Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek | Staatscourant 2024, 22922 | overige overheidsinformatie |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek | Staatscourant 2024, 22922 | overige overheidsinformatie |
Learning communities als aanjagers van de groene waterstofeconomie
2024
|
1 |
Inleiding |
1 |
|
|
1.1 |
Achtergrond |
1 |
|
|
1.2 |
Beschikbaar budget |
3 |
|
|
1.3 |
Indieningsdeadline(s) |
3 |
|
|
2 |
Doel |
3 |
|
|
2.1 |
Doelstelling van het programma |
3 |
|
|
2.2 |
Maatschappelijke impact |
7 |
|
|
3 |
Voorwaarden voor aanvragers |
7 |
|
|
3.1 |
Wie kan aanvragen |
7 |
|
|
3.2 |
Wat kan aangevraagd worden |
9 |
|
|
3.3 |
Het opstellen en indienen van de aanvraag |
12 |
|
|
3.4 |
Indieningsvoorwaarden |
14 |
|
|
3.5 |
Subsidievoorwaarden |
14 |
|
|
4 |
Beoordelingsprocedure |
18 |
|
|
4.1 |
De San Francisco Declaration (DORA) |
18 |
|
|
4.2 |
Procedure |
18 |
|
|
4.3 |
Criteria |
21 |
|
|
5 |
Subsidieverplichtingen |
23 |
|
|
5.1 |
Startdatum |
23 |
|
|
6 |
Contact en overige informatie |
25 |
|
|
6.1 |
Contact |
25 |
|
|
6.2 |
Overige informatie |
25 |
|
|
7 |
Bijlagen |
25 |
|
|
7.1 |
Toelichting op budgetmodules voor onderzoeksactiviteiten door onderzoeksorganisaties |
25 |
|
|
7.2 |
Toelichting op in aanmerking komende kosten voor ondernemingen en maatschappelijke organisaties |
29 |
|
|
7.3 |
Toelichting op in aanmerking komende kosten voor de opbouw en exploitatie van learning community |
30 |
|
|
7.4 |
Toelichting op de integrale kostensystematiek (IKS) en het vast uurtarief |
31 |
|
|
7.5 |
Relatie van deze Call for proposals tot de andere onderdelen van ‘GroenvermogenNL’ |
32 |
|
|
7.6 |
Overige bijlagen |
32 |
|
In deze Call for proposals leest u hoe de aanvraagprocedure is ingericht voor de subsidieronde ‘NGF: Op Weg Naar de Toekomst. Learning communities als aanjagers voor de groene waterstofeconomie’, die onderdeel is van het Human Capital Agenda (HCA)-programma van ‘Groenvermogen van de Nederlandse economie’ (‘GroenvermogenNL’).
Het voorstel GroenvermogenNL is door de Nederlandse overheid gehonoreerd in het kader van het Nationaal Groeifonds. Deze Call for proposals valt onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en is tot stand gekomen in een samenwerking met de Stichting GroenvermogenNL. Omdat deze Call for proposals in het teken staat van het Nationaal Groeifonds, kunnen er andere voorwaarden van toepassing zijn dan in reguliere NWO-Calls.
U vindt in deze Call for proposals achtereenvolgens informatie over het doel van dit programma (hoofdstuk 2), de voorwaarden voor de subsidieaanvraag (hoofdstuk 3) en hoe uw aanvraag wordt beoordeeld (hoofdstuk 4). Deze informatie heeft u nodig om een aanvraag voor subsidie te kunnen indienen. In hoofdstuk 5 vindt u de subsidieverplichtingen die van toepassing zijn in geval van toewijzing, in hoofdstuk 6 staan de contactgegevens en in hoofdstuk 7 de bijlagen.
NWO en het Nationaal Groeifonds
Via het Nationaal Groeifonds (NGF) investeert de overheid in de periode 2021–2025 in projecten die economische groei op lange termijn waarborgen. Het NGF investeert onder andere in onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieprojecten. In sommige van deze projecten is NWO betrokken als één van de uitvoerende organisaties, bijvoorbeeld voor het organiseren van subsidieprogramma’s voor wetenschappelijk, praktijkgericht of toegepast onderzoek (hierna als ‘onderzoek’ aangeduid) of voor talent.
Groenvermogen van de Nederlandse economie
De Nederlandse overheid heeft in het kader van het NGF € 838 miljoen beschikbaar gesteld voor GroenvermogenNL.
GroenvermogenNL beoogt een substantiële bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van een groene-waterstof-ecosysteem om toepassingen van groene waterstof in o.a. de chemie, de (zware) industrie en de transportsector versneld mogelijk te maken door innovatie en kostenreductie. Daarmee kan het programma een waardevolle bijdrage leveren aan de stapsgewijze overgang naar een klimaatneutrale samenleving.
Daarnaast heeft het ook tot doel om talent te inspireren om wetenschappelijke doorbraken en technologische innovaties mogelijk te maken. GroenvermogenNL bestaat uit vier onderdelen: (i) een opschalingsprogramma, (ii) klein- en grootschalige demonstratieprojecten, (iii) een R&D-programma, en (iv) een human capital agenda (HCA) programma, waarvan de voorliggende Call for proposals een onderdeel is.
Human capital agenda programma
De HCA voorziet in een sterke menselijke uitvoeringsbasis om aan de verwachte vraag te kunnen voldoen naar theoretisch en praktisch geschoolde professionals die nodig zijn voor de productie van groene waterstof en groene elektronen en de toepassing van de hele waardeketen in zeer gespecialiseerde sectoren in onze economie. Daarnaast voorziet de HCA in de om- en bijscholing van werknemers binnen de huidige fossiele sectoren én het optimaal benutten van dit nieuwe werkgelegenheidspotentieel. De HCA is binnen GroenvermogenNL gepositioneerd als ‘enabler’ voor de ambitieuze activiteiten ten aanzien van productie en transport, op- en overslag van waterstof en de (grootschalige) toepassing ervan in industrie en overige toepassingsgebieden zoals mobiliteit & transport en de gebouwde omgeving.
De HCA heeft een looptijd van 2022 tot en met 2029. De notities ‘Human Capital Agenda Groenvermogen NL. Brug naar de toekomst’ en ‘Ruim baan voor versnelling. Human Capital Agenda 2024–2028’ (beschikbaar in paragraaf 7.6) vormen daarvoor de basis. Het programma kent vijf werkstromen: (1) Kennisgebieden in kaart, (2) Realisatie en opschaling learning communities en mobiliseren regio, (3) Nationaal platform kennisuitwisseling en opleidingsmogelijkheden, (4) Nationaal pakket onderwijsprogramma’s en digitale leeromgeving, (5) Innovatie en opleidingsimpuls voor professionals op waterstof. Deze Call for proposals is onderdeel van Werkstroom 2. Deze vijf werkstromen zijn met elkaar verbonden zoals weergegeven in Figuur 1.

Figuur 1 Werkstromen van de HCA
De uitvoering van de HCA vindt plaats in verbinding met de andere onderdelen van GroenvermogenNL, zoals het R&D-programma en de demonstratieprojecten. Daarnaast wordt de HCA van GroenvermogenNL uitgevoerd in de bredere context van de energietransitie in Nederland. Daarbij wordt samengewerkt met andere programma’s die zich sterk maken voor human capital voor de energietransitie, zoals LLO-Katalysator, Opschaling PPS, Just Transition Fund, Npuls, AINed en andere programma’s die gefinancierd worden vanuit Nationaal Groeifonds, EU of regionale middelen.
Werkstroom 2 van de HCA
De waterstofeconomie vraagt om veel innovaties. De realisatie van learning communities is noodzakelijk om de nieuwe kennis sneller door te vertalen naar onderwijsprogramma’s en scholing voor professionals. Met learning communities wordt een stevige en responsieve basis ontwikkeld voor het dicht tegen elkaar aan organiseren van innoveren, werken en leren en voor de jaren na GroenvermogenNL.
De invulling van Werkstroom 2 wordt in samenhang met andere HCA-werkstromen in regionale samenwerking opgezet. Deze werkstroom kent twee fases: fase 1 van 2022-2025 en fase 2 van 2025–2029, het onderwerp van deze Call for proposals. In fase 1 zijn de aanloopactiviteiten van de learning communities voorbereid in de volgende zeven regio’s:
1. Noord-Nederland (Groningen, Friesland, Drente)
2. West-Nederland (Zuid Holland)
3. Zuidwest-Nederland (Zeeland)
4. Noordwest-Nederland (Noord Holland, Utrecht, Flevoland)
5. Zuidoost-Nederland (Limburg)
6. Oost-Nederland Lifeport (Gelderland, Overijssel)
7. Oost-Nederland Brainport (Noord Brabant)
De laatste twee regio’s zijn in fase 1 opgepakt vanuit één penvoeder (Regio Oost) en hebben een gezamenlijke Regionale Roadmap opgesteld.
In fase 1 is per regio een liaisonteam aangesteld om een regionale roadmap te ontwikkelen in nauwe samenwerking met, en met commitment van, het regionale ecosysteem. De regionale roadmaps beschrijven de ambities voor de energie- en waterstoftransitie in de regio’s. De ontwikkeling van learning communities in de regio’s vormen daarin een belangrijk onderdeel. De meest kansrijke activiteiten zijn geformuleerd om tot een krachtige learning community-aanpak te komen. Binnen deze aanpak werken consortia van bedrijven, onderwijs, (semi-)overheden en onderzoekers samen aan een snelle opbouw van skills in hun regio. De regionale roadmaps vormen de basis voor de uitvoering van fase 2 van deze werkstroom. De roadmaps van alle regio’s evenals het rapport ‘Aanloopactiviteiten Learning Communities’ waarin een verdiepingsslag is gemaakt op deze learning communities zijn beschikbaar in paragraaf 7.6.
Deze Call for proposals ‘Op Weg Naar de Toekomst. Learning communities als aanjagers voor de groene waterstofeconomie’ geeft invulling aan de tweede fase van werkstroom 2.
Het subsidieplafond voor deze Call for proposals bedraagt in totaal € 26.800.000. Binnen deze Call for proposals wordt maximaal één aanvraag per bovengenoemde regio en daarmee een maximum van zeven aanvragen toegewezen. Voor het maximaal aan te vragen subsidiebedrag per regio zie paragraaf 3.2.
De deadline voor aanmelding voor de voorbereidende workshops is dinsdag 15 oktober 2024, voor 14:00:00 CEST
De deadline voor het indienen van aanvragen is dinsdag 11 maart 2025, voor 14:00:00 CET.
Bij het indienen van uw aanvraag in ISAAC dient u ook online nog gegevens in te voeren. Begin daarom ten minste één dag vóór de deadline van deze Call for proposals met het indienen van uw aanvraag. Aanvragen die na de deadline worden ingediend, worden niet in behandeling genomen.
Dit hoofdstuk beschrijft de doelstelling van het programma en de maatschappelijke impact.
GroenvermogenNL heeft als ambitie de groene waterstoftransitie te versnellen door investeringen te stimuleren, innovatie te bevorderen en kansen voor opschaling te verzilveren. Dit vereist goed opgeleide professionals en vakmensen met de juiste kennis en vaardigheden. Voor het versnellen van de groene waterstofeconomie zijn bijna 38.000 FTE nodig. De snelheid van en het moment waarop de groei in banen gaat ontstaan is onzeker in deze tijd. Bovendien is de arbeidsmarktkrapte langdurig en de skills gap groot. Daarom heeft GroenvermogenNL in 2021 in samenwerking met groot aantal stakeholders de human capital agenda (HCA) opgesteld, zoals beschreven in paragraaf 1.1.
Voor het slagen van waterstoftransitie is het cruciaal dat reeds werkende professionals in diverse sectoren tijdig voorzien worden van de vereiste kennis en vaardigheden. Bovendien zal er ondanks de groeiende krapte op de arbeidsmarkt voldoende personeel beschikbaar moeten zijn, zonder dat dit ten koste gaat van andere sectoren die ook essentieel zijn voor het succes van de bredere energietransitie.
Om dit te bewerkstelligen is de ontwikkeling van een ‘responsief ecosysteem’ van werken, leren en innoveren van essentieel belang, waarin kennis- en skills ontwikkeling voor (toekomstige) waterstofprofessionals samengaan om de time-to-job te verkorten. De term time-to-job verwijst naar de periode die nodig is voor een individu om volwaardig te kunnen functioneren in een nieuwe baan. Het is de tijd die nodig is om zich aan te passen aan de nieuwe werkomgeving, de vereiste vaardigheden en kennis te verwerven en effectief te kunnen bijdragen aan de organisatie. Een kortere time-to-job duidt op een snelle en succesvolle integratie van een individu in een nieuwe baan, terwijl een langere time-to-job kan wijzen op uitdagingen bij het aanpassen aan de nieuwe rol en omgeving. Het responsieve ecosysteem bestaat uit samenwerkende partijen die betrokken zijn in de hele waterstofketen, van bedrijven, onderwijs- en opleidingsinstellingen (zowel publiek als privaat) tot onderzoeksinstellingen en overheden.
Met deze Call for proposals wordt onderzoek gestimuleerd naar regionale oplossingen en/of oplossingsrichtingen voor het creëren en het vormgeven van een responsief ecosysteem van werken, leren en innoveren door middel van praktijkgericht onderzoek. Gezamenlijk vormen deze regionale ecosystemen een landelijk ecosysteem van werken, leren en innoveren om de waterstoftransitie te versnellen. Met deze Call for proposals wordt beoogd bij te dragen aan kennisontwikkeling ten gunste van dit ecosysteem als geheel.
De centrale vraag is ‘Hoe kan een responsief ecosysteem met een sterke verbondenheid tussen werken, leren en innoveren ontwikkeld worden waarin kennis- en skillsontwikkeling voor (toekomstige) waterstofprofessionals samengaan om de time-to-job te verkorten?’
Regionale consortia worden uitgenodigd binnen het kader van deze centrale vraag een voorstel voor te bereiden. De onderzoeksvragen dienen nauw aan te sluiten bij de vraagstukken zoals die zijn beschreven in de regionale roadmaps en zijn opgehaald in de aanloopactiviteiten voor de opzet van learning communities in fase 1.
Deze Call for proposals bouwt voort op de resultaten van de projecten uit fase 1 die zijn gepresenteerd in de regionale roadmaps (te vinden in paragraaf 7.6). Deze roadmaps brengen voor elk van de zeven regio’s in kaart welke ambities en uitdagingen voor de energie- en waterstoftransitie er zijn, en wat de meest kansrijke human capital activiteiten zijn om deze ambities te realiseren. Een aanvrager dient de regionale roadmap van de regio te gebruiken als uitgangspunt voor de aanvraag voor die betreffende regio. De documenten in paragraaf 7.6 zijn richtinggevend voor de invulling van de aanvraag.
Praktijkgericht onderzoek wordt gekenmerkt door de samenhang en samenwerking met de praktijk. Vragen vanuit de beroepspraktijk worden vertaald naar onderzoeksvragen. Daarnaast vindt het onderzoek plaats in en met die praktijk. Verder wordt praktijkgericht onderzoek gekenmerkt door praktisch toepasbare resultaten. Gegenereerde kennis, inzichten, producten en diensten dienen dus bij te dragen aan innovatie van de beroepspraktijk en het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Door samen met de beroepspraktijk onderzoek te doen, komen kennis en resultaten van onderzoek weer terug in diezelfde praktijk en in het onderwijs.
