Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 23 april 2024 nr. VO/37841750, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan scholen voor het deelnemen aan het programma Ontwikkelkracht 2024/2025 (Subsidieregeling Ontwikkelkracht 2024/2025)

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs,

Gelet op artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 71 van de Wet op de expertisecentra, en artikel 67 van de Wet primair onderwijs BES;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

aspirant-expertscholen:

vestigingen die deelnemen aan het aspirant-traject expertscholen, en zo worden opgeleid tot expertschool;

aspirant-traject expertscholen:

opleidingsprogramma voor aspirant-expertscholen waarin de vestiging wordt opgeleid tot expertschool, waarbinnen expertise van de vestiging wordt vastgesteld en een leertraject wordt ontwikkeld waarmee de school andere scholen kan begeleiden;

bevoegd gezag:

bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de WPO, artikel 1 van de WPO BES, artikel 1 van de WEC of artikel 1.1 van de WVO 2020;

co-creatielab:

thematisch lab binnen het programma Ontwikkelkracht waarin onderwijsprofessionals en onderzoekers samenwerken aan effectieve aanpakken voor onderwerpen waar vanuit vestigingen grote behoefte aan is;

co-creërende vestiging:

vestiging die in een co-creatielab samen met onderzoekers co-creëert en zo meewerkt aan het ontwikkelen van effectieve aanpakken;

deelnemende vestiging:

vestiging die in een co-creatielab meewerkt aan het onderzoeken van effectieve aanpakken, door een aanpak te implementeren en de resultaten te monitoren;

DUS-I:

Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;

Education Lab Netherlands:

onderzoeksnetwerk dat werkt aan de verbetering van het onderwijs en dat optreedt als organisator van de co-creatielabs binnen het programma Ontwikkelkracht;

evidence-informed interventie:

wetenschappelijk bewezen aanpak of werkwijze die bijdraagt aan onderwijsverbetering, waarbij zowel kennis uit onderzoek als praktijkkennis is toegepast;

expertleraar:

leraar die bekwaam is in een evidence-informed interventie, hierbij gebruikmaakt van inzichten uit wetenschappelijk onderzoek, en die vestigingen helpt met evidence-informed werken op het eigen expertisegebied;

expertschool:

vestiging die deelneemt aan het programma Ontwikkelkracht en die een evidence-informed interventie hanteert, evidence-informed werkt, een sterke onderzoeks- en verbetercultuur heeft en vanuit deze expertise andere vestigingen helpt om deze interventie in de context van de eigen vestiging te implementeren;

expertschoolleider:

schoolleider die bekwaam is in een evidence-informed interventie, met het schoolteam evidence-informed werkt en die andere vestigingen helpt met evidence-informed werken op het eigen expertisegebied;

funderend onderwijs:

onderwijs dat wordt gegeven op een basisschool als bedoeld in artikel 1 van de WPO, op een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 WPO, onderwijs dat wordt gegeven op een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1.4 van de WVO 2020, onderwijs dat wordt gegeven op een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs en een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de WEC.

Kaderregeling:

Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

leraar:

personeelslid dat is aangesteld in een onderwijsgevende functie als bedoeld in artikel 3 van de WPO, artikel 3 van de WEC, artikel 3 van de WPO BES of artikel 7.8 van de WVO 2020;

leertraject expertschool:

opleidingsprogramma van een expertschool waarin deelnemende onderwijsprofessionals begeleid of opgeleid worden in het toepassen en implementeren van een evidence-informed interventie;

Minister:

Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs;

Nationaal Groeifonds:

fonds als bedoeld in artikel 1 van de Tijdelijke wet Nationaal Groeifonds;

onderwijsprofessional:

lid van het personeel, bedoeld in artikel 1 van de WPO, artikel 1 van de WPO BES, artikel 1.1 van de WVO 2020 of artikel 1 van de WEC;

onderzoeks- en verbetercultuur:

cultuur die stimuleert dat alle betrokkenen zich richten op het definiëren en behalen van de gewenste onderwijskwaliteit door middel van een constructief-kritische houding en continu streven naar de daarvoor zo nodig vereiste kwaliteitsverbeteringen;

ontwikkelschool:

vestiging die deelneemt aan het programma Ontwikkelkracht en van een expertschool een evidence-informed interventie leert;

penvoerder:

bevoegd gezag in een samenwerking dat namens de samenwerking subsidie aanvraagt;

primair onderwijs:

onderwijs dat gegeven wordt op een school of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de WPO, onderwijs dat gegeven wordt op een school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, of onderwijs dat gegeven wordt op een school als bedoeld in artikel 1 van de WPO BES;

programma Ontwikkelkracht:

programma dat is gericht op het versterken van de kennisinfrastructuur en de onderzoeks- en verbetercultuur in het funderend onderwijs;

programmabureau:

onderdeel binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat de programmaorganisatie van het programma Ontwikkelkracht voor haar rekening neemt;

RIO:

Registratie Instellingen en Opleidingen;

samenwerking:

samenwerking van twee of meer bevoegde gezagsorganen van meerdere vestigingen;

samenwerkingsovereenkomst:

ondertekende overeenkomst tussen de bevoegde gezagsorganen in een samenwerking;

school:

uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1.1 van de WVO 2020, artikel 1 van de WPO, artikel 1 van de WEC of artikel 1 van de WPO BES met inbegrip van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap die van rechtswege is ontstaan na de omzetting op grond van artikel 12.2.4 van de WEB;

schooljaar:

schooljaar als bedoeld in artikel 1 van de WPO, artikel 1 van de WPO BES, artikel 1 van de WEC of artikel 1 van de WVO 2020;

vestiging:

hoofdvestiging van een school, of nevenvestiging van een school als bedoeld in artikel 1 van de WPO, hoofdvestiging of nevenvestiging van een school als bedoeld in artikel 76a van de WEC, hoofdvestiging als bedoeld in artikel 4.13 van de WVO 2020, nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.14 van de WVO 2020 of tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.16 van de WVO 2020, met inbegrip van een vestiging van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap die van rechtswege is ontstaan na de omzetting op grond van artikel 12.2.4 van de WEB;

voortgezet onderwijs:

onderwijs dat gegeven wordt op een school als bedoeld in artikel 1.1 van de WVO 2020;

WEB:

Wet educatie en beroepsonderwijs;

WEC:

Wet op de expertisecentra;

WPO:

Wet op het primair onderwijs;

WPO BES:

Wet primair onderwijs BES;

WVO 2020:

Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling.

Artikel 3. Doel van de regeling en te subsidiëren activiteiten

  • 1. De Minister kan aan een bevoegd gezag subsidie verstrekken voor deelname aan activiteiten die worden ontwikkeld in het kader van het programma Ontwikkelkracht.

  • 2. De subsidie kan worden aangevraagd voor de uitvoering van één of meer van de volgende activiteiten:

    • a. deelname aan het aspirant-traject expertscholen;

    • b. deelname aan een onderzoeks- en verbetercultuurtraject;

    • c. als ontwikkelschool deelnemen aan het leertraject van een expertschool;

    • d. deelname als een co-creërende vestiging in een co-creatielab;

    • e. deelname als een deelnemende vestiging in een co-creatielab; of

    • f. het aanbieden van leertrajecten aan ontwikkelscholen als expertschool.

  • 3. Een subsidieaanvraag kan geen betrekking hebben op:

    • a. het door één en dezelfde vestiging deelnemen aan een onderzoeks- en verbetercultuurtraject alsmede het deelnemen aan het aspirant-traject expertscholen of het aanbieden van leertrajecten aan ontwikkelscholen als expertschool;

    • b. het door één en dezelfde vestiging deelnemen aan een onderzoeks- en verbetercultuurtraject alsmede het deelnemen als een co-creërende vestiging in een co-creatielab; of

    • c. het door één en dezelfde vestiging deelnemen aan het aspirant-traject expertscholen alsmede het aanbieden van leertrajecten aan ontwikkelscholen als expertschool.

Artikel 4. Aanvraag subsidie

  • 1. Een bevoegd gezag dat subsidie wil aanvragen, voert voorafgaand aan de aanvraag een verkennend gesprek met het programmabureau, met als doel de ontwikkelvraag van een vestiging of meerdere vestigingen te concretiseren en te verkennen of en zo ja bij welk onderdeel van het programma Ontwikkelkracht deze ontwikkelvraag aansluit.

  • 2. In afwijking van het eerste lid voert een bevoegd gezag dat subsidie wil aanvragen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d, voorafgaand aan de aanvraag een evaluatiegesprek met Education Lab Netherlands, indien de subsidie wordt aangevraagd voor een vestiging die voor het schooljaar 2023/2024 heeft deelgenomen als een co-creërende vestiging in een co-creatielab. Een verslag van dit gesprek wordt opgenomen bij de subsidieaanvraag.

