Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatscourant 2023, 9637 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatscourant 2023, 9637 | advies Raad van State |
22 maart 2023
Nr. 4510853
Directie Wetgeving en Juridische Zaken
Ministerie van Justitie en Veiligheid
Aan de Koning
Nader rapport inzake Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad (PbEU 2021, L 382/1)
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 21 november 2022, nr. 2022002484, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 25 januari 2023, nr. W16.22.00164/II, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft U hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 21 november 2022, no. 2022002484, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad (PbEU 2021, L 382/1), met memorie van toelichting.
Met het wetsvoorstel worden de beslistermijnen uit de herziene richtlijn kennismigranten geïmplementeerd.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over het startmoment van de beslistermijn voor aanvragen om verblijf als gezinslid bij een (voormalig) houder van de zogeheten 'Europese blauwe kaart'. Zij merkt op dat de voorgestelde regeling in bepaalde gevallen feitelijk kan neerkomen op een verdubbeling van deze beslistermijn. Gelet op het doel van de richtlijn om procedures te versnellen, adviseert de Afdeling om dit startmoment te heroverwegen.
Het wetsvoorstel strekt tot gedeeltelijke implementatie van de herziene richtlijn kennismigranten.1 Deze richtlijn moet het voor hooggekwalificeerde onderdanen van derde landen aantrekkelijker maken om een zogeheten 'Europese blauwe kaart' aan te vragen, een verblijfsvergunning die hun het recht geeft om in een lidstaat van de Europese Unie te verblijven en te werken.2
Voor gezinsleden van (voormalig) houders van een blauwe kaart wordt het gemakkelijker om zich bij hen te voegen.3 De richtlijn wijzigt hiertoe onder meer de termijnen waarbinnen een lidstaat moet beslissen op aanvragen om een blauwe kaart en om verblijf als gezinslid van een (voormalig) houder van de blauwe kaart. Het wetsvoorstel implementeert dat deel van de richtlijn. Voor het overige wordt de richtlijn geïmplementeerd bij algemene maatregel van bestuur.4
De beschrijving van de achtergrond en inhoud van het voorstel geeft geen aanleiding voor een reactie.
Het wetsvoorstel bepaalt onder andere wanneer de beslistermijn start bij een aanvraag om verblijf als gezinslid bij een (voormalig) houder van de blauwe kaart.5 Als die aanvraag later is ingediend dan de aanvraag om verblijf als (voormalig) houder van de blauwe kaart (hierna: de aanvraag van de hoofdpersoon), start de beslistermijn op het moment dat het besluit op laatstgenoemde aanvraag wordt bekendgemaakt.
De Afdeling merkt op dat deze regeling kan leiden tot een verdubbeling van de beslistermijn wanneer de aanvraag van het gezinslid kort na die van de hoofdpersoon wordt ingediend.6 Dit staat op gespannen voet met het doel van de richtlijn om de procedures te versnellen en daarmee kennismigranten aan te trekken naar de Europese Unie.7
De Afdeling adviseert dan ook om dit deel van het wetsvoorstel te heroverwegen en te bezien of in de hier besproken situatie kan worden aangesloten bij de beslistermijn die geldt wanneer het gezinslid de aanvraag gelijktijdig met die van de hoofdpersoon heeft ingediend, dan wel heeft ingediend nadat de aanvraag van de hoofdpersoon is ingewilligd.8
Het advies wordt overgenomen. Het voorgestelde negende lid van artikel 25 wordt dan ook geschrapt. Ook voor gezinsleden die niet gelijktijdig met de hoofdpersoon een aanvraag hebben ingediend, zal worden aangesloten bij de hoofdregel dat wordt beslist binnen 90 respectievelijk 30 dagen van het moment van de aanvraag.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De vice-president van de Raad van State,
Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een transponeringstabel toe te voegen aan de Memorie van Toelichting.
Ik moge U hierbij verzoeken het gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, E. van der Burg.
No. W16.22.00164/II
’s-Gravenhage, 25 januari 2023
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 21 november 2022, no. 2022002484, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad (PbEU 2021, L 382/1), met memorie van toelichting.
Met het wetsvoorstel worden de beslistermijnen uit de herziene richtlijn kennismigranten geïmplementeerd.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over het startmoment van de beslistermijn voor aanvragen om verblijf als gezinslid bij een (voormalig) houder van de zogeheten 'Europese blauwe kaart'. Zij merkt op dat de voorgestelde regeling in bepaalde gevallen feitelijk kan neerkomen op een verdubbeling van deze beslistermijn. Gelet op het doel van de richtlijn om procedures te versnellen, adviseert de Afdeling om dit startmoment te heroverwegen.
