Regeling van de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 december 2024, nr. WJZ/ 90135892 tot wijziging van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 in verband met het invoegen van subsidietitel 2.14, en enkele wijzigingen in de hoofdstukken 2, 5 en 7

De Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op verordening (EU), nr. 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231) en verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (PbEU 2021, L 231);

Gelet op artikel 4:89, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 2 en 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies en de artikelen 3, eerste, derde en vierde lid, 5 en 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluiten:

ARTIKEL I

De Subsidieregeling JTF 2021–2027 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2.3.6, eerste lid, wordt ‘31 oktober 2024’ vervangen door ‘31 januari 2025’.

B

Aan hoofdstuk 2 wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 2.14. Steun aan subsidie-instrumenten voor bevordering van onderzoek en ontwikkeling in het midden- en kleinbedrijf

Artikel 2.14.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

TJTP:

territoriaal plan voor een rechtvaardige transitie voor JTF-regio Groningen-Emmen 2021–2027, zoals opgenomen als bijlage bij het nationaal JTF-programma 2021–2027;

Operationeel programma JTF Groningen-Emmen:

prioriteit 1, Groningen-Emmen van het door de Europese Commissie goedgekeurde Programma JTF 2021–2027.

Artikel 2.14.2. Doel subsidie
  • 1. Het doel van de subsidie op grond van deze titel is om het TJTP en het Operationeel programma JTF Groningen-Emmen uit te voeren ten aanzien van een subsidie-instrument dat nodig is voor bevordering van onderzoek en ontwikkeling in het MKB in de JTF-regio Groningen-Emmen.

  • 2. Projecten waaraan op basis van deze titel subsidie wordt verleend, leiden tot extra investeringen in onderzoek en ontwikkeling door het MKB in de JTF-regio Groningen-Emmen.

Artikel 2.14.3. Doelgroep

De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie aan bestuursorganen voor een project.

Artikel 2.14.4. Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze titel kan worden verstrekt voor het opzetten en uitvoeren van een stimuleringsregeling ten behoeve van bevordering van onderzoek en ontwikkeling in het MKB in de JTF-regio Groningen-Emmen.

Artikel 2.14.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling
  • 1. Het subsidieplafond bedraagt € 6.000.000.

  • 2. De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 1.18.

Artikel 2.14.6. Aanvraagperiode
  • 1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode vanaf 6 januari 2025 09.00 uur tot en met 31 maart 2025 17.00 uur.

  • 2. Aanvragen worden ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is in het www.jtf-webportal.nl/mijn/ of via www.snn.nl.

Artikel 2.14.7. Hoogte van de subsidie
  • 1. De subsidie bedraagt maximaal 50 procent van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie bedraagt ten hoogste € 6.000.000 per project.

Artikel 2.14.8. Starttermijn en looptijd
  • 1. Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen drie maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking.

  • 2. De uitvoering van het project is uiterlijk 1 juli 2029 voltooid.

  • 3. Op verzoek van de subsidieontvanger kan de Minister van SZW de termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid, verlengen.

Artikel 2.14.9. Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 1.25 beslist de Minister van SZW afwijzend op een aanvraag, indien:

  • a. de activiteiten niet hoofdzakelijk worden verricht in of ten behoeve van de JTF-regio Groningen-Emmen, bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel a;

  • b. de aan het project te verlenen subsidie minder bedraagt dan € 3.000.000;

  • c. er onvoldoende vertrouwen is in de technische of economische haalbaarheid van het project; of

  • d. niet aannemelijk is dat alle projectactiviteiten van het project uiterlijk 1 juli 2029 volledig ten uitvoer kunnen zijn gebracht.

Artikel 2.14.10. Beoordelingscriteria
  • 1. Gelet op artikel 1.20, tweede lid, wordt een project uitsluitend beoordeeld op de onderdelen a, c, e en f van artikel 1.20, eerste lid.

  • 2. Gelet op artikel 1.20, derde lid, bedraagt het maximale aantal punten per onderdeel als bedoeld in het eerste lid ten hoogste:

    • a. voor criterium a maximaal 55 punten;

    • b. voor criterium c maximaal 15 punten;

    • c. voor criterium e maximaal 15 punten;

    • d. voor criterium f maximaal 15 punten.