  • 3. In afwijking van het eerste lid voert een bevoegd gezag dat subsidie wil aanvragen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f, voorafgaand aan de aanvraag een evaluatiegesprek met het programmabureau, indien de subsidie wordt aangevraagd voor een vestiging die voor het schooljaar 2023/2024 heeft deelgenomen aan het aspirant-traject expertscholen. Een verslag van dit gesprek wordt opgenomen bij de subsidieaanvraag.

  • 4. In aanvulling op het eerste lid voert een bevoegd gezag dat subsidie wil aanvragen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, een intakegesprek met de aanbieder van het onderzoeks- en verbetercultuurtraject.

  • 5. In aanvulling op het eerste lid voert een bevoegd gezag dat subsidie wil aanvragen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c, een intakegesprek met de expertschool die een leertraject aanbiedt.

  • 6. Een bevoegd gezag kan op basis van deze regeling voor meerdere vestigingen van eigen scholen een aanvraag indienen.

  • 7. Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d, kan ook door een samenwerking subsidie worden aangevraagd. Een samenwerking bestaat uit maximaal vijf vestigingen. De aanvraag voor een samenwerking geschiedt door de penvoerder.

  • 8. Een aanvraag voor subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen a, b, d of e, kan worden ingediend van 25 april 2024, 9.00 uur, tot en met 28 juni 2024, 16.00 uur.

  • 9. Een aanvraag voor subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen c en f, kan worden ingediend van 25 april 2024, 9.00 uur, tot en met 28 juni 2024, 16.00 uur en van 1 oktober 2024, 9.00 uur, tot en met 29 november 2024, 16.00 uur.

  • 10. Subsidieaanvragen die buiten een aanvraagtijdvak worden ingediend, worden afgewezen.

  • 11. De subsidie wordt aangevraagd met het digitale aanvraagformulier dat daartoe op de website van DUS-I beschikbaar is gesteld.

  • 12. De subsidieaanvraag die namens een samenwerking wordt ingediend door de penvoerder, bedoeld in het zevende lid, bevat:

    • a. een verklaring, ondertekend door de penvoerder, waaruit blijkt dat de deelnemende partijen een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het dertiende lid hebben gesloten; en

    • b. een vermelding van de vestigingen waaruit de samenwerking bestaat.

  • 13. In de samenwerkingsovereenkomst tussen de penvoerder en de deelnemende partijen, bedoeld in het twaalfde lid, onderdeel a, wordt in ieder geval opgenomen:

    • a. de wijze waarop de scholen binnen de samenwerking met elkaar gaan samenwerken ten behoeve van deelname als co-creërende vestigingen in een co-creatie lab;

    • b. de voorgenomen verdeling van de subsidiemiddelen tussen de scholen binnen de samenwerking;

    • c. de wijze van informatieverstrekking en verantwoording aan de penvoerder door de overige scholen binnen de samenwerking, zodat de penvoerder aan de verplichtingen in deze regeling kan voldoen.

  • 14. De subsidie, bedoeld in het zevende lid, die wordt verstrekt ten behoeve van een samenwerking, wordt verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke vestiging feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende activiteiten.

  • 15. Onvolledige subsidieaanvragen kunnen, binnen twee weken na de mededeling van de Minister dat de aanvraag onvolledig is, worden aangevuld door de subsidieaanvrager. Blijft tijdige en volledige aanlevering van de gegevens uit, dan wordt de betreffende aanvraag buiten behandeling gesteld.

  • 16. De Minister stelt een model voor de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het twaalfde lid, elektronisch beschikbaar.

Artikel 5. Aanvraagvereisten

  • 1. De aanvraag bestaat uit een activiteitenplan, waarin onverminderd artikel 3.4 van de Kaderregeling ten minste wordt opgenomen:

    • a. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a:

      • 1°. een verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, met het programmabureau;

      • 2°. een onderbouwing dat de desbetreffende vestiging expertise heeft op een bepaald terrein binnen het gebied van het programma Ontwikkelkracht en dat de aangeboden aanpak of werkwijze kansrijk is en gebaseerd is op relevante en recente inzichten uit de onderwijswetenschap;

      • 3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject en dat er in de school voldoende draagvlak is;

      • 4°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging een goede onderzoeks- en verbetercultuur heeft; en

      • 5°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging in een bepaald leergebied een evidence-informed werkwijze of aanpak hanteert.

    • b. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b:

      • 1°. een omschrijving van de vraag of doelstelling die de vestiging heeft op het gebied van het versterken van haar onderzoeks- en verbetercultuur;

      • 2°. een ontwikkeldoel gericht op leerwinst;

      • 3°. een uiteenzetting die inzicht geeft op welke manier het onderwijspersoneel betrokken is, op welke manier de schoolleiding en het schoolbestuur betrokken zijn en welke rol eenieder heeft;

      • 4°. een onderbouwing waaruit blijkt dat sprake is van voldoende draagvlak op de vestiging voor deelname aan het traject, en dat de onderwijsprofessionals, de schoolleiding en het schoolbestuur committeren aan het traject;

      • 5°. een onderbouwing waaruit blijkt dat voldoende tijd zal worden vrijgemaakt voor de leraren en schoolleiding op de vestiging voor deelname aan het traject; en

      • 6°. een uiteenzetting die inzicht geeft in de wijze waarop het traject op de desbetreffende vestiging organisatorisch wordt vormgegeven;

    • c. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c:

      • 1°. een verslag van het gesprek, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, met de expertschool die het te volgen leertraject aanbiedt;

      • 2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging bereid en in staat is om actief deel te nemen aan het leertraject;

      • 3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject; en

      • 4°. een onderbouwing waaruit blijkt dat er in het team voldoende draagvlak is om de lessen uit het leertraject duurzaam in de school te borgen.

    • d. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d:

      • 1°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging of samenwerking beschikt over expertise op het thema van het co-creatielab;

      • 2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging of samenwerking reeds succesvol werkt met evidence-informed aanpakken op het thema van het co-creatielab;

      • 3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging of samenwerking in staat is de pilotversie van een aanpak uit het co-creatielab te implementeren en mee te werken aan monitoring en evaluatie;

      • 4°. een uiteenzetting die inzicht geeft op welke manier het onderwijspersoneel betrokken is, welke rol eenieder heeft en op welke manier de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;

      • 5°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging of samenwerking bereid is om samen te werken met andere vestigingen en onderzoekers in het desbetreffende co-creatielab; en

      • 6°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging of samenwerking aantoonbare ervaring heeft met samenwerking met wetenschappelijke onderzoekers.

    • e. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e:

      • 1°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging bereid is om samen te werken met andere vestigingen en onderzoekers in het desbetreffende co-creatielab;

      • 2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de desbetreffende vestiging bereid en in staat is om actief deel te nemen aan het traject van vraagarticulatie; en

      • 3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject;

    • f. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f, en voor zover de vestiging waarvoor de subsidie wordt aangevraagd aan het aspirant-traject expertscholen heeft deelgenomen:

      • 1°. een verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 4, derde lid, met het programmabureau;

      • 2°. een onderbouwing waaruit blijkt dat sprake is van voldoende draagvlak op de vestiging voor het aanbieden van een of meer leertrajecten als expertschool en dat de onderwijsprofessionals, de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan de inzet hiervoor;

      • 3°. een uiteenzetting die inzicht geeft in welke manier het onderwijspersoneel op de vestiging betrokken is, op welke manier de schoolleiding en het schoolbestuur betrokken zijn, welke rol eenieder heeft, hoeveel tijd voor de verschillende deelnemers wordt vrijgemaakt en hoe de op de vestiging aan te bieden leertrajecten organisatorisch worden vormgegeven;

      • 4°. een beschrijving van het leertraject van de vestiging als expertschool en de vereisten voor deelname van de vestigingen die deelnemen als ontwikkelscholen; en

      • 5°. een onderbouwing van het aantal beschikbare plaatsen voor vestigingen die deelnemen als ontwikkelscholen per aangeboden leertraject voor schooljaar 2024/2025.

