Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| overig | Staatscourant 2024, 13992 | overige overheidsinformatie |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| overig | Staatscourant 2024, 13992 | overige overheidsinformatie |
Op 25 maart 2024 heeft de gerechtsvergadering van de Hoge Raad de onderstaande wijziging van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden vastgesteld. De wijziging treedt op 1 april 2024 in werking.
I. Onderdeel c van artikel 1.1.6. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden luidt als volgt:
c. van het beroep in cassatie, vermeld in artikel 16.90 Omgevingswet;
II. Hoofdstuk 3 van het van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden luidt als volgt:
Hoofdstuk 3 Civiele zaken
Paragraaf 3.1 Vorderingszaken
3.1.1. Reikwijdte
3.1.1.1. Deze paragraaf heeft betrekking op de wijze van procederen en de voortgang van het geding in cassatie in alle vorderingszaken als bedoeld in artikel 396 lid 1 Rv.
3.1.2. Onvoorziene gevallen
3.1.2.1. In alle gevallen waarop deze paragraaf betrekking heeft en waarin deze paragraaf niet voorziet, beslist de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de procureur-generaal, overeenkomstig de eisen van een goede procesorde, zo mogelijk nadat de betrokken partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken.
3.1.3. Algemene aspecten van de zaaksbehandeling
3.1.3.1. De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15a van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van dit reglement om 10.00 uur. Op de voorafgaande werkdag ligt dit overzicht vanaf 15.00 uur ter inzage bij de centrale balie van de Hoge Raad.
3.1.3.2. De beslissingen van de enkelvoudige civiele kamer worden aangetekend op het in artikel 3.1.3.1. bedoelde overzicht, tenzij hierna anders is bepaald of de enkelvoudige civiele kamer op verzoek van de procureur-generaal, op verzoek van partijen of ambtshalve besluit dat een beslissing schriftelijk zal worden genomen. Het overzicht waarop die beslissingen zijn aangetekend, ligt op de vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van dit reglement vanaf 15.00 uur ter inzage bij de centrale balie van de Hoge Raad.
3.1.3.3. De enkelvoudige civiele kamer kan een zaak ter verdere behandeling en beslissing verwijzen naar de meervoudige kamer.
3.1.3.4. Berichten en documenten die strekken tot het verrichten van een proceshandeling op een vrijdag zoals vermeld in hoofdstuk 1 van dit reglement, worden in het webportaal geplaatst bij voorkeur op de voorafgaande werkdag vóór 15.00 uur, doch uiterlijk op de desbetreffende vrijdag vóór 10.00 uur.
3.1.3.5. Berichten en documenten ter voorbereiding van een door de enkelvoudige civiele kamer op een vrijdag zoals vermeld in hoofdstuk 1 van dit reglement te nemen beslissing, waaronder (schriftelijke) verzoeken, worden in het webportaal geplaatst bij voorkeur vóór 15.00 uur op de voorafgaande werkdag, doch uiterlijk vóór 10.00 uur op de desbetreffende vrijdag.
3.1.3.6. Beslissingen van de Hoge Raad, de enkelvoudige civiele kamer en de griffier worden in het webportaal geplaatst.
3.1.4. Aanbrengen van een zaak
3.1.4.1. Het aanbrengen van een nieuwe zaak geschiedt door indiening van de procesinleiding in het webportaal.
3.1.4.2. Bij de procesinleiding worden gevoegd:
a. de uitspraak of uitspraken waartegen beroep in cassatie wordt ingesteld;
b. de uitspraak of uitspraken in eerste aanleg;
c. de aanbiedingsbrief, waarvan een model als bijlage aan dit reglement is gehecht;
d. in voorkomend geval: een afschrift van het bewijs van toevoeging.
3.1.4.3. Uitspraken uit de vorige instanties zijn niet voorzien van aantekeningen of markeringen van anderen dan van die instantie.
3.1.4.4. In de procesinleiding wordt de verweerder, bij de aanduiding van de toepasselijke termijn waarbinnen hij kan verschijnen, erop gewezen dat de enkelvoudige civiele kamer de zaken, vermeld op het in artikel 15a van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, behandelt op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van dit reglement om 10.00 uur.
3.1.4.5. Na ontvangst van de procesinleiding plaatst de griffier een oproepingsbericht als bedoeld in artikel 407a Rv in het webportaal en plaatst de griffier de zaak als nieuwe zaak op het overzicht van zaken dat op de eerstvolgende vrijdag als vermeld in hoofdstuk 1 van dit reglement om 10.00 uur wordt behandeld.
3.1.5. Niet verschijnen van een of meer verweerders
3.1.5.1. Indien een verweerder niet verschijnt op de dag waarop hij ten laatste kan verschijnen, wordt een datum bepaald voor conclusie op verstek. Deze datum ligt op de eerstvolgende vrijdag als vermeld in hoofdstuk 1 van dit reglement na de dag waarop de verweerder ten laatste kan verschijnen.
3.1.5.2. Het bericht dat zich voor de verweerder een advocaat bij de Hoge Raad stelt, is van belang voor de voorbereiding van de conclusie van de procureur-generaal omtrent verstekverlening, die wordt genomen op een vrijdag zoals vermeld in hoofdstuk 1 van dit reglement. Daarom dient dat bericht in het webportaal te worden geplaatst zo spoedig mogelijk nadat die advocaat bij de Hoge Raad ermee bekend is dat hij zich in de zaak zal stellen.
3.1.5.3. Indien de procureur-generaal concludeert tot het verlenen van verstek, beslist de enkelvoudige civiele kamer in beginsel dadelijk.
3.1.5.4. Een advocaat bij de Hoge Raad die een niet verschenen verweerder bijstaat, kan in het webportaal van de Hoge Raad het verloop van de procedure volgen.
3.1.6. Verweerschrift
3.1.6.1. De verweerder die verschijnt en het verschuldigde griffierecht heeft voldaan, kan dadelijk zijn verweerschrift indienen.
3.1.6.2. Wordt het verweerschrift niet dadelijk bij verschijning ingediend, dan wordt voor de indiening van het verweerschrift een termijn van vier weken verleend. Indiening geschiedt niet dan nadat de verweerder het verschuldigde griffierecht heeft voldaan.
3.1.7. Incidenteel beroep
3.1.7.1. Gelijktijdig met de indiening van het verweerschrift kan incidenteel beroep worden ingesteld.
3.1.7.2. De eisende partij in het principale beroep krijgt desgevraagd een termijn van ten hoogste vier weken voor verweerschrift in het incidentele beroep.
3.1.7.3. Indien de verweerder, na zuivering van het verstek terwijl al een datum voor schriftelijke toelichting of pleidooi is bepaald, (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep instelt, geldt als uitgangspunt dat het instellen van (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep in strijd is met de eisen van een goede procesorde indien het (voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep niet ten minste vier weken voorafgaand aan de voor schriftelijke toelichting of pleidooi bepaalde datum is ingesteld.
3.1.8. Art. 80a RO
3.1.8.1. Indien aan de hand van de procesinleiding en de daarbij gevoegde berichten en documenten wordt geoordeeld dat geen toepassing wordt gegeven aan artikel 80a RO, deelt de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de procureur-generaal, dit mede in beginsel op de derde vrijdag volgend op de vrijdag na de indiening van de procesinleiding.
3.1.8.2. In plaats van de in artikel 3.1.8.1. bedoelde mededeling kan de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de procureur-generaal, mededelen dat aan de hand van de dossiers uit de vorige instantie(s) zal worden onderzocht of toepassing dient te worden gegeven aan artikel 80a RO. De enkelvoudige civiele kamer verleent aan de procureur-generaal een termijn van ten minste twee weken om blijk te geven van zijn standpunt over de toepasselijkheid van artikel 80a RO.
3.1.8.3. Indien de procureur-generaal in een schriftelijke conclusie van zijn standpunt heeft blijk gegeven, bepaalt de Hoge Raad een datum waarop wordt geconstateerd of partijen op de voet van artikel 44 lid 3 Rv schriftelijk commentaar hebben gegeven op de conclusie. Deze datum ligt op een vrijdag ten minste drie weken na de conclusie. De inhoud van een in het webportaal geplaatst schriftelijk commentaar op de conclusie is niet zichtbaar voor afloop van de in artikel 44 lid 3 Rv genoemde termijn. De termijn voor het geven van het schriftelijk commentaar als bedoeld in artikel 44 lid 3 Rv kan op grond van bijzondere omstandigheden worden verlengd. Indien de spoedeisendheid van de zaak dit vordert kan de enkelvoudige civiele kamer een kortere termijn bepalen voor het geven van het schriftelijk commentaar.
3.1.8.4. De uitspraak waarin toepassing wordt gegeven aan artikel 80a RO wordt aangetekend op het in artikel 15a van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken en geplaatst in het webportaal.
3.1.8.5. Indien geen toepassing wordt gegeven aan artikel 80a RO, stelt de Hoge Raad de verschenen partijen in de gelegenheid om voort te procederen. Iedere verschenen partij kan de enkelvoudige civiele kamer verzoeken een datum te bepalen voor schriftelijke toelichting of pleidooi, of een datum voor een deels schriftelijke en deels mondeling bij pleidooi te geven toelichting.
3.1.9. Schriftelijke toelichting
3.1.9.1. De schriftelijke toelichting dient, door partijen gelijktijdig, gegeven te worden op de daartoe bepaalde datum.
3.1.9.2. De enkelvoudige civiele kamer kan aan beide partijen uitstel verlenen op grond van bijzondere omstandigheden, indien daarom door een partij of door beide partijen uiterlijk één week voor de vastgestelde datum gemotiveerd is verzocht.
3.1.9.3. De inhoud van een in het webportaal geplaatste schriftelijke toelichting is niet zichtbaar vóór 10.00 uur op de voor het geven van de schriftelijke toelichting bepaalde datum.
3.1.9.4. Na het geven van de schriftelijke toelichting krijgen partijen desgewenst gelegenheid tot gelijktijdige repliek en dupliek.
3.1.9.5. Voor repliek en dupliek wordt een termijn van twee weken gegeven. Deze termijn kan alleen onder bijzondere omstandigheden worden verlengd.
3.1.9.6. De inhoud van een in het webportaal geplaatste repliek of dupliek is niet zichtbaar vóór 10.00 uur op de voor repliek en dupliek bepaalde datum.
3.1.10. Pleidooi
3.1.10.1. Partijen kunnen een (gemotiveerd) verzoek indienen tot het houden van een pleidooi. De pleidooien worden – na voorafgaand overleg met de procureur-generaal – bepaald op of omstreeks de datum waarop anders de datum voor de schriftelijke toelichting zou zijn vastgesteld.
3.1.10.2. Voor de pleidooien wordt voor iedere partij ten hoogste dertig minuten gereserveerd. Indien de verwachting bestaat dat meer tijd nodig zal zijn, dient daartoe uiterlijk twee weken voor de datum van het pleidooi onder opgave van reden toestemming te worden gevraagd aan de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan het pleidooi wordt gehouden.
3.1.10.3. Partijen krijgen tijdens de pleidooizitting de gelegenheid voor mondelinge repliek en dupliek.
3.1.11. Incidentele vorderingen
3.1.11.1. Incidentele vorderingen worden ingesteld bij conclusie.
3.1.11.2. De enkelvoudige civiele kamer geeft aan de verweerder in het incident desgevraagd een termijn van twee of vier weken voor verweerschrift in het incident.
3.1.11.3. Behoudens bijzondere omstandigheden en onverminderd het bepaalde in artikel 415 lid 2 Rv wordt geen gelegenheid geboden voor schriftelijke toelichtingen.
3.1.11.4. Na afronding van de procedure in het incident wordt de zaak een week aangehouden voor bepaling van de datum van de conclusie van de procureur-generaal.
3.1.11.5. Nadat de procureur-generaal heeft geconcludeerd, wordt de zaak verwezen naar de meervoudige kamer voor de beslissing in het incident.
3.1.11.6. Partijen kunnen op de voet van artikel 44 lid 3 Rv schriftelijk commentaar op de conclusie geven binnen twee weken nadat de conclusie is genomen. De enkelvoudige civiele kamer bepaalt een datum waarop wordt geconstateerd of partijen op de voet van artikel 44 lid 3 Rv schriftelijk commentaar hebben gegeven op de conclusie. Deze datum ligt op een vrijdag ten minste drie weken na de conclusie. De inhoud van een in het webportaal geplaatst schriftelijk commentaar op de conclusie is niet zichtbaar voor afloop van de in artikel 44 lid 3 Rv genoemde termijn. De termijn voor het geven van het schriftelijk commentaar als bedoeld in artikel 44 lid 3 Rv kan op grond van bijzondere omstandigheden worden verlengd. Indien de spoedeisendheid van de zaak dit vordert kan de enkelvoudige civiele kamer een kortere termijn bepalen voor het geven van het schriftelijk commentaar.
3.1.12. Spoedbehandeling
3.1.12.1. Indien partijen dat wensen, kan de procedure in cassatie worden verkort door de schriftelijke toelichtingen op te nemen in de procesinleiding en het verweerschrift. In een dergelijk geval zal de procureur-generaal zo spoedig mogelijk concluderen en zal de Hoge Raad zo spoedig mogelijk uitspraak doen.
3.1.12.2. Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van een van de partijen kan de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de procureur-generaal en de wederpartij(en), beslissen dat de termijn voor de schriftelijke toelichting (of de datum van het pleidooi) op grond van daartoe aangevoerde bijzondere omstandigheden die tot spoed nopen, zal worden verkort. De tweede volzin van artikel 3.1.12.1. is dan van toepassing.
