Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2024, 39718 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2024, 39718 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);
Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);
Gelet op artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet;
Besluit:
De nieuwe tekst van het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 februari 2008, nr. PDN 2008-101, houdende de aanwijzing van het Habitatrichtlijngebied Duinen Goeree en Kwade Hoek, het Vogelrichtlijngebied Duinen Goeree en Kwade Hoek en het Natura 2000-gebied Duinen Goeree en Kwade Hoek (Stcrt. 2008, 41), wordt vastgesteld zoals weergegeven in de bijlage “Aanwijzingsbesluit Duinen Goeree en Kwade Hoek” bij dit besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
De Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Namens deze,
De directeur Natuur, drs. G. van Hooijdonk
Plaats: ’s-Gravenhage
Datum:
Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, t.a.v. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, t.a.v. de afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE, Zwolle.
Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en
de gronden van bezwaar.
Meer informatie over Natura 2000 en gerelateerde onderwerpen vindt u op de website https://www.rijksoverheid.nl/natura2000. Voor vragen over Natura 2000 kunt u op werkdagen van 8.30 uur tot 16.30 uur contact opnemen met het klantcontactcentrum van RVO, telefoon 088 - 042 42 42 (lokaal tarief).
Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzingen bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek.
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire habitattypen aangeduid met een sterretje (*)):
H1110 | Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken |
H1140 | Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten |
H1310 | Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende planten |
H1330 | Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) |
H2110 | Embryonale wandelende duinen |
H2120 | Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”) |
H2130 | *Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”) |
H2160 | Duinen met Hippophaë rhamnoides |
H2170 | Duinen met Salix repens ssp. argentea (Salicion arenariae) |
H2180 | Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied |
H2190 | Vochtige duinvalleien |
H6430 | Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones |
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG (prioritaire soorten aangeduid met een sterretje (*)):
Als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU L 20)1 wordt aangewezen, overeenkomstig de in de bijlage Gebiedsbegrenzing bij dit besluit aangegeven geometrische begrenzing, het gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek.
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2009/147/EG:
De speciale beschermingszone wordt aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG:
A005 | Fuut (Podiceps cristatus) |
A017 | Aalschover (Phalacrocorax carbo) |
A043 | Grauwe gans (Anser anser) |
A048 | Bergeend (Tadorna tadorna) |
A052 | Wintertaling (Anas crecca) |
A054 | Pijlstaart (Anas acuta) |
A056 | Slobeend (Anas clypeata) |
A130 | Scholekster (Haematopus ostralegus) |
A137 | Bontbekplevier (Charadrius hiaticula) |
A141 | Zilverbekplevier (Pluvialis squatarolai) |
A144 | Drieteenstrandloper (Calidris alba) |
A149 | Bonte strandloper (Calidris alpina) |
A160 | Wulp (Numenius arquata) |
A162 | Tureluur (Tringa totanus) |
Deze aanwijzing gaat vergezeld van een nota van toelichting met bijlagen die integraal deel uitmaakt van deze aanwijzing.
De in de artikelen 1 en 2 genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek.
Bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting wordt afgeweken. Hiervoor gelden de peildata, genoemd in paragraaf 3.3 van de nota van toelichting.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:
bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden of direct of indirect steun vindt in of op de grond;
gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
erven: onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terreinen;
tuinen: in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terreinen, beplant met siergewassen en gazons, of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving en veelal, omheind zijn door middel van een afrastering, schutting, muur of haag of geheel of gedeeltelijk zijn omgeven door een sloot;
verhardingen: kunstmatige verhardingen zoals verharde wegen, pleinen, parkeervoorzieningen, erfverhardingen en steenglooiingen met inbegrip van in wegen liggende bruggen en duikers en de tot wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
hoofdspoorweg: op grond van artikel 2 van de spoorwegwet als hoofdspoorweg aangewezen spoorweg. Voor de begrenzing langs hoofdspoorwegen geldt artikel 3.5 van het omgevingsbesluit (beperkingengebied hoofdspoorweginfrastructuur).
De instandhoudingsdoelstellingen van de natuurlijke habitattypen, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.3 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.4 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor de broedvogels van de soorten, bedoeld artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.5 van de nota van toelichting.
De instandhoudingsdoelstellingen voor niet-broedvogels van de soorten, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden vastgesteld in paragraaf 5.6 van de nota van toelichting.
Het gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna Habitatrichtlijn) en als speciale beschermingszone in het kader van de Richtlijn 2009/147/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (hierna de Vogelrichtlijn). Tezamen vormen deze speciale beschermingszones het Natura 2000-gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek. Het besluit bevat de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.
Artikel 1 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Habitatrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de habitattypen en habitatrichtlijnsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.
Artikel 2 van het besluit regelt de aanwijzing van het gebied onder de Vogelrichtlijn en refereert voor de begrenzing van dit gebied naar de bijlage Gebiedsbegrenzingen. Daarnaast worden de vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied van belang is en waarvoor het wordt geacht te zijn aangewezen.
Artikel 3 van het besluit introduceert de nota van toelichting en benadrukt dat het besluit niet te lezen is zonder de nota van toelichting. Daarnaast wordt in dit deel van het besluit het Natura 2000-gebied Duinen Goeree en Kwade Hoek gevormd uit het Habitatrichtlijngebied en het Vogelrichtlijngebied.
Artikel 4 van het besluit regelt de uitgezonderde delen van de in artikel 1 en artikel 2 aangewezen gebieden.
Artikel 5 en artikel 6 van het besluit bepalen dat er voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen verwezenlijkt dienen te worden. De doelstelling van artikel 5 heeft betrekking op de in artikel 1 opgesomde soorten en habitattypes. De soorten en habitattypes waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanmelding van de habitatrichtlijngebieden in 2003. De doelstelling van artikel 6 heeft betrekking op de in artikel 2 opgesomde vogelsoorten. De vogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld, zijn geselecteerd aan de hand van de criteria die destijds zijn gebruikt bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden in 2000.
In hoofdstuk 2 van deze nota van toelichting worden de aanwijzingen onder Habitat- en Vogelrichtlijn kort toegelicht.
Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een gebiedsbeschrijving gegeven en wordt er ingegaan op eventuele grenswijzigingen die zijn doorgevoerd nadat het gebied bij de Europese Commissie is aangemeld of die zijn doorgevoerd nadat het gebied als Vogelrichtlijngebied is aangewezen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 de bij dit besluit behorende begrenzing toegelicht.
In hoofdstuk 4 wordt een opsomming gegeven van habitattypen en soorten waaraan het gebied zijn betekenis ontleent.
In hoofdstuk 5 worden de algemene instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en worden de specifieke instandhoudingsdoelstellingen genoemd in artikel 5 en 6, nader toegelicht. Er wordt aangegeven in welke richting de instandhoudingsdoelstelling zich zal moeten ontwikkelen. Daarvoor worden de termen “behoud”, “uitbreiding” of “verbetering” gebruikt. Voor een habitattype wordt de verdeling gemaakt in oppervlakte en kwaliteit, zodat de aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een habitattype altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van oppervlakte en van “behoud” of “verbetering” van kwaliteit wordt gegeven. Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit leefgebied. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van omvang leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van kwaliteit van leefgebied ten behoeve van “behoud” of “uitbreiding” van de populatie.
Bij de nota van toelichting is een bijlage A gevoegd met illustraties van grenswijzigingen; die illustraties laten zien welke terreindelen na de eerste aanwijzing zijn vervallen of zijn toegevoegd als onderdeel van de speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Anders dan de andere bijlagen bij de toelichting maakt bijlage A geen integraal onderdeel uit van dit besluit, aangezien er sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet enkel nog rechten worden verleend aan de geometrische begrenzing.
Bijlage B omvat een nadere onderbouwing van de wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de selectie als Habitatrichtlijngebied en van de toewijzing van en wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen.
Artikel 1 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn (verder aangeduid als “Habitatrichtlijngebied”). Het gebied is in mei 2003 aangemeld volgens de procedure zoals opgenomen in artikel 4 van deze richtlijn waarna het gebied in december 2004 door de Europese Commissie onder de naam “Duinen Goeree” en onder nummer NL9801079 is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. Het gebied is aangewezen voor één prioritair habitattype en één prioritaire soort in de zin van artikel 1 van de Habitatrichtlijn.
Artikel 2 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van het gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (verder aangeduid als “Vogelrichtlijngebied”). Het gebied is op 18 november 1994 (NBLF 949511) aangewezen. Bij de Europese Commissie is dit gebied bekend onder nummer NL2000006. Het besluit NBLF 949511 is door middel van dit besluit gewijzigd.
Naast mogelijke grenswijzigingen kan er ook een wijziging plaatsvinden bij de vogelsoorten, waarvoor dit gebied destijds is aangewezen. Deze eventuele wijzigingen worden toegelicht in bijlage B. In dit besluit worden alle vogelsoorten opgesomd waarvoor het gebied wordt geacht te zijn aangewezen.
Artikel 3 van dit besluit voorziet in de samenvoeging van de speciale beschermingszones tot één Natura 2000-gebied: Duinen Goeree en Kwade Hoek (landelijk gebiedsnummer 101).
Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Natura 2000 bestrijkt ook de onder Vogelrichtlijn aangewezen gebieden. De instandhoudingsdoelstellingen (artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5) en de begrenzing zijn in algemene zin nader toegelicht in het Natura 2000 doelendocument (2006)2. Dit document geeft het beleidskader van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen weer en van de daarbij gehanteerde systematiek. Beschrijvingen van habitattypen en soorten waarvoor doelen zijn vastgesteld, zijn opgenomen in het Natura 2000 profielendocument (2008)3.
Het Natura 2000-gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek ligt in de provincie Zuid-Holland en behoort tot het grondgebied van de gemeente Goedereede.
Het gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek omvat een aantal duingebieden aan de noordwestkant van Goeree, plus de aan de zeezijde gelegen Kwade Hoek. Het vormt de overgang van kwelder naar strandvlakte.
De Kwade Hoek dankt zijn naam aan het feit dat, vooral bij storm, schepen vast kwamen te zitten op de daar aanwezige zandbanken.
Door de aanleg van een stuifdijk in de jaren ‘60 en de Haringvlietdam in de jaren ‘70 werden zeestromen en geulen als het ware zeewaarts afgebogen, waardoor er in die tijd een concentratie van zandbanken voor de kust ontstond. De zandbanken, waaronder een grote haak in het noordoosten, vallen bij eb grotendeels droog en groeien nog steeds aan. Geologische processen die bij de opbouw van de Nederlandse kust een rol hebben gespeeld zijn in het gebied nog dagelijks waarneembaar.
Het gebied bestaat aan de zeezijde uit strand. Bij de Kwade Hoek zijn hier op grote schaal jonge duintjes tot ontwikkeling gekomen. De vlakke gedeelten zijn sterk begroeid geraakt, deels met vegetaties van groene stranden, deels met schorvegetaties. Meer landinwaarts liggen schorren die doorsneden worden door kronkelige kreken. Achter de duintjes hebben zich vochtige primaire duinvalleien ontwikkeld. Het is dus een afwisselend en dynamisch landschap met primaire duinvorming, slikken, schorren, valleien en duinstruweel.
De duinen van Goeree zijn ontstaan in de vroege Middeleeuwen. Uit die tijd stammen de West-, Middel- en Oostduinen. Door herhaaldelijke verstuiving zijn deze duingebieden afgevlakt. De duingebieden langs de kust zijn jonger. Het kalkrijke duingebied van de kop van Goeree bestaat uit vier deelgebieden die onder andere de botanisch meest soortenrijke vroongronden in ons land, een vorm van het habitattype grijze duinen, herbergen. De Westduinen en de Middelduinen hebben een reliëfarm, golvend duinlandschap met kleine laagtes en duintjes, waarin een kleinschalig mozaïek van duingrasland en duinvalleien aanwezig is, deels met bos beplant. De Oostduinen is een vergraven kopjesduingebied met infiltratiegeulen, duinvalleien, droog duingrasland en duinstruweel. De duinen aan de westkant van Goeree (Westhoofd en Springertduinen) bestaan uit kalkarme duinen, veel duinstruweel en een duinvallei (Westhoofdvallei).
Duinen Goeree & Kwade Hoek behoort tot het Natura 2000-landschap ‘Duinen’.
De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Duinen Goeree & Kwade Hoek is bepaald aan de hand van de ligging van de natuurlijke habitats en de leefgebieden van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen (zie paragaaf 4.4). Daarnaast omvat het begrensde gebied ook natuurwaarden die integraal onderdeel uitmaken van de ecosystemen waartoe de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten behoren alsmede nieuwe natuur indien dit noodzakelijk wordt geacht om bedreigde en schaarse habitattypen en leefgebieden van soorten te herstellen.
Bij de keuze en de afbakening van de gebieden is geen rekening gehouden met andere vereisten dan die verband houdend met de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna4.
De geometrische begrenzing van het Natura 2000-gebied Duinen Goeree en Kwade Hoek is weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage Gebiedsbegrenzingen. Voor zover van toepassing is daarbij onderscheid gemaakt tussen de begrenzingen van Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied. Op hoofdlijnen bestaat het Natura 2000-gebied uit het Vogelrichtlijngebied Kwade Hoek en het Habitatrichtlijngebied Duinen Goeree & Kwade Hoek.
Het Habitatrichtlijngebied Duinen Goeree & Kwade Hoek bestaat uit de deelgebieden Oost- en Middelduinen, de vroongronden van de Westduinen en aan de zuidwestzijde Westhoofd en Springertduinen. De westgrens van het aan zee gelegen duinencomplex Westhoofd en Springertduinen loopt langs de duinvoet van het buitenduin. Bij duinaangroei verplaatst de grens zich zeewaarts, bij duinafslag landinwaarts met de duinvoet mee (zie hieronder). Voor het Vogelrichtlijngebied Kwade Hoek wordt als grens aan de zeezijde de gemiddelde laag-laagwaterlijn aangehouden
Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van 1624 ha. Het Vogelrichtlijngebied ligt in zijn geheel binnen het Natura 2000-gebied en beslaat een oppervlakte van 826 ha. Deze cijfers betreffen bruto-oppervlakten, omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met niet op de in de geometrische begrenzing, tekstueel uitgesloten delen (zie artikel 4 en hierna).