Een responsief ecosysteem van werken, leren en innoveren ten behoeve van de energie- en waterstoftransitie vraagt om praktijkgericht onderzoek. Aanvragen in deze subsidieronde dienen daarom te worden ingediend door een consortium van kennisinstellingen (hogescholen en universiteiten), mbo-instellingen en partners uit de praktijk, dat wil zeggen bedrijven en maatschappelijke organisaties. De regionale roadmaps zijn opgesteld in samenwerking met de beroepspraktijk. Door vanuit het consortium voort te bouwen op de vraagstukken uit deze roadmaps en die te vertalen naar onderzoeksvragen, is aansluiting van het onderzoek bij de beroepspraktijk goed mogelijk.
Meer informatie over en voorbeelden van praktijkgericht onderzoek zijn te vinden op de website van Regieorgaan SIA.
Voor het slagen van de waterstoftransitie is veel nieuwe kennis nodig. Daarom investeert GroenvermogenNL, naast in human capital, ook in R&D, en in demo’s en pilots. Om deze nieuwe kennis in te zetten op de arbeidsmarkt verbindt GroenvermogenNL kennisontwikkeling met regionale learning communities waar innoveren, leren en werken samenkomen. In deze learning communities worden de resultaten van onderzoek geïmplementeerd en verder ontwikkeld. Op deze wijze geeft GroenvermogenNL invulling aan skills valorisatie: nieuwe kennis uit onderzoek en innovaties valoriseren door de ontwikkeling van vaardigheden van professionals en studenten. Om skills valorisatie vorm te geven stimuleert GroenvermogenNL aanvragende consortia de samenwerking te zoeken met regionale learning communities. Deze learning communities zijn van essentieel belang voor de ontwikkeling van een responsief ecosysteem in de regio’s. Daarom is de oprichting en/of uitbreiding van learning communities een belangrijk onderdeel van een aanvraag in deze Call for proposals.
Het praktijkgericht onderzoek binnen deze Call for proposals roept op tot onderzoeksvoorstellen die zijn gericht op het verwerven van nieuwe praktijkgerichte kennis en inzichten over het leren in samenhang met werken en innoveren door individuen én organisaties binnen learning communities.
Het begrip learning community wordt qua visie, werkwijze en concept gebaseerd op het begrippenkader en de uitgangspunten zoals die in het kader van de Roadmap Human Capital Topsectoren zijn geformuleerd, zoals weergegeven in Figuur 2. Ook wordt gebruik gemaakt van de kennis en instrumenten uit het Landelijk Netwerk Learning Communities en de onderzoeksprogrammering naar learning communities via NWO.

Figuur 2: Definitie en kenmerken van learning community uit Roadmap Human Capital Topsectoren
Een learning community kan opereren op verschillende niveaus:
1. Een macro-learning community is een regio-overstijgende learning community met een groot aantal betrokken (publieke en private) partijen die gezamenlijk aan oplossingen werken voor grote maatschappelijke vraagstukken. Bijvoorbeeld Brainport, Lifeport, Noorzeekanaalgebied, Hydrogen Valley, Port of Rotterdam.
2. Een meso-learning community is een georganiseerde learning community met meerdere organisaties die gezamenlijk vraagstukken aanpakken zoals PPS mbo-hbo, fieldlabs op universiteiten of hogescholen en center of expertise op hogescholen. Bijvoorbeeld Entrance, Duurzaamheidfabriek, SEECE, Chill, Techport, The Green Village.
3. Een micro-learning community richt zich vaak op een gedeeld vraagstuk waarbij meerdere partijen zijn aangesloten om vanuit hun perspectief mee te werken aan het oplossen van het vraagstuk.
Een learning community die wordt beoogd in deze Call for proposals opereert op macro-niveau en heeft de volgende kernmerken:
1. De beoogde learning community bestaat uit samenwerkingsverbanden tussen organisaties, zoals weergegeven in figuur 3, die kunnen bijdragen aan de creatie van een responsief ecosysteem voor de waterstoftransitie. Hierbij dienen de volgende partijen worden betrokken: mbo-, hbo-, en wo-instellingen; praktijkpartners uit (mkb) bedrijven en maatschappelijke organisaties. Deelname van mbo-, hbo- én wo-instellingen met minimaal één vertegenwoordiger per categorie is verplicht.
2. Het is raadzaam dat de belangrijkste stakeholders die zijn geïdentificeerd in de regionale roadmaps deelnemen in de learning community. De beoogde learning community bouwt voort op de kracht van de reeds bestaande infrastructuur van publiek-private samenwerking in de verschillende regio’s zoals beschreven in de regionale roadmaps. Het is wenselijk om instellingen in dezelfde regio te betrekken, maar instellingen uit andere regio’s met relevante kennis/expertise kunnen ook deelnemen aan de learning community. Daarnaast is het wenselijk om de relevante learning communities op verschillende niveaus in de regio te betrekken in de op te richten/uit te breiden macro learning community, zoals weergegeven in Figuur 3.
3. Het doel van de learning community is om innovatieve activiteiten in de regio te stimuleren binnen het thema van deze Call for proposals. Dit kan bewerkstelligd worden door het delen van faciliteiten, het bevorderen van de uitwisseling van kennis en deskundigheid en door bij te dragen aan technologieoverdracht, netwerking, informatieverspreiding en samenwerking tussen de deelnemers van de learning community. Voor deze Call for proposals is het daarom verplicht om in de aanvraag een plan van aanpak aan te leveren waarin de samenhang van de learning community met de activiteiten op het gebied van het praktijkgerichte onderzoek wordt geborgd. In de aanvraag dient het consortium toe te lichten hoe de activiteiten van de voorgestelde learning communities bijdragen aan beantwoorden van de onderzoeksvraag. De activiteiten van de learning communities die in aanmerking komen voor de subsidie worden verder toegelicht in paragraaf 3.2.

Figuur 3: Macro learning communities in relatie tot andere learning communities op verschillende niveaus
In deze Call for proposals worden de volgende voorwaarden gesteld voor de oprichting en/of uitbreiding van learning communities als onderdeel van praktijkgericht onderzoek naar een responsief ecosysteem van werken, leren en innoveren:
1. Per aanvraag kan subsidie worden aangevraagd voor de bekostiging van één macro learning community.
2. De eigenaar van de learning community (zie Tabel 1 paragraaf 3.2) is onderdeel van het aanvragende consortium, als hoofdaanvrager of medeaanvrager.
3. De randvoorwaarden voor de aanvraag voor learning communities worden verder beschreven in paragraaf 3.2 en 3.5.
Nieuwe kennis en inzichten vanuit onderzoek kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken van vandaag én morgen. Denk aan de energietransitie, gezondheid en zorg, of klimaatverandering. Door interactie en afstemming tussen onderzoekers en mogelijke kennisgebruikers, neemt de kans op het toepassen van kennis toe en daarmee ook de kans op maatschappelijke impact. Via haar beleid op impact bevordert NWO de mogelijke bijdrage vanuit onderzoek aan maatschappelijke vraagstukken door het stimuleren van productieve interacties met maatschappelijke belanghebbenden. Zowel tijdens de ontwikkeling als in de uitvoering van het onderzoek. Dit doet zij op een manier die past bij het doel van het financieringsinstrument.
Afhankelijk van het doel van het financieringsinstrument kiest NWO een bijbehorende benadering die de kans op maatschappelijke impact optimaal ondersteunt. Het primaire doel van het financieringsinstrument bepaalt de keuze voor de benadering die NWO inzet om kennisbenutting in verschillende fases van het project (aanvraag, uitvoering, na afloop) te bevorderen en de inspanning die van aanvrager(s) en partners gevraagd wordt.
In deze Call for proposals wordt de maatschappelijke impact afgestemd met GroenvermogenNL. Hiermee dragen NWO en GroenvermogenNL bij aan ‘duurzaam verdienvermogen’, conform de doelstelling van het Nationaal Groeifonds. In de beoordeling bij de Groeifondsaanvraag is het GroenvermogenNL voorstel al getoetst op kennisbenutting en impact, via de verwachte bijdrage aan het duurzaam verdienvermogen van Nederland. Deze door de Groeifonds-beoordelingscommissie goed bevonden manieren om impact via kennisbenutting te realiseren zijn gelegen in de volgende impactdoelen van het gehele GroenvermogenNL-programma:
– een bijdrage aan structurele verhoging van de productiviteit;
– relevantie voor markten met structurele groeipotentie;
– vergroting van de innovatiekracht van een sector of ecosysteem;
– aansluiting op de comparatieve voordelen van Nederland;
– breed toepasbare resultaten;
– gerichtheid op toekomstbestendige resultaten;
– toepassing van de laatste technologische inzichten;
– toepassing van de laatste wetenschappelijke inzichten.
De aanvraag dient aan te sluiten op de acht bovengenoemde impactdoelen van het NGF GroenvermogenNL-programma.
NWO biedt een e-learning module aan die geïnteresseerden op weg kan helpen via NWO Impact – Online workshops. Voor meer informatie over het kennisbenuttingsbeleid van NWO zie de website: Kennisbenutting | NWO.
Dit hoofdstuk bevat de voorwaarden die gelden voor uw subsidieaanvraag. Eerst wordt beschreven wie subsidie kan aanvragen (paragraaf 3.1) en waarvoor u subsidie kunt aanvragen (paragraaf 3.2). Vervolgens vindt u de voorwaarden voor het opstellen en indienen van de aanvraag (paragrafen 3.3 en 3.4) en specifieke subsidievoorwaarden (paragraaf 3.5).
Volledige aanvragen worden ingediend door een hoofdaanvrager en meerdere medeaanvragers. Een aanvraag wordt opgesteld door een consortium, waarin naast de aanvragers ook andere deelnemers betrokken kunnen zijn.
Er worden vier categorieën van deelnemers aan een consortium onderscheiden:
1. Hoofdaanvrager
2. Medeaanvrager(s)
3. Samenwerkingspartners
4. Cofinanciers
De voorwaarden per deelnemer worden in de volgende paragrafen nader toegelicht. Alleen de hoofd- en medeaanvragers kunnen binnen deze Call for proposals subsidie ontvangen.
Hoogleraren, universitair (hoofd)docenten, lectoren en andere onderzoekers met een vergelijkbare functie1 mogen als hoofdaanvrager optreden als zij in vaste dienst zijn (en derhalve een bezoldigd dienstverband voor onbepaalde tijd hebben2) of een tenure track overeenkomst hebben bij één van de onderstaande onderzoeksorganisaties:
– Universiteiten gevestigd in het Koninkrijk der Nederlanden;
– Universitair medische centra;
– Hogescholen, zoals bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
– TO2-instellingen;
– KNAW- en NWO-instituten;
– het Nederlands Kanker Instituut;
– het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek te Nijmegen;
– NCB Naturalis;
– Advanced Research Centre for NanoLithography (ARCNL);
– Prinses Máxima Centrum.
Personen met een nuluren-arbeidsovereenkomst of met een dienstverband voor bepaalde tijd (anders dan een tenure track) en de hierboven genoemde uitzondering voor lectoren in dienst van een hogeschool en onderzoekers in dienst van een TO2-instelling) zijn uitgesloten van indiening.
Het kan voorkomen dat de tenure track overeenkomst van de aanvrager eindigt vóór de beoogde afrondingsdatum van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, of dat vóór die datum het vaste dienstverband van de aanvrager eindigt wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. In dat geval voegt de aanvrager een verklaring van diens werkgever bij, waarin de betreffende organisatie garandeert dat het project en alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd adequaat zullen worden begeleid voor de volledige duur van het project. Ook de aanvrager in dienst van een hogeschool of TO2-instelling wiens dienstverband eindigt voor de beoogde afrondingsdatum van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd, moet een dergelijke verklaring bijvoegen.
Aanvragers met een deeltijd dienstverband dienen garant te staan voor adequate begeleiding van het project en van alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd.
Aanvullende voorwaarden:
– De hoofdaanvrager moet aangesteld zijn bij een instelling uit de regio waarvoor de aanvraag wordt ingediend.
– Deelname aan de workshops is een voorwaarde om als hoofdaanvrager een aanvraag in te mogen dienen. Het in de workshops gevormde consortium kan zich echter na de workshops nog uitbreiden met medeaanvragers. Meer uitleg over de workshop is te vinden in paragraaf 4.2.
Als medeaanvragers kunnen optreden medewerkers van:
1. De onderzoeksorganisaties genoemd onder ‘hoofdaanvrager’ in paragraaf 3.1.1;
2. Ondernemingen en overige publieke en private organisaties (hierna: ondernemingen en maatschappelijke organisaties) anders dan de onderzoeksorganisaties genoemd onder ‘hoofdaanvrager’ in paragraaf 3.1.1.
Ad 1
Voor de medewerkers van de onderzoeksorganisaties onder 1 gelden dezelfde voorwaarden als genoemd onder 3.1.1, met uitzondering van de aanvullende voorwaarden.
Ad 2
Voor medewerkers van organisaties genoemd onder 2 geldt dat zij kunnen deelnemen als medeaanvrager in het consortium mits:
– Zij een vast dienstverband hebben voor minimaal 0,6 fte;
– Hun organisatie aantoonbare Research&Development (R&D) activiteiten heeft in Nederland (waaronder begrepen practoraten van mbo-instellingen);
– Zij over een masteropleiding beschikken.
De hoofdaanvrager dient de aanvraag in via ISAAC, het elektronische indiensysteem van NWO. Tijdens het beoordelingsproces communiceert NWO met de hoofdaanvrager.
Na toewijzin van een aanvraag wordt de hoofdaanvrager projectleider en aanspreekpunt voor NWO. De kennisinstelling van de hoofdaanvrager is hoofdbegunstigde en wordt penvoerder.
Medeaanvragers hebben een actieve rol bij de uitvoering van het project. De (deel)projectleider(s) en begunstigde(n) zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het gehele project.
Een samenwerkingspartner is een partij die geen subsidie ontvangt en geen cofinanciering bijdraagt aan de aanvraag, maar wel nauw betrokken is bij de uitvoering van het onderzoek en/of de kennisbenutting. Een samenwerkingspartner is dus geen hoofd- of medeaanvrager of cofinancier.
Voor samenwerkingspartners kan gedacht worden aan bedrijven en andere private organisaties en maatschappelijke organisaties. Te denken valt aan eindgebruikers, maar ook organisaties die niet participeren in de workshops maar door de (mede-) aanvragers van toegevoegde waarde gezien worden en die later in het traject van opstellen van de aanvraag betrokken raken. De rol die deze partijen spelen bij de voorbereiding, uitvoering, en vertaling van het onderzoek naar de maatschappij dient in het onderzoeksvoorstel beschreven te worden. Een samenwerkingspartner neemt bij voorkeur ook deel aan de workshops (zie paragraaf 4.2.3).
Let op: voor personeel van organisaties die als samenwerkingspartner deelnemen aan het consortium kan geen subsidie voor salaris- of onderzoekskosten als medeaanvrager worden aangevraagd. Wel is het mogelijk kosten te vergoeden door deze organisaties als derden in te huren via de modules ‘materiële kosten’, ‘kennisbenutting’ of ‘project management (zie paragraaf 3.2 en bijlage 7.1).