Het wetsvoorstel strekt tot gedeeltelijke implementatie van de herziene richtlijn kennismigranten.1 Deze richtlijn moet het voor hooggekwalificeerde onderdanen van derde landen aantrekkelijker maken om een zogeheten 'Europese blauwe kaart' aan te vragen, een verblijfsvergunning die hun het recht geeft om in een lidstaat van de Europese Unie te verblijven en te werken.2
Voor gezinsleden van (voormalig) houders van een blauwe kaart wordt het gemakkelijker om zich bij hen te voegen.3 De richtlijn wijzigt hiertoe onder meer de termijnen waarbinnen een lidstaat moet beslissen op aanvragen om een blauwe kaart en om verblijf als gezinslid van een (voormalig) houder van de blauwe kaart. Het wetsvoorstel implementeert dat deel van de richtlijn. Voor het overige wordt de richtlijn geïmplementeerd bij algemene maatregel van bestuur.4
Het wetsvoorstel bepaalt onder andere wanneer de beslistermijn start bij een aanvraag om verblijf als gezinslid bij een (voormalig) houder van de blauwe kaart.5 Als die aanvraag later is ingediend dan de aanvraag om verblijf als (voormalig) houder van de blauwe kaart (hierna: de aanvraag van de hoofdpersoon), start de beslistermijn op het moment dat het besluit op laatstgenoemde aanvraag wordt bekendgemaakt.
De Afdeling merkt op dat deze regeling kan leiden tot een verdubbeling van de beslistermijn wanneer de aanvraag van het gezinslid kort na die van de hoofdpersoon wordt ingediend.6 Dit staat op gespannen voet met het doel van de richtlijn om de procedures te versnellen en daarmee kennismigranten aan te trekken naar de Europese Unie.7
De Afdeling adviseert dan ook om dit deel van het wetsvoorstel te heroverwegen en te bezien of in de hier besproken situatie kan worden aangesloten bij de beslistermijn die geldt wanneer het gezinslid de aanvraag gelijktijdig met die van de hoofdpersoon heeft ingediend, dan wel heeft ingediend nadat de aanvraag van de hoofdpersoon is ingewilligd.8
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is te voorzien in wettelijke regels ter uitvoering van richtlijn (EU) 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad (PbEU 2021, L 382/1);
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
De Vreemdelingenwet 2000 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het vijfde lid komt te luiden:
5. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de beschikking op aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 onder een beperking verband houdend met verblijf als houder van de Europese blauwe kaart of verblijf als diens familie- of gezinslid bekendgemaakt binnen 90 dagen welke termijn niet kan worden verlengd.
2. Het zesde lid komt te luiden:
6. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de beschikking op aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 onder een beperking verband houdend met verblijf als houder van de Europese blauwe kaart of verblijf als diens familie- of gezinslid bekendgemaakt binnen 30 dagen welke termijn in bijzondere gevallen verband houdend met de complexiteit van de aanvraag kan worden verlengd met 30 dagen, indien de vreemdeling:
1°. houder is van een geldige Europese blauwe kaart die is afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie en de vreemdeling gedurende ten minste twaalf maanden als houder van die kaart in die lidstaat heeft verbleven;
2°. na een verblijf in een lidstaat als bedoeld onder 1°, als houder van een geldige Europese blauwe kaart gedurende ten minste zes maanden als houder van die kaart in een andere lidstaat heeft verbleven; of
3°. als gezinslid van de houder van de Europese blauwe kaart als bedoeld onder 1° of 2° die reeds onderdeel uitmaakte van het gezin in de andere lidstaat;
3. Na het zesde lid (nieuw) worden zes leden toegevoegd, luidende:
7. Onze Minister stelt de vreemdeling binnen 30 dagen na de aanvraag op de hoogte van een verlenging van de termijn als bedoeld in het zesde lid.
8. Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 is ingediend door een gezinslid van een langdurig ingezetene die houder is geweest van een Europese blauwe kaart, is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing. Voor zover de langdurig ingezetene gebruikt maakt van mobiliteit naar Nederland zoals bepaald in artikel 14 richtlijn langdurig ingezetenen zijn het zesde en zevende lid van overeenkomstige toepassing.
