Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2024, 36137 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2024, 36137 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gelet op artikel 7.3, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
een gezamenlijke melding door een instelling voor twee of meer opleidingen;
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
een onderdeel dat bestaat uit het uitvoeren van een of meer leeractiviteiten en het verzamelen van bewijsmateriaal voor het voldoen aan een of meer leeruitkomsten voor de opleiding in en met de praktijk;
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
De voltijdse opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs met een substantiële praktijkcomponent die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling, kunnen geheel of gedeeltelijk bestaan uit eenheden van leeruitkomsten.
1. Een opleiding wordt in de bijlage opgenomen nadat het instellingsbestuur daartoe bij de minister deze opleiding elektronisch heeft aangemeld en uit de melding en de daarbij op grond van het tweede lid aan te leveren bescheiden blijkt dat sprake is van een opleiding met een substantiële praktijkcomponent.
2. De melding gaat vergezeld van de volgende bescheiden:
– de gegevens in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.14, derde lid, van de wet;
– het deel van de Onderwijs- en Examenregeling (OER) waarin de substantiële praktijkcomponent wordt beschreven;
– instemming van de opleidingscommissie inzake de werkwijze bij de totstandkoming van het studieplan;
– een positief advies van de examencommissie op de invulling van de substantiële praktijkcomponent;
– instemming van de betrokken docenten bij de betreffende opleiding.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een clustermelding.
4. De aanmelding van een of meer voltijdse opleidingen met een substantiële praktijkcomponent wordt gedaan op uiterlijk 1 maart voorafgaand aan het studiejaar waarin de instelling de opleiding op basis van eenheden van leeruitkomsten wil verzorgen.
5. De instelling doet uiterlijk met ingang van 1 maart voorafgaand aan het studiejaar met ingang waarvan de opleiding niet langer een substantiële praktijkcomponent omvat, melding hiervan aan de minister.
1. De bij de opleiding betrokken docenten kunnen instemmen met het voornemen van het instellingsbestuur om een opleiding aan te bieden die bestaat uit eenheden van leeruitkomsten via:
a. het deel van de bij de opleiding betrokken docenten dat lid is van de opleidingscommissie, of
b. indien aan de orde, een afvaardiging van docenten, gekozen door de bij de opleiding betrokken docenten, die niet tevens lid zijn van het college van bestuur of de raad van toezicht.
2. Het instellingsbestuur bepaalt welke van de in het eerste lid genoemde opties wordt gekozen.
Indien het bij Koninklijk Besluit van 20 juni 2022 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek houdende de verankering van eenheden van leeruitkomsten in de wet (Wet leeruitkomsten hoger onderwijs) (Kamerstukken 36 136) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel B, van die wet in werking treedt, treedt deze regeling op hetzelfde tijdstip treedt in werking.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, E.E.W. Bruins
Flexibele opleidingsroutes ondersteunen de ambities van de overheid om Leven Lang Ontwikkelen te stimuleren (onder andere via maatwerktrajecten), opleidingstrajecten voor tekortsectoren makkelijker toegankelijk te maken voor verschillende doelgroepen en zijn onderdeel van de OCW-strategie om de lerarentekorten te verminderen.1 In 2016 is het experiment leeruitkomsten gestart voor deeltijdse en duale hbo-opleidingen. Na evaluatie daarvan is besloten om het werken met eenheden van leeruitkomsten vast te leggen in de wet en uit te breiden met deeltijdse en duale wo-opleidingen.2
Instellingen die met het experiment hebben gewerkt hebben aangegeven het werken met leeruitkomsten te willen verbreden naar de voltijdse varianten, met als reden dat het past binnen de huidige maatschappelijke ontwikkelingen om professionals via maatwerk en meer flexibele routes op te leiden voor het werkveld en omdat de opleidingen in het experiment goede ervaringen hebben opgedaan die één-op-één door te vertalen zijn naar de voltijdse opleidingsvarianten. Bovendien geeft de minister hiermee invulling aan de afspraak in het Bestuursakkoord flexibilisering lerarenopleidingen uit 2020, waarin is afgesproken het werken met eenheden van leeruitkomsten voor lerarenopleidingen mogelijk te maken voor alle opleidingsvarianten.
