Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 12 november 2024, nr. 5869441, houdende regels inzake subsidie voor het beproeven en doorontwikkelen van de werkwijze Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming (Regeling subsidie proeftuinen Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming)

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, aanhef en onder a, 3 en 4, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, van de Kaderwet overige JenV-subsidies en de artikelen 5, zevende lid, 7, tweede lid onder c, 10, eerste en tweede lid, 16, eerste lid, en 20, vierde lid, van het Kaderbesluit overige JenV-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Minister:

Minister van Justitie en Veiligheid;

proeftuin:

door de penvoerder van een regionaal verband aangewezen gebied waarin de werkwijze Toekomstscenario wordt ontwikkeld, beschreven en beproefd in de praktijk;

regionaal verband:

groep van in regionaal verband samenwerkende organisaties, waaronder in ieder geval gemeenten, lokale teams, Veilig Thuis, een gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming;

regionaal veiligheidsteam:

een organisatievorm bestaande uit professionals:

  • a. die expertise biedt op het gebied van jeugdbescherming en onveiligheid in gezinnen en huishoudens;

  • b. die het lokale team ondersteunt bij complexe veiligheidsvraagstukken; en

  • c. waarbinnen een medewerker, indien noodzakelijk, de bevoegdheden kan inzetten die bij of krachtens de wet aan diens moederorganisatie zijn toebedeeld;

penvoerder:

door de aan het regionaal verband deelnemende rechtspersonen schriftelijk gemachtigde functionaris van een gemeente;

volwassenen-ggz:

geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen die deels of geheel in aanmerking komt voor vergoeding op grond van de Zorgverzekeringswet;

werkwijze Toekomstscenario:

de werkwijze, bedoeld in artikel 2, onder a.

Artikel 2. Subsidiabele activiteiten

  • 1. De Minister kan subsidie verstrekken aan de rechtspersonen die aan een regionaal verband deelnemen voor activiteiten die zij voor dat verband verrichten en die tot doel hebben:

    • a. het beproeven en doorontwikkelen van de werkwijze Toekomstscenario, waarin wordt samengewerkt aan de veiligheid van gezinnen en huishoudens en waarbij:

      • 1°. wordt gewerkt volgens de vier basisprincipes: gezinsgericht, rechtsbeschermend én transparant, eenvoudig en lerend;

      • 2°. op een integrale, systeemgerichte manier vanuit het bijbehorende vakmanschap;

      • 3°. door lokale teams en een netwerk van specialisten met kennis van kinderen, volwassenen en specifieke uitingsvormen van geweld, waar nodig ondersteund door een regionaal veiligheidsteam, samenwerken, samen leren en een beroep kunnen doen op een expertiseplatform.

    • b. het bijdragen aan de landelijke ontwikkeling van de werkwijze Toekomstscenario door:

      • 1°. het delen van opbrengsten en geleerde lessen;

      • 2°. het leveren van een actieve bijdrage aan landelijke ontwikkelgroepen; en

      • 3°. deelname aan landelijk georganiseerde monitoring en onderzoek.

  • 2. De Minister verstrekt geen subsidie voor activiteiten, bedoeld in het eerste lid, die worden verricht door de raad voor de kinderbescherming.

Artikel 3. Subsidiabele kosten

Subsidiabele kosten zijn uitsluitend de volgende kosten, voor zover deze kosten worden gemaakt voor het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 2:

  • a. de loonkosten van een projectleider van de proeftuin;

  • b. de loonkosten van een teamleider voor een regionaal veiligheidsteam;

  • c. de kosten voor het aanpassen van de bestaande organisatie, personeel, systemen en werkwijzen volgens de contouren van een regionaal veiligheidsteam;

  • d. de kosten om inbreng vanuit de praktijk te leveren ten behoeve van mogelijk benodigde toekomstige wet- en regelgeving binnen het Toekomstscenario;

  • e. de kosten voor de extra inzet van deskundigen en professionals die nodig zijn voor de doorontwikkeling van de werkwijze Toekomstscenario;

  • f. de kosten voor technische aanpassingen en de inzet van privacy officers in verband met monitoring of dossiervorming bij het beproeven en doorontwikkelen.

Artikel 4. Subsidievoorwaarden met betrekking tot regionale verbanden

Om in aanmerking te komen voor subsidie op grond van deze regeling voorziet de penvoerder van het regionaal verband de aanvraag van voldoende onderbouwing dat in alle bij dat verband aangesloten gemeenten in 2024 aan de basis van de werkwijze Toekomstscenario is gewerkt en dat deze activiteiten en werkwijzen in 2025 in die gemeenten worden voortgezet. In ieder geval wordt schriftelijke informatie overlegd waaruit voldoende blijkt dat:

  • a. voor de voortzetting van de activiteiten en de werkwijze Toekomstscenario in 2025 bestuurlijk draagvlak bestaat onder en actieve betrokkenheid is door alle organisaties van het regionaal verband en dat zij actief deelnemen aan de proeftuin;

  • b. in alle aangesloten gemeenten sinds 2024 of eerder een doorontwikkeling van lokale teams is ingezet conform de landelijk vastgestelde vijf basisfuncties voor lokale teams en de leidraad over werken aan veiligheid voor lokale teams en gemeenten en dat deze doorontwikkeling wordt voortgezet in 2025;

  • c. samenwerking plaatsvindt op domeinoverstijgende volwassenenproblematiek, waarbij lokale teams en veiligheidspartners afspraken hebben gemaakt over de inzet van expertise vanuit de volwassenen-ggz binnen gezinnen en huishoudens;

  • d. het regionaal verband afspraken heeft gemaakt en eerste stappen zijn gezet om het leren door en tussen de partijen die deelnemen aan de proeftuin te bevorderen en te integreren in hun dagelijkse praktijk.

Artikel 5. Subsidievoorwaarden met betrekking tot de proeftuin

  • 1. Om in aanmerking te komen voor subsidie op grond van deze regeling voorziet de penvoerder van het regionaal verband de aanvraag voorts van voldoende onderbouwing dat dit verband in 2024 een proeftuin onderhoudt. De aanvraag wordt in ieder geval onderbouwd met schriftelijke informatie waaruit blijkt dat in 2024 in die proeftuin:

    • a. is gewerkt met lokale teams die voldoen aan de vereisten, bedoeld in artikel 6;

    • b. ervaring is opgedaan met het regionaal veiligheidsteam, waarbij wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 7;

    • c. ervaring is opgedaan door het regionaal veiligheidsteam met verschillende vormen van veiligheidsproblematiek binnen gezinnen en huishoudens blijkens de gegevens, bedoeld in artikel 8;

    • d. voortgang is geboekt in het opbouwen van een netwerk van specialisten met kennis over specifieke uitingsvormen van geweld.