9. Indien een daarmee verband houdende aanvraag van een gezinslid op een later tijdstip is ingediend dan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 onder een beperking verband houdend met verblijf als houder van een Europese blauwe kaart, worden de toepasselijke termijnen uit het vijfde en zesde lid berekend vanaf de datum van de bekendmaking van de beschikking op die aanvraag. Indien het gezinslid is uitgenodigd zijn aanvraag aan te vullen krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, worden de toepasselijke termijnen uit het vijfde, zesde en achtste lid berekend vanaf de datum waarop de aanvraag is vervolledigd, dan wel de termijn voor aanvulling is verstreken.
10. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de beschikking op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 onder een beperking verband houdend met overplaatsing binnen een onderneming bekend gemaakt binnen 90 dagen en kan die termijn niet worden verlengd.
11. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de beschikking op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 onder een beperking verband houdend met wetenschappelijk onderzoek, studie, lerend werken of uitwisseling in het kader van Europees vrijwilligerswerk bekendgemaakt binnen 60 dagen en kan die termijn niet worden verlengd.
12. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Dit voorstel strekt tot aanpassing van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad (PbEU 2021, L 382/1), (hierna: herziene Richtlijn kennismigranten).1 De implementatie van de herziene Richtlijn kennismigranten dient gereed te zijn op 18 november 2023.
De Europese Unie (hierna: EU) beoogt de aanpak voor het aantrekken van hooggekwalificeerde werknemers uit derde landen verder te harmoniseren en te versterken door de bestaande regeling voor deze doelgroep om in de EU te komen werken, aantrekkelijker en effectiever te maken. De Europese blauwe kaart is daarvoor het belangrijkste instrument. De herziene Richtlijn kennismigranten voorziet in snellere procedures, soepelere en inclusievere toelatingscriteria en uitgebreidere rechten ter zake van de Europese blauwe kaart, waaronder vlottere mobiliteit binnen de EU. Aangezien Richtlijn 2009/50/EG daartoe grondig moest worden gewijzigd, trekt de herziene Richtlijn kennismigranten richtlijn 2009/50/EG ten aanzien van toegang en verblijf van kennismigranten in de Europese Unie2 in. De herziene Richtlijn kennismigranten is gebaseerd op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), en met name artikel 79, tweede lid, aanhef en onder a en b, VWEU, welke ziet op het gemeenschappelijk beleid tussen lidstaten op het terrein van immigratie vanuit derde landen naar de EU.
Op grond van de oude Richtlijn kennismigranten (Richtlijn 2009/50/EG) zijn in 2020 circa 150 Europese blauwe kaarten verleend. Op grond van de nationale kennismigrantenregeling zijn in dezelfde periode circa 6.500 vergunningen verleend. Dit verschil is met name gelegen in het feit dat de huidige Europese blauwe kaart-regeling strengere eisen kent (met name een hogere salariseis) en niet goed aansluit op het Nederlandse systeem waarin gewerkt wordt met erkend referenten. Met de herziene Richtlijn kennismigranten wordt beoogd voor de Europese blauwe kaart een gelijk speelveld te creëren wat betreft procedurele rechten en gelijke behandeling, procedures en toegang tot informatie ten opzichte van de nationale kennismigrantenregelingen. Tevens wordt een duidelijk en transparant Uniebreed toelatingsstelsel gecreëerd dat hooggekwalificeerde werknemers uit derde landen voor langere termijn naar de EU trekt én ervoor zorgt dat zij hier blijven en dat daarnaast mobiliteitsbevorderend voor die werknemers is. De criteria voor de afgifte van de Europese blauwe kaart worden versoepeld. Zo wordt de eis dat de aanvrager een arbeidsovereenkomst of een bindend baanaanbod voor ten minste twaalf maanden heeft, verlaagd naar zes maanden.
De arbeids- en geografische mobiliteit van hooggekwalificeerde werknemers uit derde landen binnen de EU wordt beschouwd als een belangrijk instrument voor het bevorderen van arbeidsmarktefficiëntie in de hele EU, het aanvullen van vaardigheidstekorten en het compenseren van regionale onevenwichtigheden. Houders van een Europese blauwe kaart mogen onder vereenvoudigde voorwaarden naar een tweede lidstaat verhuizen. Zij dienen dan wel binnen uiterlijk een maand in deze tweede lidstaat een Europese blauwe kaart aan te vragen (artikel 21, derde lid, herziene Richtlijn kennismigranten). Verder zijn gunstige voorwaarden voor gezinshereniging en toegang tot werk voor echtgenoten een fundamenteel aspect van de herziene Richtlijn kennismigranten, teneinde hooggekwalificeerde werknemers uit derde landen beter te kunnen aantrekken.