    • g. indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f, en voor zover de vestiging waarvoor de subsidie wordt aangevraagd niet aan het aspirant-traject expertscholen heeft deelgenomen:

      • 1°. een verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, met het programmabureau;

      • 2°. een onderbouwing dat de desbetreffende vestiging expertise heeft op een bepaald terrein binnen het gebied van het programma Ontwikkelkracht en dat de aangeboden aanpak of werkwijze kansrijk is en gebaseerd is op relevante en recente inzichten uit de onderwijswetenschap;

      • 3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan het traject en dat er in de school voldoende draagvlak is;

      • 4°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging een goede onderzoeks- en verbetercultuur heeft;

      • 5°. een onderbouwing waaruit blijkt dat de vestiging een evidence-informed werkwijze hanteert;

      • 6°. een onderbouwing waaruit blijkt dat sprake is van voldoende draagvlak op de vestiging voor het aanbieden van een of meerdere leertrajecten als expertschool en dat de onderwijsprofessionals, de schoolleiding en het schoolbestuur van de vestiging betrokken zijn en zich committeren aan de inzet hiervoor;

      • 7°. een uiteenzetting die inzicht geeft in welke manier het onderwijspersoneel op de vestiging betrokken is, op welke manier de schoolleiding en het schoolbestuur betrokken zijn, welke rol eenieder heeft, hoeveel tijd voor de verschillende deelnemers wordt vrijgemaakt en hoe de op de vestiging aan te bieden leertrajecten organisatorisch worden vormgegeven;

      • 8°. een beschrijving van het aanbod en studieprogramma van de expertschool en de vereisten voor deelname van de ontwikkelscholen; en

      • 9°. een onderbouwing van het aantal beschikbare plaatsen voor ontwikkelscholen per aangeboden leertraject voor schooljaar 2024/2025.

Artikel 6. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een subsidieaanvraag in ieder geval geweigerd:

  • a. indien het bevoegd gezag of de penvoerder het gesprek of de gesprekken, bedoeld in artikel 4, eerste tot en met het derde lid, en indien van toepassing het gesprek, bedoeld in artikel 4, vierde of vijfde lid, niet heeft gevoerd;

  • b. voor zover op de aanvraag het bepaalde in artikel 3, derde lid, van toepassing is;

  • c. indien de aanvraag betrekking heeft op de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, en het bevoegd gezag reeds subsidie heeft aangevraagd of ontvangt voor de vestiging voor een ander onderzoeks- en verbetercultuurtraject; en

  • d. indien het bevoegd gezag of de penvoerder een aanvraag indient voor de activiteiten bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, d of f en de kwaliteit van het onderwijs van de desbetreffende vestiging in het primair onderwijs of afdeling of schoolsoort binnen de vestiging in het voortgezet onderwijs waarvoor de subsidie wordt aangevraagd door de Inspectie van het onderwijs bij besluit op peildatum 1 januari 2024 als ‘zeer zwak’ of ‘onvoldoende’ is beoordeeld.

Artikel 7. Subsidieplafonds en maximaal aantal deelnemende vestigingen per jaar

  • 1. Voor verstrekking van de subsidie op grond van deze regeling is in totaal een bedrag beschikbaar van € 13.248.770,– voor het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs.

  • 2. Per activiteit waarvoor subsidie kan worden aangevraagd zijn ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

    • a. € 711.260,– voor deelname aan de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, waarbij in het schooljaar 2024/2025 ten hoogste vijf vestigingen in het primair onderwijs en vijf vestigingen in het voortgezet onderwijs kunnen deelnemen;

    • b. € 10.260.800,– voor deelname aan de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, waarbij in het schooljaar 2024/2025 ten hoogste tachtig vestigingen in het primair onderwijs en tachtig vestigingen in het voortgezet onderwijs deelnemen;

    • c. € 636.000,– voor deelname aan de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c, waarbij in het schooljaar 2024/2025 voor ten hoogste twaalf vestigingen in het primair onderwijs, ten hoogste achttien vestigingen in het voortgezet onderwijs en in totaal voor ten hoogste dertig vestigingen subsidie kan worden verstrekt;

    • d. € 833.290,– voor deelname aan de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d, waarbij in het schooljaar 2024/2025 voor ten hoogste vijf vestigingen per co-creatielab en in totaal voor ten hoogste tien vestigingen subsidie kan worden verstrekt;

    • e. € 374.940,– voor deelname aan de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, waarbij in het schooljaar 2024/2025 totaal voor ten hoogste negentig vestigingen subsidie kan worden verstrekt; en

    • f. € 432.480,– voor deelname aan de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f waarbij in het schooljaar 2024/2025 voor ten hoogste vijf vestigingen subsidie kan worden verstrekt.

  • 3. De Minister verdeelt de beschikbare bedragen in volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen. Een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het plafond zou worden overschreden.

Artikel 8. Subsidiebedrag

  • 1. Het subsidiebedrag per vestiging in het primair onderwijs voor het schooljaar 2024/2025 bedraagt:

    • a. € 71.126,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a;

    • b. € 34.980,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b;

    • c. € 21.200,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c.

    • d. € 83.329,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d;

    • e. € 4.166,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e; en

    • f. € 35.616,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f en een aanvullend bedrag per aangeboden leertraject per ontwikkelschool van € 8.480,–.

  • 2. Het subsidiebedrag per vestiging in het voortgezet onderwijs voor het schooljaar 2024/2025 bedraagt:

    • a. € 71.126,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a;

    • b. € 93.280,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b;

    • c. € 21.200,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c.

    • d. € 83.329,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d;

    • e. € 4.166,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e; en

    • f. € 35.616,– voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f, vermeerderd met een aanvullend bedrag per aangeboden leertraject per ontwikkelschool van € 8.480,–.

  • 3. Voor subsidieontvangers in Caribisch Nederland wordt het in het eerste en tweede lid bedoelde subsidiebedrag omgerekend in US-dollars tegen de vastgestelde wisselkoers.

Artikel 9. Subsidieverplichtingen

  • 1. In aanvulling op hoofdstuk 5 van de Kaderregeling worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd:

    • a. de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt worden uitgevoerd binnen de periode die de Minister in de beschikking bepaalt;

    • b. per vestiging neemt ten minste het volgend aantal onderwijsprofessionals per schooljaar deel aan de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt:

      • 1°. vier personen waaronder ten minste één schoolleider aan het aspirant-traject voor expertscholen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a;

      • 2°. vijftien personen, indien het een vestiging in het primair onderwijs betreft of veertig personen, indien het een vestiging in het voortgezet onderwijs betreft, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b;

      • 3°. vijf personen waaronder ten minste één schoolleider aan een leertraject aangeboden door een expertschool, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c;

      • 4°. twee personen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d;

      • 5°. één interne procesbegeleider voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e;

      • 6°. vier personen waaronder ten minste één schoolleider voor het uitvoeren van de werkzaamheden als expertschool, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f;

    • c. de subsidieontvanger deelt actief zijn kennis met andere vestigingen;

    • d. de subsidieontvanger die subsidie ontvangt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, zendt jaarlijks vóór 1 oktober een activiteitenverslag aan de Minister, waarin verslag wordt gedaan van de realisatie van de in het activiteitenplan genoemde activiteiten;

    • e. de subsidieontvanger die subsidie ontvangt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen d en e:

      • 1°. werkt mee aan de monitoring van de implementatie van de aanpak en het in kaart brengen van de effecten; en

      • 2°. draagt er zorg voor dat een leraar of intern procesbegeleider de implementatie van de aanpak uit het co-creatielab begeleidt.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, worden voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, interne procesbegeleiders aangesteld, die elk een lerarenteam begeleiden bij het traject. Bij vestigingen waar minder dan vijftien onderwijsprofessionals werken, indien het een vestiging voor primair onderwijs betreft of minder dan veertig, indien het een vestiging voor voortgezet onderwijs betreft, dienen alle onderwijsprofessionals in het schoolteam deel te nemen aan de trajecten, met uitzondering van onderwijsprofessionals die een aanstelling hebben van minder dan één dag per week. Bij vestigingen waar op het moment van aanvraag meer dan tachtig onderwijsprofessionals werken, indien het een vestiging in het voortgezet onderwijs betreft, mogen maximaal drie schoolteams van minimaal veertig medewerkers deelnemen aan de trajecten.

  • 3. De subsidieontvanger is verplicht om de activiteiten uiterlijk in het kalenderjaar 2025 af te ronden.

  • 4. Voor subsidies vanaf € 125.000 geldt dat de subsidieontvanger op uiterlijk 1 juni van het jaar volgend op het laatste bestedingsjaar een eindverslag zendt over de gehele subsidieperiode aan de Minister. Het eindverslag bestaat uit een activiteitenverslag.

Artikel 10. Vaststelling en verantwoording

  • 1. Een subsidie waarbij het te verstrekken subsidiebedrag minder dan € 125.000,– bedraagt, wordt direct vastgesteld binnen 13 weken na indiening van de aanvraag.