Voor de begrenzing van Natura 2000-gebieden geldt de volgende exclaveringsformule: Bestaande bebouwing, tuinen, erven, verharding en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken. Voor de gebruikte begrippen gelden de definities (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied) zoals die omschreven zijn in artikel 4. Daar waar de geometrische begrenzing en de exclaveringsformule niet overeenstemmen, is de exclaveringsformule doorslaggevend.
Voor de toepassing van de exclaveringsformule van artikel 4 gelden er peildata:
18 november maart 1994 voor de gebiedsdelen die zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied.
7 december 2004 voor de gebiedsdelen die geplaatst zijn op de eerste lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio5;
19 februari 2008 voor de gebiedsdelen die met het Natura-2000 aanwijzingsbesluit zijn toegevoegd aan het eerder aangewezen Vogelrichtlijngebied en aangemelde Habitatrichtlijngebied.
Met betrekking tot het grensverloop langs verharde wegen, watergangen, waterkerende dijken en de duinvoet geldt het volgende (voor zover van toepassing in het onderhavige gebied), tenzij daarvan in deze paragraaf is afgeweken:
Waar de buitengrens van een gebied wordt gevormd door een verharde weg wordt de grens gelegd op de voet van het talud of langs de wegberm aan de zijde van het gebied.
Waar de buitengrens van een gebied wordt gevormd door een watergang die in de geometrische begrenzing slechts door een enkelvoudige lijn wordt aangegeven, wordt de grens gelegd op de watergrens die, gezien vanuit het gebied, aan de overzijde is gelegen omdat dergelijke wateren een ecologisch/ waterhuishoudkundige eenheid vormen met de aanwezige natte habitats/leefgebieden.
De zeewaartse grens van duingebieden loopt langs de duinvoet van het buitenduin. Bij duinaangroei, zowel van natuurlijke als kunstmatige aard, verplaatst de grens zich zeewaarts, bij duinafslag landinwaarts met de duinvoet mee.
Waar de buitengrens van het watergebied samenvalt met een waterkerende dijk ligt de grens op de buitenteen van de dijk. Waar de buitengrens van een landgebied samenvalt met een waterkerende dijk ligt de grens op de teen van de dijk aan de gebiedszijde.
De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied Duinen Goeree & Kwade Hoek (zoals aangemeld) is op de kaart op enkele technische punten aangepast (2008):
Bebouwing, die reeds tekstueel was geëxclaveerd, is zoveel mogelijk ook op de kaart buiten de begrenzing gebracht. Voor verharde wegen geldt dit uitsluitend voor wegen die langs de grens van het gebied lopen.
De begrenzing is waar mogelijk gelegd langs topografisch herkenbare lijnen, zoals wegen, wateren, perceelscheidingen en bosranden.
De zeewaartse grens van het Habitatrichtlijngebied bij Kwade Hoek is gelijkgetrokken met die van het Vogelrichtlijngebied Kwade Hoek. Verder verschil in begrenzing met dit Vogelrichtlijngebied (duinen) betreft een logisch verschil dat blijft gehandhaafd.
Ter hoogte van Kwade Hoek tussen Stellendam en het Flaauwe Werk is de grens tussen het Natura 2000-gebied Voordelta en dit gebied verlegd (zie ook voorlaatste alinea van deze paragraaf). Tussen hoofdpaal 8 en hoofdpaal 10 ter hoogte van de Middelduinen volgt de grens de laagwaterlijn zoals aangegeven op de Topografische Kaart (TOP10-versie 2005). Tussen hoofdpaal 8 en Stellendam ligt de grens op de buitengrens van kadastrale percelen Goedereede C553, C554 en C558, die in erfpacht zijn uitgegeven aan de Vereniging Natuurmonumenten.
De zeewaartse begrenzing van het gebied ten westen van het Flaauwe Werk is gelegd op de duinvoet van het buitenduin.
Overige wijzigingen groter dan 1 ha worden toegelicht in de volgende alinea’s.
De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied (zoals aangemeld) is op een aantal plaatsen aangepast (2008). Dit betreft de volgende wijzigingen:
Het Zuiderdiep en omgeving (137 ha) ten westen van Stellendam (N57) zijn overgeheveld naar het Habitatrichtlijngebied Haringvliet omdat het in landschappelijk opzicht beter daarbij aansluit. Bovendien zal het Zuiderdiep een belangrijke functie gaan vervullen in de ontwikkeling van brakke natuur in de Zuiderdieppolders (ten noordoosten van Stellendam), die onderdeel worden van het Habitatrichtlijngebied Haringvliet.
Ten noordwesten van Havenhoofd (circa 5,5 ha) en ten westen van de Springertpolder (circa 1,1 ha) is het gebied uitgebreid met terrein, onderdeel van het duingebied.
Ten opzichte van het ontwerpbesluit is de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied verder nog op de volgende punten aangepast (2008):
Tussen Stellendam en het Flaauwe Werk (Goeree) is de grens tussen Voordelta en het Habitatrichtlijngebied Duinen Goeree zeewaarts verlegd. Dit betreft kwelders, stranden en duinen die in ecologisch en beheerstechnisch opzicht een geheel vormen met het Natura 2000-gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek (uitbreiding 406 ha). De Voordelta wordt beheerd door de Staat (Rijkswaterstaat) en de Kwade Hoek door de Vereniging Natuurmonumenten. De keuze uit het ontwerpbesluit om de grens te verleggen naar de gemiddeld laag-laagwaterlijn is daarmee verlaten omdat dit door natuurlijke dynamiek geen vaste grens is;
In de binnenduinrand ter hoogte van de Westhoofdvallei is het gebied uitgebreid met duingebied dat abusievelijk was komen te vervallen als onderdeel van een complex vakantiehuizen dat in de geometrische begrenzing is geëxclaveerd (2,7 ha);
Aan de oostzijde van Ouddorp is een kinderspeelplaats aan de rand van het gebied buiten de begrenzing van het gebied gebracht (0,9 ha);
Aan de oostzijde van de Westduinen is een vlak perceel agrarisch grasland, dat van de Westduinen is gescheiden door een bosstrook, buiten de begrenzing gebracht omdat het terrein geen betekenis heeft voor de instandhouding van het gebied. De grens is gelegd tussen de Westduinen en de bomenrij (1,6 ha).
De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is op twee plaatsen aangepast (2008) teneinde de grens aan de landzijde te leggen op de overgang van kwelder naar duingebied (de watervogels waarvoor het gebied is aangewezen maken niet of nauwelijks gebruik van het duingebied). Dit levert een uitbreiding op van circa 3 ha ten oosten van Havenhoofd en een verkleining van circa 15 ha tussen de Oostduinen en Ouddorp (zie bijlage A).
De grens tussen het Vogelrichtlijngebied Kwade Hoek (zoals aangewezen en opgenomen in het ontwerpbesluit) en Vogelrichtlijngebied Voordelta tussen Stellendam en het Flaauwe Werk (Goeree) is verlegd (2008) (zie boven, bijlage A): gebiedsdelen zijn van het ene naar het andere gebied overgeheveld. Dit betreft zeegebied dat ecologisch en beheerstechnisch beter aansluit bij Natura 2000-gebied Voordelta dan bij Kwade Hoek (verkleining 59 ha). De keuze uit het ontwerpbesluit om de grens te verleggen naar de gemiddeld laag-laagwaterlijn is daarmee verlaten omdat dit door natuurlijke dynamiek geen vaste grens is.
In artikel 1 en artikel 2 is een opsomming gegeven van de waarden waaraan het gebied zijn betekenis als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied ontleent. Wat betreft de aanwijzing als Habitatrichtlijngebied wordt in paragrafen 4.2.1 en 4.2.2 een lijst gegeven van de habitattypen (met vermelding van de aanwezige subtypen) en Habitatrichtlijn-soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Paragraaf 4.2.3 vermeldt de vogelsoorten waarvoor het gebied onder de Vogelrichtlijn is aangewezen. Op alle vermelde habitattypen en soorten is een instandhoudingsdoelstelling van toepassing (zie artikel 5, artikel 6 en hoofdstuk 5).
Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 vermeld welke selectiecriteria op het Habitatrichtlijngebied van toepassing zijn met een opgave van de relatieve betekenis van het gebied. Ten tweede is onderbouwd waarom het gebied als Habitatrichtlijngebied is geselecteerd. Van elk habitattype of van elke soort waarvoor het gebied aan de selectiecriteria voldoet, is in tekst en tabelvorm in bijlage B.3 aangegeven waarom dit het geval is. In de bijlage zijn ook cijfers van andere gebieden opgenomen waaruit het relatief belang van het gebied wordt afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden die aan de selectiecriteria voldoen. Tenslotte beschrijft paragraaf 4.4 de verspreiding van habitattypen en soorten binnen het gebied, ter onderbouwing van de gevolgde gebiedsbegrenzing.
Het gebied is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitats opgenomen in bijlage I van de Habitattrichtlijn. Ten behoeve van de nationale uitwerking van de Habitatrichtlijn is een deel van de habitattypen verdeeld in subtypen, vanwege de zeer ruime variatie in fysieke omstandigheden en soortensamenstelling. De namen van de habitattypen en daarvan afgeleide subtypen zullen verder met hun verkorte namen worden aangeduid. Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/ of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.
H1110 | Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken Verkorte naam Permanent overstroomde zandbanken |
betreft het subtype: | |
H1110B | Permanent overstroomde zandbanken (Noordzee-kustzone) |
H1140 | Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten Verkorte naam Slik- en zandplaten |
betreft het subtype: | |
H1140A | Slik- en zandplaten (getijdengebied) |
H1140B | Slik- en zandplaten (Noordzee-kustzone) |
H1310 | Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende planten Verkorte naam Zilte pionierbegroeiingen |
betreft de subtypen: | |
H1310A | Zilte pionierbegroeiingen (Zeekraal) |
H1310B | Zilte pionierbegroeiingen (Zeevetmuur) |
H1330 | Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) Verkorte naam Schorren en zilte graslanden |
betreft het subtype: | |
H1330A | Schorren en zilte graslanden (buitendijks) |
H2110 | Embryonale wandelende duinen Verkorte naam Embryonale duinen |
H2120 | Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“Witte duinen”) Verkorte naam Witte duinen |
H2130 | *Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“Grijze duinen”) Verkorte naam Grijze duinen |
betreft de subtypen: | |
H2130A | *Grijze duinen (kalkrijk) |
H2130B | *Grijze duinen (kalkarm) |
H2130C | *Grijze duinen (heischraal) |
H2180 | Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied Verkorte naam Duinbossen |
betreft het subtype: | |
H2180C | Duinbossen (binnenduinrand) |
Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn, waarvoor het gebied een wezenlijke functie in de levenscyclus vervult.
Hiermee wordt een significante bijdrage geleverd aan de instandhouding op landelijk niveau.
Wijzigingen ten opzichte van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en/of het ontwerpbesluit (2007) zijn verklaard in bijlage B.1 van deze nota van toelichting.
Het gebied is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn:
A034 | Lepelaar (Platalea leucorodia) |
A045 | Brandgans (Branta leucopsis) |
A132 | Kluut (Recurvirostra avosetta) |
A138 | Strandplevier (Charadrius alexandrinus) |
A157 | Rosse grutto (Limosa lapponica) |
Andere trekkende vogelsoorten waarvoor het gebied van betekenis is als voedselgebied, overwinteringsgebied en/of rustplaats (artikel 4.2):
A005 | Fuut (Podiceps cristatus) |
A017 | Aalscholver (Phalacrocorax carbo) |
A043 | Grauwe gans (Anser anser) |
A048 | Bergeend (Tadorna tadorna) |
A052 | Wintertaling (Anas crecca) |
A054 | Pijlstaart (Anas acuta) |
A056 | Slobeend (Anas clypeata) |
A130 | Scholekster (Haematopus ostralegus) |
A137 | Bontbekplevier (Charadrius hiaticula) |
A141 | Zilverplevier (Pluvialis squatarola) |
A144 | Drieteenstrandloper (Calidris alba) |
A149 | Bonte strandloper (Calidris alpina ssp. alpina) |
A160 | Wulp (Numenius arquata) |
A162 | Tureluur (Tringa totanus) |
Wijzigingen ten opzichte van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (Kwade Hoek, 1994) zijn verklaard in bijlage B.2 van deze nota van toelichting.
Voor niet-prioritaire habitattypen zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel de “vijf belangrijkste gebieden” geselecteerd. Voor habitattypen welke verdeeld zijn in subtypen, geldt een aantal van “drie belangrijkste gebieden” per subtype. Voor prioritaire habitattypen geldt een aantal van “tien belangrijkste gebieden” en voor subtypen van prioritaire habitattypen een aantal van “vijf belangrijkste gebieden” per subtype. Verdeling in subtypen ten behoeve van de selectie is alleen toegepast indien de subtypen een verschillende verspreiding hebben en de beschikbare gegevens verdeling in subtypen toelaten. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de aanwezige oppervlakte en zo nodig ook de representativiteit van het habitattype. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding8 (zie ook bijlage B, paragraaf 3).