3.1.13. Na sluiting partijdebat
3.1.13.1. Na de afronding van de schriftelijke procedure of na de pleidooien kunnen partijen arrest vragen. In dat geval wordt de zaak verwezen naar een datum waarop wordt bepaald wanneer de conclusie van de procureur-generaal zal worden genomen.
3.1.13.2. Op de datum waarop de conclusie van de procureur-generaal wordt genomen, bepaalt de enkelvoudige civiele kamer de datum waarop uitspraak zal worden gedaan en verwijst zij de zaak daartoe naar de meervoudige kamer.
3.1.13.3. Nadat de conclusie is genomen, bepaalt de enkelvoudige civiele kamer een datum waarop wordt geconstateerd of partijen op de voet van artikel 44 lid 3 Rv schriftelijk commentaar hebben gegeven op de conclusie. Deze datum ligt op een vrijdag ten minste drie weken na de conclusie. De inhoud van een in het webportaal geplaatst schriftelijk commentaar op de conclusie is niet zichtbaar voor afloop van de in artikel 44 lid 3 Rv genoemde termijn. De termijn voor het geven van het schriftelijk commentaar als bedoeld in artikel 44 lid 3 Rv kan op grond van bijzondere omstandigheden worden verlengd.
3.1.13.4. Indien de spoedeisendheid van de zaak dit vordert kan de enkelvoudige civiele kamer een kortere termijn bepalen voor het geven van het schriftelijk commentaar als bedoeld in artikel 44 lid 3 Rv.
3.1.14. Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie of het Benelux Gerechtshof
3.1.14.1. Indien de Hoge Raad prejudiciële vragen stelt, schorst hij het geding.
3.1.14.2. Tot hervatting van het geding kan ambtshalve of op verzoek van een partij worden overgegaan. Na hervatting van het geding wordt op verzoek van de meest gerede partij een datum voor een nadere schriftelijke toelichting of andere proceshandeling bepaald. Indien partijen afzien van nadere proceshandelingen, kunnen zij terstond arrest vragen.
3.1.15. Verval van instantie
3.1.15.1. Indien verval van instantie wordt gevorderd, verwijst de enkelvoudige civiele kamer de zaak naar een datum waarop de procureur-generaal zal concluderen. Nadat die conclusie is genomen, wordt de zaak naar de meervoudige kamer verwezen ter beslissing op de vordering.
3.1.16. Schikkingsonderhandelingen
3.1.16.1. Op eenparig verzoek van partijen kan de enkelvoudige civiele kamer de zaak in verband met schikkingsonderhandelingen aanhouden voor een periode van ten hoogste twaalf weken.
3.1.16.2. In een herhaald verzoek van partijen tot aanhouding in verband met schikkingsonderhandelingen wordt toegelicht waarom doorhaling niet in aanmerking komt. Een herhaald verzoek van partijen kan worden aangemerkt als een aanwijzing dat geen van partijen ervan blijk geeft het geding te willen voortzetten, in welk geval de zaak ambtshalve wordt doorgehaald.
3.1.17. Doorhaling en hervatting
3.1.17.1. Op verzoek van een partij wordt de zaak doorgehaald, mits de andere partij (in geval van een procedure op tegenspraak) daarmee instemt.
3.1.17.2. De Hoge Raad kan zaken die zijn geschorst of waarin geen van partijen ervan blijk geeft het geding te willen voortzetten, ambtshalve doorhalen.
3.1.17.3. De behandeling van een doorgehaalde zaak kan worden hervat.
3.1.17.4. De partij die hervatting verzoekt, vermeldt het zaaknummer, de stand waarin de procedure zich bevond voorafgaand aan de doorhaling alsmede welk vervolg volgens haar aan de procedure dient te worden gegeven.
3.1.17.5. De Hoge Raad bepaalt, gehoord de wederpartij(en), op welke wijze de procedure wordt hervat en, zo nodig, welke proceshandeling moet worden verricht.
3.1.18. Overgangsregeling fourneren
3.1.18.1. Wordt arrest gevraagd in een zaak waarin in een of meer van de vorige instanties digitaal procederen niet verplicht was, dan leggen partijen de procesdossiers over waarin zich de schriftelijke stukken van die instantie(s) bevinden.
3.1.19. Procedure in Caribische zaken
3.1.19.1. Het bepaalde in deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op het geding in cassatie in zaken waarin in de voorafgaande instantie(s) door de rechter in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Caribische zaken) een vonnis is gewezen, ongeacht of de zaak in cassatie aanhangig wordt gemaakt volgens de regels voor de vorderingsprocedure of de verzoekprocedure, tenzij de aard van de procedure zich tegen overeenkomstige toepassing verzet.
3.1.19.2. Nadat de procesinleiding en (als de procedure in cassatie op tegenspraak wordt gevoerd) het verweerschrift zijn ingediend, wordt de zaak geplaatst op het in artikel 15a van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht en wordt een datum bepaald voor het geven van een schriftelijke toelichting.
3.1.19.3. Indien partijen arrest vragen, leggen zij de procesdossiers over waarin zich de stukken van de eerdere instanties bevinden.
Paragraaf 3.2 Verzoekzaken
3.2.1. Reikwijdte
3.2.1.1. Deze paragraaf heeft betrekking op de wijze van procederen en de voortgang van het geding in cassatie in verzoekzaken als bedoeld in artikel 396 lid 2 Rv.
3.2.1.2. Voor zaken die op grond van de Faillissementswet met een procesinleiding worden ingeleid, geldt dit reglement voor zover dit verenigbaar is met de Faillissementswet.
3.2.1.3. In deze paragraaf wordt onder de verweerder (zoals genoemd in artikel 426b Rv) mede verstaan: degene die als belanghebbende moet worden aangemerkt zoals bedoeld in artikel 407 lid 2 onder b Rv.
3.2.2. Onvoorziene gevallen
3.2.2.1. Na indiening van een procesinleiding geeft de Hoge Raad zo nodig aanwijzingen omtrent de te volgen procedure. In alle gevallen waarin deze paragraaf niet voorziet, beslist de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de procureur-generaal, overeenkomstig de eisen van een goede procesorde, zo mogelijk nadat de betrokken partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken.
3.2.3. Algemene aspecten van de zaaksbehandeling
3.2.3.1. De enkelvoudige civiele kamer kan zaken ter verdere behandeling en beslissing verwijzen naar de meervoudige kamer.
3.2.3.2. Berichten en documenten die strekken tot het verrichten van een proceshandeling alsmede overige processtukken (bijvoorbeeld een proces-verbaal of een reactie op de conclusie van de procureur-generaal), worden in het webportaal geplaatst.
3.2.3.3. Beslissingen van de Hoge Raad, de enkelvoudige civiele kamer en de griffier worden in het webportaal geplaatst.
3.2.4. Indiening van de procesinleiding in cassatie
3.2.4.1. Het aanbrengen van een nieuwe zaak geschiedt door indiening van de procesinleiding in het webportaal. De procesinleiding wordt ingediend door een advocaat bij de Hoge Raad en bevat de omschrijving van de middelen waarop het beroep steunt.
3.2.4.2. Bij indiening van de procesinleiding dienen te worden overgelegd:
a. de uitspraak of uitspraken waarvan beroep in cassatie wordt ingesteld;
b. de uitspraak of uitspraken in eerste aanleg;
c. de aanbiedingsbrief, waarvan een model als bijlage aan dit reglement is gehecht;
d. zo spoedig mogelijk een vertaling van de procesinleiding voor zover vereist op grond van het in verdragen en verordeningen bepaalde;
e. recente adresgegevens van de in de vorige instantie verschenen (rechts)personen;
f. in voorkomend geval: een afschrift van het bewijs van toevoeging.
3.2.5. Indiening van een aanvullende procesinleiding in cassatie
3.2.5.1. Wanneer de tekst van de bestreden uitspraak dan wel het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in voorgaande instantie niet tijdig beschikbaar is, kan de advocaat van de verzoeker, indien hij in de procesinleiding hiertoe een voorbehoud heeft gemaakt en de inhoud van het alsnog beschikbaar gekomen document daartoe aanleiding geeft, met bekwame spoed een aanvullende procesinleiding indienen.
3.2.6. Kennisgeving aan verweerder/belanghebbende
3.2.6.1. De griffier zendt onverwijld afschriften van de (aanvullende) procesinleiding toe aan een ieder die in de vorige instantie is verschenen.
3.2.7. Indiening verweerschrift
3.2.7.1. Binnen drie weken na verzending van de procesinleiding kan iedere verweerder/belanghebbende, door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad, een (aanvullend) verweerschrift indienen. De enkelvoudige civiele kamer kan een andere termijn vaststellen.
3.2.7.2. Indien een verweerder/belanghebbende verzoekt om verlenging van de in artikel 3.2.7.1. bedoelde termijn beslist de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de verzoeker, of verlenging wordt verleend. Op verzoek van een verweerder/belanghebbende kan de termijn van artikel 426b Rv worden verlengd met zes weken, indien blijkt dat de verzoeker daartegen geen bezwaar heeft. Een verzoeker die tegen verlenging wél bezwaar heeft, moet motiveren dat een spoedeisend belang zich tegen verlenging van de termijn verzet.
3.2.7.3. Een verweerschrift dat wordt ingediend buiten de in artikel 3.2.7.1. gestelde (of krachtens artikel 3.2.7.2. verlengde) termijn wordt terzijde gelegd, tenzij de Hoge Raad op grond van bijzondere omstandigheden anders beslist.
3.2.7.4. Het verweerschrift wordt door een advocaat bij de Hoge Raad ingediend via het webportaal.
3.2.8. Incidenteel cassatieberoep
3.2.8.1. Bij verweerschrift kan een verweerder/belanghebbende incidenteel cassatieberoep instellen. Het verweerschrift bevat in dat geval tevens de middelen waarop het incidentele cassatieberoep steunt.
3.2.8.2. Binnen drie weken na indiening van het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep kan de verweerder/belanghebbende in het incidentele cassatieberoep een verweerschrift indienen.
3.2.8.3. Indien de verweerder/belanghebbende in het incidentele cassatieberoep verzoekt om verlenging van de in artikel 3.2.8.2. bedoelde termijn, beslist de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de wederpartij, of verlenging wordt verleend.
3.2.8.4. Een verweerschrift in het incidentele cassatieberoep dat wordt ingediend buiten de in artikel 3.2.8.2. gestelde (of krachtens artikel 3.2.8.3. verlengde) termijn wordt terzijde gelegd, tenzij de Hoge Raad op grond van bijzondere omstandigheden anders beslist.
3.2.9. Beroep op niet-ontvankelijkheid
3.2.9.1. Indien een verweerder/belanghebbende in het verweerschrift concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het (incidentele) beroep in cassatie anders dan op grond van artikel 80a RO, wordt de verzoeker in de gelegenheid gesteld binnen drie weken na indiening van het verweerschrift te reageren op die conclusie.
3.2.10. Artikel 80a RO
3.2.10.1. Indien aan de hand van de procesinleiding en de daarbij gevoegde berichten en documenten wordt geoordeeld dat geen toepassing wordt gegeven aan artikel 80a RO, deelt de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de procureur-generaal, dit mede in beginsel op de derde vrijdag volgend op de vrijdag na de indiening van de procesinleiding.
3.2.10.2. In plaats van de in artikel 3.2.10.1. bedoelde mededeling kan de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de procureur-generaal, mededelen dat aan de hand van de dossiers uit de vorige instantie(s) zal worden onderzocht of toepassing dient te worden gegeven aan artikel 80a RO. De enkelvoudige civiele kamer verleent aan de procureur-generaal een termijn van ten minste twee weken om blijk te geven van zijn standpunt over de toepasselijkheid van artikel 80a RO.
3.2.10.3. Indien de procureur-generaal in een schriftelijke conclusie van zijn standpunt heeft blijk gegeven, kunnen de verzoeker en de in cassatie verschenen verweerder/belanghebbende op de voet van artikel 44 lid 3 Rv daarop schriftelijk commentaar geven. De enkelvoudige civiele kamer bepaalt een datum waarop wordt geconstateerd of partijen op de voet van artikel 44 lid 3 Rv schriftelijk commentaar hebben gegeven op de conclusie. Deze datum ligt op een vrijdag ten minste drie weken na de conclusie. De inhoud van een in het webportaal geplaatst schriftelijk commentaar op de conclusie is niet zichtbaar voor afloop van de in artikel 44 lid 3 Rv genoemde termijn. De termijn voor het geven van het schriftelijk commentaar als bedoeld in artikel 44 lid 3 Rv kan op grond van bijzondere omstandigheden worden verlengd. Indien de spoedeisendheid van de zaak dit vordert kan de enkelvoudige civiele kamer een kortere termijn bepalen voor het geven van het schriftelijk commentaar.
3.2.10.4. De uitspraak waarin toepassing wordt gegeven aan artikel 80a RO wordt aangetekend op het in artikel 15a Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken en geplaatst in het webportaal.
3.2.10.5. Na de bekendmaking van het standpunt van de procureur-generaal wordt de zaak naar de meervoudige kamer verwezen voor de beslissing over de toepassing van artikel 80a RO, tenzij de enkelvoudige civiele kamer overeenkomstig het standpunt van de procureur-generaal oordeelt dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt. In dit laatste geval bepaalt de enkelvoudige civiele kamer dat wordt voort geprocedeerd.
