Vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Westerschelde & Saeftinghe

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);

Gelet op artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet;

Besluit:

Artikel 1

De nieuwe tekst van het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 23 december 2009, PDN/2009-122 (Stcrt. 2010, 2212), houdende de aanwijzing van het Habitatrichtlijngebied Westerschelde & Saeftinghe, het Vogelrichtlijngebied Westerschelde & Saeftinghe en het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe, wordt vastgesteld zoals weergegeven in de bijlage “Aanwijzingsbesluit Westerschelde & Saeftinghe” bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze,

De directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum:

Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, t.a.v. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. de afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE, Zwolle.

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:

  • a)

    de naam en het adres van de indiener;

  • b)

    de dagtekening;

  • c)

    een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en

  • d)

    de gronden van bezwaar.

Meer informatie over Natura 2000 en gerelateerde onderwerpen vindt u op de website https://www.rijksoverheid.nl/natura2000. Voor vragen over Natura 2000 kunt u op werkdagen van 8.30 uur tot 16.30 uur contact opnemen met het klantcontactcentrum van RVO, telefoon 088 - 042 42 42 (lokaal tarief).

Bijlage bij artikel 1

Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe

Artikel 1 Aanwijzing Westerschelde & Saeftinghe - Habitatrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Westerschelde & Saeftinghe.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire habitattypen zijn met een sterretje (*) aangeduid:

    H1110

    Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken

    H1130

    Estuaria

    H1140

    Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten

    H1310

    Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia

    spp. en andere zoutminnende planten

    H1320

    Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae)

    H1330

    Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae)

    H2110

    Embryonale wandelende duinen

    H2120

    Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”)

    H2130

    *Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”)

    H2160

    Duinen met Hippophaë rhamnoides

    H2190

    Vochtige duinvalleien

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire soorten zijn met een sterretje (*) aangeduid:

    H1014

    Nauwe korfslak (Vertigo angustior)

    H1095

    Zeeprik (Petromyzon marinus)

    H1099

    Rivierprik (Lampetra fluviatilis)

    H1103

    Fint (Alosa fallax)

    H1351

    Bruinvis (Phocoena phocoena)

    H1364

    Grijze zeehond (Halichoerus grypus)

    H1365

    Gewone zeehond (Phoca vitulina)

    H1903

    Groenknolorchis (Liparis loeselii)

Artikel 2 Aanwijzing Westerschelde & Saeftinghe - Vogelrichtlijngebied

  • 1.

    Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste lid en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU L 20)1 wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Westerschelde & Saeftinghe.

  • 2.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A026

    Kleine zilverreiger (Egretta garzetta)

    A034

    Lepelaar (Platalea leucorodia)

    A075

    Zeearend (Haliaeetus albicilla)

    A081

    Bruine kiekendief (Circus aeruginosus)

    A103

    Slechtvalk (Falco peregrinus)

    A132

    Kluut (Recurvirostra avosetta)

    A138

    Strandplevier (Charadrius alexandrines)

    A140

    Goudplevier (Pluvialis apricaria)

    A157

    Rosse grotto (Limosa lapponica)

    A176

    Zwartkopmeeuw (Larus melanocephalus)

    A191

    Grote stern (Sterna sandvicensis)

    A193

    Visdief (Sterna hirundo)

    A195

    Dwergstern (Sterna albifrons)

    A272

    Blauwborst (Luscinia svecica)

  • 3.

    De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG:

    A005

    Fuut (Podiceps cristatus)

    A041

    Kolgans (Anser albifrons)

    A043

    Grauwe gans (Anser anser)

    A048

    Bergeend (Tadorna tadorna)

    A050

    Smient (Anas penelope)

    A051

    Krakeend (Anas strepera)

    A052

    Wintertaling (Anas crecca)

    A053

    Wilde eend (Anas platyrhynchos)

    A054

    Pijlstaart (Anas acuta)

    A056

    Slobeend (Anas clypeata)

    A069

    Middelste zaagbek (Mergus serrator)

    A130

    Scholekster (Haematopus ostralegus)

    A137

    Bontbekplevier (Charadrius hiaticula)

    A141

    Zilverplevier (Pluvialis squatarola)

    A142

    Kievit (Vanellus vanellus)

    A143

    Kanoet (Calidris canutus)

    A144

    Drieteenstrandloper (Calidris alba)

    A149

    Bonte strandloper (Calidris alpina ssp. alpina)

    A160

    Wulp (Numenius arquata)

    A161

    Zwarte ruiter (Tringa erythropus)

    A162

    Tureluur (Tringa tetanus)

    A164

    Groenpootruiter (Tringa nebularia)

    A169

    Steenloper (Arenaria interpres)

Artikel 3 Aanwijzing Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe

Artikel 4 Exclaveringsformule

  • 1.

    Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting wordt afgeweken. Hiervoor gelden de peildata, genoemd in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:

    • a.

      bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

    • b.

      bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond;

    • c.

      gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

    • d.

      erven: onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terreinen;

    • e.

      tuinen: in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terreinen, beplant met siergewassen en gazons, of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving en veelal, omheind zijn door middel van een afrastering, schutting, muur of haag of geheel of gedeeltelijk zijn omgeven door een sloot;

    • f.

      verhardingen: kunstmatige verhardingen zoals verharde wegen, pleinen, parkeervoorzieningen, erfverhardingen en steenglooiingen met inbegrip van in wegen liggende bruggen en duikers en de tot wegen behorende paden en bermen of zijkanten;

    • g.

      hoofdspoorweg: op grond van artikel 2 van de spoorwegwet als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg. Voor de begrenzing langs hoofdspoorwegen geldt artikel 3.5 van het omgevingsbesluit (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur).

Artikel 5 Instandhoudingsdoelstellingen Habitatrichtlijn: habitattypen en soorten

Artikel 6 Instandhoudingsdoelstellingen Vogelrichtlijn: broedvogels en niet-broedvogels

  • 1.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.

  • 2.

    De instandhoudingsdoelstellingen voor de niet-broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.6 van de nota van toelichting.

Bijlage Nota van toelichting

1. INLEIDING

Het gebied Westerschelde & Saeftinghe is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna Habitatrichtlijn) en als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 2009/147/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna Vogelrichtlijn). Tezamen vormen deze speciale beschermingszones het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe. Het besluit bevat de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.

Artikel 1 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Habitatrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de habitattypen en habitatrichtlijnsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 2 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Vogelrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 3 van het besluit introduceert de nota van toelichting en benadrukt dat het besluit niet te lezen is zonder de nota van toelichting. Daarnaast wordt in dit deel van het besluit het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe gevormd uit het Habitatrichtlijngebied en het Vogelrichtlijngebied.

Artikel 4 van het besluit regelt de uitgezonderde delen van de in artikel 1 en artikel 2 aangewezen gebieden.

Artikel 5 en artikel 6 van het besluit bepalen dat er voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen verwezenlijkt dienen te worden. De doelstelling van artikel 5 heeft betrekking op de in artikel 1 opgesomde soorten en habitattypen. De soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanmelding van de Habitatrichtlijngebieden in 2003. De doelstelling van artikel 6 heeft betrekking op de in artikel 2 opgesomde vogelsoorten. De vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden in 2000.

In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting worden de aanwijzingen op grond van de Habitat- en Vogelrichtlijn kort toegelicht.

Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een gebiedsbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op eventuele grenswijzigingen die zijn doorgevoerd nadat het gebied bij de Europese Commissie is aangemeld of die zijn doorgevoerd nadat het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 de bij dit besluit behorende begrenzing toegelicht.

In hoofdstuk 4 wordt een opsomming gegeven van habitattypen en soorten waaraan het gebied zijn betekenis ontleent.

In hoofdstuk 5 worden de algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en worden de specifieke instandhoudingsdoelstellingen genoemd in artikel 5 en 6, nader toegelicht. Er wordt aangegeven in welke richting de instandhoudingsdoelstelling zich zal moeten ontwikkelen. Daarvoor worden de termen “behoud”, “uitbreiding” of “verbetering” gebruikt. Voor een habitattype wordt de verdeling gemaakt in oppervlakte en kwaliteit, zodat de aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een habitattype altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van oppervlakte en van “behoud” of “verbetering” van kwaliteit wordt gegeven. Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit leefgebied. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van omvang leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van kwaliteit van leefgebied ten behoeve van “behoud” of “uitbreiding” van de populatie.

Bij de nota van toelichting is een bijlage A gevoegd met illustraties van grenswijzigingen indien van toepassing; die illustraties laten eventueel zien welke terreindelen zijn vervallen of zijn toegevoegd als onderdeel van de speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Anders dan de andere bijlagen bij de toelichting maakt bijlage A geen integraal onderdeel uit van dit besluit, aangezien er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet enkel nog rechten worden verleend aan de geometrische begrenzing. Bijlage B omvat een nadere onderbouwing van de na de eerste aanwijzing aangebrachte wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en toewijzing van en wijzigingen in instandhoudingsdoelstellingen.

2. AANWIJZINGEN HABITAT- EN VOGELRICHTLIJN

Artikel 1 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Westerschelde & Saeftinghe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn (verder aangeduid als “Habitatrichtlijngebied”). Het gebied is in mei 2003 aangemeld volgens de procedure zoals opgenomen in artikel 4 van deze Richtlijn, waarna het gebied in december 2004 door de Europese Commissie onder de naam “Westerschelde” en onder nummer NL9803061 is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio2.

Artikel 2 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Westerschelde & Saeftinghe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (verder aangeduid als “Vogelrichtlijngebied”). Het gebied is op 18 juli 1995 (N. 955811) onder de naam “Verdronken Land van Saeftinghe” en op 24 maart 2000 (N/2000/330) onder de naam “Westerschelde” aangewezen. Bij de Europese Commissie zijn de gebieden Westerschelde en Verdronken land van Saeftinghe bekend onder de nummers NL9802026 en NL1000019. De bestaande Vogelrichtlijnbesluiten N. 955811 en N/2000/330 zijn door middel van dit besluit gewijzigd.

Met betrekking tot het Vogelrichtlijngebied kan er in dit besluit naast mogelijke grenswijzigingen ook een wijziging plaatsvinden bij de vogelsoorten, waarvoor dit gebied destijds is aangewezen. Deze eventuele wijzigingen worden toegelicht in bijlage B. In dit besluit worden alle vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied wordt geacht te zijn aangewezen.

Artikel 3 van dit besluit voorziet in de samenvoeging van de speciale beschermingszones tot één Natura 2000-gebied: Westerschelde & Saeftinghe (landelijk gebiedsnummer 122).

Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en onder de Vogelrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen, habitats van soorten en de leefgebieden van vogels in een gunstige staat van instandhouding behouden of, in voorkomend geval, herstellen. De instandhoudingsdoelstellingen (artikel 5 en 6 en hoofdstuk 5) en de begrenzing zijn in algemene zin nader toegelicht in het Natura 2000 doelendocument (2006)3. Dit document geeft het beleidskader van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen weer en van de daarbij gehanteerde systematiek.

Beschrijvingen van habitattypen en (vogel)soorten waarvoor doelen zijn vastgesteld, zijn opgenomen in het Natura 2000 profielendocument (2008)4.

Het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe ligt in de provincie Zeeland en behoort tot het grondgebied van de gemeenten Borsele, Hulst, Kapelle, Reimerswaal, Sluis, Terneuzen, Veere en Vlissingen.

3. GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEGRENZING

3.1 Gebiedsbeschrijving

De Westerschelde is de zuidelijke tak in het oorspronkelijke mondingsgebied van de rivier de Schelde. Het is de enige zeetak in de Delta waar nu nog sprake is van een estuarium met open verbinding naar zee. Het betreft een zeer dynamisch gebied, mede door de trechtervorm ervan, waarin het getijverschil naar achteren erg groot wordt. Noordzeewater dringt met krachtige getijdenstromen binnen, maar door de aanvoer van rivierwater is het zoutgehalte relatief laag.

Het estuarium is zeer uitgestrekt. De rivier bestaat uit een hoofdgeul met meerdere, zich verplaatsende nevengeulen waartussen bij eb droogvallende zand- en slikplaten en ondiep water liggen. Langs de randen liggen schorren, waarin kreken grillige patronen vormen. Onder invloed van eb en vloed verandert de aanblik van het gebied voortdurend.

Onder de schorren langs de Westerschelde bevindt zich het grootste schorrengebied van ons land: het Verdronken Land van Saeftinghe. Door het grote getijverschil bevat het Verdronken Land van Saeftinghe zeer hoge oeverwallen en brede geulen.

Buitengaats ligt de verzande slufter van de Verdronken Zwarte Polder nog in het gebied. In het mondingsgebied is verder nog sprake van duinvorming bij Rammekenshoek, de Kaloot en op de Hooge Platen. Binnendijks liggen een aantal gebieden met aan het estuarium gekoppelde natuur: Rammekenshoek, Inlaag 1887, Bathse Kreek, Inlaag Hoofdplaat en Herdijkte Zwarte Polder.

3.2 Landschappelijke context en kenmerken begrenzing

Westerschelde & Saeftinghe behoort tot het Natura 2000-landschap “Noordzee, Waddenzee en Delta”.

De ligging van de habitattypen en van de leefgebieden van de soorten (paragraaf 4.4) waarvoor het gebied is aangewezen, vormt het uitgangspunt voor de begrenzing van de Habitatrichtlijngebieden. Dit is inclusief terreindelen die van mindere kwaliteit zijn. Daarnaast omvat het begrensde gebied ook natuurwaarden die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren, alsmede terreindelen die noodzakelijk worden geacht om de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten in stand te houden en te herstellen5.

Bij de keuze en de afbakening van de gebieden is geen rekening gehouden met andere vereisten dan die verband houden met de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna6.

De grenzen van Vogelrichtlijngebieden worden bepaald door het gebruik dat de aanwezige bijlage I-soorten, en/of trekkende watervogels, en/of overige trekkende vogels ervan maken, waarbij wordt uitgegaan van landschapsecologische eenheden en de biotoopeisen van de betrokken vogelsoorten. De Westerschelde is aangewezen als Vogelrichtlijngebied onder de Vogelrichtlijn vanwege de aanwezigheid van schorren, slikken, platen en ondiep water die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de Richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als broed-, rui-, overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/ of voortplanten van bedoelde vogelsoorten7.

3.3 Geometrische begrenzing en oppervlakte
3.3.1 Natura 2000-gebied

De geometrische begrenzing van het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe is weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage Gebiedsbegrenzingen. In hoofdlijnen omvat het aangewezen gebied het estuarium en mondingsgebied van de Westerschelde vanaf de rijksgrens (nabij Bath) tot de lijn Westkapelle-Cadzand (rijksgrens). Daarnaast maken ook een aantal binnendijkse gebieden, die veelal een ecologische relatie hebben met het estuarium, deel uit van het aangewezen gebied. Ten westen van de lijn Vlissingen-Breskens maken de stranden, met uitzondering van die ter hoogte van de Verdronken Zwarte Polder, geen deel uit van het aangewezen gebied. De begrenzing van het Vogel- en Habitatrichtlijngebied is gelijk.

Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van ongeveer 43.680 ha, dat zowel Vogelrichtlijngebied als Habitatrichtlijngebied betreft. Dit cijfer betreft de bruto-oppervlakten omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met niet in de geometrische begrenzing, tekstueel uitgesloten delen (zie artikel 4 en hierna).

Voor de begrenzing van Natura 2000-gebieden geldt de volgende algemene exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken. Voor de gebruikte begrippen gelden de definities (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied) zoals die omschreven zijn in artikel 4. Daar waar de geometrische begrenzing en de exclaveringsformule niet overeenstemmen, is de exclaveringsformule doorslaggevend.

Voor de toepassing van de begrenzing en de exclaveringsformule van artikel 4 gelden er peildata:

  • 18 juli maart 1995 en 24 maart 2000 voor de gebiedsdelen die zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied.

  • 7 december 2004 voor de gebiedsdelen die geplaatst zijn op de eerste lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio8;

  • 23 december 2009 en 29 augustus 2012 voor de gebiedsdelen die met het Natura-2000 aanwijzingsbesluit zijn toegevoegd aan het eerder aangewezen Vogelrichtlijngebied en aangemelde Habitatrichtlijngebied.

De begrenzingen van het Vogelrichtlijngebied en van het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) zijn op enkele technische punten verbeterd (2009):

  • Bestaande bebouwing (inclusief erven en tuinen; reeds tekstueel geëxclaveerd) waar geen Natura 2000-waarden voorkomen, is waar mogelijk op grond van kadastrale of topografische lijnen ook buiten de begrenzing gebracht.

  • De begrenzing is waar mogelijk gelegd langs topografisch herkenbare lijnen, zoals wegen, wateren, perceelscheidingen en bosranden.

  • De grens langs de Westerschelde oostelijk van de lijn Vlissingen-Breskens en ter hoogte van de Verdronken Zwarte Polder is uit een oogpunt van duidelijkheid op de buitenkruinlijn van de primaire waterkeringen gelegd. De eerder als grens gehanteerde buitenteen is onduidelijk waar schorren zich over de buitenteen uitstrekken over de buitenzijde van de dijk.

  • Onlogische verschillen (<25 ha) tussen Vogel- en Habitatrichtlijngebied zijn opgeheven door de meest ruime grens aan te houden. Onlogische verschillen op perceelsniveau van minder dan 1 ha tussen de begrenzing van de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn weggewerkt.

  • De begrenzing is afgestemd op die van de (voormalige) natuurmonumenten opdat deze geheel binnen het Vogel- en Habitatrichtlijngebied vallen.

  • De zeewaartse grens is gelegd op de grens van de territoriale zee van Nederland zoals bedoeld en gedefinieerd in de Wet houdende vaststelling van de grenzen van de territoriale zee van Nederland (Stb 1985, 129)9. Dit betekent dat de grens wordt gevormd door de lijn tussen het snijpunt van de Nederlands-Belgische landgrens met de laagwaterlijn en het Molenhoofd op de kust van Walcheren. Dit is gedaan uit praktische overwegingen om de uitvoering van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Visserijwet niet onnodig ingewikkeld te maken. Overlap van 5 meter of minder met kadastrale percelen die grotendeels buiten het gebied zijn gelegen, is gelet op de kadastrale inschrijving10, waar mogelijk beperkt. Dit betekent dat aldaar de kadastrale lijn is aangehouden. Deze werkwijze is alleen gevolgd op plekken waar geen Natura 2000-waarden aanwezig zijn.

Overige wijzigingen van meer dan 1 ha worden in de volgende alinea’s toegelicht. De toegevoegde gebiedsdelen (land) betreffen gronden die in eigendom en/of beheer zijn bij de terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties.

De volgende gebiedsdelen die reeds deel uitmaakten van het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld), zijn toegevoegd aan het Vogelrichtlijngebied (zie bijlage A) (2009):

  • Permanent open water ten oosten van de lijn Vlissingen-Breskens (de vaargeulen in het estuarium, circa 13.600 ha) dat landschapsecologisch een geheel vormt met de reeds aangewezen droogvallende platen. Dit open water is van belang is voor diverse soorten voedselzoekende en rustende watervogels waarvoor het gebied is aangewezen.

  • Mondingsgebied van het estuarium ten westen van de lijn Vlissingen-Breskens (inclusief Verdronken Zwarte Polder, ruim 9.000 ha) dat van belang is voor diverse voedselzoekende watervogels.

  • Rammekenshoek (70 ha), hoogwatervluchtplaats voor watervogels die in het intergetijdengebied voedsel zoeken; ook nestplaats bruine kiekendief.

  • Inlaag 2005 ten westen van Ellewoutsdijk (31 ha, in ontwikkeling zijnde zilte inlaag die reeds fungeert als broed- en rustplaats voor watervogels van de Westerschelde (onder andere kluut).

  • Inlaag grenzend aan Inlaag 1887 (2 ha) bij Ellewoutsdijk.

  • Bathse Kreek (13 ha).

  • Plaskreek (9 ha) ten noorden van Biervliet, gelijktrekking met de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied.

  • Inlagen bij Hoofdplaat (6 en 21 ha).

De volgende gebiedsdelen zijn toegevoegd aan het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) gelet op aanwezigheid of ontwikkeling van de habitattypen zilte pionierbegroeiingen (H1310) en schorren en zilte graslanden, binnendijks (H1330B) (2009):

  • Twee buitendijkse stroken land en slikken (39 ha) tussen Terneuzen en Breskens, waaronder het Voorland Nummer Een, onderdeel van het habitattype estuaria (H1130) en bestaande uit of in ontwikkeling zijnde schorren en zilte graslanden (H1330). Deze stroken waren reeds deel van het aangewezen Vogelrichtlijngebied (2000);

  • De Weitje (7 ha) aansluitend op Rammekenshoek ten oosten van Vlissingen;

  • Meest westelijk gelegen deel van Inlaag 1887 (2 ha) bij Ellewoutsdijk;

  • Scheldeoord (9 ha) onder Baarland;

  • Den Inkel onder Kruiningen (7 ha);

  • Twee percelen van de Bathse Kreek (17,4 ha) tussen Rilland en Bath;

  • Schor van Hontenisse ten noorden van Ossenisse, Molenpolder (26 ha).