Met de nota's van wijziging is mogelijk gemaakt om het werken met leeruitkomsten eveneens open te stellen voor de voltijdse opleidingen met een substantiële praktijkcomponent.3 Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel leeruitkomsten hoger onderwijs is middels een amendement het werken met leeruitkomsten uitgebreid naar voltijdopleidingen van hogescholen met een kleine of ontbrekende praktijkcomponent.4 Daarnaast is middels een ander amendement geregeld dat naast het instellingsbestuur ook bij de desbetreffende opleiding betrokken docenten het instemmingsrecht krijgen bij de keuze voor invoering van het werken met leeruitkomsten.5
Voor voltijdse opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs blijft gelden dat alleen opleidingen met een substantiële praktijkcomponent ten aanzien waarvan dit bij ministeriële regeling is bepaald, mogen worden verzorgd op basis van eenheden van leeruitkomsten, waarbij het leren in en met de praktijk een integraal onderdeel van de opzet en inrichting van het onderwijsprogramma vormt. Bij deze opleidingen draagt het vastleggen van (nadere) afspraken over invulling, begeleiding en beoordeling in het studieplan bij aan de borging van de kwaliteit. Het betreft een beperkt aantal voltijdse wo-opleidingen die in de ministeriële regeling zullen worden opgenomen.
Bij het bepalen van de substantiële praktijkcomponent bij voltijdse wo-opleidingen zijn de huidige beroepsopleidingen en met name de lerarenopleidingen als uitgangspunt genomen. De praktijkcomponent bij deze opleidingen bedraagt ongeveer 40%. Bij deze opleidingen is het leren in en met de praktijk en daarmee het flexibel invullen van het praktijkgedeelte integraal onderdeel van de opzet en inrichting van het onderwijsprogramma en past daarmee ook bij voltijdse wo-opleidingen met een substantiële praktijkcomponent zoals de academische pabo.
De regeling stelt vast welke voltijdse wo-opleidingen een substantiële praktijkcomponent hebben en bepaalt dat deze opleidingen mogen bestaan uit eenheden van leeruitkomsten. Het gaat hierbij om opleidingen met de volgende kenmerken:
– Het uitvoeren van leeractiviteiten en het verzamelen van bewijsmateriaal voor het voldoen aan de leeruitkomst(en) voor de opleiding in en met de praktijk. De praktijk kan zowel beroepspraktijk zijn (bij bedrijven en instellingen in het werkveld waar de opleiding toe opleidt) als de praktijk bij maatschappelijke organisaties (werken aan maatschappelijke vraagstukken). Dit hoeft overigens niet te betekenen dat de leeractiviteiten altijd buiten de instelling plaats vinden (bijvoorbeeld bij innovatie- of praktijklabs, praktijk- of maatschappelijke organisaties die in een onderwijsgebouw gehuisvest zijn, meervormige leeromgevingen e.d.). Leersituaties waarbij de praktijk of een praktijkcasus als simulatie, casus of hypothese zijn opgenomen door de opleiding vallen niet onder praktijkcomponent.
– Indien de omvang van deze leeractiviteiten ten minste 40% van de studielast van het gehele opleidingsprogramma omvat, is in ieder geval sprake van een substantiële praktijkcomponent.
– Hierbij zijn aantoonbaar (bewijsmateriaal, afspraken) drie partijen deelgenoot van de leeractiviteiten: de opleider, de student en een opdrachtgever/werkgever/maatschappelijke organisatie uit de praktijk.
Met de wo-instellingen zal worden gecommuniceerd hoe de elektronische procedure van het aanmelden van voltijdse wo-opleidingen met substantiële praktijkcomponent zal verlopen.
Leerwegonafhankelijk onderwijs (i.e. opleidingen op basis van onderwijseenheden in de vorm van eenheden van leeruitkomsten) wordt op dezelfde wijze geaccrediteerd als alle overige opleidingen met onderwijseenheden zonder eenheden van leeruitkomsten. Daarmee worden voor alle opleidingen uniform dezelfde beoordelingscriteria gehanteerd, met dezelfde beoordelingsuitkomsten, te weten: positief, positief onder voorwaarden en negatief.6 7
Examencommissie
De examencommissie heeft dezelfde rol in het borgen van de kwaliteit als bij opleidingen met onderwijseenheden zonder eenheden van leeruitkomsten. Alleen is een andere vorm van beoordeling nodig, omdat de toetsing bij eenheden van leeruitkomsten leerwegonafhankelijk is.