Een cofinancier is een organisatie die deelneemt aan het consortium en in cash en/of in kind bijdraagt aan het project. Voor de verdere specifieke cofinancieringsvoorwaarden die gelden in deze Call for proposals, zie paragraaf 3.5.7). De rol die deze organisaties spelen bij de voorbereiding, uitvoering, en vertaling van het onderzoek naar de maatschappij dient in de aanvraag beschreven te worden.
Voor een aanvraag in deze Call for proposals kan per regio in totaal maximaal worden aangevraagd:
|
Regio |
Maximale subsidie |
|---|---|
|
1. Noord-Nederland (Groningen, Friesland, Drente) |
€ 4.450.000 |
|
2. West-Nederland (Zuid-Holland) |
€ 4.450.000 |
|
3. Zuidwest-Nederland (Zeeland) |
€ 3.000.000 |
|
4. Noordwest-Nederland (Noord-Holland, Utrecht, Flevoland) |
€ 4.450.000 |
|
5. Zuidoost-Nederland (Limburg) |
€ 3.000.000 |
|
6. Oost-Nederland Lifeport (Gelderland, Overijssel) |
€ 4.450.000 |
|
7. Oost-Nederland Brainport (Noord Brabant) |
€ 3.000.000 |
Van de aangevraagde subsidiemiddelen dient minimaal 50% te gaan naar onderzoeksorganisaties genoemd onder ‘hoofdaanvrager’ in 3.1.1. Verder geldt dat van de aangevraagde subsidiemiddelen minimaal 75% bestemd is voor onderzoeksactiviteiten en maximaal 25% voor de opbouw en exploitatie van een learning community.
NWO financiert niet de totale projectomvang. Een aanvraag vereist dus
Financiering anders dan door NWO. Financiering anders dan door NWO bestaat uit:
I. de eigen bijdrage, i.e. het niet-gesubsidieerde deel van de ingebrachte in aanmerking komende kosten van ondernemingen en maatschappelijke organisaties.
II. de eigen bijdrage, i.e. het niet-gesubsidieerde deel van de ingebrachte in aanmerking komende kosten van de opbouw en exploitatie van de learning community.
III. eventuele cash (exclusief btw) of in-kind cofinanciering (zie paragraaf 3.5.7).
Onderzoeksorganisaties in paragraaf 3.1. genoemd onder ‘hoofdaanvrager’ of bij ‘medeaanvrager’ onder 1. kunnen geen eigen bijdrage als Financiering anders dan door NWO opvoeren of als cofinancier optreden. Ondernemingen en maatschappelijke organisaties, zoals bedoeld in paragraaf 3.1.2 onder 2 kunnen de eigen bijdrage, zoals bedoeld onder I en II, niet financieren uit publieke middelen.
De maximale looptijd van het voorgestelde project is vier jaar.
De voor deze Call for proposals beschikbare budgetmodules (inclusief de maximum bedragen) staan vermeld in de tabellen 1, 2, 3 en 4 hieronder. Deze Call for proposals maakt onderscheid tussen de budgetmodules voor de onderzoeksorganisaties (zoals benoemd in paragraaf 3.1.1 Hoofdaanvrager en in 3.1.2 Medeaanvrager onder 1) en de maximaal in aanmerking komende kosten voor ‘ondernemingen en maatschappelijke organisaties’ (zoals benoemd in paragraaf 3.1.2 Medeaanvrager onder 2).
|
Type organisatie |
Subsidiepercentage |
|---|---|
|
Onderzoeksorganisatie (zie paragraaf 3.1.1) |
100% van de subsidiabele kosten voor niet-economische activiteiten. |
|
Ondernemingen en maatschappelijke organisaties (zie paragraaf 3.1.2 onder 2) |
Maximaal 40% van de in aanmerking komende kosten. |
|
De eigenaar van de learning community. Deze eigenaar kan een onderzoeksorganisatie zijn (zie paragraaf 3.1.1 onder 1) of een onderneming of maatschappelijke organisatie (zie paragraaf 3.1.1 onder 2) |
Maximaal 50% van de in aanmerking komende kosten. |
Bekostiging van personele kosten
Voor het bekostigen van personele kosten kan in deze Call for proposals gebruik worden gemaakt van de volgende tariefsystemen:
– alaristabellen + 50% opslag (zie paragraaf 7.1)
– NFU-salaristabellen + 50% opslag (zie paragraaf 7.1)
– Tarieven uit tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven + 50% opslag (zie paragraaf 7.1)
– Integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd3 bij RVO voor de betreffende organisatie (zie paragraaf 7.3)4
– Vast uurtarief van € 60 (zie paragraaf 7.3).
Tabel 2 en Tabel 3 geven per type aanvrager aan welk tariefsysteem ter beschikking staat. De verschillende tariefsystemen zijn verwerkt in het begrotingsformat dat NWO beschikbaar stelt.
Let op: het is niet mogelijk om subsidie aan te vragen voor de inzet van de hoofd- of medeaanvragers zelf anders dan via de budgetmodules Vervanging van aanvragers en Personeel hogescholen en TO2-instellingen.
Onderzoeksorganisaties
Voor de onderzoeksorganisaties zoals bedoeld in paragraaf 3.1.1, zowel bij ‘hoofdaanvrager’ als bij ‘medeaanvrager’, gelden de budgetmodules (inclusief de maximum bedragen) vermeld in Tabel 2. Vraag alleen datgene aan wat essentieel is om het project uit te voeren. Een nadere toelichting op de budgetmodules vindt u in de bijlage bij deze Call for proposals (paragraaf 7.1). Activiteiten waarvoor een onderzoeksorganisatie subsidie aanvraagt dienen te kwalificeren als niet-economische activiteiten, zoals bedoeld in paragraaf 20 van de Europese Kaderregeling betreffende staatssteun voor Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (2022/C 414/01)5. Onderzoeksorganisaties die subsidie aanvragen in deze Call for proposals dienen te verklaren dat deze activiteiten niet-economisch van aard zijn. De kwalificatie als niet-economische activiteit betreft een drempelcriterium om voor subsidie in aanmerking te komen. De beoordelingscommissie zal daarom de voorgestelde activiteiten van onderzoeksorganisaties beoordelen op de mate van onafhankelijk onderzoek, gericht op meer kennis en beter inzicht (zie paragraaf 4.3.1).
|
Budgetmodule |
Aan te vragen bedrag (100% van de subsidiabele kosten) |
|---|---|
|
Postdoc |
Onbeperkt aantal posities, volgens – UNL-tarieven of NFU-tarieven1 + 50% opslag, of – Tarief conform integrale kostensystematiek zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers. |
|
Niet-wetenschappelijk personeel (NWP) bij universiteiten |
Maximaal € 100.000 volgens: – UNL-tarieven of NFU-tarieven1 + 50% opslag, of – Tarief conform integrale kostensystematiek zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers, in combinatie met promovendi en/of postdoc(s). |
|
Overig wetenschappelijk personeel (OWP) bij universiteiten |
Maximaal € 100.000 volgens: – Tarief conform integrale kostensystematiek zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers, in combinatie met promovendi en/of postdoc(s). |
|
Vervanging van aanvragers |
Maximaal 10% van het bij NWO aangevraagde budget volgens UNL-tarieven of NFU-tarieven1 + 50% opslag |
|
Personeel hogescholen en TO2-instellingen |
Onbeperkt aantal posities volgens: – de op het moment van subsidieverlening geldende tarieven uit tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven + 50% opslag, of – Tarief conform integrale kostensystematiek zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers. |
|
Materiële kosten |
Maximaal € 15.000 per jaar per fte onderzoekspositie |
|
Investeringen (t/m € 150.000) |
Maximaal € 150.000 |
|
Kennisbenutting |
Maximaal € 25.000 |
|
Internationalisering |
Maximaal € 25.000 |
|
Money follows cooperation |
Minder dan 50% van het totale bij NWO aangevraagd budget |
|
Projectmanagement |
Maximaal 5% van het totale bij NWO aangevraagde budget |
Voor personeel in het buitenland worden de lokale tarieven vergoed. Er geldt echter een maximum, dat gebaseerd is op de UNL-tarieven verrekend met de waardes uit de NWO Country correction coefficients (CCC) tabel, zie https://www.nwo.nl/money-follows-cooperation.
Ondernemingen en maatschappelijke organisaties
Onder deze Call for proposals wordt subsidie verstrekt aan ondernemingen en maatschappelijke organisaties op grond van artikel 25 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EU) Nr. 651/2014 van 17 juni 2014, hierna: “AGVV”). Voor ondernemingen en maatschappelijke organisaties staan in Tabel 3 de maximaal in aanmerking komende kosten genoemd. Voor deze organisaties wordt maximaal 40% van de in aanmerking komende kosten vergoed. Een nadere toelichting op deze in aanmerking komende kosten vindt u tevens in de bijlage bij deze Call for proposals (zie paragraaf 7.2).
|
In aanmerking komende kosten |
Maximaal bedrag (40% van de in aanmerking komende kosten) |
|---|---|
|
Personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoek bezighouden, zoals bedoeld in artikel 25 lid 3 sub a AGVV |
Onbeperkt aantal posities volgens: – de op het moment van subsidieverlening geldende HOT tarieven uit tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven + 50% opslag, of – een vast uurtarief van € 60, of – een tarief conform integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers. |
|
Contractonderzoekskosten, zoals bedoeld in artikel 25 lid 3 sub d AGVV |
Maximaal € 50.000 in totaal in het project. |
Opbouw en exploitatie van learning community
Onder deze Call for proposals wordt subsidie verstrekt ten behoeve van de opbouw en exploitatie van learning communities. Deze subsidie is door NWO aangemerkt als steun aan innovatieclusters. Deze subsidie wordt daarom verstrekt op grond van artikel 27 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EU) Nr. 651/2014 van 17 juni 2014, hierna: “AGVV”). Maximaal 25% van de aangevraagde subsidie kan worden bestemd voor deze subsidiering van de opbouw en exploitatie learning communities.
Daarnaast financiert NWO maximaal 50% van de totale subsidiabele kosten voor de opbouw en exploitatie van de learning communities.
De voor de subsidiëring van de opbouw en exploitatie van learning communities beschikbare budgetmodules staan vermeld in tabel 4 hieronder (zie paragraaf 7.3 voor een toelichting op deze modules).
|
Budgetmodule |
Aan te vragen bedrag (50% van de in aanmerking komende kosten) |
|---|---|
|
Investeringskosten |
Kosten voor materiële en immateriële activa (waaronder personele kosten) voor activiteiten gericht op de bouw en het upgraden van de learning community. |
|
Exploitatiekosten |
Personele kosten en administratieve kosten voor de exploitatie van de learning community |
Indexeren
Als na indiening van de aanvraag en voor toewijzing van de aanvraag de UNL-, en/of NFU- en/of HOT-tarieven stijgen, dient de aanvrager in de aanvraagbegroting middelen te reserveren om de stijging van personeelstarieven eenmalig te financieren. NWO zal daartoe in het begrotingsformat een percentage voorschrijven op basis van een inschatting van historische, meerjarige cijfers. De aanvrager kan geen rechten ontlenen aan het voorgeschreven percentage ten aanzien van de daadwerkelijke stijging van tarieven.
Indien de reservering onvoldoende blijkt om de stijging van de personeelstarieven te financieren, compenseert de aanvrager de stijging uit andere begrotingsposten waarbij het substantieel inhoudelijk wijzigen van de aanvraag niet is toegestaan.
Indien blijkt dat niet alle gereserveerde middelen nodig zijn, stelt NWO de aanvraagbegroting naar beneden bij en worden uitsluitend de kosten verbonden aan de daadwerkelijke stijging toegewezen.
In het ‘Aanmeldingsformulier voor de workshops’ geeft een organisatie aan op welke manier zij een bijdrage kan en wil leveren aan het beoogde programma, welke onderzoekers of medewerkers hierin voor hun organisatie een rol spelen, welke expertise en faciliteiten men inbrengt en welke uitkomsten men beoogt.
Tevens dient in het ‘Aanmeldingsformulier voor de workshops’ te worden aangegeven of de organisatie voornemens is subsidie aan te vragen en zo ja, van welke aard en omvang. In het formulier geeft de organisatie ook aan wie de beoogde afgevaardigde naar de workshops is. Een organisatie kan maximaal één afgevaardigde leveren voor de workshops. Daarnaast geeft een organisatie, indien het een onderzoeksorganisatie betreft, aan of de afgevaardigde opteert voor het projectleiderschap (zie paragraaf 3.5.8). Dit dient ter informatie voor de begeleiders van de workshops.
Met betrekking tot de afgevaardigde voor de workshops geldt dat deze bij voorkeur:
– het vermogen heeft om de organisatie en daarmee de relevante expertise daarbinnen te vertegenwoordigen;
– aantoonbare betrokkenheid heeft bij publiek-private consortia;
– ervaring heeft met co-creatieprocessen;
Van de afgevaardigden die opteren voor toekomstig projectleider wordt daarnaast ook verwacht dat hij/zij:
– beschikt over een netwerk in zowel het onderzoek als in het bedrijfsleven;
– beschikt over verbindende capaciteiten;
– beschikt over bestuurlijke capaciteiten;
– een actieve rol heeft in het aangevraagde project.
Voor het indienen van het Aanmeldingsformulier voor de workshops doorloopt u de volgende stappen:
– download het Aanmeldingsformulier voor de workshops vanuit het online aanvraagsysteem ISAAC of vanaf de website van NWO (op de website van het betreffende financieringsinstrument);
– vul het Aanmeldingsformulier voor de workshops in;
– sla het formulier op als pdf en dien het in ISAAC in;
– vul de online in ISAAC gevraagde gegevens in;
– voor verdere informatie over het online aanvraagsysteem ISAAC zie 3.3.2.
Let er ook op dat:
– degene die voorgesteld afgevaardigde in de workshops is, het Aanmeldingsformulier voor de workshops indient via ISAAC;
– gebruik wordt gemaakt van het verplichte format dat beschikbaar is voor het Aanmeldingsformulier voor de workshops;
– per organisatie (i.e. per universiteit, hogeschool, TO2-instelling, onderneming, maatschappelijke organisatie) maximaal één Aanmeldingsformulier wordt geaccepteerd;
– het Aanmeldingsformulier voor de workshops per geïnteresseerde organisatie zo volledig mogelijk ingevuld dient te worden en te worden ondertekend door een tekengemachtigde van de organisatie;
– van afgevaardigden wordt verwacht dat zij beschikbaar zijn voor de workshops (voor data zie paragraaf 4.2.10);
– de afgevaardigde kan vervangen worden door iemand uit dezelfde organisatie die in het Aanmeldingsformulier genoemd wordt als persoon die mogelijk aan het project kan bijdragen (zie paragraaf 4.2.1);
Het indienen van de aanvraag gebeurt na deelname aan de workshops. Voor het opstellen van uw aanvraag doorloopt u de volgende stappen:
– download het aanvraagformulier en de beschikbare formulieren voor de verplichte bijlagen vanuit het online aanvraagsysteem ISAAC of vanaf de website van NWO (op de website van het betreffende financieringsinstrument);
– vul het aanvraagformulier in;
– vul de verplichte bijlagen in voor zover van toepassing;
– sla het aanvraagformulier op als pdf en sla de bijlagen op zoals hierna beschreven;
– dien het aanvraagformulier met de verplichte bijlage(n) in ISAAC in;
– vul de online in ISAAC gevraagde gegevens in.