Deze gebiedsdelen (met uitzondering van de eerstgenoemde) zijn ook toegevoegd aan het Vogelrichtlijngebied als hoogwatervluchtplaats voor watervogels die in het intergetijdengebied van de Westerschelde voedsel zoeken. Met name de laatste twee genoemde (grotere) gebiedsdelen zijn ook van belang voor diverse soorten broedvogels (kluut, strandplevier, bontbekplevier, visdief en bruine kiekendief).

Het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) en het Vogelrichtlijngebied zijn uitgebreid (16 ha) met de voormalige veerhaven van Kruiningen als onderdeel van het estuariene systeem (habitattype estuaria (H1130)). De havenkom maakt onderdeel uit van het Natuurcompensatieprogramma Westerschelde. Onder meer vanuit dit programma is de havenkom aangepast om een natuurlijke en ongestoorde ontwikkeling van slik en schor mogelijk te maken.

Het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) is verkleind (2009):

  • Ten westen van de lijn Vlissingen-Breskens is de landwaartse grens buiten de Verdronken Zwarte Polder gelegd op de laagwaterlijn. De grens wordt hier gelijkgetrokken met de landwaartse grens van het habitattype permanent overstroomde zandbanken (H1110B) waartoe het zeegebied ten westen van Vlissingen-Breskens behoort. De aangrenzende stranden en duingebieden maken geen deel uit van de habitattypen estuaria (H1130) en permanent overstroomde zandbanken (H1110) waarvoor het gebied vooral wordt aangewezen. Voor zover duinhabitats hier voorkomen betreft het marginale voorkomens. Deze habitattypen zijn al zeer goed vertegenwoordigd in andere duingebieden.

  • Ter hoogte van Bath valt de grens van het gebied in de Westerschelde samen met de rijksgrens. Abusievelijk waren delen Belgisch grondgebied binnen de begrenzing opgenomen (circa 210 ha).

In afwijking van het ontwerpbesluit, maar in overeenstemming met de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (1995), is de zogenaamde gasdam tussen het Verdronken Land van Saeftinghe en het Sieperdaschor opgenomen omdat (2009):

  • deze onderdeel uitmaakt van de oorspronkelijke aanwijzing en er geen inhoudelijke redenen zijn dit gebiedsdeel te verwijderen;

  • bij verwijdering zou aan beide zijden de (buiten)kruinlijn moeten worden gevolgd (conform de wijze van begrenzen langs waterkerende dijken, zie boven) omdat de gasdam aan beide zijden wordt omgeven door schorren. Dit heeft als consequentie dat alleen de kruin van de dam zou worden geëxclaveerd, waardoor het praktische voordeel van exclavering grotendeels teniet wordt gedaan (bedoeld voordeel is uitzondering van een gebiedsdeel dat als leidingenstraat fungeert).

De volgende in het ontwerp opgenomen uitbreidingen ten opzichte van het aangemelde Habitatrichtlijngebied komen te vervallen omdat deze geen bijdrage (kunnen) leveren aan de instandhouding van het gebied:

  • Boonepolder (12 ha) onder ’s-Gravenpolder;

  • Bathse Schor (73,4 ha);

  • Margarethapolder ten oosten van Terneuzen (83 ha).

  • Klein Molenpolder bij Paal (3,4 ha);

  • Plaskreek, noordelijk deel (20 ha) ten noorden van Biervliet.

Dit betreft geen terreinen waar habitattypen of leefgebieden van soorten aanwezig zijn of ontwikkeld kunnen worden op grond waarvan uitbreiding als Habitatrichtlijngebied kan worden gerechtvaardigd.

Uitbreiding met oostelijk deel Rammekensschor (voor zover bestaande uit schorren en strand) en het aangrenzende water (34 ha) (2012). Dit betreft de Habitattypen estuarium (H1130), zilte pionierbegroeiingen (H1310), slijkgrasvelden (H1320) en/of schorren en zilte graslanden (H1330). Het behoort tevens tot het leefgebied (voedselgebied en rustplaats) van diverse (water)vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen (o.a. rotgans, smient, scholekster, wulp, tureluur).

3.3.2 Wijziging Vogelrichtlijngebied Nederlands Zwingebied

De wijziging waarbij de zeewaartse grens van Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe is gelegd op de grens van de territoriale zee van Nederland (zie boven), heeft als consequentie dat een stuk zeegebied (circa 15 ha) dat in oktober 1996 was aangewezen als onderdeel van het Vogelrichtlijngebied Nederlands Zwingebied, wordt overgeheveld naar het eerstgenoemde gebied (zie bijlage A).

4. NATURA 2000-WAARDEN

4.1 Inleiding

In de artikelen 1 en 2 is een opsomming gegeven van de waarden waaraan het gebied zijn betekenis ontleent als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. Wat betreft de aanwijzing als Habitatrichtlijngebied wordt in paragrafen 4.2.1 en 4.2.2 een lijst gegeven van de habitattypen (met vermelding van de aanwezige subtypen) en soorten waarvoor het gebied is aangewezen11. Paragraaf 4.2.3 vermeldt de vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen. Op alle vermelde habitattypen en (vogel)soorten is een instandhoudingsdoelstelling van toepassing (zie artikelen 5 en 6 en hoofdstuk 5).

Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 vermeld welke selectiecriteria op het Habitatrichtlijngebied van toepassing zijn en wordt onderbouwd waarom het gebied als Habitatrichtlijngebied is geselecteerd. Van elk habitattype en van elke soort waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet, wordt in bijlage B.3 in tekst en/of tabelvorm de betekenis (relatieve bijdrage) van het gebied afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden die aan de selectiecriteria voldoen. Tenslotte beschrijft paragraaf 4.4 de verspreiding van habitattypen en soorten binnen het gebied, ter onderbouwing van de gevolgde gebiedsbegrenzing van het Habitatrichtlijngebied.

4.2 Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen
4.2.1 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I12)

Het gebied is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitats opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een bijdrage levert aan de instandhouding op landelijk niveau. Ten behoeve van de nationale uitwerking van de Habitatrichtlijn is een deel van de habitattypen verdeeld in subtypen, vanwege de zeer ruime variatie in fysieke omstandigheden en soortensamenstelling. De namen van de habitattypen en daarvan afgeleide subtypen zullen verder met hun verkorte namen worden aangeduid. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H1110

Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken

Verkorte naam Permanent overstroomde zandbanken

betreft het subtype:

H1110B

Permanent overstroomde zandbanken (Noordzeekustzone)

H1130

Estuaria Verkorte naam Estuaria

H1140

Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten

Verkorte naam Slik- en zandplaten

betreft het subtype:

H1140B

Slik- en zandplaten (Noordzeekustzone)

H1310

Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende soorten

Verkorte naam Zilte pionierbegroeiingen

betreft de subtypen:

H1310A

Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal)

H1310B

Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur)

H1320

Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae)

Verkorte naam Slijkgrasvelden

H1330

Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae)

Verkorte naam Schorren en zilte graslanden

betreft de subtypen:

H1330A

Schorren en zilte graslanden (buitendijks)

H1330B

Schorren en zilte graslanden (binnendijks)

H2110

Embryonale wandelende duinen

Verkorte naam Embryonale duinen

H2120

Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”)

Verkorte naam Witte duinen

H2130

*Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”)

Verkorte naam Grijze duinen

betreft het subtype:

H2130A

*Grijze duinen (kalkrijk)

H2160

Duinen met Hippophaë rhamnoides

Verkorte naam Duindoornstruwelen

H2190

Vochtige duinvalleien

Verkorte naam Vochtige duinvalleien

betreft het subtype:

H2190B

Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

4.2.2 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage II13)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een wezenlijke functie in de levenscyclus vervult. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding op landelijk niveau.

Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.

H1014

Nauwe korfslak (Vertigo angustior)

H1095

Zeeprik (Petromyzon marinus)

H1099

Rivierprik (Lampetra fluviatilis)

H1103

Fint (Alosa fallax)

H1351

Bruinvis (Phocoena phocoena)

H1364

Grijze zeehond (Halichoerus grypus)

H1365

Gewone zeehond (Phoca vitulina)

H1903

Groenknolorchis (Liparis loeselii)

4.2.3 Vogelrichtlijn: vogelsoorten (bijlage I en artikel 4.2)

Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn:

A026

Kleine zilverreiger (Egretta garzetta)

A034

Lepelaar (Platalea leucorodia)

A075

Zeearend (Haliaeetus albicilla)

A081

Bruine kiekendief (Circus aeruginosus)

A103

Slechtvalk (Falco peregrinus)

A132

Kluut (Recurvirostra avosetta)

A138

Strandplevier (Charadrius alexandrinus)

A140

Goudplevier (Pluvialis apricaria)

A157

Rosse grutto (Limosa lapponica)

A176

Zwartkopmeeuw (Larus melanocephalus)

A191

Grote stern (Sterna sandvicensis)

A193

Visdief (Sterna hirundo)

A195

Dwergstern (Sterna albifrons)

A272

Blauwborst (Luscinia svecica)

Verder is het gebied aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen in hun trekzones (artikel 4.2):

A005

Fuut (Podiceps cristatus)

A041

Kolgans (Anser albifrons)

A043

Grauwe gans (Anser anser)

A048

Bergeend (Tadorna tadorna)

A050

Smient (Anas penelope)

A051

Krakeend (Anas strepera)

A052

Wintertaling (Anas crecca)

A053

Wilde eend (Anas platyrhynchos)

A054

Pijlstaart (Anas acuta)

A056

Slobeend (Anas clypeata)

A069

Middelste zaagbek (Mergus serrator)

A130

Scholekster (Haematopus ostralegus)

A137

Bontbekplevier (Charadrius hiaticula)

A141

Zilverplevier (Pluvialis squatarola)

A142

Kievit (Vanellus vanellus)

A143

Kanoet (Calidris canutus)

A144

Drieteenstrandloper (Calidris alba)

A149

Bonte strandloper (Calidris alpina ssp. alpina)

A160

Wulp (Numenius arquata)

A161

Zwarte ruiter (Tringa erythropus)

A162

Tureluur (Tringa totanus)

A164

Groenpootruiter (Tringa nebularia)

A169

Steenloper (Arenaria interpres)

Wijzigingen ten opzichte van de aanwijzingen als Vogelrichtlijngebied (1995 en 2000) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.2 van deze nota van toelichting.

4.3 Habitatrichtlijn: waarden waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet
4.3.1 Habitattypen (bijlage I)

Voor niet-prioritaire habitattypen opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor habitattypen welke verdeeld zijn in subtypen, geldt een aantal van “drie belangrijkste gebieden” per subtype. Voor prioritaire habitattypen14 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden” en voor subtypen van prioritaire habitattypen een aantal van “vijf belangrijkste gebieden” per subtype. Verdeling in subtypen ten behoeve van de selectie is alleen toegepast indien de subtypen een verschillende verspreiding hebben en de beschikbare gegevens verdeling in subtypen toelaten. Voor enkele verspreid over het land voorkomende habitattypen, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de aanwezige oppervlakte en zo nodig ook de representativiteit van het habitattype.15In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding16. In de onderstaande tabel zijn de habitattypen vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitattypen waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3).

Habitat- type

Xa

Yb

Landelijke oppervlakte c

Oppervlakte in

Westerschelde & Saeftinghe d

Oppervlakte in Yde gebied e

Selectie bij aanmelding

H1110B

3

3

ca. 270.000

B2 (6-15%)

B2 (6-15%)

nee

H1130

5

2

ca. 44.300

A3 (50-75%)

A2 (30-50%)

ja

H1310A

3

3

ca. 2.200

A1 (15-30%)

B1 (2-6%)

nee

H1330A

3

3

ca. 9.900

A1 (15-30%)

B1 (2-6%)

ja

  • (a)

    Aantal gebieden dat maximaal voor dit habitattype kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot de X belangrijkste gebieden” voor het betreffende habitattype.

  • (b)

    Aantal gebieden dat op grond van het onder (a) genoemde selectiecriterium voor het habitattype is geselecteerd (Y< X indien er minder dan X gebieden zijn waarin het habitattype is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).

  • (c)

    Geschatte landelijke oppervlakte van het (subtype van het) habitattype in hectaren.

  • (d)

    Oppervlakte in het onderhavige gebied, uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte. (Niet ingevuld indien gebied niet één van de X belangrijkste gebieden is.)

  • (e)

    Oppervlakte van het habitattype in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied. (Niet ingevuld indien niet van belang voor de bepaling van de relatieve betekenis van het gebied, wanneer representativiteit in plaats van oppervlakte doorslaggevend was.)

4.3.2 Soorten (bijlage II)

Voor niet-prioritaire soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor prioritaire soorten17 geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden”. Voor enkele verspreid over het land voorkomende soorten, die in voldoende mate in gebieden zijn vertegenwoordigd welke voor andere waarden zijn opgenomen, zijn geen gebieden geselecteerd18. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de omvang van de aanwezige populatie. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding19. In de onderstaande tabel zijn de habitatsoorten vermeld die bij de aanmelding hebben geleid tot selectie van het gebied en/of de habitatsoorten waarvoor het gebied op grond van de huidige gegevens en omstandigheden aan de selectiecriteria zou voldoen (zie ook bijlage B.3).

Code

Soort

Xa

Yb

Landelijke populatie c

% in Westerschelde & Saeftinghe d

% in Yde gebied e

Selectie bij aanmelding

H1365

Gewone zeehond

5

5

4.200-5.500

C (<2%)

C (<2%)

nee

  • (a)

    Aantal gebieden dat maximaal voor deze soort kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot de X belangrijkste gebieden” voor de betreffende soort.

  • (b)

    Aantal gebieden dat op grond van het onder (a) genoemde selectiecriterium voor de soort is geselecteerd (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin deze soort is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).

  • (c)

    Landelijke voortplantingspopulatie in exemplaren of aantal bezette kilometerhokken (km2).

  • (d)

    Populatiegrootte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke populatie. (Niet ingevuld indien gebied niet één van de X belangrijkste gebieden is.)

  • (e)

    Populatiegrootte in het, in rangorde van aflopende betekenis, Yde belangrijkste gebied.

4.4 Verspreiding habitattypen en soorten in het Habitatrichtlijngebied

De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Westerschelde & Saeftinghe is in het bijzonder bepaald aan de hand van de ligging van habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen (zie verder paragraaf 3.2). De verspreiding van de betreffende habitattypen binnen het gebied wordt in deze paragraaf globaal beschreven ter onderbouwing van de gevolgde begrenzing. Het is niet bedoeld als een uitputtende beschrijving.

Het open water en de slikken van de Westerschelde maken deel uit van het habitattype estuaria (H1130) dat het buitendijkse getijdengebied omvat vanaf de rijksgrens tot de lijn Vlissingen-Breskens. Het gebied zeewaarts van deze lijn bestaat uit habitattype permanent overstroomde zandbanken, Noordzeekustzone (H1110B). Schorren met het habitattype schorren en zilte graslanden, buitendijks (H1330A) zijn vooral aanwezig op Verdronken Land van Saeftinghe, Sieperdaschor, Appelzak (ten zuiden van Bath), Schor bij Bath, Schor van Waarde, Hellegatsplaten (Kloosterzande), Schor bij Baarland, Zuidgors, Paulinaschor, Hoofdplaat en Verdronken Zwarte Polder. De habitattypen zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (H1310A) en/of slijkgrasvelden (H1320) zijn op deze schorren ook vaak aanwezig en daarnaast ook op de Hooge Platen en bij Rammekenshoek. In de Verdronken Zwarte Polder (incl. Herdijkte Zwarte Polder) zijn verder ook de habitattypen zilte pionierbegroeiingen, zeevetmuur (H1310B), witte duinen (H2120) en duindoornstruwelen (H2160) aanwezig. Hier bevindt zich ook een populatie van de nauwe korfslak (H1014). Witte duinen (H2120) zijn verder vertegenwoordigd in de Rammekensduinen en de Kaloot. Verder is het habitattype embryonale duinen (H2110) in kleine oppervlakte aanwezig op de Kaloot bij Borssele. Het habitattype schorren en zilte graslanden, binnendijks (H1330B) komt in combinatie met zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (H1310A) vooral voor in de Inlaag 1887 bij Ellewoutsdijk. In de Inlaag Hoofdplaat is het habitattype vochtige duinvalleien aanwezig alsmede een groeiplaats van de groenknolorchis (H1903).

Het open water van het estuarium en het mondingsgebied behoort tot het leefgebied van zeeprik (H1095), rivierprik (H1099) en fint (H1903). Gewone zeehonden (H1365) gebruiken het gehele estuarium en het mondingsgebied en hebben rustplaatsen op onder meer de Hooge Platen en de Platen van Valkenisse.

5. INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN

5.1 Inleiding

Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel aan maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Ingevolge artikel 4, vierde lid, Habitatrichtlijn worden bij aanwijzing als Habitatrichtlijngebied “tevens de prioriteiten vast[gesteld] gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat […] of van een soort […] alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging”.

Deze bepaling is in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nader uitgewerkt. Op grond van dit artikel bestaat de verplichting om in een aanwijzing doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van leefgebieden van vogelsoorten dan wel doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten op te nemen. Om die reden zijn voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Tevens is daarbij aangegeven welke habitattypen en/of (vogel)soorten ten koste mogen gaan van andere habitattypen en (vogel)soorten. Bij broedvogelsoorten met een regionale doelstelling is in de toelichting aangegeven wat in een bepaalde periode de minimale en maximale bijdrage van het betreffende gebied aan het regionale doelniveau is geweest.

In bijlage B.4 van deze nota van toelichting is een overzicht opgenomen van alle gebiedsdoelstellingen per habitattype en per (vogel)soort.

Voor de Natura 2000-gebieden zullen in beheerplannen instandhoudingsmaatregelen worden uitgewerkt die beantwoorden aan de gebiedsspecifieke ecologische vereisten van de betrokken natuurlijke habitats en (vogel)soorten.

Als verdere invulling van het stellen van prioriteiten zijn voor de acht onderscheiden Natura 2000-landschappen20 kernopgaven geformuleerd op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, de landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (“richting geven”) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en (vogel)soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (2006).

5.2 Algemene doelen

Behoud en indien van toepassing herstel van:

  • 1.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie;

  • 2.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;

  • 3.

    de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;

  • 4.

    de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

5.3 Habitatrichtlijn: habitattypen (bijlage I)

H1110

Permanent overstroomde zandbanken

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit permanent overstroomde zandbanken, Noordzeekustzone (subtype B).

Toelichting

Het habitattype permanent overstroomde zandbanken, Noordzeekustzone (subtype B) komt voor in het westelijk deel van het Natura 2000-gebied, ten westen van de lijn Vlissingen-Breskens. De doelstelling is gericht op het voorkomen van de achteruitgang van het habitattype in dit gebied.

H1130

Estuaria

Doel

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

Toelichting

De staat van instandhouding van dit habitattype is zeer ongunstig. Als gevolg van menselijke ingrepen is de oppervlakte (hoogdynamisch) diep water in de Westerschelde sterk toegenomen, waarbij de overgangen naar (laagdynamische) ondiepere delen steil zijn geworden. Voor de Westerschelde houdt kwaliteitsverbetering in: herstel van de afwisseling aan diverse deelecosystemen (laagdynamische en hoogdynamische, diepe en ondiepe, zoete en zoute delen en geleidelijke overgangen tussen al deze deelsystemen) met de bijbehorende hoge biodiversiteit. De kwaliteitsverbetering komt ook ten goede aan de instandhoudingsdoelstelling voor de belendende schorren (H1330). Voor dit gebied is behoud van het meergeulenstelsel en uitbreiding van de oppervlakte met laagdynamische delen (droogvallende platen en ondiepe wateren) noodzakelijk voor kwaliteitsverbetering en duurzaam voortbestaan. Daarnaast is behoud van de zoet-zout gradiënt binnen een min of meer stabiel traject van belang, evenals behoud van geleidelijke overgangen naar schorren en duintjes.

H1140

Slik- en zandplaten

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit slik- en zandplaten, Noordzeekustzone (subtype B).

Toelichting

Het habitattype slik- en zandplaten, Noordzeekustzone (subtype B) komt voor in het westelijk deel van het Natura 2000-gebied, ten westen van de lijn Vlissingen-Breskens, aansluitend op de permanent overstroomde zandbanken (H1110B) bij Vlissingen en vooral bij de Verdronken Zwarte Polder.

H1310

Zilte pionierbegroeiingen

Doel

Uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (subtype A) en behoud van oppervlakte en kwaliteit zilte pionierbegroeiingen, zeevetmuur (subtype B).

