Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 24 februari 2023, nr. DGED/DE/22544466, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, inzake de keuze voor het instrument veiling voor de uitgifte van de landelijke commerciële FM-vergunningen en de landelijke DAB-vergunningen in frequentieblok 11C (Besluit bekendmaking veiling vergunningen landelijke commerciële radio-omroep 2023)

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op artikel 3.10, vierde lid, van de Telecommunicatiewet, en artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013;

Besluit:

Artikel 1

De vergunningen voor landelijke commerciële radio-omroep in de FM-band en de DAB-vergunningen in frequentieblok 11C, genoemd in tabel 1, worden, met de daaraan te verbinden voorschriften en beperkingen, verleend met toepassing van een veiling als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Telecommunicatiewet.

Tabel 1: te verdelen vergunningen

Pakket

Bestaande uit (FM-+DAB-vergunning)

Vergunning FM en bereik

Geclausuleerd of ongeclausuleerd

Bijlagen FM-vergunningen

Bijlagen DAB-vergunningen

LCO1

A01 71,56%

ongeclausuleerd

1, 10, 11

20, 21

LCO2

A02 59,04%

ongeclausuleerd

2, 10, 12

20, 21

LCO3

A03 71,69%

ongeclausuleerd

3, 10, 13

20, 21

LCO4

A04 67,17%

Nieuws en actualiteiten

4, 10, 14

20, 21

LCO5

A05 55,79%

ongeclausuleerd

5, 10, 15

20, 21

LCO6

A06 72,28%

ongeclausuleerd

6, 10, 16

20, 21

LCO7

A07 64,16%

ongeclausuleerd

7, 10, 17

20, 21

LCO8

A08 50,38%

ongeclausuleerd

8, 10, 18

20, 21

LCO9

A09 60,90%

Nederlandstalige muziek

9, 10, 19

20, 21

Artikel 2

De aanvraag- en veilingprocedure vangt aan op 7 maart 2023.

Artikel 3

De voorschriften en beperkingen inclusief de (technische) bijlagen behorende bij de vergunningen voor landelijke commerciële radio-omroep in de FM-band en de DAB-vergunningen in frequentieblok 11C, bedoeld in artikel 1, worden voor zover dat reeds mogelijk is, vastgesteld in bijlagen 1 tot en met 21.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Artikel 5

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bekendmaking veiling vergunningen landelijke commerciële radio-omroep 2023.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 24 februari 2023

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, M.A.M. Adriaansens

Tegen dit besluit kan degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken binnen 6 weken na de dag van dagtekening van deze Staatscourant een gemotiveerd beroepschrift indienen bij de rechtbank Rotterdam, Bestuursrecht, Postbus 50951, 3007 BM, Rotterdam. U kunt ook digitaal beroep instellen bij genoemde rechtbank via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op genoemde site voor de precieze voorwaarden.

TOELICHTING

1. Inleiding

De rechtbank Rotterdam heeft in haar uitspraak van 20 juli 2022 het Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, inzake de verlengbaarheid van vergunningen voor landelijke commerciële radio-omroepen in de FM-band en het daarmee samenhangende besluit tot wijziging van het Nationaal Frequentieplan 2014 vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat uiterlijk met ingang van 1 september 2023 de FM-vergunningen voor de kavels A01 tot en met A09 en de daarbij behorende koppeling met frequentieruimte in de band voor digitale radio-omroep (DAB) verleend moeten worden na toepassing van artikel 3.10, eerste lid, van de Telecommunicatiewet.1 Deze uitspraak is op 20 december 2022 bevestigd door het College van Beroep voor het bedrijfsleven.2

2. Verdeling en inhoud besluit

Op grond van artikel 3.10, vierde lid, van de Telecommunicatiewet, moet worden bekendgemaakt of de vergunningen voor de betrokken frequentieruimte worden verleend volgens de procedure van veiling of vergelijkende toets, en op welk tijdstip deze procedure aanvangt. In de Nota Frequentiebeleid 2016 is aangegeven dat voor de uitgifte van schaarse vergunningen – absoluut en relatief – voor iedere commerciële toepassing (dus ook voor omroep) een veiling het aangewezen verdeelinstrument blijft.3 Een veiling bewerkstelligt dat vergunningen terechtkomen bij die marktpartijen die uiteindelijk de meeste waarde weten te realiseren. Voor een nadere toelichting voor de keuze van een veiling als verdeelinstrument wordt verwezen naar de toelichting bij de Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen landelijke commerciële FM-radio-omroep 2023 (hierna: de Regeling).

Met dit besluit wordt daarom bepaald dat de betreffende vergunningen worden verdeeld via een veiling. Daarnaast wordt hierbij mededeling gedaan van het tijdstip waarop de aanvraag- en veilingprocedure van start gaat. Ook wordt mededeling gedaan van de omvang van het demografisch bereik van de te verdelen vergunningen ten tijde van de publicatie van het besluit.

3. Vergunningen

Met dit besluit worden de voorschriften en beperkingen, voor zover dat reeds mogelijk is, vastgesteld voor de vergunningen voor landelijke commerciële radio-omroep in de FM-band en de DAB-vergunningen in frequentieblok 11C.

De voorschriften, beperkingen en de daarbij behorende (technische bijlagen) van de analoge vergunningen zijn respectievelijk opgenomen in de bijlagen 1 tot en met 19. De voorschriften, beperkingen, en de daarbij behorende technische bijlagen en toelichting van de vergunningen voor digitale radio-omroep zijn opgenomen in bijlagen 20 en 21.

De transitie naar DAB is nog niet genoeg gevorderd om bij de uitgifte van de landelijke commerciële vergunningen al te bepalen wanneer de FM-band kan worden afgeschakeld. Omdat de transitie geleidelijk verloopt zal FM naar verwachting nog meerdere jaren het dominante distributiekanaal blijven. Pas naarmate meer luisteraars overstappen op digitale distributiekanalen, zal de betekenis van FM-radiodistributie afnemen. Het is echter geenszins de bedoeling dat de FM verplicht wordt afgeschakeld vóór 2035. Daarvoor is geen reden en verloopt de transitie bovendien te traag.

Om te verzekeren dat partijen daarom zowel over analoog als digitaal spectrum kunnen beschikken in de transitiefase naar DAB, worden de FM- en DAB-vergunningen gecombineerd, dat wil zeggen samen in één pakket, uitgegeven. Dit maakt dat een kavel bestaat uit twee afzonderlijke vergunningen die bij elkaar horen. Zo is in beide vergunningen bepaald dat de vergunning niet meer geldig is, indien de vergunninghouder niet langer tevens houder is van de andere vergunning die deel uitmaakt van hetzelfde pakket. Op deze wijze wordt voorkomen dat de vergunningen afzonderlijk kunnen worden ‘ingeleverd’ dan wel overgedragen.

Aangezien de nieuw uit te geven vergunningen voor landelijke commerciële radio-omroep voor 12 jaar worden uitgegeven, kan de minister gedurende de looptijd van de FM vergunningen besluiten dat het wenselijk is om een mogelijkheid te creëren om de ingebruiknameverplichting van de FM-vergunningen te verlagen. In de vergunning is bepaald dat de vergunninghouder daartoe een verzoek kan indienen. De minister moet echter wel voorafgaand aan een dergelijk verzoek een besluit hebben genomen over de wenselijkheid en de condities bepalen waaronder verzoeken gehonoreerd kunnen worden. Indien een dergelijk verzoek gehonoreerd wordt, heeft dit geen consequenties voor de bijbehorende DAB-vergunning, waarmee de vergunninghouder mag blijven uitzenden.

De simulcastverplichting inhoudende dat een vergunninghouder – kort gezegd – wordt verplicht het programmakanaal (bestaande uit radioprogramma’s) dat op grond van zijn FM-vergunning wordt uitgezonden, ongewijzigd en gelijktijdig digitaal uit te zenden over zijn bijbehorende DAB-vergunning blijft bij de uitgifte van de landelijke commerciële vergunningen behouden. Dit is in lijn met het advies van het onafhankelijk Adviescollege Radio. De simulcastverplichting heeft de afgelopen jaren immers een waardevolle bijdrage geleverd aan de transitie naar digitale radio. De landelijke FM-vergunninghouders spelen, als gevolg van hun relatief sterke positie op de luistermarkt, een belangrijke rol in een succesvolle transitie van analoog naar digitaal. Het continueren van deze verplichting voor de landelijke radiopartijen is dan ook in het belang van de verdere voortgang van de transitie naar DAB. Reden om deze verplichting bij de uitgifte van de landelijke commerciële radiovergunningen te blijven continueren.

Aangezien het verlagen van de ingebruiknameverplichting gevolgen kan hebben voor het al dan niet kunnen blijven uitzenden via de FM-vergunning en daarmee dus ook gevolgen kan hebben voor de simulcastverplichting, is in de DAB-vergunning bepaald dat in dat specifieke geval de vergunninghouder verplicht blijft om ongewijzigd het programmakanaal dat wordt of werd4 uitgezonden middels de FM-vergunning, digitaal te blijven uitzenden.

Mocht een zeer lage ingebruiknameverplichting wenselijk zijn, dan kan de minister eveneens besluiten dat in dat specifieke geval er een mogelijkheid moet zijn om de FM-vergunning in te leveren met behoud van de DAB-vergunning. Het zou hier dus gaan om een afwijking van de hoofdregel dat een DAB-vergunning niet meer geldig is, indien de vergunninghouder niet langer tevens houder is van de bij hetzelfde pakket behorende FM-vergunning. In dit specifieke geval komt ook de simulcastverplichting te vervallen. Voor zover het geclausuleerde FM-vergunningen betreft moet wel gegarandeerd blijven dat de clausulering van kracht blijft. Dit met het oog op de waarde van het spectrum en de jurisprudentie met betrekking tot het object van de vergunning.

De digitale landelijke vergunningen blijven grotendeels ongewijzigd. Zo is nog steeds de verplichting opgenomen om een samenwerkingsovereenkomst te sluiten. Ook de ingebruiknameverplichting blijft op hetzelfde niveau. Opgemerkt wordt dat het hier gaat om een ondergrens die is vastgelegd in de vergunning. Het staat partijen uiteraard vrij om extra investeringen te doen en er op die wijze voor te zorgen dat het netwerk robuuster wordt.

Voor de goede orde wordt er nog op gewezen dat uit artikel 3.10, vierde lid, tweede volzin, van de Telecommunicatiewet volgt dat die onderdelen van de vergunning die pas na de procedure van de veiling kunnen worden vastgesteld, niet worden opgenomen in dit besluit. Hierbij valt te denken aan de naam van de toekomstige vergunninghouder, de te betalen veilingprijs en de dossiernummers van de vergunningen.

4. Clausuleringen

Sinds de uitgifte van de vergunningen in 2003 zijn er vijf clausuleringen van toepassing. Het gaat daarbij om de volgende clausuleringen: Nederlandstalige muziek, nieuws en actualiteiten, recente bijzondere muziek, niet-recente bijzondere muziek en klassieke en/of jazz muziek.

De clausuleringen kunnen echter ten koste gaan van een rendabele exploitatie van de vergunningen, immers het gaat hier om vergunningen die verhoudingsgewijs lage inkomsten uit reclame of verhoudingsgewijs hoge kosten hebben vanwege de aard, inhoud of doelgroep daarvan. Waar een clausulering enerzijds de pluriformiteit kan bevorderen, staat daar tegenover dat er minder frequentieruimte overblijft waarin partijen in vrije concurrentie kunnen zorgen voor een specifiek onderscheidend aanbod. Een uitgifte maakt het mogelijk om te bezien of het nog noodzakelijk is om hetgeen in 2003 bedacht is te handhaven. Via andere distributievormen, te denken valt aan onder andere internet, komt er anno 2022 voldoende gedifferentieerd aanbod tot stand.

Het is om deze reden dat de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft besloten dat er nog twee clausuleringen worden gehandhaafd, te weten Nederlandstalige muziek en nieuws en actualiteiten.5 Deze twee clausuleringen vormen nog steeds een aanvulling op de gewenste pluriformiteit in het medialandschap. De overige drie clausuleringen (recente bijzondere muziek, niet-recente bijzondere muziek en klassieke muziek of jazzmuziek) zijn niet langer noodzakelijk om voldoende gedifferentieerd aanbod tot stand te brengen. Uit praktische overwegingen worden de clausuleringen gehandhaafd op dezelfde FM-vergunningen waar ze nu al aan verbonden zijn, te weten A04 (Nieuws) en vergunning A09 (Nederlandstalige muziek).

5. Start aanvraag- en veilingprocedure

De procedure vangt aan op 7 maart 2023. Vanaf die datum kunnen aanvragen worden ingediend. Op grond van de Regeling hebben aanvragers vanaf die datum vier weken de tijd om hun aanvraag in te dienen, op de wijze zoals is voorgeschreven in de Regeling. In die regeling zijn ingevolge de artikelen 8, 9 en 10 van het Frequentiebesluit 2013 de regels neergelegd inzake de aanvraag van een vergunning (pakket), de eisen die aan de aanvrager worden gesteld en de wijze waarop de veiling plaatsvindt. Deze eisen dragen bij aan het selecteren van een bestendige vergunninghouder, voorafgaand aan de daadwerkelijke veiling.

6. Uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Dit besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit houdt in dat het voorgenomen besluit zes weken, namelijk van 12 januari 2023 tot en met 23 februari 2023, publiek ter inzage heeft gelegen zodat eenieder zijn of haar zienswijze hierop kon geven. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit ontwerpbesluit tevens zes weken is geconsulteerd op www.internetconsultatie.nl (van 29 november 2023 tot en met 9 januari 2023).

Hieronder wordt op de gegeven zienswijzen ingegaan voor zover zij betrekking hebben op dit besluit tot veilen van de landelijke commerciële vergunningen en de daarbij behorende bijlagen. Dit betekent dat niet nader zal worden ingegaan op zienswijzen die betrekking hebben op andere onderwerpen of andere beleidsmatige wensen.

Een aantal respondenten stelt dat een vergelijkende toets (al dan niet met een financieel bod) een meer geschikte verdeelmethode zou zijn voor in ieder geval één geclausuleerde vergunning. Op die manier zouden bij de verdeling van deze vergunning niet alleen financiële belangen een rol spelen, maar ook – zo begrijpt de minister de inbreng op dit punt – inhoudelijke aspecten die een rol kunnen spelen bij de exploitatie van een radiozender met een geclausuleerde vergunning. In aanvulling daarop stelt een van deze respondenten dat de Nota frequentiebeleid 2016 deze verdeelmethode niet uitsluit.