Medezeggenschap
De kwaliteit is geborgd door de betrokkenheid van medezeggenschap bij het inrichten van het leerwegonafhankelijk onderwijs. Zo hebben de volgende partijen inspraak bij de keuze van het instellingsbestuur voor het invoeren van werken met leeruitkomsten: de medezeggenschapsraad, de opleidingscommissie en de direct betrokken docenten.
Medezeggenschapsraad
Het besluit tot het inrichten van opleidingen met eenheden van leeruitkomsten, waarmee een leerwegonafhankelijke invulling mogelijk wordt gemaakt, is belegd bij het instellingbestuur. De medezeggenschapsraad op een instelling heeft de bevoegdheid om waar nodig ongevraagd te adviseren.
Opleidingscommissie
De opleidingscommissie heeft adviesrecht op het besluit een opleiding te verzorgen op basis van eenheden van leeruitkomsten. Daarnaast heeft de opleidingscommissie het instemmingsrecht inzake de wijze van totstandkoming van het studieplan en de termijn waarbinnen dit plan moet worden vastgesteld.8
Docenten
Met de Wet leeruitkomsten hoger onderwijs is in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek de bepaling opgenomen dat bij ministeriële regeling voorschriften worden gesteld over de wijze waarop de docenten die verbonden zijn aan de opleiding kunnen instemmen met het gebruik van eenheden van leeruitkomsten. Dit is het gevolg van eerdergenoemd amendement Stultiens en Beckerman. De onderhavige regeling geeft uitvoering aan genoemde bepaling.
Het instemmingrecht wordt neergelegd bij de docenten die deel uitmaken van de opleidingscommissie van de opleiding. Dit is slechts anders als het instemmingsrecht met betrekking tot het gebruik van eenheden van leeruitkomsten door het instellingsbestuur is neergelegd bij een door de docenten gekozen afvaardiging van docenten die niet tevens lid zijn van het college van bestuur of de raad van toezicht. Omdat niets is geregeld met betrekking tot terugwerkende kracht, is alleen instemming van docenten vereist voor vaststellingen om met eenheden van leeruitkomsten te werken die worden genomen na inwerkingtreding van de wet (1 januari 2025). Voor opleidingen die al werken met eenheden van leeruitkomsten, is de keuze al gemaakt. Daar wordt niet opnieuw over besloten. Het is bekend dat deze opleidingen inmiddels de accreditatiecyclus succesvol hebben doorlopen.
Deze werkwijze waarborgt intern draagvlak en interne kwaliteitsborging en sluit goed aan bij de uitgangspunten: eigenaarschap van de instelling en opleiding, en in het bijzonder verantwoorde onderwijsvernieuwing.
Door de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) is een uitvoeringstoets verricht op de voorgestelde regeling. DUO concludeert dat aan deze regeling voor DUO geen uitvoeringsconsequenties zijn verbonden. Door de afdeling Bezwaar en Beroep van DUO is aangegeven dat zij graag een inschatting zouden krijgen van het aantal af te wijzen aanmeldingen, die zij beschouwen als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Ten aanzien van dit punt wordt opgemerkt dat de opname van een wo-opleiding met een substantiële praktijkcomponent geen voor bezwaar en beroep vatbare beschikking is. De wetgever heeft niet beoogd de minister de bevoegdheid te geven om voor bezwaar en beroep vatbare beslissingen te nemen. De wet bevat een grondslag om in de regeling de norm neer te leggen dat wo-opleidingen met een substantiële praktijkcomponent mogen bestaan uit eenheden van leeruitkomsten. Deze norm betreft een open groep van opleidingen – te weten opleidingen in het wo met een substantiële praktijkcomponent – omdat elke wo-opleiding met een substantiële praktijkcomponent, indien aangedragen door een instelling, in de regeling wordt opgenomen. Om te weten te komen om welke opleidingen het gaat, is het nodig dat instellingen deze opleidingen aanmelden. De opleidingen die worden genoemd, moeten dus worden gezien als een uitwerking van het begrip “wo-opleidingen met een substantiële praktijkcomponent”.