Toelichting

Het habitattype zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (subtype A) is in dit gebied in de afgelopen decennia sterk in oppervlakte achteruitgegaan. Duurzaam herstel gaat samen met herstel van het habitattype estuaria (H1130): meer ruimte voor natuurlijke dynamiek. Het habitattype zilte pionierbegroeiingen, zeevetmuur (subtype B) komt over een geringe oppervlakte voor. Behoud is hier voldoende omdat het subtype landelijk in gunstige staat van instandhouding verkeert.

H1320

Slijkgrasvelden

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype slijkgrasvelden is uitsluitend in een vorm met de exoot engels slijkgras aanwezig; deze vorm is vanuit het oogpunt van biodiversiteit niet van belang, maar omdat het habitattype plaatselijk een aanzienlijke oppervlakte inneemt, heeft het hier een duidelijke functie als beschermingszone tegen het eroderen van het habitattype schorren en zilte graslanden (H1330). Herstel van begroeiingen van klein slijkgras wordt als weinig haalbaar ingeschat.

H1330

Schorren en zilte graslanden

Doel

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A), en behoud oppervlakte en kwaliteit schorren en zilte graslanden, binnendijks (subtype B).

Toelichting

De verdeling van de schorren (H1330A) binnen het estuarium is momenteel niet in evenwicht. In het oostelijke, brakke deel komen grote oppervlakten voor (onder andere Saeftinghe), terwijl in het westelijke deel (tussen Vlissingen en Hansweert) de oppervlakte veel geringer is. In het westelijke deel vindt nog steeds afbraak van schorren plaats. Daarom wordt uitbreiding van de oppervlakte schorren nagestreefd, naast verbetering van de kwaliteit. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding, is behoud van het binnendijkse subtype (B) in dit gebied voldoende.

H2110

Embryonale wandelende duinen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype embryonale duinen komt thans in geringe oppervlakte voor. Van belang is dat in het mondingsgebied de abiotische en ruimtelijke randvoorwaarden aanwezig blijven om, in samenhang met habitattype witte duinen (H2120), dit dynamische type te laten bestaan.

H2120

Witte duinen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype witte duinen komt thans over een geringe oppervlakte voor. Van belang is dat in het mondingsgebied de abiotische en ruimtelijke randvoorwaarden aanwezig blijven om, in samenhang met habitattype embryonale wandelende duinen (H2110), dit dynamische habitattype te laten bestaan.

H2130

*Grijze duinen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit grijze duinen, kalkrijk (subtype A).

Toelichting

Het habitattype grijze duinen, kalkrijk (subtype A) komt op een beperkte oppervlakte maar met goede kwaliteit voor op de Kaloot. Gezien de geïsoleerd liggende locatie, waardoor uitbreiding niet op natuurlijke wijze mogelijk is, is behoud van de oppervlakte voldoende.

H2160

Duindoornstruwelen

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype duindoornstruwelen komt over een geringe oppervlakte voor in de duinen van een duinenkweldergebied. Om de kwaliteit te behouden moeten alle successiestadia in het gebied voorkomen, ook de jonge stadia die als matig ontwikkeld worden beoordeeld.

H2190

Vochtige duinvalleien

Doel

Behoud oppervlakte en kwaliteit vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B).

Toelichting

Het habitattype van vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B) komt met een geringe oppervlakte voor in het gebied. Het habitattype heeft zich onder andere ontwikkeld in een inlaag waar kalkrijke ondergrond vrijkwam. In één van de inlagen komt de habitatsoort groenknolorchis (H1903) voor binnen het habitattype.

5.4 Habitatrichtlijn: soorten (bijlage II)

H1014

Nauwe korfslak

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

Recente waarnemingen van de nauwe korfslak betreffen een populatie tussen Cadzand en de Verdronken Zwarte Polder.

H1095

Zeeprik

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

Het gebied Westerschelde & Saeftinghe is voor de zeeprik van belang als doortrekgebied. De populatie is afhankelijk van de ontwikkelingen bovenstrooms van de Nederlandse grens in Vlaanderen. In het gebied Westerschelde & Saeftinghe zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk, omdat de oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding niet in dit gebied ligt.

H1099

Rivierprik

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

De Westerschelde is als doortrekgebied van Nederlands belang. In dit gebied zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk. De populatie is afhankelijk van de ontwikkelingen bovenstrooms van de Nederlandse grens in Vlaanderen.

H1103

Fint

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

Toelichting

Het gebied Westerschelde & Saeftinghe is als doortrekgebied voor de fint van (potentieel) groot belang. In dit gebied zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk. De populatie is afhankelijk van de ontwikkelingen bovenstrooms van de Nederlandse grens in Vlaanderen.

H1351

Bruinvis

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie.

Toelichting

De bruinvis wordt in de gehele Westerschelde (met name in de monding) met vrij hoge aantallen waargenomen. De populatie maakt deel uit van die in de gehele Noordzee. Het behoud van de omvang van het leefgebied en de populatie in de Westerschelde maakt dan ook deel uit van een generieke bescherming op internationaal niveau. Er is in dit gebied gekozen voor behoud van de kwaliteit van het leefgebied omdat de kwaliteit daarvan al voldoende is.

H1364

Grijze zeehond

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.

Toelichting

De Westerschelde fungeert als foerageer- en rustgebied voor een relatief klein deel van de Noordzeepopulatie.

H1365

Gewone zeehond

Doel

Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie ten behoeve van een regionale populatie van tenminste 200 exemplaren in het Deltagebied.

Toelichting

De Westerschelde kan een bijdrage leveren aan de regionale doelstelling van ten minste 200 exemplaren in het Deltagebied voor deze soort. Door het instellen van rustgebieden kan verstoring worden voorkomen. De kwaliteit van het leefgebied is mede afhankelijk van de ontwikkelingen bovenstrooms van de Nederlandse grens in Vlaanderen.

H1903

Groenknolorchis

Doel

Behoud omvang en kwaliteit biotoop voor behoud populatie.

Toelichting

De groenknolorchis verkeert landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding. De soort is binnen het gebied Westerschelde & Saeftinghe uitsluitend bekend van de inlaag Hoofdplaat waar het voorkomt in het habitattype vochtige duinvalleien, kalkrijk (H2190B).

5.5 Vogelrichtlijn: broedvogels

A081

Bruine kiekendief

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren.

Toelichting

De bruine kiekendief is van oudsher een schaarse broedvogel in dit gebied. Vanaf de jaren zeventig is de soort geleidelijk in aantal toegenomen tot een maximum van 23 paren in 2003. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. De draagkracht is afgeleid van het gemiddelde over de jaren 1999-2003 van 20 broedparen. Het gebied levert voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.

A132

Kluut

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 2.000 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde, Zoommeer, Westerschelde & Saeftinghe en Markiezaat. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 2% en maximaal 14% van de broedpopulatie van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Kleine aantallen kluten broeden van oudsher langs de Westerschelde (ten minste 150 paren). Het ontbreken van uitgestrekte oeverzones biedt weinig broedmogelijkheden. Na een niveau van ten minste 200 paren begin jaren tachtig liepen de aantallen terug. De stand kenmerkt zich door sterke fluctuaties: in de periode 1988-2002 minimaal 64 (1989) en maximaal 190 paren (2000). In 2003 kwam het aantal echter weer flink boven de 200: 278 paren.

A137

Bontbekplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 100 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde, Westerschelde & Saeftinghe en Markiezaat. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 9% en maximaal 22% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Evenals bij de kluut zijn de aantallen bontbekplevieren langs de Westerschelde relatief bescheiden. In de meeste jaren werden minder dan 10 paren geteld. Recentelijk zijn de aantallen wat hoger met 22 paren in 2002 en 20 in 2003. De meeste paren broeden langs de kust van Zuid-Beveland op door de mens gecreëerde zandige terreinen.

A138

Strandplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 220 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Duinen Goeree & Kwade Hoek, Haringvliet, Krammer- Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde, Zoommeer, Westerschelde & Saeftinghe en Markiezaat. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 8% en maximaal 25% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Strandplevieren broeden tegenwoordig verspreid langs de Westerschelde in relatief bescheiden aantallen: maximaal 40 paren met een uitschieter in 1999 van 55 paren. Begin jaren tachtig konden nog circa 80 paren worden geteld. De meeste paren broeden nu langs de kust van Zuid-Beveland. Ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet voor uitbreiding van de populatie gekozen gezien de onzekerheid in de ontwikkelingen in het Deltagebied. Mogelijkheden voor verbetering kwaliteit leefgebied zullen wel worden onderzocht.

A176

Zwartkopmeeuw

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 400 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Krammer-Volkerak, Zoommeer en Westerschelde & Saeftinghe. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Vanaf 1981 broeden geregeld enige zwartkopmeeuwen langs de Westerschelde; soms net binnendijks. Eind jaren negentig ontstond een flinke kolonie op het Zuidgors bij Ellewoutsdijk: 86 paren in 2001. In het gehele gebied fluctueerde het aantal paren tussen 1999-2003 tussen 3 en 87 paren. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 1% en maximaal 48% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende.

A191

Grote stern

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 6.200 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Grevelingen, Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinghe. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. De grote stern broedt verspreid over het Deltagebied in een beperkt aantal kolonies die geregeld van plaats wisselen. Het is daarom van groot belang op meerdere locaties waar de soort recentelijk heeft gebroed aandacht te besteden aan behoud van het leefgebied. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 0% en maximaal 74% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. De populatie van de grote stern in Zuidwest-Nederland en aangrenzend België moet als één geheel worden beschouwd. Op de Hooge Platen heeft een kolonie zich gevestigd in 1987. In de jaren daarna groeide de kolonie langzaam, ten dele ten koste van de kolonie op de Hompelvoet. Hoogste aantal werd geteld in 2002: 4.600 paren. In dit gebied wordt behoud nagestreefd, omdat de potentie van het gebied voor herstel onvoldoende is. Het gebied draagt bij aan de draagkracht ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.

A193

Visdief

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 6.500 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde, Zoommeer en Westerschelde & Saeftinghe. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. Van oudsher broeden rond de 1.000 paren visdieven in de Westerschelde. Op het dieptepunt in de jaren zestig hooguit enkele honderden. Daarna trad sterk herstel op via circa 500 paren in begin jaren tachtig tot ten minste 1.000 rond de eeuwwisseling (maximaal 1.545 in 2000). De Hooge Platen zijn in toenemende mate van belang als broedplaats met in 2002 1.100 paren. Ook op Saeftinghe is de visdief van oudsher een broedvogel in enkele honderden paren (bijvoorbeeld 400 paren in de jaren zeventig). Na een niveau van ten minste 300 paren begin jaren tachtig liepen de aantallen weer op. De stand op Saeftinghe kenmerkt zich door sterke fluctuaties: in de periode 1987-2000 minimaal 283 (2000) en maximaal 522 paren (1991). In 2001 en 2002 werden zeer afwijkende aantallen vastgesteld: respectievelijk 869 en 71. Het uitzonderlijk lage aantal in 2002 wordt geweten aan het weinig voorhanden zijn van de favoriete nestlocaties in de vorm van pakketten “veek” (opgespoeld plantenmateriaal dat bij hoge waterstanden gaat drijven). Voor het gebied als geheel bedroeg het gemiddeld aantal paren in de periode 1999-2003 1.600 met een maximum van 1.969 in 2001. In de periode 1999-2008 broedde minimaal 8% en maximaal 30% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is uitbreiding van de populatie niet direct vereist, daar zich al jaren lang een geleidelijke toename aftekent.

A195

Dwergstern

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 300 paren.

Toelichting

De regionale doelstelling van het Deltagebied heeft betrekking op de volgende gebieden: Haringvliet, Krammer-Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinghe. De populatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. In vroegere jaren kwamen doorgaans minder dan 50 paren dwergsterns tot broeden in de Westerschelde. Op het dieptepunt van de populatie in de jaren zestig kwamen slechts enkele paartjes tot broeden. Daarna is herstel van de populatie opgetreden tot een maximum van 203 paren in 1987. In het afgelopen decennium kwamen jaarlijks circa 100 paren tot broeden (maximaal 140 in 1997). In de periode 1999-2008 broedde minimaal 28% en maximaal 83% van het regionale doelniveau van het Deltagebied in het onderhavige gebied. Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is niet voor uitbreiding van de populatie gekozen gezien de onzekerheid in de ontwikkelingen in het Deltagebied.

A272

Blauwborst

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 450 paren.

Toelichting

De eerste aanwijzing van broedende blauwborsten (tevens voor Zeeland) stamt uit 1947. Pas vanaf de jaren zestig werd het een regelmatige broedvogel en vanaf de jaren zeventig is de stand sterk toegenomen. In 1997 werden circa 620 paren geteld. Vooral in de rietruigten van Saeftinghe is de blauwborst inmiddels een talrijke broedvogel. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud op het gemiddelde niveau van 1999-2003 voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie.

5.6 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

A005

Fuut

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 100 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de fuut met name een functie als foerageergebied. De soort is vooral een wintergast, met de hoogste aantallen in oktober- februari, net als in de rest van de zoute Delta (met uitzondering van Voordelta). Vroeger kwam een veel scherpere piek voor in januari. De populatie is afgenomen sinds midden jaren negentig, maar daarvoor bestonden sterke fluctuaties. Het patroon vertoont overeenkomsten met dat van middelste zaagbek (A069) en nonnetje (A068) en wijkt op vergelijkbare wijze af van het patroon in de andere deltawateren. Waarschijnlijk spelen veranderingen in de beschikbaarheid van vis in de Westerschelde een rol. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied.

A026

Kleine zilverreiger

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 40 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen kleine zilverreigers zijn van grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Na de Grevelingen levert de Westerschelde & Saeftinghe in Nederland de grootste bijdrage. De soort is het hele jaar aanwezig, maar met een sterke piek in augustus/september. Saeftinghe is één van de bolwerken, de reigers jagen hier op vis en garnalen. De kleine zilverreiger is aanwezig sinds begin jaren negentig en sindsdien snel toegenomen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A034

Lepelaar

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 30 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen lepelaars zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. Vooral in Saeftinghe bevinden zich hoge aantallen in september. In de loop van de jaren negentig is de populatie sterk toegenomen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A041

Kolgans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 380 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de kolgans met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting en de trendanalyse hebben betrekking op de foerageerfunctie. De slaapplaatsfunctie is mogelijk belangrijker, maar er zijn niet voldoende telgegevens voor een kwantificering in het doel. De slaapplaats is van regionale betekenis. Aantallen fluctueren, maar met een negatieve trend. Het aantal slapende vogels is groter dan het aantal foeragerende vogels, tot de orde van grootte van 4.000 vogels. Deze vogels zijn vooral afkomstig uit Zeeuws- Vlaanderen en Zuid-Beveland. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A043

Grauwe gans

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 16.600 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen grauwe ganzen zijn van grote nationale en grote internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De slaapplaatsfunctie, van regionale betekenis, betreft vooral de grauwe ganzen die in Zeeuws-Vlaanderen foerageren. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De Westerschelde & Saeftinghe, het Haringvliet en het Hollands Diep leveren de grootste bijdrage aan de grauwe gans in Nederland. Sinds midden jaren tachtig is de populatie sterk toegenomen, recent lijken de aantallen af te vlakken, waarbij in Saeftinghe aantallen van 50.000-75.000 vogels zijn bereikt (circa 30% van de internationale populatie). Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.

A048

Bergeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 4.500 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen bergeenden zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Na de Waddenzee levert het gebied de grootste bijdrage. Net als in de Voordelta, maar in tegenstelling tot de andere zoute deltawateren gaat het vooral om een (na)zomervogel, met hoge aantallen in juni-oktober. Er is geen dip in augustus voor de ruitrek, hoewel een deel wel wegtrekt (Waddenzee), maar een toenemend aantal, recent 4.000-10.000 vogels, blijft tegenwoordig om in het gebied zelf te ruien. Sinds het begin van de jaren negentig is er een doorgaande populatietoename, die sterker is dan in de andere zoute Deltawateren. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A050

Smient

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 16.600 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen smienten zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en slaapplaats. De slaapplaats is van regionale betekenis. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Na de Waddenzee levert het gebied de grootste bijdrage. De soort is een wintergast, hoogste aantallen aanwezig in september-maart. De smient komt sterk geconcentreerd voor in Saeftinghe, waar 30.000-50.000 vogels overwinteren. Sinds de jaren tachtig is de populatie toegenomen met een factor drie, sterker dan in de andere zoute Deltawateren. Recent heeft echter een kentering plaatsgevonden, waardoor deze voorsprong weer verdwijnt. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.

A051

Krakeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 40 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de krakeend met name een functie als foerageergebied. De soort is het hele jaar aanwezig, maar vooral in het winterhalfjaar, met een doortrekpiek in september en hoogste aantallen in december-februari. De populatie is toegenomen zoals bijna overal, maar minder sterk dan in Grevelingen en Oosterschelde, waar de absolute aantallen tegenwoordig aanzienlijk hoger zijn dan in de Westerschelde & Saeftinghe. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A052

Wintertaling

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.100 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen wintertalingen zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert na de Waddenzee, Lauwersmeer en Oostvaardersplassen de grootste bijdrage. Binnen het gebied komt de soort geconcentreerd voor in Saeftinghe. De wintertaling is vooral aanwezig in de winter, met de hoogste aantallen in september-maart. De populatie is toegenomen, weliswaar met sterke fluctuaties. De aantalsontwikkeling vertoont overeenkomsten met die van andere grondeleenden (verhoogde aantallen sinds 2000/2001 zoals ook bij wilde eend (A053), pijlstaart (A054), slobeend (A056), krakeend (A051)), zodat veranderingen in voedselhabitat waarschijnlijk een rol spelen. Bij enkele van deze soorten is dit patroon echter ook in andere wateren zichtbaar. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

A053

Wilde eend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 11.700 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen wilde eend zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Na de Waddenzee levert het gebied de grootste bijdrage. De soort is het hele jaar aanwezig, maar met lage aantallen in maart-mei. De aantalsontwikkeling vertoont overeenkomsten met die van andere grondeleenden (verhoogde aantallen sinds 2000/2001 zoals ook bij wintertaling (A052), pijlstaart (A054), slobeend (A056), krakeend (A051)), zodat veranderingen in voedselhabitat waarschijnlijk een rol spelen. Bij enkele van deze soorten is dit patroon echter ook in andere wateren zichtbaar. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A054

Pijlstaart

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.400 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen pijlstaarten zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Na de Waddenzee levert het gebied de grootste bijdrage. De soort is een wintergast, aanwezig in september-maart, hoogste aantallen in oktober- januari, met een beperkte doortrekpiek in oktober. De aantalsontwikkeling vertoont overeenkomsten met die van andere grondeleenden (verhoogde aantallen sinds 2000/2001 zoals ook bij wilde eend (A053), wintertaling (A052), slobeend (A056), krakeend (A051)), zodat veranderingen in het voedselhabitat waarschijnlijk een rol spelen. Bij enkele van deze soorten is dit patroon echter ook in andere wateren zichtbaar. De toename wordt bij de pijlstaart mede veroorzaakt door verbreding van het seizoen. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

A056

Slobeend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 70 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de slobeend met name een functie als foerageergebied. De soort is het hele jaar present, met lage aantallen in juni/juli en doortrekpieken in september en maart/april. De aantallen zijn laag in vergelijking met andere Deltawateren, ook in Saeftinghe. De aantalsontwikkeling vertoont overeenkomsten met die van andere grondeleenden (verhoogde aantallen sinds 2000/2001 zoals ook bij wilde eend (A053), pijlstaart (A054), wintertaling (A052), krakeend (A051)), zodat veranderingen in het voedselhabitat waarschijnlijk een rol spelen. Bij enkele van deze soorten is dit patroon echter ook in andere wateren zichtbaar. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A069

Middelste zaagbek

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 30 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de middelste zaagbek met name een functie als foerageergebied. De soort is een wintergast, aanwezig in oktober-april, met hoogste aantallen in december-maart. Sinds midden jaren negentig is de populatie nogal afgenomen in een patroon dat overeenkomsten vertoont met dat van fuut (A005) en nonnetje (A068) en op vergelijkbare wijze afwijkt van het patroon in de andere deltawateren, zodat waarschijnlijk veranderingen in de beschikbaarheid van vis in de Westerschelde een rol spelen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A075

Zeearend

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2 vogels (seizoensmaximum).

Toelichting

Aantallen zeearenden zijn van grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert één van de grootste bijdragen in Nederland. Populatieaantallen lijken toe te nemen, maar de gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A103

Slechtvalk

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 8 vogels (seizoensmaximum).

