

    H6430

    Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire soorten zijn met een sterretje (*) aangeduid:

    H1340

    *Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola)

    H1364

    Grijze zeehond (Halichoerus grypus)

    H1365

    Gewone zeehond (Phoca vitulina)

    H1903

    Groenknolorchis (Liparis loeselii)

Artikel 2 Aanwijzing Grevelingen - Vogelrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 20)1 wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzingen, het gebied Grevelingen.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A007

    Kuifduiker (Podiceps auritus)

    A026

    Kleine zilverreiger (Egretta garzetta)

    A034

    Lepelaar (Platalea leucorodia)

    A037

    Kleine zwaan (Cygnus bewickii (Cygnus columbianus bewickii))

    A045

    Brandgans (Branta leucopsis)

    A081

    Bruine kiekendief (Circus aeruginosus)

    A103

    Slechtvalk (Falco peregrinus)

    A132

    Kluut (Recurvirostra avosetta)

    A138

    Strandplevier (Charadrius alexandrinus)

    A140

    Goudplevier (Pluvialis apricaria)

    A157

    Rosse grutto (Limosa lapponica)

    A191

    Grote stern (Sterna sandvicensis)

    A193

    Visdief (Sterna hirundo)

    A195

    Dwergstern (Sterna albifrons)

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A004

    Dodaars (Tachybaptus ruficollis)

    A005

    Fuut (Podiceps cristatus)

    A008

    Geoorde fuut (Podiceps nigricollis)

    A017

    Aalscholver (Phalacrocorax carbo)

    A041

    Kolgans (Anser albifrons)

    A043

    Grauwe gans (Anser anser)

    A046

    Rotgans (Branta bernicla)

    A048

    Bergeend (Tadorna tadorna)

    A050

    Smient (Anas penelope)

    A051

    Krakeend (Anas strepera)

    A052

    Wintertaling (Anas crecca)

    A053

    Wilde eend (Anas platyrhynchos)

    A054

    Pijlstaart (Anas acuta)

    A056

    Slobeend (Anas clypeata)

    A067

    Brilduiker (Bucephala clangula)

    A069

    Middelste zaagbek (Mergus serrator)

    A125

    Meerkoet (Fulica atra)

    A130

    Scholekster (Haematopus ostralegus)

    A137

    Bontbekplevier (Charadrius hiaticula)

    A141

    Zilverplevier (Pluvialis squatarola)

    A149

    Bonte strandloper (Calidris alpina)

    A160

    Wulp (Numenius arquata)

    A162

    Tureluur (Tringa totanus)

    A169

    Steenloper (Arenaria interpres)

Artikel 3 Aanwijzing Natura 2000-gebied Grevelingen

  • 1.

    Deze aanwijzing gaat vergezeld van een nota van toelichting met bijlagen die integraal deel uitmaakt van deze aanwijzing.

  • 2.

    De in de artikelen 1 en 2 genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Grevelingen.

Artikel 4 Exclaveringsformule

  • 1.

    Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting wordt afgeweken. Hiervoor gelden de peildata, genoemd in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:

    • a.

      bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • b.

      bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond;

    • c.

      gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

    • d.

      erven: onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terreinen;

    • e.

      tuinen: in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terreinen, beplant met siergewassen en gazons, of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving en veelal, omheind zijn door middel van een afrastering, schutting, muur of haag of geheel of gedeeltelijk zijn omgeven door een sloot;

    • f.

      verhardingen: kunstmatige verhardingen zoals verharde wegen, pleinen, parkeervoorzieningen, erfverhardingen en steenglooiingen met inbegrip van in wegen liggende bruggen en duikers en de tot wegen behorende paden en bermen of zijkanten;

    • g.

      hoofdspoorweg: op grond van artikel 2 van de spoorwegwet als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg. Voor de begrenzing langs hoofdspoorwegen geldt artikel 3.5 van het omgevingsbesluit (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur).

Artikel 5 Instandhoudingsdoelstellingen Habitatrichtlijn: habitattypen en soorten

Artikel 6 Instandhoudingsdoelstellingen Vogelrichtlijn: broedvogels en niet-broedvogels

  • 1.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.

  • 2.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor de niet-broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.6 van de nota van toelichting.

Bijlage Nota van toelichting

1. INLEIDING

Het gebied Grevelingen is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna Habitatrichtlijn) en als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 2009/147/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna Vogelrichtlijn). Tezamen vormen deze speciale beschermingszones het Natura 2000-gebied Grevelingen. Het besluit bevat de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.

Artikel 1 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Habitatrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de habitattypen en habitatrichtlijnsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 2 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Vogelrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen. De toelichting op de criteria die voor de aanwijzing van het gebied zijn gebruikt zijn in een appendix aan deze nota gehecht.

Artikel 3 van het besluit introduceert de nota van toelichting en benadrukt dat het besluit niet te lezen is zonder de nota van toelichting. Daarnaast wordt in dit deel van het besluit het Natura 2000-gebied Grevelingen gevormd uit het Habitatrichtlijngebied en het Vogelrichtlijngebied.

Artikel 4 van het besluit regelt de uitgezonderde delen van de in artikel 1 en artikel 2 aangewezen gebieden.

Artikel 5 en artikel 6 van het besluit bepalen dat er voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen verwezenlijkt dienen te worden. De doelstelling van artikel 5 heeft betrekking op de in artikel 1 opgesomde soorten en habitattypen. De soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden in 2003. De doelstelling van artikel 6 heeft betrekking op de in artikel 2 opgesomde vogelsoorten. De vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden in 2000.

In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting worden de aanwijzingen op grond van de Habitat- en Vogelrichtlijn kort toegelicht.

Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een gebiedsbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op eventuele grenswijzigingen die zijn doorgevoerd nadat het gebied bij de Europese Commissie is aangemeld of die zijn doorgevoerd nadat het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 de bij dit besluit behorende begrenzing toegelicht.

In hoofdstuk 4 wordt een opsomming gegeven van habitattypen en soorten waaraan het gebied zijn betekenis ontleent.

In hoofdstuk 5 worden de algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en worden de specifieke instandhoudingsdoelstellingen genoemd in artikel 5 en 6, nader toegelicht. Er wordt aangegeven in welke richting de instandhoudingsdoelstelling zich zal moeten ontwikkelen. Daarvoor worden de termen “behoud”, “uitbreiding” en “verbetering” gebruikt. Voor een habitattype wordt de verdeling gemaakt in oppervlakte en kwaliteit, zodat de aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een habitattype altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de oppervlakte en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit wordt gegeven. Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit van het leefgebied. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang van het leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van “behoud” of “uitbreiding” van de populatie.

Bij de nota van toelichting is een bijlage A gevoegd met illustraties van grenswijzigingen indien van toepassing; die illustraties laten eventueel zien welke terreindelen zijn vervallen of zijn toegevoegd als onderdeel van de speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Anders dan de andere bijlagen bij de toelichting maakt bijlage A geen integraal onderdeel uit van dit besluit, aangezien er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet enkel nog rechten worden verleend aan de geometrische begrenzing. Bijlage B omvat een nadere onderbouwing van de na de eerste aanwijzing aangebrachte wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en toewijzing van en wijzigingen in instandhoudingsdoelstellingen.

2. AANWIJZINGEN HABITAT- EN VOGELRICHTLIJN

Artikel 1 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Grevelingen als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn (verder aangeduid als “Habitatrichtlijngebied”). Het gebied is in mei 2003 aangemeld volgens de procedure zoals opgenomen in artikel 4 van deze Richtlijn, waarna het gebied in december 2004 door de Europese Commissie onder de naam “Grevelingen” en onder nummer NL4000021 is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio2.

Artikel 2 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Grevelingen als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (verder aangeduid als “Vogelrichtlijngebied”). Het gebied is op 24 maart 2000 (N/2000/318) onder de naam “Grevelingen” aangewezen. Bij de Europese Commissie is dit gebied bekend onder nummer NL9802021. De bestaande Vogelrichtlijnbesluiten N/2000/318 en TRCJZ/2002/5723 zijn door middel van dit besluit gewijzigd.

Met betrekking tot het Vogelrichtlijngebied kan er in dit besluit naast mogelijke grenswijzigingen ook een wijziging plaatsvinden bij de vogelsoorten, waarvoor dit gebied destijds is aangewezen. Deze eventuele wijzigingen worden toegelicht in bijlage B. In dit besluit worden alle vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 3 van dit besluit voorziet in de samenvoeging van de speciale beschermingszones tot één Natura 2000-gebied Grevelingen (landelijk gebiedsnummer 115).

Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en onder de Vogelrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen, habitats van soorten en de leefgebieden van vogels in een gunstige staat van instandhouding behouden of, in voorkomend geval, herstellen. De instandhoudingsdoelstellingen (artikelen 5 en 6) en de begrenzing zijn in algemene zin nader toegelicht in het Natura 2000 doelendocument (2006)3. Dit document geeft het beleidskader van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen weer en van de daarbij gehanteerde systematiek. Beschrijvingen van habitattypen en (vogel)soorten waarvoor doelen zijn vastgesteld, zijn opgenomen in het Natura 2000 profielendocument (2008)4.

Het Natura 2000-gebied Grevelingen ligt in de provincies Zeeland en Zuid-Holland en behoort tot het grondgebied van de gemeenten Schouwen-Duiveland, Dirksland, Goedereede, Middelharnis en Oostflakkee.

3. GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEGRENZING

3.1 Gebiedsbeschrijving

Het Grevelingenmeer is een voormalig estuarium in het Deltagebied. Sinds de afsluiting door de Deltawerken is het grootste zoutwatermeer van Europa. Het zoute water wordt via een sluis in de Brouwersdam permanent ververst. Naast het relatief heldere water zelf behoren een aantal eilanden en de uitgestrekte oeverlanden (onder meer de Slikken van Flakkee) tot het gebied.

Ten gevolge van de oorspronkelijke getijdenbeweging waren in de Grevelingen schorren, slikken en platen ontstaan. De drooggevallen, kale zandvlakten, in de vorm van slikken en schorren langs de kust en platen in het open water, raakten na de afsluiting langzaam maar zeker begroeid. De laagst gelegen delen, die blijvend onder invloed staan van het zoute water, worden gekenmerkt door zoutminnende pioniervegetaties. Op de eilanden zijn uitgestrekte, soortenrijke duinvalleibegroeiingen aanwezig. De slikken en schorren zijn begroeid met zilte begroeiingen, graslanden, ruigten, struwelen en bos.

De onderwaterfauna en de vogelbevolking hebben een voor Nederlandse begrippen ongebruikelijke samenstelling, die is gekoppeld aan de waterhuishouding en de visintrek.

3.2 Landschappelijke context en kenmerken begrenzing

Grevelingen behoort tot het Natura 2000-landschap “Noordzee, Waddenzee en Delta”.

De ligging van de habitattypen en van de leefgebieden van de soorten (paragraaf 4.4) waarvoor het gebied is aangewezen, vormt het uitgangspunt voor de begrenzing van de Habitatrichtlijngebieden. Dit is inclusief terreindelen die van mindere kwaliteit zijn. Daarnaast omvat het begrensde gebied ook natuurwaarden die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren, alsmede terreindelen die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen5.

Bij de keuze en de afbakening van de gebieden is geen rekening gehouden met andere vereisten dan die verband houden met de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna6.

De grenzen van Vogelrichtlijngebieden worden bepaald door het gebruik dat de aanwezige bijlage I-soorten, en/of trekkende watervogels, en/of overige trekkende vogels ervan maken, waarbij wordt uitgegaan van landschapsecologische eenheden en de biotoopeisen van de betrokken vogelsoorten.

De Grevelingen is aangewezen als Vogelrichtlijngebied vanwege de aanwezigheid van een uitgestrekt zoutwatermeer, zandplaten en schrale graslanden die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de Richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als broedgebied, ruigebied, overwinteringsgebied en/of rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat in samenhang met o.a. de Vogelrichtlijngebieden Voordelta en Haringvliet voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten7.

3.3 Geometrische begrenzing en oppervlakte

De geometrische begrenzingen van het Natura 2000-gebied Grevelingen is weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage Gebiedsbegrenzingen. Het gebied omvat het open water van de Grevelingen, de daarin gelegen eilanden, Slikken van Bommenede, Dijkwater (Schouwen-Duiveland), Slikken van Flakkee, Preekhilpolder en De Punt (Goeree).

Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van ongeveer 13.750 ha, dat zowel onder Vogelrichtlijn als Habitatrichtlijn is aangewezen. Dit cijfer betreft de bruto-oppervlakte omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met niet in de geometrische begrenzing, tekstueel uitgesloten delen (zie artikel 4 en hierna).

Voor de begrenzing van Natura 2000-gebieden geldt de volgende algemene exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken. Voor de gebruikte begrippen gelden de definities (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied) zoals die omschreven zijn in artikel 4. Daar waar de geometrische begrenzing en de exclaveringsformule niet overeenstemmen, is de exclaveringsformule doorslaggevend.

Voor de toepassing van de exclaveringsformule van artikel 4 gelden er peildata:

  • 24 maart 2000 voor de gebiedsdelen die zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied.

  • 7 december 2004 voor de gebiedsdelen die geplaatst zijn op de eerste lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio8

  • 4 juli 2013 voor de gebiedsdelen die met het Natura-2000 aanwijzingsbesluit zijn toegevoegd aan het eerder aangewezen Vogelrichtlijngebied en aangemelde Habitatrichtlijngebied.

De begrenzingen van het Vogelrichtlijngebied en het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) zijn op enkele technische punten verbeterd (2013):

  • Bestaande bebouwing (inclusief erven en tuinen; reeds tekstueel geëxclaveerd) waar geen Natura 2000- waarden voorkomen, is waar mogelijk op grond van kadastrale of topografische lijnen ook buiten de begrenzing gebracht.

  • De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied is in principe gelijkgetrokken met die van het Vogelrichtlijngebied (afwijkingen zie onder).

  • De begrenzing is waar mogelijk gelegd langs topografisch herkenbare lijnen, zoals wegen, wateren, perceelscheidingen en bosranden.

  • Langs dijken is de grens ook op de kaart op de buitenteen van de dijk gelegd (conform nota van toelichting, besluit Vogelrichtlijngebied 2000).

  • Overlap van 5 meter of minder met kadastrale percelen die grotendeels buiten het gebied zijn gelegen, is gelet op de kadastrale inschrijving9, waar mogelijk beperkt. Dit betekent dat aldaar de kadastrale lijn is aangehouden. Deze werkwijze is alleen gevolgd op plekken waar geen Natura 2000-waarden aanwezig zijn.

Overige wijzigingen van meer dan 1 ha worden in de volgende alinea’s toegelicht.

Ten westen van de werkhaven van Bommenede is de grens op de dijk gelegd (bijlage A) waardoor het buitendijkse gebied “Vogelnol/ Bommenede” (+5,0 ha) geheel binnen de begrenzing valt. Het betreft oeverlanden (bestaande natuur).

De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) is verder aangepast:

  • Het bezoekerscentrum De Punt met parkeerplaats en een aangrenzende bosaanplant (39 ha) zijn uit de begrenzing gehaald. Dit terrein heeft geen betekenis voor de instandhouding van de waarden waarvoor het Habitatrichtlijngebied wordt aangewezen. Om overeenkomstige reden is hetzelfde terrein in beslissing op bezwaar buiten de begrenzing van het Vogelrichtlijngebied (zoals aangewezen in maart 2000) gebracht.

  • Ter hoogte van de Philipsdam is de grens gelijkgetrokken met die van het Vogelrichtlijngebied (3,5 ha). Het betreft een buitendijkse strook grasland (Clinckerlant) dat behoort tot het leefgebied van de noordse woelmuis (H1340), een prioritaire soort waarvoor het gebied als Habitatrichtlijngebied is aangemeld.

  • Oeverlanden ten oosten van de Preekhilpolder zijn toegevoegd (9,3 ha) wegens het voorkomen van de noordse woelmuis (H1340). Het betreft bestaande natuur, dat in eigendom en beheer is het Zuidhollands Landschap (tevens gelijktrekking grens met het Vogelrichtlijngebied, bijlage A).

De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is verder ten opzichte van het ontwerp aanwijzingsbesluit aangepast:

Langs de Grevelingendam is de grens gelijkgetrokken met die van het Habitatrichtlijngebied (-6,2 ha, bijlage A). Het betreft een buitendijkse strook recreatieterrein bestaande uit grasland en enkele bosjes dat geen betekenis heeft voor de vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Ten opzichte van het ontwerp aanwijzingsbesluit is de begrenzing van het Vogel- en Habitatrichtlijngebied verder als volgt aangepast (bijlage A):

  • Verkleining van het gebied (22 ha) in verband met de uitbreiding van de jachthaven van Bruinisse, waarvoor de Provincie Zuid-Holland op 20 september 2007 vergunning heeft verleend op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. Blijkens de vergunning worden geen significante effecten verwacht op het Natura 2000-gebied.

  • Verwijdering recreatieterrein langs de Grevelingendam dat bestaat uit bebouwing, verhardingen, grasvelden en bosjes waar geen Natura 2000-waarden voorkomen (20 ha waarvan 6 ha alleen Vogelrichtlijngebied).