  • 2. De aanvraag gaat voorts vergezeld van een plan van aanpak voor de werkzaamheden van de proeftuin in 2025, waaruit in ieder geval blijkt:

    • a. op welke wijze de in artikel 2 genoemde activiteiten en werkwijzen worden beproefd en doorontwikkeld in 2025;

    • b. dat de ontwikkelde werkwijze in 2025 wordt beproefd in een afgebakend postcodegebied met minimaal 30.000 inwoners;

    • c. de gezinnen en huishoudens in het afgebakende postcodegebied bij ernstige onveiligheid en zonder voorafgaande casusselectie via het lokale team of via een melding worden doorgeleid naar het regionaal veiligheidsteam;

    • d. welke activiteiten worden ondernomen om samenhang, het overzicht en de eenvoud te bevorderen met voor de doelgroep relevante samenwerkingsverbanden;

    • e. welke activiteiten worden ondernomen rond de ontwikkeling van de meld- en crisisfunctie van het regionaal veiligheidsteam in samenhang met bestaande en in 2025 door te ontwikkelen afspraken met de politie, het openbaar ministerie, de reclassering, de geestelijke gezondheidszorg, de openbare geestelijke gezondheidszorg (bemoeizorg) en jeugdhulpspecialisten;

    • f. op welke wijze en voor welke activiteiten de aangevraagde middelen worden ingezet.

Artikel 6. Vereisten met betrekking tot lokale teams

De lokale teams, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a:

  • a. werken volgens de vijf basisfuncties voor lokale teams en de leidraad over werken aan veiligheid voor lokale wijkteams en gemeenten;

  • b. richten zich op zowel minderjarigen, als volwassenen;

  • c. bieden zelf hulp;

  • d. handelen met een brede blik op het gehele gezin of huishouden en de context waarin het gezin of huishouden zich bevindt binnen alle leefdomeinen;

  • e. werken samen met de lokale voorzieningen, welzijn, opvang, onderwijs en volwassenen-ggz;

  • f. hebben een stevige samenwerkingsrelatie met het regionaal veiligheidsteam.

Artikel 7. Vereisten met betrekking tot het regionaal veiligheidsteam

In het regionaal veiligheidsteam, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b:

  • a. werken de professionals aan een gezamenlijke opdracht;

  • b. voeren de professionals binnen de huidige wettelijke kaders geheel of deels de functionaliteiten en bevoegdheden van Veilig Thuis, de gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming uit;

  • c. kunnen de professionals juridische maatregelen inzetten met betrekking tot volwassenen;

  • d. wordt in gevallen van onveiligheid hulp en bescherming geboden aan minderjarigen, volwassenen, gezinnen en huishoudens;

  • e. wordt de rechtsbescherming van jeugdigen en volwassenen geborgd;

  • f. worden jeugdigen en volwassenen geïnformeerd over:

    • 1°. De mogelijkheden om een klacht in te dienen;

    • 2°. De mogelijkheid om niet of niet langer deel te nemen aan de proeftuin;

  • g. zijn afspraken vastgelegd over gegevensuitwisseling en dossiervorming;

  • h. worden de professionals in ieder geval ondersteund door een gedragswetenschapper en voorts op afroep door een juridisch adviseur of een vertrouwensarts;

  • i. zijn voorbereidingen getroffen om vanaf 2025 de bouwstenen als beschreven in de eindrapportage ‘Onderzoek Inrichting Regionale Veiligheidsteams’ te beproeven binnen de huidige wettelijke kaders.

Artikel 8. Vereisten met betrekking tot de ervaringen met veiligheidsproblematiek

  • 1. De gegevens, bedoeld in artikel 5, onder c, bevatten voldoende onderbouwing en tonen voldoende aan dat:

    • a. het team in 2024 bij minimaal dertig gezinnen of huishoudens actief betrokken is geweest;

    • b. in het team in 2024 voor een aantal van deze gezinnen door daartoe bevoegde professionals juridische interventies zijn voorbereid of aangevraagd en uitgevoerd.

  • 2. De gegevens, bedoeld in artikel 5, onder c, omvatten in ieder geval:

    • a. de beschikbare gegevens uit de monitor met betrekking tot het eerder in 2024 beproeven van de werkwijze Toekomstscenario; of

    • b. gegevens uit eigen rapportages met betrekking tot het eerder in 2024 beproeven van de werkwijze Toekomstscenario, indien geen monitorgegevens beschikbaar zijn.

Artikel 9. Subsidieplafond

  • 1. Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is in totaal ten hoogste € 5.000.000 beschikbaar.

  • 2. De Minister verdeelt het beschikbare bedrag naar evenredigheid over het aantal toegewezen aanvragen, nadat op alle aanvragen is beslist.

  • 3. De Minister kan per aanvrager die in aanmerking komt voor subsidie één subsidie verstrekken van ten hoogste € 750.000.

Artikel 10. Aanvraagtijdvak

Een subsidie op grond van artikel 2 kan worden aangevraagd vanaf het moment van inwerkingtreding van deze regeling tot 1 december 2024.

Artikel 11. Aanvraag

  • 1. Een aanvraag wordt door de penvoerder van het regionaal verband ingediend door middel van een daartoe door de Minister beschikbaar gesteld elektronisch aanvraagformulier.

  • 2. De penvoerder is in ieder geval gemachtigd om de aanvraag in te dienen namens de rechtspersonen in het regionaal verband die om subsidie op grond van deze regeling verzoeken.

  • 3. Bij de aanvraag wordt in ieder geval bijgesloten:

    • a. een document waarin wordt onderbouwd dat is voldaan aan de subsidievoorwaarden en vereisten, bedoeld in de artikelen 4 tot en met 8;

    • b. een begroting waarin wordt vermeld voor welk deel van het subsidiebedrag, onverminderd artikel 9, iedere deelnemende rechtspersoon de subsidie aanvraagt.

Artikel 12. Verplichtingen

  • 1. De subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 2, worden tussen 1 januari 2025 en 31 december 2025 uitgevoerd.