Toelichting

Aantallen slechtvalken zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Het betreft één van de belangrijkste gebieden voor de slechtvalk in Nederland. Aantallen lijken stabiel, maar de gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A130

Scholekster

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 7.500 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen scholeksters zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort onder andere een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Het gebied levert na de Waddenzee en Oosterschelde de grootste bijdrage. De soort foerageert in het intergetijdengebied en overtijt met name op de Hooge Plaaten, in minder mate op Ossenisse en Braakmanhaven. Het seizoensverloop is vergelijkbaar met de Oosterschelde, met de hoogste aantallen in augustus-februari. De populatieontwikkeling is echter heel anders, met tijdelijk verhoogde aantallen in het midden van de jaren negentig in plaats van een meer doorgaande afname zoals in de Oosterschelde. Een abrupte afname van 1998/1999 op 1999/2000 suggereert een afname van de draagkracht, maar de aantallen zijn niet lager dan in de tweede helft van de jaren tachtig en de afname is inmiddels gestabiliseerd. Ondanks de bijdrage van de Westerschelde aan de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is gekozen voor behoud, omdat herstel van het leefgebied niet realistisch lijkt.

A132

Kluut

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 540 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen kluten zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Het gebied levert na de Waddenzee en Oosterschelde de grootste bijdrage. De soort is het hele jaar present, maar met duidelijke doortrekpieken in oktober/november en maart/april en zonder zwaartepunt in het voorjaar zoals in de Oosterschelde. Het aantalsverloop vertoont een toenemende tendens, maar met sterke fluctuaties en is niet significant. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

A137

Bontbekplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 430 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen bontbekplevieren zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Na de Waddenzee levert het gebied de grootste bijdrage voor de populatie die naar West/Zuid-Afrika trekt. Voor de populatie die in West- Europa en Noord-Afrika overwintert levert het gebied na de Waddenzee en de Oosterschelde de grootste bijdrage. De soort is grotendeels doortrekker met een scherpe piek in aantallen in september die wordt toegeschreven aan de eerstgenoemde populatie, evenals de hoogste van de twee veel lagere voorjaarspieken in mei. Een eerdere, nog lagere maar wel afzonderlijke piek in maart, wordt toegeschreven aan de eerstgenoemde populatie. Deze populatie beleefde een dal in de eerste helft van de jaren negentig maar herstelde zich daarna, om de laatste jaren weer wat af te nemen. Over het geheel is sprake van een beperkte afname. Ondanks grote fluctuaties is er een overeenkomst met het aantalsverloop in de verschillende zoute deltawateren, zodat het waarschijnlijk is dat de oorzaken van de veranderingen ten minste gedeeltelijk buiten de Delta liggen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A138

Strandplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 80 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen strandplevieren zijn van grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Het gebied levert de grootste bijdrage in Nederland. De soort is aanwezig in het zomerhalfjaar, maar net als in de Oosterschelde met een sterk accent op de periode van de najaarstrek, met een scherpe piek in augustus. Eind jaren tachtig is de populatie fors afgenomen, deze afname heeft zich na een onderbreking in het midden van de jaren negentig, in de recente jaren voortgezet. De aantallen doortrekkers in Nederland worden grotendeels bepaald door de omvang van de eigen broedpopulatie en de afname is voor een groot deel een gevolg van verlies aan geschikte broedgebieden. De draagkrachtschatting is berekend over de periode na de grootste landelijke afname, 1989-2003.

A140

Goudplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.600 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen goudplevieren zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De soort is aanwezig in het winterhalfjaar. De hoogste aantallen komen voor in oktober-februari, met een sterke piek in november, net als elders in de zoute Delta. De voorjaarspiek van februari/maart komt in de Westerschelde & Saeftinghe minder naar voren. Net als in de Oosterschelde en beantwoordend aan het landelijke beeld van de monitoringsgebieden, vertoont het aantalsverloop een toename sinds begin jaren negentig. De landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding heeft zijn oorsprong in een afname van de (veel grotere) aantallen in de landelijke gebieden buiten het monitoringsnetwerk. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied.

A141

Zilverplevier

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.500 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen zilverplevieren zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Het gebied levert na de Waddenzee, Noordzeekustzone en de Oosterschelde de grootste bijdrage. De soort is het hele jaar present met lage aantallen in juni/juli en doortrekpieken in september en mei, maar ook relatief hoge aantallen overwinteraars. De voorjaarpiek is meer prominent aanwezig dan in de Oosterschelde. Rond midden jaren negentig waren tijdelijk verhoogde aantallen aanwezig. Het patroon lijkt sterk op dat van de Oosterschelde, en is in een wat positievere variant ook in de Waddenzee terug te vinden De oorzaken zullen ten minste voor een deel buiten Nederland liggen. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A142

Kievit

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 4.100 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de kievit met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Het betreft een concentratiegebied met de grootste bijdrage na de Waddenzee en de Oosterschelde (de verspreiding is echter diffuus). Populatieaantallen zijn sinds de jaren tachtig verdubbeld. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

A143

Kanoet

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 600 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen kanoeten waren in 1993-1997 van internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De betekenis van het gebied is ondergeschikt aan die van de Waddenzee en de Oosterschelde, maar het is wel het derde foerageergebied van de kanoet in Nederland. Op de hoogwatervluchtplaats overwinteren in de regel enkele duizenden vogels op de Hooge Platen. De hoogste aantallen van de ondersoort islandica komen eind herfst en in de winter, van oktober tot februari, voor. De ondersoort canutus trekt door in veel lagere aantallen in augustus. Er is een kleine voorjaarspiek in mei. De aantallen laten een beperkte afname zien die echter binnen het deltagebied bijna verwaarloosbaar is ten opzichte van de doorgaande toename in de Oosterschelde. Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is gekozen voor behoud gezien de toename in de Delta en omdat herstel van leefgebied niet realistisch lijkt.

A144

Drieteenstrandloper

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.000 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen drieteenstrandlopers zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Het gebied levert na de Waddenzee en de Noordzeekustzone de grootste bijdrage. De soort is het hele jaar aanwezig, maar met lage aantallen, tot afwezig in juni/juli en een zeer sterke voorjaarspiek in mei; de najaarspiek die met name in de Oosterschelde duidelijk optreedt is hier veel minder prominent. Het aantalsverloop vertoont een sterke toename, net als in de Oosterschelde en de Voordelta. De landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is niet gebaseerd op een negatieve trend maar op verstoring door recreatiedruk in het leefgebied. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

A149

Bonte strandloper

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 15.100 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen bonte strandlopers zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Het gebied levert na de Waddenzee en de Oosterschelde de grootste bijdrage. De soort is een wintergast, met hoogste aantallen in november-januari. Populatieaantallen zijn stabiel, maar net als bij een aantal andere soorten met schijnbaar cyclische fluctuaties die sterk overeenkomen met die van de Oosterschelde en die waarschijnlijk worden gestuurd door strenge winters (via invloed daarvan op voedselbeschikbaarheid). Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A157

Rosse grutto

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.200 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Het gebied heeft voor de rosse grutto met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. De betekenis van het gebied is ondergeschikt aan die van de Waddenzee en de Oosterschelde, maar het betreft wel het derde foerageergebied van de rosse grutto in Nederland. De soort foerageert in de intergetijdengebieden, overtijt met name op de Hooge Platen. De rosse grutto overwintert ook in het gebied, maar hogere aantallen komen voor tijdens de najaarstrek in augustus en sterk verhoogde aantallen tijdens de voorjaarstrek in mei. De aantallen zijn net als in de Oosterschelde en de Voordelta opvallend stabiel. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A160

Wulp

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2.500 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen wulpen zijn van internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Het gebied levert na de Waddenzee en Oosterschelde de grootste bijdrage, maar met aanzienlijk lagere aantallen. Vanuit het intergetijdengebied wordt voornamelijk op de Hooge Platen overtijt. Het seizoensverloop vertoont net als in de Oosterschelde een grote doortrekpiek in augustus/september, iets lagere aantallen overwinteraars en een voorjaarspiek in januari-maart. Deze ligt lager dan de najaarspiek. Populatieaantallen zijn stabiel met enige fluctuatie. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A161

Zwarte ruiter

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 270 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen zwarte ruiters zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Het gebied levert na de Waddenzee en de Oosterschelde de grootste bijdrage. Saeftinghe is verreweg het belangrijkste deel van het gebied. In mindere mate is ook de Inlaag 1887 bij Ellewoutsdijk van belang. De soort is een doortrekker en komt sterk geconcentreerd voor in de nazomer/herfst met hoogste aantallen in juli-september en een piek in juli/augustus. De soort is in dit gebied duidelijk eerder aanwezig dan in de Oosterschelde. Er zijn veel lagere aantallen tijdens de voorjaarstrek in april/mei. De aantallen zijn min of meer stabiel, mogelijk een lichte toename, met sterke fluctuaties die overeenkomsten vertonen met die in de Oosterschelde en doen denken aan die van andere soorten (bonte strandloper (A137); effecten strenge winters). De zwarte ruiter heeft een voorkeur voor de meest slikkige gebieden. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A162

Tureluur

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.100 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen tureluurs zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Het gebied levert na de Waddenzee en de Oosterschelde de grootste bijdrage. De hoogste aantallen zijn aanwezig in de zomer, met een sterke piek in juli en een kleinere in april. De aantallen vertonen geen duidelijke trend, maar fluctueren in een patroon dat vergelijkbaar is met dat van de Oosterschelde en met de patronen van de zwarte ruiter (A161) en de bonte strandloper (A149), hetgeen suggereert dat fluctuaties in voedselaanbod en/of strenge winters een rol spelen. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.

A164

Groenpootruiter

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 90 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen groenpootruiters zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Het gebied levert na de Waddenzee en de Oosterschelde de grootste bijdrage. Het gebied levert na de Waddenzee en de Oosterschelde de grootste bijdrage. Het seizoensverloop is vergelijkbaar met dat van de tureluur (A162), met een hoge piek tijdens de najaarstrek in augustus en een lage in mei. In de wintermaanden is de soort nagenoeg afwezig. Net als elders in de Delta vertonen de aantallen een duidelijke toename. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding.

A169

Steenloper

Doel

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 230 vogels (seizoensgemiddelde).

Toelichting

Aantallen steenlopers zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking op beide functies. Het gebied levert na de Waddenzee en de Oosterschelde de grootste bijdrage. De soort is het hele jaar present maar met lage aantallen in juni en juli. De aantallen lijken enigszins te zijn afgenomen, maar deze trend is niet significant. Omdat herstel van het leefgebied niet realistisch lijkt en gezien de beperkte bijdrage van de Westerschelde aan de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding, is gekozen voor behoud.

Bijlage A

Uitbreiding van het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe op het Rammekensschor.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Bijlage B

Nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en toewijzing van en wijzigingen in instandhoudingsdoelstellingen.

B.1 Wijzigingen in habitattypen en soorten ten opzichte van aanmelding als Habitatrichtlijngebied en/of het Natura 2000-besluit (paragraaf 4.2.1 en 4.2.2)
  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003), maar conform het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype permanent overstroomde zandbanken (H1110). Het subtype Noordzeekustzone komt voor in het gebied.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype slik- en zandplaten (H1140), Noordzeekustzone (subtype B), omdat uit onderzoek blijkt dat dit type in het gebied voorkomt.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype grijze duinen (H2130), kalkrijk (subtype A), omdat uit onderzoek blijkt dat dit type in het gebied voorkomt.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort bruinvis (H1351), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.

  • In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort grijze zeehond (H1364), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.

B.2 Wijzigingen in vogelsoorten ten opzichte van aanwijzing als Vogelrichtlijngebied en/of het Natura 2000-besluit (paragraaf 4.2.3)

De vogelsoorten waarvoor het gebied Verdronken Land van Saeftinghe in 1995 is aangewezen, betreffen een opsomming van vogelsoorten waaraan het gebied zijn natuurwetenschappelijke betekenis ontleent. Niet eerder dan bij de aanwijzing van 49 Vogelrichtlijngebieden in 2000 is vastgesteld voor welke soorten op grond van artikel 4 van de Vogelrichtlijn een verplichting bestaat voor het treffen van speciale beschermingsmaatregelen in de vorm van de aanwijzing van gebieden (in de Richtlijn aangeduid als “speciale beschermingszones”)21. Dit betreft in de eerste plaats 46 soorten die zijn opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn22. Daarnaast zijn gebieden aangewezen voor 51 (andere) trekkende vogelsoorten zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn.

De vogelsoorten waarvoor het gebied Westerschelde in 2000 is aangewezen, zijn indertijd ontleend aan SOVON (2000)23. De numerieke criteria die daarin zijn opgenomen zijn ontleend aan de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000)24. Een gebied wordt slechts aangewezen voor de soorten waarvoor het gebied van landelijke betekenis is. Hiervan is in beginsel sprake indien het gebied minstens 1% van de landelijke broedpopulatie herbergt, indien 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied verblijft of indien het gebied in combinatie met andere gebieden voldoende bijdrage kan leveren aan een sleutelpopulatie.

Voor eventuele toevoeging of verwijdering van vogelsoorten is gebruik gemaakt van SOVON & CBS (2005)25 waarin de ontwikkeling van vogelaantallen in de laatste decennia is beschreven. Dit rapport heeft ten grondslag gelegen aan de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Vogelrichtlijnsoorten. In bijlage 1 van dit rapport zijn de verschillen aangegeven tussen de soortenlijsten per gebied die in beide aangehaalde rapporten zijn opgenomen.

Om ecologische redenen, die in voorkomende gevallen hieronder zijn vermeld, is soms van deze algemene criteria afgeweken. Deze werkwijze heeft voor de lijst van vogelsoorten waarvoor dit gebied is aangewezen, de volgende consequenties:

  • Van de oorspronkelijke aanwijzingen zijn de volgende vogelsoorten gehandhaafd: fuut (A005), kleine zilverreiger (A026), lepelaar (A034), kolgans (A041), grauwe gans (A043), bergeend (A048), smient (A050), krakeend (A051), wintertaling (A052), wilde eend (A053), pijlstaart (A054), slobeend (A056), middelste zaagbek (A069), bruine kiekendief (A081), slechtvalk (A103), scholekster (A130), kluut (A132), bontbekplevier (A137), strandplevier (A138), goudplevier (A140), zilverplevier (A141), kievit (A142), kanoet (A143), drieteenstrandloper (A144), bonte strandloper (A149), rosse grutto (A157), wulp (A160), zwarte ruiter (A161), tureluur (A162), groenpootruiter (A164), steenloper (A169), zwartkopmeeuw (A176), grote stern (A191), visdief (A193), dwergstern (A195) en blauwborst (A272).

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzingen, maar conform het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor één vogelsoort van bijlage I: zeearend (A075) als niet- broedvogel. Op grond van toegenomen kennis over aantallen, verspreiding en populatieomvang zijn voor deze soort instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor de vijf gebieden met de grootste bijdrage en de gebieden die eerder waren geselecteerd. Dit gebied blijkt bij toepassing van dit criterium tot de belangrijkste vijf gebieden te behoren.

  • In vergelijking tot de oorspronkelijke aanwijzing (1995), maar conform het ontwerpbesluit (2007), is de rietgans (thans aangeduid als toendrarietgans), een trekvogelsoort zoals bedoeld in artikel 4.2, niet meer opgenomen omdat het voorkomen niet voldoet aan het getalsmatige criterium (minstens 0,1% van de biogeografische populatie).

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing zijn de volgende vogelsoorten niet meer opgenomen, omdat deze soorten niet behoren tot de soorten waarvoor Vogelrichtlijngebieden worden aangewezen conform de in 2000 geformuleerde beleidslijn (zie boven): bosruiter, zilvermeeuw en smelleken.

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing van het Verdronken Land van Saeftinghe (1995) zijn de volgende vogelsoorten die waren vermeld als broedvogel, niet meer opgenomen omdat deze soorten alleen als niet-broedvogel kunnen worden aangewezen conform de in 2000 geformuleerde beleidslijn (zie boven): grauwe gans en tureluur.

  • In afwijking van de oorspronkelijke aanwijzing van het Verdronken Land van Saeftinghe (1995) zijn de volgende vogelsoorten die waren vermeld als niet-broedvogel (functie van het gebied als slaapplaats), niet meer opgenomen omdat deze soorten alleen als broedvogel kunnen worden aangewezen conform de in 2000 geformuleerde beleidslijn (zie boven): blauwe kiekendief en bruine kiekendief.

B.3 Toepassing selectiecriteria Habitatrichtlijngebieden (paragraaf 4.3)

In dit onderdeel wordt voor elk habitattype en elke soort waarvoor het onderhavige gebied aan de selectiecriteria voldoet (zie paragraaf 4.3), een overzicht gegeven van alle daarvoor kwalificerende gebieden. Dit gebeurt zoveel mogelijk in de vorm van een tabel met de gebieden die aan de selectiecriteria voldoen, onder vermelding van de relatieve bijdrage. In het geval van habitattypen betreft dit het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. Indien kwaliteit een rol heeft gespeeld in de bepaling van de gebiedenselectie voor habitattypen is dit tekstueel toegelicht. In het geval van soorten betreft de relatieve bijdrage het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen, aantal bezette plekken of kilometerhokken.

Er is gebruik gemaakt van de volgende klasse-indeling:

A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75%

B1 = 2-6% en B2 = 6-15%

C = <2%

In de kolom “Bronvermelding” zijn de terreinbeherende organisaties, andere instanties en bronnen vermeld, waaraan de oppervlaktecijfers en aantallen zijn ontleend, met vermelding van de jaren waarin deze zijn verzameld of gepubliceerd. Verklaring gebruikte afkortingen: RWS = Rijkswaterstaat (kwelderkartering), SBB = Staatsbosbeheer (* = aangevuld met andere bronnen).

  • Het gebied is één van de belangrijkste gebieden voor de volgende habitattypen:

H1110B - Permanent overstroomde zandbanken, Noordzeekustzone

Landelijke oppervlakte ca. 270.000 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

113

Voordelta

A1 (15-30%)

Aanwijzingsbesluit 2008

007

Noordzeekustzone

B2 (6-15%)

Aanwijzingsbesluit 2009

122

Westerschelde & Saeftinghe

B2 (6-15%)

Topografische kaart

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebied (2003) zijn de drie volgende gebieden voor dit habitattype geselecteerd: Waddenzee (001), Voordelta (113) en Noordzeekustzone (007). In het Natura 2000 doelendocument (2006) is dit habitattype inmiddels in twee subtypen verdeeld (respectievelijk getijdengebied en Noordzeekustzone) om recht te doen aan de ecologische variatie en gelet op het aanzienlijk verschil in ecologische vereiste. Het subtype getijdengebied is toegekend aan de Waddenzee en Voordelta.

De Voordelta is het belangrijkste gebied voor dit subtype in Nederland. Op de tweede plaats komt Noordzeekustzone en op de derde plaats het niet-estuariene deel van Westerschelde & Saeftinghe (122) ten westen van de lijn Vlissingen-Breskens. Het aandeel van de Noordzeekustzone zal worden vergroot door de voorgenomen uitbreiding in het kader van de aanwijzing van mariene gebieden.

H1130 - Estuaria

Landelijke oppervlakte ca. 44.300 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

122

Westerschelde & Saeftinghe

A3 (50-75%)

Topografische kaart

001

Eems-Dollard 26

A2 (30-50%)

Topografische kaart

Voor de aanmelding van de Habitatrichtlijn (2003) zijn de twee volgende gebieden voor het habitattype geselecteerd: Waddenzee (001) en Westerschelde & Saeftinghe (122)27. Eems- Dollard betreft het gedeelte van de Waddenzee dat nog niet definitief als Habitatrichtlijngebied is aangewezen. Dit betreffen de enige gebieden waar het habitattype zich bevindt binnen Nederland.

H1310A – Zilte pionierbegroeiingen, zeekraal

Landelijke oppervlakte ca. 2.200 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

001

Waddenzee

A3 (50-75%)

Aanwijzingsbesluit 2009

122

Westerschelde & Saeftinghe

A1 (15-30%)

RWS 2004

118

Oosterschelde

B1 (2-6%)

RWS 2001*

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden zijn voor dit habitattype de volgende vijf gebieden geselecteerd: Waddenzee (001), Duinen en Lage land Texel (002)28, Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)29, Grevelingen (115) en Zwin en Kievittepolder (123)30.

In het Natura 2000 doelendocument (2006) is dit habitattype in twee subtypen verdeeld (respectievelijk zeekraal en zeevetmuur) om recht te doen aan de ecologische variatie en gelet op het aanzienlijke verschil in ecologische vereisten. De “belangrijkste gebieden” voor dit subtype zijn: Waddenzee, Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122). Van deze gebieden herbergt Waddenzee de grootste oppervlakte (ongeveer 50% landelijke oppervlakte), gevolgd door Westerschelde (ongeveer 20%) en Oosterschelde (ongeveer 5%). Het vierde en vijfde gebied zijn Duinen en Lage land Texel en Noordzeekustzone (007); zij bevatten net iets meer dan 2% van de landelijke oppervlakte van het subtype. In de overige gebieden zijn slechts relatief kleine oppervlakten aanwezig.