Hierop wordt als volgt gereageerd. De vergelijkende toets is een verdeelmethode die is toegestaan op grond van artikel 3.10, eerste lid, van de Telecommunicatiewet. In dat kader onderscheidt artikel 3.10, eerste lid, de vergelijkende toets zonder een financieel bod (onderdeel c), de vergelijkende toets met inbegrip van een financieel bod (onderdeel d), en de vergelijkende toets, die zo nodig wordt gevolgd door een veiling (onderdeel e). De kern van een vergelijkende toets is dat (ook) kan worden geselecteerd op een aantal vooraf vastgestelde inhoudelijke criteria. De verdeling van de geclausuleerde vergunningen in 2003 vond bijvoorbeeld plaats door middel van een vergelijkende toets met financieel bod.6 Kern van de verdeling in 2003 was dat deelnemers werden beoordeeld en gerangschikt aan de hand van hun zogenoemde programmatische voornemens (hoeveel procent van hun zendtijd willen zij minimaal besteden aan, bijvoorbeeld, bijzondere muziek of nieuws), hun bedrijfsplan, en uiteindelijk, als op basis van deze criteria geen winnaar kon worden aangewezen, de hoogte van het financieel bod.7 Nadeel van het verdelen middels vergelijkende toets is dat het opstellen en beoordelen van deze criteria, en daarmee ook de aanvragen, in hoge mate subjectief en bewerkelijk is. Dat maakt een vergelijkende toets erg complex en kan de uitkomst daarvan snel onderwerp van juridische procedures worden. In de Nota mobiele communicatie 2016, die door deze respondent wordt aangehaald, is dan ook niet voor niets het uitgangspunt bepaald dat schaarse vergunningen, zoals de FM-vergunningen, worden verdeeld door middel van een (wél objectieve) veiling. Verder is relevant, dat de minister als doel heeft dat de vergunde frequentieruimte doelmatig wordt gebruikt. De minister en de Staatssecretaris van OCW vinden het weliswaar belangrijk dat de geclausuleerde vergunningen worden gebruikt voor het uitzenden van bijzondere muziek (Nederlandstalig) en nieuws, maar dit belang wordt al voldoende gewaarborgd door de criteria die de Staatssecretaris van OCW heeft vastgesteld in de Regeling aanwijzing en gebruik frequentieruimte commerciële radio-omroep 2003. Verder speelt uiteraard ook een rol, dat de rechter de minister heeft opgedragen om de vergunningen met ingang van 1 september 2023 opnieuw te verdelen. De minister verwacht, gelet op de complexiteit van (het vaststellen van de regels voor) een vergelijkende toets, dat zij dan in ieder geval niet zou kunnen voldoen aan de uitspraak van de rechter. Gelet op al het voorgaande houdt de minister vast aan haar keuze voor een veiling. Een veiling bewerkstelligt dat vergunningen terecht komen bij de marktpartijen die uiteindelijk de meeste waarde weten te realiseren met deze commercieel te benutten frequentieruimte. De Regeling aanwijzing en gebruik frequentieruimte commerciële radio-omroep 2003 zorgt ervoor dat met de geclausuleerde vergunningen de gewenste pluriformiteit wordt bevorderd.

Een respondent pleit ervoor de zogenoemde simulcastverplichting op te heffen. De minister begrijpt deze zienswijze aldus, dat indiener zich niet kan vinden in de verdeling van de beschikbare vergunningen in 9 pakketten, die elk bestaan uit één FM-vergunning en één DAB-vergunning.

De door indiener genoemde simulcastverplichting, die was opgenomen in de ontwerpvergunningen, verplicht vergunninghouders er – kort gezegd – toe om met de DAB-vergunning hetzelfde uit te zenden als wat de vergunninghouder uitzendt met de tot hetzelfde pakket behorende FM-vergunning. Volgens de indiener heeft deze simulcastverplichting, die in 2011 in het leven is geroepen, de afgelopen 11 jaar nauwelijks bijgedragen aan de overgang van FM naar DAB.

De indiener pleit ervoor, zo begrijpt de minister, dat de FM-vergunningen en DAB-vergunningen elk afzonderlijk, dus niet als pakketten van elk één FM-vergunning en één DAB-vergunning, en zonder simulcastverplichting worden verdeeld. Hierop wordt als volgt gereageerd.

De minister verschilt met de indiener van mening over de resultaten van de koppeling tussen FM- en DAB-vergunningen sinds 2011 en de bijbehorende simulcastverplichting. Hoewel het gebruik van DAB+ naar de mening van de minister nog niet op een voldoende hoog niveau is, hebben de hiervoor genoemde instrumenten wel degelijk een bijdrage geleverd aan de overgang naar DAB+. Om de transitie naar digitaal ook in de toekomst te blijven bevorderen wordt de simulcastverplichting gehandhaafd.

De minister is van mening dat de nieuwe uitgifte van de vergunningen in pakketten van elk één FM-vergunning en één DAB-vergunning eveneens een goede bijdrage kan leveren aan de overgang naar DAB+ en dit is in lijn is met het huidige digitaliseringsbeleid. Op deze wijze zijn partijen in de transitiefase immers verzekerd dat zij zowel over FM- als over DAB-spectrum kunnen beschikken. Het los veilen van analoog en digital spectrum biedt die zekerheid niet. Partijen weten dan nooit of zij er daadwerkelijk in slagen om zowel analoog als digitaal spectrum te verwerven. Daarbij komt dat de transitie van analoog naar digitaal langzaam verloopt. Dit heeft tot gevolg dat FM naar verwachting nog een behoorlijk aantal jaren het dominante distributiekanaal zal blijven. De minister zal in ieder geval niet eenzijdig besluiten tot verplichte afschakeling van de FM gedurende de looptijd van de vergunningen uit de te verdelen pakketten, hetgeen er eveneens voor pleit om gemengde pakketten uit te geven. Hiermee geeft de minister bovendien gevolg aan een aanbeveling van het onafhankelijke Adviescollege verdeling frequentieruimte commerciële radio. Ook dit adviescollege acht het behoud van de simulcastverplichting noodzakelijk om de digitale transitie voort te zetten, waarbij het adviescollege logischerwijs uitgaat van de uitgifte van gecombineerd spectrum.

Als de vergunningen toch in pakketten van elk één FM-vergunning en één DAB-vergunning zouden worden verdeeld, dan pleit een respondent ervoor om de zogenoemde DAB-restcapaciteit afzonderlijk te verdelen als aparte “DAB-only”-vergunningen. Het zou hierbij dan gaan om drie losse DAB-vergunningen. Partijen die bieden op de te verdelen pakketten zouden dan ook mee mogen bieden op de drie losse DAB-vergunningen, waarbij er wel een cap moet worden ingesteld op de hoeveelheid te verwerven digitale frequenties, aldus deze respondent.

Hierover wordt het volgende opgemerkt. Om een veiling van de zogenoemde restcapaciteit mogelijk te maken, zou het samenstel van de gecombineerde commerciële vergunningen gewijzigd moeten worden. Uit tabel 1 van het bekendmakingsbesluit volgt dat de beschikbare digitale frequentieruimte in frequentieblok 11C “gekoppeld“ is aan 9 landelijke commerciële FM-vergunningen. Aangezien in frequentieblok 11C in totaal een bandbreedte beschikbaar is van 1152 kB/s,8 betekent dit dat in elk van de gecombineerde pakketten, digitaal spectrum beschikbaar is met een bandbreedte van 128 kB/s. Om eventuele restruimte te kunnen veilen zou een bandbreedte van 96 kB/s moeten worden gekozen. De minister heeft echter bewust gekozen om de digitale ruimte waarover toekomstige vergunninghouders kunnen beschikken gelijk te houden aan de bandbreedte waarop de landelijke publieke omroepen (NPO) nu uitzenden (128 kB/s). Een dergelijke bandbreedte biedt aan toekomstige landelijke commerciële vergunninghouders de meeste garanties om effectief te kunnen concurreren. De minister merkt eveneens op dat een verdeling van drie extra DAB-only-vergunningen niet past in de gekozen systematiek van een eenvoudige SMRA en het gelijktijdig veilen van 9 landelijke commerciële pakketten. Zo merkt Auctiometrix in het rapport van 15 maart 2022 op dat indien de koppeling tussen analoog en digitaal spectrum wordt losgelaten, alleen de FM-vergunningen het best door middel van een simultane meerrondenveiling verdeeld kunnen worden. De DAB-vergunningen in laag 2 kunnen het best verdeeld worden door middel van een discrete klokveiling met exit bids, net zoals de DAB-vergunningen in laag 7 eerder zijn verdeeld.

Een respondent merkt op dat in punt 2.2 van de toelichting bij het conceptbesluit staat dat (louter) een veiling bewerkstelligt dat vergunningen terechtkomen bij die marktpartijen die uiteindelijk de meeste waarde weten te realiseren. De respondent geeft aan dat het ontwerpbesluit op dit punt niet volledig was en meer in lijn zou moeten zijn de toelichting op de regeling, daar waar het gaat om de doelstellingen die ten grondslag liggen aan de veiling. De minister begrijpt de respondent aldus dat bedoeld is te betogen dat het bekendmakingsbesluit op dit punt aanvulling behoeft of niet juist zou zijn.

De minister kan deze respondent niet volgen in zijn betoog. Op grond van artikel 3.10, vierde lid, van de Telecommunicatiewet, moet worden bekendgemaakt of de vergunningen voor de betrokken frequentieruimte worden verleend volgens de procedure van veiling of vergelijkende toets, en op welk tijdstip deze procedure aanvangt. Hieruit volgt dat in het bekendmakingsbesluit alleen moet worden opgenomen welke procedure van toepassing is op de uitgifte. In het onderhavige geval is gekozen voor de procedure van een veiling. De minister verwijst voor deze keuze naar de Nota Frequentiebeleid 2016 en naar de eerdere reactie op een zienswijze die opriep tot een (gedeeltelijke) vergelijkende toets. Er zijn echter verschillende veilingmodellen. De keuze voor een veilingmodel en de doelstellingen die daaraan ten grondslag liggen, zijn nader uiteen gezet in de Regeling aanvraag-en veilingprocedure vergunningen landelijke commerciële FM-radio-omroep 2023, waarnaar wordt verwezen in het onderhavige besluit. De minister ziet dan ook geen aanleiding om het bekendmakingsbesluit op dit punt aan te vullen.

Een respondent is van mening dat het voorkomen van een winner's curse bij toekomstige verdelingen meer aandacht vraagt. Volgens deze respondent zijn er andere biedmethoden denkbaar die dit risico zouden kunnen verkleinen of zelfs wegnemen.

Zoals de respondent terecht opmerkt is het veilingmodel gekozen aan de hand van een aantal doelstellingen, te weten: eenvoud, realistische veilingopbrengst, keuzevrijheid en transparantie. Onder een “realistische veilingopbrengst” wordt door de minister een opbrengst verstaan die de marktwaarde van de te verlenen vergunningen weerspiegelt. Deze doelstelling ziet eveneens op de vraag of op grond van de veilingregels eenvoudig een optimale biedstrategie is te bepalen. De simultanemeerondenveiling voldoet hier bij uitstek aan. Partijen kunnen op eenvoudige wijze bepalen op welke pakketten zij willen bieden. Dit verlaagt de kans op een winner´s curse. Ook het delen van biedinformatie aan de bieders draagt hiertoe bij.

Een andere doelstelling betreft het behalen van een realistische veilingopbrengst. Hieronder wordt verstaan dat partijen niet teveel bieden. De simultanemeerrondenveiling scoort als open-bod veiling op dit criterium ook goed, aangezien partijen in een open-bod veiling van elkaars biedingen kunnen leren. Het leereffect is bedoeld om de kans op een winner´s curse te verkleinen. Opgemerkt zij dat een winner´s curse nooit helemaal uitgesloten kan worden. Daar waar de respondent van mening is dat andere biedmethoden denkbaar zijn die dit risico zouden kunnen verkleinen of zelfs wegnemen, kan de minister deze respondent niet volgen. Temeer niet nu deze stelling niet is onderbouwd en de minister een gerenommeerd veilingexpert om advies heeft gevraagd.

Een aantal respondenten kan zich vinden in de voorgenomen duur van de vergunningen van 12 jaar. Een respondent geeft aan dat deze termijn past bij het uitgangspunt in artikel 3.17, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, waarin is bepaald dat vergunningen worden verleend voor een bij die vergunning te bepalen termijn, die passend is met het oog op het doel van de veiling, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met het belang van waarborging van mededinging en een doelmatig frequentiegebruik en van bevordering van innovatie en efficiënte investeringen, onder meer door te voorzien in een passende periode voor de afschrijving van investeringen. Deze respondent geeft aan dat een kortere periode desastreus zou zijn voor de kans van nieuwe partijen om toe te treden tot deze markt.

Een aantal respondenten geeft aan dat de looptijd van de pakketten te lang te vinden met het oog op een eventuele afschakeling en de onzekerheid over de afschakeldatum. Een aantal respondenten zijn daarbij van mening dat het afschakelmoment voor 2035 zal liggen, derhalve voor de afloopdatum van de vergunningen.

Een aantal respondenten geeft daarbij aan dat het in de rede zou liggen om de looptijd van in ieder geval de FM-vergunningen te beperken tot een periode van zes jaar, al dan niet met een optie om te verlengen. Een looptijd van 12 jaar ontneemt vergunninghouders de stimulans om effectief te investeren in de overgang van FM naar DAB, aldus deze respondenten. Een andere respondent geeft de minister in overweging om de looptijd van de vergunningen die zullen worden geveild in eerste instantie te beperken tot 1 januari 2030.

De minister begrijpt de ingebrachte zienswijzen aldus dat partijen van mening zijn dat er veel onzekerheden zijn over de afschakeldatum. Partijen geven daarnaast een verkeerde uitleg aan de door de minister toegezegde evaluatie van de digitale transitie, de doelstellingen daarvan, en de opgenomen bepaling in de vergunningen die het mogelijk maken om de ingebruiknameverplichting van de FM- vergunning naar beneden bij te stellen.

Het is geenszins de bedoeling dat de FM verplicht wordt afgeschakeld vóór 2035. Daarvoor is geen reden en verloopt de transitie bovendien te traag. Zo geeft Dialogic in een rapport van oktober 2022 aan dat er tot op heden geen andere waardevolle invulling is voor de FM-frequentieband en dat dit een van de bepalende factoren is om tot een zinvolle afschakeling te komen. Vanuit dit perspectief is er dus geen sterke economische prikkel om af te schakelen. Ten opzichte van 2017 en het eerder door Dialogic gedane onderzoek, hebben hier geen veranderingen plaatsgevonden, en ook in de komende jaren worden daarin geen drastische veranderingen verwacht. De minister onderschrijft dit beeld. Nu er geen zicht is op een ander gebruik van de FM-band wereldwijd is er geen reden om aan te nemen dat in de komende periode van twaalf jaar een (door de overheid) verplichte afschakeling gaat plaatsvinden. De minister gaat er derhalve van uit dat een verplichte afschakeling van de FM-band pas na 2035 gaat plaatsvinden in overeenstemming met de radiosector als geheel.

Een verplichte afschakeling zal echter wel zorgvuldig moeten worden voorbereid en tijdig moeten worden aangekondigd. Tegen die achtergrond moet dan ook de door de minister in haar brief van 28 november 2022, Kamerstuk 24 095, nr. 571 , aangekondigde evaluatie worden begrepen. Zoals in deze brief is aangegeven kan pas in 2029/2030 worden bepaald of een afschakeling in 2035 realistisch is. Mocht dit zo zijn, dan kan in samenspraak met zowel commerciële als publieke partijen worden bezien welke stappen nodig zijn om die datum daadwerkelijk te realiseren. Het tijdig inzetten van noodzakelijke stappen is immers ook in het belang van de luisteraars, die zich dan tijdig kunnen voorbereiden. Hiermee is dus gezegd dat het bepalen van een mogelijke datum niet gelijk is aan het daadwerkelijke afschakelen zelf. Verwezen wordt naar voorbeelden uit het verleden, zoals bijvoorbeeld het afschakelen van de analoge televisiezenders.

Het is ook in het belang van de vergunninghouders zelf om tijdig en lang van te voren te weten wanneer er daadwerkelijk afgeschakeld gaat worden. Dit heeft onder andere consequenties voor de wijze van uitgifte. De evaluatie heeft dus als doel om een eventuele afschakeldatum in de toekomst zorgvuldig voor te bereiden.

