Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2024, 28077 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2024, 28077 | ander besluit van algemene strekking |
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op de artikelen 19.0 van de Omgevingswet en 4.1188, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
Besluit:
Vanwege extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak en het zich daarom voordoen van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4.1188, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 19.0 van de Omgevingswet, wordt in afwijking van genoemd artikel 4.1188, eerste en tweede lid, drijfmest op grasland in 2024 niet na 15 september op of in de bodem gebracht.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 22 augustus 2024
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Tegen dit besluit kan degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken binnen zes weken na de dag van dagtekening van deze Staatscourant een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, directie Wetgeving en Juridische Zaken, Postbus 20401, 2500 EK Den Haag.
Met dit besluit wordt vanwege extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak in 2024 de uitrijdperiode voor drijfmest op grasland in heel Nederland verlengd tot en met 15 september in plaats van tot en met 31 augustus. Dit heeft tot gevolg dat landbouwers die binnen de gebruiksnormen nog dierlijke mest kunnen uitrijden, langer de tijd hebben drijfmest op grasland uit te rijden op een voor het milieu verantwoorde manier. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan vragen vanuit de sector, diverse vragen tijdens het commissiedebat mestbeleid van 4 juli 2024 en aan een schriftelijke vraag van het lid Vedder.1 In overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, wordt het advies van een hiertoe ingestelde Expertcommissie opgevolgd en in dit besluit uitgewerkt. Het voornemen om het uitrijdseizoen te verlengen is opgenomen in de brief aan de Tweede Kamer van 13 augustus 2024 (Kamerstukken II, 2024–25, 33 037, nr. 555). Dit besluit wijzigt niets aan de gebruiksnormen of aan de methoden waarmee drijfmest mag worden toegepast.
Paragraaf 2 bevat een toelichting op het besluit. Ingegaan wordt op het juridisch kader en het advies van de Expertcommissie. Daarnaast wordt in paragraaf 3 ingegaan op de administratieve lasten die zijn gemoeid met dit besluit en de uitvoerings- en handhavingsaspecten.
Het voorzien in voorschriften over uitrijdperiodes is verplicht op grond van bijlage III van de Nitraatrichtlijn.2 In de artikelen 4.1187 en 4.1188 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) zijn specifieke periodes vastgelegd waarbinnen dierlijke mest mag worden uitgereden. De tijdstippen tot en met wanneer toediening van dierlijke mest op grond van deze bepalingen van het Bal zijn toegestaan, zijn:
|
Gewas/grondgebruik |
Grondsoort |
Drijfmest |
Vaste mest |
|
|---|---|---|---|---|
|
Grasland |
Zand/löss |
t/m 31 aug |
t/m 31 aug |
|
|
Klei/veen |
t/m 31 aug |
t/m 15 sept |
||
|
Bouwland |
Zand/löss |
t/m 15 sept1 |
t/m 31 aug |
|
|
Klei/veen |
t/m 15 sept1 |
geen |
||
Ad 1 Toediening in de periode 1 aug t/m 15 sept is alleen toegestaan indien er voor 15 september winterkoolzaad is gezaaid, indien er voor 15 september een groenbemester wordt gezaaid die minimaal 8 weken blijft staan of er in het najaar bloembollen worden geplant.
Op grond van artikel 4.1188, derde lid, van het Bal kan het bevoegd gezag, in dit geval de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet en in verband daarmee de uitrijdperiode wijzigen. In artikel 4.1188, derde lid, van het Bal is ook bepaald dat de bijzondere omstandigheid wordt gevormd door extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak. Hierbij kan worden gedacht aan aanhoudende landelijke of regionale regenval waardoor landbouwers niet of redelijkerwijs niet in staat zijn geweest om binnen de regulier toegelaten periode drijfmest aan te wenden. In een dergelijke situatie kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bepalen op welke locaties en voor welke periode bijzondere regels over uitrijdperiodes gelden. Artikel 19.0 van de Omgevingswet laat het namelijk aan het bevoegd gezag over om te bepalen welke regels in de gegeven omstandigheden het meest passend zijn. Dat kunnen dus ook andere regels zijn dan een wijziging van de periode.
In dit besluit is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid van artikel 4.1188, derde lid, van het Bal in verbinding met artikel 19.0 van de Omgevingswet door de uitrijdperiode voor drijfmest op grasland in heel Nederland te verlengen tot en met 15 september 2024. Aan de hand van het advies van de Expertcommissie zal in paragraaf 2.2 worden toegelicht hoe tot dit besluit is gekomen.
Een hiervoor in het leven geroepen Expertcommissie heeft geadviseerd over het al dan niet aan de orde zijn van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4.1188, derde lid, van het Bal. Deze commissie is samengesteld uit wetenschappers op het gebied van waterkwaliteit, plantengroei, het KNMI en vertegenwoordigers van sectorpartijen. De Expertcommissie heeft daarbij een afweging gemaakt tussen de volgende aspecten:
– Weersomstandigheden in het najaar van 2023 en in 2024 tot nu toe;
– Landbouwkundige noodzaak om de uitrijddata te verlengen;
– Effect van het verlengen van de uitrijddata op de waterkwaliteit (en andere milieukundige aspecten waaronder bescherming van de bodem).