4. NATURA 2000-WAARDEN

4.1 Inleiding

In de artikelen 1 en 2 is een opsomming gegeven van de waarden waaraan het gebied zijn betekenis ontleent als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. Wat betreft de aanwijzing als Habitatrichtlijngebied wordt in paragrafen 4.2.1 en 4.2.2 een lijst gegeven van de habitattypen (met vermelding van de aanwezige subtypen) en soorten waarvoor het gebied is aangewezen10. Paragraaf 4.2.3 vermeldt de vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen. Op alle vermelde habitattypen en (vogel)soorten is een instandhoudingsdoelstelling van toepassing (zie artikelen 5 en 6 en hoofdstuk 5).

Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 vermeld welke selectiecriteria op het Habitatrichtlijngebied van toepassing zijn en wordt onderbouwd waarom het gebied als Habitatrichtlijngebied is geselecteerd. Van elk habitattype en van elke soort waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet, wordt in bijlage B.3 in tekst en/of tabelvorm de betekenis (relatieve bijdrage) van het gebied afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden die aan de selectiecriteria voldoen. Ten slotte beschrijft paragraaf 4.4 de verspreiding van habitattypen en soorten binnen het gebied, ter onderbouwing van de gevolgde gebiedsbegrenzing van het Habitatrichtlijngebied.

4.2 Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen
4.2.1 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I11)

Het gebied is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitats opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een bijdrage levert aan de instandhouding op landelijk niveau. Ten behoeve van de nationale uitwerking van de Habitatrichtlijn is een deel van de habitattypen verdeeld in subtypen, vanwege de zeer ruime variatie in fysieke omstandigheden en soortensamenstelling. De namen van de habitattypen en daarvan afgeleide subtypen zullen verder met hun verkorte namen worden aangeduid. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2008) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H1310

Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende soorten

Verkorte naam Zilte pionierbegroeiingen

betreft de subtypen:

H1310A

Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal)

H1310B

Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur)

H1330

Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae)

Verkorte naam Schorren en zilte graslanden

betreft het subtype:

H1330B

Schorren en zilte graslanden (binnendijks)

H2130

*Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”)

Verkorte naam Grijze duinen

betreft het subtype:

H2130A

*Grijze duinen (kalkrijk)

H2160

Duinen met Hippophaë rhamnoides

Verkorte naam Duindoornstruwelen

H2170

Duinen met Salix repens ssp. argentea (Salicion arenariae) Verkorte naam Kruipwilgstruwelen

H2190

Vochtige duinvalleien

Verkorte naam Vochtige duinvalleien

betreft het subtype:

H2190B

Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

H6430

Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones Verkorte naam Ruigten en zomen

betreft het subtype:

H6430B

Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)

4.2.2 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage II12)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een wezenlijke functie in de levenscyclus vervult. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding op landelijk niveau. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2008) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H1340

*Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola)

H1364

Grijze zeehond (Halichoerus grypus)

H1365

Gewone zeehond (Phoca vitulina)

H1903

Groenknolorchis (Liparis loeselii)

4.2.3 Vogelrichtlijn: vogelsoorten (bijlage I en artikel 4.2)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn:

A007

Kuifduiker (Podiceps auritus)

A026

Kleine zilverreiger (Egretta garzetta)

A034

Lepelaar (Platalea leucorodia)

A037

Kleine zwaan (Cygnus bewickii (Cygnus columbianus bewickii))

A045

Brandgans (Branta leucopsis)

A081

Bruine kiekendief (Circus aeruginosus)

A103

Slechtvalk (Falco peregrinus)

A132

Kluut (Recurvirostra avosetta)

A138

Strandplevier (Charadrius alexandrinus)

A140

Goudplevier (Pluvialis apricaria)

A157

Rosse grutto (Limosa lapponica)

A191

Grote stern (Sterna sandvicensis)

A193

Visdief (Sterna hirundo)

A195

Dwergstern (Sterna albifrons)

Verder is het gebied aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen in hun trekzones (artikel 4.2):

A004

Dodaars (Tachybaptus ruficollis)

A005

Fuut (Podiceps cristatus)

A008

Geoorde fuut (Podiceps nigricollis)

A017

Aalscholver (Phalacrocorax carbo)

A041

Kolgans (Anser albifrons)

A043

Grauwe gans (Anser anser)

A046

Rotgans (Branta bernicla)

A048

Bergeend (Tadorna tadorna)

A050

Smient (Anas penelope)

A051

Krakeend (Anas strepera)

A052

Wintertaling (Anas crecca)

A053

Wilde eend (Anas platyrhynchos)

A054

Pijlstaart (Anas acuta)

A056.

Slobeend (Anas clypeata)

A067

Brilduiker (Bucephala clangula)

A069

Middelste zaagbek (Mergus serrator)

A125

Meerkoet (Fulica atra)

A130

Scholekster (Haematopus ostralegus)

A137

Bontbekplevier (Charadrius hiaticula)

A141

Zilverplevier (Pluvialis squatarola)

A149

Bonte strandloper (Calidris alpina)

A160

Wulp (Numenius arquata)

A162

Tureluur (Tringa totanus)

A169

Steenloper (Arenaria interpres)

Wijzigingen ten opzichte van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000) en/of het ontwerpbesluit (2008) zijn verklaard in bijlage B.2 van deze nota van toelichting.

4.3 Habitatrichtlijn: waarden waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet
4.3.1 Habitattypen (bijlage I)

Voor niet-prioritaire habitattypen opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor habitattypen welke verdeeld zijn in subtypen, geldt een aantal van “drie belangrijkste gebieden” per subtype. Voor prioritaire habitattypen13geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden” en voor subtypen van prioritaire habitattypen een aantal van “vijf belangrijkste gebieden” per subtype. Verdeling in subtypen ten behoeve van de selectie is alleen toegepast indien de subtypen een verschillende verspreiding hebben en de beschikbare gegevens verdeling in subtypen toelaten. Voor enkele verspreid over het land voorkomende habitattypen, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd14. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de aanwezige oppervlakte en zo nodig ook de representativiteit van het habitattype. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding15. In de onderstaande tabel zijn de habitattypen vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitattypen waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3).

Habitattype

Xa

Yb

Landelijke

oppervlakte c

Oppervlakte in Grevelingen d

Oppervlakte in

Yde gebied e

Selectie bij aanmelding

H1310A

3

3

ca. 2.200

-

B1 (2-6%)

ja

H1310B

3

3

ca. 300

A3 (50-75%)

B2 (6-15%)

ja

H1330B

3

3

ca. 1.000

A2 (30-50%)

B2 (6-15%)

nee

H2170

5

5

ca. 900

A1 (15-30%)

B1 (2-6%)

nee

H2190B

3

3

ca. 700

A2 (30-50%)

B2 (6-15%)

nee

  • a)

    Aantal gebieden dat maximaal voor dit habitattype kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot de X belangrijkste gebieden” voor het betreffende habitattype.

  • b)

    Aantal gebieden dat op grond van de huidige gegevens en omstandigheden zou voldoen aan het onder (a) genoemde selectiecriterium (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin het habitattype is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).

  • c)

    Geschatte landelijke oppervlakte van het (subtype van het) habitattype in hectaren.

  • d)

    Oppervlakte in het onderhavige gebied, uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte. (Niet ingevuld indien gebied niet één van de X belangrijkste gebieden is.)

  • e)

    Oppervlakte van het habitattype in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied. (Niet ingevuld indien niet van belang voor de bepaling van de relatieve betekenis van het gebied, wanneer representativiteit in plaats van oppervlakte doorslaggevend was.)

4.3.2 Soorten (bijlage II)

Voor niet-prioritaire soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor prioritaire soorten16 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden”. Voor enkele verspreid over het land voorkomende soorten, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd17. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de omvang van de aanwezige populatie. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding18. In de onderstaande tabel zijn de habitatsoorten vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitatsoorten waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3).

Code

Soort

Xa

Yb

Landelijke populatie c

% in Grevelingen d

% in Yde gebied e

Selectie bij aanmelding

*H1340

Noordse woelmuis

10

13

ca. 600

B2 (6-15%)

C (<2%)

ja

H1903

Groenknolorchis

5

5

ca. 16.000

B2 (6-15%)

B2 (6-15%)

nee

  • a)

    Aantal gebieden dat maximaal voor deze soort kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot de X belangrijkste gebieden” voor de betreffende soort.

  • b)

    Aantal gebieden dat op grond van de huidige gegevens en omstandigheden zou voldoen aan het onder (a) genoemde selectiecriterium (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin de soort is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).

  • c)

    Landelijke voortplantingspopulatie in exemplaren of aantal bezette kilometerhokken (km2).

  • d)

    Populatiegrootte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke populatie. (Niet ingevuld indien gebied niet één van de X belangrijkste gebieden is.)

  • e)

    Populatiegrootte in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied.

4.4 Verspreiding habitattypen en soorten in het Habitatrichtlijngebied

De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Grevelingen is in het bijzonder bepaald aan de hand van de ligging van habitattypen en leefgebieden van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen (zie verder paragraaf 3.2). De verspreiding van de betreffende habitattypen en soorten binnen het gebied wordt in deze paragraaf globaal beschreven ter onderbouwing van de gevolgde begrenzing. Het is niet bedoeld als een uitputtende beschrijving.

Het habitattype zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (H1310A) komt vooral voor langs de oevers van de Slikken van Flakkee. Het andere subtype zeevetmuur (H1310B) wordt eveneens daar eveneens aangetroffen (vaak aansluitend op subtype A) en daarnaast ook op de Hompelvoet en langs het Dijkwater. Schorren en zilte graslanden, binnendijks (H1330B) is zowel aanwezig op de Slikken van Flakkee, op de Slikken van Bommenede en op de lagere delen van de Hompelvoet. Het habitattype grijze duinen, kalkrijk (H2130A), komt met een vrij groot oppervlak voor op Hompelvoet. Duindoornstruwelen (H2160) zijn aanwezig op De Punt (uitloper voorkomen Duinen Goeree) en verder verspreid op de Slikken van Flakkee en de eilanden. Kruipwilgstruwelen (H2170) en vochtige duinvalleien, kalkrijk (H2190B) zijn aanwezig op de Slikken van Flakkee en de eilanden (Hompelvoet, Stampersplaat, Dwars in de Weg, Veermansplaat). Ruigten en zomen, harig wilgenroosje (H6430B) komen verspreid voor op de hogere delen van de Slikken van Flakkee. De groenknolorchis (H1903) is met name op de Stampersplaat en de Veermansplaat aanwezig. De noordse woelmuis (H1340) komt verspreid over het gehele gebied voor: Kabbelaarsbank, De Punt (noordoostelijk gedeelte), Preekhilpolder (inclusief de ten oosten daarvan gelegen oeverlanden), Markenje, Slikken van Flakkee (noordelijke deel), Slikken van Bommenede, Dijkwater en op alle eilanden (inclusief Ossehoek en Archipel).

5 . INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN

5.1 Inleiding

Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel aan maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Ingevolge artikel 4, vierde lid, Habitatrichtlijn worden bij aanwijzing als Habitatrichtlijngebied “tevens de prioriteiten vast[gesteld] gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat […] of van een soort […] alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging”.

Deze bepaling is in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nader uitgewerkt. Op grond van dit artikel bestaat de verplichting om in een aanwijzing doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van leefgebieden van vogelsoorten dan wel doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten op te nemen. Om die reden zijn voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Voor zover van toepassing is daarbij aangegeven welke habitattypen en/of (vogel)soorten ten koste mogen gaan van andere habitattypen en (vogel)soorten. Bij broedvogelsoorten met een regionale doelstelling is in de toelichting aangegeven wat in een bepaalde periode de minimale en maximale bijdrage van het betreffende gebied aan het regionale doelniveau is geweest.

In bijlage B.4 van deze nota van toelichting is een overzicht opgenomen van alle gebiedsdoelstellingen per habitattype en per (vogel)soort.

Voor de Natura 2000-gebieden zullen in beheerplannen instandhoudingsmaatregelen worden uitgewerkt die beantwoorden aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten van de betrokken natuurlijke habitats en (vogel)soorten.

Als verdere invulling van het stellen van prioriteiten zijn voor de acht onderscheiden Natura 2000- landschappen19 kernopgaven geformuleerd op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, de landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (“richting geven”) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en (vogel)soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (2006).

Het Grevelingenmeer heeft te kampen met een afnemend zuurstofgehalte. Als onderdeel van de MIRT verkenning Grevelingen20 die op initiatief van rijksoverheden en regionale overheden wordt uitgevoerd, wordt onderzocht of het water in de Grevelingen weer gezond kan worden door gedempt getij te introduceren in het meer middels een aantal doorlaatopeningen in de Brouwersdam en eventueel de Grevelingendam. De uitkomsten van deze verkenning kan aanleiding zijn om instandhoudingsdoelen voor dit gebied te herzien.

5.2 Algemene doelen

Behoud en indien van toepassing herstel van:

  • 1.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie;

  • 2.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;

  • 3.

    de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;

  • 4.

    de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

5.3 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I)

H1310

Zilte pionierbegroeiingen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype zilte pionierbegroeiingen komt over een aanzienlijke oppervlakte voor in het gebied, voornamelijk aan de oevers van zandplaten. Beide subtypen worden aangetroffen, zowel zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (subtype A) als zilte pionierbegroeiingen, zeevetmuur (subtype B). Met name voor subtype B is de uitgestrektheid van de begroeiingen uitzonderlijk.

H1330

Schorren en zilte graslanden

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit schorren en zilte graslanden, binnendijks (subtype B).

Toelichting

De Grevelingen is het belangrijkste gebied voor subtype B omdat hier in vergelijking tot andere gebieden verreweg de grootste oppervlakte voorkomt.

H2130

*Grijze duinen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit grijze duinen, kalkrijk (subtype A).

Toelichting

Het habitattype grijze duinen, kalkrijk (subtype A) komt met goede kwaliteit voor. Het betreft jonge begroeiingen die in circa 30 jaar onder invloed van begrazing zijn ontstaan op het eiland Hompelvoet. Behoud van de oppervlakte is, gezien de historische ontstaanswijze, voldoende.

H2160

Duindoornstruwelen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

In de Grevelingen wordt behoud van goed ontwikkelde vormen van het habitattype duindoornstruwelen nagestreefd, omdat het type landelijk in goede staat van instandhouding verkeert en in dit gebied met een relatief groot oppervlakte voorkomt. Uitbreiding van dit habitattype op de Grevelingse eilanden ten koste van habitattypen grijze duinen (H2130) en vochtige duinvalleien (H2190) moet worden voorkomen.

H2170

Kruipwilgstruwelen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype kruipwilgstruwelen komt plaatselijk in goed ontwikkelde, kalkminnende vorm voor en vormt een successiestadium dat voortkomt uit habitattype vochtige duinvalleien (H2190). De Grevelingen is één van de belangrijkste gebieden voor dit habitattype. Omdat de landelijke staat van instandhouding gunstig is wordt behoud van oppervlakte en kwaliteit nagestreefd.

H2190

Vochtige duinvalleien

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B).

Toelichting

De Grevelingen herbergt een relatief grote oppervlakte van het kalkminnende habitattype vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B) in goed ontwikkelde vorm. Het betreft relatief jonge ecosystemen, naar verwachting zal op de langere duur onder het huidige beheer een verschuiving in de soortensamenstelling plaatsvinden van kalkindicerende soorten van vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B) naar meer zuurindicerende soorten van vochtige duinvalleien, ontkalkt (subtype C) en mogelijk begroeiingen van habitattype grijze duinen (H2130) en kruipwilgstruwelen (H2170).

H6430

Ruigten en zomen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B).

Toelichting

Het habitattype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B) komt hier in de vorm van heemstbegroeiingen in geringe omvang voor.

5.4 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage II)

H1340

*Noordse woelmuis

Doel

Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

De Grevelingen vormt één van de belangrijkste gebieden voor de noordse woelmuis in Zuidwest-Nederland. De soort komt hier voor op voormalige slikken aan de rand van het gebied en op de eilanden, waar de populatie aanzienlijk is afgenomen.

H1364

Grijze zeehond

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De Grevelingen fungeert als foerageer- en rustgebied voor een relatief klein deel van de Noordzeepopulatie.

H1365

Gewone zeehond

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De Grevelingen fungeert als foerageer- en rustgebied voor een relatief klein deel van de landelijke populatie, waarvan de meeste individuen in de Waddenzee leven. De landelijke doelstelling voor het uitbreiden van de populatie betreft vooral de deelpopulatie in het Deltagebied, maar de daarmee samenhangende doelstelling voor het verbeteren van de kwaliteit van het leefgebied heeft alleen betrekking op de voortplantingsfunctie en die is niet van toepassing op de Grevelingen.

H1903

Groenknolorchis

Doel

Behoud omvang en kwaliteit biotoop voor behoud populatie.

Toelichting

De groenknolorchis komt voor in vochtige duinvalleien (H2190) in het gebied. Voor duurzaam behoud zijn telkens opnieuw jonge successiestadia van vochtige duinvalleien noodzakelijk.

5.5 Vogelrichtlijn: broedvogels

A081

Bruine kiekendief

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste17 paren.