  • 2. De rechtspersonen die deelnemen aan het regionaal verband financieren gezamenlijk minimaal de helft van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 3.

  • 3. De penvoerder levert aan de Minister de gegevens die nodig zijn voor het monitoren van de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten.

Artikel 13. Verantwoording

  • 1. Het verzoek tot vaststelling van de subsidie wordt door de penvoerder voorzien van:

    • a. een inhoudelijk eindverslag over de gehele periode over de uitvoering en het verloop van het project en de bereikte resultaten van de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 2;

    • b. een financieel verslag op basis van werkelijk gemaakte kosten, inclusief een door een externe accountant opgemaakte en goedkeurende accountantsverklaring.

  • 2. Het verzoek wordt uiterlijk 1 juli 2026 ingediend bij de Minister.

Artikel 14. Hardheidsclausule

  • 1. De Minister kan de termijn, bedoeld in artikel 12, eerste lid, verlengen met maximaal drie maanden, indien de penvoerder of de betreffende subsidieontvanger een daartoe voldoende gemotiveerd verzoek ten minste vier weken voor het einde van die termijn indient.

  • 2. Een verzoek tot verlenging wordt slechts ingewilligd indien er sprake is van onvoorziene of andere bijzondere omstandigheden die hebben geleid tot vertraging in de uitvoering van de subsidiabele activiteiten en het niet toewijzen van het verzoek zou leiden tot onevenredige gevolgen voor de subsidieontvanger, mits de verzoeker het voorgaande voldoende schriftelijk kan aantonen en onderbouwen.

  • 3. Indien het verzoek tot verlenging wordt ingewilligd, wordt de beschikking tot subsidieverlening zodanig gewijzigd dan wel aangevuld dat daarin de uiterste datum voor verantwoording, bedoeld in artikel 13, met dezelfde duur wordt verlengd, als wordt toegestaan op grond van het eerste lid.

Artikel 15. Inwerkingtreding en uitwerkingtreding

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die op grond van deze regeling voor die datum zijn verstrekt.

Artikel 16. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling subsidie proeftuinen Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken

TOELICHTING

A. Algemeen deel

1. Inleiding

Bij brief van 30 maart 2021 is aan de Tweede Kamer bij wijze van een toekomstscenario (hierna: het Toekomstscenario) op hoofdlijnen geschetst hoe de kind- en gezinsbescherming over ongeveer vijf tot tien jaar eruit zou kunnen zien.1 De toenmalig Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de toenmalig Minister voor Rechtsbescherming (JenV) hebben de Tweede Kamer toegezegd hier verdere uitwerking aan te geven.2 In de voortgangsbrief Jeugd van 5 november 2024 en de daarbij gevoegde vijfde voortgangsrapportage Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming zijn de ontwikkelingen in het programma Toekomstscenario beschreven.3 Een goede verdere uitwerking van het Toekomstscenario vraagt om beproeven in de praktijk. Dit beproeven vond tot nu toe plaats in elf – separaat – gesubsidieerde proeftuinen. In die proeftuinen zijn inmiddels ervaringen opgedaan, met name met het gezamenlijk ontwikkelen van integrale systeemgerichte werkwijzen en het realiseren van passende hulp (ook of in bepaalde gevallen juist voor volwassenen) bij de achterliggende problematiek. Het Toekomstscenario krijgt steeds verder invulling, bijvoorbeeld met de ontwikkelrichting voor de inrichting van regionale veiligheidsteams zoals toegelicht in de meest recente voortgangsbrief Jeugd.4 Voor verdere doorontwikkeling is het noodzakelijk dat essentiële onderdelen van het Toekomstscenario in 2025 in de praktijk verdiepend worden beproefd.

2. Doel

Om mogelijk tot een landelijke implementatie te komen van het Toekomstscenario wordt ten doel gesteld om – alle aspecten van – de werkwijze Toekomstscenario door te ontwikkelen en te beproeven. Daarbij moet worden aangetekend dat het niet wenselijk is om dit in alle regio’s in Nederland te doen vanwege de volgende drie redenen:

  • Het is nodig om te weten hoe essentiële onderdelen van de nieuwe werkwijze in praktijk het beste werken. Om dat goed te onderzoeken en echt de consequenties te ondervinden van bepaalde keuzes, moeten deze onderdelen worden beproefd op plekken waar de basis voor de nieuwe werkwijze er al ligt. Dit is slechts in een beperkt aantal plekken in het land het geval.

  • Het beproeven van de nieuwe werkwijze vraagt veel van alle betrokken professionals en organisaties. Zij moeten in het huidige stelsel op een nieuwe manier proberen te werken. Dat is vaak met één been in de nieuwe werkwijze, en één been in de huidige werkwijze. Beproeven in de context van het Toekomstscenario is spannend, omdat het zich op de grens beweegt tussen vrijwillige interventies en de inzet van bevoegdheden tegen de wens van een of meerdere betrokkenen in. De komende jaren blijven spanningsvol. Het is daarom niet verantwoord om de nieuwe werkwijze in heel veel regio’s te beproeven en door te ontwikkelen, en daarmee heel veel professionals te belasten met deze spanning.

  • Tot slot kost het beproeven geld. Er is slechts beperkt budget (€ 5.000.000) beschikbaar om dit te bekostigen. Dat budget verdelen over heel veel in regionaal verband samenwerkende zorg- en veiligheidsorganisaties is niet effectief.

3. Subsidie

Het beproeven van – alle aspecten van – de werkwijze Toekomstscenario moet worden gedaan in de praktijk. Het beproeven gebeurt door een in regionaal verband samenwerkende groep van organisaties op het gebied van zorg- en veiligheidsproblematiek, waaronder in ieder geval de daarbij aangesloten gemeenten, lokale teams5, Veilig Thuis6, een gecertificeerde instelling7 en de raad voor de kinderbescherming (hierna: regionaal verband).

De regio voorziet in personeel en de nodige facilitaire zaken zodat de nieuwe werkwijze kan worden beproefd. Het personeel voert reguliere werkzaamheden uit en heeft daarnaast tijd nodig om de nieuwe werkwijze door te ontwikkelen. Bovendien zijn een teamleider en een projectleider nodig om de proeftuin te leiden en het (in samenwerking met het programma) ophalen, beschrijven en delen van de lessen uit de proeftuin.

