Verlenen startvergunning voor opsporen van aardwarmte in het kader van door de centrale overheid te voeren beleid voor het gebied genaamd Eindhoven 3, Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Besluit 6 november 2024

PDGGO-DTDO / V-55183

Rectificatie besluit

1. Aanvraag

Op 18 oktober 2023 heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (hierna: de Staatssecretaris) een aanvraag ontvangen voor een startvergunning voor het opsporen van aardwarmte in het kader van door de centrale overheid te voeren beleid, op grond van artikel 24c, e van de Mijnbouwwet, van EBN B.V. (hierna: EBN). Op verzoek van de Staatssecretaris heeft EBN op 20 november 2023 en 11 maart 2024 aanvullingen ingediend.

De vergunning is aangevraagd in het kader van de Seismische Campagne Aardwarmte Nederland (hierna: SCAN, zie ook onder andere de brief van de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer d.d. 16 juni 2023 (Kamerstukken 31 239, nr. 378)). Het aangevraagde gebied genaamd Eindhoven 3 ligt binnen de gemeenten Oirschot, Best, Eindhoven, Nuenen, Gerwin en Nederwetten en Son en Breugel (provincie Noord-Brabant). Het aangevraagde gebied bevindt zich binnen het verzorgingsgebied van het waterschap De Dommel. Het aangevraagde gebied bestaat uit twee deelgebieden. Binnen deze twee deelgebieden zijn zes mogelijke onderzoekslocaties geïdentificeerd. De oppervlakte van het totaal aangevraagde gebied bedraagt 12,24 km2.

In de aanvraag wordt geen specifiek dieptebereik aangevraagd, maar de geplande activiteiten zijn gericht op de watervoerende zandsteenlagen van de Formatie van Breda. De vergunning wordt aangevraagd met een geldigheidsduur eindigend op eindigend op 31 december 2026.

Sinds 2 juli 2024 is de Minister van Klimaat en Groene Groei (hierna: Minister) het bevoegd gezag.

In verband met de foutieve datum in artikel 4 is het primaire besluit met kenmerk V-55183 hierbij gerectificeerd. De datum is aangepast.

2. Beleid aardwarmte in Nederland

Voor de afbouw van de vraag naar aardgas moeten kansrijke duurzame alternatieven, zoals aardwarmte (ook wel: geothermie), ontwikkeld worden. Aardwarmte heeft de potentie om een belangrijke rol te spelen in de verduurzaming van de warmtevoorziening en daarmee in de transitie naar een CO2-arme energievoorziening. Twee belangrijke onderdelen van de nationale ambitie zijn de Klimaatwet en het Klimaatakkoord (Bijlage 892567 bij Kamerstuk 32 813 nr. 342). Het Klimaatakkoord gaat over vijf sectoren: gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, landbouw en landgebruik, en elektriciteit.

De mijnbouwregelgeving bevat sinds 1 juli 2023 een eigen vergunningensystematiek voor aardwarmte. De verschillende typen aardwarmtevergunningen en bijbehorende procedures die bestaan, kunnen geraadpleegd worden op de website www.mijnbouwvergunningen.nl.

3. Juridisch kader

3.1. Mijnbouwregelgeving

Om aardwarmte te mogen opsporen en winnen is op grond van artikel 24b van de Mijnbouwwet een startvergunning nodig. Dit geldt ook voor het opsporen of het winnen van aardwarmte in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid. EBN is voornemens aardwarmte op te sporen ten behoeve van door de centrale overheid te voeren beleid. EBN is niet voornemens aardwarmte te winnen.

Op het nemen van een besluit op de onderhavige vergunningaanvraag zijn op basis van artikel 24c, eerste lid, van de Mijnbouwwet de bepalingen uit hoofdstuk 2a van de Mijnbouwwet alleen van toepassing voor zo ver dit te verenigen is met het bijzondere karakter van deze vergunning. Niet alle regels die voor de besluitvorming voor een reguliere startvergunning gelden, zijn dus zonder meer van toepassing op de besluitvorming voor dit type startvergunning. De volgende bepalingen van hoofdstuk 2a acht de Minister niet van toepassing binnen deze procedure:

  • Artikel 24n van de Mijnbouwwet waaruit volgt dat een startvergunning alleen aan een houder van een toewijzing zoekgebied kan worden verleend, omdat de startvergunning voor het opsporen of het winnen van aardwarmte in het kader van het verkrijgen van gegevens voor het door de centrale overheid te voeren beleid geen marktordenende vergunning is waarvoor eerst een toewijzing zoekgebied nodig is. De aanvrager hoeft derhalve geen houder van een toewijzing zoekgebied voor aardwarmte te zijn om de vergunning aan te vragen en te krijgen;