  • 2. De verantwoording van de subsidie, als bedoeld in het eerste lid, geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, of overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs BES. Indien de activiteiten zijn uitgevoerd en aan alle verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

  • 3. In afwijking van artikel 9.1, vierde lid, van de Kaderregeling, wordt een subsidie waarbij het te verstrekken subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt, verleend binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag, en wordt vastgesteld binnen een jaar na de ontvangst van de verantwoording in de jaarverslaggeving over het laatste kalenderjaar van de activiteitenperiode. De Minister verleent bij het besluit tot verlening van de subsidie een voorschot van 100% dat in één keer wordt betaald.

  • 4. De verantwoording van de subsidie, als bedoeld in het derde lid, geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, of overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs BES. De verantwoording gaat vergezeld van een activiteitenverslag. Indien de activiteiten zijn uitgevoerd en aan alle verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

  • 5. De subsidieontvanger toont op verzoek van de Minister door middel van een activiteitenverslag aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn. In dit kader vindt in ieder geval een steekproefsgewijze controle door de Minister plaats. Subsidieontvangers verklaren wanneer zij binnen de steekproef vallen welke activiteiten zijn ondernomen met de subsidie.

Artikel 11. Betaling

  • 1. De Minister bepaalt bij subsidies als bedoeld in artikel 10, eerste lid, het betaalritme van het subsidiebedrag in de beschikking.

  • 2. De Minister verstrekt bij subsidies als bedoeld in artikel 10, derde lid, een voorschot van 100% dat wordt uitbetaald volgens een betaalritme dat in de beschikking wordt bepaald.

Artikel 12. Hardheidsclausule

De Minister kan één of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 13. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 25 april 2028 dien verstande dat de regeling van toepassing blijft ten aanzien van de subsidies die op grond van de regeling zijn verstrekt.

Artikel 14. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Ontwikkelkracht 2024/2025.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, M.L.J. Paul

TOELICHTING

Algemeen

Samenvatting

De Subsidieregeling Ontwikkelkracht 2024/2025 (hierna: de subsidieregeling) regelt de activiteiten waarvoor en de voorwaarden waaronder de Minister subsidie kan verstrekken aan vestigingen die deelnemen aan een of meerdere activiteiten die vanuit het programma Ontwikkelkracht worden aangeboden. De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: de Kaderregeling) en de Wet overige OCW-subsidies vormen de juridische grondslag voor deze subsidieregeling. Deze regeling borduurt voort op de huidige subsidieregeling Ontwikkelkracht, waarmee de eerste scholen die deelnemen binnen het programma in schooljaar 2023/2025 worden gesubsidieerd.

Inleiding

Nederland verdient het beste onderwijs. Op 14 april 2022 is door het kabinet bekendgemaakt dat het programma Ontwikkelkracht financiering ontvangt van het Nationaal Groeifonds1. Met de middelen uit het fonds wordt de komende jaren op grootschalige wijze geïnvesteerd in het lerend vermogen en de kennisinfrastructuur van het funderend onderwijs. Het programma is tot stand gekomen vanuit een brede coalitie van partijen uit het onderwijsveld en de wetenschap.

Als leraar wil je de beste ontwikkeling voor je leerlingen. En als schoolleiding wil je kwalitatief en passend onderwijs verzorgen. Vanuit betrokkenheid, ambitie en passie voor het vak. Maar de werkdruk in het onderwijs is hoog en kennis over wat werkt is niet altijd direct beschikbaar. Goede ideeën en ambities blijven daardoor al snel liggen. De leerprestaties van leerlingen staan onder druk, er is een toenemende kansenongelijkheid op de arbeidsmarkt en de interesse voor het beroep van leraar loopt terug.

Ontwikkelkracht start in de onderwijspraktijk en biedt ruimte, tijd en kennis om het vakmanschap te versterken door de kracht van de onderwijspraktijk te verbinden met inzichten uit onderzoek.

In een aanpak waar de leraar, schoolleider en leerling echt van profiteert. Daarbij staat co-creatie, een lerende aanpak en evidence-informed werken centraal en is het uitgangspunt altijd dat het van, met én voor de scholen is.

Vanuit het programma Ontwikkelkracht wordt vanaf 2023 de eerste vier jaar € 101 miljoen geïnvesteerd in het versterken van de kennisinfrastructuur voor het funderend onderwijs. Bij succes en doelmatige besteding wordt het totaal budget verhoogd naar € 332 miljoen over een periode van 10 jaar vanaf 2023. Dit bestaat uit vier pijlers:

  • 1. Het opzetten en versterken van een onderzoeks- en verbetercultuur op vestigingen.

  • 2. Het beter en makkelijker vinden en benutten van wat we al weten uit onderwijsonderzoek (kennisdeling).

  • 3. Het ontwikkelen van kansrijke aanpakken voor de grote onderwijsknelpunten in co-creatielabs samen met onderzoekers en onderwijsprofessionals.

  • 4. Het opzetten van een netwerk van expertscholen met expertschoolleiders en expertleraren. Expertscholen helpen andere vestigingen met het vinden van oplossingen voor knelpunten in het onderwijs door evidence-informed te werken.

Subsidieregeling voor vestigingen binnen het programma Ontwikkelkracht

De subsidieregeling heeft als doel vestigingen te ondersteunen in het versterken van een onderzoeks- en verbetercultuur, zodat vestigingen doorlopend en op basis van wat bekend is over effectieve aanpakken, hun onderwijs verbeteren. De subsidieregeling zorgt ervoor dat de uren die de deelnemende vestigingen binnen het programma Ontwikkelkracht maken, geheel of gedeeltelijk worden vergoed. Op die manier wordt er tijd vrijgemaakt zodat onderwijsprofessionals zich écht kunnen committeren aan het traject of project.

Proces

Een bevoegd gezag komt bij het programma Ontwikkelkracht met een specifieke vraag en neemt hiervoor contact op met het programmabureau. Wanneer de vraag hierop aansluit verwijst het programmabureau van het programma Ontwikkelkracht het bevoegd gezag door naar een van de opties die het programma Ontwikkelkracht biedt:

  • Kennis van effectieve onderwijspraktijken vinden? Het bureau verwijst door naar de Kennisrotonde, Onderwijskennis.nl of de nader te ontwikkelen interventiedatabank.

  • Aan de slag met een goed idee om het eigen onderwijs te verbeteren en al doende een onderzoeks- en verbetercultuur op school realiseren? Het bureau verwijst door naar de meest passende onderzoeks- en verbetercultuuraanpak en daar wordt een gesprek mee gevoerd. Vervolgens gaan de aanbieder en de school samen aan de slag om de ontwikkelvraag scherp te stellen en het proces tot deelname te doorlopen.

  • Een bewezen effectieve aanpak leren toepassen? Het bureau verwijst door naar een passende expertschool of aanbieder die de begeleiding kan bieden.

  • Zelf een expertschool worden? Het bureau adviseert over de voorwaarden voor selectie en ondersteunt.

  • Een kansrijke aanpak op het thema van een van de co-creatielabs met wetenschappers en onderwijsprofessionals verder helpen ontwikkelen en beschikbaar maken voor andere vestigingen? Doorverwijzing naar de beschikbare co-creatielabs waarin elk uiteindelijk 100 tot 200 vestigingen participeren. Elk lab is georganiseerd rondom een thema.

  • Voorziet een bestaand onderzoek- en ontwikkelnetwerk beter in de behoefte? Dan verwijst het programmabureau van het programma Ontwikkelkracht door naar deze netwerken en opleiders.

Nadat duidelijk is welk onderdeel van het programma Ontwikkelkracht het beste past bij de vraag van de vestiging, kan de desbetreffende vestiging een subsidieaanvraag indienen om te kunnen deelnemen aan dat traject. Afhankelijk van het traject waarvoor de vestiging subsidie aanvraagt, is het aanvraagformulier meer of minder uitvoerig. Sowieso vindt tijdens het beoordelen van de aanvraag de controle plaats of er contact heeft plaatsgevonden met het programmabureau. Ook zonder een subsidieaanvraag kunnen vestigingen participeren, zij ontvangen dan geen tegemoetkoming. Contact met het programmabureau en de eventuele gesprekken met de organisaties die de onderzoeks- en verbetercultuurtrajecten of co-creatielabs uitvoeren, is echter altijd nodig om te kunnen participeren.

Het programma Ontwikkelkracht is bedoeld voor alle vestigingen in het primair en voortgezet onderwijs in Nederland en Caribisch Nederland, waarbij beoogd wordt vestigingen te laten deelnemen met verschillende achtergronden en kenmerken op het gebied van onder andere geografie, grootte, denominatie, achterstandsscore en onderwijsconcept.

Verschillende manieren van participeren

Vestigingen kunnen op verschillende manieren participeren in het programma Ontwikkelkracht. Hieronder volgt een korte omschrijving van de manieren waarop de vestigingen kunnen deelnemen.