Habitattype | Xa | Yb | Landelijke oppervlaktec | Oppervlakte Duinen Goeree d | Oppervlakte in Yde gebied e | Bron Duinen Goeree |
H1140A | 3 | 3 | 109.000 | 0,3 % | 0,3 % | Topografische Kaart 2005 |
H2110 | 5 | 5 | 360 | 7 % | 7 % | zie bijlage B3 |
H2130C | 5 | 5 | 50-100 | > 10 % | 5-10 % | NM & ZHL 2007 f |
H2190D | 3 | 3 | 250 | R (5%) | 17 % | NM & ZHL 2007 f |
Aantal gebieden dat maximaal voor dit habitattype kan worden geselecteerd volgens het criterium: “behorend tot één van de X belangrijkste gebieden” voor het betreffende habitattype.
Aantal gebieden dat op grond van dit selectiecriterium voor het habitattype is geselecteerd (Y < X indien er minder dan X gebieden zijn waarin het habitattype is vastgesteld of voorkomt in differentiërende omvang).
Geschatte landelijke oppervlakte van het (subtype van het) habitattype in hectaren.
Oppervlakte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte. De letter “R” in deze kolom geeft aan dat het gebied is geselecteerd teneinde voldoende regionale spreiding te verkrijgen binnen het landelijke verspreidingsgebied van het habitattype of subtype.
Oppervlakte van het habitattype in het Yde belangrijkste gebied (niet ingevuld indien niet van belang voor de bepaling van de relatieve betekenis van het gebied, c.q. representativiteit doorslaggevend).
Vegetatiestructuur- en habitattypenkaart Goeree (Natuurmonumenten 2007) en volgens opgave van het Zuidhollands Landschap (deelgebied Westduinen).
Voor prioritaire en de niet-prioritaire soorten zijn in de eerste stap van het selectieproces in beginsel respectievelijk de tien en de vijf belangrijkste gebieden geselecteerd. De betekenis van het gebied is afgemeten aan de omvang van de aanwezige populatie. In een tweede stap zijn eventueel nog extra gebieden toegevoegd met het oog op landelijke dekking, geografische spreiding en grensoverschrijding. Het gebied is aangewezen voor twee soorten die in het gebied voorkomen, maar het betreffen geen selectiesoorten (zie paragraaf 4.2.2.).
De begrenzing van het Habitatrichtlijngebied is bepaald aan de hand van de ligging van habitattypen en leefgebieden van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De verspreiding van de betreffende habitattypen en soorten binnen het gebied wordt in deze paragraaf globaal beschreven ter onderbouwing van de gevolgde begrenzing. Het is niet bedoeld als een uitputtende beschrijving.
Grote delen van het gebied worden afgedekt door habitattypen van slikken, kwelders en duinen waarvoor het gebied is aangewezen. Deelgebied Kwade Hoek, gelegen in het noordoosten van het gebied in de Haringvlietmonding, is een uitgestrekt gebied van met name kwelders en slikken met de habitattypen Schorren en zilte graslanden (H1330), Zilte pionierbegroeiingen (H1310) en Slik- en zandplaten (H1140). Op het strand aan de noordzijde van de Kwade Hoek komt het habitattype Embryonale duinen (H2110) voor. Aan de zuidzijde zijn Vochtige duinvalleien (H2190) aanwezig. Kwelders en duinvalleien van de Kwade Hoek vormen ook het leefgebied van de Noordse woelmuis (H1340). Het habitattype Witte duinen (H2120) is aanwezig in de buitenste duinenrij van de Kwade Hoek en van het westelijk deel van het gebied (vanaf de Brouwersdam) tot en met de Oostduinen (met een onderbreking langs het Flaauwe Werk). Het westelijk deel van de buitenduinen van het gebied bestaat verder voornamelijk uit Duindoornstruwelen (H2160) met verspreide Grijze duinen (H2130) en Vochtige duinvalleien (H2190). Duindoornstruwelen overheersen ook tussen het Flaauwe Werk en de Oostduinen. Middelduinen en Oostduinen bestaan verder uit een mozaiek van Grijze duinen en Vochtige duinvalleien met in de Oostduinen ook veel Duindoornstruwelen. Verder oostelijk bestaan de duinen aan de zuidzijde van de Kwade Hoek vooral uit Vochtige duinvalleien en Duindoornstruwelen. De vroongronden van de Westduinen (ten westen van Ouddorp) bestaan grotendeels uit Grijze duinen (met name het subtype heischraal, H2130C) met verspreid Vochtige duinvalleien. De Nauwe korfslak (H1014) is verspreid in het gebied aangetroffen in de Westhoofdvallei, Middelduinen en Oostduinen. De Noordse woelmuis komt voor op de Kwade Hoek en verder verspreid in het duingebied (vooral in duinvalleien).
Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel van maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Ingevolge artikel 4, vierde lid, Habitatrichtlijn worden bij aanwijzing als Habitatrichtlijngebied “tevens de prioriteiten vast[gesteld] gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat […] of van een soort […] alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging”.
Deze bepaling is in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) nader uitgewerkt. Op grond van dit artikel bestaat de verplichting om in een aanwijzing doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van leefgebieden van vogelsoorten dan wel doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties van de in het wild levende dier- en plantensoorten op te nemen. Om die reden zijn voor elk Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen ontwikkeld, waarbij per habitattype en per (vogel)soort is uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die een gebied redelijkerwijs kan leveren voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Voor de Natura 2000-gebieden zullen in beheerplannen instandhoudingsmaatregelen worden uitgewerkt die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de betrokken natuurlijke habitats en soorten. Daarbij dient ook acht te worden geslagen op de “kernopgaven” die voorafgaand aan de uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd.
Voor de acht onderscheiden Natura 2000-landschappen9 zijn op grond van de daar voorkomende habitattypen en soorten, hun landelijke betekenis van deze waarden binnen het betreffende landschap, de belangrijkste verbeteropgaven en de beïnvloedingsmogelijkheden kernopgaven geformuleerd. Per landschap omvatten ze de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. De kernopgaven stellen prioriteiten (‘richting geven’) en geven overeenkomsten en verschillen tussen en binnen de gebieden aan. Zij hebben in het bijzonder betrekking op habitattypen en soorten die sterk onder druk staan en/of waarvoor Nederland van groot of zeer groot belang is. De kernopgaven worden per Natura 2000-landschap behandeld en opgesomd in hoofdstuk 5 van het Natura 2000 doelendocument (2006)10.
Behoud en indien van toepassing herstel van:
de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie.
de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de ecologische structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
H1110 | Permanent overstroomde zandbanken |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit Permanent overstroomde zandbanken, Noordzee-kustzone (subtype B). |
Toelichting | Het habitattype Permanent overstroomde zandbanken, Noordzee-kustzone (subtype B) komt voor in de overgangszone van de Kwade Hoek naar het Natura 2000-gebied Voordelta. Omdat de afgrenzing tussen beide gebieden geen ecologische betekenis heeft, moet behoud van het habitattype in samenhang worden gezien met het behoud in de Voordelta. Daarbij is het de verwachting dat de kust binnen het gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek, als gevolg van natuurlijke ontwikkelingen, verder zal verzanden. Dat betekent dat ook het subtype getijdengebied (subtype A) kan ontstaan en/of een verschuiving naar Slik- en zandplaten (H1140) zal plaatsvinden, wat niet bezwaarlijk is. |
H1140 | Slik- en zandplaten |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit Slik- en zandplaten, getijdengebied (subtype A) en Slik- en zandplaten, Noordzee-kustzone (subtype B). |
Toelichting | Het habitattype komt voor op de Kwade Hoek (in aansluiting op het gebied Voordelta), vooral in de vorm van subtype Noordzee-kustzone (subtype B), maar - in de overgangszone naar de schorren - ook in de vorm van subtype getijdengebied (subtype A). Er zijn geen aanwijzingen voor negatieve kwaliteitsbeïnvloeding door menselijke activiteiten. Het doel voor kwaliteit is daarom, in tegenstelling tot de landelijke verbeteropgave, op behoud gezet. |
H1310 | Zilte pionierbegroeiingen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit. |
Toelichting | De Zilte pionierbegroeiingen van de Kwade Hoek vormen binnen de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden de beste voorbeelden, zowel wat betreft de Zilte pionierbegroeiingen, Zeekraal (subtype A) als de Zilte pionierbegroeiingen, Zeevetmuur (subtype B). |
H1330 | Schorren en zilte graslanden |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit Schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A). |
Toelichting | Het habitattype Schorren en zilte graslanden verkeert landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding. De Schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A) van de Kwade Hoek behoren binnen de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden tot de weinige voorbeelden van het type op zandige bodem. |
H2110 | Embryonale duinen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit. |
Toelichting | Het habitattype Embryonale duinen is landelijk niet bedreigd. Bij de Kwade Hoek ligt één van de weinige aangroeiende duingebieden in Zuidwest-Nederland waarvan dit habitattype een onderdeel vormt. Het habitattype is onder meer van belang als broedbiotoop van Strandplevieren (A138). |
H2120 | Witte duinen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit. |
Toelichting | Het habitattype Witte duinen is landelijk niet bedreigd. Bij de Kwade Hoek ligt één van de weinige aangroeiende duingebieden in Zuidwest-Nederland met een dynamische zeereep. De aanwezigheid van dit habitattype is ook van groot belang voor het instuiven van kalkrijk zand in aangrenzende overige habitattypen. |
H2130 | *Grijze duinen |
Doel | Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Grijze duinen, kalkrijk (subtype A), behoud oppervlakte en kwaliteit Grijze duinen, kalkarm (subtype B) en behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit Grijze duinen, heischraal (subtype C). |
Toelichting | Alle subtypen van het habitattype Grijze duinen verkeren landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding. Voor de jonge duinen is verbetering van de kwaliteit en uitbreiding van de oppervlakte van habitattype Grijze duinen, kalkrijk (subtype A) een opgave vanuit de vergraste begroeiingen of struweel. Het gebied levert voorts een zeer grote bijdrage aan het landelijke doel voor Grijze duinen, kalkarm (subtype B) en Grijze duinen, heischraal (subtype C). Subtype C komt vooral voor op de vroongronden (in het bijzonder van de Westduinen en Middelduinen), met als bijzonderheid de Herfstschroeforchis in de Westduinen. De laatste jaren heeft echter wel een afname van de kwaliteit van Grijze duinen, heischraal (subtype C) plaatsgevonden. Recent is in de Middelduinen veel geïnvesteerd in herstel van de hydrologie van deze vroongronden met adequate beheersmaatregelen (begrazing). |
H2160 | Duindoornstruwelen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit. Enige achteruitgang oppervlakte ten gunste van habitattype H2130 Grijze duinen of H2190 Vochtige duinvalleien is toegestaan. |
Toelichting | Het habitattype Duindoornstruwelen is over voldoende oppervlakte aanwezig en landelijk niet bedreigd. Uitbreiding van het habitattype kan een bedreiging vormen voor onder meer habitattype H2130 Grijze duinen. Het type komt lokaal in goede kwaliteit (met veel struweelsoorten) voor op locaties die niet conflicteren met de doelstellingen voor habitattype H2130 Grijze duinen of habitattype H2190 Vochtige duinvalleien. Op dergelijke locaties is behoud van belang. Om kwaliteit te behouden moeten alle successiestadia in het gebied aanwezig zijn, ook de jonge stadia die als matig zijn beoordeeld. |
H2170 | Kruipwilgstruwelen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit. |
Toelichting | Het habitattype komt met een kleine oppervlakte voor op enkele locaties aan de zuidwestkant van Kwade Hoek. |
H2180 | Duinbossen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit Duinbossen, binnenduinrand (subtype C). |
Toelichting | Het habitattype Duinbossen, binnenduinrand (subtype C) komt verspreid voor in het gebied, met een vrij beperkte oppervlakte en een matige kwaliteit. Behoud is voldoende, omdat de potenties voor kwaliteitsverbetering in dit gebied relatief beperkt zijn. |
H2190 | Vochtige duinvalleien |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit Vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten (subtype D), behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit Vochtige duinvalleien, open water (subtype A), uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B) en Vochtige duinvalleien, ontkalkt (subtype C). |
Toelichting | In dit gebied komen enkele goed ontwikkelde Vochtige duinvalleien voor in de vormen open water (subtype A), kalkrijk (subtype B) en ontkalkt (subtype C), zoals in de Meinderswaalvallei, in de Kwade Hoek en in de Middelduinen. In de Middel- en Oostduinen wordt gewerkt aan uitbreiding oppervlakte en kwaliteitsverbetering van Vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B) en Vochtige duinvalleien, ontkalkt (subtype C). Daarnaast bevat het gebied echter ook een aantal verdroogde en verruigde valleien (onder andere Westhoofdvallei, Kwade Hoek) waar uitbreiding van Vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B) mogelijk is. Vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten (subtype D) komen op diverse plekken in de Oostduinen voor. |
H6430 | Ruigten en zomen |
Doel | Behoud oppervlakte en kwaliteit Ruigten en zomen, Harig wilgenroosje (subtype B). |
Toelichting | Ruigten en zomen, Harig wilgenroosje (subtype B) betreft een sterk bedreigde en in het duingebied zeldzame brakke variant van het habitattype Ruigten en zomen, gekenmerkt door heemst en echt lepelblad. Door de grote dynamiek bestaan in de Kwade Hoek goede mogelijkheden voor duurzaam behoud van het habitattype. Andere voorbeelden van dit habitattype met heemst in Zuidwest-Nederland zijn verdwenen of als gevolg van verzoeting veel moeilijker duurzaam te behouden. |
H1014 | Nauwe korfslak |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | Het betreft één van de gebieden die de grootste bijdrage leveren voor de Nauwe korfslak. |
H1340 | *Noordse woelmuis |
Doel | Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie. |
Toelichting | De Noordse woelmuis komt verspreid door het hele Natura 2000-gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek voor. Het lijkt niet mogelijk om het leefgebied hier nog verder uit te breiden. Door voortschrijdende verruiging neemt de kwaliteit van het leefgebied af. Door verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan het gebied bijdragen aan de landelijke uitbreidingsdoelstelling. |
H1364 | Grijze zeehond |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | Het deelgebied Kwade Hoek fungeert als foerageer- en rustgebied voor een relatief klein deel van de Noordzeepopulatie. |
H1365 | Gewone zeehond |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. |
Toelichting | Het deelgebied Kwade Hoek fungeert als foerageer- en rustgebied voor een relatief klein deel van de landelijke populatie, waarvan de meeste individuen in de Waddenzee leven. De landelijke doelstelling voor het uitbreiden van de populatie betreft vooral de deelpopulatie in het Deltagebied, maar de daarmee samenhangende doelstelling voor het verbeteren van de kwaliteit van het leefgebied heeft alleen betrekking op de voortplantingsfunctie en die is niet van toepassing op dit gebied. |
A138 | Strandplevier |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied als bijdrage aan de draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 220 paren. |