Verplichte bijlage(n):
– begroting;
– ingevulde en ondertekende verklaring Algemene Voorwaarden van de AGVV (zie paragraaf 3.5.1);
– indien er sprake is van cofinanciering: Verklaring cofinanciering volgens voorgeschreven formulier;
– garantstelling voor continuïteit in de projectbegeleiding (alleen indien van toepassing, zie paragraaf 3.1.1);
– formulier Statements and Signature;
– formulier Projectbetrokkenen.
De bijlage dient conform het door NWO aangeboden template opgesteld te worden. Bijlagen dienen los van de aanvraag in ISAAC geüpload te worden. Alle bijlagen, met uitzondering van de begroting en het formulier projectbetrokkenen, dienen als pdf-bestand (zonder beveiliging) te worden ingediend. De begroting en het formulier projectbetrokkenen moeten als Excel-bestand worden ingediend in ISAAC. Andere bijlagen dan hierboven vermelde bijlagen zijn niet toegestaan.
Het is verplicht uw aanvraag in het Engels op te stellen.
Het indienen van een aanvraag kan alleen via het online aanvraagsysteem ISAAC. Aanvragen die niet via ISAAC zijn ingediend, worden niet in behandeling genomen.
U bent als hoofdaanvrager verplicht een aanvraag via het eigen persoonlijke ISAAC-account in te dienen.
Het is belangrijk om tijdig te beginnen met uw aanvraag in ISAAC:
– indien u nog geen ISAAC-account heeft, dient deze op tijd te worden aangemaakt om eventuele aanmeldproblemen te voorkomen;
– nieuwe organisaties moeten eventueel nog door NWO toegevoegd worden aan ISAAC;
– u moet ook online nog gegevens invoeren.
Aanvragen die na de deadline worden ingediend, neemt NWO niet in behandeling.
Voor vragen van technische aard verzoeken wij u contact op te nemen met de ISAAC-helpdesk, zie contact (hoofdstuk 6).
Werkt een hoofd- en/of medeaanvrager bij een organisatie die niet is opgenomen in de database van ISAAC? U kunt dit dan melden via relatiebeheer@nwo.nl zodat de organisatie kan worden toegevoegd. Hier zijn enige dagen voor nodig. Daarom is het van belang dit uiterlijk een week voor de deadline te melden.
De aanvrager dient de organisatie waar zij/hij werkzaam is te hebben geïnformeerd over het indienen van de aanvraag en dat de organisatie de subsidievoorwaarden van deze Call for proposals aanvaardt.
NWO toetst uw aanvraag op onderstaande voorwaarden. Alleen als uw aanvraag aan deze voorwaarden voldoet, wordt deze toegelaten tot de beoordelingsprocedure. U wordt gevraagd om na indiening van een aanvraag beschikbaar te zijn om eventuele administratieve correcties door te voeren en zo (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening.
Deze voorwaarden zijn:
– het aanmeldingsformulier voor de workshops is, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging volgens de instructies ingevuld;
– de hoofdaanvrager en medeaanvragers voldoen aan de in paragraaf 3.1 gestelde voorwaarden;
– de aanvraag voldoet aan de DORA-richtlijnen zoals beschreven in paragraaf 4.1;de aanvraag is ingediend via het ISAAC-account van de hoofdaanvrager;
– de aanvraag is ontvangen voor de gestelde deadline;
– de aanvraag is in het Engels opgesteld;
– het voorgestelde project heeft een looptijd van maximaal vier jaar;
– het aanvraagformulier is, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, compleet en volgens de instructies ingevuld;
– alle vereiste bijlagen zijn, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, compleet en volgens de instructies en voorwaarden van deze subsidieronde opgesteld en ingediend.
– de aanvraagbegroting is opgesteld volgens de voorwaarden in deze Call for proposals;
– aanvragers die het IKS-tariefsysteem gebruiken hebben NWO toestemming gegeven om hun IKS-tarieven op te vragen bij RVO;
– de aanvraag voldoet aan de voorwaarden voor de learning community zoals beschreven in deze Call for proposals (zie paragraaf 2.1.3).
Op alle aanvragen zijn de NWO Subsidieregeling 2017 en het Akkoord bekostiging wetenschappelijk onderzoek van toepassing met uitzondering van;
– Artikel 1.4 lid 1 en lid 8 van de NWO Subsidieregeling en artikel 2.1 van het Akkoord bekostiging wetenschappelijk onderzoek; in de zin dat onder projectkosten in deze Call for proposals ook overhead vergoed wordt.
– In aanvulling op artikel 1.1. van de NWO Subsidieregeling 2017 kunnen ondernemingen en maatschappelijke organisaties in deze Call for proposals subsidie aanvragen;
– Artikel 4.1.1 lid 5 van de NWO Subsidieregeling is niet van toepassing op deze Call for proposals;
– Artikel 5, definitie “(Private) cofinancier”, de zinsnede “zonder hoofdaanvrager of mede-aanvrager te zijn” is niet van toepassing indien door een onderneming of maatschappelijke organisatie in-kind cofinanciering wordt geleverd (zie paragraaf 3.5.7).
NWO verleent geen subsidie dan wel trekt de subsidie in, wanneer blijkt dat er sprake is van ongeoorloofde staatsteun in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Algemeen
NWO financiert het projectvoorstel in deze Call for proposals met toepassing van artikel 25 en artikel 27 van de AGVV. NWO verleent geen subsidie als het onvoldoende aannemelijk is dat de aanvraag past binnen de definities en voorwaarden van de AGVV.
NWO verstrekt geen subsidie aan ondernemingen waartegen een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij door Nederland toegekende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard, met uitzondering van steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen. Daarnaast verstrekt NWO geen subsidie aan ondernemingen in moeilijkheden zoals bedoeld in artikel 2, lid 18, van de AGVV.
Cumuleren van subsidies (of andere vormen van staatssteun) voor dezelfde – geheel of gedeeltelijk overlappende – in aanmerking komende kosten, mag er niet toe leiden dat de aanmeldingsdrempels voor onderzoek- en ontwikkelingsprojecten en innovatieclusters die krachtens artikel 4 lid 1 onder aanhef en onder i), respectievelijk onder k), van de AGVV geldt, worden overschreden.
Onderzoeksactiviteiten
Ondernemingen en maatschappelijke organisaties zoals bedoeld in paragraaf 3.1.2 onder 2, die subsidie aanvragen voor onderzoeksactiviteiten zoals bedoeld in Tabel 3 van paragraaf 3.2 van deze Call for proposals, dienen de verklaring AGVV ingevuld en ondertekend als bijlage bij de aanvraag te uploaden in ISAAC.
Opbouw en exploitatie van de learning community
De eigenaar van de learning community dient een afzonderlijke boekhouding te voeren voor de kosten en opbrengsten van elke activiteit (eigendom, exploitatie en gebruik van de learning community) volgens de toepasselijke boekhoudkundige normen.
Toegang tot de panden, faciliteiten en activiteiten van de learning community staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 10% van de investeringskosten van het innovatiecluster hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden. Om overcompensatie te vermijden, is deze toegang evenredig aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en worden deze voorwaarden publiek beschikbaar gesteld.
Alle hoofd- en mede-aanvragers (zie paragraaf 3.1) die subsidie aanvragen voor de opbouw en exploitatie van de learning community zoals bedoeld in Tabel 4 van paragraaf 3.2 dienen de verklaring AGVV ingevuld en ondertekend als bijlage bij de aanvraag te uploaden in ISAAC.
Wetenschap van wereldklasse kan profiteren van internationale samenwerking. De Nationale leidraad kennisveiligheid (hierna: de Leidraad) helpt kennisinstellingen ervoor te zorgen dat internationale samenwerking veilig kan plaatsvinden. Bij kennisveiligheid gaat het om ongewenste overdracht van gevoelige kennis en technologie die de nationale veiligheid aantast; om heimelijke beïnvloeding van onderwijs en onderzoek door statelijke actoren, en daarmee de academische vrijheid en de sociale veiligheid in gevaar brengt; en om ethische kwesties die kunnen spelen in de samenwerking met landen die de grondrechten niet respecteren.
Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na te gaan of het project in lijn is en blijft met de Leidraad. Met het indienen van de aanvraag committeert de aanvrager zich aan de overwegingen in deze Leidraad. In geval van het vermoeden van schending van de Leidraad bij een bij NWO ingediende aanvraag voor projectfinanciering of een door NWO gefinancierd project, kan NWO de aanvrager verzoeken om een risicoafweging te overleggen waaruit blijkt dat de overwegingen uit de Leidraad zijn gevolgd. Indien de aanvrager niet aan het verzoek van NWO voldoet of als de risicoafweging klaarblijkelijk een schending van de Leidraad behelst, kan dit gevolgen hebben voor de subsidieverlening of vaststelling door NWO. Ook kan NWO in een voorkomend geval nadere voorwaarden opnemen in de toewijzingsbrief.
De Nationale leidraad kennisveiligheid vindt u op de website van de Rijksoverheid: Home | Loket Kennisveiligheid.
Resultaten van wetenschappelijk onderzoek moeten kunnen worden gerepliceerd, geverifieerd en gefalsifieerd. In het digitale tijdperk betekent dit dat behalve publicaties ook onderzoeksdata zo veel mogelijk vrij toegankelijk moeten zijn. NWO verwacht dat de onderzoeksdata die voortkomen uit projecten die door NWO zijn gefinancierd zo veel mogelijk vrij beschikbaar komen voor hergebruik door andere onderzoekers.
NWO hanteert daarbij het principe: “zo open als mogelijk, beschermd indien nodig”. Van onderzoekers wordt verwacht dat zij ten minste die data en/of niet-numerieke resultaten die ten grondslag liggen aan de conclusies van binnen het project gepubliceerde werken openbaar maken, gelijktijdig met de publicatie zelf. Eventuele kosten die hiervoor worden gemaakt, kunnen worden meegenomen in de projectbegroting.
Onderzoekers maken kenbaar hoe met data voortkomend uit het project wordt omgegaan aan de hand van de datamanagementparagraaf in de aanvraag, en het datamanagementplan na toewijzing van subsidie.
Datamanagementparagraaf
De datamanagementparagraaf maakt deel uit van de aanvraag. Onderzoekers wordt gevraagd reeds voor aanvang van het onderzoek te bedenken hoe de verzamelde data geordend en gecategoriseerd moeten worden zodat zij vrij beschikbaar kunnen worden gesteld. Vaak zullen al vóór het tot stand komen van de data en de analyse daarvan maatregelen getroffen moeten worden om opslag en deling later mogelijk te maken.
Indien niet alle data voortkomende uit het project openbaar gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld om redenen van privacy, ethiek of valorisatie, dient de aanvrager dit beargumenteerd kenbaar te maken in de datamanagementparagraaf.
De datamanagementparagraaf wordt niet beoordeeld en daarom ook niet meegewogen in de beslissing om een aanvraag al dan niet toe te wijzen. De commissie kan wel advies geven met betrekking tot de datamanagementparagraaf.
Het project dat NWO financiert moet, conform de NWO Subsidieregeling 2017, uitgevoerd worden in overeenstemming met de nationaal en internationaal aanvaarde normen van wetenschappelijk handelen zoals neergelegd in de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (2018). Met het indienen van de aanvraag committeert de aanvrager zich aan deze code. In geval van (mogelijke) schending van deze normen bij een door NWO gefinancierd project, dient de aanvrager NWO hiervan onverwijld op de hoogte te stellen en dient deze alle ter zake relevante documenten aan NWO te overleggen. Meer informatie over de gedragscode en het beleid op het gebied van wetenschappelijke integriteit vindt u op de website: Wetenschappelijke integriteit | NWO.
Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na te gaan of voor de uitvoering van het voorgestelde project een ethische verklaring of vergunning noodzakelijk is. De aanvrager dient er voor te zorgen dat deze tijdig wordt verkregen bij de relevante instelling of ethische commissie. Het wel of niet hebben van een ethische verklaring of vergunning op het moment van het aanvraagproces heeft geen invloed op de beoordeling van de aanvraag. Bij toewijzing wordt de subsidie verleend onder de voorwaarde dat de benodigde ethische verklaring of vergunning vóór de uiterste startdatum van het project is verkregen. Het project kan pas starten nadat NWO een kopie van de ethische verklaring of vergunning heeft ontvangen.
Het Nagoya Protocol zorgt voor een eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit het gebruik van genetische rijkdommen (Access and Benefit Sharing; ABS). Onderzoekers die voor hun onderzoek gebruikmaken van genetische bronnen in/uit het buitenland dienen zich op de hoogte te stellen van het Nagoya Protocol (ABS Focal Point – ABS Focal Point). NWO gaat er vanuit dat zij de noodzakelijke acties ten aanzien van het Nagoya Protocol nemen.
Onderscheid wordt gemaakt tussen in cash cofinanciering, die dient als dekking voor de begroting van de projectactiviteiten beschreven in de aanvraag, en in kind cofinanciering, die kan bestaan uit inzet van middelen van de betrokken organisaties. Cofinanciering kan worden ingebracht door organisaties die onder deze Call for proposals geen subsidie aanvragen. Cofinanciering kan tevens worden geleverd door ondernemingen en maatschappelijke organisaties (zoals bedoeld in paragraaf 3.1.1. onder 2) die als medeaanvrager op grond van deze Call for proposals subsidie aanvragen, doch uitsluitend in kind, voor zover deze kosten noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project. De cofinanciering dient via een verklaring cofinanciering aan de hoofdaanvrager te worden toegezegd. De toegezegde cofinanciering betreft het netto bedrag. Als voor toegezegde cofinanciering btw van toepassing is, komt deze bovenop het toegezegde bedrag.
Facturatie in cash cofinanciering
In cash facturatie verloopt, indien van toepassing, via de penvoerder.
Toelaatbaar als in kind cofinanciering:
Personele inzet en materiële bijdragen, op voorwaarde dat de waarde ervan bepaald wordt en dat deze bijdragen volledig onderdeel uitmaken van het project. Diensten en knowhow mogen bij de aanvrager niet reeds beschikbaar of voorhanden zijn. In kind bijdragen worden alleen geaccepteerd onder de voorwaarde dat het gedeelte dat door de cofinancier wordt ingebracht integraal onderdeel is van het werkplan en als identificeerbare inspanning kan worden gevolgd.
Waardebepaling in kind cofinanciering
– Personele inzet wordt gewaardeerd op uren x tarief, waarbij het uurtarief is gebaseerd op de daadwerkelijke salarislasten (inclusief een opslag voor sociale- en werkgeverslasten). Daarnaast wordt bij de berekening van het uurtarief uitgegaan van een standaard productief aantal uur van 1.400 per jaar. Dit uurtarief is gemaximeerd op € 125 per uur;
– De waarde voor materiële in kind bijdragen wordt bepaald op basis van kostprijs voor verbruiksgoederen. De waarde van investeringen/apparatuur wordt bepaald op basis van reguliere afschrijvingen, rekening houdend met intensiteit van gebruik en de reeds gedane afschrijvingen volgens van toepassing zijnde verslaggrondslagen;
– Voor in kind bijdragen in de vorm van diensten of knowhow (kennis, software, toegang tot databases of cellijnen) geldt dat de waarde in het economisch verkeer vastgesteld moet zijn en dat alleen de werkelijke kosten die direct toe te rekenen zijn aan het project mogen worden meegeteld als cofinanciering. Dit is te allen tijde zonder winstopslag. Daarnaast geldt dat de dienst of knowhow niet al bij de aanvrager beschikbaar of voorhanden is.