Artikel 2.14.11. Voorschot
  • 1. De Minister van SZW verleent op aanvraag, vooruitlopend op te maken kosten als bedoeld in artikel 1.30, een voorschot van 20 procent van de verleende subsidie.

  • 2. De Minister van SZW kan onderbouwd afwijken van de in het eerste lid genoemde verstrekking van het voorschot. In ieder geval wordt geen voorschot verleend wanneer de verleningsbeschikking één of meerdere opschortende of ontbindende voorwaarden bevat.

  • 3. De Minister van SZW verleent op aanvraag opvolgende voorschotten op basis van gemaakte en betaalde kosten, conform artikel 1.31. In afwijking van artikel 1.31, bedraagt het totaalbedrag aan voorschotten maximaal 80 procent van het verleende subsidiebedrag.

Artikel 2.14.12. Subsidieaanvraag
  • 1. Onverminderd artikel 1.22 bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

    • a. een volledig ingevuld aanvraagformulier;

    • b. de bij het aanvraagformulier behorende documenten als bijlagen.

Artikel 2.14.13. Staatssteun

De subsidie bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 18 en 25 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.14.14. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.

C

Artikel 5.4.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt ten minste € 6.800.000 en kan worden verhoogd met onbenut budget dat resteert uit het budget uit dit artikel voor de aanvraagperiode die sloot op 30 september 2024.

2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot tweede en derde lid.

3. In het derde lid (nieuw) wordt ‘15 oktober 2024’ vervangen door ‘16 juni 2025’.

D

In artikel 5.4.6, eerste lid, wordt ‘1 april 2024’ vervangen door ‘16 december 2024’ en ‘30 september 2024’ vervangen door ‘28 mei 2025’.

E

In artikel 5.4.9, derde lid, wordt ‘31 december 2026’ vervangen door ‘30 juni 2027’.

F

Artikel 7.4.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt ten minste € 8.000.000 en kan worden verhoogd met onbenut budget dat resteert uit het budget uit dit artikel voor de aanvraagperiode die sloot op 30 september 2024.

2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot tweede en derde lid.

3. In het derde lid (nieuw) wordt ‘15 oktober 2024’ vervangen door ‘16 juni 2025’.

G

In artikel 7.4.6, eerste lid, wordt ‘1 april 2024’ vervangen door ‘16 december 2024’ en ‘30 september 2024’ vervangen door ‘28 mei 2025’.

H

Artikel 7.4.11 komt te luiden:

Artikel 7.4.11. Beoordelingscriteria

  • 1. Gelet op artikel 1.20, derde lid, kent de Minister van SZW per onderdeel maximaal de volgende hoeveelheid punten toe:

    • a. voor de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027: 20 punten;

    • b. voor de mate waarin het project sociaal-economisch integraal is: 15 punten;

    • c. voor de hoogte van het economisch en financieel toekomstperspectief: 15 punten;

    • d. voor de kwaliteit van het projectplan: 25 punten;

    • e. voor de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 25 punten.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, kent de Minister van SZW, indien de aangevraagde subsidie voor het project voor meer dan 50 procent bestaat uit een of meer acties als bedoeld in artikel 7.4.4, eerste lid, onderdelen a en b, per onderdeel maximaal de volgende hoeveelheid punten toe:

    • a. voor de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027: 15 punten;

    • b. voor de mate waarin het project sociaal-economisch integraal is: 15 punten;

    • c. voor de hoogte van het technische en sociale innovatiegehalte van het project: 15 punten;

    • d. voor de hoogte van het economisch en financieel toekomstperspectief: 15 punten;

    • e. voor de kwaliteit van het projectplan: 20 punten;

    • f. voor de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 20 punten.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 9 december 2024

De Minister van Economische Zaken, D.S. Beljaarts

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel

TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inhoud regeling

Met deze wijzigingsregeling worden de hoofstukken 2, 5 en 7 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 gewijzigd.

In hoofdstuk 2 wordt voor titel 2.3 de openstellingstermijn verlengd. Daarnaast wordt aan hoofdstuk 2 titel 2.14 toegevoegd, zie hiervoor paragraaf 1.1 van het algemene deel van deze toelichting. Hoofdstuk 2 ziet op de JTF-regio Groningen-Emmen.