De minister ziet dan ook geen reden om op basis van deze ingebrachte argumentatie de looptijd van de vergunningen te wijzigen. Deze looptijd is zorgvuldig gekozen en heeft mede tot doel om nieuwe partijen een reële kans te bieden om tot de landelijke radiomarkt toe te treden. Dit was ook de achterliggende gedachte van de uitspraken van de rechtbank Rotterdam en het CBb. Hoe langer een nieuwkomer de tijd krijgt om investeringen terug te verdienen, hoe groter de kans is dat er zich ook daadwerkelijk nieuwkomers zullen aanmelden voor de veiling. Met een termijn van twaalf jaar krijgen nieuwkomers een eerlijke kans om de investeringen terug te verdienen en te financieren. Een periode van zes jaar is daarvoor veel te kort en zou nieuwe partijen van de veiling kunnen weren. De minister verwijst in dit verband naar artikel 3.10, tweede lid, van de Telecommunicatiewet. Hierin is bepaald dat de keuze voor de toe te passen procedure, bedoeld in het eerste lid, mede als doel heeft om de mededinging te stimuleren. Artikel 3.17 van de wet bepaalt daarom dat vergunningen worden verleend voor een bij die vergunning te bepalen termijn die passend is, gelet op de in artikel 3.10, tweede lid, bedoelde doelen, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met het belang van waarborging van mededinging en een doelmatig frequentiegebruik en van bevordering van innovatie en efficiënte investeringen, onder meer door te voorzien in een passende periode voor de afschrijving van investeringen.

Een aantal respondenten geeft aan dat dat de onzekerheid over de afschakeldatum de waarde van de FM-vergunningen ten tijde van de veiling wezenlijk beïnvloedt. Respondenten geven aan dat zij van mening zijn dat de waarde voor het gebruik van alleen de DAB-vergunning, zoals ook wordt geïllustreerd door de uitkomsten van de veiling daarvan in 2021, veel lager is dan de waarde van de FM-vergunning.

Ieders verwachting is dat DAB als distributiekanaal geleidelijk aan belang blijft winnen ten opzichte van FM en uiteindelijk dominant wordt. De constatering dat DAB-spectrum in 2021 minder waard was dan FM-spectrum, moet dan ook op dat moment in de tijd worden gezien. Deze waardeverhoudingen zullen gaan schuiven. Bij de veiling kan een vergunninghouder een inschatting maken van de waarde van het gehele pakket, rekening houdend met de verwachting dat het belang van FM zal afnemen en dat van DAB zal toenemen. Dat er mogelijk ook andere digitale distributievormen zijn, maakt dit niet anders.

Een aantal respondenten geeft aan dat het onduidelijk is wat de financiële consequenties zijn voor het op basis van artikel 36 van de concept-veilingregeling voldane bedrag, als bijvoorbeeld na acht jaar door een vergunninghouder conform de voorschriften de FM-vergunning wordt afgeschakeld. Respondenten zijn van mening dat vergunninghouders bij voortijdige afschakeling van FM financieel gecompenseerd moeten worden, omdat er dan naar de mening van deze respondenten teveel zou zijn betaald. Een andere respondent geeft aan dat indien wordt vastgehouden aan de termijn van 12 jaar, de vergunninghouders slechts gehouden zou zijn tot betaling van de helft van het financiële bod. Pas als, mede gelet op de evaluatie, de FM-vergunning na verloop van zes jaar daadwerkelijk met nog eens zes jaar wordt gecontinueerd zou de tweede termijn verschuldigd zijn.

Zoals de minister hierboven reeds uiteen heeft gezet, is er geen reden om aan te nemen dat de afschakeldatum voor 2035 zal liggen. Evenmin is de minister voornemens voor 1 september 2035 afschakeling te verplichten. Tussentijdse teruggave van de FM-vergunning, na een eventueel besluit van de minister hieromtrent, zal in ieder geval vrijwillig zijn. Daarom zijn er naar de mening van de minister dan ook geen redenen om, als een vergunninghouder in de toekomst vrijwillig FM zou willen afschakelen, een gedeelte van de biedingen terug te betalen. Het opnemen van een garantie in de regeling met een dergelijke strekking, zou bovendien de veiling en de uitkomsten daarvan kunnen verstoren. Deelnemende partijen zouden dan juist minder realistisch biedingen (te hoog) kunnen uitbrengen, hetgeen in strijd is met uitgangspunten van de veiling. Ook andere varianten die respondenten voorstellen zijn daarmee niet te rijmen.

Een aantal respondenten verwijst in dit kader ook naar de mogelijkheid die in de vergunning is opgenomen door de ingebruiknameverplichting te verlagen. Ook hier zou volgens deze respondenten uit volgen dat de vergunningsduur van de FM korter is dan bij de start van de veiling.

In artikel 2, vierde lid van de FM-vergunning is bepaald de minister gedurende de looptijd kan besluiten dat het wenselijk is om de ingebruiknameverplichting van de FM-vergunningen te verlagen. In de vergunning is bepaald dat de vergunninghouder daartoe een verzoek kan indienen. De minister moet echter wel voorafgaand aan een dergelijk verzoek een besluit hebben genomen over de wenselijkheid en de condities bepalen waaronder verzoeken gehonoreerd kunnen worden. Bedoeld is om met deze bepaling een mogelijkheid te creëren voor partijen, die zelf van mening zijn dat de kosten van het (in volle omvang) uitzenden van FM-distributie niet langer opwegen tegen de baten, de verzorging van hun FM netwerk te verlagen. Dit kan door gedurende de looptijd van de FM-vergunning om de ingebruiknameverplichting aan te passen naar een niveau dat lager ligt dan in de te veilen FM-vergunningen. Dit moment kan voor elke partij anders liggen en staat los van een algemene datum voor (verplichte) afschakeling van FM. Het gaat hier dus niet om een bepaling waaruit afgeleid zou kunnen worden dat afschakeling voor 2035 in de rede zou liggen. Deze bepaling geeft de vergunninghouder alleen de mogelijkheid om op basis van eigen (economische) inzichten de FM verzorging vrijwillig te verminderen. Een dergelijke keuze van een vergunninghouder heeft dus, ervan uitgaande dat hieraan een primair economische overweging ten grondslag ligt, geen nadelige gevolgen voor de waarde van het pakket gedurende de veiling.

Een respondent geeft aan de betreffende bepaling uit de vergunning aldus te begrijpen dat de houder de FM-vergunning mag behouden zonder deze te gebruiken. Deze respondent geeft aan dat dit moeilijk valt te rijmen met een doelmatig frequentiegebruik.

De minister benadrukt dat niet op voorhand vaststaat dat een verzoek tot verlaging van de ingebruiknameverplichting leidt tot een ingebruiknameverplichting van nul. Het artikel is bedoeld om de optie te houden om de ingebruiknameverplichting tijdens de looptijd van de vergunning te verlagen, met name als de ontwikkeling van DAB ten faveure van FM daartoe aanleiding geeft. Mocht een dergelijke lage ingebruiknameverplichting wenselijk zijn, dan is de minister, naar aanleiding van de ingebrachte zienswijze, van mening dat dat een ingebruiknameverplichting van nul zonder teruggavemogelijkheid van de FM-vergunning inderdaad niet te rijmen valt met doelmatig frequentiegebruik. De minister geeft daarom aan dat indien er gebruik gemaakt gaat worden van de discretionaire bevoegdheid om in voorkomend geval toe te staan dat de ingebruiknameverplichting op een lager niveau kan worden vastgesteld, er eveneens in dat specifieke geval de mogelijkheid moet zijn om de FM-vergunning in te leveren met behoud van de DAB-vergunning. Het zou hier dus gaan om een afwijking van de hoofdregel dat een DAB-vergunning niet meer geldig is, indien de vergunninghouder niet langer tevens houder is van de bij hetzelfde pakket behorende FM-vergunning. Voor zover het geclausuleerde FM-vergunningen betreft moet wel gegarandeerd blijven dat de clausulering van kracht blijft. Dit met het oog op de waarde van het spectrum en de jurisprudentie met betrekking tot het object van de vergunning.

Of het daadwerkelijk wenselijk is om van deze bevoegdheid gebruik te maken, valt op dit moment nog niet te bepalen. Het is dan ook niet mogelijk om bij dit besluit aan te geven of, en zo ja onder welke aanvullende voorwaarden de minister tot een dergelijk besluit over zal gaan.

Een respondent geeft aan van mening te zijn dat indien een vergunninghouder voor een andere zenderoperator kiest, deze vergunninghouder dan niet kan voldoen aan de ingebruiknameverplichting. De minister begrijpt deze zienswijze aldus dat de respondent voorstelt om de ingebruiknameverplichting te verruimen.

Krachtens artikel 2 lid 2 van de conceptvergunningen dient een vergunning binnen drie maanden in gebruik te worden genomen en houdt de vergunninghouder deze daarna in gebruik. Bij de DAB-vergunningen is bepaald dat het demografische bereik binnen 3 maanden na 1 september 2023 gerealiseerd moet zijn. Deze ingebruiknametermijnen zijn vergelijkbaar met de ingebruiknametermijnen zoals die gelden bij andere FM- of DAB-vergunningen. De minister heeft geen concrete aanwijzingen dat deze termijnen onjuist zijn vastgesteld of onrealistisch zijn. Met de termijn van 3 maanden wordt bovendien voorkomen dat radioprogramma’s onnodig lang niet (goed) te ontvangen zijn. Er zijn dan ook geen redenen om de ingebruiknameverplichting in de FM- en DAB-vergunningen te wijzigen en te verruimen.

Een respondent is in de veronderstelling dat bij besluit van de minister de verplichting om 24 uur per etmaal, ten minste ieder uur, nieuws uit te zenden is teruggebracht tot 16 uur per etmaal, namelijk tussen 7.00 en 23.00 uur. Deze wijziging zou volgends deze respondent betekenen dat de verplichting om ´s nachts actueel nieuws uit te zenden zou komen te vervallen voor commerciële (landelijke) radiozenders.

Deze veronderstelling is onjuist. Sinds 2003 is in Regeling aanwijzing en gebruik frequentieruimte commerciële radio-omroep 2003 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Media alleen voor het nieuwskavel opgenomen dat in het radioprogramma tussen 07.00 uur en 19.00 uur en tussen 19.00 uur en 23.00 uur, voor zover in laatstgenoemde uren wordt uitgezonden, ten minste eenmaal per uur op het hele uur en tussen 23.00 uur en 07.00 uur, voor zover in deze uren wordt uitgezonden, ten minste eenmaal per twee uur op het hele uur een programmaonderdeel bestaande uit nieuws, is opgenomen. Voor de andere landelijke commerciële vergunningen is de verplichting om tussen 07.00 en 23.00 uur, voor zover in deze uren wordt uitgezonden, ten minste eenmaal per uur op het hele uur een programmaonderdeel dat geheel bestaat uit nieuws uit te zenden, vastgelegd in de vergunning. Er zijn hierin sinds 2003 geen wijzigingen aangebracht. Deze zienswijzen blijft hier daarom verder onbesproken.

Een respondent geeft aan dat er onenigheid kan ontstaan over de DAB-samenwerking en dat hierover niets is opgenomen in de vergunning.

In de DAB-vergunning is opgenomen dat alle vergunninghouders binnen 3 maanden na verlening van de vergunning een samenwerkingsovereenkomst moeten sluiten. Het sluiten van deze overeenkomst is vervolgens een verantwoordelijkheid van de vergunninghouders.

Een aantal respondenten heeft opmerkingen over de technische bepalingen in de vergunningen. Een aantal van deze opmerkingen hebben geleid tot aanpassingen in de FM-vergunningen. Alleen opmerkingen die betrekking hadden op de voorliggende concept-vergunningen dan wel het concept bekendmakingsbesluit zijn meegenomen.

Zo hebben respondenten aangegeven dat het niet in de lijn der verwachting is dat er op redelijke termijn een mast komt in Gilze.

De minister onderschrijft dit. Het is daarom niet zinvol uit te gaan van deze locatie in de vergunningen. De tijdelijke locaties in Breda en Loon op Zand zijn daarom opgenomen in het definitieve besluit.

Een aantal respondenten geeft aan dat er een verschil zit in de geconsulteerde zenderdata en de data waarmee de verzorgingspercentages zijn uitgerekend.

In de geconsulteerde versie van de FM- vergunningen zat inderdaad in een aantal gevallen een verschil tussen de gepubliceerde zenderdata en de zenderdata waarmee de verzorging wordt uitgerekend. In het definitieve besluit is dit verschil gecorrigeerd.

Een respondent geeft aan dat de hoogtecorrectie voor Lopik 100,7 MHz in het verleden om onduidelijke reden anders verlopen is dan bij vergelijkbare frequenties van de publieke omroep en vraagt dit te corrigeren.

Het is inderdaad juist dat bij de betreffende mast de hoogtecorrectie anders is uitgevoerd dan bij vergelijkbare frequenties bij de publieke omroep. Dit verschil had te maken met de beperkte toegestane toename in demografisch bereik. De eerder opgenomen reducties zijn niet langer noodzakelijk. Ten onrechte was dit nog wel opgenomen in de betreffende conceptvergunning. De extra reductie is echter niet meer meegenomen in het definitieve besluit.

Een aantal respondenten geeft aan dat voor een tweetal zenders in Rotterdam een mixed polarisatie in de ontwerpvergunning had moeten staan in plaats van de horizontale polarisatie.

Om onnodige investeringen na de veiling te voorkomen is het wenselijk dat bestaande antennesystemen zo veel mogelijk opnieuw gebruikt kunnen worden. Het is daarom wenselijk om de polarisaties zoals die nu gebruikt worden te blijven hanteren (op verzoek van de toekomstige vergunninghouder kunnen deze overigens aangepast worden). In de definitieve vergunning is daarom de polarisatie aangepast naar mixed.

Een respondent is van mening dat de mast in Vlissingen 90,0 MHz in het verleden een extra reductie opgelegd heeft gekregen vangwege de toename in het demografische bereik. Deze respondent is van mening dat bij de nieuwe uitgifte van de vergunningen extra reductie niet meer van toepassing zijn.

Zoals hierboven uiteen is gezet, is dit een terecht punt. Ook hier is de definitieve vergunning aangepast en is deze reductie niet meer meegenomen.

Een respondent geeft aan het dat het hem niet lukt de door de RDI berekende verzorgingspercentages van de FM vergunningen te reproduceren.

Na onderzoek is gebleken dat dit een terechte constatering is. De gepubliceerde percentages bleken gedateerd te zijn. In het definitieve bekendmakingsbesluit zijn de percentages opnieuw berekend, rekening houdend met alle relevante input vanuit de consultatie. Het bekendmakingsbesluit is hierop aangepast.

Een respondent geeft aan dat na de implementatie en de reparatie/optimalisatierondes en de netverbeteringen de afgelopen jaren een aantal frequenties om diverse redenen door vergunninghouders zijn teruggegeven. De respondent is van mening dat nieuwe vergunninghouders zelf zouden moeten kunnen besluiten of ze die frequenties alsnog willen gebruiken.

Zoals de respondent terecht aangeeft zijn deze frequenties op verzoek van de bestaande vergunninghouders teruggegeven met het oogmerk van reparatie, optimalisatie of netverbetering. Kennelijk vertegenwoordigde deze frequenties geen economische waarde, bijvoorbeeld doordat het bereik van een andere zender/frequentie hierdoor beperkt werd, of waren deze frequenties niet goed te implementeren binnen de vergunningsvoorwaarden. Na het inleveren van deze frequenties, zijn deze nationaal niet langer beschermd bij de behandeling van wijzigings- en optimalisatieverzoeken, dit zou immers de mogelijkheden hiervan onnodig inperken. Deze frequenties kunnen daarom niet in alle gevallen meer op dezelfde manier ingezet worden.

Een respondent geeft aan dat de geconsulteerde vergunningen onnodige technische beperkingen bevatten. Zo geeft deze respondent aan dat het onduidelijk is met welke polarisatie wordt uitgezonden.

In de FM-vergunning wordt uitgegaan van de feitelijke situatie. Als een antenne systeem eenmaal geïmplementeerd is, dan is de polarisatie van het FM signaal niet eenvoudig aan te passen. Mocht dit echter gedurende de looptijd toch wenselijk zijn, dan kan de vergunning hierop aangepast worden. Aangezien dit van beperkte invloed is op de verzorging zal dit naar verwachting weinig consequenties hebben.