Toelichting | Ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet voor uitbreiding van de populatie strandplevieren gekozen gezien de onzekerheid in de ontwikkelingen in het Deltagebied. Mogelijkheden voor verbetering kwaliteit leefgebied zullen wel worden onderzocht. De sleutelpopulatie is alleen op regionaal niveau gedefinieerd (gebaseerd op een 5 jaarsgemiddelde) vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied. |
A005 | Fuut |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 60 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de Fuut onder meer een functie als foerageergebied. De aantallen Futen fluctueren zonder duidelijke trend, net zoals in de Voordelta en Oosterschelde. Er is geen sprake van een toename. De landelijk matig ongunstige staat van instandhouding heeft vooral betrekking op de situatie in het IJsselmeergebied, niet op de duinen. |
A017 | Aalscholver |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 250 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de Aalscholver onder meer een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Tot voor kort was er een toename in aantallen zoals in de Oosterschelde, maar recentelijk (2003) zijn lage aantallen waargenomen. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A034 | Lepelaar |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 20 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen Lepelaars zijn in de nazomer van internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort onder meer een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Het aantal Lepelaars in de Kwade Hoek is verbonden aan de aantallen in enkele omliggende gebieden (Kiekgat, mogelijk Scheelhoek en recent Westplaat). De aantallen fluctueren sterk, maar er is geen toename waargenomen zoals in Voordelta (Westplaat) en Oosterschelde. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A043 | Grauwe gans |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 240 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de Grauwe gans onder meer een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Het verloop van de aantallen is hetzelfde als dat van een aantal grondeleenden in de Voordelta. In de jaren negentig was er een daling die zich inmiddels heeft hersteld. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A045 | Brandgans |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 110 vogels (seizoensgemiddelde) voor het foerageergebied en gemiddeld 32.400 (seizoensmaximum) voor het gebied als slaapplaats. |
Toelichting | Aantallen Brandganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort onder meer een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft zowel betrekking op de foerageerfunctie als op de slaapplaatsfunctie. De aantallen zijn laag en fluctueren sterk. Er is geen toename van de aantallen Brandganzen zoals in de Oosterschelde. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A048 | Bergeend |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 280 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de Bergeend onder meer een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Voor de Bergeend vormt de Kwade Hoek (samen met de Westplaat) onder meer een verzamelplaats voor de ruitrek. Daardoor wijkt het seizoensverloop van de aantallen af van het verloop in andere delen van de Delta, met maxima voor en na de rui (juni/juli en september). De trend is niet significant, maar met een toenemende tendens anders dan in de Voordelta. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A052 | Wintertaling |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 530 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de Wintertaling onder meer een functie als foerageergebied. De aantallen zijn recent toegenomen. Het dal in de jaren negentig die de trends van de meeste grondeleenden in de Voordelta vertonen, ontbreekt bij de Kwade Hoek. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want er is geen landelijke herstelopgave. |
A054 | Pijlstaart |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 200 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | De pleisterende aantallen Pijlstaarten zijn van internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort onder meer een functie als foerageergebied. De aantallen fluctueren en er valt geen duidelijke trend uit af te leiden. Het dal in de jaren negentig die de trends van de meeste grondeleenden in de Voordelta vertonen, ontbreekt bij de Kwade Hoek. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want er is geen landelijke herstelopgave. |
A056 | Slobeend |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 20 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de Slobeend onder meer een functie als foerageergebied. De aantallen zijn toegenomen. Het dal in de jaren negentig die de trends van de meeste grondeleenden in de Voordelta vertonen, ontbreekt bij de Kwade Hoek. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A130 | Scholekster |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 790 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de Scholekster onder meer een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De aantalsontwikkeling herinnert aan die van de Westerschelde, met vanaf begin jaren negentig een toename, gevolgd door een sterke afname vanaf 1998 en een recent herstel in 2003. Er is echter geen sprake van een duidelijke trend over de gehele periode. |
A132 | Kluut |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 180 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de Kluut onder meer een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De waargenomen aantallen betreffen vooral pleisterende vogels in de periode maart-augustus. Voor de Kluut vormt de Kwade Hoek (buitenste strandhaak) een belangrijk ruigebied, waar soms meer dan 1000 vogels gebruik van maken. De seizoenspiek valt daardoor in juli. De tijdelijk verhoogde aantallen in de tweede helft van de jaren negentig viel min of meer samen met een dal in die periode in de Voordelta (Westplaat). Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want er is geen landelijke herstelopgave. |
A137 | Bontbekplevier |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 130 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Aantallen Bontbekplevieren zijn van nationale betekenis in de trektijd, met name in augustus/september en mei. Het gebied heeft voor de soort onder meer een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De aantallen zijn begin jaren negentig toegenomen, daarna waren er grote fluctuaties zonder duidelijke trend. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. De populatie waartoe de meeste Bontbekplevieren van de Kwade Hoek waarschijnlijk behoren (doortrek naar West- en Zuid-Afrika, met een piek in mei), neemt mogelijk internationaal af. |
A141 | Zilverplevier |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 130 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | De aantallen Zilverplevieren zijn van regionale betekenis in de trektijd, met name in augustus-oktober en in mei. De aantallen zijn net zoals andere soorten sinds begin jaren negentig toegenomen, alleen in de Voordelta (Westplaat) is dat niet het geval. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A144 | Drieteenstrandloper |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 80 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de Drieteenstrandloper onder meer een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Pleisterende en doortrekkende vogels zijn in de gehele Voordelta van nationale betekenis in de periode oktober-mei. De aantallen zijn toegenomen, net zoals in andere delen van de regio. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want er is geen landelijke herstelopgave. |
A149 | Bonte strandloper |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 800 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de Bonte strandloper onder meer een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Pleisterende en doortrekkende aantallen zijn van regionale betekenis in de periode oktober-mei. De aantallen zijn net zoals andere steltlopers van het intergetijdegebied sinds begin jaren negentig toegenomen, in tegenstelling tot Voordelta (Westplaat). De trend komt statistisch echter uit op neutraal door semi-cyclische fluctuaties die ook in de Oosterschelde zichtbaar zijn (strenge winters). Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A157 | Rosse grutto |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 130 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de Rosse grutto onder meer een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De soort is vooral aanwezig in de trektijd, met name in augustus/september en mei. Net als andere steltlopers van het intergetijdegebied zijn de aantallen sinds begin jaren negentig toegenomen, in tegenstelling tot in de Voordelta (Westplaat). Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A160 | Wulp |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 420 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de Wulp onder meer een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De soort is vooral aanwezig tijdens de najaarstrek (juli-oktober). De aantallen zijn toegenomen. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. |
A162 | Tureluur |
Doel | Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 390 vogels (seizoensgemiddelde). |
Toelichting | Het gebied heeft voor de Tureluur onder meer een functie als foerageergebied en als slaapplaats. Pleisterende aantallen zijn van nationale betekenis, met name in mei-juli. Net zoals andere steltlopers van het intergetijdegebied zijn de aantallen sinds begin jaren negentig toegenomen, in tegenstelling tot in de Voordelta (Westplaat). De soort verkeert landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding. |
Grenswijziging Vogelrichtlijn
Verlegging grens tussen Voordelta en Vogelrichtlijngebied Kwade Hoek (Natura 2000-gebied Duinen Goeree en Kwade Hoek). Ter hoogte van Kwade Hoek wordt de grens tussen beide op zee gevormd door de (kadastrale) erfpachtgrens.

Kaart ondergrond © Topografische Dienst Kadaster, Emmen 2006
Grenswijziging Vogelrichtlijn
Verlegging grens tussen Voordelta en Vogelrichtlijngebied Kwade Hoek (Natura 2000-gebied Duinen Goeree en Kwade Hoek). Ter hoogte van Kwade Hoek wordt de grens tussen beide op zee gevormd door de (kadastrale) erfpachtgrens.

Kaart ondergrond © Topografische Dienst Kadaster, Emmen 2006
Grenswijziging Vogelrichtlijn
101. Duinen Goeree & Kwade Hoek: uitbreiding Vogelrichtlijngebied (wel reeds onderdeel Habitatrichtlijngebied).

kaartondergrond © Topografische Dienst Kadaster, Emmen 2006
Nadere onderbouwing van wijzigingen in Natura 2000-waarden waarvoor het gebied is aangewezen, van de kwalificatie als Habitatrichtlijngebied en toewijzing van en wijzigingen in instandhoudingsdoelstellingen.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit is het gebied ook aangewezen voor het habitattype H1110 Permanent overstroomde zandbanken, getijdengebied (subtype A), omdat uit onderzoek blijkt dat dit type in het gebied voorkomt.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype Slik- en zandplaten (H1140) dat voorkomt in de vorm van subtype A (getijdengebied). De aanwezigheid van dit habitattype op de Kwade Hoek blijkt bijvoorbeeld uit de topografische kaart. Voor de landelijke betekenis van dit voorkomen wordt verwezen naar punt 3 van deze bijlage.
In afwijking van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit is het gebied niet aangewezen voor het habitattype Slijkgrasvelden (H1320), omdat uit onderzoek blijkt dat dit type niet in het gebied voorkomt.
In aanvulling op het ontwerpbesluit is het gebied tevens aangewezen voor het habitattype H2190 Vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten (subtype D) dat blijkens vegetatiekarteringen voorkomt op de Kwade Hoek en in de Oostduinen (ruim 10 ha).
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit is het gebied ook aangewezen voor het habitattype H2170 Kruipwilgstruwelen, omdat uit onderzoek blijkt dat dit type in het gebied voorkomt.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit (2007) is het gebied ook aangewezen voor het habitattype H2180 Duinbossen, binnenduinrand (subtype C), omdat uit onderzoek blijkt dat dit type in het gebied voorkomt.
In afwijking van het ontwerpbesluit is geen doelstelling opgenomen voor subtype C (droge bosranden) van het habitattype Ruigten en zomen (H6430), omdat uit onderzoek blijkt dat dit subtype niet in het gebied voorkomt.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort Grijze zeehond (H1364), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.
In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied (2003) en het ontwerpbesluit is het gebied ook aangewezen voor de habitatsoort Gewone zeehond (H1365), omdat uit onderzoek blijkt dat een populatie van deze soort met voldoende omvang in het gebied voorkomt.
De vogelsoorten waarvoor het gebied in 1994 is aangewezen, betreffen een opsomming van vogelsoorten waaraan het gebied zijn natuurwetenschappelijke betekenis ontleend. Bij de aanwijzing van 49 Vogelrichtlijngebieden in 2000 is vastgesteld voor welke soorten op grond van artikel 4 van de Vogelrichtlijn een verplichting bestaat voor het treffen van speciale beschermingsmaatregelen in de vorm van de aanwijzing van gebieden (in de Richtlijn aangeduid als “speciale beschermingszones”)11. Dit betreft in de eerste plaats 46 soorten die zijn opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn12. Daarnaast zijn gebieden aangewezen voor 49 (andere) trekkende vogelsoorten zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Vogelrichtlijn. Een gebied wordt slechts aangewezen voor de soorten waarvoor het gebied van landelijke betekenis is. Hiervan is in beginsel sprake indien het gebied minstens 1% van de landelijke broedpopulatie herbergt of minstens 0,1% van de biogeografische populatie geregeld in het gebied verblijft13.
Deze werkwijze heeft voor de vogellijst van dit gebied de volgende consequenties:
Van de oorspronkelijke aanwijzing zijn de volgende soorten gehandhaafd: Aalscholver, Lepelaar, Grauwe gans, Brandgans, Bonte strandloper, Rosse grutto.
Ten opzichte van de oorspronkelijke aanwijzing is één soort van bijlage I toegevoegd: Strandplevier (A138) als broedvogel.
Tevens zijn de volgende trekvogels zoals bedoeld in artikel 4.2 toegevoegd: Fuut, Bergeend, Wintertaling, Pijlstaart, Slobeend, Scholekster, Kluut, Bontbekplevier, Zilverplevier, Drieteenstrandloper, Wulp en Tureluur.
In vergelijking met de oorspronkelijke aanwijzing zijn zeven vogelsoorten van bijlage I niet meer opgenomen: Bruine kiekendief (A081), Blauwe kiekendief (A082), Slechtvalk (A103), Grote Stern (A191), Visdief (A193), Dwergstern (A195), Velduil (A222) en Bosruiter. Deze soorten komen niet meer of in onvoldoende aantallen in het gebied voor.
Hetzelfde geldt voor negen andere trekvogelsoorten zoals bedoeld in artikel 4.2: Kievit (A142), Grutto (A156), Tapuit (A277), Groenpootruiter (A164), Watersnip (A153), Kanoet (A143), Steenloper (A169), Kolgans (A041) en Rotgans (A046).
In vergelijking met de oorspronkelijke aanwijzing zijn de volgende tien vogelsoorten niet meer opgenomen, omdat deze soorten niet behoren tot de soorten waarvoor Vogelrichtlijngebieden worden aangewezen conform de in 2000 geformuleerde beleidslijn (zie boven): Smelleken, Bosruiter, Ransuil, Grauwe vliegenvanger, Kleine karekiet, Witgatje, Oeverloper, Nachtegaal, Grasmus en Braamsluiper. Het betreft wijd verspreid voorkomende soorten zonder speciale beschermingsbehoefte zoals bedoeld in de Vogelrichtlijn.