Cofinanciers dienen de opbouw en hoogte van de opgevoerde in kind-bijdragen incl. de uurtarieven te motiveren in de verklaring cofinanciering. NWO kan verzoeken om onderbouwing en bewijsstukken van de gehanteerde tarieven en eveneens om aanpassing.
Niet toelaatbaar als cofinanciering (zowel in cash als in kind):
– Alle bijdragen uit publieke middelen (waaronder de door NWO toegekende financiering6, PPS-toeslag en andere bijdragen van overheidswege);
– kortingen op commerciële tarieven, o.a. op materialen, apparaten en diensten;
– kosten m.b.t. overhead, begeleiding, consultancy en/of deelname aan de gebruikerscommissie (zie paragraaf 5.1.1);
– kosten voor diensten die voorwaardelijk zijn. Er worden geen voorwaarden gesteld aan de levering van de cofinanciering. De levering van de cofinanciering is niet afhankelijk van het al dan niet bereiken van een bepaald stadium in het onderzoeksplan (bijvoorbeeld go/no-go moment);
– kosten die volgens de Call for proposals niet worden vergoed;
– kosten van apparatuur indien een van de (hoofd)doelen van de aanvraag is verbetering/meerwaarde te creëren van deze apparatuur.
Verantwoording in kind cofinanciering
De hoofdaanvrager rapporteert aan NWO over de cash en in kind cofinanciering die hij of zij van een cofinancier heeft ontvangen. De hoofdaanvrager legt conform de NWO Subsidieregeling 2017 jaarlijkse verantwoording af. Wanneer een cofinancier zijn verplichtingen niet of niet geheel nakomt aan de hoofdaanvrager en/of NWO kan dit gevolgen hebben voor de subsidievaststelling.
Verklaring cofinanciering cofinanciers
In een verklaring cofinanciering spreekt de cofinancier financiële steun uit aan het project en bevestigt deze de toegezegde cofinanciering. Verklaringen cofinanciering van cofinanciers genoemd in de aanvraag zijn verplichte bijlagen bij de aanvraag. Deze moeten zijn ondertekend door een tekenbevoegd functionaris van de cofinancier. NWO zal een format voor de verklaring cofinanciering beschikbaar stellen. Verklaringen cofinanciering waarin cofinanciering wordt toegezegd zijn onvoorwaardelijk en mogen geen ontbindende bepalingen bevatten.
Na toewijzing dient de cofinancier zijn bijdrage(n) te bevestigen in de consortiumovereenkomst. In deze overeenkomst worden ook verdere afspraken gemaakt tussen de cofinancier(s) en de aanvrager(s) (zie paragraaf 5.1.3).
Het indienende consortium kiest tijdens de voorbereidende workshops een toekomstig projectleider (uit de organisaties beschreven in paragraaf 3.1.1) en technisch manager (uit de organisaties beschreven in paragraaf 3.1.1 of 3.1.2). De projectleider zal fungeren als hoofdaanvrager van de aanvraag. De projectleider is, samen met de technisch manager, verantwoordelijk voor de uitvoering en de voortgang van het project. De projectleider rapporteert aan NWO en de projectleider en technisch manager nemen zitting in de kennisdelingscommissie en interacteren op deze wijze met de andere vertegenwoordigers van de onderdelen in GroenvermogenNL via de beschreven governance (zie paragrafen 1.1 en 5.1.3).
De namen van de projectleider en van de technisch manager worden vastgelegd in de consortiumovereenkomst (zie paragraaf 5.1.3).
Dit hoofdstuk beschrijft allereerst de beoordeling volgens de DORA-principes (paragraaf 4.1) en hoe de beoordelingsprocedure verloopt (paragraaf 4.2). Vervolgens somt het de criteria op waaraan de beoordelingscommissie uw aanvraag toetst (paragraaf 4.3).
Voor alle bij de beoordeling en/of besluitvorming betrokken personen en betrokken NWO-medewerkers is de NWO Code Persoonlijke Belangen van toepassing (Code persoonlijke belangen | NWO).
NWO streeft naar een inclusieve cultuur, waarin geen plaats is voor bewuste of onbewuste barrières vanwege culturele, etnische of religieuze achtergrond, gender, seksuele oriëntatie, gezondheid of leeftijd (Diversiteit en inclusie | NWO). NWO stimuleert leden van een beoordelingscommissie actief om zich bewust te worden van impliciete associaties en te proberen deze te minimaliseren. NWO voorziet hen van informatie over concrete manieren om de beoordeling van een aanvraag te verbeteren.
NWO is ondertekenaar van de San Francisco Declaration on Research Assessment (DORA). DORA is een wereldwijd initiatief dat beoogt de manier waarop onderzoek en onderzoekers worden beoordeeld te verbeteren. DORA bevat aanbevelingen voor onderzoeksfinanciers, onderzoeksinstellingen, wetenschappelijke tijdschriften en andere partijen.
DORA richt zich op het terugdringen van het onkritisch gebruik van bibliometrische indicatoren en het wegnemen van onbewuste vooringenomenheid (unconscious bias) bij de beoordeling van onderzoek en onderzoekers. Overkoepelende filosofie van DORA is dat onderzoek moet worden beoordeeld op zijn eigen kwaliteiten en verdiensten in plaats van op basis van afgeleide indicatoren, zoals het tijdschrift waarin het onderzoek wordt gepubliceerd.
NWO gaat bij het beoordelen van het wetenschappelijk track record van aanvragers uit van een brede definitie van wetenschappelijke output.
NWO verzoekt commissieleden bij de beoordeling van aanvragen niet af te gaan op indicatoren als de Journal Impact Factor of de h-index. U mag deze niet vermelden in uw aanvraag. Wel mag u naast publicaties ook andere wetenschappelijk producten te vermelden, zoals datasets, patenten, software en code enzovoort.
Voor meer informatie over wat NWO doet om de principes van DORA te implementeren zie: DORA | NWO.
De aanvraagprocedure bestaat uit de volgende stappen:
– indiening van het Aanmeldingsformulier workshops;
– deelname aan de workshops;
– indiening van de aanvraag;
– in behandeling nemen van de aanvraag;
– preadvisering beoordelingscommissie;
– interview;
– vergadering van de beoordelingscommissie;
– besluitvorming.
Voor deze Call for proposals wordt een externe, onafhankelijke beoordelingscommissie ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers uit de wetenschap en de praktijk met kennis van het vakgebied. De taak van de beoordelingscommissie is om de ingediende aanvragen en de daarop betrekking hebbende stukken in onderlinge samenhang en op eigen merites te beoordelen op basis van de gegeven beoordelingscriteria in deze Call for proposals (zie paragraaf 4.3.1).
Vanwege de in de beoordelingscommissie aanwezige expertise heeft NWO besloten om bij de beoordeling van de aanvragen gebruik te maken van de mogelijkheid gegeven in artikel 2.2.4, lid 2, van de NWO Subsidieregeling 2017, om de beoordelingsprocedure uit te voeren zonder referenten in te schakelen.
Met het indienen van het Aanmeldingsformulier workshops geeft een organisatie te kennen deel te willen nemen aan de workshops om mee te werken aan de aanvraag voor subsidie. Per organisatie mag één vertegenwoordiger deelnemen.
Bij de indiening van het Aanmeldingsformulier wordt ook aangegeven wie de organisatie zal vertegenwoordigen in de workshops (zie paragraaf 4.2.3).
Na ontvangst van het Aanmeldingsformulier krijgt de organisatie van NWO een ontvangstbevestiging. Houd er rekening mee dat NWO u binnen twee weken na de aanmelddeadline kan benaderen om eventuele administratieve correcties door te voeren in het geval dat het aanmeldingsformulier niet volgens de instructies is ingevuld. U krijgt één keer de gelegenheid om uw aanmeldingsformulier volgens de instructies ingevuld aan te leveren. Hiervoor krijgt u vijf werkdagen de tijd. Alle indieners van het Aanmeldingsformulier zullen vervolgens geïnformeerd worden of hun organisatie deel kan nemen aan de workshops.
De twee eendaagse workshops hebben een intensief en interactief karakter. Het doel is om gezamenlijk tot de invulling van het ‘NGF: Op weg naar de toekomst. GroenvermogenNL, HCA fase 2 programma’, te komen en een aanzet te doen tot de ontwikkeling van één aanvraag per regio. De twee workshops zullen elk één dag op locatie plaatsvinden met een tussenliggende periode van acht weken. De exacte data en locaties worden zo spoedig mogelijk gepubliceerd op de NWO programmapagina.
De workshops staan onder begeleiding van deskundige procesmoderatoren en onafhankelijke inhoudsdeskundigen. NWO-medewerkers zullen het proces bewaken conform de procedures van de NWO Subsidieregeling 2017.
De voertaal van de workshops is Nederlands. Als niet alle deelnemers de Nederlandse taal machtig zijn, kan in onderling overleg besloten worden om Engels als voertaal te gebruiken.
Het doel van de eerste workshops is om per regio te komen tot een selectie van het onderzoeksonderwerp (gebaseerd op de al ontwikkelde roadmaps) en het identificeren van eventuele missende partijen. Verder zal er gewerkt worden aan de governance van de verschillende consortia en de verdeling van taken. Per regio wordt er toegewerkt naar één aanvraag. Alle afgevaardigden zullen hun competenties en commitment inbrengen, en de deelnemers besluiten in onderling overleg wie van hen de projectleider en de technisch manager wordt (zie ook paragraaf 3.5.8). De projectleider zal tevens de hoofdaanvrager zijn van de aanvraag.
De tweede workshopdag is bedoeld voor de beoogde projectleiders en technisch managers. Deze dag wordt gebruikt om te komen tot verdere onderlinge afstemming en de invulling van het overkoepelende kader.
Deelnametijd aan de workshops wordt niet vergoed.
Het gevormde consortium werkt na de workshops de aanvraag verder uit onder leiding van de door het consortium aangewezen hoofdaanvrager/projectleider. Meer gedetailleerde informatie, inclusief het programma voor de workshops, zal verstrekt worden aan de organisaties die zich voor deelname aan de workshops hebben aangemeld.
Voor indiening van de aanvraag is een standaardformulier beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals op de NWO website. In uw aanvraag moet u zich houden aan de vragen die in dit formulier staan en aan de werkwijze die in de toelichting staat. Ook moet u zich houden aan de voorwaarden voor het maximale aantal woorden en pagina’s.
Uw volledig ingevulde aanvraagformulier moet voor de deadline via ISAAC zijn ontvangen (zie paragraaf 1.3). Na dit tijdstip kunt u geen aanvraag meer indienen. De hoofdaanvrager ontvangt na indiening van de aanvraag een ontvangstbevestiging.
Zo snel mogelijk nadat u uw aanvraag heeft ingediend, hoort u of NWO uw aanvraag in behandeling neemt. NWO bepaalt dit aan de hand van een aantal administratief-technische criteria (zie de formele voorwaarden voor indiening, paragraaf 3.4). Alleen als uw aanvraag hieraan voldoet, kan NWO deze in behandeling nemen. Houdt er rekening mee dat NWO u binnen twee weken na de indieningsdeadline kan benaderen om eventuele administratieve correcties door te voeren om (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening. U krijgt één keer de gelegenheid om de correcties door te voeren, hiervoor krijgt u vijf werkdagen de tijd.
Hierna wordt uw aanvraag voor commentaar voorgelegd aan enkele leden van de beoordelingscommissie (de preadviseurs). De preadviseurs geven schriftelijk een inhoudelijk en beargumenteerd commentaar op de aanvraag. Zij formuleren dit commentaar aan de hand van de inhoudelijke beoordelingscriteria (zie paragraaf 4.3.1) en geven de aanvraag per beoordelingscriterium een cijfermatige score. Hierbij wordt de NWO scoretabel gehanteerd (op een schaal van 1 tot 9, waarbij ‘1’ excellent is en ‘9’ ontoereikend).
Tijdens het interview heeft de beoordelingscommissie de gelegenheid om vragen te stellen. Het consortium kan hier tijdens het interview in de discussie met de commissie op reageren. Op deze wijze wordt hoor- en wederhoor toegepast. Het interview is een belangrijk onderdeel van de beoordeling en kan leiden tot bijstelling van de beoordeling en de score van de aanvraag tot dan toe.
De beoordelingscommissie maakt op basis van het beschikbare materiaal een eigen afweging. Hierbij geldt dat de pre-adviezen in belangrijke mate richtinggevend zijn voor de uiteindelijke beoordeling, maar niet per se onverkort worden overgenomen door de beoordelingscommissie. De commissie weegt de argumenten van de pre-adviseurs (ook onderling) en bekijkt of in het interview een goede reactie is geformuleerd op de kritische opmerkingen uit de pre-adviezen.
De commissie stelt naar aanleiding van de bespreking een schriftelijk advies op aan het Bestuur van het NWO-domein Exacte en Natuurwetenschappen over de kwaliteit en prioritering van de aanvragen. Dit advies baseert zij op de beoordelingscriteria. De aanvraag moet op criterium 1 tenminste de kwalificatie ‘goed’ krijgen en gemiddeld op criteria 2, 3 en 4 ‘zeer goed’ om in aanmerking te komen voor de subsidie. Daarnaast moet de aanvraag tevens op elk van de afzonderlijke beoordelingscriteria tenminste de kwalificatie ‘goed’ krijgen.
|
Scorebereik |
Kwalificatie |
|---|---|
|
1,0–1,4 |
Excellent |
|
1,5–3,4 |
Zeer goed |
|
3,5–5,4 |
Goed |
|
5,5–9,0 |
Ontoereikend |
Voor meer informatie over de kwalificaties zie NWO | Financiering aanvragen, hoe werkt dat?.
Binnen deze subsidieronde streven we naar één ingediende aanvraag per regio. De hierna beschreven herstelmogelijkheid geldt alleen als er één aanvraag voor een regio is ingediend en de beoordelingscommissie voor die aanvraag een advies tot niet toewijzen geeft. Als er voor een regio meer aanvragen worden ingediend, dan geldt de herstelmogelijkheid niet.
In het geval van een advies tot niet toewijzen, zal de beoordelingscommissie schriftelijk aangeven welke elementen onvoldoende zijn en verbeterpunten aandragen. Het consortium heeft eenmalig de kans een herziene aanvraag in te dienen die de verbeterpunten adresseert. De projectleider krijgt na dagtekening van het verzoek tot herindiening één maand de tijd om de herziene aanvraag in te dienen. In het geval dat een door de beoordelingscommissie aangedragen verbeterpunt het aantrekken van een of meerdere cofinanciers of samenwerkingspartners in het consortium is, krijgt de projectleider twee maanden de tijd voor indiening van de herziene aanvraag.
Na ontvangst van de herziene aanvraag zal een interview met een aantal vertegenwoordigers vanuit het consortium ter bespreking van het voorstel met de beoordelingscommissie worden ingepland waarna de beoordelingscommissie een definitief advies vaststelt.