H1330A – Schorren en zilte graslanden, buitendijks

Landelijke oppervlakte ca. 9.900 ha

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

001

Waddenzee

A3 (50-75%)

Aanwijzingsbesluit 2009

122

Westerschelde & Saeftinghe

A1 (15-30%)

RWS 2004

118

Oosterschelde

B1 (2-6%)

RWS 2001

Voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor dit habitattype de volgende vijf gebieden geselecteerd: Waddenzee (001), Duinen en Lage land Texel (002)31, Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)32, Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122)33. In het Natura 2000 doelendocument (2006) is dit habitattype in twee subtypen verdeeld (respectievelijk buitendijks en binnendijks) om recht te doen aan de ecologische variatie en gelet op het aanzienlijke verschil in ecologische vereisten. De drie “belangrijkste gebieden” voor dit subtype zijn: Waddenzee, Westerschelde & Saeftinghe en Oosterschelde, waarbij de Waddenzee aan top staat met meer dan de helft van het landelijk areaal. Op de tweede plaats staat Westerschelde & Saeftinghe met het uitgestrekte schorrengebied van het Verdronken Land van Saeftinghe. Oosterschelde komt op de derde plaats gevolgd door Duinen en Lage Land Texel op de vierde plaats.

  • Het gebied is één van de belangrijkste gebieden voor de volgende habitatsoort:

H1365 – Gewone zeehond

Landelijke populatie 4.200-5.500 individuen

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Relatieve bijdrage

Bronvermelding

001

Waddenzee

A3 (50-75%)

Aanwijzingsbesluit 2009

007

Noordzeekustzone

B1 (2-6%)

Aanwijzingsbesluit 2009

113

Voordelta

C (<2%)

Aanwijzingsbesluit 2008

122

Westerschelde & Saeftinghe

C (<2%)

Waterdienst RWS (2002-2006)

118

Oosterschelde

C (<2%)

Waterdienst RWS (2002-2006)

Ten tijde van de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn de drie volgende gebieden voor deze soort geselecteerd: Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007) en Voordelta (113). In de Waddenzee betreft het gemiddeld 3.500 exemplaren (>60% van de landelijke populatie) waarvan een deel ’s winters in de aangrenzende Noordzeekustzone verblijft. In het Deltagebied gaat het recent om 110-170 exemplaren waarvan het merendeel in de Voordelta leeft.

Daarmee vormen deze drie gebieden de drie belangrijkste gebieden voor deze soort. In de overige twee Natura 2000-gebieden waar de gewone zeehond voorkomt, Westerschelde & Saeftinghe (122) en Oosterschelde (118), blijkt, op basis van recente gegevens, dat het aantal individuen is toegenomen.

B.4 Toewijzing instandhoudingsdoelstellingen (artikelen 5 en 6 en hoofdstuk 5)

De hier vermelde gebiedsdoelen en vermeldingen van de relatieve bijdrage van de Natura 2000-gebieden die buiten dit aanwijzingsbesluit vallen en waarvan de definitieve besluiten op het moment van vaststelling van het onderhavige besluit nog niet zijn vastgesteld, moeten worden beschouwd als “indicatieve” opgaven en kunnen nog aan verandering onderhevig zijn.

In dit onderdeel wordt voor iedere Natura 2000-waarde waarvoor het onderhavige gebied is aangewezen, inzichtelijk gemaakt hoe de landelijke doelstelling is uitgewerkt in de Natura 2000-gebieden. De landelijke doelstellingen vormen een kader voor de formulering van instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau. De gebiedsdoelen bij elkaar “opgeteld”, eventueel tezamen met een opgave buiten het Natura 2000 netwerk, hebben als som het landelijke doel. Onder iedere tabel wordt de landelijke staat van instandhouding van betreffende habitattype of (vogel)soort vermeld. Indien de landelijke doelstelling van de betreffende waarde afwijkt van wat kan worden verwacht uit de landelijke staat van instandhouding, is dit hier gemotiveerd. Gebiedsdoelstellingen die afwijken van de landelijke doelstelling, worden ook zoveel mogelijk gemotiveerd. In gevallen waarin motivering ontbreekt, is aanpassing nog in overweging (met name naar aanleiding van zienswijzen) in het kader van het besluit voor het betreffende gebied. Doelstellingen die volgens de tabellen zijn aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit (zie kolom “Besluit”) staan eveneens onder de betreffende tabellen gemotiveerd. De instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en (vogel)soorten die zijn toegevoegd naar aanleiding van zienswijzen, zijn in principe op behoud gesteld, omdat de landelijke doelstelling al haalbaar werd geacht zonder deze toevoegingen. De instandhoudingsdoelstellingen die om deze reden op behoud zijn gesteld en daarmee afwijken van de landelijke doelstelling voor het betreffende habitattype of de betreffende soort, zijn in de tabellen gemarkeerd met een x.

De niet-broedvogelsoorten waarvoor zowel landelijk als in alle gebieden een behoudopgave is gesteld zijn samengevat in één tabel. Bij broedvogels en niet-broedvogels wordt in de kolom “Populatie” tevens aangegeven of er sprake is van herstel dan wel uitbreiding (↑). In een aparte kolom is van elk gebied de relatieve bijdrage vermeld. Voor een nadere toelichting en de klasse-indeling wordt verwezen naar de inleiding van onderdeel 3 van deze bijlage.

B.4.1 Habitatrichtlijn: habitattypen

H1110B – Permanent overstroomde zandbanken, Noordzee-kustzone

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

B2

conform ontwerp

Vrijwel het gehele landelijke areaal van dit subtype ligt in Natura 2000-gebieden. De landelijke staat van instandhouding van dit habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan.

De gebiedsdoelstellingen wijken in alle gebieden van de landelijke doelstelling af op het aspect kwaliteit. In de Noordzeekustzone (007) zal dit nader worden bezien bij de uitbreiding van het gebied in het kader van de aanwijzing van de mariene gebieden. In de Voordelta (113) is de doelstelling gericht op het voorkomen van de achteruitgang, hetzelfde geldt voor de Westerschelde & Saeftinghe (122).

H1130 – Estuaria

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Eems-Dollard 34

behoud

behoud

A2

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

uitbreiding

verbetering

A3

conform ontwerp

Vrijwel het gehele landelijke areaal van het habitattype estuaria ligt binnen het Natura 2000-netwerk. De staat van instandhouding van het habitattype is beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Het relatieve belang van Nederland is groot en wordt vertegenwoordigd door Eems-Dollard (001) en Westerschelde & Saeftinghe (122). De doelstellingen van Westerschelde & Saeftinghe sluiten aan op de landelijke doelstelling. Voor Eems-Dollard ligt het accent op behoud oppervlakte en kwaliteit. Het realiseren van kleinschalige zoet-zout gradiënten in de Waddenzee, is mede ten behoeve van verbetering van de kwaliteit van de habitattypen slik- en zandplaten, getijdengebied (H1140A) en permanent overstroomde zandbanken, getijdengebied (H1110A). Voor de Westerschelde houdt kwaliteitsverbetering in: herstel van de afwisseling aan diverse deelecosystemen (laagdynamische en hoogdynamische, diepe en ondiepe, zoete en zoute delen en geleidelijke overgangen tussen al deze deelsystemen) met de bijbehorende hoge biodiversiteit. De kwaliteitsverbetering komt ook ten goede aan de instandhoudingsdoelstelling voor de belendende schorren (H1330). Voor dit gebied is behoud van het meergeulenstelsel en uitbreiding van de oppervlakte met laagdynamische delen (droogvallende platen en ondiepe wateren) noodzakelijk.

H1140B – Slik- en zandplaten, Noordzee-kustzone

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

A3

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

Vrijwel het gehele landelijke areaal van dit subtype ligt in Natura 2000-gebieden. De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype slik- en zandplaten, Noordzee-kustzone (subtype B) is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit op deze beoordeling aan. Beide gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling.

H1310A – Zilte pionierbegroeiingen, zeekraal

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

A3

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

uitbreiding

behoud

B1

conform ontwerp

121

Yerseke en Kapelse Moer

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

uitbreiding

behoud

A1

conform ontwerp

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

Vrijwel alle kweldergebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000- netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig” en “gunstig”35. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect oppervlakte is met name gericht op de sterke achteruitgang in de Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122) door erosie van de schorren. Uitbreiding oppervlakte wordt daarom alleen in deze twee gebieden beoogd. Voor de overige gebieden is behoud oppervlakte voldoende.

H1310B – Zilte pionierbegroeiingen, zeevetmuur

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

A3

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

C

conform ontwerp

Vrijwel alle kweldergebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000- netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype zilte pionierbegroeiingen, zeevetmuur (subtype B) is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling.

H1320 – Slijkgrasvelden

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit a

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

A2

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

A2

doel aangepast b

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

B2

conform ontwerp

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    In een deel van de gebieden mag het areaal afnemen ten gunste van het habitattype zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (H1310A)36.

  • (b)

    Voor de Oosterschelde was geen doel geformuleerd voor de kwaliteit van het habitattype. Dit is aangepast; er is behoud van de kwaliteit ten doel gesteld. Het is van belang dat de huidige kwaliteit wordt behouden voor de instandhouding van het habitattype.

Vrijwel alle kweldergebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000- netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype slijkgrasvelden is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling met betrekking tot de oppervlakte sluit hierop aan. De zeer ongunstige kwaliteit van het habitattype in Nederland wordt veroorzaakt door het geheel of vrijwel geheel verdwenen zijn van de belangrijkste typische soort klein slijkgras. Daarvan komen geen goed ontwikkelde vormen meer voor. Het habitattype komt wel veel voor in een vorm met Engels slijkgras, waarvan de kwaliteit lager wordt beoordeeld, omdat deze soort die hier niet van nature voorkomt maar in de vorige eeuw is aangeplant. Deze matige vorm ontstaat vaak op plekken waar kwelders eroderen. Daarom mag in een deel van de gebieden het areaal afnemen ten gunste van het habitattype zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (H1310A). Herstel van de kwaliteit van de door klein slijkgras gedomineerde vormen van het habitattype wordt op dit moment niet als haalbaar gezien, doordat de vegetaties tegenwoordig geheel uit Engels slijkgras bestaan. Het landelijk doel is daarom behoud van de kwaliteit. De gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling.

H1330A - Schorren en zilte graslanden, buitendijks

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

verbetering

A3

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

088

Kennemerland-Zuid

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

uitbreiding

verbetering

A1

conform ontwerp

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

Vrijwel alle kweldergebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000- netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Waddenzee (001) en Westerschelde & Saeftinghe (122) herbergen tezamen meer dan 80% van de landelijke oppervlakte en kunnen daarmee ook de grootste bijdrage leveren aan de herstelopgave. In de andere gebieden is het habitattype reeds in goede kwaliteit aanwezig (dus behoud is voldoende) of is herstel waarschijnlijk niet mogelijk gegeven de getijdendemping ten gevolge van de aanleg van de stormvloedkering (Oosterschelde (118)). In het westelijke deel van de Westerschelde wijkt de oppervlakte kwelders sterk af van de natuurlijke situatie. Hier vindt nog steeds afbraak van schorren plaats. Daarom wordt hier uitbreiding van de oppervlakte nagestreefd. Met deze gebiedsdoelstellingen wordt de landelijke doelstelling voldoende afgedekt.

H1330B – Schorren en zilte graslanden, binnendijks

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

091

Polder Westzaan

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

A2

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

uitbreiding

behoud

B2

conform ontwerp

121

Yerseke & Kapelse Moer

behoud

behoud

A1

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

B1

conform ontwerp

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

124

Groote Gat

geen

geen

C

ontwerpbesluit

Van het habitattype schorren en zilte graslanden, binnendijks (H1330B) is bijna driekwart van de landelijke oppervlakte opgenomen in het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het subtype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling wijkt af op het aspect kwaliteit, omdat de matig ongunstige staat van instandhouding van de kwaliteit het gevolg is van de ongunstige situatie in het Noord-Hollandse veenweidegebied (onder andere Polder Westzaan, 091). Door vermindering van zoute kwel staan de betreffende zilte vegetaties daar sterk onder druk. Daarom is alleen in Polder Westzaan (091) een verbeterdoelstelling neergelegd. In de Oosterschelde ligt een opgave voor uitbreiding van de oppervlakte, omdat de oppervlakte aan kwelders in dit gebied sterk afwijkt van de natuurlijke situatie.

H2110 – Embryonale duinen

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

A2

aanwijzingsbesluit

086

Schoorlse Duinen

uitbreiding

behoud

C

conform ontwerp

088

Kennemerland-Zuid

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

C

conform ontwerp

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype embryonale duinen is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Met één uitzondering zijn de gebiedsdoelen in overeenstemming met de landelijke doelstelling. Het gebiedsdoel voor Schoorlse Duinen (086) wijkt af van het landelijk doel op het aspect oppervlakte. Het habitattype is langs de Hollandse kust betrekkelijk zeldzaam en door recente inrichtingsmaatregelen is er een situatie ontstaan met uitbreidingsmogelijkheden voor het habitattype in dit gebied. Met een uitbreidingsdoelstelling wordt beoogd optimaal gebruik te maken van de ecologische potenties van het gebied.

H2120 – Witte duinen

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit a

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

behoud

verbetering

B1

ontwerpbesluit

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

086

Schoorlse Duinen

uitbreiding

verbetering

C

conform ontwerp

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

096

Coepelduynen

behoud

verbetering

C

conform ontwerp

097

Meijendel & Berkheide

behoud

verbetering

B1

ontwerpbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

behoud

verbetering

B1

ontwerpbesluit

117

Manteling van Walcheren

behoud

behoud

B1

doel toegevoegd x

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

C

conform ontwerp

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

verbetering

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    Verbetering kwaliteit wordt vooral nagestreefd in de duinen van de vastelandskust en het Deltagebied.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype witte duinen is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De doelstelling van verbetering kwaliteit wordt nagestreefd door het optimaliseren van verstuiving. In de gebieden waar deze ontwikkeling conflicteert met de veiligheid van het achterliggende land, is geen verbeterdoelstelling neergelegd (zoals in Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)). In het Waddengebied komt het habitattype reeds over een groot oppervlakte en in goede kwaliteit voor. Ook voor deze gebieden is een behoudsopgave geformuleerd. In Westerschelde & Saeftinghe is er tevens een behoudsopgave geformuleerd omdat daar weinig mogelijkheden zijn voor verbetering van de kwaliteit.

Voor de gebieden langs de (Noord-)Hollandse kust (Schoorlse Duinen (086), Noordhollands Duinreservaat (087) en Kennemerland-Zuid (088)) is, in tegenstelling tot het landelijk doel, gekozen voor de doelstelling uitbreiding oppervlakte. Vanwege de grote breedte van het duingebied is uitbreiding van witte duinen in deze gebieden goed mogelijk. Dit is vooral van belang voor de uitbreidingsopgave van het prioritaire habitattype grijze duinen (H2130).

H2130A – *Grijze duinen, kalkrijk

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit x

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

084

Duinen Den Helder-Callantsoog

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit x

085

Zwanenwater & Pettemerduinen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

086

Schoorlse Duinen

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit x

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

verbetering

A1

aanwijzingsbesluit

088

Kennemerland-Zuid

uitbreiding

verbetering

A2

aanwijzingsbesluit

096

Coepelduynen

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

097

Meijendel & Berkheide

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

098

Westduinpark & Wapendal

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

behoud

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

100

Voornes Duin

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

uitbreiding

verbetering

B1

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

116

Kop van Schouwen

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

117

Manteling van Walcheren

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). Het zwaartepunt van grijze duinen, kalkrijk (subtype A) ligt in de duinen tussen Bergen en Den Haag. De landelijke staat van instandhouding voor subtype A is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig” en “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In afwijking van de landelijke doelstelling is voor gebieden met een relatief geringe bijdrage aan deze landelijke doelstelling (onder andere Duinen Ameland (005), Duinen Schiermonnikoog (006), Solleveld & Kapittelduinen (099), Zwin & Kievittepolder (123)) gekozen voor een behoudsdoelstelling. Ook voor het gebied Coepelduynen (096) geldt een behoudopgave, omdat het habitattype daar nog in goed ontwikkelde vorm voorkomt en er geen mogelijkheden zijn voor uitbreiding van de oppervlakte. Ook de doelstelling van het gebied Grevelingen (115) wijkt af van de landelijke doelstelling. Ook de doelstelling van het gebied Grevelingen (115) wijkt af van de landelijke doelstelling. Door de ligging van het habitattype ten opzichte van de kustlijn treedt hier onvoldoende overstuiving door zand op, noodzakelijk voor het duurzaam voortbestaan van het habitattype, om kwaliteitsverbetering of uitbreiding van de oppervlakte te kunnen realiseren.

H2160 – Duindoornstruwelen

Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit… a

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud a

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

086

Schoorlse Duinen

behoud

behoud

C

doel aangepast b

087

Noordhollands Duinreservaat

behoud a

behoud

B2

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

behoud a

behoud

A2

ontwerpbesluit

096

Coepelduynen

behoud

behoud

C

conform ontwerp

097

Meijendel & Berkheide

behoud a

behoud

B2

ontwerpbesluit

098

Westduinpark & Wapendal

behoud a

behoud

C

ontwerpbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

behoud a

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud a

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

116

Kop van Schouwen

behoud a

behoud

B2

ontwerpbesluit

117

Manteling van Walcheren

behoud a

behoud

C

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

C

conform ontwerp

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    … van goed ontwikkelde vormen in de gebieden waar het type een belangrijke positie in het duinlandschap inneemt. Enige achteruitgang in oppervlakte is toegestaan ten gunste van uitbreiding oppervlakte van habitattypen grijze duinen (H2130), duinbossen (H2180) of vochtige duinvalleien (H2190), mits de totale oppervlakte van goed ontwikkelde vormen niet afneemt37.

  • (b)

    Het doel van dit habitattype is aangepast, waarbij de ten gunste formulering ten behoeve van grijze duinen (H2130) en vochtige duinvalleien (H2190) is vervallen. Het habitattype blijkt met een kleine oppervlakte aanwezig te zijn in het gebied en vormt hiermee geen bedreiging voor de habitattypen grijze duinen (H2130) en vochtige duinvalleien (H2190). De huidige oppervlakte is noodzakelijk voor behoud van dit type in het gebied Schoorlse Duinen.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype duindoornstruwelen is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Alle gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling. Aan een groot deel van de gebieden is een “ten gunste formulering” toegevoegd. Afhankelijk van het voorkomen in deze gebieden zullen één of meerdere van de begunstigde habitattypen (H2130, H2180 of H2190) in de “ten gunste formulering” van de betreffende gebieden zijn opgenomen.

H2190B – Vochtige duinvalleien, kalkrijk

Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel oppervlakte

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

uitbreiding

behoud

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

behoud

B2

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

uitbreiding

verbetering

C

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

084

Duinen Den Helder – Callantsoog

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

uitbreiding

behoud

B1

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

uitbreiding

verbetering

B2

ontwerpbesluit

096

Coepelduynen

behoud

verbetering

C

doel toegevoegd a

097

Meijendel & Berkheide

uitbreiding

verbetering

C

ontwerpbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

uitbreiding

verbetering

B2

aanwijzingsbesluit

114

Krammer-Volkerak

uitbreiding

behoud

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

A2

ontwerpbesluit

116

Kop van Schouwen

uitbreiding

verbetering

B1

ontwerpbesluit

117

Manteling van Walcheren

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

C

conform ontwerp

  • (a)

    Deze toevoeging betreft herstel van een technische fout. De aanwezige vegetatie behoort niet tot het subtype open water (subtype A), maar tot het subtype kalkrijk (subtype B). Omdat dit een wijziging van subtypen betreft, is de doelstelling gelijk gebleven.

Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype vochtige duinvalleien, kalkrijk (2190B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Wanneer er geen potentiële herstelmogelijkheden aanwezig zijn binnen de begrenzing van het gebied door bijvoorbeeld de mate van dynamiek, zoals in Waddenzee (001) en Noordzeekustzone (007), is er behoudsdoelstelling neergelegd. Alle verbeterdoelstellingen sluiten aan op reeds ingezet hydrologisch herstel (Waddeneilanden en Hollandse kust) en regeneratie van duinvalleien in duingebieden die door waterwinning zijn aangetast. Voor duurzaam voortbestaan van jonge stadia en de rijke variatie aan vochtige duinvalleien, is vergroting van dynamiek door wind en zee noodzakelijk in een deel van de gebieden. Een dergelijke ontwikkeling wordt nagestreefd op plaatsen waar dit niet in conflict is met de veiligheid van het achterliggend land.