Belangrijke wijzigingen ten opzichte van schooljaar 2023/2024

De subsidieregeling regelt de aantallen scholen die in schooljaar 2024/2025 kunnen deelnemen, stelt de subsidieplafonds vast en is op een aantal punten gewijzigd ten opzichte van de huidige regeling. Bij de activiteiten die in schooljaar 2023/2024 ook in de regeling waren opgenomen zijn soms de voorwaarden aangescherpt of versimpeld op basis van de ervaringen in het eerste schooljaar. Nieuwe activiteiten betreffen de activiteiten die vestigingen gaan ondernemen als expertschool en de leertrajecten die vestigingen als ontwikkelschool bij de expertscholen gaan volgen. Tevens is de wederzijdse uitsluitingsgrond met de subsidieregelingen Verbetering basisvaardigheden voor prioriteitsscholen 2023 en Verbetering basisvaardigheden voor overige scholen 2023 uit de subsidieregeling verwijderd, zodat scholen die subsidie ontvangen in het kader van de basisvaardigheden ook kunnen deelnemen aan Ontwikkelkracht.

Onderzoeks- en verbetercultuurtraject
1. Deelname aan een onderzoeks-en verbetercultuurtraject

Wanneer een schoolteam een onderzoeks- en verbetercultuur wil realiseren waar de leerlingen van profiteren, en het team wil hier gedurende het traject in investeren, dan kan het team kiezen voor deelname aan een werkwijze gericht op het versterken van een onderzoeks- en verbetercultuur. Omdat het om een intensief traject gaat, checkt het programmabureau of de school aan een aantal basisvoorwaarden van deelname kan voldoen. Deze voorwaarden staan in artikel 5 van de subsidieregeling.

Er zijn meerdere aanbieders die binnen het programma Ontwikkelkracht met vestigingen werken aan de onderzoeks- en verbetercultuur. Op basis van de vraag van de vestiging en de beschikbare capaciteit bij de aanbieders kan het programmabureau een vestiging adviseren om voor een bepaalde aanbieder te kiezen. De aanbieders voeren ook een gesprek of gesprekken met een vestiging die interesse heeft in een traject. De school en aanbieder formuleren samen hun ontwikkelingsdoel en stellen een activiteitenplan op. Na toekenning van de subsidie begeleidt de aanbieder de school met de uitvoering van het activiteitenplan.

Bij grotere vestigingen in het vo is een schooljaar onvoldoende om het hele team te laten profiteren van het onderzoeks- en verbetercultuurtraject. Een cultuurverandering in grotere schoolorganisaties werkt het best met een gefaseerde aanpak, waarbij meerdere teams deels overlappend deelnemen in het verbetertraject. Daarom maakt de subsidieregeling het mogelijk dat bij vestigingen vanaf tachtig medewerkers maximaal drie teams van rond de veertig medewerkers subsidie kunnen aanvragen, binnen de termijn van twee schooljaren. Wanneer een vestiging groter is dan het maximum aantal teams dat gesubsidieerd kan deelnemen, kunnen de overige teams deelnemen op eigen kosten van de vestiging.

Als een vestiging deelneemt aan een onderzoeks- en verbetercultuurtraject, dan maakt zij tijd vrij conform het activiteitenplan zoals opgesteld door school en aanbieder voor de professionalisering van de lerarenteams en is verantwoordelijk voor het inroosteren van deze tijd. Daarnaast stelt de vestiging interne procesbegeleiders aan, die elk een lerarenteam begeleiden bij het traject. Deze procesbegeleiders en de schoolleiding vormen samen het implementatieteam van het traject en komen met regelmaat samen. De gemiddelde tijdbesteding op school is twee uur per werkweek per deelnemer in de vestiging waarbij de tijdsinvestering van de interne procesbegeleiders substantieel hoger ligt dan de tijdsinvestering van leraren en de schoolleiding).

2. Deelname aan bijeenkomsten

Als een vestiging deelneemt aan een onderzoeks- en verbetercultuurtraject, is het de bedoeling dat die vestiging ook deelneemt aan regionale kennisdelingsbijeenkomsten die de aanbieders van de trajecten organiseren. Zowel de interne procesbegeleiders als de schoolleiding van de desbetreffende vestigingen moeten hieraan deelnemen. De procesbegeleiders en schoolleiding bezoeken de regionale en landelijke kennisdelings- en inspiratiebijeenkomsten. Deze gaan zowel over het creëren van een onderzoeks- en verbetercultuur als over onderwijsinhoud.

Tijdens deze bijeenkomsten, waar mogelijk in samenwerking met expertscholen, wisselen interne procesbegeleiders en schoolleiders van vestigingen uit de regio ervaringen uit over hun traject, worden successen gevierd en helpt men elkaar om problemen te overwinnen rondom het proces van innoveren. Hierbij is primair aandacht voor het proces van het bouwen aan een onderzoeks- en verbetercultuur en de ontwikkelstappen met bijbehorend instrumentarium, maar ook aandacht voor de inhoudelijke kant van de verschillende trajecten. Verder is er ruimte voor kennisdeling door experts en ervaringsdeskundigen uit bestaande landelijke en regionale netwerken. Ook onderzoekers worden bij deze bijeenkomsten betrokken zodat wetenschap en praktijk elkaar kunnen versterken. Het leren van elkaar gebeurt sectoroverstijgend. Hierbij worden diverse werkvormen gebruikt waar goede resultaten mee zijn behaald. De intern procesbegeleiders en schoolleiders nemen inspiratie, nieuwe kennis en concrete acties terug mee naar school. Jaarlijks zijn er in totaal vier regionale bijeenkomsten.

Co-creatielabs

In de co-creatielabs werken onderwijsprofessionals en onderzoekers samen aan nieuwe effectieve aanpakken. De twee eerste co-creatielabs richten zich op taal en het duurzaam aantrekken, professionaliseren en behouden van leraren: het Taal Lab NL en het Teacher Lab NL. Education Lab Netherlands zet deze labs op en voert deze uit.

1. Deelname als co-creërende vestiging in een co-creatielab

Co-creërende vestigingen zijn vestigingen met leraren die aantoonbare expertise hebben op het thema van de co-creatielabs en bereid zijn deze expertise verder uit te bouwen in samenwerking met wetenschappers en expertleraren van andere vestigingen. De expertleraren van de deelnemende vestigingen krijgen een actieve rol in de co-creatie van effectieve aanpakken voor hun sector. Met andere expertleraren werken zij nauw samen met onderzoekers. Hun taken betreffen onder meer vraagarticulatie en diagnose van de uitdagingen waar het co-creatie lab zich op richt. Daarnaast ontwerpen ze in het lab in co-creatie effectieve aanpakken, proberen deze interventie op kleine schaal op de eigen vestiging en andere vestigingen uit in een pilot, evalueren de pilot en stellen de interventie in co-creatie bij.

Concreet betekent dit dat een co-creërende vestiging:

  • Organiseert dat onderwijsprofessionals worden vrijgemaakt om te participeren in het co-creatielab;

  • De schoolleider de participatie faciliteert en verbindt met het schoolbeleid;

  • De vestiging de verder ontwikkelde interventie in pilotvorm op de eigen vestiging implementeert;

  • De vestiging actief deelneemt aan de monitoring en evaluatie van de implementatie;

  • De deelnemende onderwijsprofessional de kennis over de ontwikkelde effectieve aanpakken deelt met andere vestigingen.

Uitgangspunt is dat co-creërende vestigingen drie schooljaren participeren in de labs. Daartoe wordt na ieder schooljaar een evaluatiegesprek gevoerd, waarvan een verslag moet worden ingediend bij de subsidieaanvraag voor het daaropvolgende schooljaar.

2. Deelname als deelnemende vestiging in een co-creatielab

Deelnemende vestigingen die participeren in een co-creatie lab nemen actief deel aan het traject van vraagarticulatie en denken mee over kansrijke aanpakken op het thema van het lab. Ze nemen actief deel aan de labdagen, waar ze praktijkexpertise inbrengen, bevindingen helpen duiden en meedenken over kansrijke aanpakken op het thema van het lab. Daarnaast denken ze mee over ontwerp van kansrijke pilots.

Concreet betekent dit dat een deelnemende vestiging:

  • Actief deelneemt aan de labdagen;

  • Actief deelneemt aan het traject van vraagarticulatie;

  • Meedenkt over relevante en kansrijke interventies;

  • Meewerkt aan het ontwerp van kansrijke interventies;

  • Bereid is in de toekomst een (deel van een) kansrijke interventie op de eigen vestiging uit te proberen;

  • Organiseert dat de deelnemende onderwijsprofessional de expertise op het thema van het lab deelt met de rest van het schoolteam;

  • De schoolleider de deelname faciliteert.