3.2.10.6. Indien een verweerder/belanghebbende binnen de in artikel 426b Rv bedoelde termijn voor het indienen van een verweerschrift dit heeft verzocht, kan de enkelvoudige civiele kamer bepalen dat deze verweerder/belanghebbende de beslissing over de toepassing van artikel 80a RO kan afwachten. In dat geval stelt de enkelvoudige civiele kamer de termijn voor het indienen van een verweerschrift nader vast op drie weken, te rekenen vanaf de bekendmaking van de beslissing dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt.
3.2.11. Fourneren van stukken
3.2.11.1. Na indiening van het (aanvullend) verweerschrift of het verstrijken van de termijn voor indiening daarvan wordt de zaak geplaatst op het in artikel 15a Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht en wordt een datum bepaald voor het fourneren van stukken, tenzij partijen dat voordien reeds hebben gedaan. Partijen dienen hun procesdossiers – vergezeld van een behoorlijke inventarislijst – waarin zich ook bevinden de stukken van de eerdere instanties (alsmede het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in vorige instantie) over te leggen.
3.2.12. Schriftelijke of mondelinge toelichting
3.2.12.1. In gevallen als bedoeld in artikel 428 lid 1 Rv kan de Hoge Raad een schriftelijke dan wel mondelinge toelichting bevelen.
3.2.12.2. De schriftelijke toelichting dient, door partijen gelijktijdig, gegeven te worden op de daartoe bepaalde datum. De inhoud van een in het webportaal geplaatste schriftelijke toelichting is niet zichtbaar vóór 10.00 uur op de voor het geven van de schriftelijke toelichting bepaalde datum.
3.2.12.3. Na het geven van de schriftelijke toelichting krijgen partijen desgewenst gelegenheid tot re- en dupliek. Daartoe wordt een termijn gegeven van twee weken. Deze termijn kan alleen onder bijzondere omstandigheden worden verlengd. De inhoud van een in het webportaal geplaatste repliek of dupliek is niet zichtbaar vóór 10.00 uur op de voor repliek en dupliek bepaalde datum.
3.2.12.4. De datum voor de mondelinge toelichting wordt – na voorafgaand overleg met de procureur-generaal – bepaald op of omstreeks de datum waarop anders de schriftelijke toelichting zou zijn bepaald. Voor de mondelinge toelichting wordt voor iedere partij ten hoogste 30 minuten gereserveerd. Indien de verwachting bestaat dat méér tijd nodig zal zijn, dient daartoe uiterlijk vier weken voor de datum van de mondelinge toelichting toestemming gevraagd te worden aan de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan de mondelinge toelichting wordt gehouden. Partijen krijgen daarenboven tijdens de zitting de gelegenheid voor mondelinge re- en dupliek.
3.2.13. Incidentele verzoeken
3.2.13.1. Incidentele verzoeken kunnen worden gedaan bij (afzonderlijke) procesinleiding of (afzonderlijk) verweerschrift.
3.2.13.2. Na indiening van het incidentele verzoek wordt de wederpartij in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in het incident in te dienen.
3.2.13.3. Behoudens bijzondere omstandigheden en onverminderd het bepaalde in artikel 428 Rv wordt voor schriftelijke toelichting geen gelegenheid geboden. Na overlegging door partijen van de procesdossiers of het in artikel 3.2.11.1. bedoelde moment, wordt de zaak een week aangehouden voor bepaling van de datum van de conclusie van de procureur-generaal. Nadat de procureur-generaal heeft geconcludeerd, wordt de zaak verwezen naar de meervoudige kamer voor de beslissing in het incident.
3.2.14. Conclusie van de procureur-generaal
3.2.14.1. Na het in artikel 3.2.11.1. bedoelde moment, respectievelijk nadat partijen de zaak schriftelijk of mondeling hebben doen toelichten, wordt de zaak verwezen naar een datum waarop wordt bepaald wanneer de conclusie van de procureur-generaal zal worden genomen. Op de datum waarop de conclusie van de procureur-generaal wordt genomen, bepaalt de enkelvoudige civiele kamer de datum waarop uitspraak zal worden gedaan en verwijst zij de zaak daartoe naar de meervoudige kamer.
3.2.14.2. Nadat de conclusie is genomen bepaalt de enkelvoudige civiele kamer een datum waarop wordt geconstateerd of partijen op de voet van artikel 44 lid 3 Rv schriftelijk commentaar hebben gegeven op de conclusie. Deze datum ligt op een vrijdag ten minste drie weken na de conclusie. De inhoud van een in het webportaal geplaatst schriftelijk commentaar op de conclusie is niet zichtbaar voor afloop van de in artikel 44 lid 3 Rv genoemde termijn. De termijn voor het geven van het schriftelijk commentaar als bedoeld in artikel 44 lid 3 Rv kan op grond van bijzondere omstandigheden worden verlengd.
3.2.14.3. Indien de spoedeisendheid van de zaak dit vordert kan de enkelvoudige civiele kamer een kortere termijn bepalen voor het geven van het schriftelijk commentaar als bedoeld in artikel 44 lid 3 Rv.
3.2.15. Prejudiciële vragen van de Hoge Raad
3.2.15.1. Indien de Hoge Raad prejudiciële vragen stelt, schorst hij het geding.
3.2.15.2. Hervatting van het geding kan ambtshalve of op verzoek van een verzoeker en de in cassatie verschenen verweerder/belanghebbende geschieden. Na hervatting van het geding wordt op verzoek van de meest gerede partij een datum voor een nadere schriftelijke toelichting of andere proceshandeling bepaald. Indien een verzoeker en de in cassatie verschenen verweerder/belanghebbende afzien van nadere proceshandelingen, kunnen zij verzoeken dat de Hoge Raad terstond uitspraak doet.
3.2.16. Schikkingsonderhandelingen en intrekking van de procedure
3.2.16.1. Op eenparig schriftelijk verzoek van verzoeker en de in cassatie verschenen verweerder/belanghebbende kan de enkelvoudige civiele kamer de behandeling van de zaak in verband met schikkingsonderhandelingen voor ten hoogste twaalf weken aanhouden. Tenzij een van deze partijen voor de afloop van de gestelde termijn verzoekt de behandeling voort te zetten, wordt de behandeling van de zaak gestaakt. Na staking van de behandeling kan ieder van hen hervatting van de behandeling van de zaak verzoeken.
3.2.16.2. Zolang de Hoge Raad zijn beschikking niet heeft gegeven, kan de verzoeker zijn verzoek intrekken. Hij heeft daartoe geen toestemming van de verweerder nodig. De intrekking heeft slechts tot gevolg dat de door de verzoeker tot cassatie aangevoerde cassatiemiddelen niet meer kunnen worden onderzocht.
3.2.16.3. Op eenparig schriftelijk verzoek van verzoeker en de in cassatie verschenen verweerder/belanghebbende wordt de behandeling van de zaak beëindigd.
3.2.17. Spoedbehandeling
3.2.17.1. Op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van een partij kan de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de procureur-generaal en de wederpartij, de procedure in cassatie verkorten. In het geval waarin zo’n verzoek is gehonoreerd zal de procureur-generaal zo spoedig mogelijk concluderen en zal de Hoge Raad zo spoedig mogelijk uitspraak doen.
3.2.17.2. Procedures die naar hun aard een spoedbehandeling behoeven (bijvoorbeeld Wvggz/Wzd-, Kinderontvoerings-, Bewinds-, Faillissements-, WSNP-, Ondertoezichtstellingszaken en zaken van vrijheidsbeneming) worden versneld behandeld. In afwijking van het hiervoor bepaalde zullen termijnen in beginsel niet worden verlengd en dienen partijen hun procesdossiers tegelijk met dan wel binnen veertien dagen na de indiening van de procesinleiding onderscheidenlijk het verweerschrift over te leggen. In afwijking van artikel 3.2.11.1. en 3.2.14.1. kan de zaak vervolgens terstond in handen van de procureur-generaal worden gesteld voor conclusie.
3.2.18. Procedure in Caribische zaken
3.2.18.1. Het bepaalde in deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op het geding in cassatie in zaken waarin in de voorafgaande instantie(s) door de rechter in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een beschikking is gegeven, tenzij de aard van de procedure zich tegen overeenkomstige toepassing verzet.
Paragraaf 3.3 Prejudiciële vragen aan de civiele kamer van de Hoge Raad
3.3.1. Reikwijdte
3.3.1.1. Deze paragraaf heeft betrekking op de behandeling van zaken waarin op de voet van artikel 392 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad is gesteld na inwerkingtreding van het Besluit verplicht elektronisch procederen inzake civiele prejudiciële procedures Hoge Raad.
3.3.2. Onvoorziene gevallen
3.3.2.1. In alle gevallen waarop deze paragraaf betrekking heeft en waarin deze paragraaf niet voorziet, beslist de enkelvoudige civiele kamer, gehoord de procureur-generaal, overeenkomstig de eisen van een goede procesorde, zo mogelijk nadat de betrokken partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken. De enkelvoudige civiele kamer kan desverzocht in voorkomende gevallen termijnen die in deze paragraaf worden genoemd, verlengen.
3.3.3. Algemene aspecten van de zaaksbehandeling
3.3.3.1. Berichten en documenten van een advocaat bij de Hoge Raad die strekken tot het verrichten van een proceshandeling alsmede overige processtukken, worden in het webportaal geplaatst, tenzij het procesreglement anders bepaalt.
3.3.3.2. Beslissingen, mededelingen, verzoeken en afschriften van stukken van de Hoge Raad, de enkelvoudige civiele kamer en de griffier worden in het webportaal geplaatst.
3.3.3.3. Aan partijen wordt toegang verstrekt tot het webportaal. Aan anderen dan partijen als bedoeld in paragraaf 3.3.8. wordt slechts toegang verleend tot het webportaal voor zover dat hierna is bepaald.
3.3.3.4. Indien een partij geen advocaat bij de Hoge Raad heeft gesteld, zal de verzending door de griffier van beslissingen, mededelingen, verzoeken en afschriften van stukken, bij brief geschieden aan de advocaat die voor die partij optreedt in het geding voor het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, dan wel, indien deze ontbreekt, aan die partij zelf.
3.3.3.5. De Hoge Raad ziet erop toe dat de procedure met voortvarendheid wordt gevoerd.
3.3.4. Aanvang procedure bij de Hoge Raad
3.3.4.1. De griffier van het gerecht dat een prejudiciële vraag heeft gesteld, plaatst een afschrift van die beslissing in het webportaal of zendt een afschrift van die beslissing toe aan de griffier van de Hoge Raad. De griffier van de Hoge Raad bevestigt de ontvangst.
3.3.4.2. De griffier tekent de ontvangst van een verzoek om beantwoording van een prejudiciële vraag aan in een register dat ter griffie wordt bijgehouden. De griffier doet van de ontvangst mededeling op de website van de Hoge Raad.
3.3.4.3. De griffier plaatst na ontvangst van het verzoek de zaak op het in artikel 15a van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht en stelt de zaak in handen van de meervoudige kamer en de procureur-generaal.
3.3.5. Overlegging stukken
3.3.5.1. De Hoge Raad kan de griffier van het gerecht dat een prejudiciële vraag heeft gesteld, in elke stand van het geding om overlegging verzoeken van afschriften van de andere op de procedure betrekking hebbende stukken.
3.3.5.2. De Hoge Raad kan eveneens aan partijen verzoeken bepaalde, op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen en alle inlichtingen te verstrekken welke hij nodig acht.
3.3.6. Aanstonds afzien van beantwoording
3.3.6.1. De griffier plaatst de conclusie van de procureur-generaal over het al dan niet in behandeling nemen van de prejudiciële vraag in het webportaal, en zendt onverwijld een afschrift van de conclusie aan partijen die geen advocaat bij de Hoge Raad hebben gesteld.
3.3.6.2. Indien de conclusie van de procureur-generaal luidt dat de prejudiciële vraag zich (deels) niet leent voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, of (deels) van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen, kunnen partijen op de voet van artikel 44 lid 3 Rv daarop schriftelijk commentaar geven. De Hoge Raad bepaalt een datum waarop wordt geconstateerd of partijen schriftelijk commentaar hebben gegeven op de conclusie. Deze datum ligt op een vrijdag ten minste drie weken na de conclusie. De inhoud van een in het webportaal geplaatst schriftelijk commentaar op de conclusie is niet zichtbaar voor afloop van de in artikel 44 lid 3 Rv genoemde termijn. De termijn voor het geven van het schriftelijk commentaar als bedoeld in artikel 44 lid 3 Rv kan op grond van bijzondere omstandigheden worden verlengd. Indien de spoedeisendheid van de zaak dit vordert kan de Hoge Raad een kortere termijn bepalen voor het geven van het schriftelijk commentaar.
3.3.6.3. Indien de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal en na de in 3.3.6.2 bedoelde gelegenheid voor partijen om schriftelijk commentaar te geven, aanstonds van oordeel is dat de prejudiciële vraag zich niet leent voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, of dat de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen, beslist de Hoge Raad van beantwoording af te zien.
3.3.6.4. De griffier plaatst de uitspraak in het webportaal, en zendt een afschrift van de uitspraak aan het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, alsmede aan partijen die geen advocaat bij de Hoge Raad hebben gesteld.
3.3.7. Schriftelijke opmerkingen van partijen
3.3.7.1. In andere gevallen dan in paragraaf 3.3.6. bedoeld wordt, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vier weken na ontvangst van de beslissing als bedoeld in artikel 3.3.4.1., een datum bepaald voor het indienen van schriftelijke opmerkingen. Deze datum ligt op een vrijdag ten minste zes weken na de datumbepaling, tenzij de Hoge Raad anders bepaalt. Partijen worden hiervan door de griffier in kennis gesteld. De kennisgeving vermeldt dat schriftelijke opmerkingen dienen te worden ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en uiterlijk op de desbetreffende vrijdag vóór 10.00 uur dienen te worden ingediend via het webportaal. De inhoud van in het webportaal geplaatste schriftelijke opmerkingen is niet zichtbaar vóór 10.00 uur op de voor het geven van schriftelijke opmerkingen bepaalde datum.