Daarnaast geeft deze respondent aan van mening te zijn dat er onnodig in de vergunning bepaald wordt dat er stereo uitzendingen moeten plaatsvinden. De respondent is van mening dat ook toegestaan moet worden dat er in mono uitgezonden kan worden.

Gezien het maatschappelijk belang van de commerciële landelijke omroepen vindt de minister het van belang dat de FM uitzenden met een goede kwaliteit plaatsvinden. Daarbij past de eis om stereo uit te zenden. Daarnaast gaat de zerobasenorm, die in samenspraak met de sector is vastgesteld, ook uit van stereo. De FM-vergunningen zijn naar aanleiding van deze zienswijze niet aangepast.

Een respondent geeft aan dat de onmogelijkheid om SFN frequenties naar een ander kavel te transfereren moet worden geschrapt.

Commerciële FM-radionetwerken, die bestaan uit meerdere zenders, maken gebruik van SFN-techniek om de storing tussen de zenders onderling zo klein mogelijk te laten zijn. Daarnaast wordt de FM verzorging gebaseerd op de met de markt overeengekomen Zerobase norm. De norm houdt er rekening mee dat wanneer zenders in frequentie dicht bij elkaar staan, deze (beduidend) minder onderlinge interferentie veroorzaken als deze hetzelfde signaal uitzenden- het zogenaamde (Near) Single Frequency Network ((N)SFN) -, waardoor de verzorging van deze zenders (beduidend) groter is. Het uitzenden van het zelfde signaal is daarom in deze gevallen spectrum efficiënt en is dan ook een vereiste in de vergunningen.

Voor zover deze respondent bedoeld te betogen dat SFN frequenties moet worden losgelaten om het mogelijk te maken dat frequenties onderling tussen pakket geruild worden, wordt daarover het volgende opgemerkt. Het is voor geen enkele vergunninghouder mogelijk om zenders van het ene pakket over te hevelen naar een ander pakket. Dit staat los van de SFN bepaling in de vergunningen. Het loslaten van de SFN bepaling om deze reden heeft naast de hierboven genoemde technische gevolgen, ook gevolgen op beleidsmatig terrein. Zo kan het loslaten van deze techniek invloed hebben op de concurrentieverhoudingen en het object van de vergunning. Om deze redenen kan dan ook niet op worden overgegaan tot aanpassing of afschaffing van deze bepaling.

Een respondent geeft aan van mening te zijn dat niet bepaald moet worden met welk programma men uitzendt, zolang men aan de clausulering voldoet.

In het besluit en ontwerp vergunningen zijn geen andere eisen opgenomen dan reeds gesteld door de respondent, zolang binnen het pakket sprake is van één programma.

Een respondent geeft aan dat verplaatsing van een zender binnen de Genève ’84 rechten mogelijk moet zijn met alleen een meldplicht.

Bij iedere verplaatsing of aanpassing van de vergunning blijft gelden dat het object van de vergunning niet aangepast mag worden. Een meldplicht alleen is daarom ook in deze gevallen niet mogelijk. Daarnaast zal bij iedere verplaatsing getoetst moeten worden of dit impact heeft op andere vergunninghouders. Indien dit het geval is, dan kan dat er toe leiden dat er aanvullende eisen opgenomen moeten worden in de aangepaste vergunning.

Een respondent geeft aan dat de koppeling van een FM-kavel aan een demografische bereik zal moeten worden losgelaten.

De waarde van het LCO pakket wordt in belangrijke mate bepaald door het demografisch bereik. Het is daarom niet mogelijk om na vergunningverlening dit demografische bereik onbeperkt aan te passen. Dat zou er immers toe leiden dat het object van de vergunning wordt aangepast.

Een respondent geeft aan dat er diverse restfrequenties in de database van de RDI staan die toegevoegd zouden kunnen worden aan de landelijke FM kavels.

Zoals de respondent reeds constateert worden deze frequenties gereserveerd voor andere doeleinden, zoals evenementen. Het anders inzetten van deze frequenties vraagt een uitgebreide studie, en beleids- en belangenafweging, onder andere in afstemming met belanghebbenden. Gezien de korte tijd waarbinnen de veiling van de landelijke commerciële vergunningen moet plaatsvinden en het relatieve beperkte belang van deze restfrequenties t.o.v. de het demografisch bereik van de te veilen pakketten, is het niet opportuun om een dergelijke studie nu uit te voeren. Bovendien is niet op voorhand gezegd dat deze frequenties moeten of kunnen worden toebedeeld aan de landelijke FM-kavels.

De minister van Economische Zaken en Klimaat, M.A.M. Adriaansens

BIJLAGE 1 CONCEPTVERGUNNING FM KAVEL A01

Artikel 1. Definities

In deze vergunning wordt verstaan onder:

a. minister:

Minister van Economische Zaken en Klimaat;

b. vergunning:

vergunning als bedoeld in artikelen 3.13 en 3.14 van de Telecommunicatiewet en artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013 voor het gebruik van frequentieruimte in de band van 87,5-104,8 MHz;

c. kavel:

frequentie of samenstel van frequenties, behorend bij een vergunning;

d. pakket:

combinatie van vergunningen als bedoeld in artikel 1 van Besluit bekendmaking veiling vergunningen landelijke commerciële radio-omroep 2023 bestaande uit een vergunning voor FM-kavel A01 en een vergunning voor DAB+ in frequentieblok 11C;

e. ziekenhuis:

instelling voor medisch-specialistische zorg als bedoeld in artikel 1.2, onder 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi;

f. commerciële radio-omroep:

radio-omroep als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008 die wordt verzorgd door een commerciële media-instelling als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet.

Artikel 2. Gebruiksrecht

  • 1. Het gebruiksrecht omvat het gebruik van de frequentieruimte, opgenomen in de bijlage bij deze vergunning, voor landelijke commerciële radio-omroep zonder clausulering (kavel A01).

  • 2. De vergunninghouder neemt de aan hem toegewezen frequentieruimte binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze vergunning in gebruik en houdt deze in gebruik.

  • 3. De vergunninghouder neemt daarbij de voorschriften en beperkingen bedoeld in de artikelen 3 tot en met 11 en de bijlagen van deze vergunning in acht.

  • 4. In afwijking van het tweede lid, kan de ingebruiknameverplichting op aanvraag van de vergunninghouder worden verlaagd, indien de minister daaraan voorafgaand kenbaar heeft gemaakt dat een verlaging wenselijk is en onder welke voorwaarden dit mogelijk is.

Artikel 3. Non Interference Base

  • 1. Frequenties ten aanzien waarvan in de bijlage is opgenomen dat zij op Non Interference Base zijn verleend, mogen geen storing veroorzaken op andere vergunninghouders en ondervonden storing van andere vergunninghouders dient door de vergunninghouder te worden geaccepteerd.

  • 2. De technische parameters van de in het eerste lid bedoelde zenders kunnen in het kader van doelmatig frequentiegebruik tussentijds gewijzigd of ingetrokken worden.

Artikel 4. Beperkingen ter voorkoming van grootsignaalgedrag

De vergunninghouder zorgt ervoor dat in totaal ten hoogste 2000 inwoners in een of meer gebieden woonachtig zijn waar de veldsterkte veroorzaakt door de frequentie 101,7 MHz te Breda onderscheidenlijk 101,9 MHz te Tilburg hoger is dan 95 dBuV/m. De veldsterkte wordt bepaald op anderhalve meter hoogte.

Artikel 5. Beperkingen ter uitvoering van de Beleidsregel storing door het gewenste signaal van radiozendapparaten

  • 1. De vergunninghouder veroorzaakt:

    • a. geen ontoelaatbare belemmeringen door het gewenste signaal van radioapparaten in andere radioapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen, en

    • b. in het frequentiegebied van 100 kHz tot en met 2,5 GHz in ziekenhuizen, alsmede op de percelen waar deze ziekenhuizen staan, geen piekwaarde van de elektrische veldsterkte die gelijk is aan of hoger is dan 5,4 volt per meter.

  • 2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien een vergunninghouder op of in een ziekenhuis of het perceel waarop dat ziekenhuis staat een radioapparaat heeft geplaatst met schriftelijke instemming van dat ziekenhuis.

Artikel 6. Programmatische voorschriften

De vergunninghouder is verplicht de aan hem vergunde frequentieruimte te gebruiken voor het uitzenden van een radioprogramma voor landelijke commerciële radio-omroep waarin tussen 07.00 en 23.00 uur, voor zover in deze uren wordt uitgezonden, ten minste eenmaal per uur op het hele uur een programmaonderdeel is opgenomen dat geheel bestaat uit nieuws.

Artikel 7. Wijzigingen betreffende verbondenheid

  • 1. De vergunninghouder informeert de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur onmiddellijk over:

    • a. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen uitoefenen;

    • b. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect kan uitoefenen op het beleid van andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen;

    • c. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid, en

    • d. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, is de vergunninghouder niet verplicht informatie te verstrekken voor zover die informatie betrekking heeft op:

    • a. het kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op of door rechtspersonen ten aanzien waarvan hij aan de minister schriftelijk en zonder enig voorbehoud heeft verklaard dat hij met die rechtspersonen één rechtspersoon vormt als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep, of

    • b. het door natuurlijke personen kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op rechtspersonen als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep die vallen onder de verklaring, bedoeld in onderdeel a.

Artikel 8. Kennisgeving ingebruikname

  • 1. De vergunninghouder, of een gemachtigde, stelt de Minister van elke wijziging in het gebruik van de frequentieruimte uiterlijk vier weken voorafgaand aan die wijziging schriftelijk in kennis.

  • 2. De vergunninghouder overlegt de technische gegevens in elektronische vorm conform het format zoals opgenomen op de website van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur.

Artikel 9. Correspondentie

Kennisgevingen en correspondentie die verband houden met deze vergunning, worden gericht aan de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur te Groningen, tenzij door of vanwege de minister anders wordt aangegeven.

Artikel 10. Bijbehorende vergunning voor DAB+

De vergunninghouder is tevens houder van de vergunning voor DAB+ die deel uitmaakt van pakket LCO1.

Artikel 11. Duur van de vergunning

Deze vergunning is geldig van 1 september 2023 tot en met 31 augustus 2035, dan wel tot en met de dag waarop de vergunninghouder niet langer houder is van de bijbehorende vergunning voor DAB+, zoals bedoeld in artikel 10.

BIJLAGE 2 CONCEPTVERGUNNING FM KAVEL A02

Artikel 1. Definities

In deze vergunning wordt verstaan onder:

a. minister:

Minister van Economische Zaken en Klimaat;

b. vergunning:

vergunning als bedoeld in artikelen 3.13 en 3.14 van de Telecommunicatiewet en artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013 voor het gebruik van frequentieruimte in de band van 87,5-104,8 MHz;

c. kavel:

frequentie of samenstel van frequenties, behorend bij een vergunning;

d. pakket:

combinatie van vergunningen als bedoeld in artikel 1 van Besluit bekendmaking veiling vergunningen landelijke commerciële radio-omroep 2023 bestaande uit een vergunning voor FM-kavel A02 en een vergunning voor DAB+ in frequentieblok 11C;

e. ziekenhuis:

instelling voor medisch-specialistische zorg als bedoeld in artikel 1.2, onder 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi;

f. commerciële radio-omroep:

radio-omroep als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008 die wordt verzorgd door een commerciële media-instelling als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet.

Artikel 2. Gebruiksrecht

  • 1. Het gebruiksrecht omvat het gebruik van de frequentieruimte, opgenomen in de bijlage bij deze vergunning, voor landelijke commerciële radio-omroep zonder clausulering (kavel A02).

  • 2. De vergunninghouder neemt de aan hem toegewezen frequentieruimte binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze vergunning in gebruik en houdt deze in gebruik.

  • 3. De vergunninghouder neemt daarbij de voorschriften en beperkingen bedoeld in de artikelen 3 tot en met 11 en de bijlagen van deze vergunning in acht.

  • 4. In afwijking van het tweede lid, kan de ingebruiknameverplichting op aanvraag van de vergunninghouder worden verlaagd, indien de minister daaraan voorafgaand kenbaar heeft gemaakt dat een verlaging wenselijk is en onder welke voorwaarden dit mogelijk is.

Artikel 3. Non Interference Base

  • 1. Frequenties ten aanzien waarvan in de bijlage is opgenomen dat zij op Non Interference Base zijn verleend, mogen geen storing veroorzaken op andere vergunninghouders en ondervonden storing van andere vergunninghouders dient door de vergunninghouder te worden geaccepteerd.

  • 2. De technische parameters van de in het eerste lid bedoelde zenders kunnen in het kader van doelmatig frequentiegebruik tussentijds gewijzigd of ingetrokken worden.

Artikel 4. Beperkingen ter voorkoming van grootsignaalgedrag

De vergunninghouder zorgt ervoor dat het gebruik van de frequentie 103,0 MHz te Hilversum zodanig is, dat per frequentie in totaal ten hoogste 2000 inwoners te maken hebben met een veldsterkte hoger dan 95 dBuV/m. De veldsterkte wordt bepaald op anderhalve meter hoogte.

Artikel 5. Beperkingen ter uitvoering van de Beleidsregel storing door het gewenste signaal van radiozendapparaten

  • 1. De vergunninghouder veroorzaakt:

    • a. geen ontoelaatbare belemmeringen door het gewenste signaal van radioapparaten in andere radioapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen, en

    • b. in het frequentiegebied van 100 kHz tot en met 2,5 GHz in ziekenhuizen, alsmede op de percelen waar deze ziekenhuizen staan, geen piekwaarde van de elektrische veldsterkte die gelijk is aan of hoger is dan 5,4 volt per meter.

  • 2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien een vergunninghouder op of in een ziekenhuis of het perceel waarop dat ziekenhuis staat een radioapparaat heeft geplaatst met schriftelijke instemming van dat ziekenhuis.

Artikel 6. Programmatische voorschriften

De vergunninghouder is verplicht de aan hem vergunde frequentieruimte te gebruiken voor het uitzenden van een radioprogramma voor landelijke commerciële radio-omroep waarin tussen 07.00 en 23.00 uur, voor zover in deze uren wordt uitgezonden, ten minste eenmaal per uur op het hele uur een programmaonderdeel is opgenomen dat geheel bestaat uit nieuws.

Artikel 7. Wijzigingen betreffende verbondenheid

  • 1. De vergunninghouder informeert de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur onmiddellijk over:

    • a. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen uitoefenen;

    • b. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect kan uitoefenen op het beleid van andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen;

    • c. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid, en

    • d. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, is de vergunninghouder niet verplicht informatie te verstrekken voor zover die informatie betrekking heeft op:

    • a. het kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op of door rechtspersonen ten aanzien waarvan hij aan de minister schriftelijk en zonder enig voorbehoud heeft verklaard dat hij met die rechtspersonen één rechtspersoon vormt als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep, of

    • b. het door natuurlijke personen kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op rechtspersonen als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep die vallen onder de verklaring, bedoeld in onderdeel a.

Artikel 8. Kennisgeving ingebruikname

  • 1. De vergunninghouder, of een gemachtigde, stelt de Minister van elke wijziging in het gebruik van de frequentieruimte uiterlijk vier weken voorafgaand aan die wijziging schriftelijk in kennis.

  • 2. De vergunninghouder overlegt de technische gegevens in elektronische vorm conform het format zoals opgenomen op de website van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur.

Artikel 9. Correspondentie

Kennisgevingen en correspondentie die verband houden met deze vergunning, worden gericht aan de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur te Groningen, tenzij door of vanwege de minister anders wordt aangegeven.

Artikel 10. Bijbehorende vergunning voor DAB+

De vergunninghouder is tevens houder van de vergunning voor DAB+ die deel uitmaakt van pakket LCO2.