In de herziene Richtlijn kennismigranten zijn de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van Richtlijn 2009/50/EG en die worden geïmplementeerd de volgende:
– De versoepeling van toelatingsvoorwaarden van de Europese blauwe kaart (zoals het overleggen van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden in plaats van twaalf maanden en de erkenning van werkervaring als hogere beroepskwalificatie).
– Kortere beslistermijnen voor verschillende situaties (zoals bij verblijf in een tweede lidstaat of verblijf als langdurig ingezetene voormalig houder van een Europese blauwe kaart of verblijf als familielid van een houder van een Europese blauwe kaart) van aanvragen voor een Europese blauwe kaart. De kortere beslistermijnen moeten garanderen dat de vergunningen in alle gevallen snel worden afgegeven.
– De uitbreiding van de reikwijdte van de Richtlijn kennismigranten. Personen die internationale bescherming genieten krijgen het recht een Europese blauwe kaart aan te vragen in andere lidstaten dan de lidstaat die hun internationale bescherming heeft geboden. Ook hooggekwalificeerde onderdanen van derde landen die het recht op vrij verkeer genieten, dienen ter vergemakkelijking van hun autonome mobiliteit en werkactiviteiten binnen de EU in aanmerking te komen voor de Europese blauwe kaart volgens dezelfde regels als alle andere onderdanen van derde landen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen.
– Om innoverend ondernemerschap te bevorderen, krijgen houders van de Europese blauwe kaart de mogelijkheid een activiteit als zelfstandige uit te oefenen naast hun werkzaamheden in het kader van deze Richtlijn, zonder dat dit invloed heeft op hun verblijfsrechten als houders van een Europese blauwe kaart.
– Een aantal wijzigingen heeft betrekking op langdurig ingezetenen die voormalig houder zijn van een Europese blauwe kaart. Om de mobiliteit van hooggekwalificeerde werknemers uit derde landen tussen de EU en hun land van herkomst te bevorderen, wordt voorzien in afwijkingen van Richtlijn 2003/109/EG3 teneinde langere afwezigheidsperioden toe te laten dan die welke in die richtlijn zijn vastgesteld nadat hooggekwalificeerde werknemers uit derde landen de status van EU-langdurig ingezetene in een lidstaat hebben verworven. Daarnaast wordt geregeld dat de langdurig ingezetene die voormalig houder is van de Europese blauwe kaart de gunstigere voorwaarden ten aanzien van gezinshereniging behoudt die hij genoot als houder van de Europese blauwe kaart. Houders van een Europese blauwe kaart die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om van één lidstaat naar een andere lidstaat te verhuizen, krijgen tevens gemakkelijker toegang tot de status van EU-langdurig ingezetene in een lidstaat, met name door de mogelijkheid om perioden van verblijf in verschillende lidstaten te cumuleren.4
– Langere perioden van werkloosheid worden toegestaan, met name wanneer de houder van de Europese blauwe kaart langer dan twee jaar houder is van deze kaart.5
In dit wetsvoorstel worden – naast de toevoeging van een aantal definities – de beslistermijnen voor aanvragen voor verblijf als houder van de Europese blauwe kaart of verblijf als gezinslid van deze houder geregeld. Als hoofdregel geldt een termijn van 90 dagen die niet verlengbaar is. Wanneer, zoals hierboven is beschreven, gebruik wordt of is gemaakt van de mogelijkheid om naar een tweede lidstaat te verhuizen en daar een Europese blauwe kaart aan te vragen, geldt een beslistermijn van dertig dagen, welke in bijzondere en complexe gevallen te verlengen is tot 60 dagen.
De herziene Richtlijn kennismigranten kent ook enkele bepalingen die betrekking hebben op langdurig ingezetenen die voormalig houder van een Europese blauwe kaart zijn. In dit voorstel worden de beslistermijnen voor aanvragen voor verblijf als gezinslid van een langdurig ingezetenen die voormalig houder is van een Europese blauwe kaart gelijkgesteld met de (kortere) beslistermijnen voor gezinsleden van houders van de Europese blauwe kaart.
Daarnaast wordt de aanvangsdatum van de beslistermijn verduidelijkt en wordt een delegatiegrondslag opgenomen voor het stellen van nadere regels over dit artikel. Deze delegatiegrondslag dient ertoe de implementatie van toekomstige Unieregelgeving die tot aanpassing van beslistermijnen noopt, sneller mogelijk te maken.
De beslistermijn ten aanzien van de machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), als bedoeld in artikel 2u, tweede lid, Vw 2000, blijft ongewijzigd. De herziene Richtlijn kennismigranten regelt geen afwijkende beslistermijn ten opzichte van het nationale recht.