3.3.7.2. Aan partijen wordt geen gelegenheid gegeven tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting, tenzij anders wordt bepaald op de voet van artikel 3.3.10.1.
3.3.8. Schriftelijke opmerkingen van anderen
3.3.8.1. De Hoge Raad kan, hetzij aanstonds, hetzij nadat partijen schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, bepalen dat ook anderen dan partijen in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken. Daartoe wordt een datum bepaald. Deze datum ligt op een vrijdag ten minste vier weken na de datumbepaling, tenzij de Hoge Raad anders bepaalt. Deze personen of instellingen worden daartoe door de griffier uitgenodigd. Indien zich reeds namens die personen of instellingen een advocaat bij de Hoge Raad heeft gesteld vindt de uitnodiging plaats via het webportaal.
3.3.8.2. Indien de Hoge Raad een openbare oproep tot het maken van schriftelijke opmerkingen nodig oordeelt, beveelt hij de publicatie op de website van de Hoge Raad van de prejudiciële vraag en van de termijn waarbinnen opmerkingen kunnen worden ingediend. De Hoge Raad kan publicatie in een andere vorm bevelen.
3.3.8.3. Anderen dan partijen kunnen de Hoge Raad verzoeken om in de gelegenheid te worden gesteld schriftelijke opmerkingen te maken. Dit verzoek dient te worden gedaan binnen vier weken na de mededeling op de website van de ontvangst van de prejudiciële vraag als bedoeld in artikel 3.3.4.2.
3.3.8.4. De in artikel 3.3.8.1. bedoelde brief en kennisgeving van de griffier en de in artikel 3.3.8.2. vermelde publicatie vermelden dat schriftelijke opmerkingen door een advocaat bij de Hoge Raad dienen te worden ondertekend en dienen te worden ingediend via het webportaal uiterlijk op de desbetreffende vrijdag vóór 10.00 uur.
3.3.9. Indiening en verwerking van schriftelijke opmerkingen
3.3.9.1. Partijen krijgen gelegenheid te reageren op de schriftelijke opmerkingen die door de andere partijen en schriftelijke opmerkingen die op de voet van paragraaf 3.3.8. door anderen dan partijen zijn ingediend. Daartoe wordt een termijn bepaald. Deze datum ligt op een vrijdag ten minste twee weken na de datumbepaling. De reactie dient uiterlijk de desbetreffende vrijdag vóór 10.00 uur in het webportaal geplaatst te worden. De inhoud van een in het webportaal geplaatste reactie is niet zichtbaar vóór 10.00 uur op de voor het geven van de reactie bepaalde datum.
3.3.9.2. De griffier zendt onverwijld afschriften van de ingekomen schriftelijke opmerkingen aan partijen die bij de Hoge Raad geen advocaat hebben gesteld.
3.3.9.3. In de brief waarmee de griffier afschriften van ingekomen schriftelijke opmerkingen aan partijen toezendt die bij de Hoge Raad geen advocaat hebben gesteld, vermeldt hij de datum als bedoeld in artikel 3.3.9.1. en vermeldt hij dat de reactie door een advocaat bij de Hoge Raad dient te worden ondertekend en dient te worden ingediend via het webportaal.
3.3.10. Schriftelijke of mondelinge toelichting
3.3.10.1. Indien het belang van de zaak dit geraden doet voorkomen, kan de Hoge Raad, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van partijen, de advocaten van partijen gelegenheid geven tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting.
3.3.10.2. Aan anderen dan partijen wordt geen gelegenheid gegeven tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting.
3.3.11. Schriftelijke toelichting
3.3.11.1. Indien gelegenheid wordt gegeven tot het geven van een schriftelijke toelichting, stelt de Hoge Raad de datum vast waarop de schriftelijke toelichtingen uiterlijk via het webportaal moeten zijn ingediend. Deze datum ligt op een vrijdag ten minste vier weken na de datumbepaling, tenzij de Hoge Raad anders bepaalt. Partijen worden hiervan door de griffier via het webportaal in kennis gesteld of, indien partijen bij de Hoge Raad geen advocaat hebben gesteld bij gewone brief. De kennisgeving vermeldt ook dat de schriftelijke toelichting uiterlijk op de desbetreffende vrijdag vóór 10.00 uur dient te worden ingediend via het webportaal. De inhoud van een in het webportaal geplaatste schriftelijke toelichting is niet zichtbaar vóór 10.00 uur op de voor het geven van schriftelijke toelichting bepaalde datum.
3.3.11.2. Schriftelijke toelichtingen kunnen ook worden gegeven door een andere advocaat dan de door partijen gestelde advocaat bij de Hoge Raad.
3.3.11.3. De griffier zendt onverwijld afschriften van de schriftelijke toelichtingen aan partijen die bij de Hoge Raad geen advocaat hebben gesteld en aan het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.
3.3.12. Mondelinge toelichting
3.3.12.1. Indien gelegenheid wordt gegeven tot het geven van een mondelinge toelichting, bepaalt de Hoge Raad plaats, dag en uur van de zitting. De griffier stelt partijen, en anderen dan partijen die op de voet van paragraaf 3.3.8. door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, ten minste vier weken van te voren, in kennis van plaats, dag en uur van de zitting.
3.3.12.2. Mondelinge toelichtingen kunnen ook worden gegeven door een andere advocaat dan de door partijen gestelde advocaat bij de Hoge Raad.
3.3.12.3. De Hoge Raad kan anderen dan partijen die op de voet van paragraaf 3.3.8. door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, via het webportaal uitnodigen ter zitting aanwezig te zijn teneinde over hun opmerkingen te worden gehoord.
3.3.13. Conclusie van de procureur-generaal
3.3.13.1. Na het verstrijken van de termijn voor het maken van schriftelijke opmerkingen, dan wel na de mondelinge of schriftelijke toelichting, stelt de Hoge Raad de datum vast waarop de procureur-generaal zijn conclusie zal nemen.
3.3.13.2. De conclusie wordt in het webportaal geplaatst. De griffier zendt onverwijld een afschrift van de conclusie aan partijen die geen advocaat bij de Hoge Raad hebben gesteld en het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld. Anderen dan partijen die op de voet van paragraaf 3.3.8. door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad schriftelijke opmerkingen hebben ingediend krijgen via het webportaal toegang tot de conclusie.
3.3.13.3. Partijen kunnen op de voet van artikel 44 lid 3 Rv schriftelijk commentaar op de conclusie geven. Nadat de conclusie genomen is bepaalt de Hoge Raad een datum waarop wordt geconstateerd of partijen schriftelijk commentaar hebben gegeven op de conclusie. Deze datum ligt op een vrijdag ten minste drie weken na de conclusie. De inhoud van een in het webportaal geplaatst schriftelijk commentaar op de conclusie is niet zichtbaar voor afloop van de in artikel 44 lid 3 Rv genoemde termijn. De termijn voor het geven van het schriftelijk commentaar als bedoeld in artikel 44 lid 3 Rv kan op grond van bijzondere omstandigheden worden verlengd. Indien de spoedeisendheid van de zaak dit vordert kan de Hoge Raad een kortere termijn bepalen voor het geven van het schriftelijk commentaar.
3.3.14. Herformuleren prejudiciële vraag
3.3.14.1. De Hoge Raad kan de prejudiciële vraag herformuleren. Indien de Hoge Raad daartoe het voornemen heeft en de herformulering niet van ondergeschikte betekenis is, doet de Hoge Raad van zijn voornemen blijken in een tussenuitspraak. De griffier plaatst de uitspraak in het webportaal. Partijen worden in de gelegenheid gesteld schriftelijke opmerkingen te maken. De Hoge Raad bepaalt daartoe een datum. Deze datum ligt op een vrijdag ten minste twee weken na de tussenuitspraak. Partijen die bij de Hoge Raad geen advocaat hebben gesteld worden van deze gelegenheid door de griffier in kennis gesteld. De kennisgeving gaat vergezeld van een afschrift van de uitspraak en vermeldt dat schriftelijke opmerkingen dienen te worden ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en uiterlijk op de desbetreffende vrijdag vóór 10.00 uur dienen te worden ingediend via het webportaal. De inhoud van in het webportaal geplaatste schriftelijke opmerkingen is niet zichtbaar vóór 10.00 uur op de voor het geven van schriftelijke opmerkingen bepaalde datum.
3.3.14.2. De griffier zendt voorts een afschrift van de uitspraak aan het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.
3.3.15. Uitspraak
3.3.15.1. De griffier plaatst de uitspraak in het webportaal. Aan anderen dan partijen die op de voet van paragraaf 3.3.8. door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad schriftelijke opmerkingen hebben ingediend wordt via het webportaal toegang verleend tot de uitspraak.
3.3.15.2. De griffier zendt onverwijld een afschrift van de uitspraak aan het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld en aan partijen die bij de Hoge Raad geen advocaat hebben gesteld.
Paragraaf 3.4 Dagvaardingszaken
[De bepalingen van deze paragraaf zijn als bijlage aan dit procesreglement gehecht.]
Paragraaf 3.5 Verzoekschriftzaken
[De bepalingen van deze paragraaf zijn als bijlage aan dit procesreglement gehecht.]
III. Paragraaf 4.3 en paragraaf 4.4 van het van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden luiden als volgt:
Paragraaf 4.3 Verloop van de procedure
4.3.1 Roldatum en rolbeslissingen
4.3.1.1. De rolzitting van de enkelvoudige strafkamer wordt gehouden op de in paragraaf 1.2 bedoelde dagen.
4.3.1.2. Alle beslissingen worden mondeling ter rolzitting genomen, tenzij hierna anders is bepaald of de rolraadsheer op verzoek van de procureur-generaal, van partijen of ambtshalve besluit dat een beslissing schriftelijk zal worden genomen. De rolraadsheer kan, indien dat hem geraden voorkomt, zaken verwijzen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling en beslissing door deze kamer.
4.3.1.3. Een partij mag zich ter voorbereiding van een rolbeslissing tevoren via het webportaal dan wel schriftelijk tot de rolraadsheer wenden, mits zij – indien zij niet digitaal procedeert – tegelijkertijd een afschrift van haar brief toestuurt aan de procureur-generaal.
4.3.2. Aanbrengen van de zaak en doorhaling op de rol
4.3.2.1. Alle zaken waarin beroep in cassatie is ingesteld, worden nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen, op de rol ingeschreven.
4.3.2.2. Na intrekking van het cassatieberoep wordt de zaak doorgehaald op de rol. Het cassatieberoep kan worden ingetrokken totdat de zaak op de terechtzitting van de strafkamer als bedoeld in artikel 438, eerste lid, Sv in behandeling is genomen. Indien de procureur-generaal niet op die zitting op de voet van artikel 439, eerste lid, Sv zijn conclusie heeft genomen kan het cassatieberoep – in afwijking van de tweede volzin – worden ingetrokken totdat de procureur-generaal op een latere zitting zijn conclusie heeft genomen.
4.3.3. Indienen van cassatiemiddelen
4.3.3.1. Middelen van cassatie worden voorgesteld bij schriftuur.
4.3.3.2. De schriftuur bevat de gegevens van de zaak waarop zij betrekking heeft, te weten de instantie door welke, de datum waarop en het zaaknummer waaronder, alsmede de naam van degene in wiens zaak de bestreden beslissing is gegeven.
4.3.3.3. Indien een procesdeelnemer digitaal procedeert, geschiedt de indiening van de schriftuur door plaatsing in het webportaal. Wordt niet digitaal geprocedeerd, dan geschiedt de indiening van de schriftuur hetzij door inlevering bij de centrale balie, hetzij door verzending per post of koeriersdienst, hetzij door verzending via de fax (mits gevolgd door inlevering of verzending van het originele exemplaar). Een schriftuur die langs elektronische weg maar niet in het webportaal (bijvoorbeeld: per e-mail) is ingediend, wordt niet in behandeling genomen.
4.3.3.4. De schriftuur van een advocaat dient de verklaring te bevatten dat hij tot de indiening bepaaldelijk is gevolmachtigd door degene namens wie hij optreedt. Bij verzuim de hiervoor bedoelde verklaring af te leggen, stelt de rolraadsheer de advocaat in de gelegenheid tot het alsnog afleggen van die verklaring binnen een daartoe te stellen termijn.
4.3.3.5. De schriftuur dient te zijn ondertekend door degene die haar indient. Bij verzuim hiervan wordt de indiener de gelegenheid geboden tot herstel van het verzuim binnen een daartoe te stellen termijn. Artikel 4.2.10. is van overeenkomstige toepassing.
4.3.3.6. Een in het webportaal geplaatste schriftuur geldt als tijdig ingediend indien deze op de laatst mogelijke dag van de voor indiening in de wet bepaalde termijn, maar voor 24.00 uur, het webportaal heeft bereikt. In andere gevallen geldt dat een schriftuur die is ingekomen op de laatst mogelijke dag maar na sluiting van de centrale balie om 16.30 uur, wordt geacht te laat te zijn ingediend, met dien verstande dat een per fax verzonden schriftuur die ter griffie van de Hoge Raad is begonnen binnen te komen vóór 24.00 uur op de laatste dag van de geldende termijn, geacht wordt tijdig te zijn ingediend.