Het voorgaande brengt aanvullende kosten met zich mee voor de in regionaal verband samenwerkende organisaties. De verwachting is dat zonder subsidie deze aanvullende kosten onvoldoende kunnen worden gedekt en de werkwijze daarom niet of onvoldoende wordt beproefd. Daarom is ervoor gekozen om subsidie als beleidsinstrument in te zetten om het beproeven van essentiële onderdelen van de werkwijze Toekomstscenario in de praktijk te stimuleren.

4. Doelgroep

De deelnemers aan een regionaal verband – vertegenwoordigd door een door dat verband gemachtigde wethouder of andere bevoegde functionaris van een deelnemende gemeente als penvoerder – kunnen subsidie aanvragen voor het beproeven en doorontwikkelen van de werkwijze Toekomstscenario.8 De penvoerder fungeert als contactpersoon voor onder andere het aanvragen van de subsidie, voor het ontvangen van het subsidiebesluit – dat ziet op alle deelnemers die de subsidie ontvangen -, en voor het op de bankrekening ontvangen van de subsidie – die toekomt aan alle deelnemers die op grond van het subsidiebesluit recht hebben op de subsidie. Er is daarmee sprake van een meervoudige netwerksubsidie waarbij de penvoerder zowel de kassiers- als de loketfunctie vervult.

De werkwijze Toekomstscenario houdt in dat (a) een lokaal team, (b) een netwerk van specialisten met kennis over specifieke uitingsvormen van geweld,9 (c) een regionaal veiligheidsteam bestaande uit ter zake relevante professionals10 en (d) expertiseplatforms11 samenwerken aan de veiligheid van gezinnen en huishoudens. Door strenge selectiecriteria te stellen wordt het aantal aanvragers – gelet op de eerder genoemde redenen – beperkt gehouden (zie artikelen 4 tot en met 8 van de regeling).

5. Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden aangevraagd om daarmee de volgende activiteiten in 2025 uit te voeren:

  • I. Het beproeven en doorontwikkelen van de werkwijze Toekomstscenario, waarin wordt samengewerkt aan de veiligheid van gezinnen en huishoudens, en dit bevat drie hoofdelementen:

    • a. Werken volgens de vier basisprincipes: gezinsgericht, rechtsbeschermend en transparant, eenvoudig en lerend;

    • b. Op een integrale systeemgerichte manier, vanuit het bijbehorende vakmanschap;

    • c. Door lokale teams, een netwerk van specialisten, een regionaal veiligheidsteam en expertiseplatforms.

  • II. Het bijdragen aan de landelijke ontwikkeling van de werkwijze Toekomstscenario door:

    • a. Het delen van opbrengsten en geleerde lessen;

    • b. Het leveren van een actieve bijdrage aan landelijke ontwikkelgroepen;

    • c. Deelname aan landelijk georganiseerde monitoring en onderzoek.

Voor de raad voor de kinderbescherming geldt – hoewel deze bij regionale verbanden is aangesloten – dat noch reguliere inzet, noch extra inzet vanuit deze subsidie kan worden gefinancierd, omdat de raad op andere wijze (begrotings)gefinancierd wordt als dienstonderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

6. Subsidiabele kosten

Om de hiervoor genoemde activiteiten te ontplooien kan uitsluitend voor de volgende posten subsidie worden aangevraagd:

  • a. De loonkosten van een projectleider van de proeftuin: Om de essentiële onderdelen van de werkwijze goed te beproeven heeft een regionaal verband een sterke projectleider nodig in de beproevende regio. In principe worden deze projectleiders door deze regionale verbanden zelf bekostigd. Voor het in een proeftuin beproeven hebben zij echter aanvullende formatie nodig, omdat van hen een substantiële inzet in het landelijk programma wordt verlangd ten behoeve van co-creatie tussen praktijk en beleid. Deze inzet bestaat onder andere uit actieve deelname aan ontwikkelgroepen en overleggen en het – in samenwerking met het landelijk Programma Toekomstscenario – ophalen, beschrijven en delen van de lessen uit de proeftuin.

  • b. De loonkosten van een teamleider van het regionaal veiligheidsteam: Het vraagt extra en specifieke inzet om mensen uit verschillende organisaties en werkculturen te laten samenwerken tot een integraal team. Bovendien wordt van teamleiders in 2025 een substantiële inzet verlangd in het landelijk programma ten behoeve van de co-creatie tussen praktijk en beleid.

  • c. De kosten voor het aanpassen van de bestaande organisatie, personeel, systemen en werkwijzen in lijn met de bouwstenen uit de eindrapportage ‘Onderzoek Inrichting Regionale Veiligheidsteams’ (https://www.voordejeugdenhetgezin.nl/documenten/rapporten/2024/06/20/eindrapportage-onderzoek-inrichting-rvt_20062024): Dit vraagt om extra inzet en ontwikkeltijd van teamleiders en teamleden en mogelijk specifieke deskundigen.

  • d. De kosten voor het leveren van inbreng met betrekking tot eventueel noodzakelijk geachte, toekomstige wet- en regelgeving binnen het Toekomstscenario. Het zou hier kunnen gaan om deelname aan landelijke bijeenkomsten, inclusief meelezen en meedenken met landelijke beleidsdocumenten.

  • e. De kosten voor de extra inzet van deskundigen en professionals die nodig zijn voor de doorontwikkeling van de werkwijze Toekomstscenario.

  • f. De kosten voor technische aanpassingen en de inzet van privacy officers in verband met monitoring of dossiervorming.

Hier wordt onder de aandacht gebracht dat een aantal voorwaarden (artikel 4 en 5) om in aanmerking te komen voor subsidie erop toezien dat al er ervaring is opgedaan met het regionaal veiligheidsteam, zodat in 2025 diepergaand beproefd kan worden. Voor de reguliere inzet van professionals, zoals de begeleiding van gezinnen en overleg daarover, ontvangen de betrokken organisaties al financiering en dat valt dan ook buiten deze subsidieregeling. Het opstarten of in stand houden van een regionaal veiligheidsteam op zichzelf kan om dezelfde reden niet vanuit de subsidie kan worden bekostigd.

Verder wordt onder de aandacht gebracht dat van de deelnemers aan het regionaal verband die subsidie ontvangen wordt verlangd dat zij gezamenlijk (minimaal) de helft van de kosten van de – deels met de subsidie – uit te voeren activiteiten zelf financieren (artikel 12).

7. Monitoring en verantwoording

Kortheidshalve wordt met betrekking tot de monitoring en verantwoording inzake de te subsidiëren activiteiten verwezen naar de toelichting op artikel 13.

B. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Een aantal begripsbepalingen behoeft nadere toelichting.

Proeftuin

In een proeftuin wordt de werkwijze Toekomstscenario doorontwikkeld, beproefd en beschreven. Vaste professionals, werkzaam bij de organisaties uit het regionale verband, ontwikkelen samen nieuwe werkwijzen om de hulp en bescherming aan gezinnen en huishoudens te verbeteren. In een afgebakend postcodegebied proberen zij deze nieuwe werkwijzen uit. Onderdelen die voor gezinnen en huishoudens positieve resultaten blijken op te leveren passen zij vervolgens vaker toe. Onderdelen van de werkwijze die niet het beoogde effect hebben passen zij aan. Door zo met elkaar in de praktijk te leren, door te ontwikkelen en de beproefde werkwijzen te beschrijven, bouwen zij stap voor stap aan werkwijzen die uiteindelijk alle aspecten van het Toekomstscenario omvatten. Het landelijk programma Toekomstscenario stimuleert en faciliteert de onderlinge uitwisseling tussen proeftuinen en haalt geleerde lessen en beproefde werkwijzen op. Deze krijgen een plek in het handelingskader, in de nadere invulling van het Toekomstscenario en voeden mogelijke wetswijziging.

Regionaal verband

Gemeenten, lokale teams, Veilig Thuis, gecertificeerde instellingen en de raad voor de kinderbescherming in een regio – zo mogelijk aangevuld met andere organisaties die expertise hebben op het gebied van onveiligheid in gezinnen en huishoudens – werken in regionaal verband samen aan de verbetering van hulp en bescherming aan gezinnen en huishoudens. Dit regionale verband heeft onder andere als doel om de werkwijze Toekomstscenario in de praktijk verder te ontwikkelen, te beproeven en te beschrijven.

Regionaal veiligheidsteam

Een regionaal veiligheidsteam is een organisatievorm van professionals met expertise op het gebied van jeugdbescherming en onveiligheid in gezinnen en huishoudens. Zij hebben de taak om vanuit hun expertise lokale teams te ondersteunen bij complexe veiligheidsvraagstukken. Deze professionals worden ingezet vanuit de eigen organisatie, bijvoorbeeld de gecertificeerde instelling of de raad voor de kinderbescherming, en moeten altijd handelen binnen de wettelijke ruimte van hun moederorganisatie.

Het primaire doel van regionale veiligheidsteams is het beter organiseren van bescherming en hulp aan huishoudens en gezinnen die dit nodig hebben, voor burgers van alle leeftijden (0–100). Deze regionale veiligheidsteams moeten daarnaast bijdragen aan het beter organiseren van verantwoordelijkheid, rechtsbescherming, het beter delen van expertises en kennis, aansturing en toezicht. Dit alles moet ertoe leiden dat de hulp voor huishoudens en gezinnen die te maken krijgen met onveiligheid of geweld beter, laagdrempeliger, transparanter en effectiever wordt. Daarbij wordt gehandeld conform de vier uitgangspunten van het Toekomstscenario: gezinsgericht, rechtsbeschermend en transparant, eenvoudig en lerend.

Artikelen 2 en 3

De inhoud van de artikelen 2 en 3 van deze regeling is grotendeels hiervoor al in het algemene deel van deze toelichting behandeld. Deze artikelen behoeven gelet hierop geen nadere toelichting.

Artikel 4

In dit artikel zijn voorwaarden opgenomen om te onderscheiden welk type regionale verbanden in aanmerking kunnen komen voor subsidie op grond van de onderhavige regeling.

De regionale verbanden moeten voldoende onderbouwen dat in alle bij het betreffende verband aangesloten gemeenten in 2024 aan de basis van de werkwijze Toekomstscenario is gewerkt en dat deze activiteiten en werkwijzen in 2025 in die gemeenten worden voortgezet. In dat verband voegt de penvoerder bij de aanvraag in ieder geval schriftelijke informatie met betrekking tot de volgende zaken.

A. Bestuurlijke draagvlak

Beproeven van de werkwijze Toekomstscenario is alleen mogelijk als de in dit artikel genoemde kernpartners actief participeren en daarvoor ondersteuning vinden in expliciet bestuurlijk draagvlak vanuit deze partners. Daarmee wordt in ieder geval bedoeld dat zij (a) medeverantwoordelijkheid nemen voor het proeftuinplan en (b) de uitvoering daarvan in 2025 mede mogelijk maken conform de in dat plan gemaakte afspraken over ieders inzet. Bij de subsidieaanvraag moet daarom een document zijn toegevoegd waaruit dit blijkt, bijvoorbeeld een door de betrokken bestuurders ondertekend proeftuinplan 2025.

B. Vijf basisfuncties en leidraad werken aan veiligheid

Cruciaal element in het Toekomstscenario zijn de lokale teams. Zowel de opdracht aan lokale teams als hun mogelijkheden voor dienstverlening op het gebied van huiselijk geweld en kindermishandeling verschillen flink in het land. Om het Toekomstscenario in 2025 verder te kunnen beproeven moeten de lokale teams van de betreffende regionale verbanden mensen en middelen hebben om de met de VNG vastgestelde (a) Basisfuncties12 en (b) de Leidraad Werken aan veiligheid13 in de praktijk te brengen en in zich daar in 2025 op door te ontwikkelen.

C. Volwassenenproblematiek en volwassenen-ggz

Samenwerking op domeinoverstijgende volwassenenproblematiek is een voorwaarde om het integraal systeemgerichte werken in 2025 verder te kunnen beproeven en doorontwikkelen. Met name op het gebied van psychiatrische problematiek bij volwassenen blijkt het moeilijk om dit te realiseren wanneer daar met de volwassenen-ggz (nog) geen expliciete afspraken over zijn gemaakt.

D. Leren door en tussen partijen

Het werken met huishoudens en gezinnen waar kindermishandeling en ander huiselijk geweld plaatsvindt blijft spanningsvol, Het gaat altijd over intens lijden van kinderen en volwassenen – en soms zelfs over leven en dood. Maatschappelijk en politiek ligt het werk onder een vergrootglas. Dit heeft de afgelopen jaren geleid tot een cultuur van risicomijding en overregulering. Dat bemoeilijkt gezonde leer- en ontwikkelprocessen binnen organisaties en van professionals.