Habitattype H1140A - Slik- en zandplaten (getijdengebied) Landelijke oppervlakte ca.109.00 ha | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | % landelijke oppervlakte | Bronvermelding |
001 | Waddenzee | 99 % | Topografische Kaart 2005 |
113 | Voordelta | 0,4 % | Rijkswaterstaat 2007 a |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | 0,3 % | Topografische Kaart 2005 |
Verreweg het belangrijkste gebied voor dit subtype is de Waddenzee met 99% van de landelijke oppervlakte. Op de tweede plaats komt Duinen Goeree & Kwade Hoek waar het voorkomen van het habitattype over een relatief kleine oppervlakte aan de oostkant over het hoofd was gezien. Verder wordt het subtype nog aangetroffen in de Voordelta (Slikken van Voorne) en de Duinen en Lage land van Texel (vierde plaats, niet selecterend).
Habitattype H2110 Embryonale duinen Landelijke oppervlakte ca. 400 ha | |||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | % landelijke oppervlakte | Bronvermelding |
001 | Waddenzee | > 30 % | Rijkswaterstaat a, luchtfoto’s |
002 | Duinen en Lage Land Texel | > 10 % | Staatsbosbeheer 1997 |
007 | Noordzeekustzone | > 10 % | luchtfoto’s |
004 | Duinen Terschelling | 10 % | Staatsbosbeheer 1998 |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | 7 % | Rijkswaterstaat 2000 a |
Dit habitattype wordt vooral aangetroffen op de koppen van de Waddeneilanden (onderdeel van de Natura 2000-gebieden 001 t/m 007) waar ruimte bestaat voor natuurlijke dynamiek. Ruim de helft van de landelijke oppervlakte van dit habitattype is daarom gelegen in het Wadddengebied. In het Deltagebied is het belangrijkste gebied voor dit habitattype Kwade Hoek (101), waarmee het gebied landelijk op de 5e plek staat.
Het subtype heischraal van habitattype *Grijze duinen (H2130C) is de meest zeldzame van de drie onderscheiden subtypen. De betreffende plantengemeenschap komt vlakvormig voor op vroongronden en daarnaast in de randen van vochtige duinvalleien. Het zwaartepunt van dit subtype ligt in Duinen Goeree met een vijfde tot een derde van de landelijke oppervlakte. Daarbuiten komt het subtype voor op de meeste Waddeneilanden (met name Texel en Schiermonnikoog), in enkele gebieden langs de Vastelandkust en in het Deltagebied. Ook in kwalitatief opzicht betreft het voor dit subtype het belangrijkste gebied met kenmerkende zeer zeldzame plantensoorten als Veldgentiaan en Herfstschroeforchis die buiten Goeree slechts op weinig andere groeiplaatsen in dit habitattype worden aangetroffen.
Voor het habitattype Vochtige duinvalleien, subtype hogere moerasplanten (H2190D), zijn de drie belangrijkste gebieden afgemeten aan de in de gebieden aanwezige oppervlakten: Duinen en Lage land Texel (002), Duinen Ameland (005) en Zwanenwater & Pettemerduinen (086). Uit een oogpunt van geografische spreiding is daaraan in de regio Delta het Natura 2000-gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek toegevoegd. Binnen deze regio komt dit subtype verder nog voor in de Natura 2000-gebieden Voornes Duin (100) en Manteling van Walcheren (117) maar verreweg de grootste oppervlakte ervan (ruim 10 ha) wordt aangetroffen in Duinen Goeree & Kwade Hoek (101).
Dit onderdeel geeft inzicht in de landelijke doelen en de uitwerking daarvan voor de gebieden. Tevens worden de volgende punten nader gemotiveerd: instandhoudingsdoelstellingen in gebieden die afwijken van de landelijke doelstelling, aanpassingen van de instandhoudingsdoelstellingen in een gebied ten opzichte van het ontwerpbesluit, toevoegen van instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en soorten (zie bijlage B, paragraaf 1) en vogelsoorten (zie bijlage B, paragraaf 2), ten opzichte van het ontwerpbesluit.
De hier vermelde gebiedsdoelen van de Natura 2000-gebieden die buiten dit aanwijzingsbesluit vallen en waarvan de definitieve besluiten op het moment van vaststelling van onderhavig besluit nog niet zijn vastgesteld, moeten worden beschouwd als ‘indicatieve’ opgaven en zijn nog aan verandering onderhevig.
H1110B – Permanent overstroomde zandbanken, Noordzeekustzone Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
007 | Noordzeekustzone | behoud | verbetering | A1 | aanwijzingsbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | C | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
163 | Vlakte van de Raan | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
De Habitatrichtlijn heeft tot doel om landelijk een gunstige staat van instandhouding te bereiken voor elk habitattype van bijlage I, inclusief de ruimtelijke diversiteit en spreiding van het habitattype. De ruimtelijke variatie en spreiding van habitattype H1110 heeft in Nederland uitwerking gekregen in de subtyperingen van het habitattype. De landelijke staat van instandhouding van habitattype H1110B is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. In het Natura 2000 doelendocument (2006)14 is de landelijke doelstelling “behoud verspreiding, behoud oppervlakte en behoud kwaliteit” opgenomen. Deze landelijke doelstelling is voor het aspect kwaliteit gewijzigd in een verbeteropgave vanwege de landelijk voor dit aspect als “matig ongunstig” beoordeelde staat van instandhouding en het in internationaal verband “zeer grote” relatieve belang van dit habitattype. In het gebied Noordzeekustzone (007)15 is daarom verbetering van de kwaliteit van habitattype H1110B tot doel gesteld. Dit gebied beslaat meer dan de helft van het aangewezen areaal van dit habitattype. Gericht op het voorkomen van de achteruitgang is voor de gebieden Duinen Goeree & Kwade Hoek (101), Voordelta (113), Vlakte van de Raan (163) en Westerschelde & Saefthinge (122) behoud tot doel gesteld. Met deze benadering wordt een landelijk gunstige staat van instandhouding van het habitattype nagestreefd op een haalbare en betaalbare manier. Nu geldt dat voor alle subtyperingen van habitattype H1110 voor het gebied met de grootste relatieve bijdrage een verbeteropgave voor de kwaliteit van het habitattype wordt gehanteerd. Dit is afdoende voor het in gunstige staat van instandhouding brengen van het habitattype, inclusief de ruimtelijke diversiteit.
Habitattype H1140A - Slik- en zandplaten (getijdengebied) Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit | ||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | doel toegevoegd |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | doel toegevoegd |
113 | Voordelta | behoud | behoud | conform ontwerp |
De staat van instandhouding voor het habitattype Slik- en zandplaten, getijdengebied (subtype A) is op het aspect kwaliteit beoordeeld als ‘matig ongunstig’. De doelstelling voor de gebieden Duinen en Lage Land Texel en Duinen Goeree & Kwade Hoek is op ‘behoud kwaliteit’ gezet omdat hier geen aanwijzingen zijn voor negatieve kwaliteitsbeïnvloeding door menselijke activiteiten. De doelstelling voor de kwaliteit is voor de Voordelta op behoud gezet, vanwege het relatief lage aandeel (circa o,4% van de landelijke oppervlakte) van dit subtype in dit gebied.
H1140B – Slik- en zandplaten, Noordzeekustzone Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | A3 | aanwijzingsbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | C | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | A1 | aanwijzingsbesluit |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
Vrijwel het gehele landelijke areaal van dit subtype ligt in Natura 2000-gebieden. De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype slik- en zandplaten, Noordzeekustzone (subtype B) is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit op deze beoordeling aan. Beide gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling.
Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit | ||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | doel vervallen | ||
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | conform ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | conform ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | conform ontwerp |
118 | Oosterschelde | uitbreiding | behoud | conform ontwerp |
121 | Yerseke en Kapelse Moer | behoud | behoud | conform ontwerp |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | uitbreiding | behoud | conform ontwerp |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | concept-ontwerp |
De staat van instandhouding van habitattype Zilte pionierbegroeiingen, Zeekraal (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk ‘matig ongunstig’ en ‘gunstig’16. De matig ongunstige staat van instandhouding op het aspect oppervlakte is met name gericht op de sterke achteruitgang in de Natura 2000-gebieden Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinghe door erosie van de schorren. Uitbreiding oppervlakte wordt daarom alleen in deze twee gebieden beoogd. Voor de overige gebieden is behoud oppervlakte voldoende. Duinen Schiermonnikoog is voor dit habitattype niet meer opgenomen omdat uit de ontwerp-begrenzing blijkt dat het op dit eiland alleen in aan de Waddenzee en Noordzeekustzone toegedeelde eilandsdelen voorkomt.
Habitattype H1310B Zilte pionierbegroeiingen (Zeevetmuur) Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit | ||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | doel vervallen | ||
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | doel vervallen | ||
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | conform ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | conform ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | conform ontwerp |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | conform ontwerp |
121 | Yerseke en Kapelse Moer | behoud | behoud | conform ontwerp |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | conform ontwerp |
De staat van instandhouding voor het habitattype Zilte pionierbegroeiingen, Zeevetmuur (subtype B) is beoordeeld als ‘gunstig’. De gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling. Duinen Vlieland en Duinen Schiermonnikoog zijn voor dit habitattype niet meer opgenomen omdat uit de ontwerpbegrenzing blijkt dat het op deze eilanden alleen in aan de Waddenzee en Noordzeekustzone toegedeelde gebiedsdelen voorkomt.
Habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit | ||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonikoog | doel vervallen | ||
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | conform ontwerp |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud | behoud | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | conform ontwerp |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | conform ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | conform ontwerp |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | conform ontwerp |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | conform ontwerp |
De staat van instandhouding voor het habitattype Schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A) is op het aspect kwaliteit beoordeeld als ‘matig ongunstig’. Waddenzee en Westerschelde & Saeftinghe herbergen tezamen meer dan 80% van de landelijke oppervlakte en kunnen daarmee ook de grootste bijdrage leveren aan de herstelopgave. In de andere gebieden is het habitattype reeds in goede kwaliteit aanwezig (dus behoud voldoende) of is herstel waarschijnlijk niet mogelijk gegeven de getijdedemping tengevolge van de aanleg van de stormvloedkering (Oosterschelde). Met deze gebiedsdoelen wordt de landelijke doelstelling voldoende afgedekt.
Duinen Schiermonikoog is niet meer aangewezen voor dit habitattype. Uit de ontwerpbegrenzingen blijkt dat dit habitattype alleen voorkomt in de aan de Waddenzee of Noordzeekustzone toegekende gebiedsdelen.
Habitattype H2110 Embryonale duinen Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit | ||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | doel vervallen | ||
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | doel vervallen | ||
006 | Duinen Schiermonikoog | doel vervallen | ||
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | conform ontwerp |
086 | Schoorlse Duinen | uitbreiding | behoud | conform ontwerp |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud | behoud | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | conform ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | doel toegevoegd |
116 | Kop van Schouwen | behoud | behoud | conform ontwerp |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | conform ontwerp |
De staat van instandhouding voor het habitattype Embryonale duinen is beoordeeld als ‘gunstig’. In aanvulling op de aanmelding als Habitatrichtlijngebied en het ontwerpbesluit is het gebied Voordelta ook aangewezen voor habitattype Embryonale duinen (H2110). Het habitattype is onder meer aanwezig langs de Manteling van Walcheren (Breezand), langs de Duinen van Goeree en aan de zuidzijde van de Slikken van Voorne.
Met één uitzondering zijn de gebiedsdoelen in overeenstemming met de landelijke doelstelling. Voor een toelichting op het afwijkende gebiedsdoel voor Schoorlse Duinen wordt verwezen naar het betreffende (ontwerp)besluit.
De gebieden Duinen Vlieland, Duinen Ameland en Duinen Schiermonnikoog zijn niet meer aangewezen voor dit habitattype. Uit de ontwerpbegrenzingen blijkt dat dit habitattype alleen voorkomt in de aan de Waddenzee of Noordzeekustzone toegekende gebiedsdelen van de eilanden.
Habitattype H2120 Witte duinen Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteita | ||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | behoud | behoud | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonikoog | behoud | behoud | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | conform ontwerp |
084 | Duinen Den Helder - Callantsoog | behoud | verbetering | conform ontwerp |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | behoud | verbetering | conform ontwerp |
086 | Schoorlse Duinen | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
087 | Noordhollands Duinreservaat | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
088 | Kennemerland-Zuid | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
096 | Coepelduynen | behoud | verbetering | conform ontwerp |
097 | Meijendel & Berkheide | behoud | verbetering | conform ontwerp |
099 | Solleveld & Kapittelduinen | behoud | behoud | conform ontwerp |
100 | Voornes Duin | behoud | behoud | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | conform ontwerp |
116 | Kop van Schouwen | behoud | verbetering | conform ontwerp |
117 | Manteling van Walcheren | behoud | behoud | doel toegevoegd |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | conform ontwerp |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | verbetering | concept-ontwerp |
Verbetering kwaliteit wordt vooral nagestreefd in de duinen van de vastelandskust en het Deltagebied.
De staat van instandhouding voor het habitattype Witte duinen is op het aspect kwaliteit beoordeeld als ‘matig ongunstig’. De doelstelling van verbetering kwaliteit wordt nagestreefd door het optimaliseren van verstuiving. In de gebieden waar deze ontwikkeling conflicteert met de veiligheid van het achterliggend land is geen verbeterdoelstelling neergelegd (zoals in Duinen Goeree & Kwade Hoek). In het Waddengebied komt het habitattype reeds over een groot oppervlakte en in goede kwaliteit voor. Ook voor deze gebieden is een behoudsopgave geformuleerd.