4.3.4. Benadeelde partij
4.3.4.1. De advocaat die namens de benadeelde partij optreedt in de cassatieprocedure, geeft daarvan kennis aan de griffier van de Hoge Raad. Ingeval hij digitaal procedeert, geschiedt deze kennisgeving bij wijze zoals voorzien in het webportaal. Indien hij niet digitaal procedeert, dient het kennisgeven schriftelijk te geschieden bij aan de griffier van de Hoge Raad gericht separaat schrijven waarin voldoende nauwkeurig is aangegeven – door vermelding van de naam van degene aan wie bijstand wordt verleend, het parketnummer en, voor zover bekend, het zaaknummer van de Hoge Raad – op welke zaak het optreden betrekking heeft.
4.3.4.2. De kennisgeving als bedoeld in artikel 435, tweede lid, Sv wordt, indien zich namens de benadeelde partij een advocaat heeft gesteld overeenkomstig artikel 4.3.4.1., aan deze advocaat gezonden. Indien deze advocaat digitaal procedeert, geschiedt de toezending door plaatsing van de kennisgeving in het webportaal.
4.3.4.3. Aan de benadeelde partij wordt een afschrift verzonden van de schriftuur van de partij die beroep in cassatie heeft ingesteld, indien deze betrekking heeft op de vordering van de benadeelde partij en zij wordt door de griffier gewezen op haar bevoegdheid binnen dertig dagen na de verzending van dat afschrift door tussenkomst van een advocaat een verweerschrift in te dienen. Indien zich namens de benadeelde partij een advocaat heeft gesteld overeenkomstig artikel 4.3.4.1., wordt dit afschrift aan deze advocaat gezonden. Aan de partij die beroep in cassatie heeft ingesteld, wordt een afschrift van de schriftuur van de benadeelde partij verzonden. Aan de advocaat die namens de verdachte optreedt, wordt een afschrift van de schriftuur van de benadeelde partij verzonden. Aan de procesdeelnemer die digitaal procedeert, geschiedt de toezending van een afschrift door plaatsing ervan in het webportaal.
4.3.4.4. Als een advocaat van de benadeelde partij zich overeenkomstig artikel 4.3.4.1. heeft gesteld, wordt ook buiten het in artikel 4.3.4.3. genoemde geval een afschrift van de schriftuur van de partij die beroep in cassatie heeft ingesteld, verzonden aan deze advocaat.
4.3.4.5. In aanvulling op artikel 439 lid 4 Sv wordt in de volgende gevallen een afschrift van de conclusie van de procureur-generaal aan de benadeelde partij verzonden:
a. de benadeelde partij een verweerschrift als bedoeld in artikel 4.3.4.3. heeft ingediend;
b. in de conclusie van de procureur-generaal naar aanleiding van een cassatiemiddel of ambtshalve wordt ingegaan op (de beslissing op) de vordering van de benadeelde partij.
Bij de toezending wordt melding gemaakt van de mogelijkheid dat binnen twee weken na verzending van het afschrift van de conclusie een advocaat namens de benadeelde partij schriftelijk commentaar daarop aan de Hoge Raad doet toekomen. Dat commentaar mag uitsluitend betrekking hebben op de onderdelen van de conclusie die de vordering van de benadeelde partij betreffen. Het afschrift van de conclusie van de procureur-generaal wordt verzonden aan de advocaat van de benadeelde partij die zich overeenkomstig artikel 4.3.4.1. heeft gesteld, of die namens de benadeelde partij het verweerschrift heeft ingediend. Als in het onder b. genoemde geval zich geen advocaat overeenkomstig artikel 4.3.4.1. heeft gesteld, wordt de conclusie van de procureur-generaal aan de benadeelde partij verzonden.
Artikel 4.3.10.1. is op de toezending van de conclusie van de procureur-generaal aan de benadeelde partij of haar advocaat van overeenkomstige toepassing.
4.3.4.6. Voor zover niet al op grond van artikel 439 lid 4 Sv of artikel 4.3.4.5. een afschrift van de conclusie van de procureur-generaal wordt toegezonden, wordt deze op diens verzoek verzonden aan de advocaat van de benadeelde partij die zich overeenkomstig artikel 4.3.4.1. heeft gesteld.
4.3.5. Slachtoffer
4.3.5.1. Van elk ingesteld en ingetrokken beroep in cassatie wordt binnen veertien dagen nadat dit beroep is ingesteld onderscheidenlijk ingetrokken, kennisgegeven aan het slachtoffer dat daarom heeft verzocht.
4.3.5.2. Aan het slachtoffer dat daarom heeft verzocht wordt mededeling gedaan van de dag, het tijdstip en de plaats waar het in 4.3.9. bedoelde pleidooi wordt gehouden, alsmede van de zitting waar de uitspraak wordt gedaan.
4.3.6. Toezending en inzage stukken
4.3.6.1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.8. wordt ten behoeve van de raadsman van degene die beroep in cassatie heeft ingesteld of een ingesteld beroep wil tegenspreken die digitaal procedeert, onder wie begrepen de advocaat van de benadeelde partij, een afschrift in het webportaal geplaatst van de kernstukken – dat zijn de rechterlijke beslissingen en de processen-verbaal van de zittingen in de feitelijke instantie(s) – alsmede van andere afzonderlijk gevraagde processtukken behoudens indien (a) hij daarvan reeds in het bezit is, of (b) de omvang van het gevraagde zich daartegen verzet. In dat laatste geval wordt de raadsman gewezen op zijn bevoegdheid tot het nemen van inzage in de stukken.
4.3.6.2. Aan de raadsman van degene die beroep in cassatie heeft ingesteld of een ingesteld beroep wil tegenspreken die niet digitaal procedeert, waaronder begrepen de advocaat van de benadeelde partij, wordt op diens schriftelijk verzoek door de griffie per post een afschrift gezonden van de in artikel 4.3.6.1. genoemde stukken behoudens indien (a) hij daarvan reeds in het bezit is, of (b) de omvang van het gevraagde zich daartegen verzet. In dat laatste geval wordt de raadsman gewezen op zijn bevoegdheid tot het nemen van inzage in de stukken.
4.3.6.3. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet – voordat hij in een middel over die onvolledigheid wenst te klagen – binnen de in artikel 437, tweede lid, Sv onderscheidenlijk artikel 447, vijfde lid, Sv genoemde termijn een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer. Indien hij digitaal procedeert, wordt het verzoek gedaan door plaatsing ervan in het webportaal. Indien hij niet digitaal procedeert, geschiedt dit verzoek schriftelijk.
4.3.6.4. Als raadsman in de zin van de voorgaande bepalingen wordt uitsluitend aangemerkt de advocaat die van zijn optreden kennis heeft gegeven aan de griffier, dan wel aan de griffier heeft medegedeeld dat hij als aangewezen raadsman optreedt. Ingeval hij digitaal procedeert, geschiedt deze kennisgeving bij wijze zoals voorzien in het webportaal. Indien hij niet digitaal procedeert, dient het kennisgeven schriftelijk te geschieden bij aan de griffier van de Hoge Raad gericht separaat schrijven waarin voldoende nauwkeurig is aangegeven – door vermelding van de naam van degene aan wie bijstand wordt verleend, het parketnummer en, voor zover bekend, het zaaknummer van de Hoge Raad – op welke zaak het optreden betrekking heeft.
4.3.7. Verlenging termijnen
4.3.7.1. Een verzoek om verlenging van een door de wet of de rolraadsheer gestelde termijn moet worden gemotiveerd en dient binnen die termijn – separaat van de schriftuur of enig ander stuk – in het webportaal te worden geplaatst. Indien de betrokken procesdeelnemer niet digitaal procedeert, geschiedt de indiening van het verzoek schriftelijk – separaat van de schriftuur of enig ander stuk – aan de rolraadsheer.
4.3.7.2. Het verzoek wordt in ieder geval afgewezen, indien:
a. het niet is gemotiveerd,
b. het na het verstrijken van de termijn is ontvangen, of
c. de wet verlenging van de termijn niet toestaat.
4.3.7.3. Een volgend verzoek om verlenging met betrekking tot dezelfde aangelegenheid wordt niet toegewezen.
4.3.7.4. Op het verzoek om verlenging wordt binnen één week na de ontvangst beslist. De beslissing wordt aan de verzoeker en bij toewijzing zo nodig ook aan de andere partijen medegedeeld.
4.3.7.5. Van het voorgaande kan in bijzondere gevallen door de rolraadsheer worden afgeweken.
4.3.8. Toepassing van artikel 80a RO
4.3.8.1. Nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen wordt, in beginsel aan de hand van de cassatieschriftuur en de voor de beoordeling daarvan relevante gedingstukken, onderzocht of de betrokken zaak in aanmerking komt voor toepassing van artikel 80a RO. Daartoe worden de stukken aan de procureur-generaal ter hand gesteld. De procureur-generaal heeft tenminste twee weken de gelegenheid zich te beraden op het bepalen van een standpunt met betrekking tot de toepassing van artikel 80a RO. Indien de procureur-generaal van oordeel is dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt, neemt hij een op schrift gestelde conclusie.
4.3.8.2. Ingeval de procureur-generaal afziet van het innemen van een standpunt beslist de meervoudige kamer over de toepassing van artikel 80a RO.
4.3.8.3. De beslissing over het toepassing geven aan artikel 80a RO wordt ter rolzitting uitgesproken.
4.3.9. Toelichting en tegenspraak
4.3.9.1. Het beroep en/of de middelen kunnen schriftelijk of mondeling (hierna: het pleidooi) worden toegelicht.
4.3.9.2. Een schriftelijke toelichting kan ter rolzitting worden overgelegd dan wel tot aan de dag voor de rolzitting worden ingediend overeenkomstig hetgeen in 4.3.3. is bepaald.
4.3.9.3. Voor het houden van een pleidooi moet op de dag van indiening van de schriftuur een afzonderlijk (gemotiveerd) verzoek worden gedaan bij de rolraadsheer. Na zo een verzoek wijst de griffier de procesdeelnemer op zijn bevoegdheid tot het overleggen van een schriftelijke toelichting. Indien de betrokken procesdeelnemer digitaal procedeert, wordt het verzoek gedaan door plaatsing van een afzonderlijk bericht in het webportaal. Indien de betrokken procesdeelnemer niet digitaal procedeert, geschiedt de indiening van het verzoek schriftelijk – separaat van de schriftuur of enig ander stuk – aan de rolraadsheer.
4.3.9.4. Behoudens ingeval de gronden waarop het verzoek steunt ongenoegzaam zijn, stelt de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, na overleg met de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan het pleidooi zou moeten worden gehouden, een zitting vast voor het pleidooi.
4.3.9.5. Voor het pleidooi wordt ten hoogste 20 minuten gereserveerd. Indien de verwachting bestaat dat meer tijd nodig is, dient daartoe uiterlijk een week voor de datum van het pleidooi toestemming te worden gevraagd aan de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan het pleidooi wordt gehouden.
4.3.9.6. Het bepaalde in artikel 4.3.9.1. tot en met artikel 4.3.9.5. geldt ook voor het geval de raadsman het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep wil tegenspreken.
4.3.10. Conclusie van de procureur-generaal
4.3.10.1. Na de afronding van de schriftelijke procedure of na het pleidooi wordt de datum bepaald voor de conclusie van de procureur-generaal. Aan de procesdeelnemer die digitaal procedeert, geschiedt de in artikel 439, derde lid, Sv bedoelde toezending van een afschrift van de conclusie door plaatsing ervan in het webportaal. Ingeval een afschrift van de conclusie (een schriftelijk standpunt daaronder begrepen) van de procureur-generaal per post is toegezonden, kan de in artikel 439, vijfde lid, Sv genoemde procesdeelnemer binnen twee weken na de dag waarop dat afschrift is verzonden, schriftelijk commentaar op de conclusie geven. Indien de procesdeelnemer digitaal procedeert, geschiedt de indiening van het schriftelijk commentaar door plaatsing ervan in het webportaal. Procedeert de procesdeelnemer niet digitaal, dan geeft hij zijn schriftelijk commentaar op de conclusie bij brief gericht aan de voorzitter van de strafkamer.
4.3.10.2. Artikel 4.3.3.4. is op de indiening van het schriftelijk commentaar op de conclusie van overeenkomstige toepassing.
4.3.11. Uitspraak
4.3.11.1. Op de terechtzitting waarop de conclusie van de procureur-generaal wordt genomen, bepaalt de rolraadsheer de datum waarop uitspraak zal worden gedaan en verwijst hij de zaak naar de meervoudige kamer.
4.3.11.2. Indien de Hoge Raad niet op de vastgestelde datum uitspraak doet, wordt hiervan mededeling gedaan aan de betrokken partij(en) alsook aan het slachtoffer dat daarom heeft verzocht. Daarbij wordt tevens de nieuwe uitspraakdatum medegedeeld.
4.3.11.3. Onverminderd het bepaalde in artikel 444 Sv wordt ten behoeve van de procesdeelnemer die in een zaak digitaal procedeert, een afschrift van de uitspraak van de Hoge Raad in het webportaal geplaatst.
4.3.11.4. Van het arrest of de beschikking van de Hoge Raad worden geacht deel uit te maken de cassatieschriftuur – een aanvullende cassatieschriftuur en een schriftelijke toelichting op cassatiemiddelen daaronder begrepen – en de conclusie van de procureur-generaal.