Het ontwikkelen van een lerend stelsel is één van de basisprincipes onder het Toekomstscenario.14 Een lerende cultuur is een belangrijke voorwaarde om te kunnen beproeven en ontwikkelen. Daarom moet uit het proeftuinplan van een regionaal verband blijken dat daarvoor in de proeftuin expliciet aandacht is en hoe dit onderdeel wordt gemaakt van het dagelijks werk op alle niveaus. Als voorbeelden kunnen worden genoemd: gezamenlijke leerbijeenkomsten van kernpartners op niveau van professionals, management, bestuur en beleid, integrale deskundigheidsbevordering, en gezamenlijke intervisie bijeenkomsten.

Artikelen 5 tot en met 8

In artikel 5 zijn voorwaarden opgenomen om te bepalen wat voor proeftuin tot nu toe moet zijn onderhouden om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie op grond van de onderhavige regeling. Met betrekking tot een aantal onderdelen in het eerste lid wordt daarbij – deels met het oog op de leesbaarheid en omwille van de overzichtelijkheid – verwezen naar de artikelen 6, 7 en 8.

Eerste lid

Om in 2025 daadwerkelijk tot het verdergaand beproeven en doorontwikkelen van het Toekomstscenario te komen – en daarmee ook input te leveren voor toekomstig landelijk beleid en mogelijk wetgeving – is het noodzakelijk dat een regionaal verband al ervaring heeft opgedaan met dat beproeven en met het integraal systeemgericht begeleiden van gezinnen en huishoudens. In aanvulling op artikel 4 – dat betrekking heeft op de regio zelf – betekent dit dat binnen de regio een of meer gebieden als proeftuin zijn aangemerkt die voldoen aan de volgende kenmerken,

A. Lokale teams (artikel 6)

In de proeftuin moeten lokale teams actief zijn die de mogelijkheid hebben om integraal systeemgericht te werken doordat zij zich zowel richten op minderjarigen (Jeugdwet) als volwassenen (Wet Maatschappelijke Ondersteuning). Dit kan zowel een 0–100 team betreffen, maar het kan ook gaan om nauwe samenwerking tussen een jeugdteam en een volwassenenteam.

De bedoelde lokale teams moeten daarnaast de mogelijkheid hebben om zelf hulp te verlenen en erbij te blijven. De lokale teams moeten dus niet alleen een verwijsfunctie hebben. Zij moeten zich daarbij richten op alle levensdomeinen, namelijk meer dan alleen ‘opvoeden en opgroeien’. Die lokale teams moeten verder beschikken over samenwerkingsrelaties met instanties met betrekking tot die levensdomeinen (bijvoorbeeld op het gebied van welzijn, zorg, wonen, schuldhulp, en participatie). Zij moeten in 2024 geïnvesteerd hebben in samenwerken en samen beproeven als bedoeld in artikel 4, onder b.

B. Regionaal veiligheidsteam (artikel 7)

In het Toekomstscenario is sprake van regionale veiligheidsteams waarbinnen functionaliteiten en bevoegdheden van Veilig Thuis, de raad voor de kinderbescherming, de gecertificeerde instellingen en juridische maatregelen voor volwassenen kunnen worden ingezet. Met als doel sneller en effectiever, integraal en systeemgericht, hulp en bescherming te bieden aan kinderen, volwassenen, huishoudens en gezinnen waar sprake is van onveiligheid. Regionale verbanden komen in aanmerking voor subsidie wanneer zij in 2024 in de door hen opgezette proeftuin ervaring hebben opgedaan met het beproeven van een dergelijke team conform de vereisten opgenomen in artikel 7.

C. Veiligheidsproblematiek binnen gezinnen en huishoudens (artikel 8)

Voor beleidsontwikkeling – en mogelijk daaruit voortvloeiende wetgeving – is het van belang dat vanuit de praktijk uitvoerig input wordt geleverd over wat wel en niet werkt. Dat geldt ten aanzien van zowel de kinderen en volwassenen die in onveilige situaties leven, als voor de professionals die hen begeleiden. Gelet hierop richt deze subsidieregeling zich op regionale verbanden met proeftuinen waarbinnen een regionaal veiligheidsteam al ruim beproevende ervaring heeft opgedaan met verschillende vormen van veiligheidsproblematiek binnen gezinnen en huishoudens.

D. Netwerk van specialisten

Om de stap naar integraal systeemgericht werken te kunnen maken is samenwerking met diverse experts rond een gezin of huishouden. Daarom richt deze subsidieregeling zich op regionale verbanden met proeftuinen die hierin al aantoonbare stappen hebben gezet – en zodoende in staat zijn – om dit in 2025 door te ontwikkelen. De opgedane lessen en ervaringen kunnen worden benut voor andere regionale verbanden en landelijk beleid.

Tweede lid

Om in aanmerking te komen voor subsidie moet de penvoerder voorts een plan van aanpak bij de aanvraag voegen met betrekking tot de proeftuin die het verband wenst voort te zetten in 2025 en dat plan moet voldoen aan de hierna volgende vereisten voor wat betreft de werkzaamheden in die proeftuin. Deze werkzaamheden hebben betrekking op het beproeven en doorontwikkelen van lokale teams, netwerk van specialisten, regionaal veiligheidsteam en expertiseplatforms.

A. Wijze van beproeven en doorontwikkelen (onderdeel a)

In de eindrapportage ‘Onderzoek Inrichting Regionale Veiligheidsteams’15 staat een aantal ontwikkelrichtingen omschreven die verder moeten worden uitgediept. De proeftuinen worden gevraagd hieraan bij te dragen en het is aan de regionale verbanden die deze proeftuinen onderhouden om in een plan van aanpak aan te geven op welke wijze zij dit willen beproeven. Het is daarbij niet nodig dat een proeftuin op álle hierna volgende ontwikkelrichtingen inzet:

  • de inrichting van de meld- en adviesfunctie;

  • de inrichting van de crisisfunctie;

  • de vormgeving van de verbinding met partners voor het regionaal veiligheidsteam;

  • de aansluiting op de Zorg- en Veiligheidshuizen;

  • de wijze waarop de aard en ernst van de problematiek in een huishouden of gezin wordt ingeschat;

  • de borging van de rechtsbescherming in de manier van werken van het regionaal veiligheidsteam;

  • de vormgeving van een brugfunctie voor lokale teams.