B.4.2 Habitatrichtlijn: soorten

H1014 – Nauwe korfslak

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

087

Noordhollands Duinreservaat

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

088

Kennemerland-Zuid

behoud

behoud

behoud

A1

ontwerpbesluit

097

Meijendel & Berkheide

behoud

behoud

behoud

A1

ontwerpbesluit

099

Solleveld & Kapittelduinen

behoud

behoud

behoud

B1

doel toegevoegd

100

Voornes Duin

behoud

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

116

Kop van Schouwen

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

117

Manteling van Walcheren

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

behoud

C

conform ontwerp

123

Zwin & Kievittepolder

behoud

behoud

behoud

B1

ontwerpbesluit

154

Geleenbeekdal

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de nauwe korfslak is op het aspect leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hier niet op aan. De matig ongunstige staat van instandhouding wordt veroorzaakt door de toestand van de duinen, verreweg het belangrijkste leefgebied. De hoeveelheid geschikt habitat (met name populierenbos) vertoont hier een lichte afname. Dit heeft twee oorzaken. Ten eerste neemt door natuurlijke successie in de duinen de oppervlakte eikenbos toe. Ten tweede worden populierachtigen en daarmee vergelijkbare soorten op veel plaatsen gekapt omdat ze niet als inheems worden beschouwd. De landelijke behoudsdoelstelling wordt met deze ontwikkelingen een behoorlijke opgave. In de kalkrijke duinen moeten leefgebieden voor de soort (per saldo) behouden blijven voor behoud van de populatie. Alle gebiedsdoelen sluiten aan bij de landelijke doelstelling die gericht is op behoud. Op langere termijn is meer inzicht nodig in verspreiding, populatiedynamiek en ecologie van deze soort om adequate bescherming mogelijk te maken.

H1095 – Zeeprik

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve

bijdrage a

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

066

Uiterwaarden Neder-Rijn

behoud

verbetering

uitbreiding

B

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

B

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

uitbreiding

C

conform ontwerp

150

Roerdal

behoud

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

  • (a)

    Voor trekvissen kan de som van de relatieve bijdragen boven de 100% uitkomen, omdat voor deze soorten alle gebieden in een trekroute van even groot belang zijn.

De landelijke staat van instandhouding van de zeeprik is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”38. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De doelstelling van de gebieden Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007), Uiterwaarden Neder- Rijn (066), Haringvliet (109), Hollands Diep (111), Biesbosch (112), Voordelta (113), Westerschelde & Saeftinghe (122) en Roerdal (150) wijkt op het aspect omvang leefgebied af van de landelijke doelstelling, omdat het leefgebied voor de soort hier niet kan worden uitgebreid. De doelstelling van de gebieden Waddenzee, Noordzeekustzone, Hollands Diep, Biesbosch, Voordelta en Westerschelde & Saeftinghe wijkt op het aspect kwaliteit leefgebied af van de landelijke doelstelling, omdat de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding op dit aspect niet wordt veroorzaakt door deze gebieden.

H1099 – Rivierprik

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve

bijdrage a

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

025

Drentsche Aa-gebied

behoud

behoud

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

066

Uiterwaarden Neder-Rijn

behoud

verbetering

uitbreiding

B

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

068

Uiterwaarden Waal

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

B

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

uitbreiding

C

conform ontwerp

150

Roerdal

behoud

verbetering

behoud

B

ontwerpbesluit

152

Grensmaas

behoud

behoud

uitbreiding

B

ontwerpbesluit

  • (a)

    Voor trekvissen kan de som van de relatieve bijdragen boven de 100% uitkomen, omdat voor deze soorten alle gebieden in een trekroute van even groot belang zijn.

De landelijke staat van instandhouding van de rivierprik is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De doelstellingen van de gebieden Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007), Drentsche Aa- gebied (025), Hollands Diep (111), Biesbosch (112), Voordelta (113), Westerschelde & Saeftinghe (122) en Grensmaas (152) wijken op de aspecten omvang en kwaliteit leefgebied af van de landelijke doelstelling. De landelijk matig ongunstige staat van instandhouding van de soort wordt niet veroorzaakt in deze gebieden. Door behoud van het leefgebied en het nemen van maatregelen elders wordt in deze gebieden uitbreiding van de populatie beoogd. In de gebieden Uiterwaarden Neder-Rijn (066), Haringvliet (109) en Roerdal (150) is uitbreiding van het leefgebied ook niet aan de orde, maar is wel kwaliteitsverbetering van het leefgebied als doel gesteld.

H1103 – Fint

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

omvang

Doel

kwaliteit

Doel

populatie

Relatieve

bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

uitbreiding

B

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

verbetering

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

C

ontwerpbesluit

111

Hollands Diep

behoud

behoud

uitbreiding

B

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

uitbreiding

A

ontwerpbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

uitbreiding

A

aanwijzingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

uitbreiding

C

conform ontwerp

De landelijke staat van instandhouding van de fint is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. Op het aspect leefgebied wijkt de landelijke doelstelling hiervan af. Oorzaak van de “zeer ongunstige” staat van instandhouding zijn verminderde migratiemogelijkheden. Door het kierbesluit – het besluit om de Haringvlietsluizen ook bij vloed op een kier te zetten – wordt de migratieroute zienderogen verbeterd. Hierdoor zal naar verwachting ook de populatie in achterliggende gebieden (zoals het Hollands Diep en de Biesbosch) uitbreiden, aansluitend bij internationale populatieontwikkelingen39.

H1351 – Bruinvis

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

verbetering

behoud

B1

wijzigingsbesluit a

113

Voordelta

behoud

verbetering

behoud

C

wijzigingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

163

Vlakte van de Raan

behoud

verbetering

behoud

C

wijzigingsbesluit b

164

Doggersbank

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

165

Klaverbank

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Wijzigingsbesluit Noordzeekustzone, Staatscourant 4 oktober 2012, nr.20040.

  • (b)

    Wijzigingsbesluit Vlakte van de Raan, Staatscourant 20 maart 2013, nr.7442.

De landelijke staat van instandhouding van de bruinvis is beoordeeld als “matig ongunstig”40. De landelijke doelstelling sluit wat het aspect leefgebied betreft daarop aan: “behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie” (zie de toelichting in de tweede alinea). Het aspect populatie wordt, ondanks een geschat aantal bruinvissen dat hoger is dan de referentiewaarde, gewaardeerd met een matig ongunstige staat van instandhouding omdat de populatie een onevenwichtige leeftijdsopbouw lijkt te hebben41. De oorzaken van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding kunnen op basis van de beschikbare informatie niet worden gekoppeld aan de afzonderlijke gebieden omdat de populatie in de Nederlandse Noordzee deel uitmaakt van een veel grotere populatie van de zuidelijke Noordzee.

Op basis van beschikbare informatie met betrekking tot de specifieke ecologische functie voor de bruinvis kan geen onderscheid gemaakt worden ten aanzien van het belang van de afzonderlijke gebieden enerzijds en de rest van de Noordzee anderzijds. Bescherming van de sterk mobiele soort in een specifiek gebied is daarom niet geëigend, maar moet aansluiten bij de relevante ecologische schaal van het voorkomen van de populatie bruinvissen (het zuidelijke deel van de Noordzee). Hiervoor is een generieke, Noordzee-brede aanpak nodig. Het Bruinvisbeschermingsplan42 gaat daarom uit van het beginsel dat generieke bescherming meer geëigend is dan bescherming in een specifiek gebied.

De doelstelling voor de gebieden Noordzeekustzone (007), Voordelta (113) en Vlakte van de Raan (163) sluiten aan bij de landelijke doelstelling. Voor de gebieden Doggersbank (164) en Klaverbank (165) is behoud tot doel gesteld om verdere achteruitgang te voorkomen. In de gebieden Waddenzee (001), Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122) is gekozen voor een behoudsdoelstelling voor de kwaliteit van het leefgebied omdat de kwaliteit daarvan reeds voldoende goed is. De oorzaken van de matig ongunstige staat van instandhouding (zoals genoemd in het profiel voor deze soort) zijn niet van toepassing in deze gebieden.

Met deze benadering, waarbij een generieke, Noordzee-brede aanpak voor de bescherming van de bruinvis (ook buiten Natura 2000-gebieden) is aangevuld met een verbeterdoel in een deel van de gebieden, wordt een landelijk gunstige staat van instandhouding van het leefgebied nagestreefd op een haalbare en betaalbare manier.

H1364 – Grijze zeehond

Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie

N2k-nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

behoud

A3

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

behoud

B1-B2

wijzigingsbesluit a

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

behoud

C

wijzigingsbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

behoud

C

conform ontwerp-wijzigingsbesluit

163

Vlakte van de Raan

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

164

Doggersbank

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

165

Klaverbank

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

  • (a)

    Wijzigingsbesluit Noordzeekustzone, Staatscourant 18 oktober 2012, nr.21274.

De landelijke staat van instandhouding van de grijze zeehond is op het aspect populatie beoordeeld als “gunstig”. Op het aspect leefgebied is de staat van instandhouding beoordeeld als “matig ongunstig”.

De landelijke doelstelling sluit wat betreft het aspect populatie op de staat van instandhouding aan.

Grijze zeehonden moeten voor het werpen en zogen van jongen, zandbanken opzoeken die bij extreme weersomstandigheden (zoals zware winterstormen) overspoeld worden. Hierdoor treedt frequent sterfte van jongen op. Het is onduidelijk of het huidige leefgebied geschikt genoeg is voor een duurzame populatie zonder immigratie. Recent neemt het aantal in de Nederlandse kustwateren geboren pups toe en neemt de immigratie vanuit het Verenigd Koninkrijk af. Dat wordt gezien als een indicatie dat het probleem van voldoende permanent droge en onverstoorde ligplaatsen voor het werpen en zogen van jongen minder groot lijkt te zijn dan eerder werd verondersteld. Ter voorkoming van achteruitgang is daarom voor het aspect kwaliteit van het leefgebied een behoudopgave gekozen tot doel gesteld. De gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke doelstelling. In die Natura 2000-gebieden waar droogvallende zandplaten en of embryonale duinen (rust- en voortplantingsgebied) aanwezig zijn, kunnen gebiedsspecifieke maatregelen gericht op de verstoring een bijdrage leveren aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling. Voor mariene gebieden waar deze ligplaatsen niet zijn, zijn generieke maatregelen met betrekking tot verstorende activiteiten meer geëigend (zie de toelichting in de tweede alinea).

De Waddenzee (001) en de Noordzeekustzone (007) zijn de belangrijkste gebieden voor de grijze zeehond in Nederland. Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State is met een wijzigingsbesluit (18 oktober 2012) meer inzichtelijk gemaakt hoe de gunstige staat van instandhouding voor de grijze zeehond kan worden bereikt en op welke gronden in het gebied Noordzeekustzone voor de grijze zeehond kan worden volstaan met een behoudsdoelstelling. De Noordzeekustzone heeft, met name in de winter, een belangrijke foerageerfunctie. Gelet op de recente toename van de soort, wordt een behoudsdoelstelling voorlopig voldoende geacht.

Voor de gebieden in de Nederlandse exclusieve economische zone, Doggersbank (164) en Klaverbank (165), moet het volgende opgemerkt worden: op basis van beschikbare informatie over de ecologische functie van deze gebieden voor de grijze zeehond kan geen onderscheid gemaakt worden ten aanzien van het belang van de afzonderlijke gebieden enerzijds en de rest van de Nederlandse exclusieve economische zone anderzijds. Hetzelfde geldt voor de Vlakte van de Raan (163), dat mogelijk als foerageergebied dient voor dieren die zich in de nabije omgeving voortplanten of door het gebied trekken.

H1365 – Gewone zeehond

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

uitbreiding

A3

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

behoud

B1

aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

verbetering

uitbreiding

C

conform ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

verbetering

uitbreiding

C

conform ontwerp

De gewone zeehond verkeert landelijk in een gunstige staat van instandhouding. De landelijke doelstelling wijkt hiervan af 43, ten behoeve van herstel van de populatie na recente afname (door virussen), met name in het Deltagebied. Zuidwest-Nederland herbergt geen levensvatbare populatie. De oorzaak hiervan is een te laag geboortecijfer in het Deltagebied, waardoor de kleine populatie zichzelf niet in stand kan houden. In het Deltagebied wordt gestreefd naar een regionale populatie van tenminste 200 exemplaren, waarbij de Voordelta (113) de grootste bijdrage levert. Om dit doel te bereiken zal in de gebieden Voordelta, Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122) het areaal aan onverstoord gebied moeten toenemen zodat deze gebieden beter geschikt zullen worden voor voortplanting.

In de Waddenzee (001) en de Noordzeekustzone (007) wordt van de landelijke doelstelling afgeweken. In de Waddenzee geniet de gewone zeehond goede bescherming van ligplaatsen, vooral tijdens zoog- en paringstijd. Met behoud van het huidige leefgebied wordt een uitbreiding van de populatie ten doel gesteld. De gestage groei van de populatie zal de komende jaren naar verwachting doorzetten, mits virussen uitblijven. Ook in de Noordzeekustzone, welke met name een foerageerfunctie voor de populatie uit de Waddenzee kent, gaat het goed met de soort. In dit gebied is geen uitbreiding voor de populatie ten doel gesteld.

H1903 – Groenknolorchis

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit biotoop ten behoeve van uitbreiding populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Doel populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

behoud

A1

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

behoud

C

aanwijzingsbesluit

018

Rottige Meenthe & Brandemeer

uitbreiding

verbetering

uitbreiding

C

ontwerpbesluit

034

Weerribben

behoud

behoud

behoud

A1

ontwerpbesluit

035

De Wieden

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

behoud

C

conform ontwerp

088

Kennemerland-Zuid

behoud

behoud

uitbreiding

C

ontwerpbesluit

094

Naardermeer

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

095

Oostelijke Vechtplassen

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

100

Voornes Duin

uitbreiding

behoud

uitbreiding

C

aanwijzingsbesluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

behoud

B2

ontwerpbesluit

116

Kop van Schouwen

behoud

behoud

behoud

C

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

behoud

C

conform ontwerp

De landelijke staat van instandhouding van de habitatsoort groenknolorchis is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”44. De landelijke opgave sluit hierop aan. De kansen voor uitbreiding van populaties zijn in de meeste gebieden echter beperkt; er is daarom veelal voor een behoudopgave gekozen. In de gebieden Duinen en Lage Land Texel (002), Duinen Vlieland (003), Duinen Terschelling (004) en Duinen Schiermonnikoog (006) is voor een behoudopgave gekozen, omdat het biotoop hier in voldoende mate en kwaliteit voorkomt. Hetzelfde geldt voor De Wieden (035) en Weerribben (034), de soort is hier goed vertegenwoordigd. In de Deltagebieden (Grevelingen (115), Kop van Schouwen (116) en Westerschelde & Saeftinghe (122)), hangen de ontwikkelingen van de populatie samen met de fluctuerende waterstanden en natuurlijke successie. In het IJsselmeer (072) worden de mogelijkheden voor herstel of uitbreiding zeer laag ingeschat. In de gebieden Naardermeer (094), Oostelijke Vechtplassen (095) en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) gaat het om kleine populaties, waarvoor geen tot weinig uitbreidingsmogelijkheden worden gezien. Voor Kennemerland-Zuid (088) is de verwachting dat onder behoud van de huidige omstandigheden de populatie zich hier uit zal breiden. In Voornes Duin (100) is de doelstelling vastgesteld in samenhang met de doelstelling voor vochtige duinvalleien (H2190).

B.4.3 Vogelrichtlijn: broedvogels

A081 – Bruine kiekendief

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

30

B1

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

30

B1

aanwijzingsbesluit

003

Duinen Vlieland

behoud

behoud

20

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

behoud

behoud

45

B1

aanwijzingsbesluit

005

Duinen Ameland

behoud

behoud

40

B1

aanwijzingsbesluit

006

Duinen Schiermonnikoog

behoud

behoud

25

B1

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

013

Alde Feanen

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

ontwerpbesluit

014

Deelen

uitbreiding

verbetering

5

C

conform ontwerp

035

De Wieden

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

25

C

doel aangepast a

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

40

B1

conform ontwerp

092

Ilperveld, Varkensland, …

behoud

behoud

15

C

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

30

B1

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

13

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

20

C

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

19

C

doel toegevoegd

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

20

C

conform ontwerp

  • (a)

    Het aantal voor IJsselmeer is aangepast conform het gemiddelde van de periode 1999-2003.

De landelijke staat van instandhouding van de bruine kiekendief is voor de aspecten leefgebied en populatie als “gunstig” beoordeeld. Gezien de belangrijke functie van Nederland als noordwestelijk bolwerk in het broedgebied in Europa is een veilige marge ingebouwd in het voor Nederland na te streven populatieniveau. Het doel heeft betrekking op behoud van het huidige niveau. De landelijke doelstelling staat dan ook zowel voor omvang als kwaliteit van het leefgebied op behoud met een landelijk doelniveau van 1.300 broedparen. Voor de realisatie van de landelijke doelstelling zal aansluiting nodig zijn van nationaal beleid zoals de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur.

De gebiedsdoelstellingen sluiten op de landelijke doelstelling aan, met uitzondering van de gebieden Alde Feanen (013) en Deelen (014). Vanwege de voor de regio unieke potentie voor een sleutelpopulatie is er voor het gebied Alde Feanen gekozen voor een hersteldoelstelling. Vanwege de recente afname van de populatie in gebied Deelen is hier een beperkte herstelopgave geformuleerd, zodat de soort in het gebied behouden kan blijven.

A132 – Kluut

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

verbetering

3.800

A2

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

behoud

behoud

120 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

110

C

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

2.000R

B1

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

2.000R

B2

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

2.000R

B1

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

2.000R

B1

conform ontwerp

120

Zoommeer

behoud

behoud

2.000R

C

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

2.000R

B1

conform ontwerp

127

Markiezaat

behoud

behoud

2.000R

C

ontwerpbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de kluut is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. Op het aspect populatie sluit de landelijke doelstelling hierop aan. De doelstelling luidt: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 8.000 paren”. Landelijk is op het aspect leefgebied een behoudsdoelstelling geformuleerd, omdat de matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect leefgebied alleen de afname in de Waddenzee (001) betreft. In afwijking van de landelijke doelstelling heeft dat gebied dan ook een verbeteropgave gekregen. De som van de gebiedsdoelen is 6.030 broedparen, en dat is 75% van het landelijke doelniveau.

A137 – Bontbekplevier

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

omvang

Doel

kwaliteit

Populatie

Relatieve

bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

60

A1

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

20

B1

aanwijzingsbesluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

4

C

ontwerpbesluit

072

IJsselmeer

uitbreiding

verbetering

13 (↑)

B1

doel aangepast a

109

Haringvliet

behoud

behoud

100R (↑)

C

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

100R (↑)

B1

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

100R (↑)

B1

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

100R (↑)

B2

conform ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

100R (↑)

B1

conform ontwerp

127

Markiezaat

behoud

behoud

100R (↑)

C

ontwerpbesluit

  • (a)

    De doelstelling voor IJsselmeer is aangepast, omdat de landelijke doelstelling is gericht op uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied om de negatieve trend in de Waddenzee gedeeltelijk te kunnen compenseren. Het aantal is gebaseerd op de historische potentie van het gebied in het jaar 2000.

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de bontbekplevier is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”45. De landelijke doelstelling voor de bontbekplevier luidt “uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van ten minste 400 paren”. De som van de gebiedsdoelen is 227 broedparen, en dat is 57% van het landelijke doelniveau. De doelstellingen van de gebieden Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007), Lauwersmeer (008), Haringvliet (109), Krammer-Volkerak (114), Grevelingen (115), Oosterschelde (118), Westerschelde & Saeftinghe (122) en Markiezaat (127) wijken af van de landelijke doelstelling. De gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone worden niet gezien als gebieden met de beste potenties voor herstel van de leefgebieden van locale populaties. In het gebied Lauwersmeer is geen mogelijkheid het leefgebied van de soort te vergroten of te verbeteren. In de Deltagebieden wordt een licht herstel van de populatie nagestreefd, om achteruitgang van de landelijke populatie buiten de Natura 2000-gebieden (veelal tijdelijke populaties) op te vangen. Naar verwachting zal dit herstel van de populatie kunnen plaatsvinden middels behoud van het leefgebied. Voor het gebied Haringvliet is de doelstelling passend bij de afspraken die met betrekking tot de “kier” zijn gemaakt en voor Krammer- Volkerak geldt dat de doelstelling afhankelijk is gesteld van de uitkomsten van de inrichtingsvariant zoet of zout 46. Het gebied Oosterschelde wijkt af van de landelijke doelstelling omdat er sprake is van een min of meer stabiele stand.