4.3.12. Procedure na prejudiciële vragen van de Hoge Raad
4.3.12.1. Indien de Hoge Raad prejudiciële vragen stelt, schorst hij het geding. Het geding wordt na de beantwoording van de prejudiciële vragen hervat. Op de daartoe bepaalde rolzitting wordt desgevraagd een datum bepaald voor het indienen van opmerkingen. Indien wordt afgezien van het indienen van schriftelijke opmerkingen, wordt de zaak verwezen naar een rolzitting voor het nemen van een (nadere) conclusie door de procureur-generaal.
4.3.13. Procedure in herzieningszaken
4.3.13.1. De Hoge Raad slaat geen acht op een aanvullende herzieningsaanvraag noch op een verzoek tot het verrichten van (nader) onderzoek of het inwinnen van advies als bedoeld in artikel 465, vijfde lid, Sv alvorens op de initiële herzieningsaanvraag is beslist, tenzij de Hoge Raad beslist dat de aanvullende aanvraag bij de behandeling van de zaak kan worden betrokken.
4.3.13.2. De raadsman die de herzieningsaanvraag op de voet van artikel 467, tweede lid, Sv mondeling wil toelichten (hierna: het pleidooi), kan daartoe op de dag van indiening van de herzieningsaanvraag een gemotiveerd verzoek doen bij de rolraadsheer. De procesdeelnemer die digitaal procedeert, dient het verzoek in door plaatsing van een afzonderlijk bericht in het webportaal. De procesdeelnemer die niet digitaal procedeert dient het verzoek in bij separaat schrijven.
4.3.13.3. Behoudens ingeval de herzieningsaanvraag op de voet van artikel 465 Sv niet-ontvankelijk wordt verklaard of wordt afgewezen dan wel de gronden waarop het verzoek steunt ongenoegzaam zijn, stelt de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, na overleg met de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan het pleidooi zou moeten worden gehouden, een terechtzitting vast voor het pleidooi.
4.3.13.4. Een verzoek tot de in artikel 473, vierde lid, Sv bedoelde opschorting van de tenuitvoerlegging van de uitspraak waarvan herziening is gevraagd, moet worden ingediend bij de Hoge Raad. De procesdeelnemer die digitaal procedeert, dient het verzoek in door plaatsing van een afzonderlijk bericht in het webportaal. De procesdeelnemer die niet digitaal procedeert dient het verzoek in bij separaat schrijven. De Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk. De griffier doet onverwijld mededeling aan de verzoeker van de beslissing van de Hoge Raad.
Paragraaf 4.4 Prejudiciële vragen aan de strafkamer van de Hoge Raad
4.4.1. Reikwijdte
4.4.1.1. Deze paragraaf heeft betrekking op de behandeling van zaken waarin op de voet van artikel 553 van het Wetboek van Strafvordering een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad is gesteld.
4.4.2. Aanvang procedure bij de Hoge Raad
4.4.2.1. De griffier van het gerecht dat een prejudiciële vraag heeft gesteld, plaatst een afschrift van die beslissing in het griffieportaal van de Hoge Raad of zendt een afschrift van die beslissing onverwijld toe aan de griffier van de Hoge Raad. De griffier van de Hoge Raad bevestigt de ontvangst.
4.4.2.2. Voor zover dat naar het oordeel van de rechter die de prejudiciële vraag heeft gesteld voor de beantwoording van de prejudiciële vraag noodzakelijk is, worden (afschriften van) de stukken van het geding in het griffieportaal geplaatst of bijgevoegd bij het toe-zenden van een afschrift van de onder 4.4.2.1 bedoelde beslissing. Voor de beantwoording van de vraag zijn in elk geval noodzakelijk de processen-verbaal van de (terecht)zittingen waarop de rechter die de vraag stelt de zaak heeft behandeld en de stukken aan de hand waarvan op deze (terecht)zittingen door betrokken procespartijen het woord is gevoerd. Daarnaast worden de correspondentiegegevens verstrekt van de betrokken procespartijen en van de advocaten die voor de betrokken procespartijen hebben opgetreden in het geding voor het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.
4.4.2.3. De griffier van de Hoge Raad doet van de ontvangst van de prejudiciële vraag mededeling op de website van de Hoge Raad en publiceert daarbij de prejudiciële vraag.
4.4.2.4. De griffier stelt de beslissing in handen van de tweede meervoudige kamer van de Hoge Raad en van de procureur-generaal.
4.4.3. Voortvarende behandeling
4.4.3.1. De Hoge Raad ziet erop toe dat de procedure met voortvarendheid wordt gevoerd.
4.4.4. Nadere informatie
4.4.4.1. De procureur-generaal en de Hoge Raad kunnen het gerecht dat een prejudiciële vraag heeft gesteld in elke stand van het geding verzoeken om onverwijlde plaatsing in het griffieportaal of toezending van afschriften van andere op de zaak betrekking hebbende stukken dan de hiervoor in artikel 4.4.2.2. bedoelde stukken of om nadere inlichtingen.
4.4.5. Aanstonds afzien van beantwoording
4.4.5.1. Indien de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal, aanstonds van oordeel is dat de vraag zich niet leent voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, of dat de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen, beslist de Hoge Raad van beantwoording af te zien.
4.4.5.2. De griffier verzendt een afschrift van die beslissing aan het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, alsmede aan de betrokken procespartijen.
4.4.6. Schriftelijke opmerkingen van betrokken partijen
4.4.6.1. Indien zich niet het in artikel 4.4.5.1. bedoelde geval voordoet dat de Hoge Raad aanstonds afziet van beantwoording van de prejudiciële vraag, wordt aan het openbaar ministerie en de raadsman of advocaat van betrokken procespartijen een termijn verleend van 30 dagen voor het indienen van schriftelijke opmerkingen. Zij worden van deze mogelijkheid door de griffier in kennis gesteld. De kennisgeving vermeldt op welke wijze de schriftelijke opmerkingen kunnen worden ingediend.
4.4.6.2. Aan partijen wordt geen gelegenheid gegeven tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting, tenzij op de voet van artikel 4.3.9.3. en volgende anders wordt bepaald.
4.4.7. Schriftelijke opmerkingen van derden
4.4.7.1. De Hoge Raad kan, hetzij aanstonds, hetzij nadat de betrokken procespartijen schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, bepalen dat ook derden – anderen dan de betrokken procespartijen – in de gelegenheid worden gesteld om door tussenkomst van een advocaat schriftelijke opmerkingen te maken. Uitnodiging geschiedt door de griffier bij gewone brief, met afschrift aan de betrokken procespartijen.
4.4.7.2. Indien de Hoge Raad een openbare oproep tot het maken van schriftelijke opmerkingen nodig oordeelt, beveelt hij de publicatie op de website van de Hoge Raad van de prejudiciële vraag en van de termijn waarbinnen opmerkingen door tussenkomst van een advocaat kunnen worden ingediend. De Hoge Raad kan publicatie in een andere vorm bevelen.
4.4.7.3. Derden kunnen, door tussenkomst van een advocaat, de Hoge Raad verzoeken om in de gelegenheid te worden gesteld schriftelijke opmerkingen te maken. Dit ver-zoek moet worden gemotiveerd en dient te vermelden welke zaak het betreft en na-mens wie het verzoek wordt ingediend. Het verzoek moet worden gedaan binnen vier weken na de mededeling op de website van de ontvangst van de prejudiciële vraag als bedoeld in artikel 4.4.2.3.
4.4.7.4. De in artikel 4.4.7.1. vermelde brief van de griffier en de in artikel 4.4.7.2. bedoelde oproep vermelden op welke wijze en binnen welke termijn de schriftelijke opmerkingen kunnen worden ingediend. Indien de Hoge Raad een verzoek als bedoeld in artikel 4.4.7.3 inwilligt, informeert de griffier de betreffende derde op welke wijze en binnen welke termijn de schriftelijke opmerkingen kunnen worden ingediend.
4.4.7.5. Aan derden wordt geen gelegenheid gegeven tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting.
4.4.8. Andere voorschriften over de schriftelijke opmerkingen
4.4.8.1. Schriftelijke opmerkingen die niet binnen de daarvoor gestelde termijn of die niet door een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie dan wel een advocaat zijn ingediend worden terzijde gelegd. Artikel 4.3.3.5. is van overeenkomstige toepassing op de indiening van schriftelijke opmerkingen.
4.4.8.2. De griffier van de Hoge Raad stelt de betrokken procespartijen en de rechter die de prejudiciële vraag heeft gesteld in kennis van de ingekomen opmerkingen van de overige betrokken procespartijen en van derden.
4.4.9. Conclusie van de procureur-generaal
4.4.9.1. Na het verstrijken van de termijn voor het maken van schriftelijke opmerkingen, wordt de datum vastgesteld waarop de procureur-generaal zijn conclusie zal nemen.
4.4.9.2. De griffier van de Hoge Raad stelt de rechter die de vraag heeft gesteld en de betrokken procespartijen in kennis van de conclusie van de procureur-generaal.
4.4.9.3. Nadat zij van de conclusie van de procureur-generaal in kennis zijn gesteld, kunnen het openbaar ministerie en de raadsman of advocaat van een betrokken procespartij binnen een termijn van 14 dagen hun schriftelijke opmerkingen bij de conclusie aan de Hoge Raad ter kennis brengen.
4.4.10. Uitspraak
4.4.10.1. Op de terechtzitting waarop de conclusie van de procureur-generaal wordt genomen, bepaalt de rolraadsheer de datum waarop uitspraak zal worden gedaan en verwijst hij de zaak naar de meervoudige kamer.
4.4.10.2. Indien de Hoge Raad niet op de vastgestelde datum uitspraak doet, wordt hiervan mededeling gedaan aan de betrokken procespartij(en) alsook aan het slachtoffer dat daarom heeft verzocht. Daarbij wordt tevens de nieuwe uitspraakdatum medegedeeld.
4.4.10.3. De griffier van de Hoge Raad stelt de rechter die de prejudiciële vraag heeft gesteld en de betrokken procespartijen in kennis van de beslissing op de prejudiciële vraag.
4.4.11. Verzending uitnodigingen, kennisgevingen en afschriften
4.4.11.1. De verzending door de griffier van in deze paragraaf bedoelde uitnodigingen, kennisgevingen of afschriften, geschiedt aan de raadsman of advocaat van de betrokken procespartij. Als raadsman of advocaat van een betrokken procespartij wordt aangemerkt de raadsman of advocaat die voor de betrokken procespartij heeft opgetreden in het geding voor het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, tenzij een andere advocaat zich in diens plaats bij de Hoge Raad stelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.3.6.4. Indien voor de betrokken procespartij in het geding voor het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld geen raadsman of advocaat heeft opgetreden en indien daarnaast een gestelde advocaat ontbreekt, geschiedt toezending aan de betrokken procespartij zelf.
4.4.11.2. Of een raadsman of advocaat voor de betrokken procespartij heeft opgetreden in het geding voor het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, stelt de griffier van de Hoge Raad vast aan de hand van de door dat gerecht verstrekte correspondentiegegevens, bedoeld in artikel 4.4.2.2.
4.4.11.3. De onder 4.4.11.1 bedoelde verzending aan de raadsman of advocaat van de betrokken procespartij en aan de advocaat van een derde door tussenkomst van wie deze derde schriftelijke opmerkingen maakt in een prejudiciële procedure, geschiedt door plaatsing van de betreffende stukken in het webportaal. In het geval dat voor de betrokken procespartij in het geding voor het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld geen raadsman of advocaat heeft opgetreden en indien daarnaast een gestelde advocaat ontbreekt, geschiedt toezending aan de betrokken procespartij zelf per gewone post.
IV. De bijlage bij het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden luidt als volgt:
Bijlage bij het Procesreglement van de Hoge Raad der Nederlanden
Paragraaf 3.4 Dagvaardingszaken
3.4.1. Reikwijdte
3.4.1.1. Deze paragraaf heeft betrekking op de wijze van procederen en de voortgang van het geding in cassatie in alle dagvaardingszaken waarop het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is zoals geldend tot de inwerkingtreding van de Wet van 13 juli 2016, Stb. 2016, 289, met inbegrip van Caribische zaken. De tekst van de navolgende bepalingen is gepubliceerd in Staatscourant 2012 nr. 10676, en in werking getreden op 1 juli 2012; de navolgende nummering is aangepast aan die van het procesreglement van de Hoge Raad zoals gepubliceerd bij de inwerkingtreding van digitaal procederen in vorderingszaken.
3.4.2. Onvoorziene gevallen
3.4.2.1. In alle gevallen waarop deze paragraaf betrekking heeft en waarin deze paragraaf niet voorziet, beslist de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, overeenkomstig de eisen van een goede procesorde, zo mogelijk nadat de betrokken partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken.
3.4.3. Roldatum en rolbeslissingen
3.4.3.1. De rolzitting van de enkelvoudige civiele kamer wordt gehouden op de in hoofdstuk 1 vermelde vrijdagen des morgens om tien uur.
3.4.3.2. Alle beslissingen worden mondeling ter rolzitting genomen, tenzij hierna anders is bepaald of de rolraadsheer op verzoek van de procureur-generaal, van partijen of ambtshalve besluit dat een beslissing schriftelijk zal worden genomen. De rolraadsheer kan indien hem zulks geraden voorkomt zaken verwijzen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling en beslissing door deze kamer.
3.4.3.3. Een partij mag zich ter voorbereiding van een rolbeslissing tevoren schriftelijk tot de rolraadsheer wenden, mits zij tegelijkertijd een afschrift van haar brief toestuurt aan de procureur-generaal en aan de wederpartij(en).