Voor de gebieden langs de (Noord-)Hollandse kust (Schoorlse Duinen, Noordhollands Duinreservaat en Kennemerland-Zuid) is, in tegenstelling tot het landelijk doel, gekozen voor de doelstelling uitbreiding oppervlakte. Vanwege de grote breedte van het duingebied is uitbreiding van Witte duinen in deze gebieden goed mogelijk. Dit is vooral van belang voor de uitbreidingsopgave van het prioritaire type Grijze duinen (*H2130).
Het gebied Manteling van Walcheren is aan de lijst toegevoegd. In dit gebied komen de witte duinen voor over een oppervlakte van enkele tientallen ha.
Habitattype H2130A Grijze duinen (kalkrijk) Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | ||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Besluit |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | behoud | behoud | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonikoog | behoud | behoud | conform ontwerp |
087 | Noordhollands Duinreservaat | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
088 | Kennemerland-Zuid | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
096 | Coepelduynen | behoud | behoud | conform ontwerp |
097 | Meijendel & Berkheide | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
098 | Westduin park & Wapendal | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
099 | Solleveld & Kapittelduinen | uitbreiding | verbetering | doel aangepast |
100 | Voornes Duin | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
116 | Kop van Schouwen | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
117 | Manteling van Walcheren | behoud | behoud | doel toegevoegd |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | concept-ontwerp |
De staat van instandhouding voor het habitattype Grijze duinen, kalkrijk (subtype A) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk ‘matig ongunstig’ en ‘zeer ongunstig’. Afwijkend van de landelijke doelstelling is voor gebieden met een relatief geringe bijdrage aan deze landelijke doelstelling gekozen voor een behoudsdoelstelling. Ook voor het gebied Coepelduynen geldt een behoudsopgave, omdat daar het habitattype nog over een groot oppervlakte in goed ontwikkelde vorm voorkomt. In het gebied Solleveld & Kapittelduinen is uitbreiding oppervlakte mogelijk vanuit vergraste en verstruweelde duingraslanden. Doelstelling is aangepast. Het gebied Manteling van Walcheren is aan de lijst toegevoegd. In dit gebied komt de kalkrijke variant van Grijze duinen voor over een oppervlakte van enkele tientallen ha.
Habitattype H2130B Grijze duinen (kalkarm) Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | ||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonikoog | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
084 | Duinen Den Helder - Callantsoog | behoud | behoud | conform ontwerp |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
086 | Schoorlse Duinen | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
087 | Noordhollands Duinreservaat | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud | verbetering | conform ontwerp |
097 | Meijendel & Berkheide | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
099 | Solleveld & Kapittelduinen | uitbreiding | verbetering | doel aangepast |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | conform ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | concept-ontwerp |
116 | Kop van Schouwen | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
117 | Manteling van Walcheren | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
De staat van instandhouding voor het habitattype Grijze duinen, kalkarm (subtype B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk ‘matig ongunstig’ en ‘zeer ongunstig’. De doelstelling voor de gebieden Duinen Goeree & Kwade Hoek en Duinen Den Helder en Callantsoog wijkt af van de landelijke doelstelling, omdat het habitattype in deze gebieden reeds over een groot oppervlakte en in goed ontwikkelde vorm aanwezig is. Uitbreiding van het oppervlakte in de Waddenzee is niet mogelijk omdat de aanwezigheid van dit habitattype afhankelijk is van natuurlijke dynamiek. In dit gebied wordt dan ook alleen ingezet op verbetering van de kwaliteit. In het gebied Solleveld & Kapittelduinen is uitbreiding oppervlakte mogelijk vanuit vergraste en verstruweelde duingraslanden. Doelstelling is aangepast.
Habitattype H2130C Grijze duinen (heischraal) Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | ||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Besluit |
002 | Duinen en Lage Land Texel | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonikoog | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
084 | Duinen Den Helder - Callantsoog | behoud | behoud | conform ontwerp |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
087 | Noordhollands Duinreservaat | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
088 | Kennemerland-Zuid | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
100 | Voornes Duin | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | verbetering | conform ontwerp |
116 | Kop van Schouwen | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
De staat van instandhouding voor het habitattype Grijze duinen, heischraal (subtype C) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld ‘zeer ongunstig’. De doelstelling voor het natura 2000-gebied Duinen Den Helder - Callantsoog wijkt af van de landelijke doelstelling, omdat het habitattype in dit gebied reeds over een groot oppervlakte en in goed ontwikkelde vorm aanwezig is. In het gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek is het areaal van dit habitattype reeds voldoende.
Habitattype H2160 Duindoornstruwelen Landelijke doelstelling: behouda oppervlakte en behoud kwaliteit | ||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | behoud | behoud | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonikoog | behoud | behoud | conform ontwerp |
084 | Duinen Den Helder - Callantsoog | behoud | behoud | conform ontwerp |
086 | Schoorlse Duinen | behoud a | behoud | conform ontwerp |
087 | Noordhollands Duinreservaat | behoud a | behoud | conform ontwerp |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud a | behoud | conform ontwerp |
096 | Coepelduynen | behoud | behoud | conform ontwerp |
097 | Meijendel & Berkheide | behoud a | behoud | conform ontwerp |
098 | Westduin park & Wapendal | behoud a | behoud | conform ontwerp |
099 | Solleveld & Kapittelduinen | behoud | behoud | conform ontwerp |
100 | Voornes Duin | behoud a | behoud | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud a | behoud | conform ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | concept-ontwerp |
116 | Kop van Schouwen | behoud a | behoud | conform ontwerp |
117 | Manteling van Walcheren | behoud a | behoud | conform ontwerp |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | conform ontwerp |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | concept-ontwerp |
Enige achteruitgang in oppervlakte is toegestaan ten gunste van uitbreiding oppervlakte van habitattypen grijze duinen (*H2130), vochtige duinvalleien (H2190) of duinbossen (H2180), mits de totale oppervlakte van goed ontwikkelde vormen niet afneemt. Afhankelijk van het voorkomen in de gebieden zullen 1 of meerdere van de begunstigde habitattypen (*H2130, H2180 of H2190) in de ‘ten gunste’ formulering van betreffende gebieden zijn opgenomen.
De staat van instandhouding voor het habitattype Duindoornstruwelen is beoordeeld als ‘gunstig’. De gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling.
H2170 – Kruipwilgstruwelen Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit a | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
004 | Duinen Terschelling | behoud b | behoud | A1 | aanwijzingsbesluit |
005 | Duinen Ameland | behoud b | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
006 | Duinen Schiermonnikoog | behoud b | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
084 | Duinen Den Helder – Callantsoog | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
086 | Schoorlse Duinen | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
087 | Noordhollands Duinreservaat | behoud b | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud b | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
100 | Voornes Duin | behoud b | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | C | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | C | ontwerpbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | A1 | aanwijzingsbesluit |
116 | Kop van Schouwen | behoud b | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
117 | Manteling van Walcheren | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
Lokaal uitbreiding oppervlakte van goed ontwikkelde vormen en lokaal verbetering kwaliteit.
De oppervlakte mag afnemen ten gunste van het habitattype vochtige duinvalleien (H2190)17.
Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype kruipwilgstruwelen is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. De gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling. De lokale uitbreiding- en verbeteringdoelstelling ligt in het gebied Duinen Den Helder – Callantsoog (084). Het habitattype komt hier in geringe mate voor in matige tot goede kwaliteit en het gebied heeft goede potentie voor herstel.
H2180C – Duinbossen, binnenduinrand Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Relatieve bijdrage b | Besluit |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
005 | Duinen Ameland | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit x |
006 | Duinen Schiermonnikoog | uitbreiding | verbetering | C | aanwijzingsbesluit |
084 | Duinen Den Helder – Callantsoog | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit x |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
086 | Schoorlse Duinen | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit x |
087 | Noordhollands Duinreservaat | behoud | behoud | A1 | aanwijzingsbesluit |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud | behoud | A1 | aanwijzingsbesluit |
096 | Coepelduynen | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
097 | Meijendel & Berkheide | behoud | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit |
098 | Westduinpark & Wapendal | behoud a | verbetering | B1 | aanwijzingsbesluit x |
099 | Solleveld & Kapittelduinen | behoud | verbetering | B2 | aanwijzingsbesluit |
100 | Voornes Duin | behoud a | behoud | B2 | aanwijzingsbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | C | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
116 | Kop van Schouwen | behoud a | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
117 | Manteling van Walcheren | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
Enige achteruitgang in oppervlakte is toegestaan ten gunste van uitbreiding oppervlakte van habitattypen grijze duinen (H2130) of vochtige duinvalleien (H2190)18.
In eerdere aanwijzingsbesluiten was het niet mogelijk om de actuele voorkomens van de afzonderlijke subtypen in kwantitatieve zin te duiden. Op basis van de huidige kennis wordt de relatieve bijdrage per subtype weergegeven. Dit betekent dat enkele relatieve bijdragen kunnen afwijken ten opzichte van eerdere aanwijzingsbesluiten.
Vrijwel alle duingebieden langs de Nederlandse kust zijn Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat het overgrote deel van dit habitattype zich bevindt binnen het landelijke Natura 2000-netwerk (>95% van de landelijke oppervlakte). De landelijke staat van instandhouding van het habitattype duinbossen, binnenduinrand (subtype C) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan19. Kwaliteitsverbetering wordt nagestreefd in de gebieden waar de beste mogelijkheden liggen voor kwaliteitsverbetering en/of die een belangrijke bijdrage leveren aan de landelijke doelstelling. Vanwege de relatief kleine oppervlakte van dit habitattype op de Waddeneilanden is in het gebied Duinen Schiermonnikoog (006) een doel gesteld voor uitbreiding van de oppervlakte.
Habitattype H2190A Vochtige duinvalleien (open water) Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | ||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Besluit |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | verbetering | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | behoud | behoud | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonikoog | behoud | verbetering | conform ontwerp |
084 | Duinen Den Helder - Callantsoog | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
087 | Noordhollands Duinreservaat | uitbreiding | behoud | conform ontwerp |
088 | Kennemerland-Zuid | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
096 | Coepelduynen | behoud | verbetering | conform ontwerp |
097 | Meijendel & Berkheide | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
100 | Voornes Duin | behoud | behoud | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | verbetering | conform ontwerp |
116 | Kop van Schouwen | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
117 | Manteling van Walcheren | behoud | behoud | conform ontwerp |
De staat van instandhouding van het habitattype Vochtige duinvalleien, open water (subtype A) is op het aspect kwaliteit beoordeeld als ‘matig ongunstig’. Alle verbeterdoelstellingen sluiten aan op reeds ingezet hydrologisch herstel (Waddeneilanden en Hollandse kust) en regeneratie van duinvalleien in duingebieden die door waterwinning zijn aangetast. Voor duurzaam voortbestaan van jonge stadia en de rijke variatie aan Vochtige duinvalleien, is vergroting van dynamiek door wind en zee noodzakelijk in een deel van de gebieden. Een dergelijke ontwikkeling wordt nagestreefd op plaatsen waar dit niet in conflict is met de veiligheid van het achterliggend land.
Habitattype H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | ||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Besluit |
001 | Waddenzee | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | verbetering | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | behoud | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonikoog | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | conform ontwerp |
084 | Duinen Den Helder - Callantsoog | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
087 | Noordhollands Duinreservaat | uitbreiding | behoud | conform ontwerp |
088 | Kennemerland-Zuid | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
097 | Meijendel & Berkheide | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
099 | Solleveld & Kapittelduinen | behoud | behoud | conform ontwerp |
100 | Voornes Duin | uitbreiding | verbetering | doel aangepast |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
114 | Krammer-Volkerak | uitbreiding | behoud | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | concept-ontwerp |
116 | Kop van Schouwen | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
117 | Manteling van Walcheren | behoud | behoud | conform ontwerp |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | conform ontwerp |
De staat van instandhouding van het habitattype vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als ‘matig ongunstig’. Alle verbeterdoelstellingen sluiten aan op reeds ingezet hydrologisch herstel (Waddeneilanden en Hollandse kust) en regeneratie van duinvalleien in duingebieden die door waterwinning zijn aangetast. Voor duurzaam voortbestaan van jonge stadia en de rijke variatie aan vochtige duinvalleien, is vergroting van dynamiek door wind en zee noodzakelijk in een deel van de gebieden. Een dergelijke ontwikkeling wordt nagestreefd op plaatsen waar dit niet in conflict is met de veiligheid van het achterliggend land. Voor Voornes Duin is het doel aangepast in uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.
Habitattype H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | ||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Besluit |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | verbetering | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | behoud | verbetering | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonikoog | behoud | behoud | conform ontwerp |
084 | Duinen Den Helder - Callantsoog | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | behoud | behoud | conform ontwerp |
086 | Schoorlse Duinen | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
087 | Noordhollands Duinreservaat | uitbreiding | behoud | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
116 | Kop van Schouwen | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
De staat van instandhouding van het habitattype Vochtige duinvalleien, ontkalkt (subtype C) is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als ‘matig ongunstig’. Doelstelling Duinen Goeree & Kwade Hoek volgt landelijke doelstelling. Zie ook de toelichting op het instandhoudingsdoel. Alle verbeterdoelstellingen sluiten aan op reeds ingezet hydrologisch herstel (Waddeneilanden en Hollandse kust) en regeneratie van duinvalleien in duingebieden die door waterwinning zijn aangetast. Voor duurzaam voortbestaan van jonge stadia en de rijke variatie aan vochtige duinvalleien, is vergroting van dynamiek door wind en zee noodzakelijk in een deel van de gebieden. Een dergelijke ontwikkeling wordt nagestreefd op plaatsen waar dit niet in conflict is met de veiligheid van het achterliggend land.