In hoofdstuk 5 worden enkele artikelen aangepast in titel 5.4, waardoor het opnieuw openstellen van deze titel. Hoofdstuk 5 ziet op de JTF-regio West-Noord-Brabant. In hoofdstuk 7 worden enkele aanpassingen gedaan in titel 7.4. Hoofdstuk 7 ziet op de JTF-regio Zuid-Limburg.

1.1. Titel 2.14. Steun aan subsidie-instrumenten voor bevordering van onderzoek en ontwikkeling in het midden- en kleinbedrijf
1.1.1. Inleiding en doel

Het Just Transition Fund voor de regio Groningen-Emmen richt zich op een nieuw, economisch en groen perspectief. De RIS3 is de ‘Research & Innovation Strategy for Smart Specialization’, een overkoepelende innovatiestrategie, voor Noord-Nederland. Kenmerkend voor RIS3 2021–2027 is het uitgangspunt te werken aan grote maatschappelijke vraagstukken, de ’transities’. De vier transities uit de RIS3 zijn:

  • 1. van een lineaire naar een circulaire economie;

  • 2. van fossiele naar hernieuwbare energie;

  • 3. van zorg naar duurzame gezondheid;

  • 4. van analoog naar digitaal.

Hieronder volgt een korte toelichting per transitie:

  • 1. Van een lineaire naar een circulaire economie: inzet op minder, ander en optimaal en intensief grondstoffen- en materialengebruik. De circulaire economie biedt kansen voor de economie op het gebied van onder meer recycling, watertechnologie, duurzame energie, health, landbouw en groene chemie en draagt bij aan een groener en schoner Noord-Nederland. Via innovatie worden positieve effecten beoogd op luchtkwaliteit, stikstof/CO2 uitstoot en biodiversiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om innovaties rond de ontwikkeling van niet-dierlijke eiwitten. Om de doelstelling 100 procent circulair in 2050 te behalen volstaan hergebruik en bestaande technologieën niet en zijn ook nieuwe innovaties nodig. Op elk van de genoemde terreinen zijn er investeringsbehoeften die partijen die rond deze thema’s in ketenbenaderingen actief zijn, in staat stellen kansen te benutten.

  • 2. Van fossiele naar hernieuwbare energie: om de doelstellingen op het vlak van CO2-reductie in 2030 en 2050 te halen én gezien de regio specifieke kenmerken ligt hier een belangrijke innovatiekans. Noord-Nederland heeft relatief veel biomassa (organische stoffen uit de landbouw), water en aardwarmtebronnen. De energiesector vormt een belangrijk onderdeel van de ruimtelijk- en sociaaleconomische structuur. Noord-Nederland heeft mede door de gaswinning een sterk ontwikkelde energie infrastructuur en daaraan gerelateerde kennis en kunde. Noord-Nederland loopt voorop in de ontwikkeling van groene waterstofproductie, transport en toepassingen. Specifieke kansen zijn er bijvoorbeeld op het gebied van groene chemie, watertechnologie, milieutechnologie en voedselchemie.

  • 3. Van zorg naar duurzame gezondheid: de groeiende vraag naar zorg en de steeds krapper wordende arbeidsmarkt zetten het zorgsysteem onder druk. COVID-19 heeft die druk fors verhoogd en zwaktes in het systeem blootgelegd. De urgentie om te komen tot snellere en betere uitwisseling van capaciteits- en patiënt gerelateerde data, het versterken van de rol en informatiepositie van burgers en patiënten daarbij en een verschuiving van zorg naar gezondheid (preventie) is door COVID-19 nog verder toegenomen. Daarvoor zijn innovaties noodzakelijk. Hier liggen ontwikkelkansen voor Noord-Nederland, ook gerelateerd aan de toepassing van digitale technologieën.

  • 4. Van analoog naar digitaal: er is een ingrijpende transitie gaande naar een digitale economie die raakt aan elk maatschappelijk vraagstuk en elke sector, zoals ook zichtbaar in de EU-strategie, uitgestippeld in de EU Digital Compass. De kansen voor Noord-Nederland liggen niet op het gebied van sleuteltechnologieën, maar op het gebied van toepassing van digitale technologieën en daaruit afgeleide kansen. Dit werkt twee kanten op: het aanhaken van MKB bij de digitaliseringstransities en het benutten van ICT-gerelateerde kansen. Dit laatste kan bijvoorbeeld in de energie-intensieve procesindustrie waar digitalisering, sensoren en data steeds belangrijker worden om zicht te krijgen op het energiegebruik in het productieproces en om besparingskansen te identificeren.