A138 – Strandplevier

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

omvang

Doel

kwaliteit

Populatie

Relatieve

bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

uitbreiding

verbetering

50 (↑)

B2

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

10 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

uitbreiding

verbetering

30 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

220R (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

220R (↑)

B1

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

220R (↑)

B2

concept-ontwerp

115

Grevelingen

uitbreiding

verbetering

220R (↑)

A1

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

uitbreiding

verbetering

220R (↑)

B1

conform ontwerp

120

Zoommeer

behoud

behoud

220R (↑)

B1

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

220R (↑)

B2

conform ontwerp

127

Markiezaat

behoud

behoud

220R (↑)

B1

ontwerpbesluit

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de strandplevier is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling omvat een herstelopgave voor het leefgebied voor herstel van de populatie van ten minste 400 paar verdeeld over ten minste 10 sleutelpopulaties van ten minste 20 paren. Er is herstel gewenst tot boven het niveau van de minimum populatie, mede als verzekering naar de toekomst47. De doelstelling van de gebieden Duinen Goeree & Kwade Hoek (101), Haringvliet (109), Krammer-Volkerak (114), Zoommeer (120), Westerschelde & Saeftinghe (122) en Markiezaat (127) wijkt af van de landelijke doelstelling gezien de onzekerheid in de ontwikkelingen in het Deltagebied.

Mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit van het leefgebied zullen worden onderzocht om meer te garanderen dat de soort zich in Nederland op het niveau van een duurzame populatie kan handhaven. Voor Haringvliet is de doelstelling passend bij de afspraken die met betrekking tot de “kier” zijn gemaakt en voor Krammer-Volkerak en Zoommeer is de doelstelling afhankelijk gesteld van de uitkomsten van de inrichtingsvariant zoet of zout48. Zou dit consequenties hebben voor de landelijke doelstelling dan wordt deze daarop aangepast.

A176 – Zwartkopmeeuw

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit voor behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

103

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

behoud

behoud

9

C

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

400R

A1

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

400R

A2

concept-ontwerp

120

Zoommeer

behoud

behoud

400R

C

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

400R

B1

conform ontwerp

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de zwartkopmeeuw is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “gunstig”. Gezien de gunstige staat van instandhouding is de landelijke instandhoudingsdoelstelling gericht op behoud van het leefgebied en de bijbehorende populatie. Er is slechts een beperkt aantal kolonies van enige omvang aanwezig in het Deltagebied. Daarbuiten broedt de soort verspreid over heel Nederland in geringe aantallen. In het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) bevindt zich de enige “kolonie” buiten het Deltagebied welke kwalificeerde op basis van gegevens in 1999-2003. Ongeveer 80% van de Nederlandse populatie zwartkopmeeuwen broedt binnen Natura 2000-gebieden.

De gebiedsdoelen in de aangewezen gebieden sluiten allen aan bij de landelijke doelstelling.

A191 – Grote stern

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

16.000 (↑)

A3

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

6.200R

C

in voorbereiding

115

Grevelingen

behoud

behoud

6.200R

A1

in voorbereiding

118

Oosterschelde

behoud

behoud

6.200R

C

in voorbereiding49

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

6.200R

A1

doel aangepast

(R) Betreft een regionale doelstelling (zie toelichting op doel in paragraaf 5.5 van het oorspronkelijke besluit)

De landelijke staat van instandhouding van de grote stern is voor wat betreft de aspecten populatie en leefgebied respectievelijk als “matig ongunstig” en “gunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling sluit hierbij aan: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor herstel populatie tot 22.200 paren”. Dit is een aanpassing ten opzichte van de eerder vastgestelde landelijke doelstelling50 welke voortvloeit uit de verhoging van het regionale doel in het Deltagebied van 4.000 tot 6.200 broedparen. Vanwege de kwetsbaarheid van de nestplaatsen is de soort vrijwel volledig aangewezen op het Natura 2000-netwerk51. Alleen in de Waddenzee (001) wordt herstel van de populatie haalbaar geacht. Alle gebiedsdoelen sluiten aan bij de landelijke doelstelling voor het leefgebied van de soort.

A193 – Visdief

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

behoud

behoud

5.300

A1

aanwijzingsbesluit

072

IJsselmeer

behoud

behoud

3.300

B2

doel aangepast a

073

Markermeer & IJmeer

behoud

behoud

630

B1

conform ontwerp

077

Eemmeer & Gooimeer Zuidoever

behoud

behoud

280

B1

doel aangepast b

092

Ilperveld, Varkensland, …

behoud

behoud

180

C

ontwerpbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

6.500R (↑)

B2

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

6.500R (↑)

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

6.500R (↑)

B1

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

6.500R (↑)

B1

conform ontwerp

120

Zoommeer

behoud

behoud

6.500R (↑)

C

concept-ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

6.500R (↑)

B2

conform ontwerp

  • (a)

    De doelstelling voor IJsselmeer is aangepast, omdat het aantal paren in recente jaren (2004-2008) flink is toegenomen (maximaal 5.380 broedparen in 2008) door de aanleg van vogeleiland de Kreupel in 2004. Er is gekozen om het gemiddelde van de laatste tien jaar (1999-2008) als behoudsdoel te stellen, waarmee de aantallen vóór aanleg en na aanleg van de Kreupel gemiddeld zijn aangezien het niet zeker is of de huidige populatie zich in hoge aantallen zal handhaven of dat de populatie zich zal stabiliseren op een wat lager niveau. Het aantal heeft betrekking op gunstige jaren.

  • (b)

    Het aantal voor Eemmeer & Gooimeer Zuidoever is aangepast conform het gemiddeld aantal broedparen (1999- 2003) op het eiland De Visdief. Dit wijkt af van het gemiddelde genoemd in SOVON & CBS (2005) omdat hierin ook buiten het gebied nestelende paren zijn meegeteld. Tevens is de tekst, die onder het kopje “Doel” in paragraaf 5.3 van de Nota van toelichting van het betreffende besluit, na de behoudopgave vermeld staat, verwijderd. Deze tekst is abusievelijk in het doel opgenomen.

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de visdief is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “matig ongunstig”. Na een sterke terugval rond de jaren zestig vindt sindsdien voortdurend herstel plaats, al lijkt dit momenteel te stagneren. De landelijke doelstelling is behoud van het leefgebied dat plaats biedt aan de herstellende populatie van uiteindelijk 20.000 broedparen.

Het regiodoel voor het Deltagebied sluit hierop aan: behoud van het huidige leefgebied voor herstel van de populatie van ten minste 6.500 broedparen. In de Waddenzee (001) wordt het stoppen van de neergaande trend ten doel gesteld. In het IJsselmeer (072) heeft de draagkracht betrekking op gunstige jaren en bestaat er nog onzekerheid over de draagkracht van de Kreupel op langere termijn (zie paragraaf 5.5 van de Nota van toelichting). In het Markermeer & IJmeer (073), Eemmeer & Gooimeer Zuidoever (077) en Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (092) is de bijdrage aan de landelijke doelstelling relatief klein en worden de potenties laag ingeschat. Ongeveer drie kwart van de landelijke opgave ligt binnen het Natura 2000-netwerk.

A195 – Dwergstern

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

001

Waddenzee

uitbreiding

verbetering

210 (↑)

A2

aanwijzingsbesluit

002

Duinen en Lage Land Texel

uitbreiding

verbetering

40 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

004

Duinen Terschelling

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

B1

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

uitbreiding

verbetering

20 (↑)

C

aanwijzingsbesluit

109

Haringvliet

behoud

behoud

300R (↑)

A1

ontwerpbesluit

114

Krammer-Volkerak

behoud

behoud

300R (↑)

C

concept-ontwerp

115

Grevelingen

behoud

behoud

300R (↑)

B1

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

300R (↑)

B2

conform ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

300R (↑)

A1

conform ontwerp

(R) Betreft een regionale doelstelling.

De landelijke staat van instandhouding van de dwergstern is voor wat betreft de aspecten populatie52 en leefgebied als “matig ongunstig” beoordeeld. De landelijke doelstelling omvat alleen een herstelopgave voor het populatieniveau: “behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor herstel populatie tot 600 paren”53. Er is gekozen voor een landelijke behoudopgave ondanks de matig ongunstige staat van instandhouding aangezien de populatie in historisch perspectief gunstig afsteekt. Alleen in het Waddengebied, waar de Natura 2000-gebieden op veel plekken op elkaar aansluiten, wordt een herstelopgave met betrekking tot het leefgebied (naast herstel populatie) haalbaar geacht en is het vooral van belang dat de som van de gebiedsdoelen (290) in de regio wordt gehaald. Vanwege de kwetsbaarheid van de nestplaatsen is de soort vrijwel volledig aangewezen op het Natura 2000-netwerk. De som van de gebiedsdoelen, met daarbij opgeteld het aantal dat buiten Natura 2000 broedt (1%), bereikt het genoemde doelniveau van 600.

A272 – Blauwborst

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage

Besluit

008

Lauwersmeer

behoud

behoud

120

C

ontwerpbesluit

033

Bargerveen

behoud

behoud

150

C

ontwerpbesluit

067

Gelderse Poort

behoud

behoud

80

C

ontwerpbesluit

078

Oostvaardersplassen

behoud

behoud

190

C

conform ontwerp

109

Haringvliet

behoud

behoud

300

B1

ontwerpbesluit

112

Biesbosch

behoud

behoud

2.300

A1

ontwerpbesluit

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

450

B1

conform ontwerp

139

Deurnsche Peel & Mariapeel

behoud

behoud

350

B1

aanwijzingsbesluit

140

Groote Peel

behoud

behoud

200

B1

aanwijzingsbesluit

De landelijke staat van instandhouding van de blauwborst is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als “gunstig”. De landelijke populatie van de blauwborst is, na decennia lange daling, vanaf 1980 sterk toegenomen. Daarbij heeft tevens een belangrijke uitbreiding over met name de lage delen van het land plaatsgevonden (met een toename van voorkomen met 318% in 1973-2000). De huidige populatie is groter dan ooit eerder in de vorige eeuw en groter dan het gewenste basisniveau vanuit populatie-ecologische optiek. Conform het Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004 (2000)54 wordt landelijk behoud van 6.500 paren ten doel gesteld. De gebiedsdoelstellingen sluiten aan bij deze landelijke behoudsdoelstelling.

B.4.4 Vogelrichtlijn: niet-broedvogels

De doelniveaus van niet-broedvogels zijn meestal uitgedrukt als seizoensgemiddelde of als (gemiddeld) seizoensmaximum. Deze gemiddelden, die worden bepaald aan de hand van maandelijkse tellingen, worden als volgt berekend55:

Het seizoensgemiddelde is het gemiddelde aantal in een gebied aanwezige vogels over het gehele seizoen, berekend aan de hand van maandelijks uitgevoerde tellingen over een reeks seizoenen (1999/2000-2003/2004).

Het (gemiddeld) seizoensmaximum is het gemiddelde van het grootste getelde aantal (piekaantal) per seizoen (juli t/m juni van het volgende jaar) berekend over een reeks van achtereenvolgende seizoenen (meestal vijf seizoenen: 1999/2000-2003/2004).

Bij voorkeur is het doelniveau uitgedrukt als seizoensgemiddelde omdat dit een indicatie geeft voor het gebruik van een gebied over het gehele seizoen. Bij onvoldoende beschikbaarheid van jaarrondtellingen moet soms worden teruggevallen op het seizoensmaximum.

A130 – Scholekster

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage*

Besluit

001

Waddenzee

behoud

verbetering

140.000-

160.000 (↑)

sf, A4

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

3.300 a

s, C

aanwijzingsbesluit

038

Uiterwaarden Ijssel

behoud

behoud

210

sf, C

ontwerpbesluit

101

Duinen Goeree & Kwade Hoek

behoud

behoud

790

sf, C

aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

2.500

sf, C

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

560

sf, C

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

24.000

sf, A1

conform ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

7.500

sf, B1

conform ontwerp

* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf).

  • (a)

    De populatieschatting is gebaseerd op het gemiddelde seizoensmaximum over de periode 1999/2000-2003/2004.

De staat van instandhouding voor de scholekster is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”, waarbij de laatste voornamelijk betrekking heeft op de kwaliteit van het leefgebied en niet op de omvang. De landelijke doelstelling sluit hierop aan56. In Nederland is de populatie scholeksters fors afgenomen (bij een internationale toename) in relatie tot verminderd voedselaanbod in de intergetijdengebieden (schelpdieren). Alleen voor de Waddenzee (001) is een verbeteropgave geformuleerd voor de kwaliteit van het leefgebied, vanwege het relatief grote belang van dit gebied en omdat de mogelijkheden voor verbetering van de kwaliteit in het Deltagebied, in dit geval de gebieden Duinen Goeree & Kwade Hoek (101), Voordelta (113), Grevelingen (115), Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122), beperkt zijn (met name door zandhonger in de Oosterschelde, welke leidt tot een afname van het foerageergebied). In de Natura 2000-gebieden Uiterwaarden IJssel (038), Duinen Goeree & Kwade Hoek, Voordelta en Grevelingen zijn bovendien geen aanwijzingen voor afname van de populatie of voor vermindering van de kwaliteit van het leefgebied (zelfs aantalstoename in de gebieden Uiterwaarden IJssel en Duinen Goeree & Kwade Hoek sinds respectievelijk 1980/1981 en 1990/1991). Voor de Westerschelde is de trend op lange termijn neutraal, in tegenstelling tot de Waddenzee. Daarom is voor de Westerschelde voor behoud gekozen. Voor de Noordzeekustzone (007) zijn onvoldoende telgegevens bekend voor een trendanalyse. Er is daarom eveneens een behoudopgave geformuleerd.

A143 – Kanoet

Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel

omvang

Doel

kwaliteit

Populatie

Relatieve

bijdrage*

Besluit

001

Waddenzee

behoud

verbetering

44.400 (↑)

sf, A4

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

560 a

s, C

aanwijzingsbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

7.700

sf, A1

conform ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

600

sf, C

conform ontwerp

127

Markiezaat

behoud

behoud

1.600 a

s, B1

ontwerpbesluit

* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf).

  • (a)

    De populatieschatting is gebaseerd op het gemiddelde seizoensmaximum over de periode 1999/2000-2003/2004.

De staat van instandhouding van de kanoet is op de aspecten leefgebied en populatie beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig” en “gunstig”. Het seizoensgemiddelde bedroeg over 1988-2000 circa 60.000, maar was daarvoor aanzienlijk lager (circa 40.000). De afname van rond 2001 heeft niet geleid tot lagere waarden dan in de periode van voor 1988. De trendontwikkeling is daardoor over de lange termijn neutraal en over kortere termijn onzeker. Daarom is de herstelopgave niet gericht op het leefgebied voor het streven naar hogere aantallen. Behoud van de huidige populatie (gemiddelde over de periode 1999-2003) vergt echter wel inspanningen, vandaar de verbeteropgave voor kwaliteit leefgebied. Omdat de Waddenzee (001) ruim 80% van de Nederlandse populatie herbergt en de recente negatieve tendens hier is geconcentreerd terwijl er in de Delta, in dit geval de gebieden Oosterschelde (118), Westerschelde & Saeftinghe (122) en Markiezaat (127) sprake is geweest van toename, is alleen voor de Waddenzee een herstelopgave geformuleerd. Aangezien voor de Noordzeekustzone onvoldoende telgegevens bekend zijn voor een trendanalyse, wordt ook hier volstaan met een behoudopgave.

A169 – Steenloper

Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor herstel populatie

N2k-

nr

Natura 2000-gebied

Doel omvang

Doel kwaliteit

Populatie

Relatieve bijdrage*

Besluit

001

Waddenzee

behoud

verbetering

2.300-

3.300 (↑)

sf, A3

aanwijzingsbesluit

007

Noordzeekustzone

behoud

behoud

160

sf, B1

aanwijzingsbesluit

113

Voordelta

behoud

behoud

70

sf, B1

aanwijzingsbesluit

115

Grevelingen

behoud

behoud

30

sf, C

ontwerpbesluit

118

Oosterschelde

behoud

behoud

580

sf, A1

conform ontwerp

122

Westerschelde & Saeftinghe

behoud

behoud

230

sf, B2

conform ontwerp

* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf).

De staat van instandhouding van de steenloper is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk “zeer ongunstig” en “matig ongunstig”. De algemene aantalstrend voor de steenloper in de Waddenzee (001) is licht dalend, voor de Delta, in dit geval de gebieden Voordelta (113), Grevelingen (115), Oosterschelde (118) en Westerschelde en Saeftinghe (122), stabiel en voor de Noordzeekustzone (007) zijn onvoldoende telgegevens voor een trendanalyse bekend. De herstelopgave is daarom alleen in de Waddenzee neergelegd. Oorzaak van de licht dalende trend kan in verband worden gebracht met het verdwijnen van droogvallende mosselbanken in de Waddenzee. De mosselbanken zijn in de Waddenzee in de laatste jaren wel teruggekeerd in het oostelijk deel, maar nog niet in het westelijk deel. Mogelijk spelen de ontwikkelingen in de internationale, biogeografische populatie ook een rol in de afname van het populatieaantal in de Waddenzee.

Overige niet-broedvogelsoorten

Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied

Vogelsoort

Aantal gebieden

Landelijke doelstelling

Populatie Westerschelde & Saeftinghe

Relatieve bijdrage*

Besluit

A005 Fuut a;h

24

10.900

100

f, C

conform ontwerp

A026 Kleine zilverreiger f

5

140

40

f, A1

conform ontwerp

A034 Lepelaar f

22

1.225

30

sf, B1

conform ontwerp

A041 Kolgans f;g

36

218.300

380

sf, C

conform ontwerp

A043 Grauwe gans f;g

31

86.300

16.600

sf, A1

conform ontwerp

A048 Bergeend f

14

48.900

4.500

sf, B2

conform ontwerp

A050 Smient f;g

45

258.200

16.600

sf, B2

conform ontwerp

A051 Krakeend f;g

35

10.200

40

f, C

conform ontwerp

A052 Wintertaling c

24

21.000

1.100

f, B1

conform ontwerp

A053 Wilde eend f

13

128.000

11.700

f, B2

conform ontwerp

A054 Pijlstaart b

25

7.850

1.400

f, B2

conform ontwerp

A056 Slobeend f;h

38

5.750

70

f, C

conform ontwerp

A069 Middelste zaagbek f

7

3.310

30

f, C

conform ontwerp

A075 Zeearend f

4

7 k

2 (max)

f, A1

conform ontwerp

A103 Slechtvalk f

6

180 k

8 (max)

f, B1

conform ontwerp

A132 Kluut b;h

17

9.510

540

sf, B1

conform ontwerp

A137 Bontbekplevier f

10

2.260

430

sf, B2

conform ontwerp

A138 Strandplevier d

3

180

80 (↑)

sf, A3

conform ontwerp

A140 Goudplevier e

11

32.300

1.600

sf, B1

conform ontwerp

A141 Zilverplevier f;i

8

27.600

1.500

sf, B1

conform ontwerp

A142 Kievit b

11

75.500

4.100

sf, B1

conform ontwerp

A144 Drieteenstrandloper j

6

4.310

1.000

sf, B2

conform ontwerp

A149 Bonte strandloper f

8

187.300

15.100

sf, B2

conform ontwerp

A157 Rosse grutto f

7

39.500

1.200

sf, C

conform ontwerp

A160 Wulp f

17

101.100

2.500

sf, B1

conform ontwerp

A161 Zwarte ruiter f

5

2.040

270

sf, B2

conform ontwerp

A162 Tureluur b

9

18.480

1.100

sf, B1

conform ontwerp

A164 Groenpootruiter f

3

2.210

90

sf, B1

conform ontwerp

* Het gebied vervult hoofdzakelijk een slaapplaatsfunctie (s), foerageerfunctie (f) of beide (sf). Relatieve bijdrage is alleen berekend als het landelijke doel en het gebiedsdoel beide zijn gebaseerd op dezelfde waarde (òf seizoensmaximum óf seizoensgemiddelde).

  • a.

    Fuut: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd voor deze soort vanwege slechte stuurbaarheid van vermoedelijke oorzaken (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • b.

    Pijlstaart, kluut, kievit en tureluur: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soorten geformuleerd, omdat deze staat van instandhouding alleen gebaseerd is op toekomstverwachting (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • c.

    Wintertaling: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect populatie is landelijk een behoudsdoelstelling voor deze soort geformuleerd. De staat van instandhouding is gebaseerd op een populatie-afname die niet leidt tot een waarde van minder dan 75% van de draagkrachtindicatie (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • d.

    Strandplevier: ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is voor deze soort landelijk een behoudopgave geformuleerd. De sterke afname in populatieomvang hangt samen met de afname van de broedvogelpopulatie. De oorzaken van deze afname liggen waarschijnlijk meer in de afname van de geschiktheid van de broedgebieden dan in die van de foerageergebieden buiten het broedseizoen. De condities in het leefgebied voor de strandplevier zijn grotendeels op orde, derhalve worden op gebiedsniveau behoudopgaven voor het leefgebied geformuleerd (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • e.

    Goudplevier: de goudplevier heeft landelijk een opgave voor uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied. De verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied is niet zichtbaar in de trend, deze laat een toename zien binnen Natura 2000-netwerk. Dit betreft echter minder dan de helft van de Nederlandse vogels en is een gevolg van verschuivingen in de ligging van de pleisterplaatsen. Incidentele tellingen buiten het monitoringsnetwerk suggereren dat de kwaliteit van het leefgebied buiten het Natura 2000-netwerk is afgenomen. Herstelopgaven binnen het netwerk zijn in dit licht niet geformuleerd (Natura 2000 doelendocument, 2006).