Artikel 11. Duur van de vergunning

Deze vergunning is geldig van 1 september 2023 tot en met 31 augustus 2035, dan wel tot en met de dag waarop de vergunninghouder niet langer houder is van de bijbehorende vergunning voor DAB+, zoals bedoeld in artikel 10.

BIJLAGE 3 CONCEPTVERGUNNING FM KAVEL A03

Artikel 1. Definities

In deze vergunning wordt verstaan onder:

a. minister:

Minister van Economische Zaken en Klimaat;

b. vergunning:

vergunning als bedoeld in artikelen 3.13 en 3.14 van de Telecommunicatiewet en artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013 voor het gebruik van frequentieruimte in de band van 87,5-104,8 MHz;

c. kavel:

frequentie of samenstel van frequenties, behorend bij een vergunning;

d. pakket:

combinatie van vergunningen als bedoeld in artikel 1 van Besluit bekendmaking veiling vergunningen landelijke commerciële radio-omroep 2023 bestaande uit een vergunning voor FM-kavel A03 en een vergunning voor DAB+ in frequentieblok 11C;

e. ziekenhuis:

instelling voor medisch-specialistische zorg als bedoeld in artikel 1.2, onder 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi;

f. commerciële radio-omroep:

radio-omroep als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008 die wordt verzorgd door een commerciële media-instelling als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet.

Artikel 2. Gebruiksrecht

  • 1. Het gebruiksrecht omvat het gebruik van de frequentieruimte, opgenomen in de bijlage bij deze vergunning, voor landelijke commerciële radio-omroep zonder clausulering (kavel A03).

  • 2. De vergunninghouder neemt de aan hem toegewezen frequentieruimte binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze vergunning in gebruik en houdt deze in gebruik.

  • 3. De vergunninghouder neemt daarbij de voorschriften en beperkingen bedoeld in de artikelen 3 tot en met 10 en de bijlagen van deze vergunning in acht.

  • 4. In afwijking van het tweede lid, kan de ingebruiknameverplichting op aanvraag van de vergunninghouder worden verlaagd, indien de minister daaraan voorafgaand kenbaar heeft gemaakt dat een verlaging wenselijk is en onder welke voorwaarden dit mogelijk is.

Artikel 3. Non Interference Base

  • 1. Frequenties ten aanzien waarvan in de bijlage is opgenomen dat zij op Non Interference Base zijn verleend, mogen geen storing veroorzaken op andere vergunninghouders en ondervonden storing van andere vergunninghouders dient door de vergunninghouder te worden geaccepteerd.

  • 2. De technische parameters van de in het eerste lid bedoelde zenders kunnen in het kader van doelmatig frequentiegebruik tussentijds gewijzigd of ingetrokken worden.

Artikel 4. Beperkingen ter uitvoering van de Beleidsregel storing door het gewenste signaal van radiozendapparaten

  • 1. De vergunninghouder veroorzaakt:

    • a. geen ontoelaatbare belemmeringen door het gewenste signaal van radioapparaten in andere radioapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen, en

    • b. in het frequentiegebied van 100 kHz tot en met 2,5 GHz in ziekenhuizen, alsmede op de percelen waar deze ziekenhuizen staan, geen piekwaarde van de elektrische veldsterkte die gelijk is aan of hoger is dan 5,4 volt per meter.

  • 2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien een vergunninghouder op of in een ziekenhuis of het perceel waarop dat ziekenhuis staat een radioapparaat heeft geplaatst met schriftelijke instemming van dat ziekenhuis.

Artikel 5. Programmatische voorschriften

De vergunninghouder is verplicht de aan hem vergunde frequentieruimte te gebruiken voor het uitzenden van een radioprogramma voor landelijke commerciële radio-omroep waarin tussen 07.00 en 23.00 uur, voor zover in deze uren wordt uitgezonden, ten minste eenmaal per uur op het hele uur een programmaonderdeel is opgenomen dat geheel bestaat uit nieuws.

Artikel 6. Wijzigingen betreffende verbondenheid

  • 1. De vergunninghouder informeert de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur onmiddellijk over:

    • a. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen uitoefenen;

    • b. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect kan uitoefenen op het beleid van andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen;

    • c. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid, en

    • d. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, is de vergunninghouder niet verplicht informatie te verstrekken voor zover die informatie betrekking heeft op:

    • a. het kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op of door rechtspersonen ten aanzien waarvan hij aan de minister schriftelijk en zonder enig voorbehoud heeft verklaard dat hij met die rechtspersonen één rechtspersoon vormt als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep, of

    • b. het door natuurlijke personen kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op rechtspersonen als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep die vallen onder de verklaring, bedoeld in onderdeel a.

Artikel 7. Kennisgeving ingebruikname

  • 1. De vergunninghouder, of een gemachtigde, stelt de Minister van elke wijziging in het gebruik van de frequentieruimte uiterlijk vier weken voorafgaand aan die wijziging schriftelijk in kennis.

  • 2. De vergunninghouder overlegt de technische gegevens in elektronische vorm conform het format zoals opgenomen op de website van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur.

Artikel 8. Correspondentie

Kennisgevingen en correspondentie die verband houden met deze vergunning, worden gericht aan de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur te Groningen, tenzij door of vanwege de minister anders wordt aangegeven.

Artikel 9. Bijbehorende vergunning voor DAB+

De vergunninghouder is tevens houder van de vergunning voor DAB+ die deel uitmaakt van pakket LCO3.

Artikel 10. Duur van de vergunning

Deze vergunning is geldig van 1 september 2023 tot en met 31 augustus 2035, dan wel tot en met de dag waarop de vergunninghouder niet langer houder is van de bijbehorende vergunning voor DAB+, zoals bedoeld in artikel 9.

BIJLAGE 4 CONCEPTVERGUNNING FM KAVEL A04

Artikel 1. Definities

In deze vergunning wordt verstaan onder:

a. minister:

Minister van Economische Zaken en Klimaat;

b. vergunning:

vergunning als bedoeld in artikelen 3.13 en 3.14 van de Telecommunicatiewet en artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013 voor het gebruik van frequentieruimte in de band van 87,5-104,8 MHz;

c. kavel:

frequentie of samenstel van frequenties, behorend bij een vergunning;

d. pakket:

combinatie van vergunningen als bedoeld in artikel 1 van Besluit bekendmaking veiling vergunningen landelijke commerciële radio-omroep 2023 bestaande uit een vergunning voor FM-kavel A04 en een vergunning voor DAB+ in frequentieblok 11C;

e. ziekenhuis:

instelling voor medisch-specialistische zorg als bedoeld in artikel 1.2, onder 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi;

f. commerciële radio-omroep:

radio-omroep als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008 die wordt verzorgd door een commerciële media-instelling als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet.

Artikel 2. Gebruiksrecht

  • 1. Het gebruiksrecht omvat het gebruik van de frequentieruimte, opgenomen in de bijlage bij deze vergunning, voor landelijke commerciële radio-omroep met clausulering nieuws (kavel A04).

  • 2. De vergunninghouder neemt de aan hem toegewezen frequentieruimte binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze vergunning in gebruik en houdt deze in gebruik.

  • 3. De vergunninghouder neemt daarbij de voorschriften en beperkingen bedoeld in de artikelen 3 tot en met 10 en de bijlagen van deze vergunning in acht.

  • 4. In afwijking van het tweede lid, kan de ingebruiknameverplichting op aanvraag van de vergunninghouder worden verlaagd, indien de minister daaraan voorafgaand kenbaar heeft gemaakt dat een verlaging wenselijk is en onder welke voorwaarden dit mogelijk is.

Artikel 3. Non Interference Base

  • 1. Frequenties ten aanzien waarvan in de bijlage is opgenomen dat zij op Non Interference Base zijn verleend, mogen geen storing veroorzaken op andere vergunninghouders en ondervonden storing van andere vergunninghouders dient door de vergunninghouder te worden geaccepteerd.

  • 2. De technische parameters van de in het eerste lid bedoelde zenders kunnen in het kader van doelmatig frequentiegebruik tussentijds gewijzigd of ingetrokken worden.

Artikel 4. Beperkingen ter uitvoering van de Beleidsregel storing door het gewenste signaal van radiozendapparaten

  • 1. De vergunninghouder veroorzaakt:

    • a. geen ontoelaatbare belemmeringen door het gewenste signaal van radioapparaten in andere radioapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen, en

    • b. in het frequentiegebied van 100 kHz tot en met 2,5 GHz in ziekenhuizen, alsmede op de percelen waar deze ziekenhuizen staan, geen piekwaarde van de elektrische veldsterkte die gelijk is aan of hoger is dan 5,4 volt per meter.

  • 2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien een vergunninghouder op of in een ziekenhuis of het perceel waarop dat ziekenhuis staat een radioapparaat heeft geplaatst met schriftelijke instemming van dat ziekenhuis.

Artikel 5. Programmatische voorschriften

De vergunninghouder is verplicht de aan hem vergunde frequentieruimte voor analoge landelijke commerciële radio-omroep met clausulering nieuws te gebruiken in overeenstemming met de programmatische voorschriften zoals opgenomen in artikel <artikel> van de Regeling aanwijzing en gebruik frequentieruimte commerciële radio-omroep 2003.

Artikel 6. Wijzigingen betreffende verbondenheid

  • 1. De vergunninghouder informeert de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur onmiddellijk over:

    • a. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen uitoefenen;

    • b. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect kan uitoefenen op het beleid van andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen;

    • c. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid, en

    • d. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, is de vergunninghouder niet verplicht informatie te verstrekken voor zover die informatie betrekking heeft op:

    • a. het kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op of door rechtspersonen ten aanzien waarvan hij aan de minister schriftelijk en zonder enig voorbehoud heeft verklaard dat hij met die rechtspersonen één rechtspersoon vormt als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep, of

    • b. het door natuurlijke personen kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op rechtspersonen als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep die vallen onder de verklaring, bedoeld in onderdeel a.

Artikel 7. Kennisgeving ingebruikname

  • 1. De vergunninghouder, of een gemachtigde, stelt de Minister van elke wijziging in het gebruik van de frequentieruimte uiterlijk vier weken voorafgaand aan die wijziging schriftelijk in kennis.

  • 2. De vergunninghouder overlegt de technische gegevens in elektronische vorm conform het format zoals opgenomen op de website van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur.

Artikel 8. Correspondentie

Kennisgevingen en correspondentie die verband houden met deze vergunning, worden gericht aan de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur te Groningen, tenzij door of vanwege de minister anders wordt aangegeven.

Artikel 9. Bijbehorende vergunning voor DAB+

De vergunninghouder is tevens houder van de vergunning voor DAB+ die deel uitmaakt van pakket LCO4.

Artikel 10. Duur van de vergunning

Deze vergunning is geldig van 1 september 2023 tot en met 31 augustus 2035, dan wel tot en met de dag waarop de vergunninghouder niet langer houder is van de bijbehorende vergunning voor DAB+, zoals bedoeld in artikel 9.

BIJLAGE 5 CONCEPTVERGUNNING FM KAVEL A05

Artikel 1. Definities

In deze vergunning wordt verstaan onder:

a. minister:

Minister van Economische Zaken en Klimaat;

b. vergunning:

vergunning als bedoeld in artikelen 3.13 en 3.14 van de Telecommunicatiewet en artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013 voor het gebruik van frequentieruimte in de band van 87,5-104,8 MHz;

c. kavel:

frequentie of samenstel van frequenties, behorend bij een vergunning;

d. pakket:

combinatie van vergunningen als bedoeld in artikel 1 van Besluit bekendmaking veiling vergunningen landelijke commerciële radio-omroep 2023 bestaande uit een vergunning voor FM-kavel A05 en een vergunning voor DAB+ in frequentieblok 11C;

e. ziekenhuis:

instelling voor medisch-specialistische zorg als bedoeld in artikel 1.2, onder 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi;

f. commerciële radio-omroep:

radio-omroep als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008 die wordt verzorgd door een commerciële media-instelling als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet.

Artikel 2. Gebruiksrecht

  • 1. Het gebruiksrecht omvat het gebruik van de frequentieruimte, opgenomen in de bijlage bij deze vergunning, voor landelijke commerciële radio-omroep zonder clausulering (kavel A05).

  • 2. De vergunninghouder neemt de aan hem toegewezen frequentieruimte binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze vergunning in gebruik en houdt deze in gebruik.

  • 3. De vergunninghouder neemt daarbij de voorschriften en beperkingen bedoeld in de artikelen 3 tot en met 10 en de bijlagen van deze vergunning in acht.

  • 4. In afwijking van het tweede lid, kan de ingebruiknameverplichting op aanvraag van de vergunninghouder worden verlaagd, indien de minister daaraan voorafgaand kenbaar heeft gemaakt dat een verlaging wenselijk is en onder welke voorwaarden dit mogelijk is.

Artikel 3. Non Interference Base

  • 1. Frequenties ten aanzien waarvan in de bijlage is opgenomen dat zij op Non Interference Base zijn verleend, mogen geen storing veroorzaken op andere vergunninghouders en ondervonden storing van andere vergunninghouders dient door de vergunninghouder te worden geaccepteerd.

  • 2. De technische parameters van de in het eerste lid bedoelde zenders kunnen in het kader van doelmatig frequentiegebruik tussentijds gewijzigd of ingetrokken worden.

Artikel 4. Beperkingen ter uitvoering van de Beleidsregel storing door het gewenste signaal van radiozendapparaten

  • 1. De vergunninghouder veroorzaakt:

    • a. geen ontoelaatbare belemmeringen door het gewenste signaal van radioapparaten in andere radioapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen, en

    • b. in het frequentiegebied van 100 kHz tot en met 2,5 GHz in ziekenhuizen, alsmede op de percelen waar deze ziekenhuizen staan, geen piekwaarde van de elektrische veldsterkte die gelijk is aan of hoger is dan 5,4 volt per meter.

  • 2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien een vergunninghouder op of in een ziekenhuis of het perceel waarop dat ziekenhuis staat een radioapparaat heeft geplaatst met schriftelijke instemming van dat ziekenhuis.

Artikel 5. Programmatische voorschriften

De vergunninghouder is verplicht de aan hem vergunde frequentieruimte te gebruiken voor het uitzenden van een radioprogramma voor landelijke commerciële radio-omroep waarin tussen 07.00 en 23.00 uur, voor zover in deze uren wordt uitgezonden, ten minste eenmaal per uur op het hele uur een programmaonderdeel is opgenomen dat geheel bestaat uit nieuws.

Artikel 6. Wijzigingen betreffende verbondenheid

  • 1. De vergunninghouder informeert de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur onmiddellijk over:

    • a. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen uitoefenen;

    • b. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect kan uitoefenen op het beleid van andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen;

    • c. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid, en

    • d. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, is de vergunninghouder niet verplicht informatie te verstrekken voor zover die informatie betrekking heeft op:

    • a. het kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op of door rechtspersonen ten aanzien waarvan hij aan de minister schriftelijk en zonder enig voorbehoud heeft verklaard dat hij met die rechtspersonen één rechtspersoon vormt als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep, of

    • b. het door natuurlijke personen kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op rechtspersonen als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep die vallen onder de verklaring, bedoeld in onderdeel a.

Artikel 7. Kennisgeving ingebruikname

  • 1. De vergunninghouder, of een gemachtigde, stelt de Minister van elke wijziging in het gebruik van de frequentieruimte uiterlijk vier weken voorafgaand aan die wijziging schriftelijk in kennis.

  • 2. De vergunninghouder overlegt de technische gegevens in elektronische vorm conform het format zoals opgenomen op de website van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur.

Artikel 8. Correspondentie

Kennisgevingen en correspondentie die verband houden met deze vergunning, worden gericht aan de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur te Groningen, tenzij door of vanwege de minister anders wordt aangegeven.