In het kader van het geïntegreerde toezicht is de uitvoeringstoets ook uitgezet bij de Inspectie en de ADR. Van de ADR is geen reactie ontvangen.
De IvhO (hierna: Inspectie) heeft een aantal verhelderende vragen gesteld over de kwaliteitscontrole en meldprocedure. Deze zijn beantwoord. Daarnaast stelde de Inspectie de vraag hoe het instemmingsrecht zich verhoudt tot de relevante bepalingen en voorschriften in de WHW. De regeling regelt alleen de wijze waarop de instemming plaats vindt, niet het instemmingsrecht zelf. Hier wordt alsnog naar gekeken en indien nodig wordt de wetgeving aangepast via de Variawet HO.
Een voltijdse wo opleiding die wil werken met eenheden van leeruitkomsten, dient door de instelling te worden aangemeld voor de regeling. De opleiding moet bewijsstukken overleggen waaruit blijkt dat de opleiding beschikt over een substantiële praktijkcomponent. Als de praktijkcomponent ten minste 40% bedraagt, is in ieder geval sprake van een substantiële praktijkcomponent.Veranderingen binnen de instelling om dit te realiseren kunnen geheel of deels vallen binnen het jaarlijks onderhoud dat opleidingen en docenten uitvoeren om hun onderwijs qua vorm en inhoud actueel te houden. Extra mogelijke inspanningen per opleiding kunnen betreffen:
• kennisnemen van de regeling en het stellen van verduidelijkingsvragen aan OCW: 2 uur;
• beslaan van interne overleggen ter ontwikkeling, voorbereiding en besluitvorming van de melding: 8 uur;
• schrijven en aanleveren van alle documenten noodzakelijk voor een melding zoals beschreven in artikel 4.2: 5 uur;
• vergaren aanvullende informatie indien nodig: 2 uur;
• desgevraagd informatie verstrekken en meewerken aan evaluatie en onderzoek: 4 uur.
Voor de instelling betreft het in totaal: 21 uur x € 50 = € 1.050 per melding van een opleiding. Omdat de melding om in de regeling te worden opgenomen eenmalig is, zijn dit eenmalige kosten.
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft de regeling niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat de regeling geen omvangrijke gevolgen heeft voor de regeldruk.
De procedure van aanmelding genoemd in artikel 4 is zo licht mogelijk ingericht. De instellingen worden door OCW elektronisch geïnformeerd over de regeling. De instellingen melden de opleidingen elektronisch aan, vergezeld van de bewijsstukken genoemd in artikel 4.2. De meldingen worden gecontroleerd en als de bewijsstukken akkoord zijn bevonden, wordt de opleiding opgenomen in de bijlage bij de regeling. De regeling wordt eenmaal per jaar aangepast. Aanmelding geschiedt eenmalig.Naar verwachting zal een beperkt aantal wo opleidingen worden aangemeld.Hierdoor zal de extra regeldruk ook minimaal zijn. Maximaal zal dit voor een OCW beleidsmedewerker 16 uur werk per jaar betekenen. Dit kan worden vervuld als onderdeel van het bestaande takenpakket. De financiële gevolgen zijn derhalve nihil.
Ter voorbereiding van deze regeling zijn een aantal hoger onderwijsinstellingen geraadpleegd, die alle deelnemen aan het experiment Leeruitkomsten. Advies met betrekking tot de onderbouwing van de praktijkcomponent en wijze van communicatie over de regeling naar de instellingen is zoveel mogelijk verwerkt. De conceptregeling is in september 2024 in het kader van internetconsultatie gepubliceerd. Er zijn twee reacties gegeven in deze internetconsultatie, een reactie van de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VNG) en een reactie van de Algemene Onderwijsbond (AOb). De VNG steunt het gedachtengoed van de wet leeruitkomsten hoger onderwijs en pleit voor invoering van certificaten voor delen van opleidingen, met zelfstandige arbeidsmarktrelevantie. VNG refereert daarbij aan ontwikkelingen rond microcredentials in het hbo en wo, waarbij die zelfstandige arbeidsmarktrelevantie/het civiel effect niet gewaarborgd wordt. De reactie van VNG is relevant in het kader van beleidsontwikkelingen op het gebied van LLO (onderwijsagenda LLO), maar heeft geen betrekking op de regeling leeruitkomsten waar het in deze internetconsultatie om gaat.