3.4.4. Aanbrengen van de zaak
3.4.4.1. Het aanbrengen van een nieuwe zaak ter inschrijving op de rol dient te geschieden vóór 15.00 uur op de dag voorafgaande aan de roldatum door middel van een brief waarvan een model als bijlage aan dit reglement is gehecht.
a. de originele cassatiedagvaarding;
b. de uitspraken waartegen beroep in cassatie wordt ingesteld;
c. het originele anticipatie-exploot;
d. een afschrift van het bewijs van toevoeging
3.4.5. Niet verschijnen van een of meer partijen
3.4.5.1. Indien geen van partijen verschijnt, wordt de zaak verwezen naar de rol van ten minste twee en ten hoogste vijf weken later. Indien dan geen proceshandeling wordt verricht, wordt de zaak ambtshalve doorgehaald op de rol (artikel 247 Rv).
3.4.5.2. Indien eiser de zaak niet tijdig heeft doen inschrijven op de rol, kan de verweerder onder overlegging van het exploot van dagvaarding de zaak doen inschrijven en vorderen dat hij van de instantie wordt ontslagen (artikel 127 leden 1 en 2 Rv). De zaak wordt vervolgens twee weken aangehouden. Indien eiser na twee weken opnieuw niet verschijnt, wordt – na schriftelijke conclusie van de procureur-generaal – schriftelijk beslist op de vordering van verweerder.
3.4.5.3. Indien op de dienende dag de verweerder niet verschijnt en de eisende partij verstek vraagt, wordt de zaak drie weken aangehouden voor beraad conclusie op verstek. Indien de verweerder ook dan niet verschijnt, wordt een datum bepaald voor conclusie op verstek. Indien de procureur-generaal van oordeel is dat aan alle te dier zake geldende voorschriften is voldaan, wordt op de daartoe bepaalde datum geconcludeerd tot het verlenen van verstek, waarop de rolraadsheer in beginsel dadelijk mondeling beslist. Indien de procureur-generaal zulks wenselijk oordeelt wordt schriftelijk geconcludeerd. In de gevallen die zich niet lenen voor een dadelijke mondelinge beslissing op het gevraagde verstek, waaronder begrepen de weigering van het verstek, beslist de rolraadsheer schriftelijk of verwijst hij de zaak naar de meervoudige kamer voor het wijzen van arrest.
3.4.6. Conclusie van antwoord
3.4.6.1. De verweerder die is verschenen, krijgt de gelegenheid tot het nemen van een conclusie van antwoord. Deze conclusie kan dadelijk worden genomen. Desgevraagd kan daartoe een termijn worden verleend van ten hoogste vier weken.
3.4.7. Incidenteel beroep
3.4.7.1. Gelijktijdig met het nemen van de conclusie van antwoord kan incidenteel beroep in cassatie worden ingesteld. De eisende partij in het principale beroep krijgt desgevraagd een termijn van ten hoogste vier weken voor conclusie van antwoord in het incidentele beroep.
3.4.8. Art. 80a RO
3.4.8.1. Na de eerst dienende dag wordt, aan de hand van de stukken die dan beschikbaar zijn, onderzocht of de betrokken zaak niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 80a RO. In beginsel op de derde rolzitting volgend op de eerst dienende dag doet de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, mededeling van de uitkomst van dit onderzoek.
3.4.8.2. Tenzij op de voet van het bepaalde in 3.4.8.1. al is beslist dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt, wordt nadat de conclusie van antwoord is genomen of, in voorkomend geval, nadat de conclusie van antwoord in het incidentele cassatieberoep is genomen, de in artikel 3.4.7.1. bedoelde reactie is gegeven dan wel nadat verstek is verleend, aan de hand van de alsdan daartoe over te leggen procesdossiers onderzocht of toepassing dient te worden gegeven aan artikel 80a RO.
3.4.8.3. Na de ontvangst van de procesdossiers worden deze aan de procureur-generaal ter hand gesteld en verleent de rolraadsheer hem een termijn van ten minste twee weken teneinde zich ter rolzitting mondeling of schriftelijk uit te laten over de toepasselijkheid van artikel 80a RO. Indien de procureur-generaal van oordeel is dat artikel 80a RO voor toepassing in aanmerking komt, geeft hij schriftelijk van dit standpunt blijk.
3.4.8.4. Na de bekendmaking van het standpunt van de procureur-generaal verwijst de rolraadsheer de zaak naar de meervoudige kamer voor de beslissing over de toepassing van artikel 80a RO, tenzij de rolraadsheer overeenkomstig het standpunt van de procureur-generaal oordeelt dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt.
3.4.8.5. In het geval dat de procureur-generaal schriftelijk van zijn standpunt blijk heeft gegeven, kan iedere in cassatie verschenen partij binnen twee weken nadien een reactie op dat standpunt geven, bij brief gericht aan de voorzitter van de civiele kamer met gelijktijdig afschrift aan de wederpartij en de procureur-generaal.
3.4.8.6. De beslissing over het toepassing geven aan artikel 80a RO wordt ter rolzitting uitgesproken.
3.4.8.7. Indien het oordeel inhoudt dat geen toepassing wordt gegeven aan artikel 80a RO, stelt de Hoge Raad de verschenen partijen in de gelegenheid om voort te procederen. Iedere verschenen partij kan de rolraadsheer verzoeken een datum te bepalen voor schriftelijke toelichting of pleidooi. De rolraadsheer bepaalt terstond, respectievelijk na één week, deze datum.
3.4.9. Schriftelijke toelichting
3.4.9.1. De schriftelijke toelichting dient, door partijen gelijktijdig, gegeven te worden op de daartoe bepaalde datum. De rolraadsheer kan aan beide partijen uitstel verlenen op grond van bijzondere omstandigheden, indien daarom door een partij of door beide partijen uiterlijk één week voor de vastgestelde datum schriftelijk en gemotiveerd is verzocht.
3.4.10. Repliek en dupliek
3.4.10.1. Na het geven van de schriftelijke toelichting krijgen partijen desgewenst gelegenheid tot gelijktijdige re- en dupliek. Daartoe wordt een termijn gegeven van twee weken. Deze termijn kan alleen onder bijzondere omstandigheden worden verlengd.
3.4.11. Pleidooi
3.4.11.1. Partijen kunnen een (gemotiveerd) verzoek indienen tot het houden van een pleidooi. De pleidooien worden – na voorafgaand overleg met de procureur-generaal – bepaald op of omstreeks de datum waarop anders de schriftelijke toelichting zou zijn vastgesteld. De zitting voor het houden van pleidooien vindt – tenzij anders wordt bepaald – plaats op een vrijdag om 10.45 uur. Voor de pleidooien wordt voor iedere partij ten hoogste 45 minuten gereserveerd. Indien de verwachting bestaat dat méér tijd nodig zal zijn, dient daartoe uiterlijk vier weken voor de datum van het pleidooi toestemming gevraagd te worden aan de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan het pleidooi wordt gehouden. Partijen krijgen daarenboven tijdens deze zitting de gelegenheid voor mondelinge re- en dupliek.
3.4.12. Fourneren, arrest vragen en conclusie van de procureur-generaal
3.4.12.1. Na de afronding van de schriftelijke procedure of na de pleidooien kunnen partijen arrest vragen onder overlegging van de procesdossiers waarin zich ook de stukken van de eerdere instanties dienen te bevinden. In dat geval wordt de zaak verwezen naar een rolzitting waarop de datum wordt bepaald voor de conclusie van de procureur-generaal. Op de datum waarop de conclusie van de procureur-generaal wordt genomen, bepaalt de rolraadsheer de datum waarop ter rolle uitspraak zal worden gedaan en verwijst hij de zaak naar de meervoudige kamer. Partijen kunnen op de voet van artikel 44 Rv schriftelijk commentaar op de conclusie geven binnen twee weken nadat de conclusie is genomen bij brief gericht aan de voorzitter van de civiele kamer.
3.4.13. Incident
3.4.13.1. Incidentele vorderingen worden ingesteld bij een conclusie ter rolle. De rolraadsheer geeft aan de verweerder in het incident desgevraagd vier weken aanhouding voor antwoord in het incident. Behoudens bijzondere omstandigheden en onverlet het bepaalde in artikel 415 lid 2 Rv wordt voor schriftelijke toelichting geen gelegenheid geboden. Na overlegging door partijen van de procesdossiers wordt de zaak een week aangehouden voor bepaling van de datum van de conclusie van de procureur-generaal. Nadat de procureur-generaal heeft geconcludeerd, wordt de zaak verwezen naar de meervoudige kamer voor de beslissing in het incident.
3.4.14. Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie of het Benelux Gerechtshof
3.4.14.1. Indien de Hoge Raad prejudiciële vragen stelt, schorst hij het geding. Het geding kan na de beantwoording van de prejudiciële vragen worden hervat op verzoek van één van de betrokken partijen. Op de daartoe bepaalde roldatum wordt desgevraagd een datum voor een nadere schriftelijke toelichting bepaald. Indien partijen afzien van deze toelichting, wordt de zaak verwezen naar een roldatum voor het overleggen van de procesdossiers en vragen van arrest.
3.4.15. Procedure in Caribische zaken
3.4.15.1. Nadat het rekest en (als de procedure in cassatie op tegenspraak wordt gevoerd) het verweerschrift zijn ingediend, wordt voor de eerste keer de zaak geplaatst op de rol voor het geven van een toelichting. Het bepaalde in de artikelen 3.4.8. tot en met 3.4.12. en 3.4.14. is van overeenkomstige toepassing.
3.4.16. Schikkingsonderhandelingen en doorhaling op de rol
3.4.16.1. Op eenparig verzoek van partijen kan de rolraadsheer de zaak in verband met schikkingsonderhandelingen voor ten hoogste twaalf weken aanhouden.
3.4.16.2. Op verzoek van een partij kan de zaak worden doorgehaald op de rol mits de andere partij (in geval van een procedure op tegenspraak) daarmee instemt.
3.4.16.3. Indien verval van instantie wordt gevorderd, verwijst de rolraadsheer de zaak naar een roldatum waarop de procureur-generaal de conclusie zal nemen, waarna de zaak naar de meervoudige kamer wordt verwezen ter beslissing op de vordering.
3.4.17. Spoedbehandeling
3.4.17.1. Indien beide partijen het daarover eens zijn, kan de procedure in cassatie verkort worden door de schriftelijke toelichting op te nemen in de cassatiedagvaarding onderscheidenlijk de conclusie van antwoord. In een dergelijk geval zal de procureur-generaal zo spoedig mogelijk concluderen en zal de Hoge Raad zo spoedig mogelijk uitspraak doen.
3.4.17.2. Op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van een van de partijen kan de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal en de wederpartij, beslissen dat de termijn voor de schriftelijke toelichting (of de datum van het pleidooi) op grond van daartoe aangevoerde bijzondere omstandigheden die tot spoed nopen, zal worden verkort. De tweede volzin van 3.4.17.1. is dan van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 3.5 Verzoekschriftzaken
3.5.1. Reikwijdte
3.5.1.1. Deze paragraaf heeft betrekking op de wijze van procederen en de voortgang van het geding in cassatie in verzoekschriftprocedures bij de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden zoals geldend tot de inwerkingtreding van de Wet van 13 juli 2016, Stb. 2016, 289, onverminderd het bepaalde over Caribische zaken in artikel 3.4.1. van dit reglement. De tekst van de navolgende bepalingen is gepubliceerd in Staatscourant 2012, nr. 10677, en in werking getreden op 1 juli 2012; de navolgende nummering is aangepast aan die van het procesreglement van de Hoge Raad zoals gepubliceerd bij de inwerkingtreding van digitaal procederen in vorderingszaken.
3.5.1.2. Voor zaken die op grond van de Faillissementswet met een verzoekschrift worden ingeleid geldt dit reglement voor zover dit verenigbaar is met de Faillissementswet.
3.5.1.3. In deze paragraaf wordt onder de verweerder mede verstaan: de belanghebbende die in cassatie is verschenen.
3.5.2. Onvoorziene gevallen
3.5.2.1. Na indiening van een verzoekschrift geeft de Hoge Raad zo nodig aanwijzingen omtrent de te volgen procedure. In alle gevallen waarin deze paragraaf niet voorziet, beslist de eerste enkelvoudige kamer (hierna: de rolraadsheer), gehoord de procureur-generaal, overeenkomstig de eisen van een goede procesorde, zo mogelijk nadat de betrokken partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken.
3.5.3. Indiening van een verzoekschrift in cassatie
3.5.3.1. Verzoekschriften worden onverminderd het bepaalde in artikel 426b Rv in negenvoud ingediend ter griffie van de Hoge Raad met een brief waarvan een model als bijlage aan dit reglement is gehecht. Het verzoekschrift wordt ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en behelst de omschrijving van de middelen waarop het beroep steunt.
3.5.3.2. Bij indiening van het verzoekschrift dienen te worden overgelegd:
a. de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
b. een vertaling van het verzoekschrift voorzover vereist op grond van de EG Betekeningsverordening II (BetVo II);
c. recente adresgegevens van elk van de verweerders
d. een afschrift van het bewijs van toevoeging
3.5.4. Indiening van een aanvullend verzoekschrift in cassatie
3.5.4.1. lngeval de tekst van de bestreden uitspraak dan wel het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in voorgaande instantie niet tijdig beschikbaar is, kan de advocaat van de verzoeker, indien hij in het verzoekschrift hiertoe een voorbehoud heeft gemaakt en de inhoud van het alsnog beschikbaar gekomen document daartoe aanleiding geeft, met bekwame spoed (HR 23-12-05, LJN AU3720. NJ 2006/31) een aanvullend verzoekschrift indienen.