    Deze transities moeten overigens niet opgevat worden als een sectorale afbakening. Een nadere toelichting staat in de RIS3 2021–2027.

De projectresultaten van het project dienen vooral ten goede te komen aan de JTF-regio Groningen-Emmen. Wanneer de activiteiten in deze regio worden uitgevoerd, en het project daar plaatsvindt, dan wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan. Bij projecten waar niet alle, of geen activiteiten in de JTF-regio Groningen-Emmen worden uitgevoerd is van belang waar de resultaten van het project terecht komen: dit dient aantoonbaar in belangrijke mate in de JTF-regio Groningen-Emmen te zijn. Dit kunnen bijvoorbeeld de eigendomsrechten zijn, maar ook de productie van een bepaald product. Dit dient door de aanvrager(s) in de aanvraag te worden uitgelegd en onderbouwd.

Deze openstelling richt zich op bevordering van onderzoek en ontwikkeling in het MKB in de JTF-regio Groningen-Emmen. Dit zorgt voor een diversificatie en een concurrerender MKB dat groener en schoner kan produceren, minder CO2 uitstoot en efficiënter kan produceren.

De projectresultaten van het project dienen ten goede te komen aan de JTF-regio Groningen- Emmen. De te ontwikkelen subsidieregeling dient zich dus te richten op bedrijven die in deze regio gevestigd zijn.

1.1.2. Projecten

Deze subsidietitel is erop gericht het bedrijfsleven te stimuleren te investeren in onderzoek en ontwikkeling.

Bestuursorganen als bedoeld in artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht worden opgeroepen om invulling te geven aan een instrument dat hieraan een significante bijdrage levert. Dit instrument dient zich vooral te richten op de TRL-levels 4 tot en met 7, waarbij de nadruk dient te liggen op het ontwikkelen van:

  • een (voor een onderneming) nieuw product, nieuwe dienst of nieuw procedé;

  • het (voor een onderneming) aanmerkelijk vernieuwen van bestaande producten, procedés of diensten. De vernieuwing heeft betrekking op een oplossing voor een technische onzekerheid;

  • het ontwikkelen van proof-of-concept software of embedded software;

  • het ontwikkelen, bouwen en testen van een fysiek prototype en het testen en valideren hiervan in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, zolang het doel het aanbrengen van verdere technische verbeteringen is, die niet grotendeels vast staan.

1.1.3. Vormgeving

De aanvragen worden op volgorde van ontvangst in de openstellingsperiode beoordeeld, volgens het zogenaamde ‘molenaarsprincipe’. Aanvragen worden na compleetheid beoordeeld op grond van vooraf kenbaar gemaakte criteria. Projecten die voldoen aan de minimale vereisten, waaronder een score van minimaal 70 van de 100 punten, worden op volgorde van ontvangst beschikt totdat het voor deze subsidietitel geldende subsidieplafond is bereikt.

Bij het uitvoeren van deze uitvoeringsregeling wordt gebruik gemaakt van een deskundigencommissie. De deskundigencommissie adviseert de Minister van SZW.

Een belangrijk punt dat samenhangt met de inschakeling van een deskundigencommissie, is het feit dat de beoordeling (advisering) bestaat uit drie fasen. Eerst wordt een compleetheidstoets gedaan door het Samenwerkingsverband Noord-Nederland. Vervolgens wordt het project voorgelegd aan de deskundigencommissie die het project inhoudelijk op kwaliteit beoordeelt en advies geeft ten aanzien van de beoordelingscriteria die zijn opgenomen in artikel 2.14.10.