B. Afgebakend gebied en eenvoud (onderdelen b en c)

Om het gebiedsgericht werken goed te kunnen beproeven wordt met de onderhavige subsidieregeling beoogd proeftuinen te stimuleren die zich richten op een afgebakend gebied, namelijk een postcodegebied met minimaal 30.000 bewoners. Doel daarvan is ervaring op te doen en lessen te leren enerzijds in de opbouw van gebiedsgerichte samenwerkingsrelaties, anderzijds met alle verschillende soorten van veiligheidsproblematiek die in een gebied voorkomen – en dit zodoende in tegenstelling tot specifiek voor een proeftuin geselecteerde casuïstiek.

Eenvoud is een van de basisprincipes van het Toekomstscenario. Hierbij gaat het om de vraag: Hoe kan samenhang, overzicht en eenvoud in de samenwerking met de grote hoeveelheid aan partners worden gerealiseerd? Denk hierbij met name aan het stoppen met de beschermingstafel in het proeftuingebied, de integratie met gemaakte afspraken vanuit ‘Veiligheid Voorop’, integratie met ‘MDA++’, samenwerkingsafspraken met de Zorg en Veiligheidshuizen.

C. Integrale meld- en crisisfunctie (onderdelen d en e)

Eén van de ontwikkelrichtingen uit de eindrapportage ‘Onderzoek Inrichting Regionale Veiligheidsteams’16 is het realiseren van een integrale meld- en crisisfunctie van het regionaal veiligheidsteam in samenhang met bestaande – en in 2025 door te ontwikkelen – afspraken met de politie, het Openbaar Ministerie, de reclassering, de ggz (geestelijke gezondheidszorg), oggz (openbare geestelijke gezondheidszorg; bemoeizorg) en jeugdhulpspecialisten.

D. De inzet van aangevraagde middelen (onderdeel f)

Van de penvoerder die namens de deelnemers aan een regionaal verband subsidie aanvraagt, wordt verlangd om te specificeren op welke wijze en voor welke activiteiten de aangevraagde middelen zullen worden ingezet door iedere individuele, voor subsidie in aanmerking komende deelnemer aan het regionaal verband. Voor de penvoerder zal het eenvoudigste zijn om dit op te nemen in de begroting die op grond van artikel 11, derde lid, onder b, met de aanvraag moet worden meegestuurd.

Artikel 9

Het Ministerie van Justitie en Veiligheid stelt voor de subsidies die worden verstrekt op grond van deze regeling een bedrag van in totaal € 5.000.000 beschikbaar. Zoals in het algemeen deel van deze toelichting is beschreven wordt een beperkt subsidiebedrag beschikbaar gesteld voor tevens een beperkte groep aanvragers. Het totaal beschikbaar gestelde subsidiebedrag wordt naar evenredigheid van het aantal toegewezen aanvragen daarover verdeeld op het moment dat op alle ingediende bedragen wordt beslist na het einde van het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 10. Daarbij geldt dat iedere aanvrager ten hoogste € 750.000 kan ontvangen als subsidiebedrag. Dit zal het geval zijn, indien maximaal zes aanvragen worden toegewezen. Indien zeven of meer aanvragen worden toegewezen, zullen alle aanvragers een – aldus naar evenredigheid – lager subsidiebedrag ontvangen.

Artikel 10

Het aanvraagtijdvak beslaat de periode van het moment van inwerkingtreding tot 1 december 2024. Een ruimere periode zou inhouden dat de subsidies ook pas later kunnen worden toegekend dan vanaf 1 januari 2025, omdat voor de behandeling van de aanvragen ook tijd moet worden gerekend. Een latere subsidietoekenning zou het lastig maken voor regionale verbanden om de te subsidiëren activiteiten wel al vanaf 1 januari 2025 te (laten) verrichten en kan er mogelijk juist toe leiden dat zij afzien van het indienen van een aanvraag. De regionale verbanden kunnen overigens wel binnen het aanvraagtijdvak met het Ministerie van Justitie en Veiligheid (programmateam Toekomstscenario) afstemmen om de aanvraag compleet te maken en tijdig in te dienen.

Nu sprake is van evenredige verdeling van het beschikbare subsidiebedrag, wordt de beschikking tot subsidieverlening gegeven binnen dertien weken na afloop van de periode waarbinnen aanvragen kunnen worden ingediend, oftewel binnen dertien weken na 1 december 2024.

Artikel 11

Eerste lid

Voor het indienen van de aanvraag moet gebruik worden gemaakt van een specifiek daarvoor beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Deelnemers aan de regionale verbanden kunnen via hun penvoerders bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid (programmateam Toekomstscenario) navragen hoe zij het aanvraagformulier kunnen verkrijgen.

Tweede lid

De penvoerder moet gemachtigd zijn om een aanvraag te doen namens de deelnemers aan de regionale verbanden, die bij verstrekking van de subsidie ieder afzonderlijk subsidieontvanger zullen zijn. Die machtiging is noodzakelijk om onder andere het besluit op de aanvraag, de verstrekking van de subsidiegelden en het verdere contact over de subsidie via de penvoerder te laten verlopen.

Derde lid

Een aanvraag is volledig als daarbij minimaal de in dit lid genoemde documenten zijn gevoegd. Op deze manier bestaat de beoordeling op volledigheid van de aanvraag uit het nalopen van de aanwezigheid van de genoemde documenten in plaats van uit het nagaan van de aanwezigheid van een onderbouwing voor het voldoen aan alle individuele voorwaarden uit de artikelen 4 tot en met 8. Zo kan sneller en efficiënter worden overgegaan tot de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag.

In ieder geval moeten twee bijlagen bij de aanvraag worden meegezonden, namelijk een document waarin wordt onderbouwd dat is voldaan aan de subsidievoorwaarden en vereisten, bedoeld in artikelen 4 tot en met 8, en een begroting waarin in ieder geval wordt vermeld voor welk deel van het subsidiebedrag iedere deelnemende rechtspersoon de subsidie aanvraagt, oftewel een toebedeling van het subsidiebedrag aan de voor subsidie in aanmerking komende deelnemers aan het regionaal verband.

Deze begroting inclusief toebedeling laat de toepassing van artikel 9 onverlet.