AOb stelt dat de toelichting van de regeling een onjuiste weergave bevat van de positie van de opleidingscommissie wat betreft het besluit tot het werken met eenheden van leeruitkomsten in een opleiding. Volgens AOb heeft de opleidingscommissie geen adviesrecht, zoals vermeld in de toelichting, maar instemmingsrecht. Dit zou voortvloeien uit het instemmingsrecht van de opleidingscommissie op de wijze waarop de opleiding geëvalueerd wordt en op de vaststelling van de studielast van onderwijseenheden. Het is juist dat de opleidingscommissie instemmingsrecht heeft met betrekking tot de wijze van evalueren van de opleiding. Dat staat echter los van het besluit in een opleiding te gaan werken met eenheden van leeruitkomsten. Besluitvorming over de wijze van evaluatie zal in de regel later plaatsvinden. Het is ook juist dat de opleidingscommissie instemmingsrecht heeft op de vaststelling van de studielast van onderwijseenheden. Maar ook dat staat los van het besluit al dan niet te werken met onderwijseenheden in de vorm van eenheden van leeruitkomsten. Nadat besloten is tot het werken met eenheden van leeruitkomsten heeft de opleidingscommissie instemmingsrecht op de vaststelling van de studielast (het aantal studiepunten) gekoppeld aan die eenheden van leeruitkomsten. De toelichting op de regeling is dus wel degelijk correct: de opleidingscommissie heeft adviesrecht met betrekking tot het besluit in een opleiding al dan niet te werken met eenheden van leeruitkomsten. Daarnaast stelt AOb dat in (de toelichting op) de regeling het amendement Stultiens/Beckerman (36 136-17) onvoldoende uitwerking krijgt. Dit amendement heeft betrekking op instemming van docenten bij besluiten tot het werken met eenheden van leeruitkomsten in opleidingen. In de regeling is opgenomen dat dit instemmingrecht wordt neergelegd bij de docenten die deel uitmaken van de opleidingscommissie van de opleiding, maar, indien docenten dit hebben aangegeven, ook kan worden neergelegd bij een gekozen afvaardiging van docenten die niet tevens lid zijn van het college van bestuur of de raad van toezicht. Daarmee wordt invulling gegeven aan het genoemde amendement over het instemmingsrecht van docenten.
Deze regeling wordt conform de systematiek van vaste verandermomenten op uiterlijk 1 november 2024 gepubliceerd en treedt op 1 januari 2025 in werking.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, E.E.W. Bruins
Naar aanleiding van het experiment heeft de NVAO een protocol opgesteld voor de beoordeling van de deelnemende opleidingen aan het experiment leeruitkomsten. In het kader van het experiment werd leeruitkomsten als een object van beoordeling gedefinieerd, die aan de volgende kwaliteitseisen diende te voldoen: leerwegonafhankelijk; representatief voor de leerresultaten van de opleiding; herkenbaar voor het werkveld; specifiek en meetbaar voor het bieden van een eenduidig beoordelingskader bij leerwegonafhankelijke toetsing; transparant in relatie tussen leerresultaten, eenheden van leeruitkomsten, waarbij leeractiviteiten en toetsing is duidelijk; samenhangend waarbij leeruitkomsten een samenhangende eenheid moeten vormen en zijn te onderscheiden van andere (eenheden van) leeruitkomsten en tot slot, duurzaam waarmee voor langere termijn toepasselijk, c.q. bruikbaar. Zie Protocol Beoordeling bestaande experimenten leeruitkomsten, NVAO: Den Haag (2019), p. 11.
Zie artikelen 5.7, 5.9, 5.16, 5.17, 5.18 van de Wet Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). (Zie ook artikelen 5.19 tot en met 5.21 WHW over intrekking of weigeren accreditatie.)
Artikel 9.18, eerste lid, onder a in samenhang met artikel 7.13, tweede lid, onderdeel z, artikel 10.3c, eerste lid, onder a in samenhang met artikel 7.13, tweede lid, onderdeel z en artikel 11.11, eerste lid, in samenhang met artikel 7.13, tweede lid, onderdeel z.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2024-36137.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.