Expertscholen

Vanuit het programma Ontwikkelkracht wordt een netwerk van expertscholen opgebouwd. Deze vestigingen slagen erin om met effectieve aanpakken tot goede leerresultaten te komen en hun onderwijs duurzaam te verbeteren.

Vestigingen die al werken met een effectieve en wetenschappelijk-onderbouwde aanpak, dit cyclisch hebben geborgd en die bereid en in staat zijn dit over te dragen aan vestigingen die nog niet zover zijn, kunnen expertschool Ontwikkelkracht worden. Deze vestigingen worden ondersteund en gefaciliteerd om andere vestigingen te helpen deze aanpak te implementeren. Expertscholen zijn ambassadeur van evidence-informed werken en vervullen de rol van opleider voor andere vestigingen. Andere vestigingen die nog niet zover zijn kunnen dan leren ook op deze manier te gaan werken in de context van hun eigen vestiging. Zowel kennis als vaardigheden worden gedeeld.

1. Deelname aan een aspirant-traject om expertschool te worden

Als een vestiging is geselecteerd om aspirant expert-school te worden vormt de vestiging een expertteam, bestaande uit zowel de leraren die de aanpak dragen als de schoolleider en de intern begeleider (indien van toepassing). Dit team krijgt vanuit Ontwikkelkracht tijd en begeleiding om in een jaar tijd de aanpak deelbaar te maken en het jaar daarna teams van onderwijsprofessionals te begeleiden en te professionaliseren om die aanpak ook op hun vestiging te implementeren.

Dat betekent concreet dat het expertteam in het aspirant-jaar:

  • De aanpak borgt op de eigen vestiging. Dat betekent dat de aanpak/methodiek goed staat beschreven in de eigen schoolplannen en kwaliteitskaarten, dat de aanpak door de hele school consequent en consistent wordt uitgevoerd/ingezet.

  • De aanpak veralgemeniseert en op een heldere manier beschrijft. Wat zijn de werkzame elementen, wat is er voor nodig om die aanpak in te zetten en wat vraagt dat aan randvoorwaarden van de vestiging en vaardigheden van de leraren en schoolleiders die met de aanpak gaan werken.

  • De aanpak deelbaar maakt. Het expertteam maakt materialen voor het professionaliserings- en begeleidingsaanbod; filmen van lessen waarin de aanpak wordt ingezet om te gebruiken als voorbeeldles; selecteren van literatuur die leraren tot zich dienen te nemen om de aanpak in te kunnen zetten; maken van presentaties en readers.

2. Het begeleiden van een leertraject als Expertschool en het deelnemen aan dit leertraject als Ontwikkelschool

Als een aspirant-expertschool het eerste opleidingstraject succesvol heeft doorlopen en wanneer uit een evaluatie ook blijkt dat de aspirant-expertschool klaar is om als expertschool andere vestigingen te begeleiden, dan wordt de vestiging een expertschool voor die evidence-informed werkwijze of aanpak waar ze op zijn geselecteerd. Ze mogen zich vanaf dat moment Expertschool Ontwikkelkracht noemen en krijgen een vermelding op de website als Expertschool.

Het kernteam van een expertschool biedt een of meerdere leertrajecten aan in de regio waarmee andere vestigingen kennis kunnen nemen van de werkwijze of aanpak. De Ontwikkelscholen worden onder begeleiding van de expertschool in staat gesteld om de werkwijze of aanpak in hun eigen organisatie en context te implementeren. Vestigingen die een verbetervraag hebben die aansluit bij de aanpak van die expertschool kunnen zich intekenen voor het volgen van een leertraject. Naast het aanbieden van een of meerdere leertrajecten verzorgt de expertschool ook andere activiteiten om de expertise van de vestiging te delen. Hierbij kan gedacht worden aan sessies op congressen, lezingen, webinars of werkbezoeken.

De lerarenopleidingen, lectoren en onderwijswetenschappers zijn betrokken als experts/ondersteuners om het leertraject of de aangeboden kennisdeling nader vorm te geven en aan te scherpen.

Monitoring en evaluatie

Algemeen geldt dat, om de aanlevering van gegevens voor monitoring te vergemakkelijken, wordt geadviseerd om aan te sluiten bij het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO), waarbij deze gegevenslevering vergaand wordt geautomatiseerd.2 Om mee te doen aan de leergroei-rapportages van het NCO kan voor het primair onderwijs gebruik worden gemaakt van de leerlingvolgsystemen van Cito, ParnasSys en ESIS. De toetsen in het primair onderwijs die gebruikt kunnen worden zijn de toetsen van Cito, IEP, Boom en Diataal. Voor het voortgezet onderwijs kan worden aangesloten bij de pilot ‘Leergroei in het VO’, het betreft hier toetsen van Cito. Deelname aan NCO is nadrukkelijk niet verplicht, maar het verlaagt de werkdruk en administratieve lasten van de aanvragen significant. Daarnaast kunnen aanvullende gegevens opgevraagd worden, dit verschilt per traject. Zo dienen vestigingen in de co-creatielabs nadrukkelijk mee te werken aan monitoring en evaluatie van effectieve aanpakken die op hun vestiging worden gepilot of onderzocht. De vestiging ontvangt in de subsidiebeschikking nadere informatie over hoe deze gegevens kunnen worden aangeleverd en welke gegevens het betreft.

Regeldruk

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

Bij het opstellen van de subsidieregeling is in het oog gehouden dat de regeling geen onnodige regeldruk mag veroorzaken. Voor deze subsidieregelregeling is daarom een vereenvoudigde aanvraagprocedure ontwikkeld, waarbij vestigingen begeleid worden in de keuzes die zij kunnen maken voor trajecten binnen het programma Ontwikkelkracht. Vanuit DUS-I wordt een digitaal aanvraagformulier beschikbaar gesteld waarin een deel van de gegevens vooraf is ingevuld.

Algemeen geldt dat met name het proces voorafgaand aan het indienen van de aanvraag een tijdsinvestering van de vestiging vraagt en belangrijk is: de vestiging moet kennisnemen van het programma Ontwikkelkracht en haar verschillende activiteiten en voert een of meerdere gesprekken, voordat de vestiging een aanvraag indient: de uiteindelijke aanvraag is het sluitstuk van dit proces. De regeling is gebaseerd op de gedachte dat er per vestiging een minimum aantal onderwijsprofessionals deelneemt en op basis daarvan, krijgt de vestiging één bedrag: deze tegemoetkoming is bedoeld om vestingen de financiële ruimte te geven om onderwijsprofessionals tijd te geven om deel te kunnen nemen aan het programma. Het is mogelijk dat door onvoorziene omstandigheden, vestigingen toch niet aan het minimaal aantal deelnemers voldoet. Hier zal bij de steekproeven en verantwoording in alle billijkheid en redelijkheid naar worden gekeken. Bij een afwijking van meer dan twee personen meldt het bevoegd gezag dit bij de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I). Uitgangspunt blijft dat het bevoegd gezag ervoor zorg draagt dat voldoende onderwijsprofessionals blijven participeren, door bijvoorbeeld bij uitval te vervangen. Er wordt geen financieel verslag verwacht van de vestigingen.

Tijdsinvestering

Voor de subsidies geldt dat er verschillende activiteiten bij de aanvraag komen kijken. De aanvraag moet worden ingediend. Voor het indienen van een aanvraag moet er een gesprek worden gevoerd met het programmabureau of een bijeenkomst worden bijgewoond, dat geraamd wordt op twee uur, inclusief voorbereiding. Daarnaast vindt voor sommige trajecten nog een gesprek of vinden nog gesprekken met de aanbieder/begeleider van dat traject plaats, dat geraamd wordt op drie uur: dit geldt voor vestigingen die deel willen nemen als (aspirant-)expertschool, in een co-creatielabs of een onderzoeks-en verbetercultuurtraject. Dit tweede contact bestaat uit een (kennismakings)gesprek en voor de onderzoeks-en verbetercultuurtrajecten ook een draagvlakbijeenkomst met het schoolteam. Voor het indienen van een subsidieaanvraag wordt de tijdbesteding geschat op gemiddeld twee uur.

Het kennisnemen van de subsidiabele activiteiten wordt geraamd op twee uur. De verantwoording door middel van het jaarverslag wordt geschat op twee uur. Monitoring wordt geschat op zes uur wanneer wordt deelgenomen aan NCO en ongeveer twintig tot veertig uur wanneer niet wordt deelgenomen aan NCO; dit zal niet voor elk traject nodig zijn en zal voor vestigingen duidelijk worden ten tijde van het gesprek met het programmabureau.