Indien de Minister van SZW, op advies van de deskundigencommissie, besluit minimaal 70 punten aan het project toe te kennen, wordt ten slotte in de derde stap het project financieel-technisch getoetst. Beoordeeld wordt of het project voldoet aan de eisen om los van de beoordelingscriteria, voor subsidie in aanmerking te komen. Denk hierbij aan de staatssteunregelgeving, de uitvoeringsperiode, de maximaal gevraagde subsidie en sluitendheid van de financiering. In dit kader wordt ook getoetst of de begrote projectkosten voldoen aan de van toepassing zijnde regelgeving. Als na de inhoudelijke toetsing ook de financieel-technische toetsing positief blijkt, dan kan subsidie worden verleend en volgt de verleningsbeschikking. Indien hiertoe aanleiding is kan een afwijkende werkwijze worden gevolgd.

2. Staatssteun

Het is noodzakelijk dat er toetsing plaatsvindt op staatssteunaspecten. In artikel 1.4 van deze subsidieregeling zijn alle relevante artikelen uit de Algemene groepsvrijstellingverordening opgenomen die van toepassing kunnen worden verklaard. De intermediaire instantie beoordeelt de projecten bij aanvraag op de regionale bepalingen en beoordelen of het verlenen van staatssteun geoorloofd is.

Een belangrijke voorwaarde bij deze regeling is dat wanneer op grond van staatssteunbeperkingen (zoals de Algemene groepsvrijstellingsverordening of de de-minimisverordening) een lager maximumpercentage aan subsidie geldt, het geldende (lagere) percentage wordt aangehouden bij de subsidieverlening.

Er kan ten aanzien van staatssteun in het algemeen sprake van zijn drie situaties: geen staatssteun (geen economische activiteiten), geoorloofde staatssteun of ongeoorloofde staatssteun. Steun kan worden verleend wanneer geen sprake is van staatssteun of wanneer de steun past binnen geldende staatssteunregels. De bepaling van de (maximale) steun wordt per begunstigde uitgevoerd, wat inhoudt dat de (maximale) subsidiepercentages kunnen verschillen tussen de projectpartners. Op basis van deze berekening wordt vervolgens het subsidiepercentage en subsidiebedrag voor het project als geheel bepaald.

3. Regeldruk

3.1. Titel 2.14. Steun aan subsidie-instrumenten voor bevordering van onderzoek en ontwikkeling in het midden- en kleinbedrijf

Uitgaande van een aanvraag met subsidietoekenning van € 6.000.000 is de verwachting dat er één aanvraag wordt ingediend met een duur van vijf jaar. Binnen deze openstelling geldt dat er één aanvraag, één wijziging, negen voortgangsrapportages en één eindrapportage gemaakt moet worden. Samen kost dit in totaal 660 uur per aanvraag voor € 67 per uur, hetgeen resulteert in een kostenpost van € 44.220. Het betreft de kosten aan de kant van de aanvrager voor indienen, verantwoorden en vast laten stellen. Uitgangspunt is verplicht gebruik van Simplified Cost Option (SCO) of integrale kostensystematiek (IKS) voor loonkosten.

3.2. Titel 5.4. Subsidietitel voor steun onder Spoor 1, 2 en 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio West-Noord-Brabant

Onder deze titel wordt uitgegaan van een gemiddelde aanvraag met drie projectpartners en een duur van 2,5 jaar en twintig aanvragen, daarbij geldt per aanvrager dat er één aanvraag, één wijziging, vijf voortgangsrapportages en één eindrapportage gemaakt moet worden samen kost dit 250 uur per aanvraag voor gemiddeld twee personen aan € 67 per uur, hetgeen resulteert in 500 uur maal € 67 per aanvraag. Er wordt uitgegaan uit van maximaal vijftien gehonoreerde aanvragen binnen deze module. Deze rekensom resulteert daarmee in € 502.500 administratieve lasten afgerond. Dit zijn dus uitsluitend de kosten aan de kant van de aanvragen voor indienen, verantwoorden en vast laten stellen. Uitgangspunt is verplicht gebruik van SCO of de IKS voor loonkosten.