Toelichting

De bruine kiekendief is van oudsher een vrij zeldzame broedvogel. Vanaf de jaren tachtig heeft een duidelijke toename plaatsgevonden tot maximaal 20 paren in 1997 en 2001. In de periode 1999-2003 werden gemiddeld 17 paren per jaar geteld. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. Het gebied levert vooralsnog onvoldoende draagkracht voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan zowel de draagkracht in de regio Zeeuwse Delta als die in de Hollandse Delta ten behoeve van regionale sleutelpopulaties.

A132

Kluut

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 2.000 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Hollands Diep, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde, Zoommeer, Westerschelde & Saeftinghe en Markiezaat. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. Gezien de negatieve trend in de Grevelingen en de noodzakelijke bijdrage aan de regionale populatiedoelstelling, is in het onderhavige gebied herstel van het leefgebied gewenst. In de recente periode 1999-2008 is gebleken dat maximaal 16% van het regionale doelniveau van het Deltagebied broedde in het onderhavige gebied, en minimaal 8%. Op de korte termijn18 is de doelstelling gericht op het keren van de huidige negatieve trend. De kluut is van oudsher een broedvogel op de Slikken van Flakkee, de Hompelvoet en de Slikken van Bommenede.

A137

Bontbekplevier

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de populatie van het Deltagebied van ten minste 105 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde, Zoommeer, Westerschelde & Saeftinghe en Markiezaat. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. Gezien de negatieve trend in de Grevelingen en de noodzakelijke bijdrage aan de regionale populatiedoelstelling, is in het onderhavige gebied herstel van het leefgebied gewenst. In de recente periode 1999-2008 is gebleken dat maximaal 30% van het regionale doelniveau van het Deltagebied broedde in het onderhavige gebied en minimaal 13%. Op de korte termijn21 is de doelstelling gericht op het keren van de huidige negatieve trend. Belangrijkste broedplaatsen waren de Slikken van Flakkee, Veermansplaten en Hompelvoet.

A138

Strandplevier

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 220 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Duinen Goeree & Kwade Hoek, Haringvliet, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde, Zoommeer, Westerschelde & Saeftinghe en Markiezaat. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. Gezien de negatieve trend in de Grevelingen en de noodzakelijke bijdrage aan de regionale populatiedoelstelling, is in het onderhavige gebied herstel van het leefgebied gewenst. In de recente periode 1999-2008 is gebleken dat maximaal 40% van het regionale doelniveau van het Deltagebied broedde in het onderhavige gebied, en minimaal 27%. Op de korte termijn22 is de doelstelling gericht op het keren van de huidige negatieve trend. Van oudsher is de strandplevier een broedvogel op (schelpen)strandjes langs de kust. Na de afsluiting vestigden zich vele paren op drooggevallen schorren en op werkeilanden (Slikken van Flakkee, Veermansplaten en Hompelvoet).

A191

Grote stern

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 6.200 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Grevelingen, Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinghe. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 0% en maximaal 68% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Hoewel de aantallen broedende grote sterns sinds 2004 laag zijn in de Grevelingen, is er geen herstelopgave op korte termijn vereist omdat de bijdrage van dit gebied aan de landelijke populatiedoelstelling binnen Natura 2000-gebieden, samen met de bijdrage van de overige Natura 2000-gebieden voldoende is. De grote stern broedt al van oudsher op de Hompelvoet. De afsluiting heeft daarin geen verandering gebracht. Vanaf 1985 werd in de Grevelingen zowel op de Hompelvoet als op de plaat van Markenje gebroed, terwijl vanaf 1987 een deel van deze populatie ging broeden in de Westerschelde (Hooge Platen) en in België (Zeebrugge).

A193

Visdief

Doel

Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 6.500 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde, Zoommeer en Westerschelde & Saeftinghe. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. Gezien de negatieve trend in de Grevelingen en de noodzakelijke bijdrage aan de regionale populatiedoelstelling, is in het onderhavige gebied herstel van het leefgebied gewenst. In de recente periode 1999-2008 is gebleken dat maximaal 14% van het regionale doelniveau van het Deltagebied broedde in het onderhavige gebied en minimaal 4%. Op de korte termijn23 is de doelstelling gericht op het keren van de huidige negatieve trend. Sinds 2005 is er weer sprake van een toename. Met name de Hompelvoet herbergt van oudsher een flinke kolonie visdieven.

A195

Dwergstern

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 300 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinghe. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is herstel van de populatie niet direct vereist, omdat er een positieve trend zichtbaar is. Het leefgebied heeft blijkbaar voldoende draagkracht. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 5% en maximaal 76% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Pas na de afsluiting werd de Grevelingen een belangrijk broedgebied voor de dwergstern. Rond 1980 was op de Hompelvoet jaarlijks een kolonie aanwezig (circa 140 paren), en in 2002 op de Slikken van Bommenede.

5.6 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

A004

Dodaars

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld70 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen dodaars zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert als concentratiegebied de grootste bijdrage voor de dodaars in Nederland, na het Veerse meer en de Oosterschelde. Verder heeft de dodaars een nogal diffuse verspreiding. De soort is een wintergast, vooral aanwezig van oktober-maart. Populatieaantallen fluctueren afhankelijk van de strengheid van de winters, maar recent heeft een opvallende toename plaatsgevonden. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A005

Fuut

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.600 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen futen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert de grootste bijdrage als overwinteringsgebied voor de fuut in Nederland. De soort is vooral aanwezig van oktober- februari. Tot voor kort was er met name een sterke toename in aantal van november op december. Het zwaartepunt van de verspreiding verschoof dan van het midden en oosten (Dwars in de Weg, Veermansplaat, Dijkwater) naar het westen. Een deel van deze vogels kwam waarschijnlijk onder andere vanuit de Voordelta en Oosterschelde, waar de piek al in oktober valt. Begin jaren negentig is de populatie sterk toegenomen, sinds 1993 fluctuerend maar sinds het seizoen 1999/2000 zijn de aantallen in december-maart weer aanzienlijk lager. Het aantalsverloop vertoont overeenkomsten met dat van de middelste zaagbek (A069) en de aalscholver (A017). De recente afname resulteert ook in een afname in het hele Deltagebied. De landelijk matig ongunstige staat van instandhouding wordt echter vooral veroorzaakt door de situatie in het IJsselmeergebied. Behoud van de huidige situatie in dit gebied is dan ook voldoende.

A007

Kuifduiker

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 20 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen kuifduikers zijn van internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert de grootste bijdrage voor de kuifduiker in Nederland (de aanwezigheid op de Noordzee en de Waddenzee is echter slecht gedocumenteerd). De soort is een wintergast, vooral aanwezig van november-april. De kuifduiker is recent toegenomen tot internationaal belangrijke aantallen (maximum 198 in seizoen 2003/2004). Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A008

Geoorde fuut

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.500 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen geoorde futen zijn van internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert veruit de grootste bijdrage voor de geoorde fuut in Nederland. De soort is bijna het gehele jaar present, met de laagste aantallen in mei/juni en hoge aantallen vooral in augustus/september. In die laatste periode wordt op de Grevelingen geruid. De geoorde fuut komt verspreid over het hele meer voor, maar is vooral aanwezig op de overgang van ondiep naar dieper water. Sinds 1993 is de populatie in de ruiperiode sterk toegenomen (verviervoudigd); het seizoensmaximum is inmiddels groter dan 8.000. Ook de Nederlandse broedpopulatie is sterk toegenomen (tot circa 500 paar in 2000), maar de aantallen in de Grevelingen zijn zodanig hoog dat er ook sprake moet zijn van een ruigebied met internationale aantrekkingskracht. Recent is ook in de wintermaanden sprake van een populatietoename. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

A017

Aalscholver

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 310 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de aalscholver met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft vooral betrekking op de foerageerfunctie. De soort is vooral aanwezig in het vroege najaar, met maxima in september. In de jaren negentig was de populatie aanvankelijk stabiel, maar vanaf 1998 is de aalscholver in lagere aantallen aanwezig. Dit aantalsverloop vertoont overeenkomsten met dat van de fuut (A005) en de middelste zaagbek (A069). Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A026

Kleine zilverreiger

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 50 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen kleine zilverreigers zijn van grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en levert de grootste bijdrage in Nederland, met bijna een derde van de Nederlandse vogels. De kleine zilverreiger is vooral aanwezig in de nazomer (augustus-oktober), iets langer dan de lepelaar (A034). De soort is aanwezig in de Grevelingen vanaf 1993, sindsdien is er sprake van een sterke doorgaande populatietoename tot een voorlopig maximum van 269 vogels in 2003. Handhaving van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A034

Lepelaar

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 70 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen lepelaars zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De soort is vooral aanwezig in de nazomer (augustus/september). De populatie is toegenomen in relatie met de groei van de Nederlandse populatie. Mogelijk vindt er uitwisseling plaats met de Voordelta bij een gunstig voedselaanbod in de Grevelingen. Hierbij gaat het vooral om brakwatergrondel, waarvan twee sterke jaarklassen een extra sterke toename van het aantal lepelaars in 1997 en 1998 kunnen verklaren. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A037

Kleine zwaan

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 4 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de kleine zwaan met name een functie als slaapplaats en als foerageergebied. Rond 1990 waren er relatief hoge aantallen, waarna een afname heeft plaatsgevonden, met mogelijk recent enig herstel. Handhaving van de huidige situatie is voldoende ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding, omdat het landelijke aantalsverloop vooral door omstandigheden in de broedgebieden wordt gestuurd.

A041

Kolgans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 140 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de kolgans met name een functie als foerageergebied. Aantallen fluctueren sterk, er is geen duidelijke trend. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A043

Grauwe gans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 630 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de grauwe gans met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft vooral betrekking op de foerageerfunctie. Zoals op de meeste plaatsen in Nederland zijn aantallen in de loop van de jaren negentig steeds sneller toegenomen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.

A045

Brandgans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.900 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen brandganzen zijn van internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft vooral betrekking op de foerageerfunctie. Het aantalsverloop fluctueert door uitwisseling met binnendijkse gebieden. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.

A046

Rotgans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.700 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen rotganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De Grevelingen levert na de Waddenzee en de Oosterschelde de grootste bijdrage voor de soort in Nederland. De draagkrachtschatting heeft vooral betrekking op de foerageerfunctie. Aantallen zijn min of meer stabiel. Behoud van de huidige situatie is voldoende, want er is geen landelijke herstelopgave geformuleerd.

A048

Bergeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 700 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de bergeend met name een functie als foerageergebied. De soort is vooral aanwezig in najaar en winter en neemt in aantal toe, net als in de rest van de zoute Delta. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A050

Smient

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 4.500 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de smient met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats De soort is een wintergast, aanwezig in september-maart. Er is sprake van schommelende aantallen zonder een duidelijke trend, ondanks de populatietoename in de Oosterschelde en Westerschelde. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A051

Krakeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 320 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen krakeenden zijn van internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De soort is een wintergast, vooral aanwezig in november-maart. Sinds 1999 is de populatie sterk toegenomen, waardoor de Grevelingen de grootste bijdrage in de zoute Delta is gaan leveren met aantallen van internationale betekenis. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A052

Wintertaling

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 510 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de wintertaling met name een functie als foerageergebied. De soort is vooral overwinteraar, aanwezig in de periode september-maart. Er is sprake van sterk fluctuerende aantallen zonder een duidelijke trend, ondanks de populatietoename in de Oosterschelde en Westerschelde. Behoud van de huidige situatie is voldoende, want er is geen landelijke herstelopgave geformuleerd.

A053

Wilde eend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2.900 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de wilde eend met name een functie als foerageergebied. Er is geen duidelijke trend. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A054

Pijlstaart

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 60 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de pijlstaart met name een functie als foerageergebied. Er is sprake van fluctuerende aantallen met een toenemende tendens. Behoud van de huidige situatie is voldoende, want er is geen landelijke herstelopgave geformuleerd.

A056

Slobeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 50 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de slobeend met name een functie als foerageergebied. Er is sprake van toenemende aantallen met enige fluctuatie. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A067

Brilduiker

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 620 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen brilduikers zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert na de Oosterschelde en het Krammer- Volkerak de grootste bijdrage voor de brilduiker in Nederland. De soort is een wintergast, vooral aanwezig in november-maart. De populatie is geleidelijk afgenomen, sinds 1999 zijn de aantallen beduidend lager, vergelijkbaar met het aantalsverloop van de grotere viseters. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A069

Middelste zaagbek

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.900 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen van de middelste zaagbek zijn van internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort onder andere een functie als foerageergebied. Het betreft het gebied met verreweg de grootste bijdrage als overwinteringsgebied voor de middelste zaagbek in Nederland (de aantallen in de Noordzee en Waddenzee zijn echter slecht gedocumenteerd). De soort is vooral aanwezig in oktober-april, met name in het oosten en bij de Veermansplaat, in groepen op de overgang van ondiep naar diep, samen met geoorde futen (A008) en brilduikers (A067). In de tweede helft van de jaren tachtig en de eerste helft van de jaren negentig is de populatie sterk toegenomen, daarna eerst stabiel gebleven maar sinds seizoen 1999/2000 in oktober-december zijn de aantallen weer aanzienlijk lager. Dit patroon vertoont overeenkomsten met dat van de fuut (A005) en de aalscholver (A017) en wordt mogelijk gestuurd door veranderingen in visstand. Anders dan bij fuut (A005) en aalscholver (A017) was in 2002 en 2003 weer sprake van hogere aantallen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A103

Slechtvalk

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 10 vogels (seizoensmaximum).

Toelichting

Aantallen slechtvalken zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De Grevelingen levert na de Waddenzee en de Oosterschelde de grootste bijdrage voor de slechtvalk binnen het Natura 2000-netwerk. Er is sprake van een sterke doorgaande populatietoename. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A125

Meerkoet

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2.000 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de meerkoet met name een functie als foerageergebied. De soort komt onder meer voor foeragerend op grasland langs de Grevelingendam en rond jachthavens. Recent is de populatie sterk in aantal toegenomen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A130

Scholekster

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 560 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de scholekster onder andere een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Er was sprake van relatief hoge aantallen in de tweede helft van de jaren negentig, daarna is de populatie weer in aantal afgenomen. Op langere termijn is de populatie min of meer stabiel. Behoud van de huidige situatie is voldoende, want de vermoedelijke oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding ligt niet in dit gebied.

A132

Kluut

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 80 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de kluut met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op soort is het hele jaar present, met lage aantallen in december-februari en hoge aantallen in april-juni, door invloed van de lokale beide functies. De broedpopulatie. Het aantalsverloop is min of meer stabiel. Behoud van de huidige situatie is voldoende, want er is geen landelijke herstelopgave geformuleerd.

A137

Bontbekplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 50 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de bontbekplevier met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De populatie die in West- en Zuid-Afrika overwintert, trekt door via de Grevelingen in augustus/september en in mei, en zorgt voor de grootste pieken in het seizoensverloop. De najaarspiek is sinds de jaren tachtig verschoven van augustus naar september en in de tweede helft van de jaren negentig in betekenis afgenomen. In de andere maanden, waarin het vooral gaat om de populatie die in West-Europa en Noord-Afrika overwintert (met een afzonderlijk herkenbare doortrekpiek in maart), is sprake van een min of meer doorgaande populatietoename, die door de lagere aantallen echter de recente afname gedurende het najaar niet volledig compenseert. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A138

Strandplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 20 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen strandplevieren zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Het gebied levert na de Westerschelde en Oosterschelde de grootste bijdrage voor de strandplevier binnen Nederland. De soort is vooral aanwezig in de zomer en het najaar (mei-oktober). Aantallen zijn min of meer stabiel, maar met begin jaren negentig een verschuiving van juli/augustus (najaarstrek) naar april-juni (broedtijd). De aantallen doortrekkers in Nederland worden grotendeels bepaald door de omvang van de eigen broedpopulatie en de afname is voor een groot deel een gevolg van verlies aan geschikte broedgebieden. De draagkrachtschatting is berekend over de periode na de grootste landelijke afname, 1989-2003. De soort verkeert landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding.

A140

Goudplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2.600 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen goudplevieren zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Het gebied levert als wetland na de Waddenzee de grootste bijdrage voor de goudplevier binnen Nederland. Het seizoensverloop vertoont pieken in november/december en in februari/maart. In de Grevelingen is een duidelijke populatietoename, waarbij de voorjaarspiek aanzienlijk hoger is geworden dan de najaarspiek, terwijl de zwaartepunten verschoven van december naar november en van maart naar februari. De landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding heeft zijn oorsprong in een afname buiten het Natura 2000-netwerk. Behoud van de huidige situatie is voldoende, want de vermoedelijke oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding ligt niet in dit gebied.

A141

Zilverplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 130 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de zilverplevier met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De populatie is toegenomen, weliswaar met enige fluctuaties. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A149

Bonte strandloper

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 650 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de bonte strandloper met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De soort is een overwinteraar, aanwezig in oktober-maart. Aantallen fluctueren, mogelijk met enige toename, het aandeel in de totale Deltapopulatie is echter klein. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A157

Rosse grutto

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 30 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de rosse grutto onder andere een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. In de jaren negentig heeft een opvallende afname in aantallen plaatsgevonden. Behoud van de huidige situatie is echter voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A160

Wulp

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 440 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de wulp met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De populatie is toegenomen in de loop van de jaren negentig. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A162

Tureluur

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 170 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de tureluur met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De aantallen vertonen een licht positieve trend. Behoud van de huidige situatie is voldoende, want er is geen landelijke herstelopgave geformuleerd.