  • f.

    Kleine zilverreiger, lepelaar, kolgans, grauwe gans, bergeend, smient, krakeend, wilde eend, slobeend, middelste zaagbek, zeearend, slechtvalk, bontbekplevier, zilverplevier, bonte strandloper, rosse grutto, wulp, zwarte ruiter en groenpootruiter: de staat van instandhouding van deze soorten is beoordeeld als “gunstig”.

  • g.

    Kolgans, grauwe gans, smient en krakeend: enige afname landelijk veroorzaakt door extensivering van landgebruik (onder andere door natuurontwikkeling) is aanvaardbaar.

  • h.

    Fuut, slobeend en kluut: enige afname landelijk als gevolg van herstel van zout-zoet overgangen is aanvaardbaar.

  • i.

    Zilverplevier: enige afname landelijk ten behoeve van herstel van het leefgebied voor schelpdiereters is aanvaardbaar.

  • j.

    Drieteenstrandloper: ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is voor de deze soort landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd, vanwege de internationaal vooralsnog stabiele en nationaal doorgaand toenemende populatie.

  • k.

    Zeearend en slechtvalk: de landelijke instandhoudingdoelstellingen voor deze soorten zijn gebaseerd op het gemiddelde seizoensmaximum over de periode 1999/2000-2003/2004.

Appendix

Toelichting op de selectie- en begrenzingscriteria die bij de aanwijzing van het Vogelrichtlijngebied Westerschelde gebruikt zijn.

Onderstaande paragrafen zijn opgenomen in de Nota van toelichting van het Vogelrichtlijnbesluit.

3. Gebiedsbeschrijving, aanduiding leefgebied en Begrenzing.
3.2 Aanduiding leefgebied

De Westerschelde is aangewezen als Speciale Beschermingszone onder de Vogelrichtlijn vanwege de aanwezigheid van schorren, slikken, platen en ondiep water die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de Richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1) en tevens fungeert als broed-, rui-, overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2). De begrenzing van de Beschermingszone is zo gekozen dat een in landschappelijk en vogelkundig opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat in samenhang met SBZ Verdronken Land van Saeftinge, Zwin en Oosterschelde voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten.

Het onderhavige gebied is tevens aangewezen als watergebied van internationale betekenis onder de Wetlands-Conventie vanwege de aanwezigheid van een bijzonder wetlandtype (criterium 1), het voorkomen van kwetsbare of bedreigde soorten of gemeenschappen (criterium 2), het voorkomen van planten- en/of diersoorten in een gevoelig deel van hun levenscyclus (criterium 4) en het voorkomen van belangrijke aantallen watervogels (criterium 5 en 6).

4. Vogelkundige- en andere wetlandwaarden
4.1 Kwalificerende soorten

De Westerschelde kwalificeert als Speciale Beschermingszone onder de Vogelrichtlijn vanwege het voorkomen van drempeloverschrijdende aantallen van Grauwe Gans, Bergeend, Scholekster, Kluut57, Bontbekplevier, Zilverplevier, Kanoetstrandloper, Drieteenstrandloper, Bonte Strandloper, Rosse Grutto, Wulp, Tureluur, Grote Stern en Visdief, die het gebied benutten als broedgebied, ruigebied, overwinteringsgebied en/of rustplaats. Het gebied kan hierdoor tevens worden aangemerkt als watergebied van internationale betekenis zoals bedoeld in de Wetlands-Conventie (criterium 6). Het gebied kwalificeert tevens omdat het behoort tot één van de vijf belangrijkste broedgebieden voor Grote Stern, Visdief en Dwergstern in Nederland.

De Westerschelde wordt verder aangemeld als watergebied van internationale betekenis onder de Wetlands-conventie vanwege het geregeld voorkomen van minstens 20.000 watervogels (criterium 5).

Soorten van Bijlage I waarvoor het gebied tot "een van de vijf belangrijkste" in Nederland behoort

Soort

Art. 4

Brva

Aantal NLb

% in 5e c

% in SBZ d

Telperiode

Grote Stern Sterna sandvicensis

1

Ja

11 700

1,8%

18,1%

1993-97

Visdief Sterna hirundo

1

Ja

17 200

5,6%

5,7%

1993-97

Dwergstern Sterna albifrons

1

Ja

430

6%

23%

1993-97

Soorten van Bijlage I en trekkende watervogelsoorten waarvoor het gebied aan de 1%-drempel voldoet

Soort

Art. 4

Brva

Biogeogr. populatiee

1% Biopopf

% in SBZg

Telperiode

Grauwe Gans Anser anser

2

Nee

NW/ZW-Europa

2 000

5,8%

1993-97

Bergeend Tadorna tadorna

2

Nee

NW-Europa

3 000

1,7%

1993-97

Scholekster Haematopus ostralegus

2

Nee

Europa/N&W-Afrika

9 000

2,2%

1993-97

Kluut Recurvirostra avosetta

1

Nee

W-Europa/W-Mid. Zee

700

1,1%

1993-97

Bontbekplevier Charadrius hiaticula

2

Nee

West/Zuid-Afrika (win)

2 000

1,2%

1993-96

Zilverplevier Pluvialis squatarola

2

Nee

Oost-Atlantisch

1 500

2,5%

1993-97

Kanoet C. canutus islandica

2

Nee

NO-Canada/NW-Euro

350 000

1,0%

1993-97

Drieteenstrandloper Calidris alba

2

Nee

Oost-Atlantisch ...

1 000

1,3%

1993-97

Bonte Strandloper Calidris alpina

2

Nee

N-Siberië/West-Afrika

14 000

2,1%

1993-97

Rosse Grutto Limosa lapponica

1

Nee

W-Palearctisch (win)

1 000

1,3%

1993-97

Wulp Numenius arquata

2

Nee

Europa

3 500

1,1%

1993-97

Tureluur Tringa totanus totanus

2

Nee

Oost-Atlantisch (win)

1 500

1,3%

1993-97

Grote Stern Sterna sandvicensis

1

Ja

W-Europa/W-Afrika

500 bp

4,2%

1993-97

Visdief Sterna hirundo

1

Ja

Zuid-/West-Europa

600 bp

1,6%

1993-97

  • (a)

    De kwalificatie betreft in het gebied broedende vogels (indien ingevuld met "ja") of niet-broedvogels (“nee”)

  • (b)

    Omvang van de Nederlandse broedpopulatie (in paren)

  • (c)

    Aantal in het op vier na belangrijkste gebied (5e gebied) uitgedrukt als percentage van de landelijke broedpopulatie

  • (d)

    Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke broedpopulatie

  • (e)

    Biogeografische populatie waartoe de in Nederland pleisterende exemplaren van deze soort worden gerekend

  • (f)

    Drempelwaarde zijnde 1% van de betreffende biografische populatie (biografische populaties en drempelwaarden van niet- broedende vogels ontleend aan Rose & Scott 1997, Waterfowl Population Estimates – 2nd edition. Wetlands International, Wageningen; broedvogels (paren) zie notitie "Selectie en begrenzing Vogelrichtlijngebieden", bijlage 2B)

  • (g)

    Aantal in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de biogeografische populatie

4.2 Andere relevante soorten

Andere soorten van Bijlage I waarvoor het gebied van betekenis is, zijn Kluut en Zwartkopmeeuw (broedvogels) en Kleine Zilverreiger, Lepelaar, Slechtvalk, Goudplevier (niet- broedvogels). Andere trekkende vogelsoorten waarvoor het gebied van betekenis is als overwinteringsgebied en/of rustplaats: Fuut, Smient, Krakeend, Wilde Eend, Pijlstaart, Slobeend, Middelste Zaagbek, Strandplevier, Zwarte Ruiter, Groenpootruiter58, Steenloper. De platen en stranden zijn verder van belang als broedgebied voor Strandplevier en Bontbekplevier (trekvogels opgenomen in de nationale lijst van met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende soorten).

De biotopen van deze vogels hebben mede de begrenzing van dit gebied bepaald.

4.3 Plaatselijke omstandigheden

De broedkolonies van Grote Stern en Dwergstern bevinden zich op de Hooge Platen en 'Voorland van Nummer Een’ (Dwergstern), terwijl Visdief, Kluut, Bontbek- en Strandplevier behalve op de Hooge Platen ook elders in het estuarium en omgeving nestelen. De Dwergstern benut vooral het Vaarwater langs Hoofdplaat tussen Breskens en Hoofdplaat., terwijl van de Visdief hHet voedselgebied van de Visdief is onder meer gelegen in de driehoek De Bol (Hooge Platen), Breskens, Vlissingen en rond de Hooge Platen; de Pas van Terneuzen en ter hoogte van Terneuzen; de Overloop van Valkenisse en de schaar van de Noord. De Fuut wordt in het winterseizoen vooral aangetroffen nabij Saeftinge en, ten zuiden van de Hooge Platen. en tussen Breskens en Cadzand; Het leefgebied van de Middelste Zaagbek is hoofdzakelijk beperkt tot de westhelft van het estuarium. De Westerschelde is naast de Oosterschelde de belangrijkste pleisterplaats voor doortrekkende en overwinterende steltlopers in het Deltagebied. De Hooge Platen, Inlaag 1887 bij Ellewoutsdijk en de schorren vormen belangrijke hoogwatervluchtplaatsen binnen het gebied. De zwemeenden pleisteren met name in de omgeving van Saeftinge, Hellegatschor, Braakmankreek en Paulinaschor. Ganzen benutten onder meer de Hooge Platen, Zuidgors en de Platen van Valkenisse als slaapplaats59. Het gebied fungeert verder als belangrijk ruigebied voor de Bergeend (wateren rond Hooge Platen en in oostelijk deel ter hoogte van het Verdronken Land van Saeftinge en bij Ossenisse).

Bijlage Gebiedsbegrenzingen

LEGENDA:

Artikel

Noemer

Indicatief/exact

GIO-id60

1, eerste lid

Westerschelde & Saeftinghe – Habitatrichtlijngebied

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2024/N2000_WesterscheldeSaeftinghe_HR/nld@2024‑07‑01

2, eerste lid

Westerschelde & Saeftinghe – Vogelrichtlijngebied

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2024/N2000_WesterscheldeSaeftinghe_VR/nld@2024‑07‑01

3, tweede lid

Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe

Exact

/join/id/regdata/mnre1153/2024/N2000_WesterscheldeSaeftinghe_N2000/nld@2024‑07‑01

Toelichting bij vaststelling nieuwe tekst aanwijzingsbesluit Westerschelde & Saeftinghe

1. Vaststelling nieuwe tekst

Dit besluit betreft de vaststelling van een nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit voor het Habitatrichtlijngebied Westerschelde & Saeftinghe, het Vogelrichtlijngebied Westerschelde & Saeftinghe en het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe, maar nu gepubliceerd met behulp van de nieuwe digitale standaard voor officiële publicaties: de Standaard Officiële Publicaties (STOP). Het besluit wordt inhoudelijk ongewijzigd vastgesteld. Dit aanwijzingsbesluit is de bijlage bij dit besluit. De nieuwe tekst is enkel een redactionele aanpassing, en brengt geen wijziging met enig rechtsgevolg met zich ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De reden voor de vaststelling van deze nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit is, dat in het kader van de Omgevingswet wordt overgegaan op nieuwe digitale standaarden voor de vormgeving van besluiten.

2. Procedure

Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond van artikel 16.25a van de Omgevingswet niet van toepassing, omdat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het betreft geen wijzigingen die leiden tot een andere inhoudelijke reikwijdte dan het geldende aanwijzingsbesluit voor dit gebied: er is geen sprake van wijzigingen van de geldende begrenzing of van instandhoudingsdoelstellingen. De tekst betreft enkel een redactionele aanpassing. In zoverre is dus ook geen sprake van zelfstandige rechtsgevolgen ten opzichte van het geldende besluit. Belanghebbenden die menen dat er wel sprake is van relevante wijzigingen en nieuwe rechtsgevolgen, kunnen evenwel met een bezwaarschrift eventuele bedenkingen tegen het besluit naar voren te brengen en de beslissing op het bezwaarschrift in een beroepsprocedure door de bestuursrechter laten toetsen.

3. Inwerkingtreding

Omdat met dit besluit de inhoud ongewijzigd blijft, kan het meteen de dag na publicatie inwerking treden.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Namens deze,

De directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk

Plaats: ’s-Gravenhage

Datum:

  • 1

    Dit betreft een geconsolideerde versie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, inclusief wijzigingen die sindsdien op de Richtlijn van toepassing zijn. Met uitzondering van de bijlagen en verwijzingen is de tekst van de Richtlijn inhoudelijk niet gewijzigd. Terug naar link van noot.

  • 2

    Beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 december 2004 tot vaststelling, op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (2004/813/EG). PB EU 2004, L 387/1. Terug naar link van noot.

  • 3

    Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 4

    Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 5

    De begrenzingsmethodiek is verder uitgewerkt in het Gebiedendocument (2004). Terug naar link van noot.

  • 6

    Hof van Justitie EG, 7 november 2000, First Corporate Shipping, zaak C-371/98, punten 16 en 25. Terug naar link van noot.

  • 7

    De wijze van begrenzing van Vogelrichtlijngebieden is toegelicht in de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.

  • 8

    Beschikking van de Commissie 2004/813/EG van 7 december 2004 tot vaststelling op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (Pb 29‑12‑2004, L 387/1). Terug naar link van noot.

  • 9

    Basislijn zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, onderdeel a van genoemde wet. Terug naar link van noot.

  • 10

    Conform artikel 15 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Stb. 2004, 31) is dit besluit, wat betreft de kadastrale percelen die geheel of gedeeltelijk binnen het aangewezen gebied zijn gelegen, in de kadastrale registratie als beperking ingeschreven. Terug naar link van noot.

  • 11

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 12

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 13

    Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, PbEG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PbEG L 80, 21.3.2007, p. 15). Terug naar link van noot.

  • 14

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 15

    Habitattypen waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: slijkgrasvelden (H1320) en ruigten en zomen, moerasspirea (H6430A) en ruigten en zomen, droge bosranden (H6430C). Terug naar link van noot.

  • 16

    De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.

  • 17

    Prioritaire habitattypen en habitatsoorten zijn in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn en in dit besluit aangeduid met een sterretje *. Terug naar link van noot.

  • 18

    Soorten waarvoor geen gebieden zijn geselecteerd zijn: zeeprik (H1095), elft (H1102), zalm (H1106), bittervoorn (H1134) en kleine modderkruiper (H1149). Voor de platte schijfhoren (H4056) zijn geen gebieden geselecteerd omdat de soort bij de uitbreiding van de EU in 2004 is toegevoegd aan bijlage II. Terug naar link van noot.

  • 19

    De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.

  • 20

    Het Natura 2000-landschap van het gebied waarop dit besluit betrekking heeft staat vermeld in paragraaf 3.2 van deze Nota van toelichting. Terug naar link van noot.

  • 21

    Ministerie van LNV (2000): Nota van Antwoord Vogelrichtlijn, bijlage 1. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 22

    De Nota van Antwoord (2000) vermeldt 44 soorten van bijlage I waarvoor gebieden kunnen worden aangewezen. Voor één soort zijn geen gebieden aangewezen omdat er geen vaste verblijfplaatsen zijn (lachstern). Sindsdien zijn verder drie soorten aan bijlage I toegevoegd. Voor twee van deze soorten (strandplevier en dwergmeeuw) waren reeds gebieden aangewezen. Voor de dwerggans worden naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak gebieden aangewezen. Per saldo zijn en worden er dus voor 46 soorten van bijlage I gebieden aangewezen. Terug naar link van noot.

  • 23

    SOVON (2000): Belangrijke vogelgebieden in Nederland 1993-97. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek- Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 24

    Ministerie van LNV (2000): Nota van Antwoord Vogelrichtlijn, bijlage 1, selectiecriteria en methode van begrenzing. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag. Terug naar link van noot.

  • 25

    SOVON & CBS (2005): Trends van vogelaantallen in het Nederlandse Natura 2000 netwerk. SOVON- informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.

  • 26

    Eems-Dollard betreft het gedeelte van de Waddenzee dat nog niet definitief als Habitatrichtlijngebied is aangewezen. Terug naar link van noot.

  • 27

    Destijds bekend als Westerschelde. Terug naar link van noot.

  • 28

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 29

    Destijds bekend als Duinen Goeree. Terug naar link van noot.

  • 30

    Destijds bekend als Zwin. Terug naar link van noot.

  • 31

    Destijds bekend als Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol. Terug naar link van noot.

  • 32

    Destijds bekend als Duinen Goeree. Terug naar link van noot.

  • 33

    Destijds bekend als Westerschelde. Terug naar link van noot.

  • 34

    Eems-Dollard betreft het gedeelte van de Waddenzee dat nog niet definitief als Habitatrichtlijngebied is aangewezen. Terug naar link van noot.

  • 35

    In het Natura 2000 doelendocument (2006) zijn deze twee beoordelingen abusievelijk verwisseld. Terug naar link van noot.

  • 36

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 37

    Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.

  • 38

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 39

    Natura 2000 doelendocument (2006): Hoofdstuk 6 gemaakte en nog te maken keuzes, verzoeting versus verzouting, pagina 139. Terug naar link van noot.

  • 40

    Wijzigingsbesluit Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (007) (Stcrt.2012, 200400). Terug naar link van noot.

  • 41

    Natura 2000-profiel Bruinvis (2014): beoordelingsaspect populatie. Terug naar link van noot.

  • 42

    Camphuysen C.J. & M.L. Siemensma (2011). Conservation plan for the Harbour Porpoise Phocoena phocoena in The Netherlands: towards a favourable conservation status. NIOZ Report 2011-07, Royal Netherlands Institute for Sea Research, Texel. Terug naar link van noot.

  • 43

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Voordelta (Stcrt. 2008, 41). Terug naar link van noot.

  • 44

    De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. Terug naar link van noot.

  • 45

    De beoordeling van het aspect populatie is aangepast ten opzichte van de beoordeling zoals vermeld in het Natura 2000 doelendocument (2006) (aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden Waddenzee, Duinen en Lage Land Texel, Duinen Terschelling en Noordzeekustzone, Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 46

    Natura 2000 doelendocument (2006): Hoofdstuk 6 gemaakte en nog te maken keuzes, verzoeting versus verzouting, p. 138. Terug naar link van noot.

  • 47

    Natura 2000 doelendocument (2006): Tekstkader 4.5.1. Landelijke doelen broedvogels. Terug naar link van noot.

  • 48

    Natura 2000 doelendocument (2006): Hoofdstuk 6 gemaakte en nog te maken keuzes, verzoeting versus verzouting, pagina 138. Terug naar link van noot.

  • 49

    Het doelniveau in Oosterschelde zal in een toekomstige wijziging van het besluit van 16 februari 2010 (Stcrt. 2010, 2212), waarmee ook de Oosterschelde als Natura 2000-gebied is aangewezen, worden aangepast. Terug naar link van noot.

  • 50

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 51

    In de peilperiode 1999-2003 100% in aangewezen gebieden maar in 2006 6% broedpopulatie in nieuwe kolonie in Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel (002) waarvoor geen gebiedsdoel is gesteld. Terug naar link van noot.

  • 52

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 53

    Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 54

    Boer, T. den (2000): Beschermingsplan moerasvogels 2000-2004. Rapport Directie Natuurbeheer nr. 47. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Wageningen. Terug naar link van noot.

  • 55

    Voorbeeld voor een seizoen met de volgende telresultaten (juli-juni): 0, 0, 0, 100, 100, 200, 100, 100, 0, 0, 0, 0. Het seizoensmaximum bedraagt in dit geval 200, het seizoensgemiddelde 50 (som van alle maandcijfers gedeeld door 12). Terug naar link van noot.

  • 56

    Landelijk doel gewijzigd: Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Waddenzee (Stcrt. 2009, 38). Terug naar link van noot.

  • 57

    Onderstreepte soorten zijn opgenomen in Bijlage I van de Richtlijn (artikel 4.1). Terug naar link van noot.

  • 58

    Het voorkomen van de Groenpootruiter is ontleend aan Watervogels in de Zoute Delta 1991-94, 1993/94, 1995/96, 1996/97 (RIKZ-Rapporten 95.025, 96.009, 97.001, 98.001, Rijkswaterstaat, Middelburg). Terug naar link van noot.

  • 59

    De slaapplaatsfunctie van het gebied voor ganzen wordt onderschat omdat de tellingen overdag zijn verricht (vgl. Vogelconcentraties en vogelbewegingen in Zeeland (1990), Rijkswaterstaat, Middelburg). Terug naar link van noot.

  • 60

    Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_waterkwaliteit/nld@2019‑11‑01). Terug naar link van noot.

Naar boven