De hiervoor genoemde overige wijzigingen worden geregeld in het Vreemdelingenbesluit 2000, het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen en het Besluit inburgering.
Voorzien is dat de wetswijziging onmiddellijke werking zal krijgen. Overgangsrecht is om die reden niet nodig. Ten aanzien van de streeftermijn voor de behandeling van aanvragen voor een Europese blauwe kaart die zijn ingediend door erkend referenten als bedoeld in artikel 2c, Vw 2000 zal in lagere regelgeving worden geborgd dat aanvragen die voor de implementatie van de herziene Richtlijn kennismigranten zijn ingediend, conform de huidige procedure worden afgedaan.
De herziening van de Richtlijn kennismigranten zal leiden tot een toename van het aantal aanvragen van de Europese blauwe kaart. Door het aantrekkelijker maken van de Europese blauwe kaart voor kennismigranten ten opzichte van de nationale regeling, wordt beoogd om meer kennismigranten de keuze te laten maken voor de Europese blauwe kaart. Het is dus niet direct te verwachten dat er een toename zal zijn van het aantal kennismigranten, hetgeen zou leiden tot een toename van het aantal aanvragen, maar veeleer een verschuiving van de nationale aanvragen naar de aanvragen voor een Europese blauwe kaart. In de basis is de IND voldoende toegerust op de uitvoering van deze werkzaamheden.
Tevens is het niet de verwachting dat het verschoven accent van nationale kennismigranten vergunningen naar de Europese blauwe kaart zal leiden tot een toename van het aantal gerechtelijke procedures. De IND is reeds belast met het uitvoeren van gerechtelijke procedures en is in staat om de procedures omtrent de Europese blauwe kaart af te handelen.
De hoofdregel voor de beslistermijn ten aanzien van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder een beperking verband houdend met verblijf als houder van de Europese blauwe kaart blijft een termijn van 90 dagen die niet verlengbaar is. Aangezien de huidige praktijk kan worden voortgezet, is dit haalbaar en uitvoerbaar.
Indien de houder van de Europese blauwe kaart gebruik maakt van de mogelijkheid om onder vereenvoudigde voorwaarden naar Nederland als tweede lidstaat te verhuizen, om daar een nieuwe Europese blauwe kaart aan te vragen op basis van een bestaande arbeidsovereenkomst of een bindend baanaanbod (artikel 21 herziene Richtlijn kennismigranten), dient de beschikking binnen dertig dagen bekend te worden gemaakt. Gelet op het feit dat de houder van de Europese blauwe kaart minimaal twaalf maanden legaal verblijf heeft gehad in de eerste lidstaat als houder van de Europese blauwe kaart en de beperkte toets die moet worden uitgevoerd, wordt ook voor deze groep de beslistermijn van dertig dagen haalbaar en uitvoerbaar geacht.
Ook voor gezinsleden van deze houder die reeds in de vorige lidstaat deel uitmaakten van het gezin, geldt ingevolge artikel 22 herziene Richtlijn kennismigranten een beperkte toets die binnen dertig dagen moet worden uitgevoerd. Gelet op de beperkte omvang van deze toets, wordt de beslistermijn van dertig dagen haalbaar en uitvoerbaar geacht.
De herziene Richtlijn kennismigranten bevat tevens regels ten aanzien van langdurig ingezetenen die voormalig houder zijn van een Europese blauwe kaart, waarbij als uitgangspunt geldt dat zij de gunstiger behandeling ten aanzien van het verblijf van gezinsleden niet verliezen door het verkrijgen van de status als langdurig ingezetenen. Ook voor de gezinsleden van langdurig ingezetenen die voormalig houder zijn van de Europese blauwe kaart geldt derhalve de hoofdregel van 90 dagen voor gezinsleden die zich voegen bij de langdurig ingezetene in de lidstaat waar hij verblijft (artikel 17 en 18, vijfde lid, herziene Richtlijn kennismigranten). Aangezien deze toets gelijk is aan de toets voor houders van de Europese blauwe kaart, wordt deze toets haalbaar en uitvoerbaar geacht.
Wanneer de langdurig ingezetene zich in Nederland als tweede lidstaat vestigt op grond van artikel 14 richtlijn langdurig ingezeten6 geldt voor de beslissing op de aanvraag van gezinsleden die reeds in de eerste lidstaat deel uitmaakten van het gezin een beslistermijn van dertig dagen, welke in complexe gevallen kan worden verlengd tot 60 dagen (artikel 18, vijfde lid, en 22, herziene Richtlijn kennismigranten). Het gaat hier om een beperkte toets die gelijk is aan de toets voor gezinsleden van houders van een Europese blauwe kaart die onder vereenvoudigde voorwaarden naar Nederland als tweede lidstaat verhuizen. Deze toets wordt daarom haalbaar en uitvoerbaar geacht.