A169

Steenloper

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 30 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de steenloper met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De soort is het hele jaar present, maar met lage aantallen in juni en juli. Na een forse afname eind jaren tachtig, is de populatie min of meer stabiel. In de Grevelingen gaat het slechts om enkele tientallen vogels. Behoud van de huidige situatie is voldoende, want de vermoedelijke oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding ligt niet in dit gebied.

Bijlage A

Grenswijzigingen Vogelrichtlijngebied

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Bijlage B

Nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en toewijzing van en wijzigingen in instandhoudingsdoelstellingen.

B.1 Wijzigingen in habitattypen en soorten ten opzichte van aanmelding als Habitatrichtlijngebied en/of het ontwerpbesluit (paragraaf 4.2.1 en 4.2.2)
  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2008) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype grijze duinen (H2130). Echter: in afwijking van het ontwerpbesluit (2008) is de doelstelling voor subtype B (kalkarm) vervangen door die voor subtype A (kalkrijk), omdat uit onderzoek blijkt dat subtype B niet in het gebied voorkomt, maar subtype A wel24.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), maar conform het ontwerpbesluit (2008), is het gebied ook aangewezen voor het habitattype duindoornstruwelen (H2160). Duindoornstruwelen zijn aanwezig op De Punt en verder verspreid op de Slikken van Flakkee en de eilanden.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), maar conform het ontwerpbesluit (2008), is het gebied ook aangewezen voor het habitattype ruigten en zomen (H6430). Het habitattype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B) komt met een beperkte oppervlakte in dit gebied voor.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2008) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort grijze zeehond (H1364), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2008) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort gewone zeehond (H1365), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.

B.2 Wijzigingen in vogelsoorten ten opzichte van aanwijzing als Vogelrichtlijngebied en/of het ontwerpbesluit (paragraaf 4.2.3)

De vogelsoorten waarvoor het gebied in 2000 is aangewezen, zijn indertijd ontleend aan SOVON (2000)25. De numerieke criteria die daarin zijn opgenomen zijn ontleend aan de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000)26. Een gebied wordt slechts aangewezen voor soorten waarvoor het gebied van landelijke betekenis is. Hiervan is in beginsel sprake indien het gebied minstens 1% van de landelijke broedpopulatie herbergt, indien 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied verblijft of indien het gebied in combinatie met andere gebieden voldoende bijdrage kan leveren aan een sleutelpopulatie.

Voor eventuele toevoeging of verwijdering van vogelsoorten is gebruik gemaakt van SOVON & CBS (2005)27 waarin de ontwikkeling van vogelaantallen in de laatste decennia is beschreven. Dit rapport heeft ten grondslag gelegen aan de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Vogelrichtlijnsoorten. In bijlage 1 van dit rapport zijn de verschillen aangegeven tussen de soortenlijsten per gebied die in beide aangehaalde rapporten zijn opgenomen. Om ecologische redenen die in voorkomende gevallen hieronder zijn vermeld, is soms van deze algemene criteria afgeweken. Deze werkwijze heeft voor de lijst van vogelsoorten waarvoor dit gebied is aangewezen, de volgende consequenties:

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (2000), maar conform het ontwerpbesluit (2008), is het gebied niet aangewezen voor de volgende vogelsoorten van bijlage I: nonnetje (A068) als niet-broedvogel en zwartkopmeeuw (A176) als broedvogel. Opname van het nonnetje in dit gebied is destijds gebaseerd op een eenmalig hoog aantal. Het gebied blijkt op grond van recente gegevens van marginale betekenis voor de landelijke staat van instandhouding van deze soort en er is tevens geen sprake van een landelijke herstelopgave. De instandhoudingsdoelstelling voor de zwartkopmeeuw is verwijderd omdat de relatieve bijdrage van het gebied voor deze soort door sterke toename van de landelijke populaties inmiddels is afgenomen. Het gebied is slechts nog van marginale betekenis voor de landelijke staat van instandhouding van deze soort, waarvoor geen landelijke herstelopgave is geformuleerd.

B.3 Toepassing selectiecriteria Habitatrichtlijngebieden (paragraaf 4.3)

In dit onderdeel wordt voor elk habitattype en elke soort waarvoor het onderhavige gebied aan de selectiecriteria voldoet (zie paragraaf 4.3), een overzicht gegeven van alle daarvoor kwalificerende gebieden. Dit gebeurt zoveel mogelijk in de vorm van een tabel met de gebieden die aan de selectiecriteria voldoen, onder vermelding van de relatieve bijdrage. In het geval van habitattypen betreft dit het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. Indien kwaliteit een rol heeft gespeeld in de bepaling van de gebiedenselectie voor habitattypen is dit tekstueel toegelicht. In het geval van soorten betreft de relatieve bijdrage het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is.

Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen, aantal bezette plekken of kilometerhokken.

Er is gebruik gemaakt van de volgende klasse-indeling:

A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75%

B1 = 2-6% en B2 = 6-15%

C = <2%

In de kolom “Bronvermelding” zijn de terreinbeherende organisaties en andere instanties en bronnen vermeld, waaraan de oppervlaktecijfers en aantallen zijn ontleend, met vermelding van de jaren waarin deze zijn verzameld of gepubliceerd.

  • Het gebied is één van de belangrijkste gebieden voor de volgende habitattypen:

H1310A – Zilte pionierbegroeiingen, zeekraal

Landelijke oppervlakte ca. 2.200 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

001

Waddenzee

A3 (50-75%)

Aanwijzingsbesluit 2009

122

Westerschelde & Saeftinghe

A1 (15-30%)

Aanwijzingsbesluit 2010

118

Oosterschelde

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2010

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden zijn voor dit habitattype de volgende vijf gebieden geselecteerd: Waddenzee (001), Duinen en Lage Land Texel (002)28, Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)29, Grevelingen (115) en Zwin en Kievittepolder (123)30. In het Natura 2000 doelendocument (2006) is dit habitattype in twee subtypen verdeeld (respectievelijk zeekraal en zeevetmuur) om recht te doen aan de ecologische variatie en gelet op het aanzienlijke verschil in ecologische vereisten. De “belangrijkste gebieden” voor subtype A (zeekraal) zijn: Waddenzee, Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122). Van deze gebieden herbergt Waddenzee de grootste oppervlakte (ongeveer 50% landelijke oppervlakte), gevolgd door Westerschelde (ongeveer 20%) en Oosterschelde (ongeveer 5%). Het vierde en vijfde gebied zijn Duinen en Lage Land Texel en Noordzeekustzone (007); zij bevatten net iets meer dan 2% van de landelijke oppervlakte van het subtype. In de overige gebieden zijn slechts relatief kleine oppervlakten oppervlakten van dit subtype aanwezig.

H1310B – Zilte pionierbegroeiingen, zeevetmuur

Landelijke oppervlakte ca. 300 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

115

Grevelingen

A3 (50-75%)

Staatsbosbeheer 2003

007

Noordzeekustzone

A1 (15-30%)

Aanwijzingsbesluit 2009

002

Duinen en Lage Land Texel

B2 (6-15%)

Aanwijzingsbesluit 2009

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden zijn voor dit habitattype de volgende vijf gebieden geselecteerd: Waddenzee (001), Duinen en Lage Land Texel (002)31, Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)32, Grevelingen (115) en Zwin & Kievittepolder (123)33. In het Natura 2000 doelendocument (2006) is dit habitattype in twee subtypen verdeeld (respectievelijk zeekraal en zeevetmuur) om recht te doen aan de ecologische variatie en gelet op het aanzienlijke verschil in ecologische vereisten. De “belangrijkste gebieden” voor subtype B (zeevetmuur) zijn: Grevelingen, Noordzeekustzone (007) en Duinen en Lage Land Texel. Van deze gebieden herbergt de Grevelingen verreweg de grootste oppervlakte (circa 65%). Op de tweede plaats staat Noordzeekustzone waar zich recent op het Groene Strand van Schiermonnikoog ook een forse oppervlakte heeft ontwikkeld. Duinen en Lage Land Texel staat op de derde plaats hoewel niet duidelijk is of dit subtype in de Waddenzee niet meer voorkomt dan de beschikbare karteringen aangeven. Op de vijfde plaats staat Kwade Hoek dat onderdeel is van Natura 2000-gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek. In de overige gebieden zijn slechts relatief kleine oppervlakten van dit subtype aanwezig.

H1330B – Schorren en zilte graslanden, binnendijks

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor dit habitattype, zonder onderscheid in subtypen, de volgende vijf gebieden geselecteerd: Waddenzee (001), Duinen en Lage Land Texel (002)34, Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)35, Oosterschelde (118)36 en Westerschelde & Saeftinghe (122). In het Natura 2000 doelendocument (2006) is dit habitattype in twee subtypen verdeeld (respectievelijk buitendijks en binnendijks) om recht te doen aan de ecologische variatie en gelet op het aanzienlijke verschil in ecologische vereisten. De drie “belangrijkste gebieden” voor subtype B (binnendijks) zijn: Grevelingen (115), Oosterschelde en Yerseke en Kapelse Moer (121). Van deze gebieden herbergt Grevelingen de grootste oppervlakte (30-40% van de landelijke oppervlakte), gevolgd door Yerseke en Kapelse Moer en Oosterschelde (met name inlagen Schouwen-Duiveland). In andere gebieden zijn slechts relatief kleine oppervlakten aanwezig.

H2170 – Kruipwilgstruwelen

Landelijke oppervlakte ca. 900 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

004

Duinen Terschelling

A1 (15-30%)

Aanwijzingsbesluit 2009

115

Grevelingen

A1 (15-30%)

Staatsbosbeheer 2003

002

Duinen en Lage Land Texel

B2 (6-15%)

Aanwijzingsbesluit 2009

005

Duinen Ameland

B2 (6-15%)

Aanwijzingsbesluit 2009

006

Duinen Schiermonnikoog

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2009

Ten tijde van de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) werden voor dit habitattype twee subtypen onderscheiden waarbij voor elk subtype drie gebieden zijn geselecteerd. Voor het verbond der wilgenbroekstruwelen: Duinen Ameland (005), Duinen Terschelling (004) en Zwanenwater & Pettemerduinen (085)37, en voor het kraaihei-verbond: Duinen Schiermonnikoog (006), Duinen Terschelling (004) en Duinen en Lage Land Texel (002)38. In de huidige interpretatie van het habitattype kruipwilgstruwelen worden geen subtypen onderscheiden. Op basis van nieuwe informatie kunnen de vijf in de tabel genoemde gebieden thans als belangrijkste worden aangemerkt. Dit zijn de gebieden met veruit de grootste oppervlakten en/of de beste kwaliteit van dit habitattype. Vergelijkbare oppervlakten als op Duinen Schiermonnikoog zijn aanwezig in Noordhollands Duinreservaat (087) en Kop van Schouwen (116) maar deze betreffen minder soortenrijke vegetaties dan op Schiermonnikoog. Samen herbergen deze vijf gebieden zo’n 70% van de landelijke oppervlakte.

H2190B – Vochtige duinvalleien, kalkrijk

Landelijke oppervlakte ca. 700 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

115

Grevelingen

A2 (30-50%)

Staatsbosbeheer 2003

006

Duinen en Lage Land Texel

B2 (6-15%)

Aanwijzingsbesluit 2009

100

Voornes Duin

B2 (6-15%)

Aanwijzingsbesluit 2008

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn de drie volgende gebieden voor dit subtype geselecteerd: Duinen Vlieland (003), Duinen Schiermonnikoog (006) en Voornes Duin (100). Op grond van de huidige kennis kunnen de drie in de tabel genoemde gebieden thans als belangrijkste gebieden voor het subtype worden beschouwd. Relatief grote oppervlakten (>6%) worden behalve in Grevelingen (115) en Duinen en Lage Land Texel (002) ook aangetroffen in Voornes Duin, Duinen Terschelling (004), Kennemerland-Zuid (088) en Duinen Goeree & Kwade Hoek (101). De laatste drie gebieden zijn in de selectie van de drie belangrijkste gebieden echter buiten beschouwing gelaten, omdat in Voornes Duin het subtype in betere kwaliteit voorkomt vanwege de grote soortenrijkdom.

  • Het gebied is één van de belangrijkste gebieden voor de volgende habitatsoorten:

H1340 – *Noordse woelmuis

Landelijke populatie ca. 600 kilometerhokken

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

002

Duinen en Lage Land Texel

B2 (6-15%)

Aanwijzingsbesluit 2009

112

Biesbosch

B2 (6-15%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

115

Grevelingen

B2 (6-15%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

109

Haringvliet

B1 (2-6%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

118

Oosterschelde

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2010

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

B1 (2-6%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

095

Oostelijke Vechtplassen

B1 (2-6%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

114

Krammer-Volkerak

B1 (2-6%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

091

Polder Westzaan

B1 (2-6%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

C (<2%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

009

Groote Wielen

C (<2%)

Aanwijzingsbesluit 2011

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

C (<2%)

Aanwijzingsbesluit 2011

089

Eilandspolder

C (<2%)

Zoogdiervereniging VZZ 2008

Voor de prioritaire soort noordse woelmuis, waarvan de ondersoort arenicola alleen in Nederland voorkomt (grote internationale verantwoordelijkheid), geldt in de eerste plaats het selectiecriterium “tien belangrijkste gebieden”. Bij de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) waren er acht gebieden waar populaties van redelijke omvang bekend waren die tevens een groot en kwalitatief relatief goed leefgebied tot hun beschikking hadden. Deze acht gebieden zijn achtereenvolgens Duinen en Lage Land Texel (002)39, Wormer en Jisperveld & Kalverpolder (090), Polder Westzaan (091), Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092)40, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103), Haringvliet (109), Biesbosch (112), en Grevelingen (115). Omwille van een goede geografische spreiding is bij de aanmelding aan deze acht gebieden nog een negende gebied toegevoegd, namelijk Eilandspolder (089), dat een belangrijk bolwerk vormt voor de populatie in het veenweidegebied van Laag Holland. Met deze negen – kwalitatief beste – gebieden werd de sterk bedreigde metapopulatie uit Friesland nog niet afgedekt. Daarom zijn ten tijde van de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden aanvullend nog drie gebieden geselecteerd: IJsselmeer (072)41, Groote Wielen (009) en Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving (010). Voor Zuidwest-Nederland zijn de drie geselecteerde gebieden (Haringvliet, Biesbosch en Grevelingen) uitgebreid met het Krammer-Volkerak (114), dat tevens een verbinding vormt tussen de verschillende leefgebieden in het Deltagebied. Omwille van de geografische verspreiding en duurzame instandhouding zijn bij de aanmelding derhalve 13 gebieden in plaats van 10 gebieden geselecteerd.

Op grond van inventarisatiegegevens uit de periode 1994-2007 zijn, afgemeten aan het aantal bezette kilometerhokken, Duinen en Lage Land Texel (002), Biesbosch en Grevelingen de drie belangrijkste gebieden voor de noordse woelmuis. Daarnaast behoren Haringvliet, Oosterschelde (118), Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, Oostelijke Vechtplassen (095), Krammer-Volkerak, Polder Westzaan, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder tot de tien belangrijkste gebieden voor deze soort. Groote Wielen, Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving en Eilandspolder kunnen hieraan worden toegevoegd omwille van het bereiken van voldoende geografische spreiding en dekking (mede gelet op de precaire situatie van de Friese populatie).

H1903 – Groenknolorchis

Landelijke populatie ca. 16.000 exemplaren a

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

004

Duinen Terschelling

A1 (15-30%)

Aanwijzingsbesluit 2009

002

Duinen en Lage Land Texel

A1 (15-30%)

Aanwijzingsbesluit 2009

034

Weerribben

A1 (15-30%)

FLORON 2008

115

Grevelingen

B2 (6-15%)

FLORON 2008

035

De Wieden

B2 (6-15%)

FLORON 2008

  • a)

    Minimum-populatieschatting (aantal exemplaren) in 2001 (in het kustgebied kunnen de aantallen van jaar tot jaar sterk wisselen afhankelijk van de waterstand).

Ten tijde van de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn de volgende vijf gebieden voor deze habitatsoort geselecteerd: Duinen Terschelling (004), Duinen en Lage Land Texel (002)42, Weerribben (034), Voornes Duin (100) en Duinen Vlieland (003). Met de huidige kennis blijken de vijf belangrijkste gebieden Duinen Terschelling, Duinen en Lage Land Texel, Weerribben, Grevelingen (115) en De Wieden (035) te zijn. In vergelijking met de situatie in de buurlanden zijn in ons land nog veel populaties aanwezig, waarmee Nederland de belangrijkste kern van verspreiding van de soort vormt in West-Europa. Ook in Nederland is de soort zeldzaam, gedurende de 20e eeuw is de populatie sterk achteruit gegaan door onder andere ontwatering en ontginning. De soort is vrijwel verdwenen in de Hollandse vastelandsduinen maar komt nog wel veel voor in de duinen op de Waddeneilanden, met name op Terschelling en Texel. Door het ontstaan van nieuwe strandvlaktes komt de soort nu relatief veel voor in het Natura 2000-gebied Grevelingen. In de laagveenmoerassen bevatten De Wieden en Weerribben grote populaties van deze soort.