3.5.5. Oproeping verweerders
3.5.5.1. De griffier zendt onverwijld afschriften van het (aanvullend) verzoekschrift toe aan een ieder die in de vorige instantie is verschenen buiten de verzoeker.
3.5.5.2. Binnen drie weken na verzending van het verzoekschrift kunnen verweerders, door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad, een (aanvullend) verweerschrift indienen. De rolraadsheer kan in bepaalde gevallen een andere termijn vaststellen.
3.5.5.3. Indien de verweerder verzoekt om verlenging van de in artikel 3.5.5.2. bedoelde termijn beslist de rolraadsheer, gehoord de wederpartij, of verlenging zal worden verleend. Overeenkomstig de daaromtrent tussen de Hoge Raad en de Haagse balie gemaakte afspraak, kan op verzoek van de verweerder de termijn van artikel 426b lid 3 Rv worden verlengd met zes weken, indien blijkt dat de verzoeker daartegen geen bezwaar heeft. Een verzoeker die tegen verlenging wél bezwaar heeft, zal moeten aangeven dat een daadwerkelijk spoedeisend belang zich tegen verlenging van de termijn verzet. De beslissing op het verzoek om verlenging wordt schriftelijk aan partijen medegedeeld.
3.5.5.4. Indiening van een verweerschrift buiten de in artikel 3.5.5.2. gestelde termijn wordt niet geaccepteerd, tenzij de Hoge Raad op grond van bijzondere omstandigheden anders beslist.
3.5.6. Indiening verweerschrift
3.5.6.1. Het verweerschrift, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, wordt in negenvoud ingediend ter griffie van de Hoge Raad.
3.5.6.2. De griffier zendt onverwijld een afschrift van het (aanvullend) verweerschrift aan de advocaat van de verzoeker (of in geval van meer verzoekers aan de advoca(a)t(en) van iedere verzoeker).
3.5.7. Incidenteel cassatieberoep
3.5.7.1. Bij verweerschrift kan een verweerder tevens incidenteel cassatieberoep instellen. Het verweerschrift behelst in dat geval tevens de middelen waarop het incidenteel cassatieberoep steunt.
3.5.7.2. De griffier zendt onverwijld het verweerschrift tevens incidenteel cassatieberoep aan (iedere) verweerder in het incidenteel cassatieberoep.
3.5.7.3. Binnen drie weken na toezending van het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep kan de verweerder in het incidenteel cassatieberoep een verweerschrift indienen.
3.5.7.4. Indien de verweerder in het incidenteel cassatieberoep verzoekt om verlenging van de in 3.5.7.3. bedoelde verweertermijn, beslist de rolraadsheer, gehoord de wederpartij, of verlenging zal worden verleend. De beslissing op het verzoek om verlenging wordt schriftelijk aan partijen medegedeeld.
3.5.7.5. Indiening van een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep buiten de in 3.5.7.3. gestelde (of krachtens 3.5.7.4. verlengde) termijn wordt niet geaccepteerd, tenzij de Hoge Raad op grond van bijzondere omstandigheden anders beslist.
3.5.8. Indiening van overige processtukken
3.5.8.1. Overige processtukken (bijvoorbeeld een proces-verbaal of een reactie op de conclusie van de procureur-generaal) worden ingediend ter griffie en (gelijktijdig en met vermelding hiervan aan de griffier van de Hoge Raad) door de indiener in afschrift toegezonden aan de andere in de procedure verschenen partijen.
3.5.9. Beroep op niet-ontvankelijkheid
3.5.9.1. Indien een der partijen in het verweerschrift concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het (incidenteel) beroep in cassatie anders dan op grond van artikel 80a RO, wordt de wederpartij in de gelegenheid gesteld binnen drie weken na verzending van het verweerschrift te reageren op die conclusie.
3.5.9.2. De reactie op het beroep tot niet-ontvankelijkheid dient door de indiener tevens per gelijke post gezonden te worden aan de advocaat van de wederpartij.
3.5.9a. Beoordeling op de voet van artikel 80a RO
3.5.9a.1. Na het indienen van een verzoekschrift ter griffie wordt, in beginsel binnen drie weken na de ontvangst van het verzoekschrift en aan de hand van de stukken die dan beschikbaar zijn, onderzocht of de betrokken zaak niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 80a RO. Indien de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, tot het oordeel komt dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt, bepaalt hij dat wordt voortgeprocedeerd.
3.5.9a.2. De rolraadsheer doet aan de griffier mededeling van de uitkomst van het in het vorige lid bedoelde onderzoek. De griffier brengt die uitkomst, met inbegrip van de beslissing tot voortprocederen indien zulks door de rolraadsheer is bepaald, bij gewone brief ter kennis van de verzoeker en van de andere partijen die in de procedure bij de Hoge Raad of in de vorige instantie zijn verschenen.
3.5.9a.3. Nadat de termijn van drie weken voor het indienen van een verweerschrift als bedoeld in artikel 426b lid 3 Rv is verstreken, wordt de zaak naar de rol verwezen. Tenzij de rolraadsheer reeds heeft beslist dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt, verleent hij ter rolzitting aan de in cassatie verschenen partijen een termijn van twee weken voor het overleggen van hun procesdossiers ten behoeve van een nader onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 80a.
3.5.9a.4. Na de ontvangst van ten minste één procesdossier verleent de rolraadsheer op de rolzitting aan de procureur-generaal een termijn van ten minste twee weken teneinde zich ter rolzitting mondeling of schriftelijk uit te laten over de toepasselijkheid van artikel 80a RO. Indien de procureur-generaal het standpunt inneemt dat artikel 80a RO voor toepassing in aanmerking komt, geeft hij schriftelijk van dit standpunt blijk.
3.5.9a.5. Na de bekendmaking van het standpunt van de procureur-generaal verwijst de rolraadsheer de zaak naar de meervoudige kamer voor de beslissing over de toepassing van artikel 80a RO, tenzij de rolraadsheer overeenkomstig het standpunt van de procureur-generaal oordeelt dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt. In dit laatste geval bepaalt de rolraadsheer dat wordt voortgeprocedeerd.
3.5.9a.6. In een geval waarin de procureur-generaal schriftelijk van zijn standpunt blijk heeft gegeven, kan iedere in cassatie verschenen partij binnen twee weken nadien een reactie op dat standpunt geven, bij brief gericht aan de voorzitter van de civiele kamer met gelijktijdig afschrift aan de wederpartij en de procureur-generaal.
3.5.9a.7. De beslissing over het toepassing geven aan artikel 80a RO wordt ter rolzitting uitgesproken. Indien het oordeel inhoudt dat geen toepassing wordt gegeven aan artikel 80a RO, stelt de rolraadsheer de verschenen partijen in de gelegenheid om voort te procederen.
3.5.9a.8. De rolraadsheer kan indien een belanghebbende binnen de in artikel 426b lid 3 Rv bedoelde termijn voor het indienen van een verweerschrift zulks heeft verzocht, bepalen dat deze belanghebbende de beslissing over de toepassing van artikel 80a RO kan afwachten. In dat geval stelt de rolraadsheer de termijn voor het indienen van een verweerschrift nader vast op drie weken, te rekenen vanaf de bekendmaking van de beslissing dat 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt.
3.5.11. Verwijzing van de zaak naar de rolzitting van de eerste enkelvoudige kamer
3.5.11.1. Na indiening van het (aanvullend) verweerschrift of het verstrijken van de termijn voor indiening daarvan zal de zaak worden verwezen naar de rolzitting van de eerste enkelvoudige kamer voor het fourneren van stukken, tenzij partijen dat voordien reeds hebben gedaan. Partijen dienen hun procesdossiers – vergezeld van een behoorlijke inventarislijst – waarin zich ook bevinden de stukken van de eerdere instanties (alsmede het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in vorige instantie) over te leggen.
3.5.11.2. In gevallen als bedoeld in artikel 428 lid 1 Rv kan de Hoge Raad een schriftelijke dan wel mondelinge toelichting bevelen.
3.5.11.3. De schriftelijke toelichting dient, door partijen gelijktijdig, gegeven te worden op de daartoe bepaalde roldatum.
3.5.11.4. Na het geven van de schriftelijke toelichting krijgen partijen desgewenst gelegenheid tot re- en dupliek. Daartoe wordt een termijn gegeven van twee weken. Deze termijn kan alleen onder bijzondere omstandigheden worden verlengd.
3.5.11.5. De mondelinge toelichting vindt plaats voor de meervoudige kamer en zal – tenzij anders wordt bepaald – plaatsvinden op een vrijdag te 10.45 uur. De datum voor de mondelinge toelichting wordt – na voorafgaand overleg met de procureur-generaal – bepaald op of omstreeks de datum waarop anders de schriftelijke toelichting zou zijn bepaald. Voor de mondelinge toelichting wordt voor iedere partij ten hoogste 45 minuten gereserveerd. Indien de verwachting bestaat dat méér tijd nodig zal zijn, dient daartoe uiterlijk vier weken voor de datum van de mondelinge toelichting toestemming gevraagd te worden aan de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan de mondelinge toelichting wordt gehouden. Partijen krijgen daarenboven tijdens de zitting de gelegenheid voor mondelinge re- en dupliek.
3.5.12. Conclusie van de procureur-generaal
3.5.12.1. Na het in 3.5.11.1. bedoelde moment, respectievelijk nadat partijen de zaak schriftelijk of mondeling hebben doen toelichten, wordt de zaak verwezen naar een rolzitting waarop de datum wordt bepaald voor de conclusie van de procureur-generaal. Op de datum waarop de conclusie van de procureur-generaal wordt genomen, bepaalt de rolraadsheer de datum waarop ter rolle uitspraak zal worden gedaan en verwijst hij de zaak naar de meervoudige kamer.
3.5.12.2. Partijen kunnen op de voet van artikel 44 Rv schriftelijk commentaar op de conclusie geven binnen twee weken nadat de conclusie is genomen dan wel een afschrift daarvan aan partijen is verzonden, bij brief gericht aan de voorzitter van de civiele kamer. Met (gelijktijdig) afschrift aan de verschenen wederpartij(en) en de procureur-generaal.
3.5.13. Incidentele verzoeken
3.5.13.1. Incidentele verzoeken kunnen worden gedaan bij (afzonderlijk) verzoek- of verweerschrift.
3.5.13.2. Na indiening van het incidentele verzoek wordt de wederpartij in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in het incident in te dienen.
3.5.13.3. Behoudens bijzondere omstandigheden en onverminderd het bepaalde in artikel 428 Rv wordt voor schriftelijke toelichting geen gelegenheid geboden Na overlegging door partijen van de procesdossiers of het in 3.5.11.1. bedoelde moment, wordt de zaak verwezen naar een rolzitting waarop de datum wordt bepaald voor de conclusie van de procureur-generaal. Nadat de procureur-generaal heeft geconcludeerd, wordt de zaak verwezen naar de meervoudige kamer voor de beslissing in het incident.
3.5.14. Procedure na prejudiciële beslissing
3.5.14. Indien de Hoge Raad prejudiciële vragen stelt, schorst hij het geding. Het geding zal na de beantwoording van de prejudiciële vragen op verzoek van één van de betrokken partijen of ambtshalve worden hervat. Desgevraagd wordt een datum bepaald voor een (nadere) schriftelijke toelichting, Indien de verschenen partijen afzien van deze toelichting, wordt de zaak verwezen naar een roldatum voor het fourneren van stukken.
3.5.15. Schikkingsonderhandelingen en intrekking van de procedure
3.5.15.1. Op eenparig schriftelijk verzoek van partijen kan de rolraadsheer de behandeling van de zaak in verband met schikkingsonderhandelingen voor ten hoogste twaalf weken aanhouden. Tenzij een der partijen voor de afloop van de gestelde termijn verzoekt de behandeling voort te zetten, wordt de behandeling van de zaak gestaakt. Na staking van de behandeling kan ieder van de partijen hervatting van de behandeling van de zaak verzoeken.
3.5.15.2. Zolang de Hoge Raad zijn beschikking nog niet heeft gegeven kan de verzoeker tot cassatie zijn verzoek intrekken zonder daartoe de toestemming van de verweerder nodig te hebben. De intrekking heeft enkel tot gevolg dat de door de verzoeker tot cassatie aangevoerde cassatiemiddelen niet meer kunnen worden onderzocht.
3.5.15.3. Op eenparig schriftelijk verzoek van partijen wordt de behandeling van een zaak beëindigd.
3.5.16. Spoedbehandeling
3.5.16.1. Op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van een van de partijen kan de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal en de wederpartij, de procedure in cassatie verkorten. In een dergelijk geval zal de procureur-generaal zo spoedig mogelijk concluderen en zal de Hoge Raad zo spoedig mogelijk uitspraak doen. In een dergelijk geval zal de procureur-generaal zo spoedig mogelijk concluderen en zal de Hoge Raad zo spoedig mogelijk uitspraak doen.
3.5.16.2. Procedures die naar hun aard een spoedbehandeling behoeven (bijvoorbeeld Bopz-, Kinderontvoerings-, Bewinds-, Faillissements-, WSNP- en Ondertoezicht stellingszaken) worden versneld behandeld. In afwijking van het hiervoor bepaalde zullen termijnen in beginsel niet worden verlengd en dienen partijen hun procesdossiers tegelijk met dan wel binnen veertien dagen na de indiening van het verzoekschrift onderscheidenlijk verweerschrift over te leggen. In afwijking van art, 3.5.11.1. en 3.5.12.1. kan de zaak vervolgens terstond in handen van de procureur-generaal worden gesteld voor conclusie.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2024-13992.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.