Dit voorstel wordt niet ter consultatie aangeboden, aangezien het een implementatie van verplichtende bepalingen uit de herziene Richtlijn kennismigranten betreft.
In het huidige artikel 25, eerste tot en met derde lid, Vw 2000 zijn de hoofdregels over de beslistermijn ten aanzien van de beschikking op aanvraag geregeld. Het huidige vierde, vijfde en zesde lid van artikel 25 Vw 2000 bevatten de uitzonderingen op de hoofdregels die voortvloeien uit de implementatie van de richtlijnen inzake langdurig ingezetenen,7 de bestaande richtlijn kennismigranten,8 de richtlijn overplaatsing binnen een onderneming9 en de richtlijn inzake wetenschappelijk onderzoek, studie, lerend werken of uitwisseling in het kader van Europees vrijwilligerswerk.10 Deze leden behoeven aanpassing, omdat de herziene Richtlijn kennismigranten kortere beslistermijnen voorschrijft waar het gaat om aanvragen voor een Europese blauwe kaart door vreemdelingen die reeds door een andere lidstaat in het bezit zijn gesteld van een Europese blauwe kaart en minimaal direct voorafgaande aan de indiening van de aanvraag gedurende ten minste twaalf maanden als houder van die kaart in die staat hebben verbleven (artikel 21, eerste lid, herziene Richtlijn kennismigranten), respectievelijk ten minste zes maanden vanaf de tweede keer dat de houder gebruik maakt van deze mogelijkheid (artikel 21, elfde lid, herziene Richtlijn kennismigranten), alsmede voor diens gezinsleden. Ook gelden er kortere beslistermijnen voor de houder van de langdurig ingezetene-status die eerder houder was van een Europese blauwe kaart en diens gezinsleden die een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Onder gezinsleden wordt verstaan: onderdanen van derde landen die gezinsleden zijn als bedoeld in artikel 4, eerste lid, Richtlijn 2003/63/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PbEG 2003, L 251).
Deze kortere beslistermijnen worden in het wetsvoorstel geregeld. Omwille van de overzichtelijkheid worden het huidige vijfde en het zesde lid inzake de richtlijnen overplaatsing binnen een onderneming en wetenschappelijk onderzoek, studie, lerend werken of uitwisseling in het kader van Europees vrijwilligerswerk verplaatst naar het nieuwe tiende lid, respectievelijk elfde lid. Deze zijn inhoudelijk ongewijzigd.
In het vijfde lid is de hoofdregel opgenomen voor de beslistermijn die voortvloeit uit de Richtlijn kennismigranten voor de behandeling van de aanvraag tot afgifte van een Europese blauwe kaart en de aanvraag voor verblijf als gezinslid van een houder van een Europese blauwe kaart. Voor zowel de aanvraag van de Europese blauwe kaart zelf als voor de aanvraag van verblijf als gezinslid bij een houder van een Europese blauwe kaart geldt een beslistermijn van 90 dagen (artikel 11, eerste lid, en 17, vierde lid, herziene Richtlijn kennismigranten). Deze termijn kan niet worden verlengd. In de wettekst wordt verwezen naar de beperking verblijf als familie- of gezinslid, omdat dit de benaming is zoals deze wordt gevoerd in artikel 3.4 Vreemdelingenbesluit 2000. Familieleden komen echter niet in aanmerking voor een verblijf bij de houder van de Europese blauwe kaart. Voor een verblijf bij de houder van de Europese blauwe kaart komen uitsluitend in aanmerking gezinsleden als bedoeld in artikel 4, eerste lid, Richtlijn 2003/63/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PbEG 2003, L 251).
Het zesde lid regelt een uitzondering op de hoofdregel uit het vijfde lid voor de situatie dat de hoofdpersoon al in een andere lidstaat houder was van een Europese blauwe kaart en hij in het kader van langetermijnmobiliteit als bedoeld in artikel 21 van de herziene Richtlijn kennismigranten een aanvraag doet tot verblijf in Nederland als houder van een Europese blauwe kaart. In dat geval geldt een beslistermijn van dertig dagen (artikel 21, negende lid, herziene Richtlijn kennismigranten). Aan het verblijf in de eerste lidstaat wordt als voorwaarde verbonden dat de houder van de Europese blauwe kaart gedurende ten minste twaalf maanden als houder van die kaart in de eerste lidstaat heeft verbleven. Indien de houder van de Europese blauwe kaart al een dergelijk verblijf heeft gehad in een eerste lidstaat, geldt dat voor een verblijf in een opvolgende lidstaat een verblijf van ten minste zes maanden als houder van de Europese blauwe kaart in deze opvolgende lidstaat voldoende is.