B.4 Toewijzing instandhoudingsdoelstellingen (artikelen 5 en 6 en hoofdstuk 5)

Voor zover de hier vermelde gebiedsdoelen en relatieve bijdragen betrekking hebben op de Natura 2000- gebieden die buiten dit aanwijzingsbesluit vallen en waarvan de definitieve besluiten op het moment van vaststelling van het onderhavige besluit nog niet zijn vastgesteld, moeten deze worden beschouwd als “indicatieve” opgaven en kunnen ze nog aan verandering onderhevig zijn.

In dit onderdeel wordt voor iedere Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied is aangewezen, inzichtelijk gemaakt hoe de landelijke doelstelling43 is uitgewerkt in de Natura 2000-gebieden. De landelijke doelstellingen vormen een kader voor de formulering van instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau. De gebiedsdoelen bij elkaar “opgeteld”, eventueel tezamen met een opgave buiten het Natura 2000-netwerk, hebben als som het landelijke doel. Onder iedere tabel wordt de landelijke staat van instandhouding van betreffende habitattype of (vogel)soort vermeld. Indien de landelijke doelstelling van de betreffende waarde afwijkt van wat kan worden verwacht uit de landelijke staat van instandhouding, is dit hier gemotiveerd.

Gebiedsdoelstellingen die afwijken van de landelijke doelstelling, worden ook zoveel mogelijk gemotiveerd. In gevallen waarin motivering ontbreekt, is aanpassing nog in overweging (met name naar aanleiding van zienswijzen) in het kader van het besluit voor het betreffende gebied. Doelstellingen die volgens de tabellen zijn aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit (zie kolom “Besluit”) staan eveneens onder de betreffende tabellen gemotiveerd. De instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en (vogel)soorten die zijn toegevoegd ten opzichte van het ontwerpbesluit, zijn in principe op behoud gesteld, omdat de landelijke doelstelling al haalbaar werd geacht zonder deze toevoegingen. De instandhoudingsdoelstellingen die om deze reden op behoud zijn gesteld en daarmee afwijken van de landelijke doelstelling voor het betreffende habitattype of de betreffende soort, zijn in de tabellen gemarkeerd met een x.

De niet-broedvogelsoorten waarvoor zowel landelijk als in alle gebieden een behoudopgave is gesteld zijn samengevat in één tabel. Regels in cursief betreffen complementaire doelen. Deze zijn in de tabellen opgenomen omdat ze nog in de vigerende besluiten staan vermeld. Deze doelen zullen niet langer in aanwijzingsbesluiten worden opgenomen (zie bijlage C, paragraaf 4.1). Bij broedvogels en niet-broedvogels wordt in de kolom “Populatie” tevens aangegeven of er sprake is van herstel dan wel uitbreiding (↑). In een aparte kolom is van elk gebied de relatieve bijdrage vermeld. Voor een nadere toelichting en de klasse- indeling wordt verwezen naar de inleiding van onderdeel 3 van deze bijlage.

B.4.1 Habitatrichtlijn: habitattypen

H1310A – Zilte pionierbegroeiingen, zeekraal

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

A3

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

C

conform ontwerp

118

Oosterschelde

uitbreiding

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

121

Yerseke en Kapelse Moer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

uitbreiding

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

Vrijwel alle kweldergebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig” en “gunstig”44. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect oppervlakte is met name gericht op de sterke achteruitgang in de Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122) door erosie van de schorren. Uitbreiding oppervlakte wordt daarom in deze twee gebieden beoogd.

H1310B – Zilte pionierbegroeiingen, zeevetmuur

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

A3

conform ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

Vrijwel alle kweldergebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype zilte pionierbegroeiingen, zeevetmuur (subtype B) is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling.

H1330B – Schorren en zilte graslanden, binnendijks

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

091

Polder Westzaan

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

A2

conform ontwerp

118

Oosterschelde

uitbreiding

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

121

Yerseke & Kapelse Moer

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

124

Groote Gat

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

Van het habitattype schorren en zilte graslanden, binnendijks (H1330B) is bijna driekwart van de landelijke oppervlakte opgenomen in het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het subtype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling wijkt af op het aspect kwaliteit, omdat de matig ongunstige staat van instandhouding van de kwaliteit het gevolg is van de ongunstige situatie in het Noord-Hollandse veenweidegebied (Polder Westzaan (091)). Door vermindering van zoute kwel staan de betreffende zilte vegetaties daar sterk onder druk. Daarom is alleen in Polder Westzaan een hersteldoelstelling neergelegd. In de Oosterschelde (118) ligt een opgave voor uitbreiding van de oppervlakte, omdat de oppervlakte aan kwelders in dit gebied sterk afwijkt van de natuurlijke situatie.

H2130A – *Grijze duinen, kalkrijk

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit x

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

084

Duinen Den Helder-Callantsoog

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit x

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

086

Schoorlse Duinen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

verbetering

A1

aanwijzingsbesluit

088

Kennemerland-Zuid

uitbreiding

verbetering

A2

aanwijzingsbesluit

096

Coepelduynen

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

097

Meijendel & Berkheide

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

098

Westduinpark & Wapendal

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

100

Voornes Duin

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

116

Kop van Schouwen

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

117

Manteling van Walcheren

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). Het zwaartepunt van grijze duinen, kalkrijk (subtype A) ligt in de duinen tussen Bergen en Den Haag. De landelijke staat van instandhouding voor subtype A is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig” en “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In afwijking van de landelijke doelstelling is voor gebieden met een relatief geringe bijdrage aan deze landelijke doelstelling (onder andere Duinen Ameland (005), Duinen Schiermonnikoog (006), Solleveld & Kapittelduinen (099), Zwin & Kievittepolder (123)) gekozen voor een behoudsdoelstelling. Ook voor het gebied Coepelduynen (096) geldt een behoudopgave, omdat het habitattype daar nog in goed ontwikkelde vorm voorkomt en er geen mogelijkheden zijn voor uitbreiding van de oppervlakte. Ook de doelstelling van het gebied Grevelingen (115) wijkt af van de landelijke doelstelling. Ook de doelstelling van het gebied Grevelingen (115) wijkt af van de landelijke doelstelling. Door de ligging van het habitattype ten opzichte van de kustlijn treedt hier onvoldoende overstuiving door zand op, noodzakelijk voor het duurzaam voortbestaan van het habitattype, om kwaliteitsverbetering of uitbreiding van de oppervlakte te kunnen realiseren.

H2160 – Duindoornstruwelen

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit… a

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud a

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

086

Schoorlse Duinen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

behoud a

behoud

B2

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

behoud a

behoud

A2

ontwerpbesluit

096

Coepelduynen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

097

Meijendel & Berkheide

behoud a

behoud

B2

ontwerpbesluit

098

Westduinpark & Wapendal

behoud a

behoud

C

aanwijzingsbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

behoud a

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

100

Voornes Duin

behoud a

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud a

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

116

Kop van Schouwen

behoud a

behoud

B2

ontwerpbesluit

117

Manteling van Walcheren

behoud a

behoud

C

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

  • a)

    van goed ontwikkelde vormen in de gebieden waar het type een belangrijke positie in het duinlandschap inneemt. Enige achteruitgang in oppervlakte is toegestaan ten gunste van uitbreiding oppervlakte van habitattypen grijze duinen (*H2130), duinbossen (H2180) of vochtige duinvalleien (H2190), mits de totale oppervlakte van goed ontwikkelde vormen [in het betreffende gebied] niet afneemt45.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype duindoornstruwelen is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling. Aan een groot deel van de gebieden is een “ten gunste formulering” toegevoegd. Afhankelijk van het voorkomen in deze gebieden zullen één of meerdere van de begunstigde habitattypen (H2130, H2180 of H2190) in de “ten gunste formulering” van de betreffende gebieden zijn opgenomen.

H2170 – Kruipwilgstruwelen

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit a

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud b

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud b

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud b

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

086

Schoorlse Duinen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

behoud b

behoud

B1

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

behoud b

behoud

B1

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

behoud b

behoud

C

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

A1

conform ontwerp

116

Kop van Schouwen

behoud b

behoud

B1

ontwerpbesluit

  • (a)

    Lokaal uitbreiding oppervlakte van goed ontwikkelde vormen en lokaal verbetering kwaliteit.

  • (b)

    De oppervlakte mag afnemen ten gunste van het habitattype vochtige duinvalleien (H2190)46.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype kruipwilgstruwelen is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling. De lokale uitbreiding- en verbeteringdoelstelling ligt in het gebied Duinen Den Helder – Callantsoog (084). Het habitattype komt hier in geringe mate voor in matige tot goede kwaliteit en het gebied heeft goede potentie voor herstel.

H2190B – Vochtige duinvalleien, kalkrijk

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

behoud

B1

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

096

Coepelduynen

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

097

Meijendel & Berkheide

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

100

Voornes Duin

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

114

Krammer-Volkerak

uitbreiding

behoud

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

A2

conform ontwerp

116

Kop van Schouwen

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

117

Manteling van Walcheren

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype vochtige duinvalleien, kalkrijk (H2190B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Wanneer er geen potentiële herstelmogelijkheden aanwezig zijn binnen de begrenzing van het gebied door bijvoorbeeld de mate van dynamiek, zoals in Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007) en Grevelingen (115) is er een behoudsdoelstelling geformuleerd. Alle verbeterdoelstellingen sluiten aan op reeds ingezet hydrologisch herstel (Waddeneilanden en Hollandse kust) en regeneratie van duinvalleien in duingebieden die door waterwinning zijn aangetast. Voor duurzaam voortbestaan van jonge stadia en de rijke variatie aan vochtige duinvalleien, is vergroting van dynamiek door wind en zee noodzakelijk in een deel van de gebieden. Een dergelijke ontwikkeling wordt nagestreefd op plaatsen waar dit niet in conflict is met de veiligheid van het achterliggende land.

H6430B – Ruigten en zomen, harig wilgenroosje

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en behoud/verbetering kwaliteit a

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage c

Besluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

082

Uiterwaarden Lek

uitbreiding

behoud

C

ontwerpbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

108

Oude Maas

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

uitbreiding

verbetering

B

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

uitbreiding

behoud

A

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud b

behoud

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

C

conform ontwerp

124

Groote Gat

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Verbetering kwaliteit geldt voor de brakke varianten.

  • (b)

    Waarschijnlijk kan dit subtype bij de huidige voortschrijdende verzoeting niet behouden blijven, maar zullen hiervoor (minder bedreigde) zoete vormen ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A) in de plaats komen.

  • (c)

    De weergegeven relatieve bijdragen betreffen een voorlopige inschatting, omdat er nog onduidelijkheid is over de landelijke oppervlakte van dit subtype. Klassen zijn slechts globaal geduid (A > 15%, B = 2-15% en C < 2%) omdat kwantitatieve gegevens over het voorkomen van deze zoomvegetaties beperkt beschikbaar zijn. Oppervlakten zijn moeilijk te bepalen omdat het meestal slechts smalle stroken of kleine plekken betreft.

De landelijke staat van instandhouding van het habitattype ruigten en zomen, harig wilgenroosje (subtype B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Niet in alle gebieden kan de landelijke doelstelling worden nagestreefd. De doelstelling voor uitbreiding van de oppervlakte wordt enkel nagestreefd in de belangrijkste gebieden voor dit habitattype, zoals Oude Maas (108), Haringvliet (109) en Biesbosch (112).

De landelijke doelstelling voor verbetering van de kwaliteit is alleen neergelegd in gebieden die potentie bieden voor verbetering van de kwaliteit van de brakke variant van dit habitattype.

B.4.2 Habitatrichtlijn: soorten

H1340 – *Noordse woelmuis

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

verbetering

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

009

Groote Wielen

uitbreiding

verbetering

behoud

C

aanwijzingsbesluit

010

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

011

Witte en Zwarte Brekken

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

012

Sneekermeergebied

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

uitbreiding

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

089

Eilandspolder

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

090

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

091

Polder Westzaan

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

B1

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

106

Boezems Kinderdijk

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

108

Oude Maas

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

behoud

B1

concept-ontwerp

115

Grevelingen

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

B2

doel aangepast a

116

Kop van Schouwen

behoud

verbetering

behoud

C

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

uitbreiding

behoud

uitbreiding

B1

aanwijzingsbesluit

119

Veerse Meer

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

  • a)

    De doelstelling voor het gebied Grevelingen is aangepast van “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie” naar “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie”. Een hersteldoelstelling is gewenst gezien de areaalinkrimping die binnen het gebied heeft plaatsgevonden, door verdwijning van de soort van diverse eilanden. Vergroting van het areaal en daarmee het halen van de doelstelling kan worden gerealiseerd door aanpassing van het vegetatiebeheer. Het peilbeheer is niet noodzakelijk voor het halen van de doelstelling en levert geen beperkingen op voor het nodige vegetatiebeheer. Indien vegetatiebeheer niet leidt tot de gewenste uitbreiding omvang of verbetering kwaliteit, dient de haalbaarheid van het doel na de eerste beheerplanperiode opnieuw te worden bezien.

De landelijke staat van instandhouding van de noordse woelmuis is op het aspect leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Landelijke uitbreiding van de populatie wordt vooral beoogd in de Friese gebieden omdat het leefgebied vooral daar sterk versnipperd is geraakt. De doelstellingen uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied en uitbreiding populatie zijn verder neergelegd in gebieden die daarvoor mogelijkheden bieden (bijvoorbeeld in het kader van natuurontwikkeling) of waar duidelijke aanwijzing is dat de soort recent is achteruitgegaan. In Duinen en Lage Land Texel (002) staat het doel voor omvang van het leefgebied op “behoud” omdat de soort al over het gehele eiland voorkomt. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied is vooral nodig om de populatie weerstand te kunnen laten bieden tegen concurrentie met andere diersoorten. In IJsselmeer (072) en Oosterschelde (118) is op het aspect kwaliteit van de landelijke opgave afgeweken. In de Oosterschelde is de kwaliteit al op orde; derhalve is behoud voldoende. In het IJsselmeer is afgeweken omdat hier de mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit beperkt zijn.

H1364 – Grijze zeehond

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

behoud

A3

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

behoud

B1-B2

wijzigingsbesluit a

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

163

Vlakte van de Raan

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

164

Doggersbank

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

165

Klaverbank

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

  • a)

    Wijzigingsbesluit Noordzeekustzone, Staatscourant 18 oktober 2012, nr.21274.

De landelijke staat van instandhouding van de grijze zeehond is op het aspect populatie beoordeeld als “gunstig”. Op het aspect leefgebied is de staat van instandhouding beoordeeld als “matig ongunstig”.

De landelijke doelstelling sluit wat betreft het aspect populatie op de staat van instandhouding aan.

Grijze zeehonden moeten voor het werpen en zogen van jongen, zandbanken opzoeken die bij extreme weersomstandigheden (zoals zware winterstormen) overspoeld worden. Hierdoor treedt frequent sterfte van jongen op. Het is onduidelijk of het huidige leefgebied geschikt genoeg is voor een duurzame populatie zonder immigratie. Recent neemt het aantal in de Nederlandse kustwateren geboren pups toe en neemt de immigratie vanuit het Verenigd Koninkrijk af. Dat wordt gezien als een indicatie dat het probleem van voldoende permanent droge en onverstoorde ligplaatsen voor het werpen en zogen van jongen minder groot lijkt te zijn dan eerder werd verondersteld. Ter voorkoming van achteruitgang is daarom voor het aspect kwaliteit van het leefgebied een behoudopgave gekozen tot doel gesteld. De gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke doelstelling. In die Natura 2000-gebieden waar droogvallende zandplaten en of embryonale duinen (rust- en voortplantingsgebied) aanwezig zijn, kunnen gebiedsspecifieke maatregelen gericht op de verstoring een bijdrage leveren aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling. Voor mariene gebieden waar deze ligplaatsen niet zijn, zijn generieke maatregelen met betrekking tot verstorende activiteiten meer geëigend (zie de toelichting in de tweede alinea).

De Waddenzee (001) en de Noordzeekustzone (007) zijn de belangrijkste gebieden voor de grijze zeehond in Nederland. Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State is met een wijzigingsbesluit (18 oktober 2012) meer inzichtelijk gemaakt hoe de gunstige staat van instandhouding voor de grijze zeehond kan worden bereikt en op welke gronden in het gebied Noordzeekustzone voor de grijze zeehond kan worden volstaan met een behouddoelstelling. De Noordzeekustzone heeft, met name in de winter, een belangrijke foerageerfunctie. Gelet op de recente toename van de soort, wordt een behoudsdoelstelling voorlopig voldoende geacht.

Voor de gebieden in de Nederlandse exclusieve economische zone, Doggersbank (164) en Klaverbank (165), moet het volgende opgemerkt worden: op basis van beschikbare informatie over de ecologische functie van deze gebieden voor de grijze zeehond kan geen onderscheid gemaakt worden ten aanzien van het belang van de afzonderlijke gebieden enerzijds en de rest van de Nederlandse exclusieve economische zone anderzijds. Hetzelfde geldt voor de Vlakte van de Raan (163), dat mogelijk als foerageergebied dient voor dieren die zich in de nabije omgeving voortplanten of door het gebied trekken.