Artikel 9. Bijbehorende vergunning voor DAB+

De vergunninghouder is tevens houder van de vergunning voor DAB+ die deel uitmaakt van pakket LCO5.

Artikel 10. Duur van de vergunning

Deze vergunning is geldig van 1 september 2023 tot en met 31 augustus 2035, dan wel tot en met de dag waarop de vergunninghouder niet langer houder is van de bijbehorende vergunning voor DAB+, zoals bedoeld in artikel 9.

BIJLAGE 6 CONCEPTVERGUNNING FM KAVEL A06

Artikel 1. Definities

In deze vergunning wordt verstaan onder:

a. minister:

Minister van Economische Zaken en Klimaat;

b. vergunning:

vergunning als bedoeld in artikelen 3.13 en 3.14 van de Telecommunicatiewet en artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013 voor het gebruik van frequentieruimte in de band van 87,5-104,8 MHz;

c. kavel:

frequentie of samenstel van frequenties, behorend bij een vergunning;

d. pakket:

combinatie van vergunningen als bedoeld in artikel 1 van Besluit bekendmaking veiling vergunningen landelijke commerciële radio-omroep 2023 bestaande uit een vergunning voor FM-kavel A06 en een vergunning voor DAB+ in frequentieblok 11C;

e. ziekenhuis:

instelling voor medisch-specialistische zorg als bedoeld in artikel 1.2, onder 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi;

f. commerciële radio-omroep:

radio-omroep als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008 die wordt verzorgd door een commerciële media-instelling als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet.

Artikel 2. Gebruiksrecht

  • 1. Het gebruiksrecht omvat het gebruik van de frequentieruimte, opgenomen in de bijlage bij deze vergunning, voor landelijke commerciële radio-omroep zonder clausulering (kavel A06).

  • 2. De vergunninghouder neemt de aan hem toegewezen frequentieruimte binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze vergunning in gebruik en houdt deze in gebruik.

  • 3. De vergunninghouder neemt daarbij de voorschriften en beperkingen bedoeld in de artikelen 3 tot en met 11 en de bijlagen van deze vergunning in acht.

  • 4. In afwijking van het tweede lid, kan de ingebruiknameverplichting op aanvraag van de vergunninghouder worden verlaagd, indien de minister daaraan voorafgaand kenbaar heeft gemaakt dat een verlaging wenselijk is en onder welke voorwaarden dit mogelijk is.

Artikel 3. Non Interference Base

  • 1. Frequenties ten aanzien waarvan in de bijlage is opgenomen dat zij op Non Interference Base zijn verleend, mogen geen storing veroorzaken op andere vergunninghouders en ondervonden storing van andere vergunninghouders dient door de vergunninghouder te worden geaccepteerd.

  • 2. De technische parameters van de in het eerste lid bedoelde zenders kunnen in het kader van doelmatig frequentiegebruik tussentijds gewijzigd of ingetrokken worden.

Artikel 4. Beperkingen ter voorkoming van grootsignaalgedrag

De vergunninghouder zorgt ervoor dat in totaal ten hoogste 2000 inwoners in een of meer gebieden woonachtig zijn waar de veldsterkte veroorzaakt door de frequentie 102,6 MHz te Hengelo onderscheidenlijk 102,3 MHz te Roermond hoger is dan 95 dBuV/m. De veldsterkte wordt bepaald op anderhalve meter hoogte.

Artikel 5. Beperkingen ter uitvoering van de Beleidsregel storing door het gewenste signaal van radiozendapparaten

  • 1. De vergunninghouder veroorzaakt:

    • a. geen ontoelaatbare belemmeringen door het gewenste signaal van radioapparaten in andere radioapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen, en

    • b. in het frequentiegebied van 100 kHz tot en met 2,5 GHz in ziekenhuizen, alsmede op de percelen waar deze ziekenhuizen staan, geen piekwaarde van de elektrische veldsterkte die gelijk is aan of hoger is dan 5,4 volt per meter.

  • 2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien een vergunninghouder op of in een ziekenhuis of het perceel waarop dat ziekenhuis staat een radioapparaat heeft geplaatst met schriftelijke instemming van dat ziekenhuis.

Artikel 6. Programmatische voorschriften

De vergunninghouder is verplicht de aan hem vergunde frequentieruimte te gebruiken voor het uitzenden van een radioprogramma voor landelijke commerciële radio-omroep waarin tussen 07.00 en 23.00 uur, voor zover in deze uren wordt uitgezonden, ten minste eenmaal per uur op het hele uur een programmaonderdeel is opgenomen dat geheel bestaat uit nieuws.

Artikel 7. Wijzigingen betreffende verbondenheid

  • 1. De vergunninghouder informeert de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur onmiddellijk over:

    • a. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen uitoefenen;

    • b. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect kan uitoefenen op het beleid van andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen;

    • c. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid, en

    • d. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, is de vergunninghouder niet verplicht informatie te verstrekken voor zover die informatie betrekking heeft op:

    • a. het kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op of door rechtspersonen ten aanzien waarvan hij aan de minister schriftelijk en zonder enig voorbehoud heeft verklaard dat hij met die rechtspersonen één rechtspersoon vormt als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep, of

    • b. het door natuurlijke personen kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op rechtspersonen als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep die vallen onder de verklaring, bedoeld in onderdeel a.

Artikel 8. Kennisgeving ingebruikname

  • 1. De vergunninghouder, of een gemachtigde, stelt de Minister van elke wijziging in het gebruik van de frequentieruimte uiterlijk vier weken voorafgaand aan die wijziging schriftelijk in kennis.

  • 2. De vergunninghouder overlegt de technische gegevens in elektronische vorm conform het format zoals opgenomen op de website van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur.

Artikel 9. Correspondentie

Kennisgevingen en correspondentie die verband houden met deze vergunning, worden gericht aan de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur te Groningen, tenzij door of vanwege de minister anders wordt aangegeven.

Artikel 10. Bijbehorende vergunning voor DAB+

De vergunninghouder is tevens houder van de vergunning voor DAB+ die deel uitmaakt van pakket LCO6.

Artikel 11. Duur van de vergunning

Deze vergunning is geldig van 1 september 2023 tot en met 31 augustus 2035, dan wel tot en met de dag waarop de vergunninghouder niet langer houder is van de bijbehorende vergunning voor DAB+, zoals bedoeld in artikel 10.

BIJLAGE 7 CONCEPTVERGUNNING FM KAVEL A07

Artikel 1. Definities

In deze vergunning wordt verstaan onder:

a. minister:

Minister van Economische Zaken en Klimaat;

b. vergunning:

vergunning als bedoeld in artikelen 3.13 en 3.14 van de Telecommunicatiewet en artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013 voor het gebruik van frequentieruimte in de band van 87,5-104,8 MHz;

c. kavel:

frequentie of samenstel van frequenties, behorend bij een vergunning;

d. pakket:

combinatie van vergunningen als bedoeld in artikel 1 van Besluit bekendmaking veiling vergunningen landelijke commerciële radio-omroep 2023 bestaande uit een vergunning voor FM-kavel A07 en een vergunning voor DAB+ in frequentieblok 11C;

e. ziekenhuis:

instelling voor medisch-specialistische zorg als bedoeld in artikel 1.2, onder 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi;

f. commerciële radio-omroep:

radio-omroep als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008 die wordt verzorgd door een commerciële media-instelling als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet.

Artikel 2. Gebruiksrecht

  • 1. Het gebruiksrecht omvat het gebruik van de frequentieruimte, opgenomen in de bijlage bij deze vergunning, voor landelijke commerciële radio-omroep zonder clausulering (kavel A07).

  • 2. De vergunninghouder neemt de aan hem toegewezen frequentieruimte binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze vergunning in gebruik en houdt deze in gebruik.

  • 3. De vergunninghouder neemt daarbij de voorschriften en beperkingen bedoeld in de artikelen 3 tot en met 11 en de bijlagen van deze vergunning in acht.

  • 4. In afwijking van het tweede lid, kan de ingebruiknameverplichting op aanvraag van de vergunninghouder worden verlaagd, indien de minister daaraan voorafgaand kenbaar heeft gemaakt dat een verlaging wenselijk is en onder welke voorwaarden dit mogelijk is.

Artikel 3. Non Interference Base

  • 1. Frequenties ten aanzien waarvan in de bijlage is opgenomen dat zij op Non Interference Base zijn verleend, mogen geen storing veroorzaken op andere vergunninghouders en ondervonden storing van andere vergunninghouders dient door de vergunninghouder te worden geaccepteerd.

  • 2. De technische parameters van de in het eerste lid bedoelde zenders kunnen in het kader van doelmatig frequentiegebruik tussentijds gewijzigd of ingetrokken worden.

Artikel 4. Beperkingen ter voorkoming van grootsignaalgedrag

De vergunninghouder zorgt ervoor dat het gebruik van de frequenties 87,8 MHz te Utrecht onderscheidenlijk 103,8 MHz te Rotterdam onderscheidenlijk 91,1 MHz te Maastricht zodanig is, dat per frequentie in totaal ten hoogste 2000 inwoners te maken hebben met een veldsterkte hoger dan 95 dBuV/m. De veldsterkte wordt bepaald op anderhalve meter hoogte.

Artikel 5. Beperkingen ter uitvoering van de Beleidsregel storing door het gewenste signaal van radiozendapparaten

  • 1. De vergunninghouder veroorzaakt:

    • a. geen ontoelaatbare belemmeringen door het gewenste signaal van radioapparaten in andere radioapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen, en

    • b. in het frequentiegebied van 100 kHz tot en met 2,5 GHz in ziekenhuizen, alsmede op de percelen waar deze ziekenhuizen staan, geen piekwaarde van de elektrische veldsterkte die gelijk is aan of hoger is dan 5,4 volt per meter.

  • 2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien een vergunninghouder op of in een ziekenhuis of het perceel waarop dat ziekenhuis staat een radioapparaat heeft geplaatst met schriftelijke instemming van dat ziekenhuis.

Artikel 6. Programmatische voorschriften

De vergunninghouder is verplicht de aan hem vergunde frequentieruimte te gebruiken voor het uitzenden van een radioprogramma voor landelijke commerciële radio-omroep waarin tussen 07.00 en 23.00 uur, voor zover in deze uren wordt uitgezonden, ten minste eenmaal per uur op het hele uur een programmaonderdeel is opgenomen dat geheel bestaat uit nieuws.

Artikel 7. Wijzigingen betreffende verbondenheid

  • 1. De vergunninghouder informeert de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur onmiddellijk over:

    • a. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen uitoefenen;

    • b. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect kan uitoefenen op het beleid van andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen;

    • c. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid, en

    • d. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, is de vergunninghouder niet verplicht informatie te verstrekken voor zover die informatie betrekking heeft op:

    • a. het kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op of door rechtspersonen ten aanzien waarvan hij aan de minister schriftelijk en zonder enig voorbehoud heeft verklaard dat hij met die rechtspersonen één rechtspersoon vormt als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep, of

    • b. het door natuurlijke personen kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op rechtspersonen als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep die vallen onder de verklaring, bedoeld in onderdeel a.

Artikel 8. Kennisgeving ingebruikname

  • 1. De vergunninghouder, of een gemachtigde, stelt de Minister van elke wijziging in het gebruik van de frequentieruimte uiterlijk vier weken voorafgaand aan die wijziging schriftelijk in kennis.

  • 2. De vergunninghouder overlegt de technische gegevens in elektronische vorm conform het format zoals opgenomen op de website van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur.

Artikel 9. Correspondentie

Kennisgevingen en correspondentie die verband houden met deze vergunning, worden gericht aan de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur te Groningen, tenzij door of vanwege de minister anders wordt aangegeven.

Artikel 10. Bijbehorende vergunning voor DAB+

De vergunninghouder is tevens houder van de vergunning voor DAB+ die deel uitmaakt van pakket LCO7.

Artikel 11. Duur van de vergunning

Deze vergunning is geldig van 1 september 2023 tot en met 31 augustus 2035, dan wel tot en met de dag waarop de vergunninghouder niet langer houder is van de bijbehorende vergunning voor DAB+, zoals bedoeld in artikel 10.

BIJLAGE 8 CONCEPTVERGUNNING FM KAVEL A08

Artikel 1. Definities

In deze vergunning wordt verstaan onder:

a. minister:

Minister van Economische Zaken en Klimaat;

b. vergunning:

vergunning als bedoeld in artikelen 3.13 en 3.14 van de Telecommunicatiewet en artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013 voor het gebruik van frequentieruimte in de band van 87,5-104,8 MHz;

c. kavel:

frequentie of samenstel van frequenties, behorend bij een vergunning;

d. pakket:

combinatie van vergunningen als bedoeld in artikel 1 van Besluit bekendmaking veiling vergunningen landelijke commerciële radio-omroep 2023 bestaande uit een vergunning voor FM-kavel A08 en een vergunning voor DAB+ in frequentieblok 11C;

e. ziekenhuis:

instelling voor medisch-specialistische zorg als bedoeld in artikel 1.2, onder 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi;

f. commerciële radio-omroep:

radio-omroep als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008 die wordt verzorgd door een commerciële media-instelling als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet.

Artikel 2. Gebruiksrecht

  • 1. Het gebruiksrecht omvat het gebruik van de frequentieruimte, opgenomen in de bijlage bij deze vergunning, voor landelijke commerciële radio-omroep zonder clausulering (kavel A08).

  • 2. De vergunninghouder neemt de aan hem toegewezen frequentieruimte binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze vergunning in gebruik en houdt deze in gebruik.

  • 3. De vergunninghouder neemt daarbij de voorschriften en beperkingen bedoeld in de artikelen 3 tot en met 10 en de bijlagen van deze vergunning in acht.

  • 4. In afwijking van het tweede lid, kan de ingebruiknameverplichting op aanvraag van de vergunninghouder worden verlaagd, indien de minister daaraan voorafgaand kenbaar heeft gemaakt dat een verlaging wenselijk is en onder welke voorwaarden dit mogelijk is.

Artikel 3. Non Interference Base

  • 1. Frequenties ten aanzien waarvan in de bijlage is opgenomen dat zij op Non Interference Base zijn verleend, mogen geen storing veroorzaken op andere vergunninghouders en ondervonden storing van andere vergunninghouders dient door de vergunninghouder te worden geaccepteerd.

  • 2. De technische parameters van de in het eerste lid bedoelde zenders kunnen in het kader van doelmatig frequentiegebruik tussentijds gewijzigd of ingetrokken worden.

Artikel 4. Beperkingen ter uitvoering van de Beleidsregel storing door het gewenste signaal van radiozendapparaten

  • 1. De vergunninghouder veroorzaakt:

    • a. geen ontoelaatbare belemmeringen door het gewenste signaal van radioapparaten in andere radioapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen, en

    • b. in het frequentiegebied van 100 kHz tot en met 2,5 GHz in ziekenhuizen, alsmede op de percelen waar deze ziekenhuizen staan, geen piekwaarde van de elektrische veldsterkte die gelijk is aan of hoger is dan 5,4 volt per meter.

  • 2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien een vergunninghouder op of in een ziekenhuis of het perceel waarop dat ziekenhuis staat een radioapparaat heeft geplaatst met schriftelijke instemming van dat ziekenhuis.

Artikel 5. Programmatische voorschriften

De vergunninghouder is verplicht de aan hem vergunde frequentieruimte te gebruiken voor het uitzenden van een radioprogramma voor landelijke commerciële radio-omroep waarin tussen 07.00 en 23.00 uur, voor zover in deze uren wordt uitgezonden, ten minste eenmaal per uur op het hele uur een programmaonderdeel is opgenomen dat geheel bestaat uit nieuws.