Indien een gezinslid al in de andere lidstaat deel uitmaakte van het gezin van de houder van de Europese blauwe kaart (gezinshereniging), geldt ook voor de aanvraag van het gezinslid een beslistermijn van dertig dagen (artikel 22, vijfde lid, herziene Richtlijn kennismigranten).
De termijn van 30 dagen is in al deze situaties in bijzondere gevallen van complexe aanvragen verlengbaar met dertig dagen.
Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat indien het gezinslid nog geen deel uitmaakte van het gezin in de andere lidstaat (gezinsvorming), de beslistermijn van 90 dagen geldt als geregeld in het vijfde lid (artikel 17, vierde lid, herziene Richtlijn kennismigranten).
Wanneer de termijn als bedoeld in het zesde lid wordt verlengd, stelt Onze Minister de vreemdeling hiervan binnen de eerste termijn van dertig dagen op de hoogte.
De herziene Richtlijn kennismigranten versterkt niet alleen de positie van beoogde houders van een Europese blauwe kaart, maar ook die van vreemdelingen die in het bezit zijn of waren van een Europese blauwe kaart en die daarna in dezelfde of een tweede lidstaat de status van langdurig ingezetenen hebben gekregen. Vooruitlopend op de herziening van de richtlijn langdurig ingezetenen, wordt daarom in de herziene Richtlijn kennismigranten onder andere geregeld dat de rechten van voormalig houders van een Europese blauwe kaart die daarna de status van langdurig ingezetenen hebben gekregen, behouden blijven voor zover deze betrekking hebben op het verblijf van gezinsleden. Voor deze gezinsleden gelden dezelfde regels als het verblijf van gezinsleden van houders van de Europese blauwe kaart ten aanzien van het verblijf in Nederland als eerste lidstaat (artikel 17 herziene Richtlijn kennismigranten) en het verblijf van gezinsleden in Nederland als tweede lidstaat (artikel 22 herziene Richtlijn kennismigranten) wanneer de langdurig ingezetene gebruik maakt van zijn recht op mobiliteit naar Nederland zoals bepaald in artikel 14 richtlijn langdurig ingezetenen. In dit lid worden de beslistermijnen geregeld ten aanzien van gezinsleden van vreemdelingen die de langdurig ingezetenen status bezitten en die in het verleden houder zijn geweest van de Europese blauwe kaart. Wanneer gezinsleden een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning bij een hoofdpersoon die als langdurig ingezetene in Nederland woont en die in het verleden houder is geweest van een Europese blauwe kaart, geldt een beslistermijn van 90 dagen (het voorgestelde vijfde lid) (artikel 18, vijfde lid, en 17, vierde lid, herziene Richtlijn kennismigranten). Deze termijn kan niet worden verlengd.
Indien de langdurig ingezetene gebruik maakt van de mogelijkheid tot mobiliteit naar Nederland als bedoeld in artikel 14 van de richtlijn langdurig ingezetenen, waarbij hij gedurende een periode van meer dan drie maanden in Nederland verblijft, kan zijn gezinslid dat reeds in de vorige lidstaat onderdeel uitmaakte van zijn gezin onder dezelfde voorwaarden een aanvraag tot verblijf als gezinslid doen als een gezinslid van een houder van een Europese blauwe kaart. Dit betekent dat voor de aanvragen van deze gezinsleden een beslistermijn geldt van dertig dagen (het voorgestelde zesde en zevende) (artikel 18, vijfde lid, en 22, vijfde lid, herziene Richtlijn kennismigranten). In bijzondere gevallen van complexe aanvragen, is deze termijn verlengbaar met dertig dagen. In dat geval stelt Onze Minister de vreemdeling hiervan binnen die termijn op de hoogte.