3.3. Titel 7.4. Subsidietitel voor steun onder spoor 1, 2 en 3 uit het Territoriaal Just Transition Plan voor de regio Zuid-Limburg

Onder deze titel wordt uitgegaan van een gemiddelde aanvraag met drie projectpartners en een duur van 2,5 jaar en veertien aanvragen, daarbij geldt per aanvrager dat er één aanvraag, één wijziging, vijf voortgangsrapportages en één eindrapportage gemaakt moet worden samen kost dit 250 uur per aanvraag voor gemiddeld twee personen aan € 67 per uur, hetgeen resulteert in 500 uur maal € 67 per aanvraag. Er wordt uitgegaan uit van maximaal tien gehonoreerde aanvragen binnen deze module. Deze rekensom resulteert daarmee in € 335.000 administratieve lasten afgerond. Dit zijn dus uitsluitend de kosten aan de kant van de aanvragen voor indienen, verantwoorden en vast laten stellen. Uitgangspunt is verplicht gebruik van SCO of de IKS voor loonkosten.

4. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst. Met de datum van publicatie en inwerkingtreding wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van een kwartaal in werking treden en twee maanden voordien bekend worden gemaakt. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep van deze regeling gebaat is bij spoedige inwerkingtreding.

II. ARTIKELEN

De onderhavige wijzigingen van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 worden hierna, waar nodig, toegelicht.

Artikel I, onderdeel A (artikel 2.3.6)

Met dit onderdeel wordt de sluitingsdatum van de openstelling verlengd van 31 oktober 2024 naar 31 januari 2025.

Artikel I, onderdeel B (titel 2.14)

Dit onderdeel introduceert titel 2.14 in hoofdstuk 2. Dat hoofdstuk ziet op de JTF-regio Groningen-Emmen.

Artikel 2.14.1. Begripsomschrijvingen

In de begripsomschrijvingen worden de transities benoemd, zoals beschreven in de RIS3 2021–2027. Deze vier transities vormen het kader waarbinnen deze subsidietitel wordt uitgevoerd. Een nadere toelichting op de vier transities wordt gegeven in paragraaf 1.1.1 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 2.14.8. Starttermijn en looptijd

In de verleningsbeschikking zal een einddatum voor het project worden opgenomen, gebaseerd op hetgeen in de aanvraag is aangegeven als de datum waarop het project reëel voltooid zal zijn. De einddatum is medebepalend voor de periode waarin subsidiabele kosten gedeclareerd kunnen worden.

Het is aan de aanvrager om in de aanvraag voldoende te onderbouwen dat de opgegeven periode noodzakelijk is voor het project en dat het project binnen de opgegeven periode volledig kan worden afgerond.

In het eerste lid is bepaald dat met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen drie maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking en een project duurt tot maximaal 1 juli 2029 (tweede lid).

In het derde lid is bepaald dat de Minister van SZW de termijn uit het eerste en het tweede lid kan verlengen.

Artikel 2.14.9. Afwijzingsgronden

De projectresultaten van het project dienen vooral ten goede te komen aan de JTF-regio Groningen- Emmen. Ook van belang is dat een project technisch en economisch haalbaar is. Hierop wordt het project beoordeeld. Een project dient obstakelvrij te zijn om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Dit houdt in dat er geen wezenlijk formele, juridische en financiële aspecten mogen zijn die uitvoering van het project in de weg staan. De haalbaarheid van het project dient aldus expliciet door de aanvrager aannemelijk gemaakt te worden.

Verder moet duidelijk zijn dat het project fysiek voltooid moet kunnen zijn of dat alle concrete acties (de projectactiviteiten) medio 2029 volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd. Tevens dient te worden onderbouwd dat de opgegeven uitvoeringsduur noodzakelijk is om het project geheel ten uitvoer te kunnen leggen.

Artikel 2.14.10. Beoordelingscriteria

De projecten worden beoordeeld aan de hand van de volgende beoordelingscriteria (eerste lid):

  • bijdrage aan doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027 (onderdeel a);

  • de mate van innovatie (onderdeel c);

  • kwaliteit van het project (onderdeel e);

  • de bijdrage aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact (onderdeel f).

Het is van groot belang dat de aanvrager zorgdraagt voor een gedegen kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van de in de aanvraag gepresenteerde zaken. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van de beoordelingscriteria. Een complete en gedegen onderbouwing borgt dat de deskundigencommissie zich een goed oordeel kan vormen over een project en de mate waarin het project scoort op de beoordelingscriteria. Op basis van alle informatie die de aanvrager per criterium geeft, vormt de deskundigencommissie vervolgens één kwalitatief oordeel per criterium.