Artikel 6. Wijzigingen betreffende verbondenheid

  • 1. De vergunninghouder informeert de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur onmiddellijk over:

    • a. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen uitoefenen;

    • b. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect kan uitoefenen op het beleid van andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen;

    • c. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid, en

    • d. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, is de vergunninghouder niet verplicht informatie te verstrekken voor zover die informatie betrekking heeft op:

    • a. het kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op of door rechtspersonen ten aanzien waarvan hij aan de minister schriftelijk en zonder enig voorbehoud heeft verklaard dat hij met die rechtspersonen één rechtspersoon vormt als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep, of

    • b. het door natuurlijke personen kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op rechtspersonen als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep die vallen onder de verklaring, bedoeld in onderdeel a.

Artikel 7. Kennisgeving ingebruikname

  • 1. De vergunninghouder, of een gemachtigde, stelt de Minister van elke wijziging in het gebruik van de frequentieruimte uiterlijk vier weken voorafgaand aan die wijziging schriftelijk in kennis.

  • 2. De vergunninghouder overlegt de technische gegevens in elektronische vorm conform het format zoals opgenomen op de website van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur.

Artikel 8. Correspondentie

Kennisgevingen en correspondentie die verband houden met deze vergunning, worden gericht aan de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur te Groningen, tenzij door of vanwege de minister anders wordt aangegeven.

Artikel 9. Bijbehorende vergunning voor DAB+

De vergunninghouder is tevens houder van de vergunning voor DAB+ die deel uitmaakt van pakket LCO8.

Artikel 10. Duur van de vergunning

Deze vergunning is geldig van 1 september 2023 tot en met 31 augustus 2035, dan wel tot en met de dag waarop de vergunninghouder niet langer houder is van de bijbehorende vergunning voor DAB+, zoals bedoeld in artikel 9.

BIJLAGE 9 CONCEPTVERGUNNING FM KAVEL A09

Artikel 1. Definities

In deze vergunning wordt verstaan onder:

a. minister:

Minister van Economische Zaken en Klimaat;

b. vergunning:

vergunning als bedoeld in artikelen 3.13 en 3.14 van de Telecommunicatiewet en artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013 voor het gebruik van frequentieruimte in de band van 87,5-104,8 MHz;

c. kavel:

frequentie of samenstel van frequenties, behorend bij een vergunning;

d. pakket:

combinatie van vergunningen als bedoeld in artikel 1 van Besluit bekendmaking veiling vergunningen landelijke commerciële radio-omroep 2023 bestaande uit een vergunning voor FM-kavel A09 en een vergunning voor DAB+ in frequentieblok 11C;

e. ziekenhuis:

instelling voor medisch-specialistische zorg als bedoeld in artikel 1.2, onder 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi;

f. commerciële radio-omroep:

radio-omroep als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid,

Artikel 2. Gebruiksrecht

  • 1. Het gebruiksrecht omvat het gebruik van de frequentieruimte, opgenomen in de bijlage bij deze vergunning, voor landelijke commerciële radio-omroep met clausulering Nederlandstalige muziek (kavel A09).

  • 2. De vergunninghouder neemt de aan hem toegewezen frequentieruimte binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze vergunning in gebruik en houdt deze in gebruik.

  • 3. De vergunninghouder neemt daarbij de voorschriften en beperkingen bedoeld in de artikelen 3 tot en met 10 en de bijlagen van deze vergunning in acht.

  • 4. In afwijking van het tweede lid, kan de ingebruiknameverplichting op aanvraag van de vergunninghouder worden verlaagd, indien de minister daaraan voorafgaand kenbaar heeft gemaakt dat een verlaging wenselijk is en onder welke voorwaarden dit mogelijk is.

Artikel 3. Non Interference Base

  • 1. Frequenties ten aanzien waarvan in de bijlage is opgenomen dat zij op Non Interference Base zijn verleend, mogen geen storing veroorzaken op andere vergunninghouders en ondervonden storing van andere vergunninghouders dient door de vergunninghouder te worden geaccepteerd.

  • 2. De technische parameters van de in het eerste lid bedoelde zenders kunnen in het kader van doelmatig frequentiegebruik tussentijds gewijzigd of ingetrokken worden.

Artikel 4. Beperkingen ter uitvoering van de Beleidsregel storing door het gewenste signaal van radiozendapparaten

  • 1. De vergunninghouder veroorzaakt:

    • a. geen ontoelaatbare belemmeringen door het gewenste signaal van radioapparaten in andere radioapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen, en

    • b. in het frequentiegebied van 100 kHz tot en met 2,5 GHz in ziekenhuizen, alsmede op de percelen waar deze ziekenhuizen staan, geen piekwaarde van de elektrische veldsterkte die gelijk is aan of hoger is dan 5,4 volt per meter.

  • 2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien een vergunninghouder op of in een ziekenhuis of het perceel waarop dat ziekenhuis staat een radioapparaat heeft geplaatst met schriftelijke instemming van dat ziekenhuis.

Artikel 5. Programmatische voorschriften

De vergunninghouder is verplicht de aan hem vergunde frequentieruimte te gebruiken voor het uitzenden van een radioprogramma voor landelijke commerciële radio-omroep met clausulering Nederlandstalige muziek:

  • a. dat, in overeenstemming met de programmatische voorschriften zoals opgenomen in artikel <artikel> van de Regeling aanwijzing en gebruik frequentieruimte commerciële radio-omroep 2003, en

  • b. waarin tussen 07.00 en 23.00 uur, voor zover in deze uren wordt uitgezonden, ten minste eenmaal per uur op het hele uur een programmaonderdeel geheel bestaande uit nieuws is opgenomen.

Artikel 6. Wijzigingen betreffende verbondenheid

  • 1. De vergunninghouder informeert de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur onmiddellijk over:

    • a. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen uitoefenen;

    • b. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, direct of indirect kan uitoefenen op het beleid van andere rechtspersonen die een FM-vergunning houden of diens groepsmaatschappijen;

    • c. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid, en

    • d. wijzigingen in de zeggenschap of feitelijke invloed die natuurlijke personen direct of indirect kunnen uitoefenen op het beleid van een andere rechtspersoon die een FM-vergunning houdt of diens groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien die natuurlijke personen direct of indirect een zodanige zeggenschap of feitelijke invloed hebben dat zij in belangrijke mate het beleid van de vergunninghouder of diens groepsmaatschappijen kunnen bepalen of aanmerkelijke invloed hebben op de inhoud van dat beleid.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, is de vergunninghouder niet verplicht informatie te verstrekken voor zover die informatie betrekking heeft op:

    • a. het kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op of door rechtspersonen ten aanzien waarvan hij aan de minister schriftelijk en zonder enig voorbehoud heeft verklaard dat hij met die rechtspersonen één rechtspersoon vormt als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep, of

    • b. het door natuurlijke personen kunnen uitoefenen van zeggenschap of feitelijke invloed op rechtspersonen als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep die vallen onder de verklaring, bedoeld in onderdeel a.

Artikel 7. Kennisgeving ingebruikname

  • 1. De vergunninghouder, of een gemachtigde, stelt de Minister van elke wijziging in het gebruik van de frequentieruimte uiterlijk vier weken voorafgaand aan die wijziging schriftelijk in kennis.

  • 2. De vergunninghouder overlegt de technische gegevens in elektronische vorm conform het format zoals opgenomen op de website van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur.

Artikel 8. Correspondentie

Kennisgevingen en correspondentie die verband houden met deze vergunning, worden gericht aan de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur te Groningen, tenzij door of vanwege de minister anders wordt aangegeven.

Artikel 9. Bijbehorende vergunning voor DAB+

De vergunninghouder is tevens houder van de vergunning voor DAB+ die deel uitmaakt van pakket LCO9.

Artikel 10. Duur van de vergunning

Deze vergunning is geldig van 1 september 2023 tot en met 31 augustus 2035, dan wel tot en met de dag waarop de vergunninghouder niet langer houder is van de bijbehorende vergunning voor DAB+, zoals bedoeld in artikel 9.

BIJLAGE 10 BIJLAGE SPECTRUMMASKER EN ZEROBASE NORM CONCEPTVERGUNNING FM

Bijlage B behorend bij artikel 2 van de vergunning

Spectrummasker

De vergunninghouder zendt uit binnen het in figuur 1 bedoelde masker (gemeten volgens de procedure zoals vermeld in Annex 1 van ITU-R SM 1268-5).

In tabel 1 is dit masker in tabelvorm weergegeven.

Figuur 1: Spectrummasker voor FM-uitzendingen.

Figuur 1: Spectrummasker voor FM-uitzendingen.

Bron: ITU-R SM 1268-5

Tabel 1: Spectrummasker voor FM-uitzendingen in tabelvorm.

x-as

(kHz)

y-as

(dB)

f0 – 74

0

f0 – 107,5

–15

f0 – 124

–30

f0 – 152,5

–40

f0 + 74

0

f0 + 107,5

–15

f0 + 124

–30

f0 + 152,5

–40

Bron: ITU-R SM 1268-5

Zerobase norm

De frequentieplanning en de berekening van het theoretische verzorgingsgebied (het zogenaamde groene gebied) van FM-omroepfrequenties van 87,6 MHz tot en met 104,8 MHz geschiedt op basis van onderstaande zerobase norm die is gebruikt bij de uitgifte van deze vergunningen in 2003 en nadien.

Item

Parameter

Propagatiemodel

Recommandatie ITU-R P.370-7 met TCA en morfografie

Ontvangstantenne

Non-directief

Hoogte ontvangstantenne

1,5 meter; met een morfografisch afhankelijke correctie om van 10 meter naar 1,5 meter om te rekenen

Polarisatiediscriminatie

Geen

Gewenst signaalniveau

50% plaats

50% tijd

Ongewenst signaalniveau

50% plaats

10% tijd & 50% tijd (worst case)

Terrein-oneffenheid

Terrain Clearance Angle (TCA) vanaf 5 km en verder conform recommandatie ITU-R P.370-7

Berekening interferentie

Methode sterkste stoorder

Ontvangst

Stereo

Minimum bruikbare veldsterkte

37 tot 43,5 dBµV/meter op 1,5 meter hoogte, afhankelijk van de morfografie

Item

Frequentie afstand zenders

Protectieverhouding

Protectieverhoudingen conventioneel geplande zenders voor respectievelijk continue / troposferische storing

0 kHz

40 dB / 32 dB

100 kHz

30 dB / 22 dB

200 kHz

–2 dB

300 kHz

–15 dB

400 kHz

–25 dB

Protectieverhoudingen voor SFN en NSF geplande zenders

0 kHz

Tussen 2 en 25 dB (afhankelijk van looptijd)

100 kHz

5 dB

200 kHz

–5 dB

300 kHz

–15 dB

400 kHz

–25 dB

BIJLAGE 11 BIJLAGE TECHNISCHE PARAMETERS KAVEL A01

Bijlage A Technische parameters behorend bij artikel 2 van de vergunning

Kavel

A01

Dossiernummer

<dossiernummer>

Datum

<datum>

Aantal bladen

1 van 46

Samenstelling Kavel A01

Opstelplaats

Frequentie

Vermogen (ERP)

SMILDE

101,0 MHz

93,325 kW

NIJMEGEN

101,1 MHz

3,715 kW

HILVERSUM

101,2 MHz

199,526 kW

HENGELO

101,2 MHz

31,623 kW

APELDOORN

101,2 MHz

0,427 kW

TERNEUZEN

101,2 MHz

1,000 kW

ROOSENDAAL

101,3 MHz

6,761 kW

DEVENTER

101,4 MHz

10,000 kW

ALKMAAR

101,4 MHz

0,100 kW

LELYSTAD

101,4 MHz

0,047 kW

ROTTERDAM

101,5 MHz

8,318 kW

ARNHEM

101,5 MHz

3,548 kW

DEN BOSCH

101,5 MHz

7,244 kW

AMSTERDAM

101,5 MHz

0,021 kW

LOPIK

101,5 MHz

0,066 kW

ROERMOND

101,6 MHz

1,738 kW

MIERLO

101,6 MHz

5,754 kW

DEN HAAG

101,7 MHz

0,295 kW

BREDA

101,7 MHz

9,550 kW

BOXTEL

101,8 MHz

5,495 kW

TILBURG

101,9 MHz

9,120 kW

GOES

101,9 MHz

36,308 kW

     

Toelichting bij punt 5:

Onder punt 5 van deze bijlage zijn, indien noodzakelijk, aanvullende restricties opgenomen voor omroepzenders ten behoeve van het voorkomen van storing in de luchtvaartband 108–118 MHz. De onderdrukking van ongewenste uitstraling van de gehele zendinstallatie in de luchtvaartband dient minimaal te voldoen aan ITU-R SM.1009-1, daarbij wordt voor de verticale apertuur uitgegaan van de waarden zoals vermeld in ITU-R SM.1009-1. Indien er een waarde voor de onderdrukking van ongewenste uitstraling in dBc is opgegeven dan geldt deze aanvullende eis voor de gehele zendinstallatie.

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

2 van 46

   
 

SMILDE 101,0 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

SMILDE

 

Lengte/breedtegraad

006E24 12,8 / 52N54 10,2

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

254 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

12 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,0 MHz

 

ERP

93,325 kW

 

ERPmax

93,325 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

0,0

180

0,0

10

0,0

190

0,1

20

0,0

200

0,3

30

0,1

210

0,0

40

0,1

220

0,0

50

0,0

230

0,0

60

0,0

240

0,0

70

0,0

250

0,3

80

0,0

260

0,3

90

0,0

270

0,0

100

0,0

280

0,0

110

0,0

290

0,0

120

0,0

300

0,0

130

0,0

310

0,0

140

0,0

320

0,0

150

0,0

330

0,0

160

0,0

340

0,0

170

0,0

350

0,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

89 dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

4 van 46

   
 

NIJMEGEN 101,1 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

NIJMEGEN

 

Lengte/breedtegraad

005E48 54,1 / 51N50 31,8

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

85 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

10 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,1 MHz

 

ERP

3,715 kW

 

ERPmax

3,715 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja, uitgifte op NIB-basis. Artikel 4.7 Geneve 1984 met Duitsland.

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

13,4

180

0,0

10

13,5

190

0,6

20

13,6

200

1,5

30

13,8

210

7,8

40

13,8

220

9,8

50

13,7

230

9,8

60

13,3

240

8,0

70

12,5

250

9,8

80

11,3

260

11,3

90

9,8

270

12,5

100

8,0

280

13,3

110

8,8

290

13,7

120

8,8

300

13,8

130

5,8

310

13,8

140

1,5

320

13,6

150

0,6

330

13,5

160

1,8

340

13,4

170

1,8

350

13,3

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

6 van 46

   
 

HILVERSUM 101,2 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

HILVERSUM

 

Lengte/breedtegraad

005E09 52,2 / 52N14 33,6

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

174 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

8 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,2 MHz

 

ERP

199,526 kW

 

ERPmax

199,526 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja, uitgifte op NIB-basis. Artikel 4.7 Geneve 1984 met Luxemburg.