Onder ex aequo verstaat NWO de situatie waarin twee of meer aanvragen op basis van hun gewogen score niet van elkaar te onderscheiden zijn. Een ex aequo situatie is relevant rondom de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens. Of er sprake is van een ex aequo situatie wordt als volgt bepaald. Het uitgangspunt is de door de beoordelingscommissie opgestelde prioritering, met eindscores afgerond op 2 decimalen. De referentiescore is de score van de laagst geprioriteerde aanvraag binnen de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens. Alle aanvragen met een score die 0,05 of minder van de referentiescore afliggen, worden in overweging genomen. Zo worden de aanvragen geselecteerd die binnen 0,1 gelijk zijn. Indien een ex aequo situatie zich voordoet op de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens, dan zal de aanvraag met de hoogste score op het criterium 3 ‘kwaliteit van het consortium’ als hoogste eindigen. Als de ex aequo situatie daarmee niet wordt doorbroken, zal de aanvraag met de hoogste score op het criterium 4 ‘kwaliteit van plan van aanpak’ als hoogste eindigen. Als ook dan aanvragen gelijk eindigen bepaalt de beoordelingscommissie met behulp van een (anonieme) meerderheidsstemming de prioritering (conform artikel 2.2.7, derde lid, sub a, onderdeel iv van de NWO Subsidieregeling 2017). Als ook stemming geen uitsluitsel biedt, of niet gewenst is, wordt de ex aequo situatie doorgestuurd naar het besluitnemend orgaan.
Tot slot toetst het Bestuur van het NWO-domein Exacte en Natuurwetenschappen de gevolgde procedure en het advies van de beoordelingscommissie. Vervolgens stelt het de definitieve kwalificaties vast en besluit over toe- en afwijzing van de aanvragen.
Hieronder treft u het tijdpad aan voor deze Call for proposals. Het kan zijn dat NWO het noodzakelijk acht om tijdens de lopende procedure nog aanpassingen in het tijdpad van deze Call for proposals aan te brengen.
Uiteraard ontvangt u hierover op tijd bericht.
|
Workshop |
|
|
15 oktober 2024, 14:00:00 CEST |
Deadline aanmelding workshop |
|
Week 45 en 46 2024 |
Workshop dag 1 |
|
Week 3 2025 |
Workshop dag 2 |
|
Aanvragen |
|
|
11 maart 2025, 14:00:00 CET |
Deadline aanvragen |
|
Maart-april 2025 |
Toets op voorwaarden voor indiening door NWO |
|
April 2025 |
Preadvisering door leden van de beoordelingscommissie. |
|
April/mei 2025 |
Interview en Vergadering beoordelingscommissie |
|
Juni 2025 |
Besluit bestuur |
De aanvragen die binnen deze Call for proposals worden ingediend worden inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
Criterium 1: Voldoen aan kaderregeling O&O&I7
Voor onderzoeksorganisaties: de beoordelingscommissie beoordeelt in hoeverre de activiteiten die in de aanvraag zijn aangemerkt als niet-economisch van aard kwalificeren als onafhankelijk onderzoek door de onderzoeksorganisatie in het samenwerkingsverband, gericht op meer kennis en beter inzicht.
Criterium 2: Probleemstelling en -analyse (20%)
– De mate van helderheid van de geformuleerde probleemstelling en resulterende kennisvragen, origineel en vernieuwend, voldoende afgebakend en logisch gerelateerd en bijdragend aan de doelstelling van de Call for proposals en het daarbinnen geformuleerde thema waarop de aanvraag betrekking heeft.
– Maatschappelijke en wetenschappelijke urgentie en relevantie van de probleemstelling. Houdt de probleemstelling direct verband met vraagstukken uit de praktijk van werken, leren en innoveren voor de waterstofeconomie? In welke mate en op welke wijze is het onderzoek theoretisch en/of methodologisch van belang?
– In hoeverre zijn de programmalijnen, aanpakken en themakeuze passend binnen de ambities en thema’s van HCA-GVNL zoals beschreven in paragraaf 1.1 en paragraaf 2? In welke mate zullen de verwachte projectopbrengsten input leveren aan andere werkstromen van HCA-GVNL zoals beschreven in hoofdstuk 1.1 en hoofdstuk 2?
– In hoeverre sluiten de keuze van de regio voor thema’s, focusgebieden en activiteiten aan bij de actuele regionale roadmap?
Criterium 3: Kwaliteit van het consortium (40%)
– In hoeverre sluit de samenstelling van het consortium logisch aan bij het beoogde project? Is het consortium kennisketenbreed (mbo, hbo, wo) en zijn alle relevante maatschappelijke stakeholders en (mkb) ondernemingen betrokken?
– De mate van complementariteit van de consortiumpartners voor wat betreft benodigde kennis, vaardigheden en expertise voor de uitvoering van het project.
– In hoeverre zijn alle (praktijk)partners actief betrokken bij de ontwikkeling van het project, vanaf de articulatie van de probleemstelling en de kennisvragen, en bij de uitvoering? Het is te verwachten dat de samenwerking tussen de partners resulteert in de vorming van een regionaal ecosysteem van werken, leren en innoveren zoals beoogd in deze Call for proposals (learning community op macroniveau).
– In hoeverre zijn verdeling van rollen en taken tussen betrokken partners passend en complementair, zoals de mate van commitment en eigenaarschap van betrokken partners; uitwerking deling van kennis en resultaten en gezamenlijk gebruik van producten?
– De mate van helderheid van de governance structuur en onderlinge samenhang van en inzet op verbinding tussen de onderdelen/werkpakketten binnen het plan.
– Expertise en track record van de aanvragers specifiek op het gevraagde onderzoeksthema van deze Call for proposals.
– Mate van verbondenheid met landelijke ontwikkelingen en innovatieagenda’s en de sterktes van de regionale kennisbasis, bestaande learning communities en andere belangrijke initiatieven in de regio.
– De mate van optimale benutting van de mogelijkheid van interregionale/landelijke samenwerking.
Criterium 4: Kwaliteit van plan van aanpak (40%)
– In hoeverre zijn de voorgestelde aanpak en methodologie geschikt om de concreet geformuleerde doelstellingen te behalen en de vraagstelling te beantwoorden?
– In hoeverre is de opzet van het voorgestelde onderzoeksplan helder? Zijn er helder omschreven werkpakketten in logische samenhang; een passende, goed gemotiveerde begroting; een risicoanalyse en eventueel een back-up plan?
– De mate van haalbaarheid en passendheid van het voorgestelde plan, inclusief de bijbehorende begroting; de mate waarin de kosten realistisch worden ingeschat en transparant zijn uitgewerkt.
– Verwachte impact, route naar impact en strategisch belang: in welke mate draagt het voorstel bij aan de HCA-GroenvermogenNL doelen zoals beschreven in paragraaf 1.1 en paragraaf 2?
– Mate van uitwerking en helderheid van het plan van aanpak voor de learning community als een regionaal ecosysteem, inclusief stappenplan; fasering daarin en haalbaarheid, aansluitend op de regionale roadmap, kenmerken van de learning community zoals beschreven in paragraaf 2.1 en de bestaande kennisbasis over learning communities.
– In hoeverre worden de resultaten van het project op slagvaardige wijze toegankelijk gemaakt en er wordt geanticipeerd op mogelijke invoering en eventuele opschaling van bruikbare nieuwe inzichten en oplossingen?
In dit hoofdstuk worden de verschillende subsidieverplichtingen toegelicht die – in aanvulling op de in paragraaf 3.5 genoemde subsidievoorwaarden – van toepassing zijn na toewijzing.
De startdatum van het project is uiterlijk 1 januari 2026. Het project heeft een duur van maximaal vier jaar.
Programmabijenkomsten
Het programmabestuur van GroenvermogenNL zal 3 à 4 keer per jaar programmabijeenkomsten organiseren. Alle projecten binnen de R&D/HCA pijler van GroenvermogenNL, waaronder ook de projecten die uit deze en komende NGF GroenvermogenNL Calls for proposals zullen volgen, worden geacht hieraan deel te nemen. Dit betreft alle consortiumdeelnemers.
Kennisdelingscommissie
Ter versterking van de monitoring zullen NWO en het programmabestuur van GroenvermogenNL een kennisdelingscommissie instellen. Deze commissie monitort de voortgang op de doelstellingen van de projecten. Daarnaast monitort zij de samenhang tussen de projecten en tussen de verschillende onderdelen van binnen de projecten, tussen de programmalijnen van de R&D/HCA-pijlers en de verbinding met de verschillende pijlers van het GroenvermogenNL-programma. De kennisdelingscommissie zal voor zover nodig voor de uitvoering van haar taak ook deelnemen aan bovengenoemde programmabijeenkomsten. Voor meer toelichting, zie bijlage 7.5.
Gebruikerscommissie
Na toewijzing van het project zal een gebruikerscommissie conform artikel 3.3.2.a van de NWO Subsidieregeling 2017 worden ingesteld, die het project volgt en over de voortgang adviseert. Meer informatie over deze commissie volgt in de toewijzingsbrief
Rapportageverplichtingen
NWO zal met het oog op monitoring van de voortgang van het project tussentijds inhoudelijke en financiële rapportages opvragen bij de hoofdaanvrager. In de formats voor deze rapportages zijn de door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) aan NWO opgelegde rapportageverplichtingen verwerkt. Gelet op de rapportageverplichtingen in het kader van het Nationaal Groeifonds zal NWO (onderdelen van) deze rapportages delen met RVO en de stichting GroenvermogenNL.
Afsluiting van een project
Bij afronding van een project zullen inhoudelijke en financiële eindrapportages worden opgevraagd. Als de organisatie van de hoofdaanvrager als begunstigde van de NWO subsidie niet onder het OCW-accountantsprotocol valt, dan is deze als penvoerder verplicht een accountantsverklaring over het gehele project aan te leveren. Daarna wordt de hoogte van de subsidie vastgesteld door NWO.
Na toewijzing van een aanvraag dient de aanvrager de datamanagementparagraaf uit te werken tot een datamanagementplan. Aanvragers kunnen hierbij gebruik maken van het advies van de referenten en commissie. De aanvrager beschrijft in het plan of gebruik gemaakt wordt van bestaande data of dat het om een nieuwe dataverzameling gaat en hoe de dataverzameling dan FAIR: vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar gemaakt wordt. Het datamanagementplan dient voor indiening te zijn afgestemd met een data steward of vergelijkbare functionaris van de organisatie waar het project wordt uitgevoerd. Uiterlijk vier maanden na toewijzing van de aanvraag moet dat plan via ISAAC zijn ingediend bij NWO. NWO beoordeelt het plan zo snel mogelijk. Goedkeuring van het datamanagementplan door NWO is voorwaarde voor de subsidieverlening. Het plan kan tijdens het onderzoek worden bijgesteld.
Meer informatie over het datamanagementprotocol van NWO staat op: Research datamanagement | NWO.
Met betrekking tot de intellectuele eigendom (IE) geldt het NWO IE-beleid. Het NWO IE-beleid is te vinden in hoofdstuk 4 van de NWO Subsidieregeling 2017, waarbij artikel 4.1.1. lid 5 van de NWO Subsidieregeling 2017 niet van toepassing is op deze Call for proposals.
Gesubsidieerde activiteiten dienen te worden uitgevoerd in de tijd dat de projectdeelnemer in dienst is van de organisatie van de aanvrager. Indien een projectdeelnemer is aangesteld bij meerdere werkgevers, dient ervoor te worden gezorgd dat eventuele auteursrechten en IE-rechten van deze personen geen belemmering vormen voor publicatie van de projectresultaten.
Aanvragers moeten een door NWO gefinancierd project uitvoeren in de tijd dat ze voor de kennisinstelling werken. Indien een aanvrager of een door NWO gefinancierde onderzoeker bij meerdere werkgevers is aangesteld, dient de andere werkgever ten behoeve van de aanvrager afstand te doen van eventuele IE-rechten die uit het project voortvloeien.
NWO streeft na dat onderzoeksresultaten toepassing kunnen vinden bij de partners die bij het project zijn betrokken. NWO beoogt enerzijds dat de onderzoeksresultaten van door haar gefinancierde projecten publiek toegankelijk zijn, en anderzijds dat de verdere ontwikkeling van de onderzoeksresultaten wordt gestimuleerd door partijen de mogelijkheid te bieden om deze te exploiteren. Daarbij kan het wenselijk zijn om intellectuele eigendomsrechten over te dragen of een licentie te verlenen aan (een van) de bij het project betrokken private partijen. Het uitgangspunt is dat alle onderzoeksresultaten kunnen worden gepubliceerd met inachtneming van afspraken over publicatieprocedures.
Het afsluiten van een consortiumovereenkomst na toewijzing van de aanvraag is één van de voorwaarden voor de start van het project. In deze overeenkomst worden afspraken gemaakt over intellectueel eigendom en publicatie, kennisoverdracht, geheimhouding, betalingen van cofinanciering en voortgangs- en eindverslagen. Uploaden in ISAAC is noodzakelijk voordat een project kan starten.
Uit het project kan kennis voortkomen die geschikt is voor toepassing in de maatschappij. Bij het aangaan van afspraken over licentie- en/of overdracht van onder deze Call for proposals ontwikkelde onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden met de tien principes voor maatschappelijk verantwoord licentiëren, zoals opgenomen in het NFU rapport “NFU-19.3793 Maatschappelijk Verantwoord Licenseren CMYK 7.indd”.
NWO heeft de Berlin Declaration (2003) ondertekend, is lid van cOAlitie S (2018) en zet zich in om de resultaten van wetenschappelijk onderzoek dat door NWO gefinancierd wordt vrij toegankelijk te maken via internet (Open Access). Daarmee geeft NWO invulling aan het beleid van de Nederlandse regering om al het publiek gefinancierde onderzoek Open Access beschikbaar te maken. Wetenschappelijke publicaties van onderzoek dat is gefinancierd op basis van toewijzingen voortvloeiend uit deze Call for proposals dienen daarom Open Access beschikbaar te zijn volgens de Beleidsregel Open Access.
Wetenschappelijke artikelen
Voor wetenschappelijke artikelen geldt dat zij direct op het moment van publicatie (zonder embargo) Open Access beschikbaar gesteld moeten worden via één van de volgende routes:
– publicatie in een volledig open access tijdschrift of platform dat is gedeponeerd in de DOAJ;
– publicatie in een abonnementstijdschrift en het deponeren van tenminste de auteursversie van het artikel in een Open Access repository die is gedeponeerd in OpenDOAR;
– publicatie in een tijdschrift waarvoor een transformatieve Open Access overeenkomst beschikbaar is tussen de UNL en een uitgever. Zie daarover: Open Access |.
Boeken
Voor boeken, boekhoofdstukken en bundels gelden afwijkende voorwaarden. Zie daarover de Beleidsregel Open Access op Open Science | NWO.
CC BY licentie
Met het oog op een optimale verspreiding van publicaties moet tenminste een Creative Commons (CC BY) licentie worden toegepast. Bij de aanwezigheid van zwaarwegende belangen kan de auteur verzoeken om te publiceren onder toepassing van een CC BY-ND licentie. Voor boeken, bundels en boekhoofdstukken staat de keuze van een CC BY licentie vrij.