Artikel 12

Om een maximale opbrengst van de proeftuinen te waarborgen worden de voor subsidie in aanmerking komende deelnemende rechtspersonen aan regionale verbanden gevraagd om zelf minimaal de helft van de subsidiabele kosten voor het beproeven en doorontwikkelen te financieren. Dit heeft twee redenen. Enerzijds is het totaal beschikbare subsidiebedrag beperkt en leert de ervaring de afgelopen jaren dat een substantieel bedrag nodig is om een proeftuin en het daadwerkelijke beproeven vorm te geven en goed te begeleiden. Anderzijds vraagt het beproeven van het Toekomstscenario stevig draagvlak en motivatie bij de betrokken organisaties. Dat dit voldoende aanwezig is, moet ook blijken uit het dragen van – minimaal – de helft van de te begroten financiële lasten die daarmee gepaard gaan.

Artikel 13

Het Programma Toekomstscenario volgt de voortgang van de uitvoering van het proeftuinplan middels een monitor en koersgesprekken. Ten behoeve van de monitor verstrekt de penvoerder namens het regionale verband vier keer per jaar cijfers over uitgevoerde begeleidingstrajecten, inclusief een duiding daarvan. In de halfjaarlijkse koersgesprekken bespreken de regio en het Ministerie van Justitie en Veiligheid (programmateam Toekomstscenario) de voortgang.

Na afloop van het subsidiejaar dient de penvoerder namens de deelnemers aan het regionale verband die subsidie hebben ontvangen ter verantwoording een inhoudelijk en financieel eindverslag in. In het inhoudelijk verslag staat beschreven hoe uitvoering is gegeven aan het eerder – met de subsidieaanvraag – ingediende plan van aanpak en wat de activiteiten hebben opgeleverd. Gezien de niet geringe omvang van de subsidiebedragen wordt een accountantsverklaring gevraagd ter goedkeuring op het financiële eindverslag.

Artikel 14

In dit artikel is een vrij algemene hardheidsclausule opgenomen voor het geval dat het (een van de) de subsidieontvanger(s) vanwege onvoorziene of andere bijzondere omstandigheden niet lukt om de alsdan gesubsidieerde activiteiten niet voor 31 december 2025 te verrichten. Als de subsidieontvanger, of de penvoerder namens (een van) hen voldoende kan motiveren dat van dergelijke omstandigheden sprake is, kan een verlenging van de uitvoeringstermijn worden gegund. Het verlengingsverzoek moet dan wel op zijn minst vier weken voor het verlopen van de termijn zijn ingediend.

Artikel 15

De onderhavige regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling wordt geplaatst, zodat penvoerders van de organisaties in de regionale verbanden snel – binnen het aanvraagtijdvak dat loopt tot 1 december 2024 – een aanvraag kunnen indienen en een beslissing daarop kunnen ontvangen om de subsidie nog begin 2025 verleend en verstrekt te krijgen.

De regeling vervalt met ingang van 1 november 2029. Daarmee wordt ruimte geboden om het subsidietijdvak nog te kunnen wijzigen, indien bij afloop van het huidige tijdvak waarbinnen de subsidiabele activiteiten moeten worden uitgevoerd zich omstandigheden voordoen die daar – eventueel na toepassing van de hardheidsclausule in artikel 14 – toe nopen.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken


X Noot
1

Kamerstukken II 2020/21, 31 839, nr. 771.

X Noot
2

Kamerstukken II 2020/21, 31 839, nr. 804.

X Noot
3

Kamerstukken II 2024/25, 31 839, nr. 1031.

X Noot
4

Idem.

X Noot
5

Bij lokale teams gaat het om teams in gemeenten die vanaf 2015 meer gebiedsgericht werken en samen met andere voorzieningen (sociale basisvoorzieningen als vrijwilligerswerk, mantelzorg, welzijn, algemene voorzieningen, buurthuizen, wijkverpleging) een belangrijke rol hebben in de nieuwe manier werken waar het gaat om zorg- en veiligheidsproblematiek (https://www.voordejeugdenhetgezin.nl/documenten/brochures/2019/09/30/basisfuncties-voor-lokale-teams-in-kaart-de-route-en-componenten-onder-de-loep).

X Noot
6

Veilig Thuis betreft een organisatie als bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

X Noot
7

Gecertificeerde instellingen zijn organisaties als bedoeld in artikel 1 van de Jeugdwet.

X Noot
8

Bij indiening van de subsidieaanvraag wordt de door de regio gemachtigde functionaris als penvoerder het aanspreekpunt met het oog op de verlening van de subsidie en de uitvoering van de subsidiabele activiteiten. Dit heeft tot gevolg dat deze functionaris in staat moet zijn: a) namens alle betrokken partijen de aanvraag in te dienen, b) de te subsidiëren activiteiten te (laten) verrichten, c) de subsidiegelden te ontvangen (geverifieerde bankrekening) en d) voldoende zekerheid kan bieden dat subsidiegelden teruggevorderd kunnen worden bij de deelnemers aan het regionaal verband, die aldus ieder financieel aansprakelijk zijn voor de door hen ontvangen subsidiegelden.

X Noot
9

Het gaat hier bijvoorbeeld om kennis vanuit zorg en strafpartners op het gebied van ‘Intieme terreur’, ‘Huishouden/gezin in stress’, ‘Kindgedrag en opvoedstress’, langdurige zorg (LVB, GGZ) en complexe conflictscheidingen.

X Noot
10

Van proeftuinen wordt verwacht dat zij de bouwstenen uit de eindrapportage ‘Onderzoek Inrichting Regionale Veiligheidsteams’ (https://www.voordejeugdenhetgezin.nl/documenten/rapporten/2024/06/20/eindrapportage-onderzoek-inrichting-rvt_20062024) gaan beproeven. Dit beproeven dient te gebeuren binnen de bestaande wet en regelgeving en dat sluit volledig integraal werken vooralsnog uit.

X Noot
11

Om talenten en specialistische kennis te ontsluiten vormen professionals leergroepen. De leergroepen zorgen voor een inhoudelijke doorontwikkeling van specialismen. Zij ontwikkelen kennis, evalueren het effect van hun inzet en leren zo over het type problematiek. Verschillende leergroepen samen vormen één of meer expertiseplatform. (Kamerstukken II 2020/21, 31 839, nr. 771, bijlage; Toekomstscenario, 2021, p. 14). De regionale en landelijke vorming van leergroepen en expertiseplatforms is een opgave die onderdeel uitmaakt van het (verder) beproeven in 2025.

X Noot
14

Kamerstukken II 2020/21, 31 839, nr. 771, bijlage; Toekomstscenario, 2021, p. 9 en 20.

X Noot
16

Idem.

Naar boven