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

0,0

180

8,0

10

0,0

190

5,0

20

5,0

200

6,0

30

7,0

210

2,0

40

9,0

220

6,0

50

10,0

230

2,0

60

14,0

240

6,0

70

16,0

250

5,0

80

11,0

260

0,0

90

4,0

270

0,0

100

8,0

280

0,0

110

11,0

290

0,0

120

13,0

300

0,0

130

14,0

310

0,0

140

7,0

320

0,0

150

2,0

330

0,0

160

7,0

340

0,0

170

8,0

350

0,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

94 dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

8 van 46

   
 

HENGELO 101,2 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

HENGELO

 

Lengte/breedtegraad

006E51 29,0 / 52N13 19,0

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

51 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

27 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,2 MHz

 

ERP

31,623 kW

 

ERPmax

31,623 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

11,0

180

20,8

10

11,0

190

20,1

20

12,0

200

23,0

30

10,0

210

6,4

40

16,9

220

3,2

50

20,2

230

3,7

60

24,9

240

3,7

70

18,0

250

4,5

80

13,4

260

3,4

90

13,4

270

0,0

100

10,0

280

0,0

110

15,9

290

0,0

120

19,3

300

2,2

130

19,3

310

0,0

140

19,0

320

0,0

150

20,0

330

0,0

160

21,0

340

1,0

170

21,0

350

9,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

10 van 46

   
 

APELDOORN 101,2 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

APELDOORN

 

Lengte/breedtegraad

005E53 47,6 / 52N10 05,1

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

50 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

78 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,2 MHz

 

ERP

0,427 kW

 

ERPmax

0,427 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

0,0

180

1,0

10

0,0

190

0,0

20

0,0

200

0,0

30

0,0

210

0,0

40

0,0

220

0,0

50

0,0

230

0,0

60

0,0

240

1,8

70

0,0

250

3,8

80

0,2

260

8,2

90

0,2

270

10,4

100

0,0

280

10,4

110

0,0

290

2,1

120

0,0

300

0,0

130

0,0

310

0,0

140

0,0

320

0,0

150

0,0

330

0,0

160

0,0

340

0,0

170

1,0

350

0,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

12 van 46

   
 

TERNEUZEN 101,2 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

TERNEUZEN

 

Lengte/breedtegraad

003E39 00,2 / 51N20 31,4

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

45 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

1 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,2 MHz

 

ERP

1,000 kW

 

ERPmax

1,000 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

0,0

180

4,0

10

0,0

190

3,0

20

0,0

200

6,3

30

0,0

210

7,3

40

0,0

220

6,5

50

0,0

230

3,0

60

0,0

240

6,5

70

2,0

250

7,0

80

2,0

260

8,4

90

2,0

270

8,0

100

2,9

280

2,0

110

3,6

290

2,0

120

2,7

300

0,0

130

4,0

310

0,0

140

6,3

320

0,0

150

6,0

330

0,0

160

2,0

340

0,0

170

2,5

350

0,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

14 van 46

   
 

ROOSENDAAL 101,3 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

ROOSENDAAL

 

Lengte/breedtegraad

004E27 40,2 / 51N31 23,1

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

99 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

4 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,3 MHz

 

ERP

6,761 kW

 

ERPmax

6,761 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

0,0

180

10,7

10

0,0

190

10,8

20

0,0

200

10,1

30

0,2

210

10,0

40

0,0

220

10,7

50

0,0

230

10,7

60

0,0

240

10,8

70

0,0

250

10,8

80

10,2

260

6,2

90

14,3

270

6,9

100

16,3

280

0,9

110

17,0

290

0,1

120

17,0

300

0,0

130

17,0

310

0,0

140

17,0

320

0,0

150

17,0

330

0,0

160

17,0

340

0,0

170

17,0

350

0,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

98 dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

16 van 46

   
 

DEVENTER 101,4 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

DEVENTER

 

Lengte/breedtegraad

006E10 22,8 / 52N14 09,1

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

60 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

5 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,4 MHz

 

ERP

10,000 kW

 

ERPmax

10,000 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja, uitgifte op NIB-basis. Artikel 4.7 Geneve 1984 met Duitsland.

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

0,0

180

17,0

10

3,0

190

18,0

20

7,0

200

21,0

30

10,0

210

21,0

40

21,0

220

20,0

50

23,0

230

14,0

60

25,0

240

5,0

70

23,0

250

0,0

80

23,0

260

0,0

90

21,0

270

0,0

100

19,0

280

0,0

110

16,0

290

0,0

120

15,0

300

0,0

130

16,0

310

0,0

140

16,0

320

0,0

150

15,0

330

0,0

160

15,0

340

0,0

170

16,0

350

0,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

18 van 46

   
 

ALKMAAR 101,4 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

ALKMAAR

 

Lengte/breedtegraad

004E46 03,4 / 52N37 03,6

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

40 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

1 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,4 MHz

 

ERP

0,100 kW

 

ERPmax

0,100 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

0,0

180

0,0

10

0,0

190

0,0

20

0,0

200

0,0

30

0,0

210

0,0

40

0,0

220

0,0

50

0,0

230

0,0

60

0,0

240

0,0

70

0,0

250

0,0

80

0,0

260

0,0

90

0,0

270

0,0

100

0,0

280

0,0

110

0,0

290

0,0

120

0,0

300

0,0

130

0,0

310

0,0

140

0,0

320

0,0

150

0,0

330

0,0

160

0,0

340

0,0

170

0,0

350

0,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

20 van 46

   
 

LELYSTAD 101,4 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

LELYSTAD

 

Lengte/breedtegraad

005E26 16,4 / 52N31 34,1

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

105 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

2 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,4 MHz

 

ERP

0,047 kW

 

ERPmax

0,047 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

0,0

180

0,0

10

0,0

190

0,0

20

0,0

200

0,0

30

0,0

210

0,0

40

3,0

220

0,0

50

3,0

230

0,0

60

0,0

240

0,0

70

0,0

250

0,0

80

0,0

260

0,0

90

0,0

270

0,0

100

0,0

280

0,0

110

9,0

290

0,0

120

10,0

300

0,0

130

0,0

310

0,0

140

0,0

320

0,1

150

0,0

330

0,1

160

0,0

340

0,1

170

0,0

350

0,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

22 van 46

   
 

ROTTERDAM 101,5 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

ROTTERDAM

 

Lengte/breedtegraad

004E26 54,6 / 51N52 32,8

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

177 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

4 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,5 MHz

 

ERP

8,318 kW

 

ERPmax

8,318 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

0,0

180

10,0

10

0,0

190

10,0

20

0,0

200

16,0

30

0,0

210

20,0

40

0,0

220

21,0

50

0,0

230

17,0

60

10,0

240

10,0

70

12,0

250

6,0

80

13,0

260

6,0

90

10,0

270

9,0

100

7,0

280

14,0

110

8,0

290

13,0

120

9,0

300

8,0

130

12,0

310

0,0

140

16,0

320

0,0

150

12,0

330

0,0

160

12,0

340

0,0

170

10,0

350

0,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

82 dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

24 van 46

   
 

ARNHEM 101,5 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

ARNHEM

 

Lengte/breedtegraad

005E52 33,5 / 51N59 10,6

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

132 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

41 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,5 MHz

 

ERP

3,548 kW

 

ERPmax

3,548 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

0,0

180

6,0

10

0,0

190

6,0

20

0,0

200

6,0

30

3,0

210

6,0

40

7,0

220

6,0

50

17,0

230

4,0

60

17,0

240

4,5

70

17,0

250

0,0

80

7,0

260

0,0

90

3,0

270

0,0

100

3,0

280

0,0

110

12,0

290

0,0

120

12,0

300

3,0

130

12,0

310

4,0

140

12,0

320

9,0

150

12,0

330

9,0

160

8,0

340

9,0

170

7,0

350

8,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

26 van 46

   
 

DEN BOSCH 101,5 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

DEN BOSCH

 

Lengte/breedtegraad

005E17 47,4 / 51N39 54,1

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

50 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

6 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,5 MHz

 

ERP

7,244 kW

 

ERPmax

7,244 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

0,0

180

10,4

10

0,0

190

16,0

20

0,0

200

16,0

30

0,0

210

11,0

40

5,0

220

11,0

50

14,0

230

10,0

60

14,0

240

11,4

70

7,0

250

11,3

80

4,0

260

0,0

90

4,0

270

0,7

100

0,0

280

1,5

110

1,0

290

1,6

120

1,6

300

1,4

130

5,0

310

0,0

140

4,0

320

0,0

150

5,0

330

0,0

160

11,7

340

0,0

170

12,2

350

0,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

28 van 46

   
 

AMSTERDAM 101,5 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

AMSTERDAM

 

Lengte/breedtegraad

004E53 14,5 / 52N20 11,0

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

135 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

–1 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,5 MHz

 

ERP

0,021 kW

 

ERPmax

0,021 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Nee, uitgifte op NIB-basis. Artikel 4.7 Geneve 1984.

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

4,0

180

6,0

10

4,0

190

6,0

20

4,0

200

6,0

30

3,0

210

6,0

40

2,0

220

5,0

50

1,0

230

3,0

60

0,0

240

1,0

70

1,0

250

0,0

80

6,0

260

2,0

90

6,0

270

8,0

100

1,0

280

5,0

110

0,0

290

2,0

120

0,0

300

0,0

130

0,0

310

0,0

140

2,0

320

0,0

150

5,0

330

1,0

160

7,0

340

2,0

170

7,0

350

3,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

79 dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

30 van 46

   
 

LOPIK 101,5 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

LOPIK

 

Lengte/breedtegraad

005E03 12,8 / 52N00 36,2

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

310 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

1 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,5 MHz

 

ERP

0,066 kW

 

ERPmax

0,066 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

5,0

180

3,0

10

4,0

190

3,0

20

2,0

200

0,0

30

0,0

210

3,0

40

0,0

220

6,0

50

2,0

230

10,0

60

6,0

240

8,0

70

9,0

250

5,0

80

6,0

260

4,0

90

0,0

270

3,0

100

0,0

280

2,0

110

0,0

290

0,0

120

0,0

300

0,0

130

0,0

310

0,0

140

0,0

320

0,0

150

3,0

330

1,0

160

4,0

340

4,0

170

3,0

350

5,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

65 dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

32 van 46

   
 

ROERMOND 101,6 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

ROERMOND

 

Lengte/breedtegraad

005E58 32,4 / 51N11 02,1

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

140 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

24 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,6 MHz

 

ERP

1,738 kW

 

ERPmax

1,738 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

13,8

180

0,8

10

18,8

190

8,8

20

22,8

200

4,8

30

18,8

210

2,8

40

12,8

220

0,1

50

9,8

230

13,8

60

8,8

240

13,8

70

4,8

250

13,8

80

0,8

260

13,8

90

2,8

270

13,8

100

5,8

280

12,8

110

3,8

290

17,8

120

3,8

300

17,8

130

3,8

310

17,8

140

4,8

320

17,8

150

3,8

330

13,8

160

2,8

340

13,8

170

0,0

350

12,8

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

34 van 46

   
 

MIERLO 101,6 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

MIERLO

 

Lengte/breedtegraad

005E36 17,3 / 51N26 16,7

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

88 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

21 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,6 MHz

 

ERP

5,754 kW

 

ERPmax

5,754 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

4,7

180

8,9

10

4,7

190

9,0

20

6,7

200

7,9

30

18,7

210

6,9

40

26,7

220

8,8

50

26,7

230

11,9

60

21,7

240

6,7

70

16,7

250

3,0

80

17,0

260

1,0

90

17,0

270

0,0

100

17,0

280

0,0

110

15,0

290

0,0

120

4,8

300

0,0

130

7,7

310

0,0

140

10,7

320

1,0

150

9,7

330

2,0

160

8,7

340

3,5

170

9,0

350

4,5

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

36 van 46

   
 

DEN HAAG 101,7 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

DEN HAAG

 

Lengte/breedtegraad

004E20 09,1 / 52N04 50,5

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

104 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

1 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,7 MHz

 

ERP

0,295 kW

 

ERPmax

0,295 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

0,0

180

14,0

10

0,0

190

0,0

20

0,0

200

0,0

30

0,0

210

0,0

40

3,0

220

0,0

50

3,0

230

0,0

60

3,0

240

0,0

70

0,0

250

0,0

80

0,0

260

0,0

90

0,0

270

0,0

100

8,0

280

0,0

110

8,0

290

0,0

120

0,0

300

0,0

130

5,0

310

0,0

140

10,0

320

0,0

150

14,0

330

0,0

160

14,0

340

0,0

170

14,0

350

0,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

77 dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

38 van 46

   
 

BREDA 101,7 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

BREDA

 

Lengte/breedtegraad

004E48 14,5 / 51N34 49,4

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

45 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

4 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,7 MHz

 

ERP

9,550 kW

 

ERPmax

9,550 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

0,0

180

21,0

10

0,0

190

20,0

20

4,0

200

18,0

30

6,0

210

14,0

40

8,0

220

11,0

50

12,0

230

9,0

60

20,0

240

7,0

70

26,0

250

4,0

80

25,0

260

2,0

90

25,0

270

2,0

100

26,0

280

2,0

110

25,0

290

0,0

120

24,0

300

0,0

130

23,0

310

0,0

140

23,0

320

0,0

150

22,0

330

0,0

160

22,0

340

0,0

170

22,0

350

0,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

40 van 46

   
 

BOXTEL 101,8 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

BOXTEL

 

Lengte/breedtegraad

005E19 03,7 / 51N35 03,7

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

37 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

9 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,8 MHz

 

ERP

5,495 kW

 

ERPmax

5,495 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

0,0

180

8,6

10

0,0

190

2,0

20

7,4

200

2,4

30

10,2

210

6,3

40

10,5

220

7,5

50

5,0

230

10,1

60

14,0

240

8,1

70

14,1

250

12,4

80

14,9

260

12,4

90

0,0

270

10,0

100

4,4

280

5,0

110

5,0

290

0,0

120

3,4

300

0,0

130

1,5

310

0,0

140

6,8

320

0,0

150

6,4

330

0,0

160

8,0

340

0,0

170

10,8

350

0,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

42 van 46

   
 

TILBURG 101,9 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

TILBURG

 

Lengte/breedtegraad

005E03 31,5 / 51N32 42,7

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

52 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

14 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,9 MHz

 

ERP

9,120 kW

 

ERPmax

9,120 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

8,3

180

13,0

10

2,3

190

13,0

20

2,0

200

13,0

30

4,0

210

15,0

40

7,0

220

14,0

50

16,0

230

14,0

60

16,0

240

16,0

70

14,0

250

18,0

80

13,0

260

21,0

90

13,0

270

21,0

100

14,0

280

14,0

110

14,0

290

9,0

120

16,0

300

2,0

130

18,0

310

0,0

140

20,0

320

0,0

150

17,0

330

0,0

160

26,0

340

0,0

170

26,0

350

3,0

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

Grafische weergave antennediagram (0 = geografisch Noorden)

5

Aanvullende eisen m.b.t. bescherming van de luchtvaart

 

Minimale onderdrukking in de luchtvaartband

dBc

 

Kavel

A01

 

Dossiernummer

<dossiernummer>

 

Datum

<datum>

 

Aantal bladen

44 van 46

   
 

GOES 101,9 MHz

   

1

Gegevens locatie

 

Naam

GOES

 

Lengte/breedtegraad

003E53 04,2 / 51N30 38,9

 

Hoogte antenne t.o.v. maaiveld

119 meter

 

Hoogte maaiveld t.o.v. NAP

1 meter

     

2

Gegevens t.b.v. zendsysteem

 

Frequentie

101,9 MHz

 

ERP

36,308 kW

 

ERPmax

36,308 kW

 

Offset type

Gesynchroniseerd

 

SFN ID

C1

 

System

4 (volgens GE’84 paragraaf 3.1)

 

Polarisatie

Verticaal

 

Klasse van uitzending

300KF9E

     

3

Gegevens internationale coördinatie frequentiegebruiksrechten

 

Internationale coördinatie afgerond

Ja

     

4

Gegevens m.b.t. antennesysteem

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

Zendhoek AZM

(graden)

Verzwakking

(dB)

0

0,0

180

1,0

10

1,0

190

1,0

20

2,0

200

1,0

30

2,0

210

2,0

40

1,0

220

1,0

50

0,0

230

1,0

60

2,0

240

2,5

70

2,0

250

1,9

80

0,0

260

2,2

90

0,0

270

1,6

100

1,0

280

1,1

110

1,0

290

2,1

120

2,0

300

1,7

130

1,0

310

1,0

140

1,0

320

2,0

150

3,0

330

2,0

160