H1365 – Gewone zeehond

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

uitbreiding

A3

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

behoud

B1-B2

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

113

Voordelta

behoud

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

163

Vlakte van de Raan

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

164

Doggersbank

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

165

Klaverbank

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

De gewone zeehond verkeert landelijk in een gunstige staat van instandhouding. De landelijke doelstelling wijkt hiervan af, ten behoeve van herstel van de populatie na recente afname (door virussen), vooral in het Deltagebied. De landelijke doelstelling is: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie47. In die Natura 2000-gebieden waar droogvallende zandplaten en of embryonale duinen (rust- en voortplantingsgebied) aanwezig zijn, kunnen gebiedsspecifieke maatregelen gericht op de verstoring een bijdrage leveren aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling. Voor mariene gebieden waar deze ligplaatsen niet zijn, zijn generieke maatregelen met betrekking tot verstorende activiteiten meer geëigend. Uitbreiding van de populatie dient vooral in de Delta gestimuleerd te worden48.

De gebiedsdoelstellingen van Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007), Vlakte van de Raan (163), Doggersbank (164) en Klaverbank (165) wijken af van de landelijke doelstelling. Er wordt behoud als doel gesteld. Het overgrote deel van de populatie bevindt zich in de Waddenzee. In de Waddenzee zijn de ligplaatsen goed beschermd, vooral tijdens zoog- en paringstijd. Met behoud van het huidige leefgebied wordt in dit gebied uitbreiding van de populatie ten doel gesteld. De populatie neemt de laatste decennia gestaag toe en het verspreidingsgebied is stabiel. De gestage groei van de populatie zal de komende jaren naar verwachting doorzetten, mits virussen uitblijven. Ook in de Noordzeekustzone, welke met name een foerageerfunctie voor de populatie uit de Waddenzee kent, gaat het goed met de soort.

Op basis van beschikbare informatie over de ecologische functie van Vlakte van de Raan, Doggersbank en Klaverbank voor de gewone zeehond kan niet worden gesteld dat deze gebieden van essentieel belang zijn voor de soort. Voor deze gebieden geldt dat deze wat de ecologische functies betreft niet zijn te onderscheiden van de rest het leefgebied van de gewone zeehond binnen de Nederlandse exclusieve economische zone. In deze gebieden zijn geen droogvallende platen aanwezig waardoor ze geen rust- of voortplantingsfunctie hebben voor de soort. De Vlakte van de Raan dient mogelijk wel als foerageergebied voor de dieren die elders in het Deltagebied van rustgebieden gebruik maken of door het gebied trekken.

Zuid-West Nederland herbergt geen levensvatbare populatie. De oorzaak hiervan is een te laag geboortecijfer in het Deltagebied, waardoor de kleine populatie zichzelf niet in stand kan houden. In het Deltagebied wordt gestreefd naar een regionale populatie van ten minste 200 exemplaren, waarbij de Voordelta (113) de grootste bijdrage levert. Om dit doel te bereiken zal in de gebieden Voordelta, Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122) het areaal aan onverstoord gebied moeten toenemen zodat deze gebieden meer geschikt worden voor voortplanting. Voor de voortplanting zijn ongestoorde, permanent of bijna altijd droogvallende platen noodzakelijk.

In Duinen Goeree & Kwade Hoek (101) en Grevelingen (115) is behoud van de kwaliteit van het leefgebied en behoud van de populatie voldoende, omdat deze gebieden alleen van belang zijn als foerageer- en rustgebied en als zodanig al goed functioneren.

H1903 – Groenknolorchis

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit biotoop ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

ontwerpbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

A1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

088

Kennemerland-Zuid

behoud

behoud

uitbreiding

C

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

uitbreiding

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

behoud

B2

conform ontwerp

116

Kop van Schouwen

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de habitatsoort groenknolorchis is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”49. De landelijke opgave sluit hierop aan. De kansen voor uitbreiding van populaties zijn in de meeste gebieden echter beperkt; er is daarom veelal voor een behoudopgave gekozen. In de gebieden Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Vlieland (003), Duinen Terschelling (004), Duinen Schiermonnikoog (006) en Weerribben (034) is voor een behoudopgave gekozen, omdat de biotoop hier in voldoende mate en kwaliteit voorkomt. In de Deltagebieden (Grevelingen (115) en Westerschelde & Saeftinghe (122)), hangen de ontwikkelingen van de populatie samen met de fluctuerende waterstanden en natuurlijke successie. In het IJsselmeer (072) worden de mogelijkheden voor herstel of uitbreiding zeer laag ingeschat. In de gebieden Naardermeer (094), Oostelijke Vechtplassen (095) en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) gaat het om kleine populaties, waarvoor momenteel geen tot weinig uitbreidingsmogelijkheden worden gezien.

B.4.3 Vogelrichtlijn: broedvogels

A081 – Bruine kiekendief

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

30

B1

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

30

B1

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

20

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

45

B1

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

40

B1

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

25

B1

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

20

C

aanwijzingsbesluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

ontwerpbesluit

014

Deelen

uitbreiding

verbetering

5

C

aanwijzingsbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

25

C

aanwijzingsbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

40

B1

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, …

behoud

behoud

15

C

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

30

B1

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

13

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

17

C

doel aangepast a

118

Oosterschelde

behoud

behoud

19

C

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

20

C

aanwijzingsbesluit

  • a)

    Het aantal van Grevelingen is aangepast conform het gemiddelde van deperiode 1999-2003. Bij de definitieve besluiten is een andere afrondingssystematiek gehanteerd50.

De landelijke staat van instandhouding van de bruine kiekendief is voor de aspecten leefgebied en populatie als “gunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit daarbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud van ten minste 1.300 paren”. Gezien de belangrijke functie van Nederland als noordwestelijk bolwerk in het broedgebied in Europa is een veilige marge ingebouwd in het voor Nederland na te streven populatieniveau. Het gestelde doel betreft behoud van het huidige niveau. Voor de realisatie van de landelijke doelstelling zal aansluiting nodig zijn van nationaal beleid zoals de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur.

De gebiedsdoelstellingen sluiten bij de landelijke doelstelling aan, met uitzondering van de gebieden Alde Feanen (013) en Deelen (014). Vanwege de recente afname van de populatie in gebied Deelen is hier een beperkte herstelopgave geformuleerd, zodat de soort in het gebied behouden kan blijven.

A132 – Kluut

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

verbetering

3.800

A2

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

120 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

110

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

2.000R

B1

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

2.000R

B2

concept-ontwerp

115

Grevelingen

uitbreiding

verbetering

2.000R

B1

doel aangepast a

118

Oosterschelde

behoud

behoud

2.000R

B1

aanwijzingsbesluit

120

Zoommeer

behoud

behoud

2.000R

C

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

2.000R

B1

aanwijzingsbesluit

127

Markiezaat

behoud

behoud

2.000R

C

aanwijzingsbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

  • (a)

    De doelstelling voor het leefgebied in het gebied Grevelingen is gewijzigd in uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied. Zie ook de toelichting hierna, en bij de doelstelling in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.

De landelijke staat van instandhouding van de kluut is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. Op het aspect populatie sluit de landelijke doelstelling hierop aan. De doelstelling luidt: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 8.000 paren”. Gezien de zeer grote betekenis van Nederland voor Europa als broedgebied dient de nationale populatieomvang gehandhaafd te worden op ten minste het basisniveau van de afgelopen decennia van 8.000 paren. Landelijk is op het aspect leefgebied een behoudsdoelstelling geformuleerd, omdat met name in het gebied Waddenzee (001) het leefgebied als matig ongunstig werd beoordeeld. In afwijking van de landelijke doelstelling heeft dat gebied dan ook een verbeteropgave gekregen voor het leefgebied.

Ook in het gebied Grevelingen (115) is het leefgebied niet optimaal en is in afwijking van de landelijke doelstelling een herstelopgave voor het leefgebied geformuleerd. Er is een negatieve trend van de populatie51 te zien. Gezien de potentie van het gebied kan Grevelingen, door een herstelopgave op het aspect leefgebied, een grote bijdrage leveren aan de regionale populatiedoelstelling. Het zoutwatergebied Grevelingen wordt als een strategische locatie gezien voor een herstelopgave52. De overige gebieden sluiten aan bij de landelijke doelstelling.

A137 – Bontbekplevier

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

60

A1

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

20

B1

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

4

C

aanwijzingsbesluit

072

IJsselmeer

uitbreiding

verbetering

13 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

100R(↑)

C

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

105R (↑)

B1

concept-ontwerp

115

Grevelingen

uitbreiding

verbetering

105R (↑)

B1

doel aangepast a,b

118

Oosterschelde

behoud

behoud

100R (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

120

Zoommeer

behoud

behoud

105R (↑)

C

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

100R (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

127

Markiezaat

behoud

behoud

105R (↑)

C

aanwijzingsbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

  • (a)

    De regionale doelstelling is aangepast omdat er een administratieve correctie is doorgevoerd. De regionale populatie blijkt hoger te zijn omdat een Vogelrichtlijngebied (Zoommeer) niet in de telling was meegenomen, hoewel het gebied wel was aangewezen voor de bontbekplevier.

  • (b)

    De doelstelling voor het leefgebied in het gebied Grevelingen is gewijzigd in uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied. De wijziging is nodig omdat de populatie in het gebied een jarenlange negatieve trend vertoont53. Gezien de potentie van het gebied kan Grevelingen, door de herstelopgave op het aspect leefgebied, een grote bijdrage leveren aan de regionale populatiedoelstelling. Het zoutwatergebied Grevelingen wordt als een strategische locatie gezien voor een herstelopgave54. Zie ook de toelichting bij de doelstelling in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.

De landelijke staat van instandhouding van de bontbekplevier is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “matig ongunstig”55. De landelijke doelstelling sluit op het aspect leefgebied daarbij aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 400 paren”56. De doelstellingen van de gebieden Waddenzee (001), Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Terschelling (004), Noordzeekustzone (007), Lauwersmeer (008), IJsselmeer (072), Grevelingen (115), Oosterschelde (118), Westerschelde & Saeftinghe (122) en Markiezaat (127) wijken af van de landelijke doelstelling. De gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone worden niet gezien als gebieden met de beste potentie voor herstel van de leefgebieden. Voor de gebieden Lauwersmeer en Markiezaat wordt behoud nagestreefd omdat de historische potentie in de verzoete gebieden niet meer haalbaar is. Het gebied Oosterschelde wijkt af omdat er sprake is van een min of meer stabiele stand.

In afwijking van de landelijke populatiedoelstelling is van meerdere gebieden de populatiedoelstelling verhoogd. Van het gebied Duinen en Lage Land Texel omdat er rekening is gehouden met de diverse broedvogels in de binnendijks gelegen terreinen langs de waddijk. Voor de genoemde Deltagebieden wordt een licht herstel van de populatie nagestreefd, om achteruitgang van de landelijke populatie buiten de Natura 2000-gebieden (veelal tijdelijke populaties) op te vangen.

A138 – Strandplevier

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

uitbreiding

verbetering

50 (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

uitbreiding

verbetering

30 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

220R (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

220R (↑)

B1

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

220R (↑)

B2

concept-ontwerp

115

Grevelingen

uitbreiding

verbetering

220R (↑)

A1

doel aangepast a

118

Oosterschelde

uitbreiding

verbetering

220R (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

120

Zoommeer

behoud

behoud

220R (↑)

B1

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

220R (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

127

Markiezaat

behoud

behoud

220R (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De doelstelling voor het leefgebied in het gebied Grevelingen is gewijzigd in uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied. De wijziging is nodig omdat de populatie in het gebied een jarenlange negatieve trend vertoont57. Gezien de potentie van het gebied kan Grevelingen, door de herstelopgave op het aspect leefgebied, een grote bijdrage leveren aan de regionale populatiedoelstelling. Het zoutwatergebied Grevelingen wordt als een strategische locatie gezien voor een herstelopgave58. Zie ook de toelichting bij de doelstelling in paragraaf 5.5. van de nota van toelichting.

De landelijke staat van instandhouding van de strandplevier is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarbij aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van herstel populatie van ten minste 400 paren”. Er is herstel gewenst tot boven het niveau van de minimum populatie, mede als verzekering naar de toekomst. De mogelijkheden voor verbetering zijn beperkt. De kans op immigratie vanuit populaties in buurlanden is gering omdat de populatie zich bevindt aan de noordelijke rand van het Europese verspreidingsgebied van de soort. Mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit van het leefgebied zullen worden onderzocht om beter te kunnen garanderen dat de soort zich in Nederland op het niveau van een duurzame populatie kan handhaven. De doelstelling van de gebieden Duinen Goeree & Kwade Hoek (101), Westerschelde & Saeftinghe (122) en Markiezaat (127) wijkt af van de landelijke doelstelling. Voor Duinen Goeree & Kwade Hoek en Westerschelde & Saeftinghe is niet voor uitbreiding gekozen omdat de ontwikkelingen onzeker zijn. Voor het gebied Markiezaat wordt behoud nagestreefd omdat de historische potentie in dit verzoete gebied niet meer haalbaar is.

A191 – Grote stern

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

16.000 (↑)

A3

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

6.200R

C

in voorbereiding

115

Grevelingen

behoud

behoud

6.200R

A1

doel aangepast

118

Oosterschelde

behoud

behoud

6.200R

C

in voorbereiding 59

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

6.200R

A1

aanwijzingsbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de grote stern is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied respectievelijk als “matig ongunstig” en “gunstig”60 beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit hierbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor herstel populatie van ten minste 22.200 paren”. Dit is een aanpassing ten opzichte van de eerder vastgestelde landelijke doelstelling61 welke voortvloeit uit de verhoging van het regionale doel in het Deltagebied van 4.000 tot 6.200 broedparen62. Vanwege de kwetsbaarheid van de nestplaatsen is de soort vrijwel volledig aangewezen op het Natura 2000-netwerk63.

Alleen in de Waddenzee (001) wordt herstel van de populatie haalbaar geacht. Alle gebiedsdoelen sluiten wat het leefgebied betreft aan bij de landelijke doelstelling. De gebieden leveren gezamenlijk voldoende bijdrage aan de landelijke populatiedoelstelling. In het Deltagebied bestaat veel dynamiek in de locaties van de kolonies. Dit kan per deelgebied grote jaarlijkse aantalsverschillen veroorzaken64.

A193 – Visdief

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

5.300

A1

aanwijzingsbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

3.300

B2

aanwijzingsbesluit

073

Markermeer & IJmeer

behoud

behoud

630

B1

aanwijzingsbesluit

077

Eemmeer & Gooimeer Zuidoever

behoud

behoud

280

B1

aanwijzingsbesluit

092

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

behoud

behoud

180

C

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

6.500R (↑)

B2

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

6.500R (↑)

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

uitbreiding

verbetering

6.500R (↑)

B1

doel aangepast a

118

Oosterschelde

behoud

behoud

6.500R (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

120

Zoommeer

behoud

behoud

6.500R (↑)

C

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

6.500R (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

  • (a)

    De doelstelling voor het leefgebied in het gebied Grevelingen is gewijzigd in uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied. Zie ook de toelichting hierna, en bij de doelstelling in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.

De landelijke staat van instandhouding van de visdief is op de aspecten leefgebied en populatie is beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit op het aspect populatie daarbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor herstel populatie van ten minste 20.000 broedparen”. Op het aspect leefgebied komt de landelijke behoudsdoelstelling niet overeen met de matig ongunstige staat van instandhouding. Er wordt verwacht dat de positieve trend van de populatie zich door kan zetten met behoud van het leefgebied. Er vindt namelijk na een sterke terugval rond de jaren zestig sindsdien voortdurend herstel plaats, al lijkt dit momenteel te stagneren. De populatiedoelstellingen van de gebieden Waddenzee (001), IJsselmeer (072), Markermeer & IJmeer (073), Eemmeer & Gooimeer Zuidoever (077) en Grevelingen (115) wijken af van de landelijke doelstelling. In de Waddenzee wordt het stoppen van de neergaande trend ten doel gesteld. In het IJsselmeer heeft de draagkracht betrekking op gunstige jaren en bestaat er nog onzekerheid over de draagkracht van de Kreupel op langere termijn. Van de gebieden Markermeer & IJmeer en Eemmeer & Gooimeer Zuidoever is de bijdrage aan de landelijke doelstelling relatief klein en worden de potenties laag ingeschat. Voor het gebied Grevelingen is in afwijking van de landelijke doelstelling een herstelopgave voor het leefgebied geformuleerd. Er is een negatieve trend van de populatie65 te zien. Gezien de potentie van het gebied kan Grevelingen, door een herstelopgave op het aspect leefgebied, een grote bijdrage leveren aan de regionale populatiedoelstelling. Het zoutwatergebied Grevelingen wordt als een strategische locatie gezien voor een herstelopgave66.