Habitattype H2190D Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten) Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit | ||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Besluit |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | verbetering | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | conform ontwerp |
005 | Duinen Ameland | behoud | behoud | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonikoog | behoud | behoud | conform ontwerp |
084 | Duinen Den Helder - Callantsoog | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
085 | Zwanenwater & Pettemerduinen | behoud | behoud | conform ontwerp |
087 | Noordhollands Duinreservaat | uitbreiding | behoud | conform ontwerp |
088 | Kennemerland-Zuid | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
097 | Meijendel & Berkheide | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
100 | Voornes Duin | behoud | behoud | doel toegevoegd |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | doel toegevoegd |
117 | Manteling van Walcheren | behoud | behoud | doel toegevoegd |
De staat van instandhouding van het habitattype Vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten (subtype D) is op het aspect oppervlakte beoordeeld als ‘matig ongunstig’. Alle verbeterdoelstellingen sluiten aan op reeds ingezet hydrologisch herstel (Waddeneilanden en Hollandse kust) en regeneratie van duinvalleien in duingebieden die door waterwinning zijn aangetast. Voor duurzaam voortbestaan van jonge stadia en de rijke variatie aan vochtige duinvalleien, is vergroting van dynamiek door wind en zee noodzakelijk in een deel van de gebieden. Een dergelijke ontwikkeling wordt nagestreefd op plaatsen waar dit niet in conflict is met de veiligheid van het achterliggend land.
De gebieden Voornes Duin, Duinen Goeree & Kwade Hoek en Manteling van Walcheren zijn aan de lijst toegevoegd. In deze gebieden blijkt het habitattype Vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten (subtype D) ook voor te komen.
Habitattype H6430B Ruigten en zomen (Harig wilgenroosje) Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en behoud/verbetering kwaliteita | ||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel oppervlakte | Doel kwaliteit | Besluit |
010 | Oudegaasterbrekken, Fluessen eo | behoud | behoud | conform ontwerp |
038 | Uiterwaarden IJssel | behoud | behoud | concept-ontwerp |
072 | IJsselmeer | behoud | behoud | conform ontwerp |
082 | Uiterwaarden Lek | uitbreiding | behoud | concept-ontwerp |
089 | Eilandspolder | behoud | behoud | concept-ontwerp |
090 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | behoud | behoud | concept-ontwerp |
091 | Polder Westzaan | uitbreiding | behoud | concept-ontwerp |
092 | Ilperveld, … Oostzanerveld & Twiske | behoud | behoud | concept-ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | conform ontwerp |
108 | Oude Maas | uitbreiding | behoud | conform ontwerp |
109 | Haringvliet | uitbreiding | verbetering | conform ontwerp |
111 | Hollands Diep | behoud | behoud | conform ontwerp |
112 | Biesbosch | uitbreiding | behoud | concept-ontwerp |
114 | Krammer-Volkerak | behoud b | behoud | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | concept-ontwerp |
124 | Groote Gat | behoud | behoud | conform ontwerp |
verbetering kwaliteit geldt voor de brakke varianten.
Waarschijnlijk kan dit subtype bij voortschrijdende verzoeting niet behouden blijven, maar zullen hiervoor (minder bedreigde) zoete vormen Ruigten en zomen, Moerasspirea (subtype A) in de plaats komen.
De staat van instandhouding van het habitattype Ruigten en zomen, Harig wilgenroosje (subtype B) is op alle aspecten beoordeeld als ‘matig ongunstig’. De instandhoudingsdoelstelling in het gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek wijkt af van de landelijke doelstelling voor de brakke variant van dit habitattype. Het argument hiervoor is de achteruitgang van het habitattype in dit gebied, waarvan de oorzaak vooralsnog onduidelijk is (Kiwa Water Research & EGG (2007)20.
H1014 Nauwe korfslak Vertigo angustior Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Omvang leefgebied | Kwaliteit leefgebied | Populatie | Besluit |
067 | Gelderse Poort | behoud | behoud | behoud | concept-ontwerp |
087 | Noordhollands Duinreservaat | behoud | behoud | behoud | conform ontwerp |
088 | Kennemerland-Zuid | behoud | behoud | behoud | conform ontwerp |
097 | Meijendel & Berkheide | behoud | behoud | behoud | conform ontwerp |
099 | Solleveld & Kapittelduinen | behoud | behoud | behoud | doel toegevoegd |
100 | Voornes Duin | behoud | behoud | behoud | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | behoud | conform ontwerp |
116 | Kop van Schouwen | behoud | behoud | behoud | conform ontwerp |
117 | Manteling van Walcheren | behoud | behoud | behoud | conform ontwerp |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | behoud | conform ontwerp |
123 | Zwin & Kievittepolder | behoud | behoud | behoud | concept-ontwerp |
154 | Geleenbeekdal | behoud | behoud | behoud | concept-ontwerp |
De staat van instandhouding van de Nauwe Korfslak is beoordeeld als ‘matig ongunstig’. Omdat momenteel onvoldoende inzicht bestaat in verspreiding, populatiedynamiek en ecologie van de soort is de opgave op behoud gezet. De gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling.
Het gebied Solleveld & Kapittelduinen was reeds in 2004 aangemeld voor de Nauwe korfslak (zie Gebiedendocument, 2004). Door een technische fout was deze soort niet in het ontwerp-aanwijzingsbesluit opgenomen. Dit wordt met de definitieve aanwijzing hersteld.
*H1340 Noordse woelmuis Microtus oeconomus Landelijke doelstelling: Uitbreiding verspreiding, uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie. | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Omvang leefgebied | Kwaliteit leefgebied | Populatie | Besluit |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | verbetering | behoud | conform ontwerp |
009 | Groote Wielen | uitbreiding | verbetering | behoud | conform ontwerp |
010 | Oudegaasterbrekken … | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | conform ontwerp |
013 | Alde Feanen | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | conform ontwerp |
072 | IJsselmeer | uitbreiding | behoud | uitbreiding | conform ontwerp |
089 | Eilandspolder | behoud | behoud | behoud | concept-ontwerp |
090 | Wormer- en Jisperveld & K… | behoud | behoud | behoud | concept-ontwerp |
091 | Polder Westzaan | behoud | behoud | behoud | concept-ontwerp |
092 | Ilperveld, Varkensland, …. | behoud | behoud | behoud | concept-ontwerp |
095 | Oostelijke Vechtplassen | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | concept-ontwerp |
100 | Voornes Duin | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | verbetering | uitbreiding | doel aangepast |
103 | Nieuwkoopse Plassen & … | behoud | behoud | behoud | concept-ontwerp |
108 | Oude Maas | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | conform ontwerp |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | behoud | conform ontwerp |
111 | Hollands Diep | uitbreiding | verbetering | uitbreiding | conform ontwerp |
112 | Biesbosch | behoud | behoud | behoud | concept-ontwerp |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | behoud | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | behoud | concept-ontwerp |
116 | Kop van Schouwen | behoud | verbetering | behoud | conform ontwerp |
118 | Oosterschelde | uitbreiding | behoud | uitbreiding | conform ontwerp |
De staat van instandhouding van de Noordse woelmuis is beoordeeld als ‘zeer ongunstig’. De instandhoudingsdoelstelling in het gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek wijkt af van de landelijke doelstelling voor de Noordse woelmuis. Uitbreiding van het leefgebied is hier niet mogelijk.
H1364 – Grijze zeehond Landelijke doelstelling: behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | behoud | A3 | aanwijzingsbesluit |
002 | Duinen en Lage Land Texel | behoud | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
003 | Duinen Vlieland | behoud | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
004 | Duinen Terschelling | behoud | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
005 | Duinen Ameland | behoud | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | behoud | B1-B2 | wijzigingsbesluit a |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | behoud | C | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | behoud | behoud | B1 | aanwijzingsbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
163 | Vlakte van de Raan | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
164 | Doggersbank | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
165 | Klaverbank | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
De landelijke staat van instandhouding van de grijze zeehond is op het aspect populatie beoordeeld als “gunstig”. Op het aspect leefgebied is de staat van instandhouding beoordeeld als “matig ongunstig”.
De landelijke doelstelling sluit wat betreft het aspect populatie op de staat van instandhouding aan.
Grijze zeehonden moeten voor het werpen en zogen van jongen, zandbanken opzoeken die bij extreme weersomstandigheden (zoals zware winterstormen) overspoeld worden. Hierdoor treedt frequent sterfte van jongen op. Het is onduidelijk of het huidige leefgebied geschikt genoeg is voor een duurzame populatie zonder immigratie. Recent neemt het aantal in de Nederlandse kustwateren geboren pups toe en neemt de immigratie vanuit het Verenigd Koninkrijk af. Dat wordt gezien als een indicatie dat het probleem van voldoende permanent droge en onverstoorde ligplaatsen voor het werpen en zogen van jongen minder groot lijkt te zijn dan eerder werd verondersteld. Ter voorkoming van achteruitgang is daarom voor het aspect kwaliteit van het leefgebied een behoudopgave gekozen tot doel gesteld. De gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke doelstelling. In die Natura 2000-gebieden waar droogvallende zandplaten en of embryonale duinen (rust- en voortplantingsgebied) aanwezig zijn, kunnen gebiedsspecifieke maatregelen gericht op de verstoring een bijdrage leveren aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling. Voor mariene gebieden waar deze ligplaatsen niet zijn, zijn generieke maatregelen met betrekking tot verstorende activiteiten meer geëigend (zie de toelichting in de tweede alinea).
De Waddenzee (001) en de Noordzeekustzone (007) zijn de belangrijkste gebieden voor de grijze zeehond in Nederland. Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State is met een wijzigingsbesluit (18 oktober 2012) meer inzichtelijk gemaakt hoe de gunstige staat van instandhouding voor de grijze zeehond kan worden bereikt en op welke gronden in het gebied Noordzeekustzone voor de grijze zeehond kan worden volstaan met een behouddoelstelling. De Noordzeekustzone heeft, met name in de winter, een belangrijke foerageerfunctie. Gelet op de recente toename van de soort, wordt een behoudsdoelstelling voorlopig voldoende geacht.
Voor de gebieden in de Nederlandse exclusieve economische zone, Doggersbank (164) en Klaverbank (165), moet het volgende opgemerkt worden: op basis van beschikbare informatie over de ecologische functie van deze gebieden voor de grijze zeehond kan geen onderscheid gemaakt worden ten aanzien van het belang van de afzonderlijke gebieden enerzijds en de rest van de Nederlandse exclusieve economische zone anderzijds. Hetzelfde geldt voor de Vlakte van de Raan (163), dat mogelijk als foerageergebied dient voor dieren die zich in de nabije omgeving voortplanten of door het gebied trekken.
H1365 – Gewone zeehond Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van uitbreiding populatie | ||||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Doel omvang | Doel kwaliteit | Doel populatie | Relatieve bijdrage | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | behoud | uitbreiding | A3 | aanwijzingsbesluit |
007 | Noordzeekustzone | behoud | behoud | behoud | B1-B2 | aanwijzingsbesluit |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | behoud | C | conform ontwerp-wijzigingsbesluit |
113 | Voordelta | behoud | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | behoud | C | wijzigingsbesluit |
118 | Oosterschelde | behoud | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | verbetering | uitbreiding | C | aanwijzingsbesluit |
163 | Vlakte van de Raan | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
164 | Doggersbank | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
165 | Klaverbank | behoud | behoud | behoud | C | aanwijzingsbesluit |
De gewone zeehond verkeert landelijk in een gunstige staat van instandhouding. De landelijke doelstelling wijkt hiervan af, ten behoeve van herstel van de populatie na recente afname (door virussen), vooral in het Deltagebied. De landelijke doelstelling is: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie21. In die Natura 2000-gebieden waar droogvallende zandplaten en of embryonale duinen (rust- en voortplantingsgebied) aanwezig zijn, kunnen gebiedsspecifieke maatregelen gericht op de verstoring een bijdrage leveren aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling. Voor mariene gebieden waar deze ligplaatsen niet zijn, zijn generieke maatregelen met betrekking tot verstorende activiteiten meer geëigend. Uitbreiding van de populatie dient vooral in de Delta gestimuleerd te worden22.
De gebiedsdoelstellingen van Waddenzee (001), Noordzeekustzone (007), Vlakte van de Raan (163), Doggersbank (164) en Klaverbank (165) wijken af van de landelijke doelstelling. Er wordt behoud als doel gesteld. Het overgrote deel van de populatie bevindt zich in de Waddenzee. In de Waddenzee zijn de ligplaatsen goed beschermd, vooral tijdens zoog- en paringstijd. Met behoud van het huidige leefgebied wordt in dit gebied uitbreiding van de populatie ten doel gesteld. De populatie neemt de laatste decennia gestaag toe en het verspreidingsgebied is stabiel. De gestage groei van de populatie zal de komende jaren naar verwachting doorzetten, mits virussen uitblijven. Ook in de Noordzeekustzone, welke met name een foerageerfunctie voor de populatie uit de Waddenzee kent, gaat het goed met de soort.
Op basis van beschikbare informatie over de ecologische functie van Vlakte van de Raan, Doggersbank en Klaverbank voor de gewone zeehond kan niet worden gesteld dat deze gebieden van essentieel belang zijn voor de soort. Voor deze gebieden geldt dat deze wat de ecologische functies betreft niet zijn te onderscheiden van de rest het leefgebied van de gewone zeehond binnen de Nederlandse exclusieve economische zone. In deze gebieden zijn geen droogvallende platen aanwezig waardoor ze geen rust- of voortplantingsfunctie hebben voor de soort. De Vlakte van de Raan dient mogelijk wel als foerageergebied voor de dieren die elders in het Deltagebied van rustgebieden gebruik maken of door het gebied trekken.
Zuid-West Nederland herbergt geen levensvatbare populatie. De oorzaak hiervan is een te laag geboortecijfer in het Deltagebied, waardoor de kleine populatie zichzelf niet in stand kan houden. In het Deltagebied wordt gestreefd naar een regionale populatie van ten minste 200 exemplaren, waarbij de Voordelta (113) de grootste bijdrage levert. Om dit doel te bereiken zal in de gebieden Voordelta, Oosterschelde (118) en Westerschelde & Saeftinghe (122) het areaal aan onverstoord gebied moeten toenemen zodat deze gebieden meer geschikt worden voor voortplanting. Voor de voortplanting zijn ongestoorde, permanent of bijna altijd droogvallende platen noodzakelijk.