Kosten
Eventuele kosten voor publiceren in volledig Open Access tijdschriften kunnen worden begroot in de projectbegroting door gebruikmaking van de budgetmodule ‘materieel’. Kosten voor publicaties in hybride tijdschriften komen niet in aanmerking voor vergoeding door NWO. Voor Open Access boeken kan een beroep gedaan worden op het aparte NWO Open Access boekenfonds.
Voor een nadere toelichting op het Open Access beleid van NWO zie: Open Science | NWO.
Voor inhoudelijke vragen over deze Call for proposals neemt u contact op met:
Bram Hendrawan
Anita Boele
Tessa Savonije
Email: GroenvermogenNL-HCA-Fase2@nwo.nl
Bij technische vragen over het gebruik van ISAAC kunt u contact opnemen met de ISAAC-helpdesk. Raadpleeg eerst de handleiding (www.isaac.nwo.nl/isaac-web/help) voordat u de helpdesk om advies vraagt. De ISAAC-helpdesk is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 10.00 tot 17.00 uur op telefoonnummer +31 (0) 70 34 40 600. U kunt uw vraag ook per e-mail stellen via isaac.helpdesk@nwo.nl. U ontvangt dan binnen twee werkdagen een reactie.
NWO verwerkt persoonsgegevens die zij in het kader van deze ronde ontvangt conform de NWO privacyverklaring, Privacyverklaring | NWO.
NWO kan aanvragers mogelijk benaderen voor een evaluatie van de procedure en/of het onderzoeksprogramma.
Voor personeel dat een substantiële bijdrage levert aan het onderzoek kan subsidie voor de salariskosten worden aangevraagd. Subsidiëring van deze salariskosten is afhankelijk van het type aanstelling en de organisatie waar het personeel is/wordt aangesteld.
– Voor universitaire instellingen worden salariskosten gefinancierd conform:
– de op het moment van subsidieverlening geldende UNL-salaristabellen + 50% opslag (Salaristabellen | NWO) of;
– de tarieven conform integrale kostensystematiek zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers. Zie ook paragraaf 7.3.
– Voor universitair medisch centra worden salariskosten gefinancierd conform:
– de op het moment van subsidieverlening geldende NFU-salaristabellen + 50% opslag (Salaristabellen | NWO) of;
– de tarieven conform integrale kostensystematiek zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers. Zie ook paragraaf 7.3.
– Voor personeel van hogescholen,TO2-instellingen en overige onderzoeksorganisaties worden salariskosten gefinancierd op basis van:
– de cao-inschaling van de betreffende medewerker conform de op het moment van subsidieverlening geldende tarieven uit tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven + 50% opslag (Salaristabellen | NWO) of;
– de tarieven conform integrale kostensystematiek zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers. Zie ook paragraaf 7.3.
– Voor de Nederlandse Cariben geldt dat de Rijksoverheid in Caribisch Nederland ambtenaren op de BES-eilanden onder andere voorwaarden in dienst neemt dan in Europees Nederland.
https://www.rijksdienstcn.com/werken-bij-rijksdienst-caribisch-nederland/arbeidsvoorwaarden.
NWO past eenmalig een ambtshalve indexering van de salariskosten8 toe met betrekking tot:
– UNL-tarieven: op aanvragen die voor 1 juli worden ingediend en na 1 juli worden toegewezen;
– NFU-tarieven: op aanvragen die voor 1 augustus worden ingediend en na 1 augustus worden toegewezen;
– HOT-tarieven: op aanvragen die voor 1 januari worden ingediend en na 1 januari worden toegewezen.
Ambtshalve indexering heeft geen invloed op de hoogte van het subsidieplafond of op de maximum hoogte van het subsidiebedrag per aanvraag. De hoogte van het subsidieplafond en de maximum hoogte van het subsidiebedrag blijven ongewijzigd tijdens de beoordelingsprocedure. De ambtshalve indexering wordt toegepast na afronding van de besluitvorming over toe- en afwijzing over de aanvragen.
Indien cofinanciering is vereist dan wel toegestaan, heeft de ambtshalve indexering geen gevolgen voor de cofinancieringseis, noch voor de IE-rechten die uit de cofinanciering kunnen voortvloeien.
De tarieven voor alle budgetmodules, met uitzondering van de IKS-tarieven (zie paragraaf 7.3), zijn verwerkt in het begrotingsformat bij het aanvraagformulier. Voor de budgetmodules ‘Postdoc’ komt bovenop de salariskosten een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 ter stimulering van de wetenschappelijke carrière van de door NWO gefinancierde projectmedewerker. Vergoedingen voor promotiestudenten/beursalen aan een Nederlandse universiteit komen niet in aanmerking voor subsidie van NWO.
Hieronder volgt een toelichting op de beschikbare budgetmodules.
De omvang van de aanstelling van een postdoc is minimaal 6 voltijdsmaanden en maximaal 48 voltijdsmaanden. De inzet kan naar eigen inzicht worden ingericht, maar is altijd minstens 0,5 fte óf de looptijd is minstens 12 maanden. Het product van fte x looptijd dient altijd minimaal 6 voltijdsmaanden te zijn.
Voor een beperktere inzet van een postdoc staat het materieel budget ter beschikking.
Financiering voor de aanstelling van niet-wetenschappelijk personeel dat noodzakelijk is voor de uitvoering van het project kan alleen worden aangevraagd als er ook financiering voor een postdoc wordt aangevraagd. Voor NWP kan maximaal € 100.000 aangevraagd worden. Het kan gaan om student-assistenten, programmeurs, technisch assistenten of analisten. Afhankelijk van het functieniveau kan worden gekozen uit de salaristabellen NWP MBO, NWP HBO en NWP Academisch.
De omvang van de aanstelling is minimaal 6 voltijdsmaanden en maximaal 48 voltijdsmaanden. De inzet kan naar eigen inzicht worden ingericht, maar is altijd minstens 0,5 fte óf de looptijd is minstens 12 maanden. Het product van fte x looptijd dient altijd minimaal 6 voltijdsmaanden te zijn.
Voor een beperktere inzet van NWP staat het materieel budget ter beschikking.
Financiering voor de aanstelling van overig wetenschappelijk personeel (OWP), zoals AIOS (arts in opleiding tot specialist), ANIOS (arts niet in opleiding tot specialist), of mensen met een universitaire master of de titel drs. of ir., kan alleen aangevraagd worden als er ook financiering voor een postdoc wordt aangevraagd.
Hiervoor kan maximaal € 100.000 aangevraagd worden.
De omvang van de aanstelling is minimaal 6 voltijdsmaanden en maximaal 48 voltijdsmaanden. De inzet kan naar eigen inzicht worden ingericht, maar is altijd minstens 0,5 fte óf de looptijd is minstens 12 maanden. Het product van fte x looptijd dient altijd minimaal 6 voltijdsmaanden te zijn.
Met deze budgetmodule kan financiering worden aangevraagd voor de kosten van de te vervangen hoofd- en/of mede-aanvrager(s). Hiermee kan de werkgever van de betreffende aanvrager de kosten dekken om hem/haar vrij te stellen van onderwijs-, begeleidings-, bestuurs- of beheertaken (geen onderzoekstaken). De door de vervanging vrijgekomen tijd mag/mogen de aanvrager(s) alleen inzetten voor werkzaamheden in het kader van het project. In de aanvraag moet beschreven worden welke werkzaamheden in het kader van het project de aanvrager(s) in de vrijgestelde tijd zullen verrichten.
Er kan voor maximaal het equivalent van 5 voltijdsmaanden vervanging worden aangevraagd. NWO financiert de vervanging op basis van de op het moment van subsidieverlening geldende salaristabellen + 50% opslag (Salaristabellen | NWO) voor een senior wetenschappelijk medewerker (schaal 11.0).
Kosten voor de financiering van personeel werkzaam bij een hogeschool of TO2-instelling worden vergoed conform tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven + 50% opslag. (Salaristabellen | NWO). Het werkelijke uurtarief van de medewerker op basis van de cao van diens organisatie dient als uitgangspunt voor de tariefkeuze.
Bij berekening dient te worden uitgegaan van het aantal productieve uren genoemd in de geldende jaargang van de Handleiding Overheidstarieven.
Per fte aangevraagde onderzoekspositie (postdoc) kan per jaar van de aanstelling maximaal € 15.000 materieel budget worden aangevraagd. Materieel budget voor kleinere aanstellingen wordt naar rato aangevraagd en door NWO beschikbaar gesteld. Per 0,2 fte aangevraagde onderzoeksmedewerker aan een hogeschool of TO2 instelling (met een minimale aanstelling van 0,2 fte gedurende 12 maanden) kan per jaar van de aanstelling maximaal € 15.000 materieel budget worden aangevraagd.
De verdeling van het totaalbedrag aan materieel budget over de door NWO gesubsidieerde personeelsposities ligt bij de aanvrager. Het aan te vragen materieel budget is gespecificeerd naar de onderstaande drie posten:
Projectgebonden goederen/diensten
– verbruiksgoederen (glaswerk, chemicaliën, cryogene vloeistoffen, etc.);
– meet- en rekentijd (bijv. supercomputertoegang, etc.);
– kosten voor aanschaf of gebruik van dataverzamelingen (bijv. van het CBS), waarvoor het totaalbedrag niet meer dan € 25.000 per aanvraag bedraagt;
– toegang tot grote (inter)nationale faciliteiten (bijv., cleanroom, synchrotron, etc.);
– werk door derden (bijv. laboratoriumanalyses, dataverzameling, citizen science, etc.);
– personele kosten voor een aanstelling van een postdoc en/of niet-wetenschappelijk personeel voor een kleinere omvang dan aangeboden onder deze personele budgetmodules.
Reis- en verblijfskosten ten behoeve van de aangevraagde personeelsposities
– reis- en verblijfskosten;
– congresbezoek (maximaal 2 per jaar per aangevraagde wetenschappelijke personeelspositie);
– veldwerk;
– werkbezoek.
Uitvoeringskosten
– zelf te organiseren binnenlands symposium/conferentie/workshop;
– kosten voor Open Access-publiceren (uitsluitend in full gold Open Access tijdschriften, gedeponeerd in de ‘Directory of Open Access Journals’ Directory of Open Access Journals – DOAJ);
– kosten datamanagement;
– kosten voor vergunningaanvragen (bijv. dierproeven);
– auditkosten (alleen voor instellingen die niet onderworpen zijn aan het onderwijsaccountantsprotocol van OCW), maximaal € 5.000 per aanvraag; voor projecten van drie jaar of korter maximaal € 2.500 per aanvraag.
Niet aangevraagd kunnen worden:
– basisvoorzieningen binnen de instelling (bijvoorbeeld laptop, kantoormeubilair etc.);
– onderhouds- en verzekeringskosten. Indien het maximumbedrag niet toereikend is voor het uitvoeren van het onderzoek, kan, mits goed gemotiveerd in de aanvraag, daarvan afgeweken worden.
Het betrekken van burgers, ‘citizen science’ of ‘burgerwetenschap’ genoemd, kan bijdragen aan de kwaliteit van de wetenschap. Met behulp van burgers kunnen data en inzichten verkregen worden die anders niet beschikbaar zouden zijn voor onderzoek. NWO financiert ook citizen science. Via de budgetmodule ‘materieel, projectgebonden goederen/diensten-werk door derden’, kunnen aanvragers een vergoeding aanvragen voor het betrekken van burgers bij projecten. De budgetmodule biedt een mogelijkheid, niet een verplichting.
Aanvragers kunnen zelf besluiten of het zinvol is burgers te betrekken bij het project en waaraan zij dit budget precies besteden (bijvoorbeeld onkostenvergoeding voor burgers, vaardigheidstrainingen voor burgers of technische hulpmiddelen voor participerende burger).
In deze budgetmodule kan financiering worden aangevraagd tot maximaal € 150.000 voor investeringen in apparatuur, dataverzamelingen en/of software (bijv. lasers, specialistische computers of computerprogramma's).
Het doel van deze budgetmodule is het bevorderen van de benutting van de uit het onderzoek voortkomende kennis9. Het aangevraagde budget mag niet hoger zijn dan € 25.000.
Aangezien kennisbenutting in de verschillende wetenschapsgebieden zeer veel verschillende vormen kent, is het aan de aanvrager om te specificeren welke kosten nodig zijn, bijvoorbeeld voor het maken van een lespakket, een haalbaarheidsstudie naar toepassingsmogelijkheden, of kosten voor het indienen van een octrooiaanvraag.
Het aangevraagde budget dient in de aanvraag adequaat gespecificeerd te worden.
Met budget voor internationalisering wordt het stimuleren van internationale samenwerking beoogd. Het aangevraagde budget mag niet hoger zijn dan € 25.000. Het aangevraagde bedrag moet worden gespecificeerd. Indien het maximumbedrag niet toereikend is voor het uitvoeren van het onderzoek, kan, mits goed gemotiveerd in de aanvraag, daarvan afgeweken worden.
Subsidiabel zijn:
– reis- en verblijfskosten voor zover het om directe projectkosten gaat voortvloeiende uit de internationale samenwerking en additionele kosten voor internationalisering die niet op een andere manier – bijvoorbeeld vanuit de benchfee – worden gedekt;
– reis- en verblijfskosten voor buitenlandse gastonderzoekers;
– kosten voor de organisatie van internationale workshops/ symposia / wetenschappelijke bijeenkomsten.
De budgetmodule Money follows Cooperation geeft de mogelijkheid om een deel van het project aan een kennisinstelling met een publieke taak buiten Nederland uit te voeren.
De aanvrager moet overtuigend onderbouwen op welke wijze de onderzoeker van de buitenlandse kennisinstelling specifieke expertise aan het project bijdraagt die in Nederland niet op het voor het project noodzakelijke niveau beschikbaar is.
Deze voorwaarde geldt niet wanneer NWO een bilaterale overeenkomst omtrent Money follows Cooperation heeft gesloten met de nationale onderzoeksfinancier van het land waar de buitenlandse kennisinstelling zich bevindt. Op Money Follows Cooperation | NWO leest u met welke onderzoeksfinanciers NWO een dergelijke overeenkomst heeft gesloten.
Het aangevraagde budget binnen deze budgetmodule bedraagt minder dan 50% van het totale aangevraagde budget.
De medeaanvrager van de participerende buitenlandse kennisinstelling dient aan de in paragraaf 3.1 van deze Call for proposals gestelde vereisten voor medeaanvragers te voldoen, met uitzondering van de voorwaarde dat de medeaanvrager binnen het Koninkrijk der Nederlanden gevestigd dient te zijn.
De tarieven voor de personele kosten van onderzoekers aan de buitenlandse kennisinstelling worden berekend aan de hand van de tabel NWO Country Correction Coefficients (CCC). De tabel is te vinden op Money Follows Cooperation | NWO.
De hoofdaanvrager ontvangt de subsidie en is verantwoordelijk voor het overmaken aan de buitenlandse kennisinstelling en het verantwoorden van het MfC-deel van de subsidie. Het MfC-deel van de verantwoording zal onderdeel uitmaken van de totale financiële eindverantwoording van het project.
Het wisselkoersrisico ligt bij de aanvragers. Baten of lasten door wisselkoersen zijn derhalve niet subsidiabel. De aanvrager is verantwoordelijk voor:
– de financiële verantwoording van alle kosten in zowel euro’s als de lokale munteenheid, waarbij de gehanteerde wisselkoers zichtbaar moet zijn;
– een redelijke vaststelling van de hoogte van de wisselkoersen. Op aanvraag van NWO moet de aanvrager een beschrijving van deze redelijke vaststelling te allen tijde kunnen geven.