A195 – Dwergstern

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

uitbreiding

verbetering

210 (↑)

A2

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

300R (↑)

A1

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

300R (↑)

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

300R (↑)

B1

conform ontwerp

118

Oosterschelde

behoud

behoud

300R (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

300R (↑)

A1

aanwijzingsbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de dwergstern is voor wat betreft de aspecten populatie67 en leefgebied als “matig ongunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit op het aspect populatie daarbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor herstel populatie van ten minste 600 paren” 68. Vanwege de kwetsbaarheid van de nestplaatsen is de soort vrijwel volledig aangewezen op het Natura 2000-netwerk. De doelstellingen op het aspect leefgebied van de gebieden Waddenzee (001), Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Terschelling (004) en Noordzeekustzone (007) wijken af van de landelijke doelstelling. In het Waddengebied, waar de Natura 2000-gebieden op veel plekken op elkaar aansluiten, wordt een herstelopgave met betrekking tot het leefgebied (naast herstel populatie) haalbaar geacht en is het vooral van belang dat de som van de gebiedsdoelen (290) in de regio wordt gehaald. De doelstellingen van de overige gebieden sluiten aan bij de landelijke doelstelling.

B.4.4 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

De doelniveaus van niet-broedvogels zijn meestal uitgedrukt als seizoensgemiddelde of als (gemiddeld) seizoensmaximum. Deze gemiddelden, die worden bepaald aan de hand van maandelijkse tellingen, worden als volgt berekend69:

Het seizoensgemiddelde is het gemiddelde aantal in een gebied aanwezige vogels over het gehele seizoen, berekend aan de hand van maandelijks uitgevoerde tellingen over een reeks seizoenen (1999/2000- 2003/2004).

Het (gemiddeld) seizoensmaximum is het gemiddelde van het grootste getelde aantal (piekaantal) per seizoen (juli t/m juni van het volgende jaar) berekend over een reeks van achtereenvolgende seizoenen (meestal vijf seizoenen: 1999/2000-2003/2004).

Bij voorkeur is het doelniveau uitgedrukt als seizoensgemiddelde omdat dit een indicatie geeft voor het gebruik van een gebied over het gehele seizoen. Bij onvoldoende beschikbaarheid van jaarrondtellingen moet soms worden teruggevallen op het seizoensmaximum.

A130 – Scholekster

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage*

Besluit

001

Waddenzee

behoud

verbetering

140.000-

160.000 (↑)

sf, A4

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

3.300a

s, C

aanwijzingsbesluit

038

Uiterwaarden IJssel

behoud

behoud

210

sf, C

ontwerpbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

790

sf, C

aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

2.500

sf, C

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

560

sf, C

conform ontwerp

118

Oosterschelde

behoud

behoud

24.000

sf, A1

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

7.500

sf, B1

aanwijzingsbesluit

* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf)

  • a)

    De populatieschatting is gebaseerd op gemiddelde seizoensmaxima over de periode 1999/2000-2003/2004.

De staat van instandhouding voor de scholekster is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”, waarbij de laatste voornamelijk betrekking heeft op de kwaliteit van het leefgebied en niet op de omvang. De landelijke doelstelling sluit hierop aan: “behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie variërend van 180.000 tot 200.000 vogels (seizoensgemiddelde)”70. In Nederland is de populatie scholeksters fors afgenomen (bij een internationale toename) in relatie tot verminderd voedselaanbod in de intergetijdengebieden (schelpdieren). Alleen voor de Waddenzee (001) is een verbeteropgave geformuleerd voor de kwaliteit van het leefgebied, vanwege het relatief grote belang van dit gebied en omdat de mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit in het Deltagebied, in dit geval de gebieden Duinen Goeree & Kwade Hoek (101), Voordelta (113), Grevelingen (115), Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122) beperkt zijn. Met name de zandhonger in de Oosterschelde leidt tot een afname van het foerageergebied. In de Natura 2000- gebieden Duinen Goeree & Kwade Hoek, Voordelta en Grevelingen zijn bovendien geen aanwijzingen voor afname van de populatie of voor vermindering van de kwaliteit van het leefgebied (zelfs aantalstoename in het gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek sinds 1990/1991). Voor het gebied Westerschelde & Saeftinghe is de trend op lange termijn neutraal, in tegenstelling tot het gebied Waddenzee. Daarom is voor het gebied Westerschelde & Saeftinghe voor behoud gekozen. Voor het gebied Noordzeekustzone (007) zijn onvoldoende telgegevens bekend voor een trendanalyse. Er is daarom eveneens een behoudopgave geformuleerd.

A169 – Steenloper

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage*

Besluit

001

Waddenzee

behoud

verbetering

2.300-3.000

(↑)

sf, A3

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

160

sf, B1

aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

70

sf, B1

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

30

sf, C

conform ontwerp

118

Oosterschelde

behoud

behoud

580

sf, A1

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

230

sf, B2

aanwijzingsbesluit

* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf)

De staat van instandhouding van de steenloper is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit daarbij aan: “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie variërend van 3.500-4.200 vogels (seizoensgemiddelde)”. De herstelopgave is alleen in de Waddenzee neergelegd. De algemene aantalstrend voor de steenloper in de Waddenzee (001) is licht dalend. De oorzaak van deze licht dalende trend kan in verband worden gebracht met het verdwijnen van droogvallende mosselbanken in de Waddenzee. Deze mosselbanken zijn in de laatste jaren wel teruggekeerd in het oostelijk deel, maar nog niet in het westelijk deel. Mogelijk spelen de ontwikkelingen in de internationale biogeografische populatie ook een rol in de afname van het populatieaantal in de Waddenzee. Van de Noordzeekustzone (007) zijn onvoldoende telgegevens voor een trendanalyse bekend. Van de gebieden Voordelta (113), Grevelingen (115), Oosterschelde (118) en Westerschelde en Saeftinghe (122) is de aantalstrend stabiel. Dit betekent dat de waarschijnlijke oorzaak van de landelijke ongunstige staat van instandhouding niet is gelegen in deze gebieden.

Overige niet-broedvogelsoorten

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

Vogelsoort

Aantal gebieden

Landelijke doelstelling

populatie

Populatie

Grevelingen

Relatieve

bijdrage*

Besluit

A004 Dodaars (g)

3

560

70

f, B2

conform ontwerp

A005 Fuut (a);(i)

24

10.900

1.600

f, B2

conform ontwerp

A007 Kuifduiker (g)

4

45

20

f, A2

conform ontwerp

A008 Geoorde fuut (c)

2

1.640

1.500

f, A4

conform ontwerp

A017 Aalscholver (g)

26

24.500

310

sf, C

conform ontwerp

A026 Kleine zilverreiger (g)

5

140

50

f, A2

conform ontwerp

A034 Lepelaar (g)

22

1.225

70

f, B1

conform ontwerp

A037 Kleine zwaan (b)

29

4.820

4

sf, C

conform ontwerp

A041 Kolgans (g);(h)

36

218.300

140

f, C

conform ontwerp

A043 Grauwe gans (g);(h)

31

86.300

630

sf, C

conform ontwerp

A045 Brandgans (g);(h)

26

140.900

1.900

sf, C

conform ontwerp

A046 Rotgans (c)

6

36.500

1.700

sf, B1

conform ontwerp

A048 Bergeend (g)

14

48.900

700

f, C

conform ontwerp

A050 Smient (g);(h)

45

258.200

4.500

sf, C

conform ontwerp

A051 Krakeend (g);(h)

35

10.200

320

f, B1

conform ontwerp

A052 Wintertaling (d)

24

21.000

510

f, B1

conform ontwerp

A053 Wilde eend (g)

13

128.000

2.900

f, B1

conform ontwerp

A054 Pijlstaart (c)

25

7.850

60

f, C

conform ontwerp

A056 Slobeend (g);(i)

38

5.750

50

f, C

conform ontwerp

A067 Brilduiker (g);(i)

10

4.380

620

f, B2

conform ontwerp

A069 Middelste zaagbek (g)

7

3.310

1.900

f, A3

conform ontwerp

A103 Slechtvalk (g)

6

180 k

10 (max)

f, B1

conform ontwerp

A125 Meerkoet (g);(i)

23

89.700

2.000

f, B1

conform ontwerp

A132 Kluut (c);(i)

17

9.510

80

sf, C

conform ontwerp

A137 Bontbekplevier (g)

10

2.260

50

sf, C

conform ontwerp

A138 Strandplevier (e)

3

180

20

sf, A1

conform ontwerp

A140 Goudplevier (f)

11

32.300

2.600

sf, B2

conform ontwerp

A141 Zilverplevier (g);(j)

8

27.600

130

sf, C

conform ontwerp

A149 Bonte strandloper (g)

8

187.300

650

sf, C

conform ontwerp

A157 Rosse grutto (g)

7

39.500

30

sf, C

conform ontwerp

A160 Wulp (g)

17

101.100

440

sf, C

conform ontwerp

A162 Tureluur (c)

9

18.480

170

sf, C

conform ontwerp

  • (a)

    Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf). Relatieve bijdrage is alleen berekend als het landelijke doel en het gebiedsdoel beide zijn gebaseerd op dezelfde waarde (óf seizoensmaximum óf seizoensgemiddelde).

  • (b)

    Fuut: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd voor deze soort vanwege slechte stuurbaarheid van vermoedelijke oorzaken (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • (c)

    Kleine zwaan: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd. De recente afname is verbonden aan een afname op internationaal niveau en mogelijk aan enkele andere slecht stuurbare factoren (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • (d)

    Geoorde fuut, rotgans, pijlstaart, kluut en tureluur: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soorten geformuleerd, omdat deze staat van instandhouding alleen gebaseerd is op toekomstverwachting (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • (e)

    Wintertaling: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect populatie is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soort geformuleerd. De staat van instandhouding is gebaseerd op een populatieafname die niet leidt tot een waarde van minder dan 75% van de draagkrachtindicatie (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • (f)

    Strandplevier: ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is voor deze soort landelijk een behoudsopgave geformuleerd. De sterke afname in populatie-omvang hangt samen met de afname van de broedvogelpopulatie. De oorzaken van deze afname liggen waarschijnlijk meer in de afname van de geschiktheid van de broedgebieden dan in die van de foerageergebieden buiten het broedseizoen. De condities in het leefgebied voor de strandplevier zijn grotendeels op orde, derhalve worden op gebiedsniveau behoudopgaven voor het leefgebied geformuleerd (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • (g)

    Goudplevier: de goudplevier heeft landelijk een opgave voor uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied. De verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied is niet zichtbaar in de trend, deze laat een toename zien binnen het Natura 2000-netwerk. Dit betreft echter minder dan de helft van de Nederlandse vogels en is een gevolg van verschuivingen in de ligging van de pleisterplaatsen. Incidentele tellingen buiten het monitoringsnetwerk suggereren dat de kwaliteit van het leefgebied buiten het Natura 2000-netwerk is afgenomen. Herstelopgaven binnen het netwerk zijn in dit licht niet geformuleerd (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • (h)

    Dodaars, kuifduiker, aalscholver, kleine zilverreiger, lepelaar, kolgans, grauwe gans, brandgans, bergeend, smient, krakeend, wilde eend, slobeend, brilduiker, middelste zaagbek, slechtvalk, meerkoet, bontbekplevier, zilverplevier, bonte strandloper, rosse grutto en wulp: de staat van instandhouding van de soort is beoordeeld als “gunstig”71.

  • (i)

    Kolgans, grauwe gans, brandgans, smient en krakeend: enige afname landelijk veroorzaakt door extensivering van landgebruik (onder andere door natuurontwikkeling) is aanvaardbaar.

  • (j)

    Fuut, slobeend, brilduiker, meerkoet en kluut: enige afname landelijk als gevolg van herstel van zout-zoet overgangen is aanvaardbaar.

  • (k)

    Zilverplevier: enige afname landelijk ten behoeve van herstel van het leefgebied voor schelpdiereters is aanvaardbaar.

  • (l)

    Slechtvalk: de landelijke instandhoudingdoelstelling voor deze soorten is gebaseerd op het gemiddelde seizoensmaximum over de periode 1999/2000-2003/2004.

Appendix

Toelichting op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Grevelingen gebruikt zijn. Onderstaande paragrafen zijn opgenomen in de nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.

3 Gebiedsbeschrijving, aanduiding leefgebied en begrenzing
3.2 Aanduiding leefgebied

De Grevelingen is aangewezen als Speciale Beschermingszone onder de Vogelrichtlijn vanwege de aanwezigheid van een uitgestrekt zoutwatermeer, zandplaten en schrale graslanden die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de Richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als broedgebied, ruigebied, overwinteringsgebied en/of rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van de Beschermingszone is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat in samenhang met o.a. SBZ Voordelta en SBZ Haringvliet voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten.

Het onderhavige gebied is tevens aangewezen als watergebied van internationale betekenis onder de Wetlands-Conventie vanwege het voorkomen van belangrijke aantallen watervogels (criterium 5, 6).

4 Vogelkundige waarden
4.1 Kwalificerende vogelsoorten

De Grevelingen kwalificeert als Speciale Beschermingszone onder de Vogelrichtlijn vanwege het voorkomen van drempeloverschrijdende aantallen van Fuut, Geoorde Fuut, Lepelaar, Brandgans, Rotgans, Brilduiker, Middelste Zaagbek, Kluut, Grote Stern72, die het gebied benutten als broedgebied, ruigebied, overwinteringsgebied en/of rustplaats. Het gebied kan hierdoor tevens worden aangemerkt als watergebied van internationale betekenis zoals bedoeld in de Wetlands-Conventie (criterium 6). Het gebied kwalificeert tevens omdat het behoort tot één van de vijf belangrijkste broedgebieden of pleisterplaatsen voor Kuifduiker, Kleine Zilverreiger, Slechtvalk, Kluut en Grote Stern in Nederland.

De Grevelingen wordt verder aangemeld als watergebied van internationale betekenis onder de Wetlands- Conventie vanwege het geregeld voorkomen van minstens 20.000 watervogels (criterium 5).

Soorten van Bijlage I waarvoor het gebied tot "een van vijf belangrijkste" in Nederland behoort

Soort

Art. 4

Brva

Totale populatieb

% in 5e c

% in SBZ d

Telperiode

Kuifduiker Podiceps auritus

1

nee

5 000

0,1%

0,2%

1993-97

Kleine Zilverreiger Egretta garzetta

1

nee

100+

7,8%

25%

1993-97

Slechtvalk Falco peregrinus

1

nee

100+

5%

5%

1993-97

Kluut Recuvirostra avosetta

1

ja

7 250

4,3%

4,3%

1993-97

Grote Stern Sterna sandvicensis

1

ja

11 700

1,8%

17,9%

1993-97

Soorten van Bijlage I en trekkende watervogelsoorten waarvoor het gebied aan de 1%-drempel voldoet

Soort

Art. 4

Brva

Biogeogr. Populatiee

1% Biopopf

% in SBZg

Telperiode

Fuut Podiceps cristatus

2

nee

NW-Europa (win)

1500

8,2%

1993-97

Geoorde Fuut P. Nigricollis

2

nee

West-Palearctisch

1000

2,0%

1993-97

Lepelaar Platalea leucorodia

1

nee

Oost-Atlantisch

30

2,9%

1993-97

Brandgans Branta leucopsis

1

nee

Rusland/NW-Europa

1800

7,8%

1993-97

Rotgans B. Bernicla

2

nee

W-Siberië/NW-Europa

3000

1,1%

1993-97

Brilduiker Bucephala clangula

2

nee

NW-/Midden-Europa

3000

1,4%

1993-97

Middelste Zaagbek Mergus serrator

2

nee

NW-/Midden-Europa

1250

5,4%

1993-97

Kluut Recurvirostra avosetta

1

ja

W-Europa/W-MidZee

225 bp

1,4%

1993-97

Grote Stern Sterna sandvicensis

1

ja

W-Europa/W-Afrika

500 bp

4,2%

1993-97

  • (a)

    De kwalificatie betreft in het gebied broedende (indien ingevuld met "ja") of niet-broedende vogels ("nee)

  • (b)

    Omvang van de Nederlandse broedpopulatie (in paren), biogeografische populatie (Kuifduiker) of landelijke populatie (minimum aantal)

  • (c)

    Aantal in het op vier na belangrijkste gebied (5e gebied) uitgedrukt als percentage van de landelijke broedpopulatie of biogeografische populatie (niet-broedvogels)

  • (d)

    Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke broedpopulatie of biogeografische populatie (niet- broedvogels)

  • (e)

    Biogeografische populatie waartoe de in Nederland pleisterende exemplaren van deze soort worden gerekend

  • (f)

    Drempelwaarde zijnde 1% van de betreffende biografische populatie (biografische populatie en drempelwaarden van niet-broedende vogels ontleend aan Rose & Scott 1997, Waterfowl Population Estimates – 2nd edition. Wetlands International, Wageningen; broedvogels (paren) zie notitie "Selectie en begrenzing Vogelrichtlijngebieden", bijlage 2B)

  • (g)

    Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie

4.2 Andere relevante vogelsoorten

Andere soorten van Bijlage I waarvoor het gebied van betekenis is, zijn: Bruine Kiekendief, Zwartkopmeeuw, Visdief, Dwergstern (broedvogels); Kleine Zwaan, Nonnetje, Kluut, Goudplevier, Rosse Grutto (niet- broedvogels). Andere trekkende vogelsoorten waarvoor het gebied van betekenis is als overwinteringsgebied en/of rustplaats: Dodaars, Aalscholver, Kolgans, Grauwe Gans, Bergeend, Krakeend, Smient, Wilde Eend, Pijlstaart, Wintertaling, Slobeend, Meerkoet, Scholekster, Bontbekplevier, Strandplevier, Zilverplevier, Bonte Strandloper, Wulp, Tureluur, Steenloper. De platen en stranden (cq. drooggevallen gronden) zijn verder van belang als broedgebied voor Bontbekplevier en Strandplevier (trekvogels opgenomen in de nationale lijst van met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende soorten). De biotopen van deze vogels hebben mede de begrenzing van dit gebied bepaald.