De Expertcommissie concludeert dat sprake is geweest van extreme weersomstandigheden. Uit de gegevens die beschikbaar zijn gesteld door het KNMI, blijkt dat sinds september 2023 in vrijwel heel Nederland de neerslag meer dan gemiddeld is geweest. In de maanden februari, april en mei 2024 viel gemiddeld over het land zelfs twee keer zoveel neerslag als het langjarig gemiddelde over 1991–2020 voor deze maanden. Ook in de maanden die relatief droog waren, met name maart, waren er dagen met extreem veel neerslag. Deze weersomstandigheden hebben ertoe geleid dat de begaanbaarheid van het land voor agrariërs het gehele voorjaar moeilijk was en dat het hierdoor op heel veel plekken in Nederland niet mogelijk was om tijdig de dierlijke mest uit te rijden.
De Expertcommissie heeft onderzocht in hoeverre een verlenging van de uitrijddatum van dierlijke mest landbouwkundig gezien nodig en mogelijk is, zodanig dat dit geen nadelige effecten heeft op de waterkwaliteit. Voor een verlenging van de uitrijdperiode op bouwland ziet de expertcommissie geen landbouwkundige noodzaak; de gewassen zijn tegen het einde van de uitrijdperiode grotendeels volgroeid en moeten vooral afrijpen. Voor grasland ziet de commissie dit anders (wel een landbouwkundige noodzaak) omdat ook in het najaar gras nog kan groeien en nog stikstof kan opnemen. De commissie komt tot de conclusie dat een verschuiving van de uiterste uitrijddatum van uiterlijk 31 augustus 2024 naar uiterlijk 15 september 2024 voor drijfmest op grasland mogelijk een gering verhogend effect zal kunnen hebben op de uitspoeling. Door de natte omstandigheden zal de hoeveelheid minerale stikstof in de bodem echter waarschijnlijk niet zo hoog zijn en zal bemesting waarschijnlijk nog kunnen resulteren in een stikstofopname van de gewassen na 31 augustus. Ook constateert de Expertcommissie dat door de wijzigende klimatologische omstandigheden de groeiseizoenen verschuiven naar later in het jaar en dat de gewassen nog later in het jaar groeien en dus stikstof opnemen. Dierlijke mest geeft ook organische stof in de bodem, die goed is voor de bodemstructuur en de biodiversiteit.
Wanneer de uitrijdperiode voor drijfmest op grasland tot en met 15 september wordt verlengd biedt dit voor agrariërs ruimte om de tot nu toe niet aangewende gebruiksruimte op te vullen met dierlijke mest, zodat het gewas en de bodem de juiste mineralen toegediend krijgen. De verlengde uitrijdperiode op gras heeft daarmee dus een zeer beperkte nadelige invloed op de nutriëntenuitspoeling. De Expertcommissie adviseert de uitrijdperiode voor drijfmest op grasland in heel Nederland te verlengen tot en met 15 september 2024.
Met dit besluit wordt opvolging en uitwerking gegeven aan het advies van de Expertcommissie om het uitrijdseizoen voor drijfmest op grasland te verlengen tot en met 15 september 2024. Tevens wordt invulling gegeven aan het voornemen dat in de eerdergenoemde Kamerbrief van 13 augustus 2024 is aangekondigd.
De regeldruk voor dit besluit is door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) beoordeeld. RVO heeft ingeschat dat met de leestijd van dit besluit voor alle landbouwers met grasland ongeveer € 58.000,– gemoeid is in totaal voor heel Nederland.
RVO heeft de bedrijfseffecten van dit besluit niet voor heel Nederland kunnen berekenen omdat deze per bedrijf kunnen verschillen. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een bedrijf dat alle mest al voor de bekendmaking van dit besluit op het eigen bedrijf heeft kunnen plaatsen. Dit bedrijf heeft geen extra mestafzetkosten. Er kan ook sprake zijn van een droge periode eind augustus waardoor het voor bedrijven mogelijk zou zijn de resterende mest binnen de gebruiksruimte nog in die weken te plaatsen. Dit zou voor dat bedrijf extra kosten van mestafzet voorkomen, maar mogelijk nadelige gevolgen hebben voor de waterkwaliteit als te veel meststoffen in korte tijd op het land worden geplaatst en daardoor niet door het gewas opgenomen kunnen worden. Omdat niet bekend is hoeveel meststoffen landbouwers nog zouden moeten en/of kunnen plaatsen, kan geen berekening worden gemaakt.
De administratieve uitvoering van dit besluit geschiedt door de RVO. RVO moet eenmalig communicatiegegevens op de website plaatsen en instructies voor medewerkers aanpassen. Deze lasten zijn beperkt. De handhaving geschiedt door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) via zichtcontroles. De verlengde uitrijdperiode brengt hierin geen verandering. De NVWA zal eenmalig werkinstructies moeten aanpassen en medewerkers instrueren. Deze lasten zijn beperkt. Er zijn geen wijzigingen in de structurele handhavingskosten voorzien.
Het besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Omdat dit besluit na 2024 is uitgewerkt, wordt geregeld dat het besluit per 1 januari 2025 vervalt.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Kamervragen van 19 juli 2024 over de gevolgen van de uitzonderlijk natte weersomstandigheden voor boeren en tuinders (Aanhangsel Handelingen II 2023/24, nr. 2024Z12100).
Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2024-28077.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.