In het negende lid wordt verduidelijkt wanneer de beslistermijn start bij aanvragen voor verblijf als gezinslid bij de houder van de Europese blauwe kaart, danwel de langdurig ingezetene als voormalig houder van de Europese blauwe kaart, wanneer het gezinslid zijn aanvraag niet gelijktijdig met de (voormalig) houder van de Europese blauwe kaart heeft ingediend, maar pas op een later moment. Als hoofdregel geldt in deze situatie dat de beslistermijn ten aanzien van aanvragen van gezinsleden aanvangt op het moment waarop de beschikking ten aanzien van het verblijf als (voormalig) houder van de Europese blauwe kaart is bekendgemaakt. Indien echter niet-afdoende of onvolledige gegevens zijn overgelegd of verstrekt, wordt het gezinslid in de gelegenheid gesteld om deze gegevens aan te vullen (artikelen 4:5 en 4:15 Algemene wet bestuursrecht). De beslistermijn start dan op het moment dat deze gegevens worden verstrekt, voor zover dit tijdstip ligt nadat ten aanzien van het verblijf als (voormalig) houder van de Europese blauwe kaart is beslist. Indien na afloop van de daartoe gestelde termijn de verzochte informatie niet is aangeleverd, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.
Omwille van de overzichtelijkheid worden het bestaande achtste en negende lid, inhoudende de beslistermijnen bij aanvragen tot een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met overplaatsing binnen een onderneming, respectievelijk, wetenschappelijk onderzoek, studie, lerend werken of uitwisseling in het kader van Europees vrijwilligerswerk, opnieuw vastgesteld. De bepalingen zijn inhoudelijk ongewijzigd.
In het nieuwe twaalfde lid is een delegatiegrondslag opgenomen. Zoals hiervoor aangegeven dient deze delegatiegrondslag ertoe de implementatie van toekomstige Unieregelgeving die tot aanpassing van beslistermijnen noopt, sneller mogelijk te maken. Indien een gedetailleerdere uitwerking van beslistermijnen hierbij noodzakelijk is, maakt de delegatiegrondslag mogelijk dat op een lager niveau van regelgeving te realiseren. Ook bij deze implementatie zal daar gebruik van worden gemaakt.
Indien de aanvraag van de hoofdpersoon gelijktijdig wordt ingediend met de aanvraag van het familielid, geldt dat de besluiten op deze aanvragen gelijktijdig moeten worden vastgesteld en meegedeeld. Indien op de aanvraag van de hoofdpersoon wordt beslist binnen de maximale beslistermijn, geldt voor het familielid dat het besluit op hetzelfde moment bekend gemaakt moet worden. Deze norm zal in het Vreemdelingenbesluit 2000 worden opgenomen op grond van de voorziene delegatiegrondslag die is opgenomen in het nieuwe twaalfde lid.
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst omdat het implementatie van een Richtlijn betreft.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Richtlijn (EU) 2021/1883 van het Europees parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad.
Bij een voormalig houder van de blauwe kaart moet het gaan om een langdurig ingezetene als bedoeld in richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
In het Vreemdelingenbesluit 2000, het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen en het Besluit inburgering. Zie de memorie van toelichting, paragraaf 1.1.
Artikel 17, vierde lid, en artikel 22, vijfde lid, van de herziene richtlijn kennismigranten.
Richtlijn (EU) 2021/1883 van het Europees parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad.
Bij een voormalig houder van de blauwe kaart moet het gaan om een langdurig ingezetene als bedoeld in richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
In het Vreemdelingenbesluit 2000, het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen en het Besluit inburgering. Zie de memorie van toelichting, paragraaf 1.1.
Artikel 17, vierde lid, en artikel 22, vijfde lid, van de herziene richtlijn kennismigranten.
Kamerstukken II 2015/16, 22 112, Fiche 1 en Commissiedocument COM (2016) 378 final, Voorstel Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met als doel hooggekwalificeerde arbeid te verrichten, beschikbaar op EUR-Lex http://eur-lex.Europa.eu/legal-content/EN/TXT/?qid=1465469629774&uri=COM:2016:378:FIN
Richtlijn 2009/50/EG: Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155).
Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16), zoals gewijzigd door richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (PbEU 2011, L 132), dan wel van een door een andere lidstaat van de Europese Unie op grond van deze richtlijn afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.
Europese blauwe kaart houders mogen bijvoorbeeld ook hun verblijf in de Europese Unie op basis van nationale regelingen voor kennismigranten, als statushouder en als student (voor de helft) meetellen om aan de vereiste termijn (vijf jaar) te komen.
Van de mogelijkheid om eenvoudiger procedures en toelatingsvoorwaarden te hanteren voor erkende werkgevers (artikel 13 herziene Richtlijn kennismigranten wordt geen gebruik gemaakt.
Richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16), zoals gewijzigd door richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (PbEU 2011, L 132).
Richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16), zoals gewijzigd door richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (PbEU 2011, L 132).
Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155).
Richtlijn 2014/66/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming (PbEU 2014, L 157).
Richtlijn (EU) 2016/801: richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking) (PbEU 2016, L 132).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2023-9637.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.