In Duinen Goeree & Kwade Hoek (101) en Grevelingen (115) is behoud van de kwaliteit van het leefgebied en behoud van de populatie voldoende, omdat deze gebieden alleen van belang zijn als foerageer- en rustgebied en als zodanig al goed functioneren.
A138 Strandplevier Charadrius alexandrinus (broedvogel) Landelijke doelstelling: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Omvang leefgebied | Kwaliteit leefgebied | Populatie | Besluit |
001 | Waddenzee | uitbreiding | verbetering | 15 | conform ontwerp |
002 | Duinen en Lage Land Texel | uitbreiding | verbetering | 1 | conform ontwerp |
003 | Duinen Vlieland | uitbreiding | verbetering | 5 | conform ontwerp |
004 | Duinen Terschelling | uitbreiding | verbetering | 10 | conform ontwerp |
006 | Duinen Schiermonnikoog | uitbreiding | verbetering | 5 | conform ontwerp |
007 | Noordzeekustzone | uitbreiding | verbetering | 20 | conform ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | 220 a | conform ontwerp |
109 | Haringvliet | behoud | behoud | 220 a | conform ontwerp |
114 | Krammer-Volkerak | behoud | behoud | 220 a | concept-ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | 220 a | concept-ontwerp |
118 | Oosterschelde | uitbreiding | verbetering | 220 a | conform ontwerp |
120 | Zoommeer | behoud | behoud | 220 a | concept-ontwerp |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | 220 a | conform ontwerp |
127 | Markiezaat | behoud | behoud | 220 a | conform ontwerp |
Voor de gebieden in de Zeeuwse Delta is ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding niet voor uitbreiding van de populatie Strandplevieren gekozen gezien de onzekerheid in de ontwikkelingen in het Deltagebied. Mogelijkheden voor verbetering kwaliteit leefgebied zullen wel worden onderzocht. Tevens is de sleutelpopulatie alleen op regionaal niveau gedefinieerd (gebaseerd op een 5 jaarsgemiddelde) vanwege het sterk wisselende voorkomen per gebied.
A130 Scholekster Haematopus ostralegus (niet-broedvogel) Landelijke doelstelling: behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied 23 | |||||
N2k-nr | Natura 2000-gebied | Omvang leefgebied | Kwaliteit leefgebied | Populatie | Besluit |
001 | Waddenzee | behoud | verbetering | 140-160.000 | conform ontwerp |
038 | Uiterwaarden IJssel | behoud | behoud | 210 | concept-ontwerp |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | behoud | behoud | 790 | conform ontwerp |
113 | Voordelta | behoud | behoud | 2.500 | conform ontwerp |
115 | Grevelingen | behoud | behoud | 560 | concept-ontwerp |
118 | Oosterschelde | behoud | behoud | 24.000 | conform ontwerp |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | behoud | behoud | 7.500 | conform ontwerp |
De staat van instandhouding voor de Scholekster is op de aspecten populatie en leefgebied beoordeeld als respectievelijk ‘zeer ongunstig’ en ‘matig gunstig’. In Nederland is de populatie Scholeksters fors afgenomen (bij een internationale toename) in relatie tot verminderd voedselaanbod in de intergetijdegebieden (schelpdieren). Alleen voor de Waddenzee is een verbeteropgave geformuleerd voor de kwaliteit van het leefgebied, vanwege het relatief grote belang van dit gebied en omdat de mogelijkheden voor verbetering kwaliteit in het Deltagebied beperkt zijn (met name zandhonger Oosterschelde). In de Natura 2000-gebieden Uiterwaarden IJssel, Duinen Goeree & Kwade Hoek, Voordelta en Grevelingen zijn bovendien geen aanwijzingen voor afname van de populaties of voor vermindering kwaliteit leefgebied (zelfs aantalstoename in gebieden Uiterwaarden IJssel en Duinen Goeree & Kwade Hoek sinds resp. 1980/81 en 1990/91).
Overige niet-broedvogelsoorten Landelijke doelstelling: behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied | |||||
Vogelsoort | Aantal gebieden | Natura 2000-populatiea | % Duinen Goeree & kwade Hoek | Omvang leefgebied | Kwaliteit leefgebied |
A005 Fuut b | 24 | 5.559 | 1,1% | behoud | behoud |
A017 Aalscholver | 26 | 16.905 | 1,5% | behoud | behoud |
A034 Lepelaar | 22 | 1.164 | 1,7% | behoud | behoud |
A043 Grauwe gans | 31 | 49.191 | 0,5% | behoud | behoud |
A045 Brandgans c | 26 | 67.680 | 0,2% | behoud | behoud |
A048 Bergeend | 14 | 51.500 | 0,5% | behoud | behoud |
A052 Wintertaling d | 24 | 10.332 | 5,1% | behoud | behoud |
A054 Pijlstaart e | 25 | 9.579 | 2,1% | behoud | behoud |
A056 Slobeend | 38 | 4.028 | 0,5% | behoud | behoud |
A132 Kluut e | 17 | 9.500 | 1,9% | behoud | behoud |
A137 Bontbekplevier | 10 | 3.000 | 4,3% | behoud | behoud |
A141 Zilverplevier | 8 | 28.900 | 0,4% | behoud | behoud |
A144 Drieteenstrandloper f | 6 | 6.675 | 1,2% | behoud | behoud |
A149 Bonte strandloper | 8 | 237.600 | 0,3% | behoud | behoud |
A157 Rosse grutto | 7 | 60.600 | 0,2% | behoud | behoud |
A160 Wulp | 17 | 89.600 | 0,5% | behoud | behoud |
A162 Tureluur | 9 | 20.790 | 1,9% | behoud | behoud |
Natura 2000-populatie is afgeleid van SOVON & CBS (2005). Het weergegeven aantal is berekend door het landelijk seizoensgemiddelde 99/00-03/04 te vermenigvuldigen met het aandeel van Nederland in Vogelrichtlijngebieden.
Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd, vanwege slechte stuurbaarheid van vermoedelijke oorzaken (Natura 2000 doelendocument (2006), p201).
In vergelijking met het ontwerpbesluit is voor de brandgans tevens een draagkrachtinschatting opgenomen voor de slaapplaatsfunctie van het gebied (SOVON & CBS, 2005).
Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd. De matig ongunstige staat van instandhouding is gebaseerd op een populatie-afname die niet leidt tot een waarde van minder dan 75% van de draagkracht indicatie. (Natura 2000 doelendocument (2006), p204).
Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd, omdat de matig ongunstige staat van instandhouding alleen gebaseerd is op toekomstverwachting (Natura 2000 doelendocument (2006), p204/207).
Ondanks de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is landelijk een behoudsdoelstelling geformuleerd, omdat de internationale populatie stabiel is en de soort in Nederland een doorgaande toename laat zien (Natura 2000 doelendocument (2006), p209).
De gebiedsdoelen zijn in overeenstemming met de landelijke doelstelling.
Bij de Rosse grutto (A157) stond in het ontwerp-aanwijzingsbesluit per abuis vermeld dat het gebied een draagkracht moet hebben ten behoeve van gemiddeld 120 vogels. Dit moet zijn ten behoeve van 130 vogels, zoals het gemiddelde van de periode ’99-’03 (SOVON & CBS, 2006).
LEGENDA: Artikel | Noemer |
Indicatief/exact | |
GIO-id24 | |
1, eerste lid | Duinen Goeree & Kwade Hoek – Habitatrichtlijngebied |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2024/N2000_DuinenGoereeKwadeHoek_HR/nld@2024‑07‑01 | |
2, eerste lid | Duinen Goeree & Kwade Hoek – Vogelrichtlijngebied |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2024/N2000_DuinenGoereeKwadeHoek_VR/nld@2024‑07‑01 | |
3, tweede lid | Natura 2000-gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek |
Exact | |
/join/id/regdata/mnre1153/2024/N2000_DuinenGoereeKwadeHoek_N2000/nld@2024‑07‑01 |
Dit besluit betreft de vaststelling van een nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit voor het Habitatrichtlijngebied Duinen Goeree en Kwade Hoek, het Vogelrichtlijngebied Duinen Goeree en Kwade Hoek en het Natura 2000-gebied Duinen Goeree en Kwade Hoek, maar nu gepubliceerd met behulp van de nieuwe digitale standaard voor officiële publicaties: de Standaard Officiële Publicaties (STOP). Het besluit wordt inhoudelijk ongewijzigd vastgesteld. Dit aanwijzingsbesluit is de bijlage bij dit besluit. De nieuwe tekst is enkel een redactionele aanpassing, en brengt geen wijziging met enig rechtsgevolg met zich ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. De reden voor de vaststelling van deze nieuwe tekst van het geldende aanwijzingsbesluit is, dat in het kader van de Omgevingswet wordt overgegaan op nieuwe digitale standaarden voor de vormgeving van besluiten.
Op de voorbereiding van dit besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond van artikel 16.25a van de Omgevingswet niet van toepassing, omdat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het betreft geen wijzigingen die leiden tot een andere inhoudelijke reikwijdte dan het geldende aanwijzingsbesluit voor dit gebied: er is geen sprake van wijzigingen van de geldende begrenzing of van instandhoudingsdoelstellingen. De tekst betreft enkel een redactionele aanpassing. In zoverre is dus ook geen sprake van zelfstandige rechtsgevolgen ten opzichte van het geldende besluit. Belanghebbenden die menen dat er wel sprake is van relevante wijzigingen en nieuwe rechtsgevolgen, kunnen evenwel met een bezwaarschrift eventuele bedenkingen tegen het besluit naar voren te brengen en de beslissing op het bezwaarschrift in een beroepsprocedure door de bestuursrechter laten toetsen.
Dit betreft een geconsolideerde versie van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, inclusief wijzigingen die sindsdien op de Richtlijn van toepassing zijn. Met uitzondering van de bijlagen en verwijzingen is de tekst van de Richtlijn inhoudelijk niet gewijzigd. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2008): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
Hof van Justitie EG ,7 november 2000, First Corporate Shipping, zaak C-371/98, punten 15 en 25. Terug naar link van noot.
Beschikking van de Commissie 2004/813/EG van 7 december 2004 tot vaststelling op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (Pb 29‑12‑2004, L 387/1). Terug naar link van noot.
Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, Pb EG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PB EG L 80, 21.3.2007, p. 15); prioritaire habitattypen zijn met een sterretje (*) aangeduid. Terug naar link van noot.
Bijlagen I en II laatstelijk aangepast op 20 november 2006, Richtlijn 2006/105/EG, Pb EG L 363, 20.12.2006, p. 368-405 (zie ook rectificatie PB EG L 80, 21.3.2007, p. 15);
prioritaire habitattypen zijn met een sterretje (*) aangeduid. Terug naar link van noot.
De selectiecriteria zijn verder uitgewerkt in het Verantwoordingsdocument (2003). Terug naar link van noot.
Het Natura 2000-landschap van het gebied waarop dit besluit betrekking heeft, staat vermeld in paragraaf 3.2 van deze Nota van toelichting. Terug naar link van noot.
In de tabellen 5.2 t/m 5.9 zijn per landschap de kernopgaven vermeld: allereerst de kernopgaven op landsschapsschaal (5.2.1, 5.3.1 enz.) en vervolgens de toedeling aan de gebieden (5.2.2, 5.3.2 enz.). Terug naar link van noot.
Nota van Antwoord Vogelrichtlijn (2000), bijlage 1, Selectiecriteria en methode van begrenzing. Terug naar link van noot.
De Nota van Antwoord (2000) vermeldt 43 soorten waarvoor gebieden zijn aangewezen. Sindsdien zijn twee soorten aan bijlage I toegevoegd waarvoor ook reeds gebieden waren aangewezen (Strandplevier en Dwergmeeuw). Tenslotte zullen ook voor de Dwerggans nog gebieden worden aangewezen. Terug naar link van noot.
SOVON & CBS 2005. Trends van vogelaantallen in het Nederlandse Natura 2000 netwerk. SOVON-informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Terug naar link van noot.
Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Terug naar link van noot.
In de tabellen en toelichtende tekst van Bijlage B.2 en B.3 van deze nota van toelichting wordt steeds gerefereerd aan Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (007). In die gevallen dat in de toelichtende tekst alleen “Noordzeekustzone (007)” of “Noordzeekustzone” vermeld wordt, dus zonder aparte vermelding van “Noordzeekustzone II”, betreft het telkens het uitgebreide Natura 2000-gebied. Terug naar link van noot.
In het Natura 2000 Doelendocument (2006) zijn deze twee beoordelingen abusievelijk verwisseld. Terug naar link van noot.
Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.
Nadere toelichting over de “ten gunste formulering” wordt gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006), p. 35/37. Terug naar link van noot.
Landelijk doel gewijzigd: Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen (Stcrt. 2010, 2212). Terug naar link van noot.
Knelpunten- en kansenanalyse Natura 2000-gebieden; Natura 2000-gebied 101 - Duinen Goeree & Kwade hoek. Kiwa Water Research, Nieuwegein/ EGG, Groningen). Terug naar link van noot.
Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Voordelta (Stcrt. 2008, 41). Terug naar link van noot.
Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Voordelta (Stcrt. 2008, 41), bijlage B.4.2. Terug naar link van noot.
De landelijke doelstelling voor “omvang leefgebied” is gewijzigd in “behoud” omdat het uitsluitend een kwaliteitsprobleem betreft. Leefgebied (H1110A of H1140A) is in onvoldoende mate aanwezig. Terug naar link van noot.
Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_waterkwaliteit/nld@2019‑11‑01). Terug naar link van noot.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2024-39718.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.