  • Artikel 24p van de Mijnbouwwet op basis waarvan een uitnodiging door middel van een publicatie in de Staatscourant is vereist tot het indienen van concurrerende aanvragen voor de aanvraag om een startvergunning die zich gedeeltelijk bevindt in een aangrenzend gebied waarvoor geen andere vergunning voor aardwarmte geldt. Het opsporen van aardwarmte is in dit geval ten behoeve van door de centrale overheid te voeren beleid en niet voor commerciële winning van aardwarmte. Een startvergunning hiervoor heeft daarom geen exclusief karakter om de markt te ordenen, waarmee de vergunninghouder het alleenrecht zou krijgen de aardwarmte in het gebied te winnen. Daarom is het niet nodig de aanvraag te publiceren voor concurrerende aanvragen, zodat vergunninghouders in aangrenzende geibieden ook de kans krijgen een startvergunning te krijgen voor dat gebied;

  • Artikel 24r van de Mijnbouwwet op basis waarvan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de besluitvorming voor de aanvraag voor een startvergunning. De effecten van de voorliggende aanvraag zijn beperkt. Qua activiteiten betreft het enkel opsporing van aardwarmte en geen winning in tegenstelling tot een reguliere aanvraag startvergunning. De activiteiten zullen ook gedurende een korte termijn plaatsvinden en het is niet de bedoeling dat na die termijn activiteiten langdurig worden voortgezet door middel van een vervolgvergunning, zoals bij een reguliere aanvraag startvergunning wel het geval is. Derhalve wordt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure niet toegepast, maar wordt het besluit op de aanvraag voorbereid volgens de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht;

  • Artikel 24t, eerste lid, onderdeel b, van de Mijnbouwwet op grond waarvan geen startvergunning kan worden verleend indien voor dat gebied iemand anders dan de aanvrager een aardwarmtevergunning heeft, omdat de startvergunning in het kader van centraal te voeren beleid geen exclusief karakter heeft om de markt te ordenen. Daarmee kan deze startvergunning wel verleend worden als voor de aardlagen die in de aanvraag worden aangeduid, al een aan een ander aardwarmtevergunning is verleend;

  • Artikel 24t, tweede lid, onderdelen c en d, van de Mijnbouwwet op grond waarvan een aanvraag kan worden geweigerd in verband met aspecten omtrent de afzet van warmte, omdat er geen commerciële afzet van de gewonnen aardwarmte wordt beoogd met de startvergunning voor het opsporen van aardwarmte in het kader van het verkrijgen van gegevens voor het door de centrale overheid te voeren beleid;

  • Artikel 24v, eerste en tweede lid, van de Mijnbouwwet waaruit volgt dat de startvergunning voor twee jaar geldt en eenmaal met een jaar kan worden verlengd. Een startvergunning voor het opsporen van aardwarmte in het kader van het verkrijgen van gegevens voor het door de centrale overheid te voeren beleid heeft niet het doel daarna langdurig commercieel te winnen met een vervolgvergunning en heeft geen marktordenend karakter, waardoor een korte vergunningsduur wenselijk is zodat het gebied zo snel mogelijk wordt bedunt voor aardwarmtewinning of weer vrijvalt voor een ander om aardwarmte te kunnen ontwikkelen. Daarom kan voor dit type startvergunning voor een afwijkende vergunningsduur worden gekozen die nodig is voor het verkrijgen van de gegevens voor het beleid;

  • Artikel 29q, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Mijnbouwbesluit waaruit volgt dat de aanvrager over een beheerssysteem en beheersplan voor de putintegriteit moet beschikken, omdat er geen winning van aardwarmte plaatsvindt bij een startvergunning voor het opsporen of het winnen van aardwarmte in het kader van het verkrijgen van gegevens voor het door de centrale overheid te voeren beleid.

In het volgende hoofdstuk wordt na het advies toegelicht hoe de Minister oordeelt met betrekking tot de betreffende afwegingsgronden die wel van toepassing worden geacht binnen deze procedure.

Toezicht

Op grond van artikel 127 van de Mijnbouwwet heeft Staatstoezicht op de Mijnen (hierna: SodM) de taak om toezicht uit te oefenen op de naleving van de bij of krachtens de Mijnbouwwet gestelde regels. Dit betekent dat SodM erop toeziet of de vergunninghouder zich houdt aan dit besluit en de hieraan verbonden voorschriften en beperkingen in dit besluit in combinatie met de eisen voor de activiteiten uit de Mijnbouwregeling.

Andere vergunningen

Naast een startvergunning heeft de aanvrager meerdere vergunningen nodig om een de onderzoeksboring te kunnen ontwikkelen en uit te voeren.

Voor de aanleg van de mijnbouwlocatie en het uitvoeren van de diepboringen zijn bijvoorbeeld onder andere omgevingsvergunningen nodig.

3.2. Voorbereidingsprocedure

EBN heeft per email, ontvangen op 18 oktober 2023, een aanvraag ingediend voor een startvergunning voor het opsporen van aardwarmte in het kader van door de centrale overheid te voeren beleid, op grond van artikel 24c van de Mijnbouwwet. Op verzoek van de Staatssecretaris heeft EBN op 20 november 2023 en 11 maart 2024 aanvullingen ingediend.