Daarnaast dienen vestigingen mee te werken aan aparte monitoring of evaluatie- onderzoeken zoals bij de co-creatielabs en een onderzoeks- en verbetercultuurtraject. Voor deelname aan een onderzoeks- en verbetercultuurtraject dienen de vestigingen een activiteitenverslag voor 1 oktober van het desbetreffende kalenderjaar op te sturen. De tijdbesteding hiervoor wordt geschat op gemiddeld vier uur.

Voor veel activiteiten binnen het programma Ontwikkelkracht geldt dat dit activiteiten zijn die vestigingen normaliter ook verrichten, denk hierbij aan het professionaliseren van de onderwijsprofessionals en het opstellen van het jaarverslag. Hier bovenop wordt binnen het programma Ontwikkelkracht aanwezigheid tijdens bijeenkomsten en cursussen verwacht: dit is geen onderdeel van ‘business as usual’. Daarnaast wordt verwacht dat vestigingen actief meewerken aan onderzoeken en evaluatie.

De lasten voor de maatschappij die met een aanvraag en toekenning van de subsidie zijn gemoeid zijn in totaal 14 tot 21 uur, afhankelijk van de soort activiteiten waarvoor een subsidie wordt aangevraagd. Wanneer geen gebruik wordt gemaakt van monitoring middels het NCO geldt dat hier nog uren bij moeten worden opgeteld. Uitgaande van een uurtarief van € 54,– is dat € 756,– tot € 1.134,– per toekenning voor de subsidie. In het schooljaar 2024/2025 kunnen er ongeveer 305 vestigingen participeren.

Hieronder wordt per activiteit weergegeven wat de ureninvestering is. De totale jaarlijkse regeldrukkosten bedragen € 645.624,–. Dit behelst ongeveer 4.87 procent van het totale subsidiebedrag voor het schooljaar 2024/2025.

Activiteit/traject

Aanvraagactiviteiten

Ureninvestering

Bedrag per aanvraag

Elk traject

• Gesprek programmabureau (2 uur)

• Kennisneming subsidiabele activiteiten (2 uur)

• Indienen subsidieaanvraag (2 uur)

• Verantwoording d.m.v. jaarverslag (2 uur)

• (deelname aan) monitoring (6 uur)

14

€ 756,–

Aspirant expertscholen-traject, begeleid door programmabureau

 

14

€ 756,–

Deelname aan een leertraject van een Expertschool door een Ontwikkelschool

+ gesprek met de expertschool

3

€ 162,–

Deelname aan een onderzoeks- en verbetercultuurtraject, inclusief het bijwonen van een bijeenkomst

+ gesprekken aanbieder traject (3 uur)

+ activiteitenverslag (4 uur)

21

€ 1.134,–

Deelname als een co-creërende vestiging in een co-creatielab

+ gesprek aanbieder co-creatielab (3 uur)

17

€ 918,–

Deelname als een deelnemende vestiging in een co-creatielab

+ gesprek aanbieder co-creatielab (3 uur)

17

€ 918,–

Aanbieden van een of meerdere leertrajecten en begeleiden van Ontwikkelscholen

+ gesprek met programmabureau coördinatie expertscholen

3

€ 162,–

Uitvoeringstoets

Deze regeling is voorgelegd aan DUS-I. Zij geven een positief advies voor de uitvoering. Wel geven zij aan dat de regeling veel variabelen heeft en de uitvoering van de regeling complex zal zijn. Doordat aanvrager eerst in gesprek dienen te gaan met het programmabureau, zullen zij geïnformeerd een aanvraag kunnen indienen. De website en formulieren op het portaal van DUS-I zullen bijdragen aan het in goede banen leiden van de aanvragen.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel 3. Doel van de regeling en te subsidiëren activiteiten

De subsidieregeling heeft als doel vestigingen te ondersteunen in het versterken van een onderzoeks- en verbetercultuur, zodat vestigingen doorlopend en op basis van wat bekend is over effectieve aanpakken, hun onderwijs verbeteren. Afhankelijk van de activiteit, worden de uren die het deelnemend onderwijspersoneel besteedt aan de activiteit, voor de helft of geheel vergoed. In het geval dat de uren voor de helft worden vergoed, dient het bevoegd gezag de andere helft voor haar rekening te nemen.

Artikel 4. Aanvraag subsidie

Het bevoegd gezag dient een subsidieaanvraag per vestiging of voor meerdere vestigingen in. De planvorming, uitvoering en monitoring vindt (zoveel mogelijk) op vestigingsniveau plaats.

In beginsel volgt elke aanvraag ná een verkennend gesprek met het programmabureau. Indien voor de eerste keer subsidie voor de betreffende vestiging wordt aangevraagd geeft het bevoegd gezag in dit verkennende gesprek aan welke behoefte en vraag er bij de vestiging(en) leeft en het programmabureau helpt deze hulpvraag te specificeren en duiden. Het programmabureau verwijst na het gesprek eventueel door naar een aanbieder/organisatie die activiteiten verzorgt binnen het programma Ontwikkelkracht: dit geldt voor de deelname in de co-creatielabs of het deelnamen aan een onderzoeks- en verbetercultuurtraject. Met die organisaties wordt nog een gesprek of meerdere gesprekken gevoerd.

Indien subsidie wordt aangevraagd voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d of f, door een vestiging die in schooljaar 2023/2024 heeft deelgenomen als een co-creërende vestiging in een co-creatielab of aan het aspirant-traject expertscholen, heeft het gesprek de strekking van een evaluatiegesprek en vindt deze plaats met het Education Lab Netherlands respectievelijk het programmabureau.

De subsidie voor het deelnemen als een co-creërende vestiging in een co-creatielab kan tevens worden verstrekt aan de penvoerder. De penvoerder treedt op namens de samenwerking. De penvoerder is verantwoordelijk voor de aanvraag en verantwoording van de subsidie. Op de penvoerder rusten ook alle verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden.

Een aanvraag wordt buiten behandeling gesteld, mits de aanvrager in de gelegenheid is gesteld om de onvolledige aanvraag binnen een redelijk termijn aan te vullen.

Aanvragen worden gedaan door middel van een aanvraagformulier. Een bevoegd gezag kan voor verschillende activiteiten een subsidieaanvraag indienen. Sommige activiteiten kunnen niet gelijktijdig gecombineerd worden aangevraagd.

Artikel 5. Aanvraagvereisten

Het bevoegd gezag dient te voldoen aan de voorwaarden en dient een activiteitenplan (plan van aanpak) in.

De aanvraagvereisten variëren per activiteit binnen het programma Ontwikkelkracht, omdat de intensiteit van de trajecten van elkaar verschilt, alsook de doelgroep scholen. De onderzoeks- en verbetercultuurtrajecten zijn bijvoorbeeld gericht op scholen die op dat gebied zich nog willen ontwikkelen. Wanneer scholen een dergelijke cultuur al hebben, dan is het interessant voor hen om bijvoorbeeld als co-creërende vestiging mee te doen in een co-creatielab, of zich te ontwikkelen tot Expertschool. Bij de aanvraagvereisten voor alle activiteiten wordt specifiek aandacht gericht op de betrokkenheid of het commitment van schoolleiding en het bestuur bij het traject. Vestigingen dienen dit aannemelijk te maken in het activiteitenplan, omdat dit als belangrijke voorwaarde wordt gezien voor het doen slagen van de gewenste ontwikkeling die Ontwikkelkracht beoogt.

Aspirant-expertscholen die door willen gaan als expertschool en daarmee in het schooljaar 2024/2025 andere vestigingen willen begeleiden, moeten aan het begin van het nieuwe schooljaar voorafgaand aan de aanvraag een evaluatiegesprek voeren en het verslag daarvan indienen bij de subsidieaanvraag.

Bij co-creërende vestigingen wordt ook gevraagd een evaluatieverslag van het schooljaar 2023/2024 in te dienen bij de aanvraag voor het schooljaar 2024/2025, wanneer zij in het schooljaar 2023/2024 zijn gestart en willen blijven participeren in het co-creatielab.

Artikel 6. Weigeringsgronden

In artikel 6 wordt gesteld dat een bevoegd gezag geen subsidie voor een vestiging krijgt toegekend als die vestiging al participeert binnen een ander onderzoeks- en verbetercultuurtraject. Daarmee wordt zowel een ander onderzoeks- en verbetercultuurtraject binnen als buiten het programma Ontwikkelkracht bedoeld. Zo begeleiden verschillende aanbieders een onderzoeks- en verbetercultuurtraject aan binnen het programma Ontwikkelkracht en mag een vestiging niet deelnemen aan meerdere trajecten. Tevens is het mogelijk dat een vestiging al aan een onderzoeks-en verbetercultuurtraject buiten het programma Ontwikkelkracht deelneemt. Als dat traject zich richt op het opbouwen of versterken van de onderzoeks- en verbetercultuur binnen die vestiging, kan die vestiging niet ook nog deelnemen in een dergelijk traject binnen het programma Ontwikkelkracht.