4.3 Plaatselijke omstandigheden

De broedkolonie van Grote Sterns bevindt zich op de Hompelvoet (soms Markenje); het voedselgebied van deze vogels bestrijkt een groot deel van SBZ Voordelta. Broedvogels van schaars begroeide plekken, zoals Visdief, Kluut, Bontbekplevier en Strandplevier, komen verspreid voor langs de eilanden (Hompelvoet, Markenje, Veermansplaat), Slikken van Flakkee en op enkele andere geschikte plekken. Hetzelfde geldt voor de Dwergstern waarvan aantal en verspreiding binnen het gebied van jaar tot jaar echter sterk wisselen. In de trektijd zijn steltlopers vooral aanwezig op de zuidelijke Slikken van Flakkee en de Slikken van Bommenede. Het open water van het Grevelingenmeer fungeert als voedselgebied voor de diverse soorten vis- en benthosetende watervogels (Fuut, Geoorde Fuut, Kuifduiker, Aalscholver, Brilduiker, Middelste Zaagbek, Visdief). De Meerkoet wordt vooral aangetroffen langs de Grevelingendam en in het zuidwesten van het gebied. Voor viseters is het zelfs het belangrijkste gebied in de Delta. De Fuut foerageert vooral langs de diepe geulen tussen Brouwersluis en Den Osse. De Geoorde Fuut, die vooral wordt aangetroffen in het gebied ten noorden van de Hompelvoet oostelijk tot de Grevelingendam, gebruikt de rustige ondiepe delen van het meer ook als ruigebied. Concentraties van de Dodaars zijn o.a. aangetroffen langs de Grevelingendam en in de Geul van Bommenede. Lepelaars uit de broedkolonie SBZ Voornes Duin gebruiken het gebied als voedselgebied; in de nazomer fungeert de Grevelingen bovendien als pleisterplaats. Favoriete plekken zijn Hompelvoet (zowel de oeverzones als de meertjes op het eiland waar wordt gedronken), Veermansplaten, Slikken van Bommenede/Kleine Stampersplaat en Slikken van Flakkee-Zuid (grote kreek). De Kleine Zilverreiger heeft een vergelijkbare verspreiding binnen het gebied. Bergeend, diverse zwemeenden en foeragerende steltlopers zoeken vooral de (slikkige) oeverzones op. In het oostelijk en westelijk deel van het gebied bevinden zich hoogwatervluchtplaatsen van steltlopers die in SBZ Oosterschelde voedselzoeken (o.a.

Bonte Strandloper, Wulp, Tureluur). Brandganzen foerageren vooral op de Slikken van Flakkee-Zuid en in mindere mate op de Hompelvoet (mogelijk ook slaapplaats); er bestaat veel uitwisseling met SBZ Haringvliet. Rotganzen worden in het voorjaar vooral op de Hompelvoet en Markenje aangetroffen.

Daarnaast zijn het open water en/of diverse eilanden (o.a. Hompelvoet, Veermansplaat, Stampersplaat, Dwars in den Weg) in gebruik als rustplaats voor vele soorten zwanen, ganzen en eenden73. Het meer vormt in het broedseizoen een voedselgebied voor Aalscholvers afkomstig uit de broedkolonie SBZ Voornes Duin. Aalscholvers, die overnachten in het westelijk deel van het meer (Markenje, Hompelvoet), foerageren vooral in de Voordelta. Brilduikers overnachten vooral op het binnendijks gelegen Dijkwater (dat ook onderdeel uitmaakt van het aangewezen gebied) en nabij de plassen bij de Punt. Een deel van de op de Grevelingen foeragerende Middelste zaagbekken overnacht in SBZ Krammer-Volkerak. De Slechtvalk wordt verspreid in het gebied aangetroffen en met name in de buurt van watervogelconcentraties.

Bijlage Gebiedsbegrenzingen

LEGENDA:

Artikel

Noemer

Indicatief/exact

GIO-id74

1, eerste lid

Grevelingen – Habitatrichtlijngebied

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2024/N2000_Grevelingen_HR/nld@2024‑07‑01

2, eerste lid

Grevelingen – Vogelrichtlijngebied

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2024/N2000_Grevelingen_VR/nld@2024‑07‑01

3, tweede lid

Natura 2000-gebied Grevelingen

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2024/N2000_Grevelingen_N2000/nld@2024‑07‑01

Toelichting bij vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Grevelingen

1. Vaststelling nieuwe tekst

Dit besluit betreft de vaststelling van een nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit voor het Habitatrichtlijngebied Grevelingen, het Vogelrichtlijngebied Grevelingen en het Natura 2000-gebied Grevelingen, maar nu gepubliceerd met behulp van de nieuwe digitale standaard voor officiële publicaties: de Standaard Officiële Publicaties (STOP). Het besluit wordt inhoudelijk ongewijzigd vastgesteld. Dit aanwijzingsbesluit is de bijlage bij dit besluit. De nieuwe tekst is enkel een redactionele aanpassing, en brengt geen wijziging met enig rechtsgevolg met zich ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De reden voor de vaststelling van deze nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit is, dat in het kader van de Omgevingswet wordt overgegaan op nieuwe digitale standaarden voor de vormgeving van besluiten.

2. Procedure

Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond van artikel 16.25a van de Omgevingswet niet van toepassing, omdat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het betreft geen wijzigingen die leiden tot een andere inhoudelijke reikwijdte dan het geldende aanwijzingsbesluit voor dit gebied: er is geen sprake van wijzigingen van de geldende begrenzing of van instandhoudingsdoelstellingen. De tekst betreft enkel een redactionele aanpassing. In zoverre is dus ook geen sprake van zelfstandige rechtsgevolgen ten opzichte van het geldende besluit. Belanghebbenden die menen dat er wel sprake is van relevante wijzigingen en nieuwe rechtsgevolgen, kunnen evenwel met een bezwaarschrift eventuele bedenkingen tegen het besluit naar voren te brengen en de beslissing op het bezwaarschrift in een beroepsprocedure door de bestuursrechter laten toetsen.

3. Inwerkingtreding

Omdat met dit besluit de inhoud ongewijzigd blijft, kan het meteen de dag na publicatie inwerking treden.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze:

w.g. de directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum: 5 december 2024

  • 1

    Dit betreft een geconsolideerde versie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, inclusief wijzigingen die sindsdien op de Richtlijn van toepassing zijn. Met uitzondering van de bijlagen en verwijzingen is de tekst van de Richtlijn inhoudelijk niet gewijzigd. Terug naar link van noot.

  • 2

    Beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 december 2004 tot vaststelling, op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (2004/813/EG). PB EU 2004, L 387/1. Laatstelijk vervangen door Uitvoeringsbesluit van de Commissie 2013/26/EU van 16 november 2012 tot vaststelling van een zesde bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (PbEU 2013, L 24/ 379). Terug naar link van noot.

  • 3

    Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 4

    Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 5

    De begrenzingsmethodiek is verder uitgewerkt in het Gebiedendocument (2004). Terug naar link van noot.

  • 6

    Hof van Justitie EG, 7 november 2000, First Corporate Shipping, zaak C-371/98, punten 16 en 25. Terug naar link van noot.

  • 7

    De wijze van begrenzing van Vogelrichtlijngebieden is toegelicht in de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.

  • 8

    Beschikking van de Commissie 2004/813/EG van 7 december 2004 tot vaststelling op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (Pb 29‑12‑2004, L 387/1). Terug naar link van noot.

  • 9

    Conform artikel 15 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Stb. 2004, 31) is dit besluit, wat betreft de kadastrale percelen die geheel of gedeeltelijk binnen het aangewezen gebied zijn gelegen, in de kadastrale registratie als beperking ingeschreven. Terug naar link van noot.

  • 10

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 11

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 12

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 13

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 14

    Habitattypen waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: slijkgrasvelden (H1320) en ruigten en zomen, moerasspirea (H6430A) en ruigten en zomen, droge bosranden (H6430C). Terug naar link van noot.

  • 15

    De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.

  • 16

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 17

    Soorten waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: zeeprik (H1095), elft (H1102), zalm (H1106), bittervoorn (H1134) en kleine modderkruiper (H1149). Voor de platte schijfhoren (H4056) zijn geen gebieden geselecteerd omdat de soort bij de uitbreiding van de EU in 2004 is toegevoegd aan bijlage II. Terug naar link van noot.

  • 18

    selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.

  • 19

    Het Natura 2000-landschap van het gebied waarop dit besluit betrekking heeft staat vermeld in paragraaf 3.2 van deze Nota van toelichting. Terug naar link van noot.

  • 20

    Deze verkenning richt zich op het herstellen van het zuurstofgehalte van het water, het opwekken van duurzame energie, het uitbreiden van het natuurareaal, het verbeteren van het aanbod van recreanten en toeristen en het herstel van de visserij. Terug naar link van noot.

  • 21

    Met de korte termijn wordt bedoeld de periode tot het moment waarop de landelijke doelstelling uit het Natura 2000 doelendocument (LNV, 2006) zal worden geëvalueerd. Terug naar link van noot.

  • 22

    Met de korte termijn wordt bedoeld de periode tot het moment waarop de landelijke doelstelling uit het Natura 2000 doelendocument (LNV, 2006) zal worden geëvalueerd. Terug naar link van noot.

  • 23

    Met de korte termijn wordt bedoeld de periode tot het moment waarop de landelijke doelstelling uit het Natura 2000 doelendocument (LNV, 2006) zal worden geëvalueerd. Terug naar link van noot.

  • 24

    De betreffende graslanden op Hompelvoet hebben overigens ook een tijdlang als grijze duinen, heischraal (H2130C) op de habitatkaart gestaan, maar dat bleek ten onrechte te zijn. Terug naar link van noot.

  • 25

    SOVON (2000): Belangrijke vogelgebieden in Nederland 1993-97. SOVON-informatierapport 2000/01. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek- Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 26

    Ministerie van LNV (2000): Nota van Antwoord Vogelrichtlijn, bijlage 1, selectiecriteria en methode van begrenzing. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 27

    SOVON & CBS (2005): Trends van vogelaantallen in het Nederlandse Natura 2000 netwerk. SOVON-informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 28

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 29

    Destijds bekend als Duinen Goeree. Terug naar link van noot.

  • 30

    Destijds bekend als Zwin. Terug naar link van noot.

  • 31

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 32

    Destijds bekend als Duinen Goeree. Terug naar link van noot.

  • 33

    Destijds bekend als Zwin. Terug naar link van noot.

  • 34

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 35

    Destijds bekend als Duinen Goeree. Terug naar link van noot.

  • 36

    Ten tijde van de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden is het gebied Yerseke en Kapelse Moer (121) aangemeld in combinatie met het gebied Oosterschelde onder de naam Oosterschelde. Terug naar link van noot.

  • 37

    Destijds bekend als Duinen Zwanenwater en Pettemerduinen. Terug naar link van noot.

  • 38

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 39

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 40

    Destijds bekend als Ilperveld/Oostzanerveld/Varkensland. Terug naar link van noot.

  • 41

    Destijds bekend als Friese IJsselmeerkust. Terug naar link van noot.

  • 42

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 43

    De landelijke doelomschrijving in deze paragraaf beperkt zich in principe tot behoud/uitbreiding oppervlakte (of omvang leefgebied) en behoud/verbetering kwaliteit (leefgebied), in geval van soorten en vogels aangevuld met het doel voor behoud/uitbreiding populatie. Voor de volledige formulering van de landelijke doelen inclusief toelichting wordt verwezen naar het Natura 2000 doelendocument (2006). Terug naar link van noot.

  • 44

    In het Natura 2000 doelendocument (2006) zijn deze twee beoordelingen abusievelijk verwisseld. Terug naar link van noot.

  • 45

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 46

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 47

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Voordelta (Stcrt. 2008, 41). Terug naar link van noot.

  • 48

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Voordelta (Stcrt. 2008, 41), bijlage B.4.2. Terug naar link van noot.

  • 49

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 50

    Voor het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen voor vogels is de volgende afrondingssystematiek gebruikt: 1-20 = niet afronden, 21-100 = afronden op vijftallen, 100-1.000 = afronden op tientallen, >1.000 = afronden op honderdtallen. Terug naar link van noot.

  • 51

    Aarts, B.L. van den Bremer, E. van Winden & D. Zoetebier (2008). Trendinformatie en referentiewaarden voor Nederlandse kustvogels. Wageningen. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 79. (Beek-Ubbergen, SOVON Vogelonderzoek Nederland, SOVON-informatierapport 2008/06). Terug naar link van noot.

  • 52

    Bureau Waardenburg / Vogelbescherming Nederland (2008): Beschermingsplan Duin- en kustvogels. Basisrapport deel B. Terug naar link van noot.

  • 53

    Aarts, B.L. van den Bremer, E. van Winden & D. Zoetebier (2008). Trendinformatie en referentiewaarden voor Nederlandse kustvogels. Wageningen. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 79. (Beek-Ubbergen, SOVON Vogelonderzoek Nederland, SOVON-informatierapport 2008/06). Terug naar link van noot.

  • 54

    Bureau Waardenburg / Vogelbescherming Nederland (2008): Beschermingsplan Duin- en kustvogels. Basisrapport deel B. Terug naar link van noot.

  • 55

    Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden Waddenzee, Duinen en Lage Land Texel, Duinen Terschelling en Noordzeekustzone (Stcrt.2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 56

    Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden Waddenzee, Duinen en Lage Land Texel, Duinen Terschelling en Noordzeekustzone (Stcrt.2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 57

    Aarts, B.L. van den Bremer, E. van Winden & D. Zoetebier (2008). Trendinformatie en referentiewaarden voor Nederlandse kustvogels. Wageningen. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 79. (Beek-Ubbergen, SOVON Vogelonderzoek Nederland, SOVON-informatierapport 2008/06). Terug naar link van noot.

  • 58

    Bureau Waardenburg / Vogelbescherming Nederland (2008): Beschermingsplan Duin- en kustvogels. Basisrapport deel B. Terug naar link van noot.

  • 59

    Het doelniveau in Oosterschelde zal in een toekomstige wijziging van het besluit van 16 februari 2010 (Stcrt. 2010, 2212), waarmee de Oosterschelde als Natura 2000-gebied is aangewezen, worden aangepast. Terug naar link van noot.

  • 60

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 61

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 62

    Wijzigingsbesluit Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe (Stcrt. 2012, 19571). Terug naar link van noot.

  • 63

    In de peilperiode 1999-2003 100% in aangewezen gebieden maar in 2006 6% broedpopulatie in nieuwe kolonie in Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel (002) waarvoor geen gebiedsdoel is gesteld. Terug naar link van noot.

  • 64

    Aarts, B.L. van den Bremer, E. van Winden & D. Zoetebier (2008). Trendinformatie en referentiewaarden voor Nederlandse kustvogels. Wageningen. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 79. (Beek-Ubbergen, SOVON Vogelonderzoek Nederland, SOVON-informatierapport 2008/06). Terug naar link van noot.

  • 65

    Aarts, B.L. van den Bremer, E. van Winden & D. Zoetebier (2008). Trendinformatie en referentiewaarden voor Nederlandse kustvogels. Wageningen. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 79. (Beek-Ubbergen, SOVON Vogelonderzoek Nederland, SOVON-informatierapport 2008/06). Terug naar link van noot.

  • 66

    Bureau Waardenburg / Vogelbescherming Nederland (2008): Beschermingsplan Duin- en kustvogels. Basisrapport deel B. Terug naar link van noot.

  • 67

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 68

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 69

    Voorbeeld voor een seizoen met de volgende telresultaten (juli-juni): 0, 0, 0, 100, 100, 200, 100, 100, 0, 0, 0, 0. Het seizoensmaximum bedraagt in dit geval 200, het seizoensgemiddelde 50 (som van alle maandcijfers gedeeld door 12). Terug naar link van noot.

  • 70

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 71

    De beschreven staat van instandhouding van de meerkoet wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Op basis van de stabiele trend in de afgelopen 3 decennia is er geen sprake van een ongunstige staat van instandhouding op het aspect populatie. Zie het Natura 2000 profielendocument (2008). Terug naar link van noot.

  • 72

    Onderstreepte soorten zijn opgenomen in Bijlage I van de Richtlijn (artikel 4.1). Terug naar link van noot.

  • 73

    De slaapplaatsfunctie van het gebied voor ganzen wordt onderschat omdat de tellingen overdag zijn verricht (vgl. Vogelconcentraties en vogelbewegingen in Zeeland, Mostert et al. 1990, Rijkswaterstaat, Middelburg). Terug naar link van noot.

  • 74

    Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_waterkwaliteit/nld@2019‑11‑01). Terug naar link van noot.

Naar boven