Tijdens de behandeling van deze aanvraag startvergunning is advies gevraagd aan:

  • Adviesgroep Economische Zaken en Klimaat van de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO-AGE, hierna: TNO) op grond van artikel 123, tweede lid, van de Mijnbouwwet;

  • SodM op grond van artikel 127 van de Mijnbouwwet;

  • alle betrokken decentrale overheden op grond van artikel 24q van de Mijnbouwwet;

  • de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) op grond van artikel 123, tweede lid, van de Mijnbouwwet;

  • de Mijnraad op grond van artikel 105, derde lid, van de Mijnbouwwet.

In dit hoofdstuk is beschreven welke adviseur een advies heeft uitgebracht en in hoofdstuk 4 op welke wijze dat advies is meegenomen bij de beoordeling van de aanvraag startvergunning.

Adviezen op de aanvraag

Over de aanvraag startvergunning Eindhoven 3 hebben de volgende adviseurs, op verzoek van de Staatssecretaris en de Minister, advies uitgebracht:

  • TNO heeft op 9 februari 2024 per brief advies uitgebracht (kenmerk: AGE 24-10.017);

  • SodM heeft op 18 maart 2024 per brief advies uitgebracht (kenmerk: ADV-8388);

  • het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (hierna: provincie Noord-Brabant) heeft op 1 februari 2024 per brief advies uitgebracht (kenmerk: C2327382/5846727);

  • het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten (hierna: gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten) heeft op 6 februari 2024 per brief advies uitgebracht (kenmerk 1988675);

  • het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best (hierna: gemeente Best) heeft op 29 januari 2024 per brief advies uitgebracht (kenmerk Z2024-00000053/D2024-00001155);

  • het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (gemeente Eindhoven) heeft op 31 januari 2024 per brief advies uitgebracht (kenmerk 7615098);

  • het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Son en Breugel (hierna: gemeente Son en Breugel) heeft op 31 januari 2024 per brief advies uitgebracht (kenmerk 2016436);

  • het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel (hierna: waterschap De Dommel) heeft op 22 januari 2024 per brief advies uitgebracht (kenmerk: 165933 / 176290);

  • RVO heeft op 19 februari 2024 per e-mail advies uitgebracht (geen kenmerk);

  • de Mijnraad heeft op verzoek van de Minister op 30 september 2024 per brief advies uitgebracht (kenmerk: MIJR/26725226).

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot heeft geen gebruik gemaakt van haar adviesrecht.

Gelet op:

Artikel 24b, 24c, eerste lid, 24v, derde lid en 24t van de Mijnbouwwet en artikel 29p en 29q van het Mijnbouwbesluit;

Besluit

Artikel 1 - Verlenen startvergunning

De Minister van Klimaat en Groene Groei verleent aan EBN B.V. een startvergunning voor de opsporing van aardwarmte in het kader van door de centrale overheid te voeren beleid voor het gebied Eindhoven 3.

Artikel 2 - Gebied
  • 1. De startvergunning geldt voor het gehele dieptebereik vanaf een diepte van 500 meter onder maaiveld in het gebied Eindhoven 3.

  • 2. Het gebied Eindhoven 3 wordt begrensd door de rechte lijnen tussen de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting (RD), bedoeld in tabel 1 en 2.

  • 3. Het gebied heeft een oppervlakte van 12,24 km2.

    Tabel 1: coördinaten van gebied Eindhoven 3 – west

    Punt

    X

    Y

    1

    154135,000

    388540,000

    2

    156600,000

    389900,000

    3

    157820,000

    387890,000

    4

    155380,000

    386440,000

    Tabel 2: coördinaten van gebied Eindhoven 3 – oost

    Punt

    X

    Y

    1

    162800,000

    390385,000

    2

    165190,000

    392040,000

    3

    165870,000

    390050,000

    4

    164090,000

    388600,000

Artikel 3 - Productieparameters

EBN B.V. hanteert een maximale injectieverschildruk van 22 bar op top reservoirdiepte voor de Formatie van Diessen.

Artikel 4 - Werkplan

EBN B.V. geeft uitvoering aan de activiteiten beschreven in het werkplan dat deel uitmaakt van de op 18 oktober 2023 ingediende aanvraag.

Artikel 5 - Geldigheidsduur

De vergunning geldt vanaf de dag na bekendmaking tot en met 31 december 2026.

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de EBN B.V. Van deze beschikking wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

De Minister van Klimaat en Groene Groei, namens deze: J. Visser MT-lid Directie Transitie Diepe Ondergrond

Tegen dit besluit kan degene, wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, binnen 6 weken na de dag waarop dit besluit is verzonden, een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Minister van Klimaat en Groene Groei, directie Wetgeving en Juridische Zaken, Postbus 20401, 2500 EK Den Haag. Dit besluit is verzonden op de in de aanhef vermelde datum.

Naar boven