De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Gelet op artikel 3, tweede lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen;
Besluit:
ARTIKEL I
Het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen,
wordt vastgesteld op ten hoogste € 78,80.
ARTIKEL II
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.J.M. Uitermark
TOELICHTING
1. Algemeen
Artikel 3, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen bevat het
maximale bedrag dat gemeenten in rekening mogen brengen voor de kosten die zijn gemoeid
met het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Dat bedrag wordt op basis
van artikel 3, tweede lid, van dat besluit, bij ministeriële regeling gewijzigd per
1 januari van elk jaar als de consumentenprijsindex, geldend voor de maand april van
het voorafgaande jaar, daartoe aanleiding geeft. Het bedrag wordt afgerond op het
dichtstbijzijnde veelvoud van 10 eurocent en vóór 1 september van het voorafgaande
jaar bekend gemaakt.1 Met deze regeling is het maximumbedrag per 1 januari 2025 vastgesteld.
2. Indexering
Consumentenprijsindex
De consumentenprijsindex conform de definitie daarvan in artikel 3, derde lid, van
voormeld besluit is:
Basis: 2015 (= 100)
Index april 2023: 126,01
Index april 2024: 129,422
In 2024 was het maximumbedrag € 76,70. Gelet op de consumentenprijsindex is het tarief
voor 2025 vastgesteld op € 78,80. Berekening: (129,42 : 126,01) x € 76,70 = € 78,80
(afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van 10 eurocent).
Het verhogen van het maximumbedrag leidt er niet automatisch toe dat gemeenten het
bedrag dat zij in rekening brengen verhogen tot het (nieuwe) maximumbedrag. De kosten
die zijn verbonden aan het opleggen en innen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting
zullen namelijk per gemeente verschillen en kunnen minder bedragen dan het (nieuwe)
maximumbedrag.
3. Regeldruk
Deze regeling heeft geen administratieve lasten tot gevolg.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.J.M. Uitermark