Onderdeel a. Bijdrage aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027

Bij het beoordelen van dit criterium wordt een oordeel gegeven over de passendheid van de aanvraag in het Programma JTF 2021–2027 en meer specifiek de bijdrage aan de doelstellingen en de bijbehorende resultaatindicatoren waar de openstelling op ziet. Bovenliggend kader voor het programma is het TJTP en de Regionale Innovatiestrategie (RIS3 2021–2027).

Binnen het Operationeel programma JTF Groningen-Emmen wordt beoogd om, met een subsidiebudget van € 15.000.000 in totaal, minimaal 135 ondernemingen te ondersteunen bij onderzoek en innovatie in hun onderneming, en te ondersteunen bij minimaal 81 product- of procesinnovaties in hun onderneming. De private bijdrage van de ondersteunde ondernemingen dient minimaal € 18.500.000 te bedragen. Deze openstelling heeft een subsidiebudget van € 6.000.000 (40 procent van het totaalbudget). U dient te onderbouwend dat uw aanvraag daarom minimaal 40 procent van de genoemde indicatorwaardes zal halen. De beoordeling op dit punt wordt nadrukkelijk gekoppeld aan de onderbouwing die in de aanvraag op deze punten wordt gegeven.

Onderdeel c. Mate van innovatie

Hierbij wordt met name gelet op de elementen:

  • stimuleert de subsidieregeling dat bedrijven versneld investeren in onderzoek en ontwikkeling;

  • zijn er vergelijkbare (concurrerende) subsidie-instrumenten.

Onderdeel e. Kwaliteit van het project

Hierbij wordt met name gelet op de elementen:

  • de kwaliteit van de aanvrager en het projectplan;

  • de planning van het project. Is deze realistisch en haalbaar en is er ruimte voor flexibiliteit/bijsturing;

  • zijn de risico’s die spelen bij de uitvoering van het project inzichtelijk gemaakt en wat betekenen deze risico’s voor de haalbaarheid van het project? Hoe worden de risico’s goed gemitigeerd;

  • de kwaliteit en ervaring van de beoogde uitvoerder van de subsidieregeling.

Onderdeel f. De bijdrage aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact.

De eerste stap in de beoordeling op duurzaamheid is bedoeld om te beoordelen of een project voldoet aan de basisvereisten die de Europese Commissie heeft geformuleerd op het gebied van duurzaamheid. Uit Europese en nationale richtlijnen volgt dat geen projecten mogen worden gesubsidieerd die een negatief effect hebben op (het zogeheten do no significant harm principe (DNSH) uit de verordening (EU) nr. 2021/1060) één van onderstaande aspecten:

  • efficiënt en circulair gebruik van hulpbronnen;

  • verhogen van de biodiversiteit, klimaatadaptie en mitigatie;

  • duurzaam watergebruik en beheer;

  • tegengaan van vervuiling van het milieu;

  • verbetering van de luchtkwaliteit en herstelvermogen voor rampen, risicopreventie en beheer.

Ook moet een project voldoen aan het bieden van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en mag er op geen enkele wijze discriminatie plaatsvinden. Aanvragers dienen in hun projectplan aan te geven op welke wijze zij borgen dat het project voldoet aan deze voorwaarden.

Bij het beoordelen van dit criterium wordt in de tweede stap vervolgens een kwalitatief en kwantitatief oordeel gegeven over de mate waarin er binnen het project sprake is van duurzame ontwikkeling. Hierbij dient duurzame ontwikkeling geïnterpreteerd te worden in overeenstemming met de definitie in het Brundtland Rapport1: Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld, in gevaar te brengen.

Ook wordt in de tweede stap gelet op:

  • de manier waarop en de mate het project erin slaagt economische en maatschappelijke doelstellingen met elkaar te verbinden en synergie weet te bewerkstelligen;

  • in hoeverre het project een bredere maatschappelijke impact heeft op de regio;

  • de manier waarop en de mate waarin in brede(re) zin wordt bijgedragen aan duurzame ontwikkeling. Hierbij gaat het om ecologische duurzaamheid (o.a. efficiënt gebruik van hulpbronnen, reductie van bijdrage aan CO2- en overige broeikasgassen, energiebesparing en/of), sociale duurzaamheid (onder andere gendergelijkheid en non-discriminatie) en economische duurzaamheid (onder andere bevordering van kennis).