Voor enkele activiteiten wordt een oordeel voldoende, afgegeven door de Inspectie voor het Onderwijs, als voorwaarde gesteld om deel te mogen nemen aan die activiteiten binnen het programma Ontwikkelkracht. Hierbij worden de kaders van de Inspectie voor het Onderwijs gehanteerd.

Een aanvraag zonder een voorafgaand gesprek met het programmabureau van het programma Ontwikkelkracht en waar van toepassing de gesprekken met een aanbieder die activiteiten verzorgt binnen het programma Ontwikkelkracht, wordt afgewezen. In artikel 6 staan tevens de combinaties van activiteiten vermeld die niet gezamenlijk voor een vestiging aangevraagd kunnen worden. Combinaties die niet vermeld staan, kunnen zodoende wel voor een vestiging aangevraagd worden.

Artikel 7. Subsidieplafonds en maximaal aantal deelnemende vestigingen per jaar

In de regeling is per type activiteit een subsidieplafond ingebouwd.

Artikel 8. Subsidiebedrag

Vestigingen krijgen een tegemoetkoming voor uren die de onderwijsprofessionals besteden aan activiteiten binnen het programma Ontwikkelkracht. Voor het volgen van cursussen, leertrajecten of het deelnemen aan verbetercultuurtrajecten wordt 50% van de uren vergoed. De hiervoor gehanteerde tarieven zijn gewogen standaard tarieven binnen het onderwijsdomein: € 53 per uur. Wanneer onderwijspersoneel zelf andere onderwijsprofessionals traint, zoals door expertscholen wordt gedaan, worden de volledige uren vergoed. Co-creërende vestigingen in de co-creatielabs krijgen hun ureninzet volledig vergoed. Ook wanneer vestigingen het aspirant traject volgen om expertschool te worden of wanneer zij als expertschool andere scholen begeleiden, worden de volledige uren vergoed.

Hieronder staat de berekening die onder het subsidiebedrag dat per vestiging per jaar kan worden aangevraagd, ligt. Belangrijk hierbij is dat het genoemde aantal personen en dagen per personen per vestiging gaat om een minimum aantal personen; dit aantal personen dient deel te nemen en voor dit aantal krijgt de vestiging een subsidie. In de praktijk kan het zijn dat per traject meer personen participeren, maar dat is niet van invloed op de hoogte van de subsidie die de vestiging ontvangt. Wanneer door (onvoorziene) omstandigheden als ziekte, ontslag/vertrek of een klein personeelsbestand, bij een activiteit de desbetreffende vestiging toch niet aan het minimaal aantal personen komt, zal hier in redelijkheid en billijkheid naar worden gekeken. Het streven blijft dat het vermelde minimaal aantal personen in artikel 9 wordt behaald. Bij afwijking van meer dan 2 personen, meldt het bevoegd gezag dit sowieso bij DUS-I (meldingsplicht).

Voor de vergoeding aan vestigingen die deelnemen als Expertschool geldt dat deze een basissubsidie krijgen voor hun activiteiten als Expertschool, en dat zij een variabele subsidie krijgen die afhangt van het aantal Ontwikkelscholen dat de Expertschool begeleidt. Hiervoor geldt een maximum van zes Ontwikkelscholen per Expertschool. De Expertschool beschrijft in haar eigen activiteitenplan voor hoeveel Ontwikkelscholen ruimte is in een leertraject. De uiteindelijke subsidie aan de Expertschool wordt vastgesteld op basis van het aantal Ontwikkelscholen dat subsidie aanvraagt voor een leertraject bij deze Expertschool.

Traject

subsidie

bedrag per vestiging voor schooljaar 2024/2025

Maximaal aantal vestigingen voor schooljaar 2024/2025

Minimaal aantal personen per vestiging

Minimaal aantal dagen1 per persoon per vestiging voor schooljaar 2024/2025

Percentage tegemoetkoming

1. Deelname aan het aspirant-traject expertscholen

€ 71.126

10

4

Traject: 25

100%

2. Deelname aan een onderzoeks- en verbetercultuurtraject, inclusief het bijwonen van een bijeenkomst

€ 34.980 (PO)

€ 93.280 (VO)

80 (PO)

80 (VO)

15 (PO)

40 (VO)

Bijeenkomst: 1

Traject: 10

Bijeenkomst: 50%

Traject: 50%

3. Deelname aan een leertraject van een expertschool, als een ontwikkelschool

€ 21.200 (PO)

€ 21.200 (VO)

12 (PO)

18 (VO)

5

 

Traject: 50%

4. Deelname als een co-creërende vestiging in een co-creatielab

€ 83.329

10

22

(in totaal 1 FTE per vestiging)

100%

5. Deelname als een deelnemende vestiging in een co-creatielab

€ 4.166

90

1

0,1 FTE

50%

6. Aanbieden van leertrajecten aan ontwikkelscholen als expertschool.

86.496

5

4

   

NB. Ontwikkelscholen die deelnemen aan een leertraject kunnen zelf de tijd verdelen die in het leertraject gestoken wordt. Bij de vergoeding wordt uitgegaan van 800 uur per ontwikkelschool. Dat kan ingezet worden door vijf personen 160 uur te laten deelnemen, of tien personen 80 uur.

X Noot
1

Bij een dag wordt uitgegaan van 8 uur per dag.

X Noot
2

De bedoeling is dat er tussen de twee en vijf personen per vestiging of per samenwerking deelnemen als een co-creërende vestiging in een co-creatielab.

Artikel 9. Subsidieverplichtingen

Vestigingen co-financieren deelname aan effectief bewezen leertrajecten, onderzoeks- en verbetercultuurtrajecten en als deelnemende school in de co-creatie labs. Zij krijgen namelijk een tegemoetkoming voor 50 procent van de te investeren uren. Er zijn geen andere partijen die financieel bijdragen aan dit voorstel. Vestigingen die zelf een dienst leveren aan andere vestigingen als een expertschool of deelnemen als co-creërende vestiging in een co-creatielab ontvangen een 100% vergoeding.

Op grond van de artikel 5.4 van de Kaderregeling zijn subsidieontvangers verplicht om mee te werken aan door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de ontwikkeling van het beleid van de Minister. In het kader van deze subsidieregeling zal een evaluatieonderzoek worden uitgevoerd, in welk kader het bevoegd gezag verplicht zal worden om geanonimiseerde gegevens over bijvoorbeeld de leerprestaties van leerlingen aan te leveren; dat zal niet in elk traject van toepassing zijn. Er worden in sommige trajecten gegevens gevraagd op leerlingenniveau die een groei in (vaardigheid)scores aantonen. Hierbij hoort eventueel ook een nulmeting.

De vestigingen zijn verplicht om mee te werken aan de beantwoording van vragen en het aanleveren van gegevens in het kader van de monitoring en evaluatie van de subsidieregeling of aan de Minister op diens verzoek. De vestigingen maken gebruik van kennisproducten die in de andere onderdelen van het programma Ontwikkelkracht worden ontwikkeld. Vestigingen die deelnemen aan een onderzoeks- en verbetercultuurtraject sturen elk jaar dat zij deelnemen, voor 1 oktober een activiteitenverslag op.

De subsidiabele activiteiten dienen uiterlijk binnen het kalenderjaar 2025 zijn afgerond.

Artikel 10. Vaststelling en verantwoording

Verantwoording van deze middelen vindt plaats door middel van de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1.

De subsidieontvanger toont op verzoek van de Minister door middel van een activiteitenverslag aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn. Dit zal worden gecontroleerd door middel van een steekproef. Daarbij dienen subsidieontvangers te verklaren welke activiteiten zij hebben ondernomen met de subsidie.

Artikel 12. Hardheidsclausule

De hardheidsclausule is opgenomen om de Minister de mogelijkheid te geven om in individuele gevallen van de regeling af te wijken. Om voor toepassing van de hardheidsclausule in aanmerking te komen, moet de toepassing van de regeling zelf in de eerste plaats tot een onbillijkheid van overwegende aard leiden. In de tweede plaats moet de toepassing van de hardheidsclausule het doel van de regeling dienen. Toepassing van de hardheidsclausule betreft een discretionaire bevoegdheid, waar zeer terughoudend gebruik van zal worden gemaakt. De aanvrager zal in ieder geval moeten aantonen dat zijn situatie zich onderscheidt van die van anderen. Er moet dus sprake zijn van bijzondere omstandigheden.

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, M.L.J. Paul

Naar boven