Als binnen deze budgetmodule meer dan € 125.000 wordt aangevraagd, dan dient de financiële eindverantwoording vergezeld te gaan met een controleverklaring.
NWO verstrekt geen subsidie aan medeaanvragers die vallen onder (inter-)nationale sanctiewet- en regelgeving. De EU Sanctions Map (EU Sanctions Map) is hiervoor richtinggevend.
De module Projectmanagement geeft de mogelijkheid om een post voor projectmanagement aan te vragen tot maximaal 5% van het totale bij NWO aangevraagde budget. Deze post kan uitsluitend activiteiten betreffen die zuiver ondersteunend zijn aan het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd. De aanvrager moet deze post adequaat motiveren.
Onder projectmanagement wordt onder andere verstaan het optimaal vormgeven van de organisatiestructuur van het consortium, ondersteuning van het consortium en de hoofdaanvrager, het bewaken van de samenhang, voortgang en eenheid van het project, en de afstemming tussen de deelprojecten binnen het project. Deze taken mogen ook door externe organisaties worden uitgevoerd voor zover niet beschikbaar op de onderzoeksorganisatie van de hoofd- en/of medeaanvrager(s).
Onderzoeksorganisaties dienen bij de offerteprocedure tot het selecteren van een derde partij rekening te houden met de inkoopregels van de overheid en waar nodig een Europese aanbestedingsprocedure te volgen. De werkzaamheden van de hoofdaanvrager en medeaanvragers zelf in het kader van het project(management) mogen niet bekostigd worden uit deze budgetmodule.
Het voor projectmanagement aan te vragen budget kan bestaan uit materiële- of uitvoeringskosten en personele kosten. Voor personele kosten kan een maximaal tarief van € 121 per uur worden opgevoerd. Het uurtarief van het aan te stellen personeel dient te zijn gebaseerd op een kostendekkend tarief en wordt berekend op basis van het gehanteerde standaard productief aantal uur van de organisatie. Het kostendekkend tarief omvat:
– (gemiddeld) brutoloon behorende bij de functie van de medewerker die zal bijdragen aan het project (op basis van de cao-inschaling van de betreffende medewerker);
– vakantiegeld en 13e maand (indien van toepassing in de geldende cao) naar rato van de inzet in fte;
– sociale lasten;
– pensioenlasten;
– overhead.
Het is toegestaan om taken in het kader van projectmanagement door externe organisaties te laten uitvoeren, maar het deel van (commerciële) uurtarieven dat voornoemde tarieven overschrijdt, is niet subsidiabel en kan derhalve niet worden opgenomen in de begroting.
Kosten voor de financiering van personeel werkzaam bij een onderneming en maatschappelijke organisaties worden tot maximaal 40% vergoed volgens:
1. de op het moment van subsidieverlening geldende HOT tarieven uit tabel 2.1’Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven + 50% opslag (Salaristabellen | NWO). Het werkelijke uurtarief van de medewerker op basis van de cao van diens organisatie dient als uitgangspunt voor de tariefkeuze. Bij berekening dient te worden uitgegaan van het aantal productieve uren genoemd in de geldende jaargang van de Handleiding Overheidstarieven,
2. een vast uurtarief van € 60,–, of
3. een tarief conform integrale kostensystematiek zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende medeaanvrager. Zie ook paragraaf 7.3.
Dit kunnen personeelskosten zijn voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden.
Onder artikel 25 van de AGVV vergoedt NWO maximaal 40% van de in aanmerking komende kosten voor personeel. Om die reden moet, indien na indiening van de aanvraag en voor toewijzing van de aanvraag de HOT-tarieven stijgen, een aanvrager die gebruikt maak van de HOT-tarieven in de aanvraagbegroting middelen reserveren om de stijging van personeelstarieven eenmalig te financieren. NWO zal daartoe in het begrotingsformat een percentage voorschrijven op basis van een inschatting van historische, meerjarige cijfers. De aanvrager kan geen rechten ontlenen aan het voorgeschreven percentage ten aanzien van de daadwerkelijke stijging van tarieven.
Indien de reservering onvoldoende blijkt om stijging van de personeelstarieven te financieren, compenseert de aanvrager de stijging uit andere begrotingsposten waarbij het substantieel inhoudelijk wijzigen van de aanvraag niet is toegestaan.
Indien blijkt dat niet alle gereserveerde middelen nodig zijn, stelt NWO de aanvraagbegroting naar beneden bij en worden uitsluitend de kosten verbonden aan de daadwerkelijke stijging toegewezen.
Voorzover de in aanmerking komende kosten van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten andere kosten dan de personeelskosten betreffen komen hiervoor in deze Call for proposals de volgende kosten in aanmerking voor financiering:
– Contractonderzoekskosten: kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt. Maximaal € 50.000 in totaal in het project.
Maximaal 40% van de in aanmerking komende kosten wordt als subsidie verleend. De overige minimaal 60% van de in aanmerking komende kosten betreft de eigen bijdrage van de organisatie en wordt meegerekend bij de Financiering anders dan door NWO (zie ook paragraaf 3.2).
Onder deze module kan budget worden aangevraagd voor de kosten van de investeringen in materiële en immateriële activa die betrekking hebben op de bouw en het upgraden van de learning community.
Materiële activa omvatten gronden, gebouwen en installaties, machines en uitrusting, apparatuur, software en dataverzamelingen. Immateriële activa omvatten fysieke en/of financieel niet tastbare activa, zoals octrooien, licenties, knowhow of andere intellectuele eigendomsrechten.
Daarnaast kunnen onder deze module personeelskosten worden aangevraagd voor de bekostiging van personeel dat een bijdrage levert aan het bouwen of upgraden van de learning community.
De kosten voor investeringen dienen in de aanvraag adequaat gespecificeerd en gemotiveerd te worden.
Niet aangevraagd kunnen worden:
– onderhouds- en verzekeringskosten.
Onder deze module kunnen personeelskosten en administratieve kosten worden aangevraagd voor de exploitatie van de learning community.
De personeelskosten en de administratieve kosten ten behoeve van de exploitatie van de learning community hebben betrekking op:
(a) het aansturen van een cluster ter bevordering van samenwerking, informatiedeling en het verschaffen van gespecialiseerde en op maat gemaakte zakelijke ondersteuningsdiensten;
(b) de marketing van het cluster om nieuwe ondernemingen of organisaties aan te trekken en de zichtbaarheid te verhogen en;
(c) het beheer van de faciliteiten van het cluster, de organisatie van opleidingsprogramma’s, workshops en conferenties ter ondersteuning van kennisdeling, netwerken en transnationale samenwerking.
Onder deze module kunnen geen personeelskosten voor onderzoeksactiviteiten gesubsidieerd worden. Deze kosten dienen te begroot worden onder budgetmodules voor personele kosten uit tabel 2 en 3 paragraaf 3.2.
Voor het bekostigen van personele kosten ten behoeve van de opbouw en exploitatie learning community dient voor beide modules gebruik te worden gemaakt van één van de volgende tariefsystemen:
– Tarieven uit tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven + 50% opslag (zie paragraaf 7.2)
– Integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd10 bij RVO voor de betreffende organisatie (zie paragraaf 7.3)11
– Vast uurtarief van € 60 (zie paragraaf 7.3).
– UNL-salaristabellen + 50% opslag (zie paragraaf 7.1)
– NFU-salaristabellen + 50% opslag (zie paragraaf 7.1)
Bij het aanvragen van financiering voor personeelskosten moet worden onderbouwd waarom deze personeelskosten noodzakelijk zijn.
Onder artikel 27 van de AGVV vergoedt NWO maximaal 50% van de in aanmerking komende kosten voor de opbouw en exploitatie van een learning community. Om die reden moet, indien na indiening van de aanvraag en voor toewijzing van de aanvraag de HOT-tarieven stijgen, een aanvrager die gebruikt maak van de HOT- tarieven in de aanvraagbegroting middelen te reserveren om de stijging van personeelstarieven eenmalig te financieren. NWO zal daartoe in het begrotingsformat een percentage voorschrijven op basis van een inschatting van historische, meerjarige cijfers. De aanvrager kan geen rechten ontlenen aan het voorgeschreven percentage ten aanzien van de daadwerkelijke stijging van tarieven.
Indien de reservering onvoldoende blijkt om stijging van de personeelstarieven te financieren, compenseert de aanvrager de stijging uit andere begrotingsposten waarbij het substantieel inhoudelijk wijzigen van de aanvraag niet is toegestaan. Indien blijkt dat niet alle gereserveerde middelen nodig zijn, stelt NWO de aanvraagbegroting naar beneden bij en worden uitsluitend de kosten verbonden aan de daadwerkelijke stijging toegewezen.
Integrale kostensystematiek (IKS)
Specifiek en uitsluitend voor Calls for proposals die NWO uitvoert in het kader van het Nationaal Groeifonds kunnen hoofd- en medeaanvragers voor de financiering van personeelskosten gebruik maken van de Integrale kostensystematiek zoals deze door RVO wordt gehanteerd.
Alleen onderzoeksorganisaties, ondernemingen en maatschappelijke organisaties waarvan de IKS-tarieven zijn gedeponeerd en goedgekeurd door RVO mogen deze tarieven toepassen in de aanvraagbegroting.
Indien een aanvrager gebruik wenst te maken van de IKS-tarieven, dan houdt deze keuze automatisch in dat men NWO toestemming dient te geven de IKS-tarieven op te vragen bij RVO ten behoeve van de formele toets op indieningsvoorwaarden door NWO. Tevens houdt de keuze in dat men de IKS-tarieven dient te delen met de consortiumpartners van het voorstel op het moment dat er een gezamenlijke begroting wordt opgesteld.
In het Aanmeldingsformulier voor de workshops worden aanvragers die gebruik wensen te maken van IKS-tarieven gevraagd deze tarieven reeds op te geven, zodat deze beschikbaar zijn tijdens de workshops ten behoeve van het opstellen van de aanvraagbegroting.
NWO zal als onderdeel van de toets op formele voorwaarden voor indiening de IKS-tarieven in de aanvraagbegroting vergelijken met de bij RVO gedeponeerde en goedgekeurde tarieven. Indien er een afwijking geconstateerd wordt in de IKS-tarieven van de aanvraagbegroting en de IKS-tarieven bij RVO zal door NWO contact gezocht worden met de hoofdaanvrager, die de verantwoordelijkheid heeft om de aanvraag (incl begroting) binnen de daartoe gestelde termijn in overeenstemming te brengen met de voorwaarden (zie ook de paragraaf 4.2 met onderdeel ‘in behandeling nemen van de aanvraag’).
De opgevoerde functies in de aanvraagbegroting moeten overeenkomen met de benoemde functies in de IKS-tabel zoals deze is gedeponeerd bij RVO. De bijbehorende uurtarieven dienen verder zonder indexatie te worden opgevoerd in de aanvraagbegroting. Er is géén mogelijkheid tot indexatie van tarieven.
In de financiële eindverantwoording moet de aanvrager de gemaakte personeelskosten van alle jaren afzonderlijk opnemen.
Vast uurtarief
(Bron: Vaste uurtarief systematiek (rvo.nl)) De vaste-uurtarief-systematiek is een standaardmethode om de hoogte van subsidie voor in aanmerking komende kosten te berekenen.
Het vaste uurtarief is een vergoeding voor de loonkosten/arbeidskosten en de indirecte-, of overheadkosten van uw organisatie, bijvoorbeeld huisvestingskosten, kosten van kantoorapparatuur en kosten van binnenlandse reizen voor werkoverleg. De hoogte van het vaste uurtarief bedraagt in deze Call for proposals € 60.
Indien u gebruik maakt van deze systematiek moet in uw administratie het aantal gewerkte uren door uw projectmedewerkers en de kosten van apparatuur, materialen en derden (facturen) duidelijk terug te vinden zijn. Een verantwoording over de werkelijke loonkosten van de medewerkers die aan het project werken is niet nodig.
Het programmabestuur van GroenvermogenNL faciliteert en stuurt op de integrale aanpak, ziet toe op het bewaken van de voortgang op het niveau van het gehele GVNL, rapporteert aan het betrokken departement over de voortgang en stelt prioriteiten bij wanneer daartoe aanleiding toe is.
Het NGF: Op weg naar de toekomst. Learning Communities als aanjagers van de groene waterstofeconomie is slechts één van deze activiteiten waar het programmabestuur op toeziet. Het programmabestuur interacteert met het HCA-programma via een kennisdelingscommissie. In deze kennisdelingscommissie wordt elke programmalijn vertegenwoordigd door de projectleiders die gekozen zullen worden uit het gevormde consortium per programmalijn. Dit gezelschap van projectleiders en vertegenwoordigers van het programmabestuur wisselen kennis en inzichten uit over de verschillende programmalijnen.
1. Notitie ‘ Human Capital Agenda GroenvermogenNL. Brug naar de Toekomst’
2. Notitie ‘Ruim baan voor versnelling: Human Capital Agenda GroenvermogenNL 2024–2028’
3. Zes regionale roadmaps:
5. Notitie ‘Kennis laten stromen voor de waterstoftransitie’
Deze documenten zijn beschikbaar op de website van GroenvermogenNL via deze link.
Onder een vergelijkbare functie wordt verstaan dat een onderzoeker aantoonbaar een vergelijkbaar aantal jaren ervaring heeft met het doen van onderzoek en het begeleiden van andere onderzoekers als een hoogleraar c.q. universitair (hoofd)docent.
Voor lectoren in dienst van een hogeschool en onderzoekers in dienst van een TO2-instelling geldt dat zij ook als hoofdaanvrager mogen indienen indien zij een bezoldigd dienstverband voor bepaalde tijd hebben.
NWO sluit zich aan bij de RVO terminologie: gedeponeerd houdt ook in dat de tarieven door RVO goedgekeurd zijn.
Indien een aanvrager gebruik wenst te maken van de IKS-tarieven, dan houdt deze keuze automatisch in dat men NWO toestemming dient te geven de IKS-tarieven op te vragen bij RVO en te delen met de consortiumpartners van de aanvraag op het moment dat er een gezamenlijke begroting wordt opgesteld.
Onder door NWO toegekende financiering wordt verstaan financiering welke verkregen is door honorering van een aanvraag bij NWO. Hierbij is het niet relevant in welk programma deze financiering verkregen is, of wie de ontvanger van de subsidie is.
De data van 1 juli, 1 augustus respectievelijk 1 januari zijn de data waarop de desbetreffende tarieven in de regel worden aangepast, bij indexering wordt uitgegaan van de datum van daadwerkelijk jaarlijkse aanpassing.
In deze budgetmodule wordt aangesloten bij de definitie voor “kennisoverdracht” die de Europese Commissie hanteert in de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2014, C 198).
NWO sluit zich aan bij de RVO terminologie: gedeponeerd houdt ook in dat de tarieven door RVO goedgekeurd zijn.
Indien een aanvrager gebruik wenst te maken van de IKS-tarieven, dan houdt deze keuze automatisch in dat men NWO toestemming dient te geven de IKS-tarieven op te vragen bij RVO en te delen met de consortiumpartners van de aanvraag op het moment dat er een gezamenlijke begroting wordt opgesteld.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2024-22922.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.