Artikel 2.14.11. Voorschot

Indien aan een project een subsidie is toegekend zonder ontbindende/opschortende voorwaarden, kan vooruitlopend op het starten van het project worden verzocht om een voorschot van 20 procent van de verleende subsidie. Dit kan ook als bij projecten met ontbindende/opschortende voorwaarden, aan alle ontbindende/opschortende voorwaarden is voldaan.

Het derde lid geeft aan dat bevoorschotting plaatsvindt op basis van een verzoek dat tegelijkertijd met het indienen van een volledige voortgangsrapportage wordt gedaan. Bij een verzoek tot bevoorschotting worden de tot dan toe gemaakte, betaalde en gerapporteerde kosten als basis gebruikt voor de bepaling van het bedrag dat wordt uitbetaald. Het Ministerie van SZW kan ten opzichte van het verzoek kosten niet meenemen bij de berekening van het voorschot waarvan het Ministerie van SZW van mening is dat deze kosten niet subsidiabel zijn of dat nog niet duidelijk is of deze kosten aan het eind van het project subsidiabel gesteld kunnen worden. Op basis van de kosten die overblijven wordt vervolgens het uit te keren voorschotbedrag bepaald. Deze kosten worden hiertoe vermenigvuldigd met het effectieve subsidiepercentage, volgend uit de toegekende subsidie gedeeld op de totale subsidiabele kosten uit de aanvraag. Uit het feit dat een voorschot wordt verstrekt over kosten, volgt niet noodzakelijkerwijs dat deze kosten subsidiabel gesteld zullen worden bij de vaststelling van de subsidie.

Artikel 2.14.13. Staatssteun

Het is van belang om op basis van de projectbeschrijving duidelijk aan te geven of sprake is van staatssteun, onder welke steuncategorie(ën) het project valt en of ook aan de bijbehorende bepalingen van de Algemene groepsvrijstellingsverordening is voldaan.

Er kan ten aanzien van staatssteun in het algemeen sprake van zijn drie situaties: geen staatssteun (geen economische activiteiten), geoorloofde staatssteun of ongeoorloofde staatssteun. In de eerste twee gevallen is subsidieverlening toegestaan. Om staatssteun geoorloofd te laten zijn, dienen de projectactiviteiten binnen een vrijstellingskader te vallen.

Dat betekent dat steun kan worden verleend wanneer geen sprake is van staatssteun of wanneer de steun past binnen geldende staatssteunregels. Hierbij valt te denken aan de artikelen 18 of 25 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel I, onderdelen C en E (artikelen 5.4.5 en 7.4.5)

Met deze onderdelen wordt het subsidieplafond bekend gemaakt (eerste lid). Verder wordt het mogelijk gemaakt om resterend budget uit de openstelling die op 30 september 2024 sloot, in te zetten voor deze openstelling (eerste lid). De datum waarop de Minister van SZW de verschuivingen het beschikbare budget uiterlijk bekend maakt, is verschoven naar 15 oktober 2024 (derde lid (nieuw)).

Artikel I, onderdelen D en G (artikelen 5.4.6 en 5.4.6)

Met deze onderdelen wordt de openstellingsperiode bekend gemaakt.

Artikel I, onderdeel E (artikel 5.4.9)

Met dit onderdeel wordt artikel 5.4.9 gewijzigd. De datum waarop het project voltooid moet zijn, is aangepast. De projectperiode blijft hierdoor ongeveer gelijk als bij de eerdere openstelling van titel 5.4.

Artikel I, onderdeel H (artikel 7.4.11 nieuw)

Met artikel 7.4.11 (nieuw) wordt een splitsing gemaakt in de beoordeling voor artikel 7.4.4, eerste lid, onderdelen a en b (innovatie), en de overige activiteiten.

Artikel II

Met dit artikel wordt de inwerkingtreding geregeld. In paragraaf 4 van het algemeen deel van de toelichting is de inwerkingtreding nader toegelicht.

De Minister van Economische Zaken, D.S. Beljaarts

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel


X Noot
1

Our Common Future: Report of the World Commission on Environment and Development (un.org)

Naar boven