Het kantoor Geerlings & Hofstede Gerechtsdeurwaarders & Juristen, gevestigd te Amsterdam,
Overschiestraat 180, 1062 XK, heeft mij per brief van 1 oktober 2024 in kennis gesteld
dat het kantoor opdracht heeft gekregen tot het leggen van executoriaal derdenbeslag
ten laste van de staat naar vreemd recht Staat Eritrea, gevestigd te Asmara, Eritrea,
onder de besloten vennootschap GRAIDCO Global Relief, Aid & Development Company B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te (4691 SG) Tholen, aan het adres Energieweg 4.
Uit navraag blijkt dat dit beslag per proces-verbaal van 1 oktober 2024 is gelegd
door gerechtsdeurwaarder M.P.A. Knol, gerechtsdeurwaarder met vestigingsplaats Delft,
en aldaar kantoorhoudende aan de Wallerstraat 14c-16c, bij Gerechtsdeurwaarderskantoor
Van Beest, Knol & Vermeulen.
Ik acht deze ambtshandeling, na consultatie van mijn ambtgenoot van Buitenlandse zaken,
in strijd met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Nederlandse Staat. In het
geval van (voorgenomen) maatregelen ten aanzien van vermogensbestanddelen van een
vreemde staat geldt een presumptie van immuniteit. Dit brengt mee dat executiemaatregelen
tegen vermogensbestanddelen van vreemde staten zijn uitgesloten, tenzij en voor zover
de staat uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van zodanige maatregelen, de
staat vermogensbestanddelen heeft aangewezen of gereserveerd ter voldoening van de
desbetreffende vordering(en), of vastgesteld is dat de vermogensbestanddelen in het
bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan
niet-commerciële overheidsdoeleinden.
In dit kader zijn de artikelen 18 tot en met 21 van het Verdrag van de Verenigde Naties
inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (Trb. 2010, 272) relevant. Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht
van staten en hun eigendommen kan op dit punt worden aangemerkt als internationaal
gewoonterecht. Ik verwijs daartoe onder meer naar bestendige jurisprudentie van de
Hoge Raad der Nederlanden (HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45; HR 30 september 2016,
ECLI:NL:HR:2016:2236; HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2103).
De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag en executie
rusten op de schuldeiser die beslag legt of wil leggen op goederen van de vreemde
staat (zie HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236; HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2103;
en Gerechtshof Amsterdam 10 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2629, door de Hoge Raad
in stand gelaten: Hoge Raad 5 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1023).
Voorafgaand aan het doen van de onderhavige aanzegging heeft de schuldeiser onvoldoende
informatie aan mij verstrekt om vast te stellen of sprake is van een van de drie voornoemde,
ten aanzien van immuniteit van executie geldende, uitzonderingen. Daarmee heeft de
schuldeiser niet aan bovenbedoelde stelplicht en bewijslast voldaan.
Op basis van de mij thans beschikbare, door de gerechtsdeurwaarder en zijn opdrachtgever
aangeleverde, informatie kom ik dan ook tot de volgende conclusie. Op grond van artikel
3a, tweede en zesde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet zeg ik voornoemde gerechtsdeurwaarder
aan dat het in dezen gelegde executoriale derdenbeslag strijdig is met de volkenrechtelijke
verplichtingen van de Nederlandse Staat en aanstonds opgeheven dient te worden.